archiveren

Nederlandstalige literatuur

25b50e7e6d8e17b59362b5a5a41444341587343
Ik zou niet zo snel aan Aantekeningen van een stambewaarder van Walter van den Broeck begonnen zijn, als Jeroen Brouwers mij er niet op had gewezen. Hij zegt hierover:

De roman…is een omvangrijke familiekroniek waarin de auteur het hele geslacht Van den Broeck vanaf de diepten der tijden, ergens vroeg in de achttiende eeuw, tot heden portretteert en vereeuwigt ‘opdat het definitief geschied zou zijn, zò en niet anders’.

Brouwers kent geen ander voorbeeld in de Nederlandstalige literatuur en noemt het een schitterend boek over de ‘grauwte van eeuwen’. Het is een verhaal dat bestaat uit authentieke, uit historische bronnen opgedolven feiten, over echt geleefd hebbende personen, omtrent wie niets is ‘verzonnen’.

Het is een verhaal dat begint met een aantal mogelijke inleidingen. Die hoofdstukken heten dan ook “Het eerste begin” tot en met “Het vierde begin”. Hierin ligt meteen besloten waarom het boek destijds, in 1977, niet unaniem lovend werd ontvangen in de pers, want België en haar bevolking krijgen er direct van langs:

…ik heb geen goed woord over voor dit kultuurloze, hebzuchtige, onbeschofte en onbeschaafde, domme volk, dat uitblinkt in egoïsme, dat bulkt van aanstellerij…Neen, ik ben er helemaal niet fier op tot dit volkje te behoren…Ik heb leren leven met dit volk, en met niet geringe tegenzin biecht ik op dat ik het lief heb zoals een knaapje zijn debiele broertje, dat hem enerzijds een blok aan het been is, maar hem anderzijds voortdurend door zijn geblunder ontroert en een zin aan zijn leven geeft.

Vervolgens doen we de ronde langs zijn voorvaderen. Dat is een nogal bont gezelschap. De plaats van waaruit alles zo’n beetje begint is Lichtaart, in de Kempen, lang voordat het bekend werd door Bobbejaanland… Daar woont Jan-Baptiste van de Broeck (?-1794) en zijn kleinzoon Petrus van den Broeck woont er ook. Deze is schoenmaker en zal wat klimmen op de sociale ladder, de floskaarten lagen wat gunstiger voor hem.

Zo gaan we door de geschiedenis en belanden we ook in andere werelddelen. De geschiedenis van de Filipijnen komt voorbij en we maken uitstapjes naar Mexico en Duitsland. Dat heeft te maken met andere voorvaders en met name met Peter Jules van den Broeck (1880-1958). Hij zal naar de Verenigde Staten reizen, gaat daar in dienst en komt in de Filipijnen terecht, waar hij ook zou trouwen, met een Mexicaanse schone. Uiteindelijk komt hij ook terug naar Lichtaart, om in een radium laboratorium te gaan werken. Radium, dus we maken ook een uitstapje naar het echtpaar Curie.

Het is een divers boek. De zoektocht naar een voormalig woonhuisje is ontroerend, de documenten waaruit geciteerd wordt zijn divers, variërend van een achttiende eeuwse donderpreek, tot de brieven van de Mexicaanse familie uit de Filipijnen en het oorlogsdagboek van zijn vader. De mooiste stukken echter zijn de gedachten van de auteur zelf, waarin hij dichter tot zijn familie wil komen;

Ach, Jan-Baptiste, Jan-Gerard, Petrus, hoe onbevredigend deze onderneming me lijkt! Ik kan wel eeuwig blijven doorgaan met het opperen van allerhande hypothesen, toch zal ik er nooit in slagen jullie dichterbij te halen…Wist ik bijvoorbeeld maar hoe jullie er uitzagen! Maar van jullie werden geen schilderijen, tekeningen of foto’s gemaakt en/of bewaard. Zelfs jullie graven zijn al lang verdwenen.

e6fb78041f6f5695968676a7251444341587343
Ik zal de naam Jan Greshoff vast in een boek al eens tegen zijn gekomen, maar eerlijk gezegd wist ik niet precies wie de man was. Toen ik de achterkant van dit boek las, wist ik dat Moralist van de ontrouw van Annemiek Recourt onverwijld gelezen diende te worden.

Ik ben geïnteresseerd in geschiedenis én in Nederlandse literatuur en dan kan je niet om Greshoff heen. Hij stond bekend, zeker in het interbellum, als aanjager van menig literaire carrière, én was zelf ook actief als dichter en schrijver. Het verbaasde mij ook dat ik niet meer over hem wist, maar dat is met dit boek aardig goed gekomen.

Greshoff maakte geen opleiding af maar voelde zich dichter. Na school verzamelde hij al snel een ‘culturele’ kring om zich heen en bleef dat gedurende de rest van zijn leven doen. Hij was al jong fan van Albert Verwey en probeerde om zijn gedichten gepubliceerd te krijgen in diens tijdschrift De Beweging. Daar begon zijn tragiek eigenlijk al een beetje. Zijn vrienden Jacques Bloem en Piet van Eyck lukte het wel. Zijn tragiek, maar ook zijn dynamiek. Greshoff blijkt namelijk een onvermoeibaar aanjager van de verspreiding van kennis over literatuur en de literatuur zelf. Zo richt hij met De Zilverdistel de eerste ‘private press’ op. Ook begint hij zijn eigen tijdschrift, De Witte Mier. Dat blad oogst veel sympathie, behalve bij volksschrijver A.M. de Jong, die hem van kopie-gedrag beticht. Greshoff is niet onder de indruk:

‘Ineens is daar uit de dikke duisternissen der onbekendheid een grove figuur op mij toegestoven. Hoewel ik maar een bleek en mager jongentje ben en heelemaal geen held, ben ik van déze literaire struikroover niet geschrokken.’

Greshoff trouwt, reist veel en schrijft kritieken en krijgt gaandeweg een steeds grotere waarde voor de literatuur. Het accent verschuift van zijn eigen werk naar het begeleiden van jong talent. Voor de Tweede Wereldoorlog verhuist hij naar Zuid-Afrika omdat de sfeer in Europa hem benauwt. Toch kan hij ook daar moeilijk aarden. Hij verblijft enige tijd in Nederlands-Indië en werkt in New York en overal is het patroon gelijk. Hij zoekt culturele kringen en moet zorgen dat hij aan het werk blijft, maar is nergens echt thuis.

Zij vrienden E. du Perron, Hendrik Marsman en Menno ter Braak overlijden kort na elkaar aan het begin van de oorlog en Greshoff heeft het daar moeilijk mee. Uiteindelijk merkt hij dat zijn invloed als literair zwaargewicht in Nederland tanende is. Dat weet hij zelf ook. Hij ziet niets in de nieuwe garde als Hermans, Reve en Lucebert. Zijn afkeuring is voor hen een aanbeveling geworden. Greshoff schrijft hier zelf het ironische maar toch zo serieuze gedicht over;

Tot wat ik nooit heb willen zijn
Ben ik tenslotte toch verworden
Een van die deftige verdorden
Eertijds verfoeid op ’t Velperplein

Ik wenschte mij, ver van de horden,
Een doelloos leven zonder lijn;-
Nu ben ik echter, braaf en klein,
Een moralist met ridderorden.

Soms voel ik nog een sterke drang
Iets geks te doen en los te breken,
Helaas te zelden en nooit lang.

Ik heb de plooien glad gestreken
En met dit zweempje zwanenzang
Is het geheel afdoend bekeken.

Een onvermoeibare aanjager van literair Nederland, schrijver en dichter, maar uiteindelijk vooral herinnerd om dat wat hij naast dat schrijver- en dichterschap deed.

Ik heb het boek, ruim 670 pagina’s, met meer dan gewone belangstelling gelezen. Dat komt door bovengenoemde interesse, maar ook door de hoofdpersoon zelf. Recourt zet hem neer als een mens, soms zelfverzekerd en eigenwijs maar soms ook vol twijfel. Hij onderneemt steeds weer initiatieven om de literatuur op een hoger plan te brengen. Het boeide mij zo dat ik zelfs de eerste twee jaargangen van zijn tijdschrift De Witte Mier aanschafte. Het is geweldig om daar in te grasduinen en de stukken van Jan en zijn vrouw Aty te lezen. Zo neemt Greshoff in hummer 1 van jaargang 1913/1914 afstand van een stuk van één van zijn medewerkers;

Aan de lezers. De Witte Mier is ontrouw geworden aan een van de principe, welke van af de oprichting van het tijdschrift bij de redactie hebben voorgezeten: in nummer twaalf van den eersten jaargang staat n.l. een kritisch opstel over binnenlandsche literatuur. Nu zou ten slotte deze uitzondering niet zóó belangrijk zijn, dat ik er hier nog eens de aandacht op vestigen moet, indien niet dit artikel een vrij streng, in ieder geval verwèrpend oordeel inhield over een schrijver, die juist mijn gehééle liefde en bewondering heeft. Mijn gewaardeerde medewerker Pauwels natuurlijk alle oordeelsvrijheid gunnende, de eerlijkheid van zijn uiting eerbiedigende, zal hij het mij zeker niet ten kwade duiden als ik hier verklaar dat mijn oordeel over J.J. de Stoppelaars werk zoo gehéél het tegenovergestelde is van het zijne, dat ik het betreuren moet dat dit laatste in mijn tijdschrift is verschenen.

En zo heb je de literatuurgeschiedenis in huis gehaald en dat is wat mij betreft de verdienste van dit boek.

IMG_5611
Uitgaven van De Witte Mier

9200000099598008
Arjan Visser interviewt al twintig jaar voor het dagblad Trouw dichters, schrijvers en andere personen aan de hand van de Bijbelse Tien Geboden. In 2018 is deze bloemlezing verschenen, waarin ruim honderd interviews met schrijvers zijn opgenomen. Het resultaat: 1 interviewer, 10 geboden, 100 en enige schrijvers.

Voor in het boek zijn de geboden uiteraard opgenomen, in zowel de protestantse als de katholieke variant. Iedereen krijgt de protestantse versie voor de kiezen, of de wortels moeten in het katholicisme liggen, dan wordt deze variant gekozen en soms wordt er een Vlaamse rijmvorm gebruikt.

Nu is het geen dun boek, ruim 800 pagina’s en levert dat dan leuke leesstof op? Dat is een volmondig ja. Ik kon het boek eenvoudigweg niet opzij leggen. Het is ook een sterke formule. We komen van een goed deel van het Nederlandstalige schrijverspantheon te weten hoe zij tegenover godsdienst staan. Wat zij denken over kunst, wat hun verhouding met hun ouders was, hoe zij in hun eigen relatie staan, wat zij denken van stelen (letterlijk of het zich toe-eigenen van ideeën) en ga zo maar door. Dat levert boeiend materiaal op.

Zo bedenkt misdaadauteur René Appel zich bij het gebod Gij zult niet doodslaan het volgende;

Mijn vrouw zei ooit, nadat ze een kort verhaal van mij had gelezen: ‘Ik begrijp het niet. Je brengt je zoon naar bed, je leest hem een verhaaltje voor, je zingt een liedje. Je bent de allerliefste pappa. Dan kom je naar beneden, je neemt een kop koffie, gaat achter de tekstverwerker zitten en je bedenkt zulke verschrikkelijke dingen!’….Eh…ja, ik weet nog steeds niet wat ik daarop moet zeggen.

De interviews maken ook veel los bij de auteurs. Als Conny Braam vertelt over haar woede-uitbarsting op school, waar haar vader én de politie bij werden gehaald schiet ze vol (Zijn dochter. Van wie hij zoveel had verwacht…Het deed zo’n pijn om hem te zien…).

Als je zo achter elkaar doorleest (de schrijvers staan op alfabetische volgorde) dan komen tegenstellingen ook mooi naar voren. Jeroen Brouwers kan dagen boetseren op één zin. Veelschrijver Herman Brusselmans heeft daar niet zo veel mee:

Al die schrijvers die om de drie jaar met een flutromannetje van 128 pagina’s komen – ik begrijp dat niet. Die schrijven een zin per dag, moeten daar achttien uur van bekomen om zich vervolgens vier weken af te vragen waar ze in godsnaam mee bezig zijn…Ik zeg: rammen op die machine!

Er zitten ongemeen prachtige interviews tussen. Met Arthur Japin, die aangeeft hoe moeilijk hij het in zijn jeugd heeft gehad. Met de psychiater en romancier Hans Keilson als hij de honderd al gepasseerd is (wat een ontroerend stuk over zijn ouders), maar ook met Harry Mulisch, onnavolgbaar bij het gebod Gij zult niet stelen:

‘Waarom zou ik van andere schrijvers stelen? Ik weet het zelf veel beter.’

Soms zijn de verhalen echt schrijnend. Omdat het zo’n lange periode beslaat, staan er ook interviews in van personen die er al niet meer zijn. Een ervan is met de schrijver en illustrator Sieb Posthuma. Als hij praat over zijn achtergrond zegt hij, in 2012;

Sinds een jaar ben ik er pas goed van doordrongen dat ik mijn talent niet meer nodig heb om gezien te worden. Ik heb die redenen verwerkt; ik ben er en wat ik doe, doe ik voor mijn plezier…Niet boos of verbitterd zijn. Niet blijven steken in verlangens. Het is mij gelukt.

Twee jaar later zou hij zelfmoord plegen. Ook het hoofdstuk over Joost Zwagerman hoeft denk ik geen nadere toelichting met de kennis van vandaag.

Er staan een paar schoonheidsfoutjes in het boek (Désanne van Brederode was de dochter van een jezuïet en priester, ze was het niet zelf) maar dat zij vergeven. Je komt talloze prachtige uitspraken tegen (Koos van Zomeren – Volgens mij is diefstal van stilte de meest voorkomende vorm van kleine criminaliteit) of ronduit grappige (Midas Dekkers – Overigens geloof ik dat vloeken wèl helpt. Ik zou niet weten hoe ik anders een Lundia-kast in elkaar zou moeten zetten). In ieder geval heb ik echt heel wat auteurs een stukje beter leren kennen.

7b06c2143e173fa59384a375841444341587343
Remco Campert schreef zijn bekende boek Het leven is vurrukkulluk in 1961. De titel is ook meteen de eerste zin uit het boek, uitgesproken door Panda. Zij is een meisje van 15 loopt door het park in gezelschap van Mees en Boelie. Dit zijn vrienden die er op uit zijn om meisjes te versieren en dat lukt, want Panda gaat met ze mee. Ze gaan naar een café en worden gevolgd door Kees, een oude man. Hij gaat bij ze zitten als ze bier drinken.

Als ze weg gaan blijft Kees hen achtervolgen en dan besluiten ze hem neer te slaan en te beroven van tweehonderd gulden. Er ontvouwt zich een bizarre situatie;

‘Ach, kijk die oude man eens lekker in het zonnetje liggen te slapen’, riep Panda uit. Ze knielde naast hem neer en met een geroutineerd gebaar tastte ze zijn zakken af. ‘Lig je lekker, opa?’ vroeg ze. Voorbijgangers stonden stil en keken vertederd naar het aardige tafereeltje en wensten dat ze ook zo oud waren om zo door hun eigen kleindochtertje vertroeteld en geliefkoosd te worden – en wie weet wel geknepen op gevoelige plekken.

Met het geld gaan ze naar het huis van Boelie en Mees, maar Boelie moet er vandoor naar een afspraak voor een interview met journalist Ernst-Jan Zoon. Mees gaat naar bed met Panda, maar het schiet niet echt op tussen die twee. Boelie gaat mee met Ernst-Jan en probeert diens vrouw Etta te versieren.

Ondertussen kopen Mees en Panda drank van het buitgemaakte geld voor een feest. Ene Tjeerd loopt nog door het verhaal heen die de beroofde Kees probeert te helpen. Kees, die een oude bekende blijkt te zijn van de toiletjuffrouw van bovengenoemd café, en die juffrouw is weer een tante van Tjeerd. Volgt u het nog?

Toch is het een helder verhaal, verteld in zo’n 160 pagina’s. Het eindigt met het grote feest waar bijna alle personages samenkomen. Er is dan ook sprake van een veelheid aan relaties en van geen van die relaties spat het geluk er van af. De eerste zin, ‘Het leven is vurrukkulluk’ mag dan ook ironisch worden opgevat. Is het daarmee ook een triest boek? Welnee. Het is een tijdsbeeld van sex, drank, feesten, muziek en dichtkunst en het wordt allemaal op lichtvoetig ironische toon gebracht. Campert schrijft in eigen stijl en dat valt op door veel woorden fonetisch weer te geven (Tsjoe-win-k’um, nijslollie, Marry-you-Anna, giegullen). Hilarisch zijn de fragmenten waarbij Etta en Boelie het huis van de buren insluipen en er net sex willen hebben als ze betrapt worden, maar ook het verhaal dat Boelie aan Ernst-Jan doet tijdens het interview;

‘Hoe verging het je in Holland?’
‘Uitstekend. Ik bezocht het gymnasium, waar ik een briljant leerling was. Ik vertaalde Sartre in het Grieks en er weer uit. Ik correspondeerde met atoomgeleerden en vond een methode uit om het slijtageproces van vlakgommen te vertragen.’
‘Ik weet niet of ik dit zo grappig vind’, zei Ernst-Jan.
Maar Boelie was niet te stuiten: ‘Ik kegelde met Hegel. Schreef ingezonden stukken in de schoolkrant. Ging vier keer per dag naar de bioscoop. Leerde het alfabet uit mijn hoofd.’

Kortom, het is een verhaal met de nodige vaart en het heeft nog lang geduurd voor er in 2018 eindelijk een film verscheen. Nu zijn die recensies niet helemaal juichend, dus ik laat het in dit geval bij het boek.

IMG_5522
Van Nescio (“Ik weet niet”, pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) had ik nog niets gelezen, maar de titels De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, Mene Tekel waren genoegzaam bekend. Ik wist dat deze gelezen dienden te worden als Nederlands literatuurliefhebber.

Die vier verhalen bieden 150 pagina’s met een aantal van de bekendste karakters en zinnen uit de Nederlandse literatuur. Een must read? Dat weet ik niet maar ik ben blij dat ik ze heb gelezen, omdat ik die zinnen en karakters kan plaatsen nu.

Als eerste De uitvreter. Nescio debuteerde ermee in 1911 in het literaire tijdschrift De Gids. Het verhaal gaat over Japi, de uitvreter, die op ieders zak leeft behalve de zijne. Het begint met één van Nescio’s beroemdste zinnen:

Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.

Het verhaal wordt verteld door de journalist Koekebakker en gaat naast Japi over de niet-succesvolle schilders Bavink en Hoyer. Het zijn allemaal figuren die zich afzetten tegen de maatschappij, maar waarbij dat niet bijster goed lukt. Het gaat zelfs zover dat het niet goed afloopt met Japi, maar leest u dat vooral zelf. De schrijfstijl is sober en prettig archaïsch. Zo vertelt de auteur over Japi;

Schilderen leek ‘m wel aardig, als je ’t goed kon. Hij kon niks, en daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je grote vijanden.

Ook Titaantjes begint met een klassieke zin: Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. Koekebakker en Bavink komen in dit verhaal terug en de thematiek is dezelfde als in het eerste verhaal, protest tegen de maatschappij, maar ook weer tegen wil en dank. Ook dit mislukt ten dele, wamt Koekebakker blijkt ineens redelijk succesvol te zijn en ook Bavink schildert een meesterwerk. De tragiek is dat hij eindigt in het gesticht.

Dichtertje Ee is kantoorbediende die daarnaast verzen schrijft. Hij wil een groot dichter worden maar is te fatsoenlijk om meeslepend te leven:

Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als ’t dichtertje er over dacht, wat hij eigenlijk ’t liefst zou willen, dan was ’t dat. De wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een dichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk.

Opmerkelijk in dit verhaal is de invoeging van een persoonlijke noot van Nescio. Zijn vrouw hielp hem als corrector van zijn teksten, maar de teksten van dit verhaal vielen niet altijd in goede aarde bij haar, omdat hij zich afzette tegen de burgerlijkheid van het huwelijk. Daarom last Nescio aan het begin van hoofdstuk zes de volgende tekst in:

Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door mijn vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal niet begrijpt. (…) Gek, in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. ‘k Denk dat ’t komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord, toch ga ik door.

Het laatste verhaal, Mene Tekel, werd pas toegevoegd bij de vierde druk. Het bestaat uit een aantal korte verhalen die eerder los werden gepubliceerd. Ook hier speelt Bavink weer een rol, als Nescio’s beschrijving van een zonsondergang ruw wordt onderbroken:

Toen zei Bavink: ‘Ik word een beroemd man,’ zooals een ander zou zeggen: ‘Ze hebben me een dubbeltje te veel afgezet,’ en we voelden ons bekocht, alle drie, Bavink, Bekker en ik.

Dat is meteen de verwijzing naar de titel Mene Tekel, uit het feest van Belsazar (het boek Daniël uit de Bijbel), wat zoveel betekend als ‘geteld en gewogen’.

In de tijd bezien waren dit opzienbarende verhalen, over het zich afzetten tegen de maatschappij, in begrijpelijke burgermanstaal, door figuren waarmee het niet zelden tragisch afliep. Die ophef zou er nu niet meer zijn, maar lees je wat meer over de achtergronden en herlees je dan stukken zoals ik heb gedaan met dit boek, dan komen de verhalen tot leven. Het loont de moeite.

b96d1f16c110ce9596f44726f51444341587343
Als Murat Isik met zijn boek Wees onzichtbaar niet de Libris-literatuurprijs 2018 had gewonnen, weet ik niet of ik ertoe was gekomen om dit boek te lezen. Maar goed, het boek kreeg publiciteit en ik hoorde iets over een coming-of-age-roman die zich in de Bijlmermeer afspeelde, in een tijd dat ik er ook wel heb rondgelopen en mijn belangstelling was gewekt.

Het is een dikke pil van bijna 600 pagina’s en ik heb mij geen seconde verveeld, het is een prachtig boek. Hoofdpersoon is Metin Mutlu, een jongen geboren in het Turkse Izmir, die vanuit Hamburg met zijn moeder, zus en tirannieke vader naar de Bijlmermeer verhuist. Vader is overtuigd communist, terroriseert zijn gezin en voert zelf niets uit. Hij gaat weg wanneer het hem belieft en komt (want geen moslim) vaak stomdronken thuis.

Zijn kinderen en vrouw proberen de vrede waar het kan te bewaren in een flat zonder comfort, in een gebouw en een omgeving die wordt geteisterd door junks en criminelen en dat valt niet mee. De situatie die Metin schetst is tekenend;

Toen ik die middag thuiskwam van school, hing er een doordringende alcoholwalm in huis. Instinctief liep ik naar de slaapkamer van mijn ouders en deed de deur zachtjes open. Daar lag mijn vader op de matras op de grond. Hij lag zijn roes uit te slapen in zijn onderbroek…’s Avonds schoof hij aan voor het avondeten, met geschoren wangen, heerlijk geurend naar Tabac-aftershave en zijn haar perfect in model alsof er niets was gebeurd. We spraken niet over het incident, zoals we nooit spraken over vervelende dingen die zich in huis voordeden. We slikten het en gingen verder. En zoals altijd aten we zwijgend ons eten en hoopten we dat de vrede zo lang mogelijk stand hield.

Het verhaal ontvouwt zich in een rap tempo in veelal korte hoofdstukken en dat zorgt ervoor dat je blijft lezen. De hoofdstukken handelen ook vaak over op zichzelf staande gebeurtenissen, zoals Koninginnedag, een voetbalcompetitie, de Bijlmerramp, een ontmoeting met een meisje, er wordt nooit lang doorgegaan op een oud gegeven en dat werkt erg verfrissend.

Metin worstelt dus met zijn vader, maar ook met school, waar veel van hem wordt verwacht. Waar hij eigenlijk havo-niveau heeft, wordt hij gepushed naar het vwo waar hij op zijn tenen moet lopen. Hij wordt er gepest en moet alle zeilen bijzetten;

Dino was een kwaadaardig wezen dat ik zorgvuldig moest mijden, maar de grootste slag zou me misschien wel worden toegebracht door iemand die ik niet eerder in het vizier had gehad, iemand die me tot dan toe niet was opgevallen omdat hij er ongevaarlijk en zwak uitzag. Het was een berekenende dwerg die op een dag besloot mijn radar te omzeilen om een onverwachte en verachtelijke aanval uit te voeren, juist op het moment dat het ergste achter de rug leek. Misschien had ik daarom mijn schild even neergelegd, als een soldaat die uitgeput terugkeert van het front en uitziet naar het moment dat hij zich voorgoed kan ontdoen van zijn uitrusting.

Als een hoofdstuk zo begint dan lees ik graag verder. De geschiedenis van de Bijlmermeer wordt mooi in het boek verwerkt als Metin voor maatschappijleer de verhalen aanhoort van meneer Rolf, één van de eerste bewoners van zijn flat Fleerde en die later de laatste, protesterende bewoner zal blijken te zijn.

In het gezin begint langzaam een kentering te komen. Metin’s moeder krijgt werk en leert snel, Metin en zijn zus worden ouder en vader krijgt steeds meer tegengas. Hij wordt met argumenten voorbijgestreefd en ziet dat hij grip verliest. Als u wilt weten hoe dat afloopt, lees dan vooral het boek. Zijn er geen minpunten? Niet echt, of het moet de passage zijn waarin de auteur de moeilijkheden van Metin nèt iets te ver doordrijft door de lerares te laten vragen wie hij dan wel is en hoe hij heet, alsof ze hem echt nog nooit heeft opgemerkt. Voor de rest, wat mij betreft een aanrader.

FullSizeRender
Jeroen Brouwers heeft een aantal bundels uitgebracht onder de naam Kladboek. Dat zijn verzamelingen van essays over uiteenlopende onderwerpen. In het verleden heb ik de eerste twee kladboeken al gelezen en Het vliegenboek is nummer drie.

Het is een beetje bijeengeraapt boek met verschillende stokpaardjes. Een aantal essays over de zelfmoord van buitenlandse schrijvers, die ook in de (nog te lezen) bundel De zwarte zon staan. Een aantal portretten van schrijvers, als Richard Minne, Karel van het Reve, Rudy Kousbroek en Walter van den Broeck. Een stuk over, onvermijdelijk haast, de uitgeverij Manteau en haar eigenaresse Angèle Manteau, waar Brouwers geen goed woord voor over heeft. Een stuk over het geboortedorp van Hitler en een mini-cursus Vlaanderen.

Het leest allemaal heerlijk weg, maar ik zat me toch een beetje af te vragen wat ik met het boek moest. Het tuurtouw stond er ook in, dat had ik ook al in een aparte uitgave gelezen, maar toen kwam ik bij het stuk over Karel van het Reve. Van hem heb ik het verzameld werk in de kast staan en dan begint Brouwers;

De opinions van Karel van het Reve zijn overwegend gebaseerd op tergende nonsens. Je kan geen deur opentrekken, geen kamer binnenkomen en geen radio aanzetten of iemand zegt dat Karel van het Reve zo’n briljante essayist zou zijn. Voorts kan je geen boekenbijlage of cultureel supplement openslaan of je leest daarin dat Karel van het Reve in zijn hoedanigheid van essayist weliswaar misschien soms een steekje laat vallen, maar dat overeind blijft dat Karel van het Reve een briljant stilist zou zijn. Karel van het Reve is het een noch het ander. Karel van het Reve is maar één ding, en dat is: lui.

En dan komt Brouwers met 38 pagina’s aan onderbouwing van zijn stelling. Fijn dan, ik kan Karel meteen met andere ogen gaan lezen. Zo krijgt ook Rudy Kousbroek een veeg uit de pan. In zijn Anathema’s, waarvan ik deel 1 las en er meer heb staan, staat blijkbaar ook klinkklare onzin. Met name deel 3 moet ik even met de stofkam door begrijp ik.

Maar het is wel Brouwers zoals ik hem graag lees, dus er valt genoeg te genieten. Hij maakt mij nieuwsgierig naar het werk van Walter van den Broeck, die een roman schreef waarin hij de koning vergezelt op een rondrit door zijn dorp. Ook de geschiedenis van de Leo J. Krynprijs (de wat? iets van achtergrond vindt u hier) is de moeite waard. Angèle Manteau krijgt er hier ook weer van langs trouwens;

Het is onterecht Angèle Manteau te bestempelen als degen die de talenten van Louis Paul Boon en Hugo Claus zou hebben ‘ontdekt’: beiden zijn ontdekt door de jury van de Leo J. Krynprijs en Angèle hoefde slechts, als was zij een haai, haar kaken te sperren om beide talenten ter opslokking toegeworpen te krijgen.

Dat kwam door de wurgcontracten die Manteau opstelde, iets waar Claus tot zijn geluk onderuit kwam omdat hij te jong was om te tekenen. Het boek sluit af met wat beschouwingen over zijn vader, die hij slecht kende en weinig gevoelens bij heeft. Het is dus een beetje van alles wat in dit boek, maar ik was snel door de ruim 440 pagina’s heen en blijf fan van Brouwers.