archiveren

Nederlandstalige literatuur

a0355ac325b330d59312f2b5577444341587343
Ik weet niet meer precies waar ik het idee opgedaan heb om De grachtengordel van Geerten Meijsing aan te schaffen maar het moet een boekenblog geweest zijn. Ik heb wat informatie opgezocht en ineens bleek er, voor lezing al, best genoeg over te vertellen. Kom ik nog op terug.

Het zou een sleutelroman zijn, een rancuneuze roman, maar in ieder geval een roman die dicht op het literaire wel en wee binnen de grachtengordel zou zitten. Er zouden talloze schrijvers in geportretteerd worden onder fictieve namen, dus dit leek mij reden genoeg om het boek aan te schaffen.

In het kort gaat het verhaal over de schrijver Erik Provenier. Die heeft het niet breed en dat hoort natuurlijk zo bij sappelende schrijvers, maar hij ziet wel dat hij links en rechts wordt ingehaald door generatiegenoten die goed schrijven, maar ook handiger zijn in het spel om de boeken aan de man te brengen. Dat beslaat het eerste deel van het boek en eerlijk gezegd vind ik dat het minst interessante deel. Leuren bij uitgevers, proberen voorschotten te verkrijgen, dat werk.

Het wordt interessant als Provenier ineens in aanmerking komt voor een grote literaire prijs. Hij is inmiddels teruggekeerd vanuit Italië naar Nederland, Amsterdam (steevast aangeduid als A*) en ontmoet daar de inner circle van de literaire wereld. Meijsing heeft er naar mijn weten nooit uitsluitsel over gegeven, maar naar verluidt spelen onder meer A.F. Th. van der Heijden, Frans Kellendonk, Kester Freriks, Joost Zwagerman, Jessica Durlacher, Jeroen Brouwers, Boudewijn van Houten, Oek de Jong, Willem van Toorn en P.F. Thomèse allemaal in pseudoniem een rol in dit boek.

Strookt dat met mijn eigen waarnemingen? Ten dele zeer zeker. Ik ben een verzamelaar van het werk van Jeroen Brouwers (blijkbaar Joost Bierman in het boek) en heb het nodige over hem gelezen en ik herken dit zeker;

‘Wat weet jij toch veel, Kasper, wat weet jij toch veel van de Nederlandse literatuur.’
Christiaans negeert het sarcasme van zijn vriend: ‘Niet zoveel als Bierman, want die schijnt werkelijk alles te weten over dat onderwerp. Zijn hele huis – een omgebouwde hoeve – is één groot dossier. Ook dat is een middel om macht uit te oefenen – je kunt hem niet betrappen op vergissingen, alles is gedocumenteerd. Wat jij je in 1975 tegenover een onnozele reporter hebt laten ontvallen, kan hij morgen tegen jou gebruiken.’

Dat leest ineens heel fijn, een feest der herkenning. De auteur Meijsing, wiens alter ego Erik Provenier zou zijn, gaat ook de zelfspot niet uit de weg. Het grappige (vind ik dan) is dat ik daar ook weer een auteur als Tommy Wieringa in herken;

Neem nou die Provenier, geen kwaaie jongen maar een sprekend voorbeeld van wat tegenwoordig met zoveel aplomb een literator wordt genoemd. ’t Is hem niet genoeg af en toe een boek te schrijven waarin hij alles kwijt kan…neen, hij moet het leven van een schrijver leiden, het is hem erom te doen full-time schrijver te zijn. Zelfs als hij niet schrijft.

Een tikje verwarrend is dat sommige schrijvers met hun echte naam voorkomen en anderen in pseudoniem, maar op zich wen je daar snel aan. De typeringen van bekende persoonlijkheden zijn soms scherp maar mooi om te lezen. Ischa Meijer wordt bij naam genoemd en Meijsing/Provenier ergert zich aan zijn quasi-diepzinnigheden;

Zijn gezicht vertrekt helemaal als hij zo’n moeizame wijsheid moet bedenken – een soort constipatie van de geest. Hij krijgt dan ook iets van een vals mongooltje.

Ik zei al dat ik wat had opgezocht over dit werk en dat bleken wat zaken die ik niet vooraf had kunnen verzinnen, daarvoor ben ik te onbekend met de auteur. Er blijkt namelijk een systematiek aan de roman ten grondslag te liggen. Het boek heeft een symmetrische opbouw, in 36 hoofdstukken, verdeeld in drie delen van elk 12 hoofdstukken. Het volgende ontleen ik aan Wikipedia, maar ik vind het interessant genoeg om weer te geven;

Het ritme is ook steeds anders: het eerste deel beslaat vijftien jaar, het tweede nog geen jaar en het derde de weken die aan de prijsuitreiking voorafgaan. Het eerste deel beslaat jaren, namelijk de periode 1978-1987, met flashbacks naar 1969 en 1972. Het tweede beslaat maanden en loopt van augustus 1987 tot april 1988. Het derde deel ten slotte beslaat de weken van april tot eind mei 1988 wanneer de aanstaande prijsuitreiking steeds meer aanleiding is voor aandacht en beroering in de media. In werkelijkheid ligt aan de structuur zelfs een nog dwingender systematiek ten grondslag. Het werkhandschrift bewijst dat het boek ‘niet het snel geschreven tussendoortje is’ waarvoor het volgens criticus Arjan Peters steeds is aangezien, maar beantwoordt aan ‘dezelfde classicistische en numerologische principes’ die aan al het werk van Meijsing ten grondslag liggen, namelijk 96 units van 400 woorden of 12 hoofdstukken van gemiddeld 3200 woorden.

Ik geef het u maar even mee. Mijn hoofdcriterium is of ik het boek met plezier gelezen heb en dat was ondubbelzinnig het geval. O ja, prachtig dat zowel Joost Zwagerman als A.F. Th. van der Heijden weigerden de presentatie van de roman op zich te nemen. De herkenning was iets te groot…

9028242309.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Soms komen er ineens een aantal lijntjes samen met een boek en dat was het geval met de roman Het grote zwijgen van Erik Menkveld. Ik had dat boek al even in de kast staan en was eigenlijk een beetje vergeten waar het over ging, tot ik het uit de kast pakte.

Het is een roman over de verhoudingen en relaties tussen de componisten Alphons Diepenbrock, Matthijs Vermeulen en de vrouw van Diepenbrock, Elisabeth de Jong van Beek en Donk. Nu gaan Diepenbrock, Vermeulen en ik al even terug. Ik ken hun muziek, ik heb van Diepenbrock de eerste drie delen van zijn correspondentie in de kast staan én gelezen, ik heb deze week de dubbelbiografie over Diepenbrock’s vrouw en haar zus gekocht, ik vind de biografie over Vermeulen van Ton Braas één van de beste biografieën die ik ken en ik kwam er deze week pas achter dat de schrijver van die biografie, Ton Braas, getrouwd is met Odilia Vermeulen, de dochter van Matthijs Vermeulen en Thea Diepenbrock, die weer de dochter is van Alphons Diepenbrock en Elisabeth de Jong. Bent u er nog?

Menkveld beschrijft in zijn boek hoe de jonge criticus (hij is nog geen componist) Vermeulen met Diepenbrock in aanraking komt. Deze is getrouwd met Elisabeth, maar het is geen gelukkig huwelijk. Hij heeft een affaire met Johanna Jongkindt, die hem beurtelings aantrekt en afstoot. Fictie en feiten lopen knap door elkaar heen, zoals het ‘Blasfemie’-incident in 1912. Hierin begon dirigent Willem Mengelberg, na een doorleefde uitvoering van Diepenbrock’s Te Deum, een donderende versie van het Wilhelmus, net als Diepenbrock zijn applaus in ontvangst wil nemen. Vermeulen schreeuwt door het Concertgebouw;

‘Godverdomme! Hoe haal je het in je kop, klootzak!’ roept Vermeulen…Diepenbrock staat nog steeds aan de balustrade, met een gezicht alsof hem zojuist een kaakslag is toegediend…Vermeulen kan zijn verontwaardiging niet langer inhouden, springt overeind en begint als een bezetene met zijn programmaboekje op de balustrade te slaan. ‘Blasfemie! Blasfemie!’

Alsof je er zelf bij bent. Feitelijk gebeurt er niet zo veel in het boek. Het gaat vooral om de relatie tussen Vermeulen en Diepenbrock en Elisabeth, die later op Vermeulen verliefd wordt. Vermeulen zet zijn eerste schreden op het componistenvlak, maar heeft moeite om feedback te krijgen van zowel Diepenbrock als Mengelberg. Die laatste acht hij hoog om zijn vakmanschap, maar als mens en collega blijkt het een ander verhaal. Ook de relatie met Diepenbrock is complex. Ze kunnen het goed met elkaar vinden, maar Vermeulen schroomt niet om de waarheid in zijn kritieken te zeggen als Diepenbrock zijn eigen werken niet goed dirigeert. Dan staat hun relatie weer op springen.

Dat geldt ook voor de relatie tussen Diepenbrock, zijn vrouw en zijn minnares. Die laatste wil weten waar ze aan toe is. Ze trouwt uiteindelijk ook met een ander maar ze kunnen elkaar aanvankelijk niet loslaten. Zijn vrouw Elisabeth komt erachter en schroomt niet om op haar beurt een relatie met Vermeulen aan te knopen. Daar is ze glashelder over tegen haar man;

Op zijn verwijt dat ze Vermeulen in Holtwick had ontvangen, antwoordde ze bits; ‘Holtwick is met mijn geld gebouwd. Ik heb het ingericht en draag er alle zorg voor. Ik ontvang daar wie ik wil.’
‘Gebruik je hem om wraak te nemen op mij?’ vroeg hij nog…’Wraak?’ antwoordde ze. ‘Welnee. Ik hou van Thijs.’ En vervolgens kondigde ze aan op geen enkele manier van plan te zijn zich beperkingen op te leggen in haar omgang met Vermeulen. ‘Jij hebt je geluk gezocht bij Jo. Ik heb ook recht op geluk. De enigen met wie ik rekening zal houden zijn Thea en Johanna.’ En voor hij kon antwoorden liep ze de kamer uit.

Ik ben wel benieuwd of dit een roman voor iedereen is. Het verhaal speelt zich af aan het begin van de twintigste eeuw. Een boeiende periode, waarin de industrialisatie op gang komt en men aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog staat. Er wordt fantastische muziek geschreven, door Diepenbrock, Mahler, Strauss en Willem Mengelberg is op het toppunt van zijn roem. Als muziekliefhebber kan ik hier geen genoeg van krijgen dus ik las het boek in één ruk uit. Sterker, ik blijf nog even in die tijd want ik ben al begonnen in de dubbelbiografie over de vrouw van Diepenbrock, Elisabeth, én van haar zuster Cécile.

De auteur, Erik Menkveld is helaas overleden, maar ik vond wel een mooi interview over zijn boek op Youtube. Lees ook vooral de bespreking van Anna hier.

07eac51f0a9874559326c685251444341587343
Het feuilleton Satans Potlood van Jeroen Brouwers is het vervolg op het laatste feuilleton, Extra Edietzie. Het is geen dik boek, 146 pagina’s maar vintage Brouwers.

Het boek begint met een aantal losse verhalen zoals een beschouwing over de ‘pil van Drion’ en een aantal uitspraken van schrijvers die aangeven dat de mens maar beter voortijdig kan sterven.

Gerard Reve; ‘mensen van boven de zestig en zeker van boven de vijf en zestig die moeten weg. Ze werken niet meer maar leggen wel een zware tol op de samenleving, ook financieel.’

Hugo Brandt Corstius concludeerde ook dat rationeel gezien vijfendertig de beste leeftijd zou zijn om maar eens met leven op te houden. De voordelen zijn enorm; geen werkloosheid, nauwelijks ziekenhuizen, geen familieruzies, geen scheidingen. De wereldvrede is verzekerd.

Laat het maar aan Brouwers over om hier nog even op door te gaan. Dan is hij meteen bij één van zijn favoriete thema’s; de dood (eventueel door middel van zelfmoord). Het gaat over de schrijver Jan Hanlo, die in Zuid-Limburg tussen de familieleden ligt van een autochtone Limburger, over Heinrich von Kleist die een privé-begraafplaats geniet en Brouwers schrijft een mooi verhaal over de acteur Max Linder (1883-1925). Deze acteur in stomme films en inspirator van Charlie Chaplin verkoos samen met zijn vrouw de dood. Ik kende het verhaal eigenlijk niet en op Youtube staat een mooi fragment waarin Linder en Chaplin elkaar ontmoeten.

Brouwers bezoekt ook de graven van de fraters waarbij hij vroeger op kostschool heeft gezeten. Hij loopt er rond met de plaatselijke graftuinier en heeft het over de fraters;

Hij prees mij om mijn sterke, visuele geheugen. Geen wonder, – en ik liep daar op de goudmijn van mijn schrijverij: een ongelukkige, volledig verpeste jeugd. Hoe dikwijls is het pensionaat de locatie geweest in mijn romans en andere geschrevenheden?

Zo heeft hij het ook over de dood van frater Adalbertus. Hij hoort van de graftuinier dat deze door zelfmoord om het leven is gekomen. Toen men hem vond, vond men ook wat boekjes met ontuchtig drukwerk die allerminst in overeenstemming waren met de heilige gelofte van kuisheid die hij bij zijn professie had afgelegd. Satans potlood was blijkbaar maar al te duchtig ter hand genomen.

Er staan ook luchtiger verhalen in, zoals over de, toen nog, kroonprins Willem-Alexander. De strekking daarvan is dat de koninklijke kroonkurk wel de volledige werken van welke Nederlandse schrijver dan ook in ontvangst neemt, plechtig belooft deze te lezen en te verwerken in zijn toespraken, maar dat de auteur Brouwers daar geen jota van gelooft.

Brouwers heeft dan de smaak te pakken en pakt door met een hoofdstuk over plagiaat. Daar moeten professor doctor René Diekstra en schrijver Adriaan van Dis het ontgelden;

Niet hoefde Dis, zoals Diekstra, een prijs terug te geven. Integendeel, hij ontving er een. Werd Diekstra zijn baan aan de universiteit van Leiden afgenomen, Dis mocht er gastcolleges komen geven…En op het tijdstip dat ik dit schrijf, lees ik in de krant, echt waar, zo beroemd, gevierd en gerespecteerd is hij, zijn plagiaatje is allang dichtgegroeid tot een nog nauwelijks meer zichtbaar littekentje zonder blaam, dat hij gastcolleges gaat geven aan de, wat zegt u?, aan de Sorbonne. In Parijs…En…ik kan nog vermelden, dat het tijdens de ‘lintjesregen’ 1997 Beatrix heeft behaagd Dis zo’n regenlint op zijn jasje te doen spelden en te benoemen tot Soldaat van Oranje. Pleeg plagiaat. Je brengt het er ver mee.

Er komt ook een follow-up over het onderwerp van het vorige feuilleton, dat ging over Ronald Dietz. Dat heeft natuurlijk reacties opgeroepen, zoals die van de Vlaamse auteur Guido van Heulendonk. Brouwers wast vervolgens Van Heulendonk op zijn kenmerkende wijze de oren;

‘Welk polemisch beestje? De mug Dietz? De beunhaas Dietz? Of bedoelt Van Heulendonk zichzelf als Vlaams schaapje met Dietz in zijn wollen krullenvachtje?’

Een volgend hoofdstuk pakt Brouwers de voetbalclub Ajax aan en dan met name vraagt hij zich af wie het heeft bedacht om de Griekse Ajax als boegbeeld te kiezen. Hij zoekt haarfijn uit wat Ajax zoal heeft bereikt en dat blijkt weinig heroïsch. In de Ilias van Homerus staat dat de Trojaan Hektor het Griekse spul uitdaagde voor een duel en dat iedereen fluitend de andere kant opkeek. Uiteindelijk wees het lot Ajax aan. Het duel was bij zonsondergang onbeslist en de strijders hielden toen gewoon op met vechten. Niet verloren dus, maar ook niet de sterkste. Zo gaat Brouwers nog even door. Als de directie van Ajax dit leest kiezen ze terstond een andere held….

Brouwers keert even later weer terug naar het thema zelfmoord en wel bij de illustrator Tinus van Doorn. Die zou tekeningen maken bij een aantal gedichten van Jan van Nijlen, maar pleegde ook samen met zijn vrouw zelfmoord toen de Duitsers binnenvielen.

Tenslotte wijdt hij nog een prachtig hoofdstuk aan de schrijver Lodewijk Henri Wiener (1945). Weinig bekend maar Brouwers roemt het oeuvre van deze melancholicus. Hij doet dat naar aanleiding van zijn achtste boek Wegens mensenkennis gesloten. Een prachttitel en ik ga mij er zeker nog eens in verdiepen, het hoofdstuk over Wiener maakt mij erg nieuwsgierig.

Een redelijk lange bespreking over een toch kort boekje maar ik vind de schrijfsels van Brouwers, hoewel onvermijdelijk soms ingehaald door de tijd nu, onverminderd interessant.

9400403585.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De roman Goldberg van Bert Natter is een intrigerend boek. Het is een dikke pil van 628 pagina’s en gaat over Johann Gottlieb Goldberg (1727-1756), de klavecinist, organist en componist die, helaas voor hem, niet beroemd is geworden door zijn eigen werk. Des te beroemder is hij door het werk van Johann Sebastian Bach, namelijk door de Goldberg-variaties. Het verhaal gaat dat de veertienjarige Goldberg die variaties speelde voor de aan slapeloosheid leidende graaf Von Keyserlingk, om hem wat op te vrolijken.

Er is niet veel bekend over het leven van Goldberg en des te opmerkelijker is het dat je dan zo’n dikke roman over hem kan schrijven. Is dat de moeite waard dan? Jazeker.

De auteur wordt in een interview gevraagd of hij nieuwe informatie over Goldberg wilde opdiepen of hem als historische figuur tot romanpersonage wilde maken;

‘Dat laatste. Heb je Amadeus ooit gezien, die film over Mozart? Historisch gezien klopte er echt niks in dat verhaal, maar toen ik veel later de brieven van Mozart las, dacht ik: verdomme, die figuur in de film is precies de man die oprijst uit de brieven. Zoiets wilde ik ook met Goldberg doen. Ik heb zijn levensfeiten gebruikt als piketpaaltjes, en ik klets van het ene paaltje naar het andere.’

Hij gebruikt daarbij zowel de tegenwoordige als de verleden tijd. In het heden schrijft Sebastian Savage een boek over Johann Sebastian Bach, probeert daarmee af te studeren maar dat mislukt. De aldus gesjeesde musicoloog laat zijn scriptie toch afdrukken en krijgt enige bekendheid. Tijdens een lezing in Dresden wordt hij aangesproken door ene heer Weiss. Die doet hem allerlei interessant materiaal aan de hand over Goldberg en Savage raakt geïnteresseerd. Hij reist naar Dresden af om onderzoek te gaan doen.

Ondertussen leren we hem beter kennen, zijn ouders én zijn verslaafde zus. Maar we reizen ook af naar het verleden, waar we Goldberg ontmoeten, de oude Bach en zijn zonen, de viool-virtuoos Pisendel, Frederik II van Pruisen, Giovanni Casanova en de beroemde castraat Giuseppe Belli.

De auteur beoogde met zijn roman een verhaal te vertellen hoe de geschiedenis zou hebben kunnen verlopen en verdraaid als ik niet af en toe eens gegoogeld heb om wat zaken na te lopen. Zo is het verhaal over de zieke Pisendel die uiteindelijk uit de dood herrezen lijkt en alsnog in de orkestbak kukelt natuurlijk te mooi om waar te zijn.

Savage zoekt verwoed naar allerlei aanwijzingen over Goldberg en de later naar hem vernoemde variaties. Zo leest hij in een pamflet van de zangeres Signora Mingotti;

Ik wilde naar huis gaan, maar hij vroeg me te blijven en terwijl ik mij langzaam overgaf aan zoete dromen, speelde Signore G*ldb*rg de meest miraculeuze

Nu komt het! Het kan niet anders of hij speelde de beroemde, naar hem vernoemde variaties voor haar! Als ik omsla, zal ik het weten. Ik aarzel. Onderaan deze rechterpagina staat al het eerste woord van de volgende pagina en dat luidt ‘muziek’. En wat speelde Goldberg voor Mingotti, daar in Venetië?

muziek die ik nooit hoorde, met zijn vingers op zijn huid. Nooit eerder had iemand mij zo aangeraakt. Geschrokken kwam ik overeind en ging ik alsnog huiswaarts.

In de roman moeten wij uiteraard ook de pagina omslaan, net als Savage, voordat we verder kunnen. Ik houd daarvan. Het boek is ook met de nodige humor geschreven, getuige dit fragment;

Bach als goddelijk geïnspireerd genie dat de noten hoogstpersoonlijk ingefluisterd krijgt. Wie zich in de ontstaansgeschiedenis van de Matthäus verdiept…weet dat het niet klopt. Bach maakte tussen 1727 en 1742 zeker vier verschillende versies – vijftien jaar had hij nodig om een muziekstuk van tweeënhalf uur in elkaar te zetten tot het goed was. Als God hem daarbij heeft bijgestaan, zat Hij zeker niet lekker in Zijn vel, wanneer je bedenkt dat Hij eigenhandig in zes dagen de ganse schepping voltooide.

Ook een achteloos zinnetje als “Ik verzin het niet” in een roman, als de tonic van het merk Goldberg & Sons blijkt, bevalt me.

Muziek, geschiedenis, een vertelling in het heden en met de nodige humor geschreven, ik heb mij prima vermaakt met dit boek.

9035139399.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Wereld in woorden van Frits van Oostrom is deel 2 van de reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Het sluit aan op deel 1 en gaat verder met de periode 1300-1400.

Het boek trapt af met de stelling dat er in de veertiende eeuw in het Nederlandse taalgebied een prille republiek der letteren op gang kwam. Er zijn meer schrijvers, er is meer publiek en een betere bemiddeling tussen beiden. Bovendien wordt er meer opgetekend in de volkstaal in plaats van in het toen gangbare Latijn. De teksten van mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381) kwamen zelfs in aanmerking om als eerste in het Engels vertaald te worden. Sterker, hij is na Anne Frank nog steeds de meest vertaalde Nederlandstalige auteur.

Het mooie van dit deel is dat het de kentering zo mooi aangeeft. De ridderroman heeft afgedaan en men ontdekt de eigen werkelijkheid als schrijfstof. Dat kan nog steeds krijgsgeschiedenis zijn, maar dan uit het echte leven. Het Kerelslied uit het bekende Gruuthuse-handschrift vertolkt zelfs actuele groepshaat (een spotlied op de paupers). Dat staat in schril contrast met het wonderschone en beroemde Egidius-lied uit hetzelfde handschrift.

Maar ik ga te snel, er staat zoveel meer in dit boek. Aan de hand van teksten en boeken leer ik veel over de geschiedenis van de lage landen. Het gaat over de hoogwaardige lakennijverheid van de Vlaamse steden, wat een prachtig Keurboek van Ieper oplevert (1363). Triest om te lezen dat het verloren is gegaan bij bombardementen in 1914.

Deze eeuw levert ook boeken op, geschreven door artsen. Voor leken waren er boeken zoals de Sidrac, een encyclopedie met antwoord op vragen zoals waarom onze ogen tranen, waar het bloed blijft als het lichaam sterft enz.

Naast de werken van grootheden uit de 14e eeuw als Jan van Ruusbroec, de onbekende bijbelvertaler uit 1360 met zijn geweldige oeuvre, de schrijver Augustijnken die zijn sporen na laat (hij sprak nog in de Ridderzaal) houd ik van de talloze anekdotes in dit boek, zoals van de kopiist van de Lucidarius, een traktaat ten behoeve van het kerkelijk onderwijs;

De kopiist was evident de verkeerde man voor deze taak, en sommige van zijn verschrijvingen zijn zelfs zo flagrant dat men zich afvraagt of hij soms opzettelijk uit balorigheid of kwade wil de vrome tekst geweld aandeed. Hij schrijft dat God, mild als hij is, de wereld zal beoordelen niet als een lammetje (lammekijn) maar als een kammetje (kammekijn); dat bij Hem vooral degene welkom is die de meeste (in plaats van de minste) zonden heeft gepleegd, en dat priesters meer kans maken op het eeuwige leven naarmate zij gelovigen de rechte weg wijzen naar de hellepoort (bedoeld is uiteraard de hemelpoort). 

De literaire bakens worden verzet en actie maakt in de literatuur plaats voor emotie. Een voorbeeld is de Roman de la Rose. Het is een allegorie over wat de liefde in en om de mens teweeg brengt. De liefde als kracht die het beste in de mens naar boven brengt en dus het hoogste goed op aarde is, is volgens de Zwitserse denker Denis de Rougemont (1906-1985) het duurzaamste erfstuk van de Middeleeuwen.

De opkomst van sprooksprekers met hun vertellingen en boerden (een komische vertelling) leveren mooie teksten op, waarvan er een aantal in het boek worden weergegeven;

De eerste gaat over een priester bij wie een parochiaan opbiecht dat hij van plan is ergens een vette ham te stelen – en die zijn biechtvader daarvan de helft belooft als deze hem op voorhand absolutie geeft. Gretig leent de pastoor zich hiervoor, om een paar dagen later zijn halve ham verlekkerd in ontvangst te nemen. Totdat hij die wil ophangen naast die andere vette ham die hij in voorraad dacht te hebben…

De Moderne Devotie was een beweging die koos voor geestelijke inkeer temidden van de samenleving. Zij zetten voluit in op het boekbedrijf en wel tweetalig, in zowel Latijn als Nederlands met een breed gamma aan onderwerpen, zowel laagdrempelig als veeleisend. Het zorgde voor een enorme productie aan teksten. Ook de zusterboeken zijn een interessant fenomeen. Het zijn persoonlijke levensbeschrijvingen van zusters als memoriaal van een gemeenschap. Ik weet niet of de zusters van toen blij zijn met de publicaties van nu, maar mooi is het wel;

Zuster Mette van Delden kon er niet tegen als er traag werd voorgelezen. Zuster Alijt Plagen had een uitstekend verstand, maar was geneigd zich daar te veel door te laten leiden, ‘en was daarom dikwijls een lastpost voor haar oversten en medezusters’. Zuster Zweder van Rechteren was ‘zo vol van vuur voor al het goede, dat het haar pijn deed als haar iets ontging dat welgedaan was’. Jutte van Ahaus ‘vermeed zich te warmen als het koud was’. 

Zo komen we langzaam weer in de buurt van het wonderlijke Gruuthuse-handschrift. Vernoemd naar zijn eerst bekende bezitter, de Brugse patriciër Lodewijk van Gruuthuse (1422-1492), houder van het monopolie op gruut, grondstof van bier. Het is nu in het bezit van de Koninklijke Bibliotheek van Den Haag en was ooit na de dood van Lodewijk van Gruuthuse door het Franse hof achtergelaten. De Franse koning confisqueerde de complete bibliotheek van Lodewijk maar dit zag er blijkbaar niet koninklijk genoeg uit. Het bleek wel een schatkist van berijmde gebeden, liederen en gedichten. De auteur is onbekend maar er zijn vermoedens. Een mogelijkheid zou Jan Moritoen zijn, van Schotse origine (‘Moreton’), en dat zou wat zijn. Een Schot die ons de belangrijkste Middelnederlandse teksten bezorgt. Een sterk staaltje inburgering.

Het mooiste bewaart de auteur voor de laatste pagina’s en dat gaat over de al genoemde Egidius. Wie was Egidius? Ook daar zijn gedachten over maar ze doen er feitelijk niet toe. Het gaat om de tekst en de beelden die ze oproept. Ik neem ze toch op, wie ze zelf wil lezen, dan beter hier gestopt;

En dan komt wat toch wel de meest ontroerende regel van het lied is. Beware mijn stede di beneven – ‘hou mijn plekje vrij naast jou’. De middeleeuwse letterkunde wemelt van de passages over de onmetelijkheid des hemels – hier lijkt de hemel haast een tweezitsbankje.

De hemel als tweezitsbankje….daarvoor lees ik rijke boeken als deze en de literatuur waarnaar ze verwijzen.

Overigens hoort er een mooie website bij dit deel met toelichtingen op foto’s en teksten uit het boek.

902952622X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De laatste roman van Ilja Leonard Pfeijffer, Grand Hotel Europa is een dikke pil van bijna 550 pagina’s en het is wat mij betreft één van de beste romans die ik ken. Het is maar gezegd.

Een schrijver met dezelfde naam als de auteur neemt zijn intrek in een oud hotel, Grand Hotel Europa, om zijn verhaal op te tekenen van zijn verloren liefde, de Italiaanse Clio. Het is een hotel met vergane glorie. Het heeft een jonge piccolo, de uit Afrika gevluchte Abdul, een majordomus voor de lopende zaken en een nieuwe Chinese eigenaar, de heer Wang. Er zijn een paar vaste bewoners. De Griekse reder Volonaki, de Franse dichteres Albane, de oude geleerde Patelski en de vroegere eigenaresse van het hotel, die huist in de onvindbare kamer met nummer 1.

De auteur vertelt het verhaal over hoe hij zijn geliefde heeft ontmoet. Clio is een Italiaanse kunsthistorica met de schilder Caravaggio als specialisme. Als zij een baan aangeboden krijgt in Venetië volgt de schrijver haar. Er zijn voortdurend flashbacks naar hun avonturen samen, want ze zijn op zoek naar een verdwenen Caravaggio. Dat is het ‘spel’ dat ze samen spelen en waar ze elkaar in vinden. Het is al duidelijk dat het niet goed afloopt tussen die twee, hij schrijft over zijn verloren liefde. Verder wordt de auteur benaderd door een aantal kunstenaars die een documentaire over hem willen maken.

Dit zijn de verhaallijnen die vervolgens kunstig door elkaar verweven worden en uiteindelijk uitmonden in een prachtige metafoor over het continent Europa, over het massatoerisme en over migratiestromen.

Om te beginnen is er het verhaal van de piccolo Abdul. Die is gevlucht uit Afrika en heeft een barre reis achter de rug. Dat combineert Pfeijffer tamelijk briljant met de Aeneis van Vergilius. De les is evident, vluchten en migratie is van alle tijden, de geschiedenis herhaalt zich.

Maar dit boek beweegt zich op vele vlakken. Als hij in Venetië is, reflecteert de schrijver over het verleden en hoe men daar nu mee omgaat;

Separatisme komt voort uit heimwee naar betere tijden die al dan niet ooit werkelijk zijn geweest. Het is een verleidelijke gedachte dat de oplossing voor de problemen van vandaag gelegen is in het terugdraaien van de klokken…Dat is de lokroep van het rechtse populisme, dat in de kern van de zaak nostalgisch is…Dat deze nostalgische boodschap massaal weerklank vindt in heel Europa, is een veeg teken. Als een significant en groeiend deel van de bevolking bereid is te geloven dat vroeger alles beter was, kunnen we met recht spreken van een oud en moe geworden continent…

Dat stemt tot nadenken en zo staan er meer passages in het boek. In zijn boeiende gesprekken met de geleerde Patelski heeft hij het over de vijf kenmerken van de eigenheid van Europa. Het gaat over het verdienmodel van alle toeristen die we graag binnen willen halen, de Chinezen voorop. Eigenaar Wang laat dat zien in zijn hotel, Pfeijffer vergroot het uit naar Europa. Die toeristen zijn schadelijk voor Europa, voor Venetië bijvoorbeeld is er al geen weg meer terug. In een interview (op 17:55) zegt Pfeijffer “Er is zoveel verleden in Venetië, dat er geen plek meer is voor de toekomst”. Daartegenover staan de grote aantallen immigranten, die we juist vrezen maar die voor een nieuwe toekomst kunnen zorgen. Volksverhuizingen zijn van alle tijden en de platitudes als het verdwijnen of overgenomen worden van culturen worden mooi genuanceerd;

De botsing van twee culturen leidt niet tot substitutie van de een door de ander, maar tot een nieuwe cultuur, waarin beide op een magische manier tot overwinnaar kunnen worden uitgeroepen…Als Europa islamiseert, zal de islam daar net zoveel van veranderen als Europa.

Het zijn grote thema’s, die helder worden beschreven en die worden afgewisseld met luchtiger verhaallijnen zoals de zoektocht naar de laatste Caravaggio en de te maken documentaire. Toch zijn ook die verhalen goed onderbouwd en leer ik en passant veel bij over waar het geld naar toe gaat dat al die toeristen naar Amsterdam toebrengen. Niet naar verbetering van de stad zelf in ieder geval. Pfeijffer gebruikt met name in deze verhaallijnen uitvergrote karikaturen, zoals de echtparen die in Giethoorn tegen elkaar opbieden wie de meeste authentieke ervaringen in welk land heeft opgedaan, terwijl buiten de Chinezen in file door de kanaaltjes varen. Ook weer iets om over na te denken; wij vinden dat wij waar ook ter wereld unieke ervaringen mogen opdoen om die op onze tijdlijnen te zetten, terwijl we heel benauwd zijn als de wereld hetzelfde bij ons komt doen…

Ik houd van het weelderige en barokke taalgebruik van Pfeijffer. Een elegant handgebaar, nobele trekken, zich verstouten, met name in en om het Grand Hotel wordt deze taal gebruikt en het past er. Als classicus kent hij natuurlijk zijn Aeneis en ook zijn Ilias, want ik kwam mij bekende termen tegen als ‘helmboswuivende Grieken’ en ‘paardentemmende Trojanen’, die ik herkende uit de Ilias-vertaling van M.A. Schwartz. Het mag van mij. De enige zin die ik niet snapte was deze ‘De vierentwintig geborgen stoffelijke overschotten werden verscheept naar Malta, waar ze de dag ervoor waren begraven.’ Wellicht lees ik hem gewoon verkeerd.

Het slot? Ook dat is prachtig. Het oude Europa is geweest, een nieuwe tijd breekt aan. Zo, maar net even anders. Wordt het spel met de Caravaggio uitgespeeld? Ik geef het maar niet weg.

Samenvattend, een zeer rijk boek met weelderig taalgebruik over grote thema’s, doorweven met lichtere verhalen, essay-achtige discussies én een pracht van een beschrijving van de tentoonstelling van kunstenaar Damien Hirst, Treaures from the Wreck of the Unbelievable.

Lees vooral ook de besprekingen van Bettina en Anna.

Nabrander; na het schrijven van dit stuk ben ik ook andere besprekingen gaan lezen en dan leer je steeds meer. Pfeijffer lijkt zijn inspiratie overal vandaan te halen. Ik haalde zelf al de Ilias van Schwartz aan, maar ik lees over de grandeur van het hotel als in etablissementen uit Dood in Venetië en De Toverberg van Thomas Mann. De dichteres Albane doet ook denken aan Madame Chauchat uit De Toverberg. De zin ‘De organisatie van een congres kost meer tijd dan je denkt, en zelfs als je denkt dat het meer tijd kost dan je denkt, kost het nog altijd meer tijd dan je denkt’ blijkt een verwijzing naar een gedicht van Judith Herzberg. Je vraagt je af waar je nog meer overheen leest. Verder, wat te denken van de drie beschreven Caravaggio’s, waarvan twee een zelfportret bevatten van de schilder en waarin hij zichzelf in de derde als vrouw heeft geportretteerd. Pfeijffer schreef tot nu toe twee Italiaanse romans met zichzelf als (deels) fictieve hoofdpersoon…ik geef het u maar even mee.

9403123001.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
We moesten er zo’n negen jaar op wachten, maar Peter Buwalda heeft zijn tweede roman voltooid, Otmars zonen. Oorspronkelijk gepland voor september 2018, maar Buwalda besloot dat het nog niet klaar was, hij bleef schaven en slijpen en in maart 2019 was het zover. Was het ‘worth the wait’? Een volmondig ja.

Ik zit mijn aantekeningen door te kijken en bedenk me na het lezen, waar begon deze rollercoaster ook al weer? Bij Ludwig Smit dus. Houdt u vast…Ludwig Smit, voorheen Dolf Smit heeft een moeder Ulrike Eulenpesch. Zijn vader heeft hen al lang verlaten. Ulrike ontmoet Otmar Smit met zijn kinderen Dolf (ook Dolf dus) en Tosca. Het zijn wonderkinderen, vooral Dolf, waardoor Dolf van Ulrike later Ludwig genoemd wordt (terwijl wonderkind en pianist Dolf gek is van Ludwig van Beethoven). Okay, even ademhalen….

Ludwig reist in de tegenwoordige tijd voor Shell de wereld rond en komt aan op het eiland Sakhalin, ten oosten van Siberië om er Johan Tromp te spreken over het doormeten van olievelden. In Johan Tromp meent hij zijn natuurlijke vader te herkennen… Ook komt hij daar Isabelle Orthel tegen. Isabelle kent hij nog van de campus in Enschede. Enschede? Speelde Bonita Avenue, Buwalda’s eersteling, zich daar ook niet af? Jawel, en Isabelle speelde er ook een rol in, net als Siem Sigerius, die ook in dit boek genoemd wordt. Isabelle kent Johan Tromp ook en wel uit Lagos. Daar had zij een relatie met hem waar de honden geen brood van lusten. Die relatie was niet persoonlijk maar had een reden en wordt in geuren en kleuren beschreven; stelt u zich scenes voor uit het boek van Markies de Sade, zo ver gaat het.

Isabelle is onderzoeksjournaliste en ging in Lagos ver om informatie van Tromp te verkrijgen. Met een partner wilde zij een boek over hem schrijven maar dat ging niet door, dus ze wil meer en reist af naar Sakhalin. Hier doorheen speelt nog de sensationele ontdekking van pianist Dolf van onbekende brieven van Beethoven aan Mozart en Haydn én het ontbrekende deel van diens meesterwerk Piano Sonate Opus 111. Ludwig vertelt dit aan Isabelle en zij gaat hiermee als een goed journaliste aan de haal.

Dit duizelingwekkende verhaal wordt verteld in de tegenwoordige én in de verleden tijd. Die wisselen naadloos met elkaar af, vaak zonder witregel ertussen maar altijd volkomen logisch. Ik raakte geen moment de draad kwijt. Verder is de stijl van Buwalda onnavolgbaar. Ik weet niet of hij snel of langzaam schrijft, hoe lang hij op passages broedt of dat het snel zijn pen uit komt, maar het is genieten het hele boek door en dat zijn ruim 600 pagina’s. Voorbeeld, als Isabelle Johan ofwel Hans Tromp ontmoet in Lagos;

‘Ik heet trouwens Hans Tromp.’ Ze realiseerde zich meteen dat er twee interviewaanvragen op zijn persafdeling lagen – I. Orthel, freelance journalist; allebei afgewezen…’Isa,’ antwoordde ze daarom, ‘Isa Phornsirichaiwatana,’ haar Thaise nom de plume die ze wel vaker in vage clubs in vage oren riep, een onkraakbaar auditief letterslot dat alleen de koningin zag wanneer ze ’s avonds nog wat in de Burgerlijke Stand bladerde.

De talloze verhalen zijn soms ‘over the top’ maar erg vermakelijk. Het verwisselen van de inhoud van een fles absint (voorop de pagina prijkt een absintlepel) voor Dreft afwasmiddel, het gevecht om een stel oordoppen tussen Isabelle en Ludwig in een hotelbed in Sakhalin, ik ga er volledig in mee. Wonderkind Dolf wordt naadloos aan bestaande personen gekoppeld zoals de pianiste Martha Argerich waarmee hij een cd maakt, of komt bij Adriaan van Dis op bezoek. Isabelle belt Maarten ’t Hart op (die zeer te spreken is over dit boek) als deskundige over de Beethoven-sonate, het is prachtig om te lezen.

Uiteindelijk krijgt Isabelle Tromp te spreken op het eiland Sakhalin. Buwalda weet dit op te bouwen tot een mooie climax. Ze hebben een beladen verleden. In Lagos deed Isabelle zich voor als iemand uit de modewereld. Tromp weet inmiddels dat ze een onderzoeksjournalist is. Hij gaat koortsachtig na of hij in boeken of artikelen voorkomt. Een ontvoering die hij had kunnen voorkomen, omkooppraktijken, waar kan hij op aangesproken worden?

Ze neemt kou mee, maar ook: hitte. Opnieuw heeft een dierlijke emotie haar gezicht uit zijn geheugen gewist, niet de lust van Lagos dit keer, maar de haat van Zima…Onder zijn schedeldak lazert een archiefkast naar voren, stalen lades met scènes, met gesprekken, met geuren en zelfs smaken glijden open – tot het ding met een smak neerkomt.

Otmars zonen is het eerste deel van een trilogie. De Jaknikker en Hysteria Siberiana staan nog op stapel en deel twee schijnt al grotendeels af te zijn. Gelukkig maar, want er zijn genoeg open eindjes. Dat met die sonate is nog niet afgehandeld, Tromp’s vrouw maakt op de laatste pagina’s ineens haar opwachting, Ludwig en zijn vrouw Juliette zijn nog lang niet uitgeruzied, het is maar goed dat we blijkbaar niet zo lang op Buwalda’s derde boek hoeven te wachten. De laatste zin in dit boek maakt dat ik absoluut met deel twee doorga.