archiveren

Nederlandstalige literatuur

b6c12686c356dbc59755a4c7651444341587343_v5
De roman Goëtia van Frits Lapidoth verscheen al in 1893 en is daarna nooit meer herdrukt. Ik was het boek al eens tegen gekomen op veilingsites en daar wordt de eerste druk voor hoge bedragen verkocht. Het verhaal was al wel beschikbaar op de Dbnl, maar die tekst is ontdaan van de oude spelling en met een inleiding wordt het verhaal in de juiste literaire context geplaatst. Lapidoth (1861 – 1932) was een belangrijk criticus en journalist die rond 1890 in Parijs woonde en daar voor het Nederlandse publiek verslag deed van het culturele leven. Hij schreef poëzie, romans en verhalen.

En dit is me nogal een verhaal. Hoofdpersoon is Goëtia, het alter ego van de jonge Olga Tredjakow. Zij is een rijke weduwe en heks en houdt salon in het decadente Parijs van 1890. Deze ‘priesteres van de zwarte kunst’ wordt in het verhaal geïntroduceerd door de illusionist Magnus, als zij een toespraak houdt waarmee zij haar publiek direct in vervoering brengt.

Dit alles heeft een voorgeschiedenis en die begint in Rusland, in Charkow. Goëtia heet nog Olga Kostroma en woont bij haar vader. Haar moeder is vroeg gestorven. Zij gaat om met studenten die door haar vader als dokter worden behandeld en ze wordt aanbeden door de dichter Stephan Dourow. Nu hadden die studenten geld aangenomen van een nihilist en zij werden daarvoor allemaal opgepakt, inclusief de vader van Olga. Dourow verdween naar een Siberisch werkkamp en Olga’s vader komt om in de gevangenis.

Dat zet een reeks gebeurtenissen in gang die maar leiden tot één ding; wraak. Olga vertrekt naar Sint Petersburg en via het toneel werkt ze zich op en wordt een bekende society-verschijning;

Zij was begonnen haar vader en haar vrienden te wreken. Dat al meer grote heren verslaafd raakten aan de morfine, aan chloraal, aan ether; déze was gaan drinken tot zijn ondergang in een vreselijk delirium-tremens; dat gene zenuwzwakke was gaan lijden aan toevallen…dat alles had zij bewerkstelligd.

Zij trouwt de oude, rijke graaf Tredjakow en ze gaan in Parijs wonen. Intussen heeft Olga zich zeer verdiept in het occultisme, spiritisme en hypnose, allemaal ter verhulling en uitvoering van haar wraakzuchtige taak. Zij gaat salon houden in Parijs en wordt daar ook een bekende persoon. Ze raakt meer en meer thuis in de occulte wereld maar wil meer leren en vertrekt daarvoor naar New York, waar ze zich inschrijft op de ‘Academy for Physical Research’. Daar leert ze de technieken die spiritisten gebruiken in hun seances en die gaat ze, eenmaal terug in Parijs weer aanwenden in haar eigen voorstellingen als Goëtia.

Haar vroegere vriend Dourow blijkt ondertussen ook in Parijs te zijn. Hij is bevrijd uit het kamphospitaal door de nihilisten en heeft zich aan hen gecommitteerd. Zij willen in Parijs de samenleving ontwrichten door het plegen van aanslagen op justitie en prominenten.

Goëtia verliest haar doel niet uit het oog . Waar zij in Rusland mee was begonnen, dat zet zij in Parijs voort;

Waarom rustte zij niet? Haar slachtoffers waren velen…Want vergiftigd, verdierlijkt, erger dan krankzinnig geworden, bewaakt door de oppassers van speciale ziekenhuizen in Sint Petersburg en elders, lagen te vergaan prinsen en graven en generaals, die door haar zich hadden leren inspuiten met morfine, leren kennen chloraal en ether, leren oproepen geesten van wellustige vrouwen…

Ook in Parijs leidt zij de één na de ander tot hun ondergang. Voor de armen is zij goed, ze doet haar rondes door de stad om armen geld te geven, maar uiteindelijk belandt ze op de dodenlijst van de nihilisten in Parijs. U voelt al aankomen wie dat vonnis moet voltrekken…

Hoe dat allemaal afloopt moet u vooral zelf maar lezen. Het is fijn dat een zo on-Hollands verhaal over occultisme, satanisme en nihilisme opnieuw is uitgebracht. De nieuwe spelling van auteur en docent Nederlands Bas Jongenelen is prima te lezen, hoewel er nog genoeg oude uitdrukkingen en schrijfwijzen in zijn blijven staan;

…de voorhangsels bleven gesloten en twee knechts bewaakten die geheimzinnige retiros.

Het voorwoord van Sander Bink is informatief en geeft een overzicht van de literatuur uit de occulte hoek en de invloed daarvan op de Nederlandse literatuur. Ik kom daar Aleister Crowley weer tegen, waar Jimmy Page weer door werd beïnvloed. Best mooi, literatuur; het verbindt gewoon Lapidoth met Led Zeppelin.

c106a795a22f4c8593647565577433041414141_v5
De correspondentie van Desiderius Erasmus Brieven 1-141. De kop is eraf van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus en het smaakt absoluut naar meer. Dat kan, dit boek van 302 pagina’s is lang niet het dikste deel uit de serie.

De tijdspanne van de brieven is de periode 1484 – 1500. Wij worden in een voorwoord meteen even gewaarschuwd voor de stijlfiguur van de overdrijving en dat is niets teveel gezegd. Erasmus heeft talloze ‘geliefde broeders’ en de ene vriend is nog dierbaarder dan de ander. Het went snel. Het zijn geen spontane, maar weldoordachte, goed uitgewerkte en zorgvuldig geformuleerde brieven die we te lezen krijgen. Erasmus hechtte zeer aan de kunst van de retoriek en die is nu eenmaal bedoeld om mensen, op welsprekende wijze, te overtuigen iets te doen of te laten.

Is het daarmee wellicht niet een tikje saai? Welnee, ik heb zeer geboeid zitten lezen. Het helpt wel om wat voorkennis te hebben, bijvoorbeeld door het lezen van een biografie met een goede tijdtafel. Omdat het een brievenboek is, ontkom je niet aan versnipperde gebeurtenissen, het is geen vloeiend lopend verhaal. Wat hierbij prima helpt is dat, telkens als Erasmus schrijft aan een persoon, deze persoon en de context in een korte inleiding worden toegelicht. Ben je bij brief nummer zoveel even vergeten wie die persoon ook al weer was, dan staat achterin het boek nog eens een personenregister mèt beschrijving van de desbetreffende persoon. Zeer handig.

Dan de brieven zelf. Ik heb talloze aantekeningen gemaakt waaruit ik zou kunnen citeren, maar zal ten behoeve van de leesbaarheid mij trachten te beperken. Allereerst vind ik het mooi dat door zo’n boek historische figuren gaan leven. Ze maken, net als ieder ander, ook alledaagse dingen mee, zoals in het mooie verhaal wanneer Erasmus tips geeft aan het dienstmeisje om haar gewelddadige bazin van het lijf te houden;

Toen ze vroeg wat ik haar dan aanraadde zei ik; ‘Wanneer zij je weer aanvalt, trek je haar dadelijk haar pruik af…en als je dat gedaan hebt, vlieg je haar in de haren.’ Ik meende dat wat ik voor de grap zei, ook als grap zou worden beschouwd.

Dat liep wat anders maar hij komt er mee weg. Het is aanvankelijk even wennen aan de stijl van die tijd en wanneer het ernst is of scherts. Soms denk je dat Erasmus aardig van leer trekt tegen zijn vrienden;

Ik heb al sinds lang mijn pijlen gepunt, mijn spiesen gereedgemaakt; ik zal je een uitdaging tot de strijd sturen die zuurder is dan welke azijn ook en daarna rest je niets anders dan een balk te zoeken om je op te hangen…

Dat gaat nog even zo door tot hij aangeeft genoeg geschertst te hebben. Uiteraard zijn er ook veel brieven bij die gaan over zijn vak, de theologie en het humanisme. Zo is er een belangrijke en interessante briefwisseling met John Colet (1467 – 1519), de humanist en deken van de St. Paul’s in Londen. Hij verschilt met Colet van mening over de uitspraken van Jezus aan het kruis, waarin Jezus vraagt de kelk aan hem voorbij te laten gaan, maar dat niet zijn wil, maar God’s wil geschiedde. Colet ziet hierin het verdriet van Jezus om het Joodse lot, waarin de Joden verantwoordelijk worden gehouden voor de dood van Jezus. Erasmus ziet hierin een menselijke angst voor de dood, maar ook het besef van de noodzaak daarvan. Hij beziet dit van alle kanten legt het Colet uit;

Niemand – hoe levenslustig ook – verlangde zozeer te leven als Hij verlangde te sterven…Hoe rijm je dat, zeg je, vurig de dood te wensen en die tegelijk te vrezen? Eenzelfde ziel kan heel goed in de verschillende organen verschillende gevoelens hebben, vooral bij Christus….Daar waar de ziel van Jezus het dichtst bij de lichamelijke zintuigen was, ervoer hij smartelijke gevoelens; daar waar hij het dichtst stond bij zijn goddelijke natuur, verlangde hij met een onuitsprekelijke vreugde.

Het is uitermate boeiend om Erasmus zijn denkbeelden zelf uit te horen leggen aan een ander. Aan de andere kant is het net zo leuk om een beeld te krijgen van het alledaagse leven in de Renaissance. Erasmus reist veel en dat is niet ongevaarlijk in die tijd. Hij schrijft over een hachelijk avontuur op weg naar Parijs, waarin hij verwachtte beroofd te worden in een herberg;

Intussen zitten wij als twee offerdieren te wachten op de offeraar…Even later treedt die brave kerel binnen alsof hij van de prins geen kwaad weet; ik sla de man nauwlettend gade. Hoe scherper ik hem bekijk, hoe duidelijker ik zie dat ik met een rover te doen heb.

De brieven leveren een veelheid aan onderwerpen op. Erasmus kent zijn klassieken en strooit met citaten uit de literatuur van de grote schrijvers uit het verleden. Die worden toegelicht in noten die, en wat een verademing is dat, onderaan de pagina staan, wat dus een hoop geblader scheelt. Die noten zijn van belang, omdat we nu vaak niet meer snappen wat er bedoeld wordt;

“Jij bent jaloers op hem, denk ik, omdat jij begonnen bent Mercurius en Janus te vereren in plaats van Apollo en de negen zusters.”

Daar kan je overheen lezen, maar in een noot wordt uitgelegd dat Mercurius de god van de handel is en Janus van de beginnende ondernemingen. De zusters van Apollo zijn de muzen. Erasmus bedoelt dus: “omdat jij kiest voor de commercie in plaats van de kunst.”

Het zijn 141 brieven, van Erasmus en aan Erasmus geschreven, soms door Erasmus geschreven voor een vriend aan iemand anders, maar er staan ook brieven in die niet aan of van Erasmus zijn. Uiteraard gaan die brieven wel over hem en zo krijg je, ondanks een versnippering van onderwerpen toch een goed beeld van de man in zijn tijd. Gelukkig kan ik met 19 delen nog even vooruit.

Vertaling; M.J. Steens

902536800X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Lof der Zotheid van Desiderius Erasmus is een beroemd werk en was eigenlijk niet eens voor publicatie bedoeld. Erasmus kwam op het idee tijdens een tocht over de Alpen, terwijl hij dacht aan het weerzien met zijn vriend, de humanist en filosoof Thomas More. ‘More’ werd ‘Moria’, wat in het Grieks ‘zotheid of dwaasheid’ betekent. Dit leidde uiteindelijk tot een grote lofrede van de godin Zotheid op zichzelf, waarin zij haar algemene weldaden uitvoerig prijst. 

In het eerste deel presenteert de godin Zotheid of de Dwaasheid zichzelf (waarom we verder Dwaasheid gebruiken legt de vertaler uit in zijn nawoord). Hoewel de lofrede bol staat van de satire geeft ze aan dat ze meer op vermaak dan op agressie uit is. Ze stelt haar dienaressen voor, zoals daar zijn Vleierij, Eigenliefde, Vergetelheid en Laksheid. Ze betoogt dat de wereld maar moeilijk zonder haar kan en dat uit zich op allerlei manieren. Zij neemt al snel de vrouw bij de kladden en stelt deze voor als dwaas. Voordat er dames op de achterste benen gaan staan, de godin nuanceert meteen;

Aan de andere kant lijkt de vrouwelijke sekse mij ook weer niet zo dwaas dat ze kwaad op mij zouden worden omdat ik ze dwaasheid toeschrijf; tenslotte ben ik zelf ook een vrouw én Dwaasheid.

Dat toont meteen het slimme aan van deze lofrede. Erasmus, of de godin, kan kritiek leveren of satire bedrijven met wie of wat hij of zij maar wil, want wie spreekt hier nu? En die kritiek is niet van de lucht, want dwaasheid, op zich al een ruim begrip, is overal te vinden. Ze mag graag de tegenstelling zoeken en de strijd aangaan met de Wijsheid. Ze betoogt dat zogenaamde wijzen als Diogenes, Xenocrates, vader en zoon Cato, Cassius en Brutus allemaal de hand aan zichzelf sloegen en dat dit de mensheid niet vooruit helpt;

U ziet wel wat er gaat gebeuren als overal de mensen wijs zouden zijn: dan hebben we weer klei nodig en nog zo’n pottenbakker als Prometheus.

Waarbij Prometheus een Titaan was die de mensheid uit klei gevormd zou hebben. Erasmus kan als criticaster van het christelijk geloof volop zijn ei kwijt in dit werk. Hij geloofde sterk in de naastenliefde maar was wars van dogmatiek. Dwaasheid zegt dan ook;

Zo’n koopman of soldaat of rechter bijvoorbeeld denkt dat hij door één muntje uit zijn enorme buit weg te geven het hele moeras van het leven in één klap heeft drooggelegd en is van mening dat al zijn meineden, al zijn liederlijkheden, al zijn dronkenschappen, al zijn vechtpartijen, al zijn moorden…door een soort contract zijn afgekocht…

Hiervan weten we dus dat Erasmus zijn mening laat doorklinken in de satire. Verder gaat hij los op schoolmeesters, dichters, geleerden en filosofen. Vooral die laatsten beschrijft hij op hilarische wijze. Uiteraard staat Dwaasheid lang stil bij koningen, hovelingen en religieuzen als de paus en zijn bisschoppen. Ook worden haar loftuitingen onderbouwd met passages uit de heilige schrift, dus u weet in één klap waar het woord ‘dwaas’ zoal voorkomt in de Bijbel. Dat gaat nog best ver;

En dat mag ons niet bevreemden, wanneer de heilige Paulus zelfs aan God enige dwaasheid toeschrijft: ‘Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen’, zegt hij.

Koren op de molen van de godin Dwaasheid dus en ze gaat nog even door. Jezus heeft nu eenmaal meer op met dwazen en dat geldt ook voor de dieren waar hij mee omgaat. Hij rijdt immers op een ezel Jeruzalem binnen, waar hij ook een leeuw had kunnen gebruiken. Zijn uitverkorenen zijn ‘schaapjes’, terwijl dat toch het domste dier is dat er bestaat, aldus Dwaasheid.

De lofrede is een geestig en soms scherp verhaal waar veel in zit. Het is geen lang verhaal, ruim 100 pagina’s, maar als je het goed wil lezen kost het wat werk. Er staat een uitgebreid notenapparaat achter in het boek én een namenregister. Dat is erg nodig, want Erasmus, of de godin Dwaasheid zo u wil, is niet van de straat en strooit met namen uit de klassieke oudheid. Dus als u niet direct weet wie Chrysippus en Didymus zijn én de noten wil lezen, bladert u aardig wat heen en weer.

Tot slot een opmerking over de vertaling. In een stuk over tegenstellingen kwam ik de volgende zinsnede tegen;

wie daarnet een vrouw was, is nu een man; wie daarnet een jongen was, nu een bejaarde; wie zojuist een koning was, is plotseling Van Dam;

Van Dam? Zo zal Erasmus het niet opgeschreven hebben. Als ik de tekst nakijk op de Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren (Dbnl), zie ik dat daar stond

de vrouw van zoo aanstonds b.v. zou een man worden: de jongeling een grijsaard: iemand nog pas te voren een koning eensklaps een gemeene kerel

Een grapje van de vertaler? Geen idee, maar ik heb liever dat een vertaler bij de tekst blijft. De vertaling van Dirkzwager/Nielson geeft hier het woord ‘spitsboef’ aan, de vertaling van Petty Bange lost het op met “Dama”. Bange vertaalt deze naam verder niet maar het licht hem toe in een noot.

Vraagtekens had ik ook bij dit deel;

En zo rust deze geïnspireerde interpreet de apostelen uit met speren, katapulten, projectielen en pistolen en laat ze optrekken om het kruis te prediken.

Een apostel met een pistool had ik weinig voorstelling bij en hier bood Dbnl ook uitkomst. Daar staat;

En zoo laat die vertolker van de goddelijke wijsheid de apostelen met lansen, schietwerktuigen, slingers en bomharden uittrekken, om den gekruisigde te prediken.

Nu zal “bomharden” wel “bombarden” zijn, wat een voorloper van het kanon was en hoewel het pistool nog tijdens Erasmus’ leven was uitgevonden zie ik niet precies van waaruit dit vertaald is. Petty Bange vertaalt het in ieder geval met “kanonnen”. Dank aan Danny Habets voor de hulp in deze twee vertaalkwesties.

Dit alles neemt niet weg dat ik dit een prachtwerk vind waar ik langer mee bezig was dan vooraf gedacht en dat is alleen maar prima. Ik ga mij wat meer met Erasmus bezig houden.

Vertaling; Harm-Jan van Dam

9035130448.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het gevleugelde woord van Herman Pleij is deel drie van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur en gaat over de periode 1400-1560.

We duiken meteen de stad in en Pleij vertelt uitgebreid waar we woorden en teksten zoal tegenkomen, in het begin van de 15e eeuw. Er zijn straatdichters, klerken, wijkgezelschappen met een beginnend literair leven of de ‘chic’ met gevorderde literaire kringen. Wat dit boek veel heeft én ook nodig heeft, ik kom er op terug, zijn voorbeelden uit de praktijk. Pleij is al even met zijn verhandeling bezig als hij ineens over de Gentse Pieter Wicken begint, de klerk die het pachtboek van het plaatselijke Sint-Jacobshospitaal bijhoudt. Droge kost, maar Wicken wisselt ze af met meiliederen;

‘Laet ons de mey wat loven / met love heeft hy bestoven / die hove / nort ende suut / ghelyc die rosen sten in cruut / zo neemt hy huut / viertuut.’ Daarmee creëert hij een bedwelmende woordenstroom rond de drogerende effecten van de in mei ontwakende natuur, die hij met een laatste ademstoot opdraagt aan de natuurlijke scheppingskracht in het algemeen: ‘viertuut’. Daarna schrijft hij weer verder aan de ontvangen bedragen.

Waar schrijven en literatuur in de geestelijke wereld al gemeengoed is, dringt het woord steeds meer door tot de burger. Er komen schrijvers en dichters en Jan van Boendale (1280-ca. 1351), een Brabantse schepenklerk en schrijver, is de eerste grote naam die we tegenkomen. Anthonis de Roovere (1430-1482) en Anna Bijns (1493-1575) zijn ook bekende namen. De eerste was schrijver voor de rederijkerskamer De Heilige Geest in Brugge. Rederijkers waren amateurdichters en voordrachtskunstenaars en hun rol in de literaire wereld wordt uitgebreid toegelicht. Anna Bijns was een Antwerpse lerares en dichteres. Zij mocht als vrouw geen lid zijn van een rederijkerskamer maar het was duidelijk dat haar gave om te dichten ver boven iedereen uitstak. Haar werk wordt wel tot dat van de rederijkers gerekend en zij was een verdediger van de contra-reformatie en verklaard tegenstander van Maarten Luther. Pleij maakt een opmerkelijke vergelijking;

…in zekere opzichten is zij de Gerard Reve van haar tijd. Ook diens oeuvre hoort niet zozeer afgemeten te worden aan zijn extreem conservatieve standpunten in het spoor van de moederkerk, maar eerder aan de superieure verwoordingen van afwijkende levenshoudingen die hevig kunnen ontroeren, heftige tegenspraak plegen uit te lokken en evenmin de humor schuwen. En zo is het ook met Anna Bijns.

Verhelderend geschreven en dat geldt voor heel veel in dit boek. Blijde inkomsten, ommegangen, speeltoneel, poppentheater, mystiek en devoten; er komen nogal wat onderwerpen voorbij. Met name het toneel in al zijn facetten en de teksten die gedeclameerd worden krijgen veel aandacht. Pleij weet er veel van en daar ligt voor mij een beetje de makke van dit boek. Het helpt als je de eerste twee delen van deze serie gelezen hebt, erg geïnteresseerd bent in het onderwerp of er al veel van af weet. Die eerste twee zitten bij mij goed en voor mij was dit een prima boek, maar ik vraag mij af voor wie nog meer. De eerste twee delen van Frits van Oostrom lezen veel makkelijker dan dit deel. Dit is erg academisch geschreven en die praktijkvoorbeelden zijn dan ook broodnodig.

Dat neemt niet weg dat er erg veel moois in dit boek staat. Ik wil lezen over spotsermoenen en schijnheiligenlevens. Over Het Gilde van de Blauwe Schuit, de schelm Uilenspiegel, Mariken van Nieumeghen, de reizen van Jan van Mandeville en over Suster Bertken die zich liet inmetselen in een cel in de Utrechtse Buurkerk (ik liep er afgelopen weekend nog langs). Verder maakt Pleij mooi inzichtelijk hoe de boekdrukkunst in alle geledingen van de samenleving doordringt. Wijsheden, anekdoten en liederen kwamen voor iedereen beschikbaar en resulteerden in prachtige werken als het Antwerps liedboek. Er kwamen boeken voor in huis, hoewel privé lezen nog geen gemeengoed was. Het begon met kalenders, almanakken en rijmprenten en langzaamaan kwam er vermaaksliteratuur de huishoudens binnen. Zo schuiven we langzaam door de tijd op weg naar het volgende deel over de periode 1560-1700.

Voor mij was dit een mooie reis en ik ga de andere delen zeker nog lezen, maar die 768 pagina’s zijn niet voor iedereen weggelegd ben ik bang.

9048815835.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Kent u hem ook nog? Van vroeger? Die jongen met dat mes op zak? Altijd wat stoerder dan de rest? Daarover gaat de novelle Leve Joop Massaker waarmee Cornelis Bastiaan Vaandrager debuteerde in 1960. Helemaal onbekend was Vaandrager niet want in de jaren vijftig maakte hij al zijn debuut in tijdschriftvorm, maar hij zou doorpakken als dichter, romanschrijver, journalist en literator; hij stond aan de wieg van Ik Jan Cremer. Verder runde Vaandrager met Armando, Verhagen en Sleutelaar het literaire tijdschrift Gard Sivik, dus hij speelde zeker in de jaren zestig een rol in het Nederlandse literaire leven.

Deze korte novelle van 88 pagina’s is de herdruk van de eerste uitgave. De hoofdpersoon is nu vernoemd naar de auteur en heet niet meer Casper Benjamin Lampe. Vaandrager heeft voor deze versie de tekst herzien en zijn zinnen nog korter en radicaler gemaakt. Drinken wordt zuipen, een geslacht een stijve en braaksel wordt kots. Rotterdamser eigenlijk, want het is een Rotterdams verhaal. Dit debuut wordt door sommigen even hoog geschat als De Avonden van Gerard Reve. Of dat klopt weet ik niet, het is in ieder geval een mooie Rotterdamse pendant voor Reve’s Amsterdamse decor.

Het verhaal begint in de vakantiekolonie op een Waddeneiland, waar Cornelis kennis maakt met Joop Massaker en zijn zusje Thea;

Thea is weer naar ons toe komen schuiven. Ze friemelt aan Joops kontzak. Hij slaat haar hand weg. Ze blijft aandringen. Hij geeft haar het mes. Ze gaat verderop zitten en klikt het mes open. Dat doet ze verrekt handig.
Joop: ‘Nou moet je opletten, Cornelis.’
Met de punt trekt ze langzaam witte lijnen op de rug van haar hand, haar arm en het vel van haar onderbenen. Dan zet ze het mes opeens loodrecht in de palm van haar hand en steekt door.

Cornelis laat zich meeslepen door Joop en wordt uiteindelijk van kamp gestuurd, terug naar Rotterdam. Hij heeft wel afgesproken om Joop daar weer te ontmoeten. In Rotterdam ziet hij zijn oude vriend Frans Verstruik weer maar daar krijgt hij ruzie mee. Opeens staat Joop weer achter hem en Cornelis wordt bij hem thuis uitgenodigd. Hij mag komen eten en alledaagser kan het niet, maar Vaandrager maakt daar wel een prachtig tafereel van. Een bomvol huis met kinderen, vader, moeder en een herdershond. Overal tijdschriften, veel boeken en een schedel in de kast die ze Asklepios noemen met een kaars erin. Ze eten stamppot;

‘Eten wat de pot schaft!’ roept de grote broer aan de andere kant lijzig.
Joop: ‘Bemoei je met je eigen zaken, Schotel!’
De lange, die Schotel genoemd werd, gooit zijn stoel achteruit en wil achter mij op Joop afvliegen. Ook Joop is opgesprongen, hij houdt zijn vuisten gebald voor zich uit. Mijnheer Massaker trekt Schotel aan zijn schouder terug. Hij slaat hem twee keer met de vlakke hand in zijn smoel.

Onverbloemd taalgebruik in deze versie en hoewel het geen lang verhaal is zitten er toch genoeg thema’s in. Het gaat over de vrijheid die nog voor je ligt als je jong bent, er zit seksualiteit in vanwege het gedrag van Thea en Joop op het strand én vanwege het verhaal dat Cornelis hen verteld als hij uitgedaagd wordt door Joop om iets over zijn ervaringen met meisjes te vertellen. Er zit sadisme in waar zuster Worm Cornelis belachelijk maakt om zijn kleine lulletje en hem in zijn ballen knijpt en iets van nostalgie voor de lezers van nu waar we nog telefooncellen en Dick Bos-boekjes tegenkomen.

Met de auteur Cornelis Vaandrager liep het niet goed af. Zijn werk werd overvleugeld door het daverende succes van Ik Jan Cremer. Op poëzie-gebied snelde de onlangs overleden Hans Verhagen hem voorbij en tot slot was Vaandrager zelf zijn grootste tegenstander. Hij publiceerde weinig, maakte ruzie met uitgevers en kwam onder invloed van speed. Hij verbleef enkele malen met depressies in een psychiatrisch ziekenhuis en hij stierf op 56-jarige leeftijd tijdens een zwervend bestaan. Gelukkig is de belangstelling voor zijn werk er nog, getuige de verschijning van een biografie over hem in 2005 en een uitgave van zijn verzamelde gedichten in 2008. Daar ga ik nog achteraan, mijn belangstelling is gewekt.

9054523670.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De herinnerde soldaat van Anjet Daanje kwam in november 2019 uit, stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2020 maar bereikte helaas niet de shortlist. Helaas? Jawel, ik vond het een schitterend boek.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt achter de Belgische frontlinie een soldaat gevonden. Niet gewond, maar de man weet zich niets meer te herinneren. Geen naam, geen herkomst, totaal niets. Hij wordt opgenomen in een gesticht voor krankzinnigen en krijgt de naam Noen Merckem. Dan komt er een vrouw, Julienne, die zegt dat zij met hem getrouwd is en dat hij in werkelijkheid Amand Coppens is. Ze neemt hem mee naar huis en vertelt hem langzaam het verhaal van hun leven voor de oorlog. Ze hebben twee kinderen en zij heeft hun fotozaak voortgezet die ze samen ooit zijn begonnen.

Het is wennen voor beiden. Aanvankelijk slapen ze niet samen, maar langzaam bouwen ze samen een nieuw leven op, op nieuwe herinneringen. Maar er zijn nachtmerries. Amand ziet ’s nachts beelden van de oorlog;

…dat verdomde lijf opent de ogen alsof het ochtend is en tijd om op te staan, en het ziet een poes, ze loopt voor het prikkeldraad langs waarin honderden malen kapotgeschoten lichamen hangen te wiegen, ze is zwart en ze heeft witte pootjes en een witte vlek op haar neus, en ze maakt een elegant sprongetje over een bebloed hoofd en dan over een been dat bij niemand meer lijkt te horen….

Die beelden laten ook zien wat hij zelf deed, daar misschien ook wel van genoot en daar schrikt hij van. Hij heeft veel woede in zich en zijn vrouw en kinderen zijn soms bang voor hem. Amand en ook Julienne worden steeds heen en weer geslingerd tussen hun gevoelens voor elkaar. Wat Daanje heel knap doet is het weven van twijfel in het verhaal. Houdt Julienne iets achter, vertelt zij de waarheid? Waarom is hun oude foto-studio nog intact, waarom spreekt zij vloeiend Duits?

Ook Amand lijkt meer met zich mee te dragen dan aanvankelijk wordt voorgespiegeld. Waarom blijkt hijzelf ook prima Duits te spreken bijvoorbeeld? Waarom duikt er steeds een zwarte hond op? Toch lijkt hij zijn draai te vinden. Hij helpt mee in het bedrijf en de zaken gaan goed. Ze kunnen zich zelfs een groter pand veroorloven. Maar zijn herinneringen lijken weer te vervagen en het is wachten op het moment dat hij zijn vrouw niet meer herkent. Dat leidt uiteindelijk tot een best verrassend plot dat ik uiteraard niet ga weggeven hier.

Daanje heeft een dik boek geschreven van 536 pagina’s met veel lange, meanderende zinnen. Er komen geen actieve dialogen in voor. Sterker, het merendeel van de zinnen begint met “En…”. Daar was ik aanvankelijk wat beducht voor, het lijkt een eindeloze opsomming van gebeurtenissen maar het heeft mij geen moment gestoord;

En hij is blij dat er weer een dag voorbij is en dan een nacht zonder dat het opnieuw is gebeurd, hij zorgt dat hij zoveel mogelijk uit haar buurt blijft, overdag is hij in de winkel terwijl zij zich in de keuken verschuilt, maar ’s avonds komt ze bij hem in de studio zitten en retoucheert ze de negatieven van de dubbelportretten die hij van zichzelf heeft gemaakt, en het schijnsel van de lamp dat het negatief verlicht, snijdt haar verminkte gezicht in nachtmerrieachtige stukken, en de schemerige stilte benauwt hem, hij bidt dat het niet misgaat, hij concentreert zich op het afdrukken van de foto’s en zijn horloge heeft hij voor zich op tafel gelegd zodat hij zeker weet dat er niet ongemerkt een gat in zijn tijd is gevallen, de minuten kruipen tergend langzaam voorbij, alsof alles met ingehouden adem wacht, net als hij, en hij met dat wachten juist zal uitlokken wat hij probeert te voorkomen.

Eén zin, weinig actie, heel het boek lang. Het verveelde mij geen moment. De kracht van de herhaling vind ik erg sterk in dit boek. Iedere morgen de kolen doen, iedere avond zijn horloge opwinden en onder al die rituelen de onderhuidse spanning of het goed blijft gaan tussen Amand, Juliette en de kinderen, met soms een nieuwe aanwijzing die op een heel andere uitkomst kunnen wijzen. Voeg daarbij soms prachtige zinnen waarbij “de betovering als een trouwe hond op hen ligt te wachten” en dan spreek ik van een volledig geslaagde roman.

9090321357.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Met iedere regendruppel huilt mijn mislukte leven in de natuur is de lange titel van de nieuwe roman van Gerardo Soto y Koelemeijer. Die titel is ontleend aan Het boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa en dat is ook de reden dat ik dit boek las. Ik heb van dat boek van Pessoa genoten, de achterflap gaf aan dat hij een rol speelt in deze roman en de foto van een jonge Pessoa op de voorkant deed de rest.

Het is het verhaal van wiskundeleraar Pieter Heuvelburcht. Een neerslachtige man die het lesgeven aan het lyceum zat is. Hij hekelt de onderwijscultuur waarin hij moet meedraaien en komt er steeds moeilijker zijn bed voor uit. Hij vlucht in de drank en alleen zijn boeken geven hem troost, waarbij de ook niet altijd even vrolijke Pessoa (ook een behoorlijke drinkebroer) zijn leidsman is.

Als het bloed hem een keer zo onder de nagels vandaan wordt gehaald loopt hij de school uit om er niet meer terug te keren;

Om zijn definitieve ontslag te vieren, dook hij een kroeg in en dronk in zijn eentje tot de wereld onder zijn voeten begon te tollen. Hij was tweeënvijftig toen hij de illusie had dat zijn leven op het punt stond te beginnen.

Ondertussen lopen er wat verhaallijntjes naast met zijn twee buurvrouwen. Bij de ene, oudere buurvrouw, gaat Pieter iedere vrijdag wat eten brengen om haar eenzaamheid wat te verlichten. Ze praten wat, vaak over hetzelfde, maar Pieter mag haar. De andere buurvrouw, Marije, is ongelukkig in haar huwelijk en is ooit in de armen van Pieter gevlucht, waardoor hij denkt dat hij nu verliefd op haar is, ondanks dat ze inmiddels twee kinderen heeft. Een ander belangrijk gegeven is zijn oom die in een verzorgingshuis verblijft. Hij krijgt als enig familielid een telefoontje over hem, waardoor hun gezamenlijke verleden weer naar boven komt. Verder kan hij zijn enige vriend Bart maar niet loslaten, die op jonge leeftijd overleed kort na de publicatie van zijn eerste boek.

Na zijn ontslag besluit Pieter vijf weken naar Madrid te gaan. Hij betrekt er een appartement en wordt heen en weer getrokken tussen zijn oude, ongezonde gewoonten en een nieuwe start. Hij gaat hardlopen en ontmoet Mutis, een Afrikaanse immigrant, waarmee het goed klikt. Met hem ontstaan er gesprekken over immigratiestromen en de economische gevolgen daarvan. Hij ontmoet er Fátima met wie hij een kortstondige relatie heeft.

Uiteindelijk gaat hij terug naar Nederland waar hij zijn oom nog eenmaal ontmoet en dat leidt tot een mooi scene in het verzorgingshuis. Zijn oom maakt het niet lang meer en Pieter gaat zichzelf vragen stellen;

Het is niet mijn oom die op sterven ligt, ik ben het zelf. Als hij sterft, zal ik nooit meer antwoord krijgen op mijn vragen. Wil ik mijn depressie de baas worden, dan zal ik de confrontatie moeten aangaan nu het nog kan…De oude Pieter is terug, nu zwakker dan ooit. De zelfdestructieve Pieter, die slechts één ding verlangt: een spoedige dood.

Dit kan heel slecht aflopen, of niet. Dat moet u vooral zelf gaan lezen. Aanvankelijk hinkte ik met mijn mening over dit boek op twee gedachten. Sommige passages vond ik langdradig en konden korter en bondiger, of ik verwachte er gewoon wat meer van. Toen Pieter arriveerde in Madrid ging het maar door over de toeristen, de gebouwen, zijn rolkoffertje, de zwervers etc. Zulke beschrijvingen zaten er meer in. De gesprekken met Mutis over immigratiestromen, cultuurverschillen en economie deden mij wel heel erg denken aan de boeken van Ilja Leonard Pfeijffer, want zowel in La Superba als in Grand Hotel Europa kwam ik zulke thema’s tegen. Ook had ik het gevoel dat het boek al een aantal keer had kunnen eindigen, waar het toch weer doorging, maar soms ook tot mijn verrassing.

Dat gezegd hebbend heeft deze roman wel degelijk zijn eigen verdiensten. Het centrale thema hier is terugkeer, ofwel ‘anabasis’ (niet toevallig ook de naam van de uitgeverij die Koelemeijer net is gestart). Het gaat over de terugkeer naar zijn jeugd om zijn demonen het hoofd te bieden. Het gaat over de terugkeer naar Nederland en zijn huis en misschien wel naar de vertrouwde basis waar hij ooit voor wegvluchtte, maar dan met een nieuwe mindset. Dat thema wordt dus mooi uitgewerkt in de roman. Er worden tussendoor citaten gebruikt van andere auteurs maar vooral van Pessoa, uit het Boek der rusteloosheid, en ook dat werkt goed. Dat de hoofdpersoon wiskundeleraar is en de auteur wiskundige geeft natuurlijk wat verdieping aan het geheel en ook dat is prettig.

9025455948.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Vier jaar heeft hij er over gedaan, zei Jeroen Brouwers in een interview. Een boek schrijven over niks. En dat is hem gelukt. Toch is Cliënt E. Busken een rijk boek.

De hoofdpersoon is een oude man in een rusthuis. Hij heeft een ongeval gehad en houdt zich stil en doof voor de wereld. Er is verplegend personeel, psychologen en -iaters, er zijn medebewoners en er zijn regels. Dat is het verhaal zo’n beetje. Maar ruim 250 pagina’s lang zitten we in het hoofd van E. Busken en daar komt een maalstroom aan gedachten en observeringen op gang die zijn weerga niet kent.

Zijn voornaam weet hij niet meer, hij heeft een dochter ergens, of misschien ook niet en hij heeft ooit voor zijn moeder gezorgd. Zijn vader is uit beeld en hij herinnert zich flarden van vroeger, van de (uiteraard) Indische vriend van zijn moeder. Busken is of was zeer erudiet, was op feesten waar Beatrix ook was, gaf overal lezingen en was alom gekend;

Dat ze daar nog mee aankomen, de vlekkentest van good old Rorschach, die halvegare. Ik heb hem eens ontmoet, dat was in Der Elephant in Weimar, en we hebben nog een poos gecorrespondeerd.

Het lichamelijk verval van Busken is evident. Hij zit meestal vastgegord in zijn rolstoel en zijn handen beven voortdurend. Het verplegend personeel moet hem bijstaan als hij ‘doest’ of als hij naar het toilet gaat. Brouwers beschrijft het onnavolgbaar;

Men heeft mij hier bijgebracht zittend te plassen, het zal wel met de gendergelijkstelling of
-opheffing verband houden, zoals er aanbiddelijke meisjesvrouwen met cowboystemmen bestaan, zo moeten stoere manspersonen als ik zittend hun water lozen. U moet uw gevalletje achter de rand van de bril in de pot houden, instrueert ze. Mijn gevalletje. Welk een profanatie nu weer. Hij was van platina en goud op snee, bezet met diamanten als een monarchenscepter, maar in het krijgsgewoel is hij geknakt.

In zijn hoofd lijken de gedachten coherent, maar ook daar hapert het soms;

…ik heb daar enige publicaties over op mijn naam gebracht, waaraan ik mijn internationale reparatie dank.

Soms blijven die woorden staan, soms corrigeert hij ze later. Ik geniet van de minuscule observaties dij hij soms doet, het kleine fripseltje of snipseltje dat valt of het kleine blauwe vlindertje dat sterft op zijn bureau. Blauw, dat vaak terugkomt door het boek heen;

…nu ik op mijn studeertafel een gestorven blauw vlindertje zie liggen. Hoe komt dat daar. Het moet zich nog enige centimeters over het papier hebben voortgesleept, wat is te zien aan het spoortje dun kleurloos poeder, dat het diertje als nutteloos geworden ballast moet hebben afgeschud alvorens het geestje te geven.

Dit boek is de beschrijving van een dag in het rusthuis. Cliënt E. Busken eet, gaat naar buiten en weer naar binnen, ondergaat het gezelschap van personeel en medebewoners maar hij becommentarieert alles en verbindt het met zijn herinneringen. Wat waar is en wat niet weten we niet, hijzelf ook niet. De hoofdstukken beginnen midden in een zin als stappen we ergens lukraak zijn gedachten binnen. De bladspiegel is rafelig, een vondst van Brouwers zelf. Het boek leest als een trein, het zijn prachtig afgewogen zinnen. Hier is goed over nagedacht.

e12401627397d73596e6f507467444341587343
Pastorale van Stephan Enter werd overal de hemel in geprezen en ik werd toch benieuwd naar deze auteur, van wie ik nog niets gelezen had. Ik had iets gehoord over worstelen met het geloof en twijfelde een beetje om dit te lezen na de boutades van Maarten ’t Hart hierover, maar dat was niet nodig; dit is een heel andere stijl.

Het gaat over Oscar en zijn zus Louise die uit Brevendal (een anagram van Barneveld) komen . Louise studeert al in de stad en komt terug op bezoek, Oscar woont er nog en zit er op school. Het verhaal begint bij Oscar in de klas, waarin verteld wordt dat een klasgenoot, de Molukse Jonkie Matupessy is verongelukt met een crossmotor. Iemand moet huiswerk bij hem thuis langs brengen en Oscar is de klos.

Louise rijdt op dat moment met de trein richting Brevendal en ik werd hier getroffen door een lange zin die mij zeer goed beviel;

Maar daar was het, ja – nu kwam de duik in het licht en daar lag het onder een serene hemel, hooguit een paar meter lager en toch greep het oog naar een verre horizon, kreeg je die nevelige voortijdige blik over de vallei met haar verweerde houtwallen en de middeleeuwse torenspits die zich ontfermde over een samenscholing van rode daken en rechts daarachter het uitgestrekte, in eeuwige bries ruisende bos met zijn koele beukenlanen en greppels vol fluisterende bladeren en meer naar links als een ader in het land de verzonken meanders van de Breve, herkenbaar ook aan hoog opgeschoten meidoornbosjes en uit het lood hangende wilgen langs het jaagpad en ten slotte in een van de kronkels het park, als het die naam gezien zijn haveloze staat al mocht hebben, met daarin haar huis, het huis van haar ouders, grootouders, van haar familie voor zover de geschiedenis zich liet terugbladeren.

Niet dat het boek vol staat met die lange zinnen, maar deze zin brengt je meteen in de sfeer van het boek en de omgeving waarin het zich afspeelt, prima gedaan. Louise komt naar huis om te vertellen dat ze stopt met haar studie. Ze heeft ervaren dat, sinds ze uit huis is, ze los kan komen van het geloof dat haar jeugd heeft bepaald. Ze schaamt zich voor wat ze geloofde en gaat daarover in haar ouderlijk huis, tijdens het bezoek van een ouderling, vol op het orgel.

Tegelijk maakt Oscar kennis met Dona, de zus van Jonkie. Normaal komt niemand bij de Molukse plaatsgenoten over de vloer, maar nu door dat huiswerk dus wel. Dona vertelt hem over de kampen waar ze in hebben gezeten en over haar vader, die niet kan aarden in Nederland. Later wordt Oscar uitgenodigd om te komen eten en gaat vader Matupessy vol passie verder op zijn gevoelens in. De mysterieuze kist in hun gang staat symbool voor de problematiek;

De Nederlandse regering, zei hij, had hem verzekerd dat zijn verblijf hier tijdelijk was en dat hij zich permanent gereed diende te houden voor de terugkeer. Dat deed hij nog altijd, want wie was hij om te twijfelen aan die belofte?

Waar de Molukse gemeenschap worstelt met verbroken beloftes en een heimwee naar een land dat niet meer bestaat, staat Louise symbool voor de nieuwe generatie die ook worstelt, met de vroegere zekerheden die niet blijken te bestaan. Ze weet zeker dat haar jeugd door het geloof is afgepakt maar twijfelt ook, want was die zevenjarige werkelijk zo ongelukkig? Wellicht werd ze toen wel getroost door het idee van een hemel en de bescherming van een Goede Herder, ze komt er niet helemaal uit. Als ze een kindernevendienst overneemt in de kerk en zie met de kinderen die overbekende liedjes zingt, begint er echter wat te dagen;

Het was of er gedurende een paar seconden een grauwe waas voor haar stemming schoof en daarna was het tafereel dat ze voor zich zag veranderd. Want hier zag ze het in werking, en voor het eerst in haar volwassen leven zag ze het zo duidelijk: de machinerie – die zij dus deze keer zelf had aangezet.

Het hoofdthema is achterlating of afscheid in dit boek. Het achterlaten van je geloof, je land, je vertrouwen. Dat is niet nieuw, maar het is allemaal erg mooi verwoord. Louise die rook door haar neus blaast als een briesend draakje, verlichte etalages die roerloos in elkaars eenzaamheid staren, ik heb ervan genoten.

9029540427.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Minnebrieven aan Maarten van Elsbeth Etty is een boekje van 142 pagina’s over Maarten ’t Hart en zijn oeuvre. Geen biografie, waar hij eerst voor vreesde;

Ik heb het altijd een reuze akelige gedachte gevonden dat ooit iemand een biografie over mij zou schrijven. Maar het is, als je zelf zo graag biografieën leest…tamelijk hypocriet om voor jezelf een uitzondering te willen maken.

Maar zo ver zijn we dus nog niet Etty hoopt met dit boek bij te dragen aan het doorgronden van het werk, de persoonlijkheid en de literaire betekenis van Maarten ’t Hart. Daartoe heeft ze zijn complete oeuvre opnieuw gelezen. Ze heeft geen uitputtende interviews opgelegd aan ’t Hart, maar mocht hem alle vragen voorleggen die ze wilde en hij zou antwoorden, daarbij in ogenschouw nemend zijn eerdere bekentenis dat hij liegt in interviews;

Uit ‘behoefte aan het behoud van eigen herinneringen en een eigen geschiedenis, waar niemand iets van weet’, verklaarde hij geneigd te zijn ‘de waarheid te verhullen, juist in die gevallen waarin de vragen nogal schaamteloos zijn…’

Allereerst gaat Etty met ’t Hart terug naar zijn geboorteplaats Maassluis. Omdat het werk van ’t Hart vol zit met autobiografische elementen, komt hier al een thema als pedofilie aan bod. Dat speelt een rol in zijn werk en is aan zijn eigen leven ontleend. Zijn jeugd, opleiding en diensttijd verwerkt hij allemaal in zijn verhalen. Waar Etty aanvankelijk dacht dat hij homoseksuele gevoelens had, ondanks zijn huwelijk, blijkt hij hier juist de metafoor te hebben gebruikt voor het verlaten van zijn geloof. Een noodzaak, om zijn nog levende ouders niet te veel te schokken. Homoseksualiteit was erg, het verlaten van het geloof nog veel erger.

Een kleine eye-opener was het wel het feit hoezeer de Holocaust van invloed geweest is op zijn werk. Natuurlijk kom je het tegen, maar het wordt je niet zo in het gezicht gedrukt als bij een Mulisch of een Hermans.

’t Hart wordt een bekende Nederlander en hij schroomt niet stelling te nemen of zijn werk als wraakoefening te gebruiken. Als hij een pand in Amsterdam koopt en gedoe als huisbaas heeft met een onwillige betaler, dan komt dit in zijn werk terecht. Ook zijn verliefdheid op zijn Zweedse vertaalster verwerkt hij in een boek. Dat zijn geen zaken waar zijn vrouw Hanneke vrolijk van wordt, net als zijn verlangen naar travestie. Dat ging wat verder dan wat vrolijke aandachtvragerij. ’t Hart heeft daadwerkelijk bijeenkomsten bezocht om deze neiging aan te pakken.

Zo gaat Etty diagonaal door zijn oeuvre heen en eindigt bij ’t Hart als de vrolijke provocateur. Hij heeft zich de woede van feministisch Nederland op de hals gehaald door zijn essays en besprekingen in De vrouw bestaat niet. Tegen Etty zegt hij dat hij spijt had van zijn opmerking dat de feministische voorvechtster Joke Smit “Führerneigingen” had. Tegen feminisme was hij echter geenszins;

Zou ik het feminisme echt verafschuwen, zoals ik popmuziek verafschuw, dan zou ik er geen moment aan denken het te bestrijden.

Natuurlijk komt zijn geloofsafval aan bod, want daarin provoceert hij als geen ander. Zijn Bijbelkennis is fenomenaal en hij heeft een trekje dat erg opvalt in zijn boeken; hij nam als kind al alles letterlijk en doet dat nog steeds. Dat verklaart alles in zijn boek Wie God verlaat heeft niets te vrezen, maar ook in zijn talloze andere boeken.

Naast de Bijbel moet tenslotte ook Multatuli het ontgelden. Na het winnen van de Multatuli-prijs in 1975, kamde hij deze schrijver net zo makkelijk af in een vrolijke pastische, dat achteraf een meedogenloos zelfportret bleek te zijn. Het NRC Handelsblad had daar weinig gevoel voor en organiseerde een discussie tussen Rudy Kousbroek en ’t Hart, waar Multatuli-adept Kousbroek van een koude kermis thuiskwam. ’t Hart had namelijk alles van Multatuli gelezen en sloeg Kousbroek met panklare citaten uit zijn gehele werk om de oren.

Dat is wat ik bewonder in het werk van Maarten ’t Hart. Zijn enorme kennis op het gebied van literatuur en muziek en zijn vermogen om hier zeer toegankelijke fictie en non-fictie van te maken. Etty geeft dat ook weer in dit boekje, wat een aardige opmaat is voor een definitieve biografie, hoewel die gerust nog een tijd uit mag blijven. Het is wel aan te raden dit boekje te lezen na het lezen van het werk van ’t Hart, er zitten aardig wat spoilers in.