archiveren

Nederlandstalige literatuur

7aab7300f92fbe359344a685251437641414141
Na het overlijden van uitgever Geert van Oorschot, schreef Jeroen Brouwers een ‘in memoriam’. Dat is Het tuurtouw, een boekje van 67 pagina’s. Van Oorschot overleed in 1987 en Het tuurtouw kwam twee jaar later uit.

Nu heb ik net de biografie over Van Oorschot gelezen, dus dit boekje bevatte weinig nieuws, anders dan wat gedachten van de schrijver over de uitgever. Zo is er aardig wat gecorrespondeerd tussen de twee. Van Oorschot was überhaupt iemand die vaak en veel brieven schreef. Brouwers;

Zijn brieven waren de bliksemafleiders van zijn momentane stemmingen, – hij moet er, zegt men, in de loop van zijn leven ongeveer dertigduizend of meer hebben geschreven: zouden die ooit worden gepubliceerd, dan vullen ze een plank vol dundrukdelen…Mochten al die brieven even schitterend zijn als het merendeel van de brieven die ik van hem heb ontvangen, moet het nageslacht niet nalaten subsidies bij elkaar te harken ter bekostiging van de integrale publikatie ervan.

Inmiddels zijn we wat jaren verder en is niet alles integraal gepubliceerd, maar is Brieven van een uitgever inmiddels nog her en der te koop.

Van Oorschot ‘bevaderde’ graag de schrijvers met wie hij omging, maar Brouwers liet dat niet toe. Toch was hij niet ongevoelig voor zijn kritiek en adviezen. Zo vertelde hij Brouwers dat hij zich op zijn schrijverschap moest concentreren;

Jij moet hier weg, zei hij.
Om hem exact te citeren, hij zei; ‘Je moet van je tuurtouw los’. Die uitdrukking hoorde ik toen voor het eerst. Dat is het touw waarmee een schaap aan een paaltje vastzit om hem een bepaald stuk land te laten afgrazen. Ik moest weg uit ‘het verdomde Vlaanderen’, ik moest een andere, een Nederlandse uitgever zoeken…

Hoewel Van Oorschot niet zijn uitgever zou worden bleven de twee contact houden. Soms was er ruzie, maar dat contact bleef, hoewel Van Oorschot daar ook wel eens onrustig over was;

Toen ik met de samenstelling van mijn brievenboeken bezig was, vond Geert het niet goed dat mijn brieven aan hem daar ook in terecht zouden komen: ‘laten wij de wonden die we elkaar hebben toegebracht barmhartig afgedekt houden’, zei hij.

Wat mij toch nieuwsgierig maakt naar zijn brievenboek, ik vermoed dat ik nog niet uitgelezen ben over de man. Het einde van dit in memoriam is des Brouwers en toch weer mooi;

In ieder mensenbestaan keert bij tijden éénzelfde feit terug, uit welke constante zich geleidelijkaan een levensthema ontwikkelt, steeds in varianten herhaald, zoals in een symfonisch werk. (‘Een witte ijsmuts met zo’n bolletje had hij op zijn kop. Ga nou maar slapen Geert zei hij, godverdomme.’)

Advertenties

9028261400.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Met mijn interesse voor het Nederlands literatuurlandschap kon ik niet om Geert van Oorschot, uitgever van Arjen Fortuin heen. Met ruim 600 pagina’s is dit een biografie die mij veel heeft bijgebracht over het literaire klimaat in Nederland uit de vorige eeuw.

Het vak leerde hij bij Uitgeverij Stols en bij Uitgeverij Querido. Na de oorlog vestigde hij zich als zelfstandig uitgever in Amsterdam, inmiddels met zijn tweede vrouw Hillie Munneke. Eigenlijk begint daar het grote uitgeversavontuur en blijkt waar de grote kracht van Van Oorschot in zit. Hij zorgt allereerst voor een goede catalogus met auteurs als Multatuli, Du Perron en Couperus. Hij wordt wel de uitgever van de dode schrijvers genoemd. Dat deert hem niet, ook nieuwe talenten als Hermans en Van het Reve gaan met hem in zee.

Vervolgens zorgt hij voor herkenbaarheid, door de vormgever Helmut Salden aan te trekken. Een nukkige, compromisloze Duitser maar een vakman, onder meer verantwoordelijk voor het vignet dat nog altijd de boeken van Van Oorschot siert.

Verder was Van Oorschot niet bang voor grote projecten. De complete Multatuli, de Russische Bibliotheek, de complete Belle van Zuijlen, er waren astronomische investeringen voor nodig maar Van Oorschot praatte en sleurde onvermoeibaar, net zolang tot hij het voor elkaar had. Het boek maakt zeer duidelijk dat hij heel nauw naar de kosten keek; erven liet hij van royalty’s afzien, kosten werden links en rechts ingehouden op honoraria van schrijvers en vertalers en als er werd geklaagd dan kon hij een waar rookgordijn van cijfers optrekken ter verantwoording.

Dat was dan ook zijn valkuil. Een enorm temperament en enorme gedrevenheid waardoor hij mensen aantrok en afstootte. Hermans, Van het Reve, Salden en een hele berg anderen, hij ging er mee in zee en kreeg er de grootste ruzie mee. Anderen konden beter met hem omgaan, zoals de weduwe van Menno ter Braak, van wie hij ook het complete werk uitgaf;

‘Natuurlijk is van O. een gek en een barbaar en een fantast en een bezetene en wat je maar wilt. Maar zonder die eigenschappen had hij nooit deze uitgeverij gehad en was ook het Verzameld werk van Ter Braak nooit verschenen. Het kan best zijn dat hij mensen heeft bedonderd en dan was hij slimmer dan die mensen. Ik heb zelf enorme ruzies met hem uitgevochten en een grote bek gezet tegenover de zijne.’

Van Oorschot dendert door. Met zijn blad Tirade bijvoorbeeld. Hij had al eerder bladen uitgegeven en talloze redacties versleten, maar Tirade zou hem overleven. Een blad vond hij nodig om aan het maatschappelijk debat deel te nemen. Waar Van Oorschot altijd dichter wilde worden, brak hij door als schrijver met zijn boek Twee vorstinnen en een vorst, onder het pseudoniem R.J. Peskens. Daar hield het succes als schrijver ook wel op;

‘R.J. Peskens is reeds geruime tijd aan het nadenken of de boeken welke hij in portefeuille heeft wel goed genoeg zijn voor publicatie,’ schreef hij eind 1978 aan criticus Wam de Moor. En het was niet goed genoeg. Achteraf beschouwd was R.J. Peskens bij het verschijnen van zijn debuut al uitgeschreven.

Privé kreeg van Oorschot een dreun te verwerken met de zelfmoord van zijn zoon Guido. Er kwam druk te staan op zijn huwelijk met Hillie maar ze bleven bij elkaar tot haar dood in 1979. Een andere constante in zijn leven was zijn goede vriendin, schrijfster, dichteres en psychiater Vasalis met wie hij in contact bleef tot aan zijn dood in 1987.

Ik vond het een prachtig boek om te lezen. Ik heb de liefde voor poëzie van Van Oorschot nog niet genoemd maar die komt uitgebreid aan bod en deed mij een aantal bundels bestellen, onder meer van Jan van Nijlen, Christiaan J. van Geel, Richard Minne en Jan Emmens. Zijn omgang met de literaire grootheden zoals wij ze kennen is fascinerend. De clashes met Hermans en Van het Reve, het afserveren van Biesheuvel, een A.F. Th. van der Heijden die met het zweet in zijn handjes Van Oorschot niet durft aan te spreken (hoewel hij voor een kop koffie was uitgenodigd) en ga maar door. Een eigenzinnig man die uiteindelijk een pracht van een bedrijf heeft nagelaten.

9023454588.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Toen was hij er ineens; de vuistdikke biografie van Jan Wolkers, Het litteken van de dood, door Onno Blom. Ik wist dat hij er aan zat te komen, dat Blom er 10 jaar aan had gewerkt en ik keek er wel naar uit. Waarom? Ik heb maar één boek van Wolkers gelezen en twee films gezien die op zijn boeken zijn gebaseerd. Maar ik was bekend met zijn kunstwerken en ik heb het altijd een markant figuur gevonden, hij was vaak in de media te vinden. Daarom wilde ik die kleine 1000 pagina’s graag lezen.

Toch had het boek bijna niet nu verschenen, er was nogal wat om te doen. Blom zou op de biografie promoveren, maar het manuscript werd in eerste instantie afgewezen door de promotiecommissie. Blom zou te dicht bij zijn hoofdpersoon zijn gebleven en te weinig de tijdsgeest hebben beschreven waarin Wolkers acteerde. Dat is een opvatting, maar de manier van schrijven van Blom is dat ook, dus werd de commissie ontbonden en werd er een nieuwe aangesteld, die wel akkoord ging (overigens geheel volgens de regels). Voilà, het boek kon toch uitgebracht worden, tien jaar na het overlijden van Wolkers.

Blom had de opdracht van Wolkers zelfs gekregen en had de beschikking over zijn uitgebreide archief. Wolkers bewaarde werkelijk alles. Uit het boek wordt duidelijk dat iedere ontmoeting, gebeurtenis of gesprek input vormde voor zijn kunst. Een beeld, boek, artikel, toneelstuk, gedicht, schilderij, hij was van veel markten thuis. Wolkers ging zelfs zover dat hij ongezien een bandrecorder liet meelopen bij gesprekken met zijn ouders, geliefden en zelfs op begrafenissen, om zo puur mogelijke reacties te verkrijgen.

Hieruit volgt ook dat veel van zijn werk een sterk autobiografisch karakter heeft. Zijn leitmotieven zijn ook helder; een liefde voor de natuur, een afkeer van het geloof, fascinatie voor de dood en een ongebreidelde seksuele drift. Bij dat laatste nam hij in zijn boeken geen blad voor de mond, hij noemde alles bij naam, precies zoals we dat in het echt ook doen, zo was zijn redenatie. Hij gooide ‘en passant’ de seksuele moraal er wel even mee om in de tijd dat zijn boeken verschenen.

Zo’n dik boek geeft uiteraard een stortvloed aan informatie. De chronologie wordt keurig gehandhaafd. Er is uitgebreid aandacht voor zijn jeugd en opleiding. Dat geeft een goed beeld van hoe hij tot zijn werken komt. Zijn huwelijken en kinderen spelen ook een grote rol, zeker de dood van zijn dochtertje Eva. Wolkers is niet monogaam en heeft een voorliefde voor jonge vrouwen. Welke relatie hij ook heeft, zij zal andere vrouwen moeten gedogen. Zijn laatste liefde, Karina, kon hier het beste mee omgaan.

Zijn beelden en sculpturen waren alom geliefd en zijn boeken waren dat ook. Bij het publiek dan. Hij was tijdenlang de best verkopende auteur van het land, maar ieder boek kreeg steevast vernietigende kritieken van een vast clubje. Dat was het enige wat een beetje een opsomming werd in dit boek. Het volgende boek, goed verkocht, veel kritiek, verongelijkte Wolkers, volgend boek, goed verkocht enzovoort.

Maar, het leest verder geweldig weg, ik heb mij geen moment verveeld. Wolkers komt naar voren als een authentiek mens. Apart, maar bevlogen en op vele vlakken autodidact. Het moest wel allemaal volgens zijn spelregels. Zo was zijn ex-vrouw Annemarie Nauta verbolgen over het feit dat Olga uit Turks Fruit op haar gebaseerd was. Wolkers had hier zijn eigen verhaal bij;

‘Ik heb natuurlijk autobiografische elementen gebruikt, maar Turks Fruit is een roman, geen autobiografie. Ik heb veel vrouwen gekend en een aantal vrouwenfiguren in elkaar geschoven, gecombineerd tot Olga. Eén echte complete Olga heeft nooit bestaan’. 

Maar tegen regisseur Paul Verhoeven had hij een ander verhaal opgehangen:

‘We waren geschokt’ zegt Verhoeven. ‘Of een deel van de bodem onder ons vandaan was getrokken. Wij dachten allemaal écht dat Olga dood was. En nu bleek ze te leven…En Wolkers had ons toch maar mooi al die tijd de leugen laten verkondigen dat Olga dood was. Daar hebben we echt van moeten bijkomen.’

Het boek staat vol met dergelijke verhalen en je volgt zijn ontwikkeling van tomeloze kunstenaar tot de broze oude man die hij uiteindelijk werd. Broos, maar vol liefde voor zijn tweeling en zijn vrouw. Broos, maar blijvend scherp, zoals toen hij last had van wondroos; ‘Jan Peter Balkenende had dat ook’, zei Wolkers, ‘maar die had het verdiend.’

Wolkers, een grote robuuste vent met aparte trekjes maar een oorspronkelijk mens, die een dergelijke biografie wat mij betreft verdient. Ik mis hier geen tijdsgeestbeschrijvingen. Een gevoelsmens ook en laat ik daarmee afsluiten, als hij beseft dat hij verhuist, weg van het huis waar zijn dochter Eva is overleden;

Van alle plekken in huis waaraan hij herinneringen had, maakte er één hem nog altijd radeloos en misselijk van verdriet. Het was de plek op de muur waar de handjes van Eva hadden gestaan. ‘Godverdomme ja, tiny little finger-prints,’ schreef hij in Een roos van vlees. ‘Het was chocoladepasta. Ze had allebei haar handjes tegen de muur gedrukt. Misschien heb ik haar er wel een standje voor gegeven. Ik probeerde ze weg te wassen nadat ze was doodgegaan. Het ging niet.’

IMG_3966
Ik begon vol goede moed aan de dubbelroman van Willem Elsschot, Lijmen / Het been. Ik had de novelle Kaas al gelezen van hem en die beviel mij best dus ik was benieuwd naar deze werken. Hoewel ze met enige tijd ertussen werden geschreven, respectievelijk in 1928 en in 1938 is het een vervolg op elkaar en werden ze na de oorlog altijd samen uitgegeven.

De verteller en ik-figuur ontmoet een oude bekende, Frans Laarmans (iemand die we ook al in de novelle Kaas tegenkwamen). Laarmans vertelt over het werk dat hij doet, en dat is klanten werven voor het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen. Dat begon allemaal met de ontmoeting van Laarmans met Boorman. Die verdiende zijn geld met dit tijdschrift en hij zoekt een opvolger. Dat moet Laarmans worden maar er zijn regels;

…je moet doen zoals ik doe, praten zoals ik praat en zwijgen zoals ik zwijg. Wij maken een contract, waarbij bepaald wordt dat je van heden af duizend frank in de maand krijgt gedurende niet langer dan twaalf maanden. Na die tijd, of vroeger, word je er uitgetrapt of doe ik mijn zaak aan je over…

Laarmans gaat akkoord, maar is niet gerust;

 ‘Ik vind het goed,’ sloeg ik toe, niet zonder waardigheid en niet geheel zonder beklemmend gevoel, als verkocht ik mijn ziel.

Laarmans moet namelijk gaan ‘lijmen’. Binnenlopen bij bedrijven en vervolgens aanbieden om een editie van het tijdschrift te wijden aan het fantastische product of de geweldige diensten die geleverd worden. Daartoe liggen al een aantal artikelen panklaar op de plank, die makkelijk omgewerkt kunnen worden naar het betreffende onderwerp.

Zo lopen Boorman en Laarmans binnen bij de smidszaak Lauweryssen. Die wordt gerund door broer en zus. Mevrouw heeft een slecht been en doet de administratie en wordt zo ‘gelijmd’, dat ze besluit 100.000 exemplaren te bestellen van het tijdschrift, dat gaat over hun zaak en de fantastische keukenliften die ze maken. Af te betalen in termijnen, die Laarmans moet gaan innen.

Het vervolg, Het been, gaat over de wroeging van Boorman. Hij loopt mevrouw Lauweryssen tegen het lijf en komt met haar ten val. Ze heeft een houten been inmiddels en Boorman krijgt spijt van zijn vroegere praktijken. Hij wil haar het geld terug betalen, maar zij weigert. Hij zet alles op alles om het voor elkaar te krijgen en geraakt er zelfs even door in een psychiatrische kliniek. Uiteindelijk lukt het toch via bemiddeling van een oom van Laarmans. Dat klinkt heel simpel en dat is het ook, en meteen daar ligt mijn reserve bij deze verhalen.

Het zijn verhalen uit het interbellum, verhalen over het verdienen van geld en een bepaalde moraal. Tot zover niets mis mee. Het is ook geen dik boek, in totaal 219 pagina’s, maar ik kon er mijn aandacht niet bijhouden. Het verhaal kon mij maar heel matig boeien. Er hoeft ook niet persé een plot in te zitten, maar als heel het tweede verhaal draait om het moeizaam teruggeven van het geld, en het is ineens opgelost met een paar gesprekken, dan vind ik dat te mager. Ook het eerste deel, Lijmen, kwam bij mij niet verder dan een aardig verhaal, het haalde niet het niveau van Kaas.

De mooiste passage? Waarin Laarmans het omgewerkte artikel voor piano’s voorleest aan mevrouw Lauweryssen, maar dan voor keukenliften;

‘…dat Lauweryssens fabriek een waar industrieel paradijs is. Wie er eenmaal werkt gaat niet meer weg, zodat dezelfde mensen reeds jarenlang dezelfde taak verrichten en zich geleidelijk hebben opgewerkt tot een weergaloze bedrevenheid. Het mag dan ook gezegd worden dat Lauweryssens piano’s…
‘Keukenliften,’ verbeterde Boorman kortaf.
‘…dat Lauweryssens keukenliften,’ hervatte ik als de bliksem, ‘voor generlei verbetering vatbaar zijn.

78107f4fbcee130597a76485241444341587343
Zolang te water van Simon Vinkenoog is zijn autobiografische roman uit 1954. Het is een kort verhaal van ruim 140 pagina’s, geschreven toen hij in Parijs woonde. Daar speelt het boek zich ook voornamelijk af, in het Parijs van de vroege jaren veertig en vijftig.

Het is geen lineaire vertelling, verre van zelfs en je moet er je aandacht behoorlijk bijhouden. De hoofdpersoon is de auteur zelf en het draait allemaal om zijn liefde voor Vera. Hierin herkennen velen zijn toenmalige vriendin Ferdi Jansen. Ze ontmoeten elkaar in Parijs en Simon geeft voor Vera zijn tweede huwelijk met Poes op. Uiteindelijk kan hij Vera ook niet voor zichzelf behouden.

Tussen dit verhaal spelen constant andere levensgebeurtenissen. Slapen naast de dochter van de kapper op zijn twaalfde, zijn ontmoeting met een antiquair bij wie hij twee nachten doorbracht, zijn bezoek na de oorlog aan de communistische jeugdbeweging, het meisje dat hij er leert kennen en met wie hij trouwt, de zoon die ze krijgen, hoe hij Julia ofwel Poes ontmoet met wie hij later in Parijs trouwt en uiteindelijk de ontmoeting met Vera.

Kortom, best veel informatie en in een van-de-hak-op-de-tak-stijl opgeschreven. Even het hoofd erbij houden maar dan is er moois te ontdekken in dit boek;

Tegen de zon kan men zich verdedigen: het beest dat naar gezondheid en rijke mensen ruikt, microben doodt en krenkend helder schijnt, heeft vele andere misdaden op zijn geweten. De regen daarentegen is een zacht en teder beest, dat het speeksel van onze lippen likt en liefkozend langs onze wangen speelt, daarenboven nog de mogelijkheid openlaat ons te beschermen wanneer wij genoeg hebben van zijn druppelende goedheid.

Ik vind het poëzie en ik kan het blijven teruglezen. Ook een zinsnede als “…zijn gezichtsvermogen, dat op kurken randjes van onbehagen drijft liet hem hoe langer hoe meer in de steek” vind ik heerlijk om te lezen.

Het was destijds een scandaleuze roman, met hetero- en homoseksuele passages. Nu kijkt niemand er meer van op, maar de recensies logen er destijds niet om. Uit een bespreking in het Dagblad van Rijn en Gouwe uit 1955;

Men moet een jong auteur welwillend tegemoettreden…Teneinde dus dit boek geen onrecht te doen hebben wij de rimram twee keer met aandacht gelezen, wat waarlijk geen genoegen was. En dan moeten wij mededelen dat wij: a. nergens één originele gedachte hebben gelezen; b. nergens één zin hebben gevonden welke een sfeer, een stemming, een beeld ook maar éven oproept; c. nergens één stukje compositie hebben ontdekt; d. nergens één mens hebben ontwaard.

Niet mis dus, hoewel Louis Paul Boon zich weer lovend over het werk uitliet. Zo zie je maar, oordeel vooral zelf. Mij beviel het, om het verhaal, maar ook om de mooie opdracht die ik voor in dit tweedehands boek vond;

“Zolang te water” voor een meisje dat al zo lang te bed ligt, en dat heel flink is. Je Niek 11-3-’61

7f4c882e973c77f593664465251444341587343
De eerste aflevering van het éénmanstijdschrift verscheen in 1996, maar de schrijver Jeroen Brouwers was dat jaar nog niet klaar. Er verscheen dus een Feuilletons Extra Edietzie in de herfst van datzelfde jaar. Het was een schotschrift over de toenmalig aangestelde directeur van uitgeverij De Arbeiderpers, Ronald Dietz.

Die ligt op zijn zachtst gezegd niet goed bij Brouwers, net als de man die Dietz binnenhaalde, Pieter de Jong.

Ze gingen meteen over lijken, de De Jong en Dietz. De nog zittende directeur van De Arbeiderspers, Theo Sontrop, aan wie eerst was voorgespiegeld dat hij nog enige jaren in zijn functie zou worden gehandhaafd met Dietz (‘winstdirecteur’) als rechterhand, werd zeer spoedig de deur uitgeschoven. Bij Dietz’ benoeming werd de al vele jaren aan het bedrijf verbonden redacteur Emile Brugman, bemind en gerespecteerd door het merendeel der Arbeiderspers auteurs, plompverloren gepasseerd.

Een winstdirecteur dus, alleen uit op geld en met nul gevoel voor literatuur, aldus Brouwers. Brugman richtte zijn eigen uitgeverij Atlas op (waar dit boek uiteindelijk ook verscheen) en nam een aantal auteurs mee. Brouwers fulmineert er 160 pagina’s op los tegen Dietz. Enerzijds door zijn functioneren als directeur te bekritiseren (het aanbrengen van niet succesvolle auteurs, zijn afwezigheid bij de uitreiking van een Franse literatuurprijs aan Brouwers, de onrendabele reisjes naar de Buchmesse in Frankfurt), anderzijds door persoonlijke anekdotes;

Eind 1995 bedacht Dietz een ‘Vlaanderen-actie’:…een leuke avond in Amsterdam waarop alle A.P.-Vlaampjes aanwezig zouden zijn, omringd door pers, radio, televisie, leuke Vlaamse hoempamuziek en heel veel bier.
Hij sprak mij erover in mijn bosvilla te Zutendaal en ik wist meteen te melden dat hij het allemaal zò niet moest aanpakken: Vlaamse schrijvers zijn geen bosapen die je op die manier samendrijft in die enge grachtengordel. Natuurlijk vond de circusdirecteur dat weer ‘dwars’ van mij, want luisteren, zoals reeds vermeld, dat kan hij niet.

En dit zijn nog de vriendelijke passages. Zijn uitspraak “Hier ligt Dietz. Hij rijmt op niets” is misschien nog wel de meest bekende uit het hele boek.

Natuurlijk kan Brouwers in zo’n uitgave zijn liederlijke gang gaan. Het is éénrichtingsverkeer en er zitten altijd twee kanten aan een verhaal. In een interview in Trouw uit 1996 werd Dietz om een reactie gevraagd maar hij gaat er niet teveel op in;

“Vrienden zeggen, Ronald, doe wat. Maar ik doe het niet. Wie geschoren wordt, moet stil blijven zitten.”

Dat neemt niet weg dat Brouwers zijn uitspraken wel altijd onderbouwt. Feit is ook dat Dietz na behoorlijk wat onrust bij De Arbeiderspers, per 1 juni 2001 is afgetreden als directeur, na blijvende onenigheid met auteurs en personeel. Brouwers heeft dus zijn oeuvre ondergebracht bij uitgeverij Atlas, waar hij in 2009 als Feuilletons 8 een nieuw vloekschrift publiceerde, Sisyphus’ bakens, over het lage prijzengeld van de Prijs der Nederlandse Letteren. Ook dat boek is de moeite waard.

6916a4a52c225e559366c465251444341587343
Jeroen Brouwers bedacht ooit dat er te weinig literaire tijdschriften waren en besloot toen om er zelf maar één op te richten. Dat werd Feuilletons, uitsluitend bedoeld voor nieuw werk van eigen hand. Er werd een uitgeverij bedacht, ‘Noli me tangere’ in Zutendaal, zijn toenmalige woonplaats en het eerste deel werd gevuld met aantekeningen, polemieken en een paar artikelen.

Ruim honderd pagina’s, maar je bent er zo doorheen, alleen al omdat de eerste 50 pagina’s “Journalen” gezet zijn in een absurd groot lettertype. Die Journalen vond ik meteen het minst boeiend. Wat gedachten over hoe Utopia eruit ziet (hij komt toch uit op zes planken) en een dagboekfragment met een aardig verhaal over de vergeten schrijver en journalist Henri van Wermeskerken.

Het tweede deel is interessanter. Hier gaat Brouwers in op Willem Elsschot en zijn biograaf, de Belg Jean Surmont. Deze laatste krijgt het aardig uitgemeten van Brouwers;

Het als ‘biografie’ gepresenteerde werk…had ook de ondertitel ‘Tussen lulkoek en larie’ kunnen meekrijgen…Het werkstuk van Surmont kon niet lamlendiger, kon niet slordiger, kon niet slechter. Qua Elsschotkunde vertegenwoordigt het zoveel als wind die door dorre bladeren woelt: er staat in het boek niet één mededeling die iedere Elsschotofiel niet al jaren eerder heeft gehoord…

Daar kan Surmont het mee doen. Brouwers gaat ook in op de aparte nationalistische trekjes van Willem Elsschot. Waarom schreef hij een gedicht op de foute en gefusilleerde August Borms? Ook Louis Paul Boon kwam er niet uit. Verder krijgt ook Rudy Kousbroek er van langs in dit tijdschrift. Brouwers is getergd en staat duidelijk niet boven de materie, maar goed, anders hebben we ook geen polemiek natuurlijk.

Ik was geboeid door het verhaal van de mij onbekende Uruguayaanse schrijver en zelfmoordenaar Horacio Quiroga. Die heeft in zijn leven behoorlijk wat voor zijn kiezen gekregen maar schijnt desondanks prachtige verhalen geschreven te hebben met als terugkerend thema de bedreiging van het menselijk bestaan door de natuur. Een voorbeeld;

Een naïeve accountant uit de grote stad Salto, ‘een vreedzame, mollige, blozende jongeman’, trekt opgewekt het oerwoud in, vindt in een boomstam wilde honing en doet zich daar gulzig te goed aan. Het blijkt een moorddadige lekkernij te zijn, die verlamming veroorzaakt. Machteloos neergestort, ziet hij in ‘ultieme angst’ hoe er over de grond iets massaals en zwarts op hem toestroomt…’Om hem heen kleurde de allesverslindende strafexpeditie de grond donker, en de accountant voelde de stroom vleesetende mieren onder zijn lange onderbroek omhoogkruipen.’

Ik heb die verhalen maar besteld en ben benieuwd. Brouwers sluit Feuilletons af met een pleidooi voor het roken en tegen de hypocriete tabakshaat in met name de Verenigde Staten. Van wisselende kwaliteit dus dit éénmanstijdschrift, maar nog altijd boeiend genoeg.