archiveren

Nederlandstalige literatuur

FullSizeRender
Jeroen Brouwers heeft een aantal bundels uitgebracht onder de naam Kladboek. Dat zijn verzamelingen van essays over uiteenlopende onderwerpen. In het verleden heb ik de eerste twee kladboeken al gelezen en Het vliegenboek is nummer drie.

Het is een beetje bijeengeraapt boek met verschillende stokpaardjes. Een aantal essays over de zelfmoord van buitenlandse schrijvers, die ook in de (nog te lezen) bundel De zwarte zon staan. Een aantal portretten van schrijvers, als Richard Minne, Karel van het Reve, Rudy Kousbroek en Walter van den Broeck. Een stuk over, onvermijdelijk haast, de uitgeverij Manteau en haar eigenaresse Angèle Manteau, waar Brouwers geen goed woord voor over heeft. Een stuk over het geboortedorp van Hitler en een mini-cursus Vlaanderen.

Het leest allemaal heerlijk weg, maar ik zat me toch een beetje af te vragen wat ik met het boek moest. Het tuurtouw stond er ook in, dat had ik ook al in een aparte uitgave gelezen, maar toen kwam ik bij het stuk over Karel van het Reve. Van hem heb ik het verzameld werk in de kast staan en dan begint Brouwers;

De opinions van Karel van het Reve zijn overwegend gebaseerd op tergende nonsens. Je kan geen deur opentrekken, geen kamer binnenkomen en geen radio aanzetten of iemand zegt dat Karel van het Reve zo’n briljante essayist zou zijn. Voorts kan je geen boekenbijlage of cultureel supplement openslaan of je leest daarin dat Karel van het Reve in zijn hoedanigheid van essayist weliswaar misschien soms een steekje laat vallen, maar dat overeind blijft dat Karel van het Reve een briljant stilist zou zijn. Karel van het Reve is het een noch het ander. Karel van het Reve is maar één ding, en dat is: lui.

En dan komt Brouwers met 38 pagina’s aan onderbouwing van zijn stelling. Fijn dan, ik kan Karel meteen met andere ogen gaan lezen. Zo krijgt ook Rudy Kousbroek een veeg uit de pan. In zijn Anathema’s, waarvan ik deel 1 las en er meer heb staan, staat blijkbaar ook klinkklare onzin. Met name deel 3 moet ik even met de stofkam door begrijp ik.

Maar het is wel Brouwers zoals ik hem graag lees, dus er valt genoeg te genieten. Hij maakt mij nieuwsgierig naar het werk van Walter van den Broeck, die een roman schreef waarin hij de koning vergezelt op een rondrit door zijn dorp. Ook de geschiedenis van de Leo J. Krynprijs (de wat? iets van achtergrond vindt u hier) is de moeite waard. Angèle Manteau krijgt er hier ook weer van langs trouwens;

Het is onterecht Angèle Manteau te bestempelen als degen die de talenten van Louis Paul Boon en Hugo Claus zou hebben ‘ontdekt’: beiden zijn ontdekt door de jury van de Leo J. Krynprijs en Angèle hoefde slechts, als was zij een haai, haar kaken te sperren om beide talenten ter opslokking toegeworpen te krijgen.

Dat kwam door de wurgcontracten die Manteau opstelde, iets waar Claus tot zijn geluk onderuit kwam omdat hij te jong was om te tekenen. Het boek sluit af met wat beschouwingen over zijn vader, die hij slecht kende en weinig gevoelens bij heeft. Het is dus een beetje van alles wat in dit boek, maar ik was snel door de ruim 440 pagina’s heen en blijf fan van Brouwers.

Advertenties

54b73eba30eaa365970776b7141437641414141
In Leven in een doodgeboren droom duikt Rémon van Gemeren in de wereld van Joost Zwagerman. Het is geen biografie, maar een literatuurstudie naar het werk van Zwagerman. De kernvraag daarbij is: Wat doe je als je moet leven in een werkelijkheid die je onaangenaam vindt?

Er komt een soort van antwoord op die vraag en Van Gemeren zegt er dit over in zijn inleiding:

Er zijn mooie dingen, bovenal liefde en kunst, maar de intensiteit die ze teweegbrengen, vervliegt spoedig en laat je achter in leegte en verveling, mismoedigheid en wanhoop…In zijn werk schept Zwagerman een wereld waarin gesmacht wordt naar iets om je aan vast te grijpen…Hij gaat daarin zo ver dat hij zelfs manieren verkent om, als je geen doel of geluk kunt vinden, te leven terwijl je er, al is het maar even, niet meer bent. Je verdwijnt – figuurlijk uiteraard.

Een soort van antwoord, want het gaat over verdwijnen terwijl je blijft leven. We kennen de trieste afloop dus het antwoord was blijkbaar niet voldoende, maar daar gaat het niet om. Wat de auteur doet is aantonen dat dit verlangen een rol speelt in het complete oeuvre van Zwagerman.

Allereerst wordt het verhalend proza bestudeerd. Van Gemeren toont via Gimmick! aan dat het thema er al vroeg in zat. De hoofdpersoon tracht te ontsnappen aan het artistieke milieu waar hij in zit, maar dat dit praktisch onmogelijk is. In Vals Licht is het nog duidelijker; een student krijgt relatie met een prostituee en leeft daarmee in een schijnwereld waarin hij niet gelukkig is. Dat is hij ook niet in de wereld erbuiten, van zijn medestudenten, ouders en vrienden. Die spanning is door het hele boek voelbaar. Het verlangen te verdwijnen is minder evident in het boekenweekgeschenk Duel maar het is er wel. Het gaat over de corrupte kunstwereld en de bijna gedwongen keuze om je hier van af te keren als je er geen deel aan wil nemen;

Wie dat doorheeft en er niet aan wil meedoen, lijkt geen andere keuze te hebben dan de kunst…volledig de rug toe te keren in een dappere poging je er volledig aan te onttrekken, wat bijna neerkomt op het verdwijnen in een welhaast surrealistische wereld waarin geen kunst voorkomt.

Op eenzelfde wijze worden de poëzie en de essays van Zwagerman doorgelicht. Met name van de laatste ben ik een liefhebber (de poëzie ken ik nog niet) en daar was ik dus benieuwd naar. Eerlijk gezegd vond ik het thema er soms met de haren bijgesleept of som te weinig belicht. De maatschappelijke essays van Zwagerman gaan bijvoorbeeld over de zwakke plekken in de Nederlandse samenleving en de conclusie moet dan een pleidooi voor meer beschaving in Nederland zijn, maar de rode draad ontging mij hier.

Zo niet in zijn essays over romantiek. De androgynie van een David Bowie of Prince, dat snap ik. Zijn beschouwingen over Boudewijn Büch, James Frey, de film Blue Velvet, Van Gemeren legt het uit. Soms ligt dat verdwijnen er zelfs een beetje te dik bovenop, zoals bij de schilderijen van Willem Althuis, maar vooruit.

Het is wrang om over zijn essays met betrekking tot zelfdoding te lezen. Zwagerman wijst zelfdoding af maar oordeelt niet. Hij heeft sympathie voor de verbondenheid die het publiek aan de dag legde na de zelfmoord van Herman Brood, maar:

…wijst hij erop dat het voorbijging aan ‘de eenzaamheid die aan een zelfmoord voorafgaat.’

Je gaat onvermijdelijk zijn werk anders lezen na zijn eigen zelfmoord maar ook na het lezen van dit boek. Dat geeft niet, ik hoop dat het mij bewuster laat lezen, want ik heb nog werk van hem in de kast staan. Dat ga ik nog lezen, met in mijn achterhoofd die machteloosheid van de schrijver, zijn besef daarvan en zijn onmacht om die te verlichten of te aanvaarden.

111c541974589f1593030395377444341587343
Ik had Hersenschimmen van J. Bernlef al eens gelezen, maar nog niet zijn pendant Eclips. Hoe zat dat ook al weer dan? Hersenschimmen gaat over Maarten Klein, die kampt met een snel toenemend geheugenverlies. Dat wordt knap verteld door Bernlef en hier vertelt hij zijn verhaal in omgekeerde richting.

Kees Zomer zit in de auto als de eclips plotseling toeslaat. Daarmee opent het verhaal ook;

Ik moet naar rechts, van de weg af. Omdat de linkerkant van de wereld verdwenen is, plotseling weg. Daarom moet ik wel naar rechts, de kaarsrechte vaart in. De achterbumper slaat met een harde klap op de wallekant. Dan begint het zinken.

Hij zinkt, het kanaal en zijn geheugen in. Hij weet zich te redden, komt weer op de wal maar is alles aan de linkerkant kwijt. Hij ontmoet een aantal mensen zoals de zwerfster Toos, die hem al snel in de steek laat. Hij kan zich moeilijk bewegen en komt slecht uit zijn woorden. De muziek uit een transistorradio helpt hem langzaam wat woorden terug te vinden;

Ik draai aan de zenderknop tot ik de muziek hoor…’Kom op, dansen Kees!’ Maar dat durf ik niet, bang in een draaikolk terecht te komen waarin ik ook het restant van mijn lichaam zou kunnen kwijtraken…’Geëxcuseer,’ zeg ik. ‘Ik leef daarvoor nog te gering. Het was niet mijn bedoeling je affront te maken.’

Kees verblijft bij de inbrekers Cor en Karel die zich bruut van hem ontdoen. Daarna wordt hij gevonden door IJe, een oudere man die zich over hem ontfermt. Kees is nog steeds verward, maar hij merkt dat langzaam zich enige verbindingen weer beginnen te herstellen. Toch hapert het nog;

…al die losse flarden vormen niet langer een verhaal. Ze zwerven als losse scherven door mijn hoofd, willen zich niet samenvoegen tot wat je het verloop van een dag zou kunnen noemen. 
Ja, ik herinner mij. Het is beter dan het is geweest, toen het begon met helemaal niets, maar het is niet genoeg. Want als er geen onderlinge verbanden meer bestaan, geen volgorde, zijn je herinneringen waardeloos.

Als hij bij een boekhandelaar binnenstapt, nog steeds redelijk verward, begint het toch steeds meer te dagen. Hij was al als vermist opgegeven en hoe het afloopt, lees dat vooral zelf. Als pendant van Hersenschimmen is het boek de moeite waard om te lezen.

8f1fd0bcae25888596c6f4e7141444341587343
Het Boekenweekgeschenk van dit jaar, Gezien de feiten van Griet op de Beeck heeft wagonladingen kritiek over zich heen gehad. Was dat terecht?

Ten dele wel, maar daarover later meer. Eerst even kort de inhoud. Olivia van 71 jaar heeft zojuist haar man Ludo verloren en daarmee komt een einde aan een redelijk verstikkend huwelijk.  Olivia laat zich overhalen om naar een Afrikaans land te gaan en ontmoet daar de charmante Daniel. Dochter Roos en haar man Sander komen dit uiteraard te weten en Roos is daar helemaal niet klaar voor. Als Daniel Olivia in Europa komt opzoeken is de boot helemaal aan. (‘Is hij getest op ziektes?’)

Daniel blijft een tijdje en besluit voor zes weken terug naar Afrika te gaan, zijn zaken te regelen en dan voorgoed naar Europa te komen. Dat gaat echter niet door de politieke situatie, hij mag het land niet meer in. Uiteindelijk besluit Olivia naar Daniel te reizen.

Dit boek heeft best veel ingrediënten om er een stevig verhaal van te maken. Beklemmend huwelijk, vrijgevochten weduwe, familiebanden met bijkomende emoties, liefde over de grenzen heen, politieke achtergronden, trek alles uit de kast zou ik zeggen.

Dat gebeurt dus niet. Het is blijft een rechtlijnig verteld verhaal waarin Roos nog het meest tot leven komt. Zij irriteerde mij in ieder geval mateloos en dan doet het blijkbaar iets met je;

‘Het is dus godverdomme tóch waar!’ Olivia zag alle bloed uit Roos’ gezicht wegtrekken…
‘Is hij getest op ziektes?’

‘En gij vondt het niet nodig om dat tegen uw dochter te vertellen, dat ge hier koken-eteke ging spelen?’

‘But I mean it well!’ riep ze, zij liet zich niet hinderen door grammatica.

Dat gaat nog even door zo met Roos. De karakters zijn wat stereotiep verder. Sander bemiddelt vruchteloos, Daniel blijft immer charmant en Olivia zit ertussenin;

Daniel was voor haar gevallen binnen de geurcirkel van een primitief toilet dat ze jankend en zwetend verliet. Daar moest ze conclusies uit durven trekken voor zichzelf, dacht ze in haar dapperste kwartieren. Ze had een mail geschreven naar Roos en Sander waarin ze dat allemaal probeerde uit te leggen. Die had ze niet verstuurd.

De auteur wordt dus afgerekend op een verhaal zonder diepere lagen, eendimensionale karakters en een te eenvoudig verhaal. Ten dele onderschrijf ik dat dus. Aan de andere kant is het een Boekenweekgeschenk en die leveren lang niet altijd hogere literatuur op. Ik kan ook zeggen dat het boekje prettig weg leest en dat ik na wat literatuurgeweld en een hoop poëzie even helemaal geen trek had in een stevig verhaal. Dan voldoet het ineens prima.

7aab7300f92fbe359344a685251437641414141
Na het overlijden van uitgever Geert van Oorschot, schreef Jeroen Brouwers een ‘in memoriam’. Dat is Het tuurtouw, een boekje van 67 pagina’s. Van Oorschot overleed in 1987 en Het tuurtouw kwam twee jaar later uit.

Nu heb ik net de biografie over Van Oorschot gelezen, dus dit boekje bevatte weinig nieuws, anders dan wat gedachten van de schrijver over de uitgever. Zo is er aardig wat gecorrespondeerd tussen de twee. Van Oorschot was überhaupt iemand die vaak en veel brieven schreef. Brouwers;

Zijn brieven waren de bliksemafleiders van zijn momentane stemmingen, – hij moet er, zegt men, in de loop van zijn leven ongeveer dertigduizend of meer hebben geschreven: zouden die ooit worden gepubliceerd, dan vullen ze een plank vol dundrukdelen…Mochten al die brieven even schitterend zijn als het merendeel van de brieven die ik van hem heb ontvangen, moet het nageslacht niet nalaten subsidies bij elkaar te harken ter bekostiging van de integrale publikatie ervan.

Inmiddels zijn we wat jaren verder en is niet alles integraal gepubliceerd, maar is Brieven van een uitgever inmiddels nog her en der te koop.

Van Oorschot ‘bevaderde’ graag de schrijvers met wie hij omging, maar Brouwers liet dat niet toe. Toch was hij niet ongevoelig voor zijn kritiek en adviezen. Zo vertelde hij Brouwers dat hij zich op zijn schrijverschap moest concentreren;

Jij moet hier weg, zei hij.
Om hem exact te citeren, hij zei; ‘Je moet van je tuurtouw los’. Die uitdrukking hoorde ik toen voor het eerst. Dat is het touw waarmee een schaap aan een paaltje vastzit om hem een bepaald stuk land te laten afgrazen. Ik moest weg uit ‘het verdomde Vlaanderen’, ik moest een andere, een Nederlandse uitgever zoeken…

Hoewel Van Oorschot niet zijn uitgever zou worden bleven de twee contact houden. Soms was er ruzie, maar dat contact bleef, hoewel Van Oorschot daar ook wel eens onrustig over was;

Toen ik met de samenstelling van mijn brievenboeken bezig was, vond Geert het niet goed dat mijn brieven aan hem daar ook in terecht zouden komen: ‘laten wij de wonden die we elkaar hebben toegebracht barmhartig afgedekt houden’, zei hij.

Wat mij toch nieuwsgierig maakt naar zijn brievenboek, ik vermoed dat ik nog niet uitgelezen ben over de man. Het einde van dit in memoriam is des Brouwers en toch weer mooi;

In ieder mensenbestaan keert bij tijden éénzelfde feit terug, uit welke constante zich geleidelijkaan een levensthema ontwikkelt, steeds in varianten herhaald, zoals in een symfonisch werk. (‘Een witte ijsmuts met zo’n bolletje had hij op zijn kop. Ga nou maar slapen Geert zei hij, godverdomme.’)

9028261400.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Met mijn interesse voor het Nederlands literatuurlandschap kon ik niet om Geert van Oorschot, uitgever van Arjen Fortuin heen. Met ruim 600 pagina’s is dit een biografie die mij veel heeft bijgebracht over het literaire klimaat in Nederland uit de vorige eeuw.

Het vak leerde hij bij Uitgeverij Stols en bij Uitgeverij Querido. Na de oorlog vestigde hij zich als zelfstandig uitgever in Amsterdam, inmiddels met zijn tweede vrouw Hillie Munneke. Eigenlijk begint daar het grote uitgeversavontuur en blijkt waar de grote kracht van Van Oorschot in zit. Hij zorgt allereerst voor een goede catalogus met auteurs als Multatuli, Du Perron en Couperus. Hij wordt wel de uitgever van de dode schrijvers genoemd. Dat deert hem niet, ook nieuwe talenten als Hermans en Van het Reve gaan met hem in zee.

Vervolgens zorgt hij voor herkenbaarheid, door de vormgever Helmut Salden aan te trekken. Een nukkige, compromisloze Duitser maar een vakman, onder meer verantwoordelijk voor het vignet dat nog altijd de boeken van Van Oorschot siert.

Verder was Van Oorschot niet bang voor grote projecten. De complete Multatuli, de Russische Bibliotheek, de complete Belle van Zuijlen, er waren astronomische investeringen voor nodig maar Van Oorschot praatte en sleurde onvermoeibaar, net zolang tot hij het voor elkaar had. Het boek maakt zeer duidelijk dat hij heel nauw naar de kosten keek; erven liet hij van royalty’s afzien, kosten werden links en rechts ingehouden op honoraria van schrijvers en vertalers en als er werd geklaagd dan kon hij een waar rookgordijn van cijfers optrekken ter verantwoording.

Dat was dan ook zijn valkuil. Een enorm temperament en enorme gedrevenheid waardoor hij mensen aantrok en afstootte. Hermans, Van het Reve, Salden en een hele berg anderen, hij ging er mee in zee en kreeg er de grootste ruzie mee. Anderen konden beter met hem omgaan, zoals de weduwe van Menno ter Braak, van wie hij ook het complete werk uitgaf;

‘Natuurlijk is van O. een gek en een barbaar en een fantast en een bezetene en wat je maar wilt. Maar zonder die eigenschappen had hij nooit deze uitgeverij gehad en was ook het Verzameld werk van Ter Braak nooit verschenen. Het kan best zijn dat hij mensen heeft bedonderd en dan was hij slimmer dan die mensen. Ik heb zelf enorme ruzies met hem uitgevochten en een grote bek gezet tegenover de zijne.’

Van Oorschot dendert door. Met zijn blad Tirade bijvoorbeeld. Hij had al eerder bladen uitgegeven en talloze redacties versleten, maar Tirade zou hem overleven. Een blad vond hij nodig om aan het maatschappelijk debat deel te nemen. Waar Van Oorschot altijd dichter wilde worden, brak hij door als schrijver met zijn boek Twee vorstinnen en een vorst, onder het pseudoniem R.J. Peskens. Daar hield het succes als schrijver ook wel op;

‘R.J. Peskens is reeds geruime tijd aan het nadenken of de boeken welke hij in portefeuille heeft wel goed genoeg zijn voor publicatie,’ schreef hij eind 1978 aan criticus Wam de Moor. En het was niet goed genoeg. Achteraf beschouwd was R.J. Peskens bij het verschijnen van zijn debuut al uitgeschreven.

Privé kreeg van Oorschot een dreun te verwerken met de zelfmoord van zijn zoon Guido. Er kwam druk te staan op zijn huwelijk met Hillie maar ze bleven bij elkaar tot haar dood in 1979. Een andere constante in zijn leven was zijn goede vriendin, schrijfster, dichteres en psychiater Vasalis met wie hij in contact bleef tot aan zijn dood in 1987.

Ik vond het een prachtig boek om te lezen. Ik heb de liefde voor poëzie van Van Oorschot nog niet genoemd maar die komt uitgebreid aan bod en deed mij een aantal bundels bestellen, onder meer van Jan van Nijlen, Christiaan J. van Geel, Richard Minne en Jan Emmens. Zijn omgang met de literaire grootheden zoals wij ze kennen is fascinerend. De clashes met Hermans en Van het Reve, het afserveren van Biesheuvel, een A.F. Th. van der Heijden die met het zweet in zijn handjes Van Oorschot niet durft aan te spreken (hoewel hij voor een kop koffie was uitgenodigd) en ga maar door. Een eigenzinnig man die uiteindelijk een pracht van een bedrijf heeft nagelaten.

9023454588.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Toen was hij er ineens; de vuistdikke biografie van Jan Wolkers, Het litteken van de dood, door Onno Blom. Ik wist dat hij er aan zat te komen, dat Blom er 10 jaar aan had gewerkt en ik keek er wel naar uit. Waarom? Ik heb maar één boek van Wolkers gelezen en twee films gezien die op zijn boeken zijn gebaseerd. Maar ik was bekend met zijn kunstwerken en ik heb het altijd een markant figuur gevonden, hij was vaak in de media te vinden. Daarom wilde ik die kleine 1000 pagina’s graag lezen.

Toch had het boek bijna niet nu verschenen, er was nogal wat om te doen. Blom zou op de biografie promoveren, maar het manuscript werd in eerste instantie afgewezen door de promotiecommissie. Blom zou te dicht bij zijn hoofdpersoon zijn gebleven en te weinig de tijdsgeest hebben beschreven waarin Wolkers acteerde. Dat is een opvatting, maar de manier van schrijven van Blom is dat ook, dus werd de commissie ontbonden en werd er een nieuwe aangesteld, die wel akkoord ging (overigens geheel volgens de regels). Voilà, het boek kon toch uitgebracht worden, tien jaar na het overlijden van Wolkers.

Blom had de opdracht van Wolkers zelfs gekregen en had de beschikking over zijn uitgebreide archief. Wolkers bewaarde werkelijk alles. Uit het boek wordt duidelijk dat iedere ontmoeting, gebeurtenis of gesprek input vormde voor zijn kunst. Een beeld, boek, artikel, toneelstuk, gedicht, schilderij, hij was van veel markten thuis. Wolkers ging zelfs zover dat hij ongezien een bandrecorder liet meelopen bij gesprekken met zijn ouders, geliefden en zelfs op begrafenissen, om zo puur mogelijke reacties te verkrijgen.

Hieruit volgt ook dat veel van zijn werk een sterk autobiografisch karakter heeft. Zijn leitmotieven zijn ook helder; een liefde voor de natuur, een afkeer van het geloof, fascinatie voor de dood en een ongebreidelde seksuele drift. Bij dat laatste nam hij in zijn boeken geen blad voor de mond, hij noemde alles bij naam, precies zoals we dat in het echt ook doen, zo was zijn redenatie. Hij gooide ‘en passant’ de seksuele moraal er wel even mee om in de tijd dat zijn boeken verschenen.

Zo’n dik boek geeft uiteraard een stortvloed aan informatie. De chronologie wordt keurig gehandhaafd. Er is uitgebreid aandacht voor zijn jeugd en opleiding. Dat geeft een goed beeld van hoe hij tot zijn werken komt. Zijn huwelijken en kinderen spelen ook een grote rol, zeker de dood van zijn dochtertje Eva. Wolkers is niet monogaam en heeft een voorliefde voor jonge vrouwen. Welke relatie hij ook heeft, zij zal andere vrouwen moeten gedogen. Zijn laatste liefde, Karina, kon hier het beste mee omgaan.

Zijn beelden en sculpturen waren alom geliefd en zijn boeken waren dat ook. Bij het publiek dan. Hij was tijdenlang de best verkopende auteur van het land, maar ieder boek kreeg steevast vernietigende kritieken van een vast clubje. Dat was het enige wat een beetje een opsomming werd in dit boek. Het volgende boek, goed verkocht, veel kritiek, verongelijkte Wolkers, volgend boek, goed verkocht enzovoort.

Maar, het leest verder geweldig weg, ik heb mij geen moment verveeld. Wolkers komt naar voren als een authentiek mens. Apart, maar bevlogen en op vele vlakken autodidact. Het moest wel allemaal volgens zijn spelregels. Zo was zijn ex-vrouw Annemarie Nauta verbolgen over het feit dat Olga uit Turks Fruit op haar gebaseerd was. Wolkers had hier zijn eigen verhaal bij;

‘Ik heb natuurlijk autobiografische elementen gebruikt, maar Turks Fruit is een roman, geen autobiografie. Ik heb veel vrouwen gekend en een aantal vrouwenfiguren in elkaar geschoven, gecombineerd tot Olga. Eén echte complete Olga heeft nooit bestaan’. 

Maar tegen regisseur Paul Verhoeven had hij een ander verhaal opgehangen:

‘We waren geschokt’ zegt Verhoeven. ‘Of een deel van de bodem onder ons vandaan was getrokken. Wij dachten allemaal écht dat Olga dood was. En nu bleek ze te leven…En Wolkers had ons toch maar mooi al die tijd de leugen laten verkondigen dat Olga dood was. Daar hebben we echt van moeten bijkomen.’

Het boek staat vol met dergelijke verhalen en je volgt zijn ontwikkeling van tomeloze kunstenaar tot de broze oude man die hij uiteindelijk werd. Broos, maar vol liefde voor zijn tweeling en zijn vrouw. Broos, maar blijvend scherp, zoals toen hij last had van wondroos; ‘Jan Peter Balkenende had dat ook’, zei Wolkers, ‘maar die had het verdiend.’

Wolkers, een grote robuuste vent met aparte trekjes maar een oorspronkelijk mens, die een dergelijke biografie wat mij betreft verdient. Ik mis hier geen tijdsgeestbeschrijvingen. Een gevoelsmens ook en laat ik daarmee afsluiten, als hij beseft dat hij verhuist, weg van het huis waar zijn dochter Eva is overleden;

Van alle plekken in huis waaraan hij herinneringen had, maakte er één hem nog altijd radeloos en misselijk van verdriet. Het was de plek op de muur waar de handjes van Eva hadden gestaan. ‘Godverdomme ja, tiny little finger-prints,’ schreef hij in Een roos van vlees. ‘Het was chocoladepasta. Ze had allebei haar handjes tegen de muur gedrukt. Misschien heb ik haar er wel een standje voor gegeven. Ik probeerde ze weg te wassen nadat ze was doodgegaan. Het ging niet.’