archiveren

Nederlandstalige literatuur

78107f4fbcee130597a76485241444341587343
Zolang te water van Simon Vinkenoog is zijn autobiografische roman uit 1954. Het is een kort verhaal van ruim 140 pagina’s, geschreven toen hij in Parijs woonde. Daar speelt het boek zich ook voornamelijk af, in het Parijs van de vroege jaren veertig en vijftig.

Het is geen lineaire vertelling, verre van zelfs en je moet er je aandacht behoorlijk bijhouden. De hoofdpersoon is de auteur zelf en het draait allemaal om zijn liefde voor Vera. Hierin herkennen velen zijn toenmalige vriendin Ferdi Jansen. Ze ontmoeten elkaar in Parijs en Simon geeft voor Vera zijn tweede huwelijk met Poes op. Uiteindelijk kan hij Vera ook niet voor zichzelf behouden.

Tussen dit verhaal spelen constant andere levensgebeurtenissen. Slapen naast de dochter van de kapper op zijn twaalfde, zijn ontmoeting met een antiquair bij wie hij twee nachten doorbracht, zijn bezoek na de oorlog aan de communistische jeugdbeweging, het meisje dat hij er leert kennen en met wie hij trouwt, de zoon die ze krijgen, hoe hij Julia ofwel Poes ontmoet met wie hij later in Parijs trouwt en uiteindelijk de ontmoeting met Vera.

Kortom, best veel informatie en in een van-de-hak-op-de-tak-stijl opgeschreven. Even het hoofd erbij houden maar dan is er moois te ontdekken in dit boek;

Tegen de zon kan men zich verdedigen: het beest dat naar gezondheid en rijke mensen ruikt, microben doodt en krenkend helder schijnt, heeft vele andere misdaden op zijn geweten. De regen daarentegen is een zacht en teder beest, dat het speeksel van onze lippen likt en liefkozend langs onze wangen speelt, daarenboven nog de mogelijkheid openlaat ons te beschermen wanneer wij genoeg hebben van zijn druppelende goedheid.

Ik vind het poëzie en ik kan het blijven teruglezen. Ook een zinsnede als “…zijn gezichtsvermogen, dat op kurken randjes van onbehagen drijft liet hem hoe langer hoe meer in de steek” vind ik heerlijk om te lezen.

Het was destijds een scandaleuze roman, met hetero- en homoseksuele passages. Nu kijkt niemand er meer van op, maar de recensies logen er destijds niet om. Uit een bespreking in het Dagblad van Rijn en Gouwe uit 1955;

Men moet een jong auteur welwillend tegemoettreden…Teneinde dus dit boek geen onrecht te doen hebben wij de rimram twee keer met aandacht gelezen, wat waarlijk geen genoegen was. En dan moeten wij mededelen dat wij: a. nergens één originele gedachte hebben gelezen; b. nergens één zin hebben gevonden welke een sfeer, een stemming, een beeld ook maar éven oproept; c. nergens één stukje compositie hebben ontdekt; d. nergens één mens hebben ontwaard.

Niet mis dus, hoewel Louis Paul Boon zich weer lovend over het werk uitliet. Zo zie je maar, oordeel vooral zelf. Mij beviel het, om het verhaal, maar ook om de mooie opdracht die ik voor in dit tweedehands boek vond;

“Zolang te water” voor een meisje dat al zo lang te bed ligt, en dat heel flink is. Je Niek 11-3-’61

Advertenties

7f4c882e973c77f593664465251444341587343
De eerste aflevering van het éénmanstijdschrift verscheen in 1996, maar de schrijver Jeroen Brouwers was dat jaar nog niet klaar. Er verscheen dus een Feuilletons Extra Edietzie in de herfst van datzelfde jaar. Het was een schotschrift over de toenmalig aangestelde directeur van uitgeverij De Arbeiderpers, Ronald Dietz.

Die ligt op zijn zachtst gezegd niet goed bij Brouwers, net als de man die Dietz binnenhaalde, Pieter de Jong.

Ze gingen meteen over lijken, de De Jong en Dietz. De nog zittende directeur van De Arbeiderspers, Theo Sontrop, aan wie eerst was voorgespiegeld dat hij nog enige jaren in zijn functie zou worden gehandhaafd met Dietz (‘winstdirecteur’) als rechterhand, werd zeer spoedig de deur uitgeschoven. Bij Dietz’ benoeming werd de al vele jaren aan het bedrijf verbonden redacteur Emile Brugman, bemind en gerespecteerd door het merendeel der Arbeiderspers auteurs, plompverloren gepasseerd.

Een winstdirecteur dus, alleen uit op geld en met nul gevoel voor literatuur, aldus Brouwers. Brugman richtte zijn eigen uitgeverij Atlas op (waar dit boek uiteindelijk ook verscheen) en nam een aantal auteurs mee. Brouwers fulmineert er 160 pagina’s op los tegen Dietz. Enerzijds door zijn functioneren als directeur te bekritiseren (het aanbrengen van niet succesvolle auteurs, zijn afwezigheid bij de uitreiking van een Franse literatuurprijs aan Brouwers, de onrendabele reisjes naar de Buchmesse in Frankfurt), anderzijds door persoonlijke anekdotes;

Eind 1995 bedacht Dietz een ‘Vlaanderen-actie’:…een leuke avond in Amsterdam waarop alle A.P.-Vlaampjes aanwezig zouden zijn, omringd door pers, radio, televisie, leuke Vlaamse hoempamuziek en heel veel bier.
Hij sprak mij erover in mijn bosvilla te Zutendaal en ik wist meteen te melden dat hij het allemaal zò niet moest aanpakken: Vlaamse schrijvers zijn geen bosapen die je op die manier samendrijft in die enge grachtengordel. Natuurlijk vond de circusdirecteur dat weer ‘dwars’ van mij, want luisteren, zoals reeds vermeld, dat kan hij niet.

En dit zijn nog de vriendelijke passages. Zijn uitspraak “Hier ligt Dietz. Hij rijmt op niets” is misschien nog wel de meest bekende uit het hele boek.

Natuurlijk kan Brouwers in zo’n uitgave zijn liederlijke gang gaan. Het is éénrichtingsverkeer en er zitten altijd twee kanten aan een verhaal. In een interview in Trouw uit 1996 werd Dietz om een reactie gevraagd maar hij gaat er niet teveel op in;

“Vrienden zeggen, Ronald, doe wat. Maar ik doe het niet. Wie geschoren wordt, moet stil blijven zitten.”

Dat neemt niet weg dat Brouwers zijn uitspraken wel altijd onderbouwt. Feit is ook dat Dietz na behoorlijk wat onrust bij De Arbeiderspers, per 1 juni 2001 is afgetreden als directeur, na blijvende onenigheid met auteurs en personeel. Brouwers heeft dus zijn oeuvre ondergebracht bij uitgeverij Atlas, waar hij in 2009 als Feuilletons 8 een nieuw vloekschrift publiceerde, Sisyphus’ bakens, over het lage prijzengeld van de Prijs der Nederlandse Letteren. Ook dat boek is de moeite waard.

6916a4a52c225e559366c465251444341587343
Jeroen Brouwers bedacht ooit dat er te weinig literaire tijdschriften waren en besloot toen om er zelf maar één op te richten. Dat werd Feuilletons, uitsluitend bedoeld voor nieuw werk van eigen hand. Er werd een uitgeverij bedacht, ‘Noli me tangere’ in Zutendaal, zijn toenmalige woonplaats en het eerste deel werd gevuld met aantekeningen, polemieken en een paar artikelen.

Ruim honderd pagina’s, maar je bent er zo doorheen, alleen al omdat de eerste 50 pagina’s “Journalen” gezet zijn in een absurd groot lettertype. Die Journalen vond ik meteen het minst boeiend. Wat gedachten over hoe Utopia eruit ziet (hij komt toch uit op zes planken) en een dagboekfragment met een aardig verhaal over de vergeten schrijver en journalist Henri van Wermeskerken.

Het tweede deel is interessanter. Hier gaat Brouwers in op Willem Elsschot en zijn biograaf, de Belg Jean Surmont. Deze laatste krijgt het aardig uitgemeten van Brouwers;

Het als ‘biografie’ gepresenteerde werk…had ook de ondertitel ‘Tussen lulkoek en larie’ kunnen meekrijgen…Het werkstuk van Surmont kon niet lamlendiger, kon niet slordiger, kon niet slechter. Qua Elsschotkunde vertegenwoordigt het zoveel als wind die door dorre bladeren woelt: er staat in het boek niet één mededeling die iedere Elsschotofiel niet al jaren eerder heeft gehoord…

Daar kan Surmont het mee doen. Brouwers gaat ook in op de aparte nationalistische trekjes van Willem Elsschot. Waarom schreef hij een gedicht op de foute en gefusilleerde August Borms? Ook Louis Paul Boon kwam er niet uit. Verder krijgt ook Rudy Kousbroek er van langs in dit tijdschrift. Brouwers is getergd en staat duidelijk niet boven de materie, maar goed, anders hebben we ook geen polemiek natuurlijk.

Ik was geboeid door het verhaal van de mij onbekende Uruguayaanse schrijver en zelfmoordenaar Horacio Quiroga. Die heeft in zijn leven behoorlijk wat voor zijn kiezen gekregen maar schijnt desondanks prachtige verhalen geschreven te hebben met als terugkerend thema de bedreiging van het menselijk bestaan door de natuur. Een voorbeeld;

Een naïeve accountant uit de grote stad Salto, ‘een vreedzame, mollige, blozende jongeman’, trekt opgewekt het oerwoud in, vindt in een boomstam wilde honing en doet zich daar gulzig te goed aan. Het blijkt een moorddadige lekkernij te zijn, die verlamming veroorzaakt. Machteloos neergestort, ziet hij in ‘ultieme angst’ hoe er over de grond iets massaals en zwarts op hem toestroomt…’Om hem heen kleurde de allesverslindende strafexpeditie de grond donker, en de accountant voelde de stroom vleesetende mieren onder zijn lange onderbroek omhoogkruipen.’

Ik heb die verhalen maar besteld en ben benieuwd. Brouwers sluit Feuilletons af met een pleidooi voor het roken en tegen de hypocriete tabakshaat in met name de Verenigde Staten. Van wisselende kwaliteit dus dit éénmanstijdschrift, maar nog altijd boeiend genoeg.

90f23787ad0a076597a4e555767444341587343
Ik vond het tijd worden om eens wat van Rudy Kousbroek te lezen en aangezien ik van essays houd, leken de Anathema’s I een logisch begin. De vragen op de achterkant maakten mij ook nieuwsgierig naar de inhoud: Waarom praten toneelspelers met teveel lucht? Leeft een oude steen langzaam? Is er een relatie tussen het eten van exotische gerechten en het begrijpen van cartoonhumor? Heeft Picasso echt bestaan? Was Swift de uitvinder van de computer?

Bijkomend voordeel is dat deze vragen niet per se tijdgebonden zijn, omdat essays uit de jaren zestig en zeventig gedateerd kunnen zijn en je moet van goede huize komen (Jeroen Brouwers en W.F.H. kunnen dat) willen die nu nog boeien.

Zesentwintig hoofdstukken in 174 pagina’s wisten mij inderdaad te vermaken. Ik moest de betekenis van de titel eerlijk gezegd opzoeken. Een anathema is een aanduiding van een artefact dat in de oudheid door een bezoeker van een heiligdom aan een godheid werd geschonken. Het zal hier meer met de christelijke context te maken hebben; tot zegening of tot vloek.

De essays zelf lezen vlot weg en er worden zowaar antwoorden geformuleerd op bovenstaande vragen, soms het humoristische aanvullingen van commentaren op de essay. Het langzaam leven van die steen gaat over een gedicht van Vasalis (Ik droomde dat ik langzaam leefde…), waar Kousbroek geen liefhebber van is. Hij laat zijn gedachten spelen over tijd, bezien vanuit een steen, een eendagsvlieg en voegt een uitgebreid aanhangsel toe met reacties op zijn essay.

Zij Picasso-verhaal is ook onnavolgbaar. Hij legt de paradoxen bloot van de Picasso-mythe, waarbij de tweede luidt;

…in dezelfde gangbare visie heet kunst te worden geboren uit leed. Het in onze cultuur gangbare model van de kunstenaar…is dat van iemand die aan de rand van waanzin leeft (dichter bij de rand naarmate hij een genialer kunstenaar is), en in de diepste vertwijfeling ‘schoonheid schept.’
Prototype: Vincent van Gogh….
Maar nu komt het: Picasso is geniaal zonder ooit de prijs te hebben betaald die de samenleving daarop heeft gesteld…Als hij nu nog op jeugdige leeftijd en in bittere armoede was gestorven, maar hij is al 85 en zijn fortuin is niet te becijferen.

Tragikomisch is ook het verhaal van de schilder Henri Rousseau. Hij kreeg vaak kritiek op zijn naïeve, kinderlijke zo u wilt, schilderstijl maar had ook bewonderaars in Picasso en Apollinaire. Toch moest hij zich veel laten welgevallen;

Gauguin stuurde Rousseau een vervalste uitnodiging van de president van Frankrijk. Rousseau toog diep getroffen naar het Elysée. Toen hij terugkwam vertelde hij aan Gauguin dat de President zelf had opengedaan, en gezegd had: ‘Jammer dat je in een gewoon pak bent gekomen, Rousseau. Iedereen is hier namelijk in rok, zie je, en ik kan je dus moeilijk binnenlaten. Maar een andere keer graag.’
Om dergelijke reacties was het iedereen te doen…Op een ‘te zijner ere’ aangericht feest werd Rousseau genadeloos voor de gek gehouden en tenslotte in een lege zaal alleengelaten.

Genoeg verhalen dus met een hoog Frans gehalte. Dat is wat mij betreft een aanbeveling en ik heb nog een aantal delen met Anathema’s in het vooruitzicht.

9045016990.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Hoe moet je het boek Hoogtij langs de Seine van Diederik Stevens nu eigenlijk noemen? Een kunstgids, een stadsgids, een geschiedenisboek? Het heeft van alles wat. De ondertitel luidt Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs, waarbij we dan blijkbaar vaststellen dat een schrijver geen kunstenaar is.

Maar zo begint het ook. Het boek telt 470 pagina’s en de eerste 250 daarvan zijn gereserveerd voor korte biografieën van Nederlandse kunstenaars, zoals Simon Vinkenoog, Karel Appel, Corneille, Hugo Claus, Jan Wolkers etc. De overige pagina’s zoemen in op de locaties waar al die kunstenaars kwamen. De hotels, de academies, de ateliers en galeries, de boekhandels, bioscopen en bars, de brasseries en clubs die ze bezochten.

In dat tweede deel lijkt de schrijver op twee gedachten te hinken, want ging het niet om Nederlandse kunstenaars? Die voeren hier niet de boventoon. We lezen over Ernest Hemingway, Kiki de Montparnasse, Juliette Gréco, Pablo Picasso en al die anderen die Parijs bevolkten in de vorige eeuw.

Die twee gedachten stoorden mij overigens niet want laat ik het maar zeggen, het is één van de leukste boeken die ik ooit las. Nu niet meteen naar de boekhandel rennen, want dat kan goed aan mijn persoonlijke voorkeur liggen voor de stad Parijs in combinatie met de bohémiens die daar vertoefden. Je moet er wel van houden.

Zo leer je uit dit boek dat het beeld van de arme kunstenaar geenszins overdreven was. Het was moeilijk om aan woon- en werkruimte te komen. Appel en Corneille konden aan ateliers komen in een groot gebouw waar een vreselijke stank heerste van de huiden van een leerlooierij die daar lagen te drogen. Schrijvers en dichters zaten vaak een hele dag op één consumptie in een brasserie, omdat ze daar enigszins warm konden werken;

In korte tijd verrijst Appels provisorische atelier. Werktafels maakt hij van oude deuren…Appel schildert energiek maar wegens geldgebrek met weinig verf, en vooral op jute, in plaats van op duur linnen. Hard werken blijkt trouwens de enige remedie om warm te blijven, want het geïnstalleerde stookkacheltje heeft bij lange na niet genoeg kracht om het tochthol op temperatuur te krijgen.

Het is prachtig om van de avonturen van die Nederlandse kolonie in Parijs te lezen. Ik wist bijvoorbeeld niet dat Simon Vinkenoog zo’n verbindende factor was in die club. Maar het wordt eigenlijk nog leuker als al die locaties worden beschreven. Vanaf de ontstaansgeschiedenis tot aan heden. Je leest over al die beroemde gelegenheden als La Rotonde, Café Le Dôme, Les Deux Magots en La Coupole en vooral over wie er kwamen. De Amerikaanse schrijver James Baldwin zei:

The moment I began living in French hotels I understood the necessity of French cafés.

De Academies waar ook de Nederlanders les kregen of poseerden spelen een grote rol. De opkomst van de jazz-kelders in Parijs en alle grote sterren die er optraden, het staat er in. In het boek zijn kaartjes opgenomen met de arrondissementen die beschreven worden en alle plaatsen die worden beschreven staan aangegeven. Prachtig om een keer mee door Parijs te lopen lijkt mij.

Wat beklijft zijn de vele mooie verhalen in dit boek. Over The English Bookshop waar de flamboyante eigenaresse Gaït Frogé haar acrobatiek boven bedreef met welke schrijver dan ook. Over Victor Libion, de eigenaar van La Rotonde;

Uit de mémoires van Kiki de Montparnasse….blijkt dat de bedrijfsleiding van La Rotonde bijna dagelijks servies, bestek en glaswerk moet aanvullen omdat sommige financieel krabbende schilders de café-eigendommen onder hun trui of in hun jassen stoppen…Modigliani heeft die gewoonte alweer een tijd lang afgeworpen wanneer hij op een avond een feest in zijn atelier geeft waarbij ook Libion als gast aanwezig is. Tot zijn verrassing wordt de Rotonde-eigenaar geserveerd op hem overbekend servies. Ook blijkt de kroegbaas in de spijzen te prikken met zijn eigen tafelzilver, terwijl er evenmin onduidelijkheid bestaat over de herkomst van de wijnglazen. Libion vertrekt geen spier, staat op en vertrekt naar zijn café om wijnflessen te halen. Bij terugkomst zegt hij: ‘Alleen de wijn op tafel was nog niet van mij.’

En dat een heel boek lang. Ik ben er druk mee geweest en heb veel opgezocht over mij onbekende kunstenaars en artiesten, of om mijn geheugen weer even op te frissen. Zo weet ik nu dat het kunstwerk de knoop op winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht, waar ik honderden keren langs gelopen ben, van Shinkichi Tajiri is, een Nederlands-Amerikaanse beeldhouwer van Japanse afkomst, uiteraard ook actief in Parijs. Een boek dat ik zeker nog eens uit de kast trek.

9460043224.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Je houdt van literatuur, biografieën en je woont in een straat vernoemd naar één van ’s lands grootste dichters. Dan valt je oog op een hagelnieuwe biografie van deze man; welnu, dan hoef ik niet lang na te denken en is de koop snel gesloten. Historicus Peter Janzen en neerlandicus Frans Oerlemans hebben met Willem Kloos [1859-1938] een mooi portret neergezet.

Nu waren wij al verwend want in 2012 was er al een biografie over Kloos verschenen van Bart Slijper, genaamd In dit gevreesd gemis. Toch was er behoefte aan een nieuw boek, naar verluid door nieuwe inzichten. De auteurs zijn beiden expert op dit terrein, beiden studeerden zij af op Willem Kloos.

Waarom was Kloos nu zo’n fenomeen en werd hij de voorman van de Tachtigers, die vernieuwende beweging in de Nederlandse literatuur? Zijn carrière begon al tijdens zijn studie Klassieke Letteren in Amsterdam. Hij schrijft gedichten en raakt bevriend met de dichter Jacques Perk. Zijn gedichten zal Kloos later uitgeven en hij schrijft er een voorwoord bij, dat later als een soort manifest voor de Tachtigers is gaan gelden.

Kloos debuteert in 1880 met zijn gedicht Rhodopis. Hij schrijft ook kritieken en is niet op zijn mond gevallen. In de Spectator bestaat hij het om als beginnend criticus uit te halen naar gevestigde namen als Charles Boissevain en Joseph Alberdingk Thijm. En passant schopt hij ook tegen het christendom en zo lanceert hij zichzelf de literaire wereld in.

Een mijlpaal is de oprichting in 1885 van het literaire tijdschrift De Nieuwe Gids. Kloos doet dit met Frederik van Eeden, Albert Verwey, Frank van der Goes en Willem Paap. Het tijdschrift wordt gevuld met literaire kronieken en met gedichten, waaronder de beroemde sonnetten van Kloos.

Het is ook de tijd dat Kloos last krijgt van kwalen. Hij hoort stemmen in zijn hoofd en verdooft ze met alcohol. Hij sluit vriendschappen en gaat relaties aan, maar Kloos is geen makkelijk man. Hij heeft verlatingsangst en kan erg aan mensen hangen, maar stoot ze ook af. Als een vriendschap eenmaal verbroken is, kan hij buitengewoon hard zijn. Zo kreeg hij ruzie met Verwey, om daarna de Verzamelde gedichten van Verwey te bespreken;

Hij was ontgoocheld, want Kloos had gehakt gemaakt van de Verzamelde gedichten. En Doorenbos vroeg Kloos of dit de juiste manier was en waarom hij niet op Verwey was afgestapt? Voor hem en anderen die onbekend waren met de ruzies tussen Verwey en Kloos, was het een raadsel dat de ene vriend de ander publiekelijk afbrandde. Dat kon toch ook anders? Kloos vond van niet. De lezers van De Nieuwe Gids hadden recht op zijn kritiek. Verwey had een knoeiboel bij elkaar geschreven en de bespreking zou hem alleen maar goed doen.

Het ging niet goed met Kloos. Hij verwaarloosde zijn taken als redacteur en trok zich meer en meer terug. Hij kreeg last van psychoses en waanbeelden, hij dronk bovenmatig veel en werd opgenomen in een sanatorium, waar hij werd behandeld met elektrotherapie. Hij bleef wel poëzie schrijven, hoewel er ook een hele reeks scheldsonnetten van zijn hand verscheen. Het blad De Nieuwe Gids hield enige tijd op te bestaan, maar toen Kloos weer meer bij zinnen was kwam er een doorstart. Uiteindelijk trouwde hij met Jeanne Reyneke van Stuwe, een schrijfster van romans.

Een buitengewoon boeiend boek over een interessante periode in de Nederlandse literatuur. Goed 340 pagina’s dik en rijkelijk van fotomateriaal voorzien. Ik wist niet veel van Willem Kloos maar het blijkt een boeiende, niet al te makkelijke man. Onmatig met alles; vriendschappen, werk en alcohol maar bovenal een vernieuwer in de poëzie. Zijn devies; kunst is een individuele expressie van individuele emoties (“Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”), iets wat mijlenver afstond van de toen beroemde dominee-dichters als Beets en Ten Kate. Zijn vriend Frank van der Goes, tenslotte, gaf een scherpe analyse van het karakter van Willem Kloos. Misschien niet het mooiste portret, maar wel zoals hij was;

Als Kloos maatschappelijk en geregeld is, dan schrijft hij geen verzen en zes kroniekjes in het jaar, en alleen onder de sterkste pressie van de noodzakelijkheid. Als hij verschrikkelijk nerveus en geëxalteerd is, zoodat vreemde menschen hem gek zouden noemen, als hij op een kanapee ligt te huilen en te razen, als hij dagen rondloopt als een wezenlooze, bijna zonder te eten of te drinken, als hij zich dan weer elken avond veertien dagen lang bedrinkt, als hij in accessen van woede zijn papieren verscheurt, zijn antipathiën te lijf gaat, zijn geld niet beter beheert dan een kind van tien jaar […] – dan schrijft hij een paar vel voortreffelijke verzen.

Na dit boek kan ik niet anders dan die verzen gaan lezen, ik ben benieuwd.

1782b687ea4ebe7596933476e77444341587343
Het thema van de Boekenweek 2017 is ‘Verboden Vruchten’, en Herman Koch mocht daar met zijn novelle Makkelijk Leven inhoud aan geven. Dat heeft hij gedaan. U leest het goed, ik zeg niet ‘Dat is hem gelukt’, dat is wat anders.

Tom Sanders is een rijke en succesvolle schrijver. Zijn zelfhulpboek Makkelijk Leven is vertaald en is een regelrechte bestseller. Hij gelukkig getrouwd met Julia en heeft een zoon Dennis in Canada wonen (Mijn oudste zoon is saai – het heeft geen zin om eromheen te draaien) en een andere zoon Stefan, die getrouwd is met Hanna:

Met zijn huwelijk is het precies andersom als met Dennis. Wij vinden zijn vrouw niet leuk. Echt niet leuk.

Op een verjaardagsfeestje komen Hanna en Stefan dan ook niet opdagen. Totdat…er gebeld wordt. Hanna staat voor de deur en wil praten met Tom. Stefan, zijn favoriete zoon is over de schreef gegaan en heeft haar geslagen.

Hoe gaat de succesvolle auteur van het zelfhulpboek om als hij zelf met tegenslag wordt geconfronteerd? Hij schreef het toch zo duidelijk op voor zijn publiek. Sterker, achterin dit boek staan de regels, die feitelijk op een A4 passen keurig opgesomd;

Probeer problemen niet altijd op te lossen door eraan te denken; vaak worden ze eerder opgelost door er niet aan te denken.

Tom zoekt dus niet de confrontatie met zijn zoon. Hij ontmoet hem, maar het onderwerp wordt vermeden. Hij denkt er wel over na. Wat heeft Hanna gedaan om zijn zoon zo ver te krijgen? Hoe staat ze er zelf in?

In plaats van haar te zien als de verwende, ontevreden vrouw met wie mijn zoon nooit had moeten trouwen kon ik haar misschien wel helpen…Misschien had ze mijn zoon ook wel zo gezien: als een nieuwe aanschaf. Een espressoapparaat. Ze had hem ergens zien staan op een feestje…en ze had hem mee de dansvloer opgetrokken…En daarna was ze net als met alle voorgaande nieuwe aanschaffen ontevreden geworden.

Wellicht voelt u hem al aankomen, de hulp wordt geboden en de verboden vrucht wordt inderdaad geplukt. De succesvolle schrijver vindt overigens niet dat hij hierdoor diep valt;

Nee, ik ben niet ten val gekomen. Er zijn hooguit een paar dingen gebeurd die mij aan het denken hebben gezet. Niet meer dan een appendix…die ik vandaag de dag aan Makkelijk Leven zou kunnen toevoegen…En het opgepimpte eindresultaat vervolgens voor het volle pond in de boekwinkel leggen.

Waarbij ik overigens ‘gepimpt’ zou gebruiken in plaats van ‘opgepimpt’, maar dat terzijde.

Ik was niet helemaal tevreden met dit boek. Ik heb destijds de roman Het Diner gelezen en hier wordt toch een beetje teveel dezelfde thematiek aangehaald. Ook daar wordt men geconfronteerd met ontoelaatbaar gedrag van een zoon. Ik had wat originelers verwacht. De schrijfstijl is zoals we gewend zijn van Koch, prettig licht-ironisch, maar in die 94 pagina’s emmerde het mij af en toe wat te lang door, bijvoorbeeld over de uitweiding over de bediening in restaurants.

Samenvattend dus keurig binnen het thema maar voor mij niet zo verrassend. Op naar de volgende.