archiveren

Nederlandstalige literatuur

Wellicht weet u dat ik wel vaker iets lees over Parijs en de kunstenaars die het aantrekt. Hier, hier en hier leest u daar meer over. Gare du Nord van Eric Min is een boek dat daat goed op aansluit en deels overlapt. Het gaat over Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs in de periode 1850-1950.

De titel slaat uiteraard op het treinstation in Parijs waar die noordelingen arriveerden. Hendrik Marsman was één van hen en hij beschreef in zijn autobiografische mijmering Drijfzand al Gare du Nord als lieu de passage;

‘Ik had het gevoel alsof ik mijn stroeve nordieke natuur had afgegeven aan het bagagedepot van de Gare du Nord alsof ik uit de onderwereld, het souterrain van mijzelf, opdook in mijn eigen stad. Ik stak het plein over en slenterde door die verrukkelijke St. André des Arts in de richting van de Boulevard St. Germain, neuriënd.’

Nu zit Marsman aan het eind van het verhaal zoals Min het vertelt, er waren er tallozen voor hem. Die hadden allemaal zo hun redenen om naar Parijs te komen. Een rode draad hierin is het volgen of voltooien van een opleiding in de kunsten, maar ook het leggen van contacten, de liefde of juist de sfeer en cultuur zijn vaak belangrijk.

De Belgische schilder Antoine Wiertz (1806-1865) ging naar Parijs om zijn kunst te verfijnen. Hij deed zijn best om te mogen exposeren in de Parijse Salon maar dat mislukte. Dat zinde hem niet en prompt stuurde hij een jaar later een echte Rubens in uit de collectie van een vriend, waarbij hij de signatuur van Rubens met zijn eigen handtekening overschilderde. Overigens vind ik het werk van Wiertz zeer de moeite waard.

De Belgische graficus, karikaturist en schilder Félicien Rops (1833-1898) was een onbekende voor mij en die maakte niet direct een esthetische keuze om naar Parijs te komen. Die kon niet wachten tot hij de gezusters Duluc het hof kon maken. Dat de jongsten toen zestien en negentien waren…#MeToo was nog niet geboren zullen we maar zeggen. Rops had met zijn tekeningen wel veel succes met zijn satanistisch en licht pornografisch werk. Zozeer zelfs dat hij de beeldhouwer Rodin betichtte van plagiaat; hij vond dat Rodin in 3D namaakte wat hij in 2D creëerde.

Het verhaal van Vincent van Gogh 91853-1890) zal wat bekender zijn en die ontbreekt uiteraard niet, maar artiesten zoals de art-nouveau-schilder Privat Livemont (1861-1936) of de componist Guillaume Lekeu (1870-1894) zijn wellicht minder bekend. De Belgische schilder Henri Evenepoel (1872-1899) kwam ook naar Parijs om er zijn opleiding tot schilder af te ronden. Hij richtte een atelier in op zeshoog onder de Parijse dakpannen. Een ezel, een modeltafel, gordijnen voor het hoge raam en een kachel, zo is hij trouw aan de stereotypen van het milieu;

‘Om een echte artiste peintre te zijn moet ik alleen nog een brede slappe hoed kopen, een stevige en knoestige wandelstok en een wijde kapmantel. Een vies pijpje roken en op afgetrapte schoenen lopen. En vooral niet vergeten schulden te maken.’

In de beschreven periode veranderde de wereld en dus ook Parijs en dat is terug te zien in de kunst. Er kwamen schilderijen waarin ineens het licht anders was. Geen kaars- of gaslicht maar electriciteit. Industrialisatie en automatisch vervoer bepaalden meer en meer het straatbeeld en de kunst groeide daarin mee.

Niet iedereen vond het geluk in Parijs natuurlijk. De jonge Antwerpse schilder Jules Schmalzigaug (1882-1917) kon er slecht aarden en vetrok naar Venetië (Het eten is daar zoveel lekkerder, en Parijs werkt hem op de zenuwen). Daar had de excentrieke schilder en beeldhouwer Henry de Groux (1866-1930) geen last van. Leest u vooral het verhaal van deze figuur en dan volgt er later in het boek een nog vreemder verhaal van de Vlaamse schrijver André Baillon (1875-1932). Dat ga ik hier niet weergeven maar deze uitspraak van de auteur maakt u wellicht nieuwsgierig;

André is, met permissie gezegd, knettergek.

Niets is minder waar en ik heb zelfs zijn biografie besteld om er eens wat dieper in te duiken. Overigens schrijft Eric Min in zeer prettige stijl met hier en daar een verwijzing naar voren (‘dat verhaal komt er verderop in het boek nog aan’ of ‘hij staat ons verderop nog op te wachten’).

Er staan nog talloze artiesten in het boek die ik niet heb genoemd, zoals de schrijvers Georges Simenon (1903-1989), Hugo Claus (1929-2008), Jan van Nijlen (1884-1965) en Simon Vinkenoog (1928-2009), kunstschilders Piet Mondriaan (1872-1944), Léon Spilliaert (1881-1946) en Rik Wouters (1882-1916) en dan nog ben ik niet compleet. Het is een overvloed aan informatie en een plezier om te lezen. Allemaal verenigd door die gemene deler, Parijs, waarover de schrijver Paul Kenis (1885-1934) schreef aan zijn redacteur André de Ridder;

In zijn brieven aan De Ridder zucht Kenis dat er voor hem een ton poëzie schuilt in namen als Montparnasse, Montmartre en de Boul’ Miche. De stad zelf heeft hij lief ‘lijk een koket wijfje dat u bedriegt en u doet lijden en op den hoop toe nog uitlacht…maar u toch niet los laat. Zoo’n echte cocotte…heel Parijs!’

Een nieuw vaderland voor de muzen is deel vier van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Het is geschreven door Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt en behandelt de periode 1560-1700.

Het is een dik boek van 886 pagina’s en het lijdt een beetje aan hetzelfde euvel als deel drie uit deze serie. Het is vrij academisch van toon en je moet liefhebber van de materie zijn om dit allemaal door te willen lezen. Ik heb mij er prima mee vermaakt, maar de gemiddelde leesclub gaat er niet blij van worden.

Er staat namelijk een stortvloed aan informatie in het boek. Onderverdeeld in kleinere tijdvakken staan de auteurs stil bij de literatuur uit de verschillende Nederlandstalige streken of genres. Zo kan het dat u vaker de titel ‘De literatuur in Brabant en Vlaanderen’ tegenkomt, u zit alleen in een ander tijdvak. Rederijkers, dat zijn amateurdichters en voordrachtskunstenaars in verenigingsverband, waren belangrijk voor de literatuur en u zult het weten; iedere vereniging en al wat zij hebben gedaan wordt beschreven. Alle toneelspelen en drama’s die zij organiseerden passeren de revue.

Op zich interessant, maar ik genoot het meest van die grote namen die zelf hun stempel op de literatuurgeschiedenis hebben gedrukt. Dirck Volckertsz. Coornhert die zich beijverde voor de zuiverheid van de taal of Hendrik Laurensz. Spiegel die het genre van de Stedenlof beoefende, zoals zijn jubelzang op Amsterdam;

O rijcke Korenschuer van’t volckrijck Nederland;
Met starck verbanden hout, ghy hooghe huysen spant;
Niet vast ghegrond in Zand, maer op gehayde palen:
Waer de grond om ghekeert men soud int Bosch verdwalen.

Via Spiegel komen we bij nog grotere literaire kanonnen terecht als Pieter Cornelisz. Hooft, Joost van den Vondel, Jacob Cats en Constantijn Huygens. Ook beroemde dames als Katharina Lescailje, Titia Brongersma en Anna Roemers krijgen hun plaats, zij het dat de laatste door Vondel nog wel even weggezet werd als man…vrouwen met poëtische talenten moest men nog even aan wennen zeg maar.

Met deze dichters komen we tot de grotere drama’s uit de literatuur waarbij Vondel natuurlijk erg veel aandacht krijgt. Hij fungeerde zo’n beetje als het morele kompas van Nederland en hij was niet bang om stelling te nemen zoals bij de executie van raadspensionaris Johan van Oldebarnevelt. Toch was er ook kritiek, Huygens was namelijk helemaal niet zo te spreken over de stijl van Vondel. Die was namelijk nogal rechtlijnig in de leer en hield niet van grammaticale vrijheden of volkstalige vormen;

Huygens reageerde in een weerlegging vrij minachtend op dit onbegrip voor subtiel taalspel en ook volgens Hooft zocht Vondel nogal eens ‘knorven in de biezen’ (knopen in rietstengels).

Titanen tegenover elkaar, maar die titanen hadden wel iets nodig om over te schrijven en ook die aanleidingen tot poëzie worden uitgebreid toegelicht. Het geloof is een heel belangrijke. Joannes Stalpart van der Wiele was een tekstschrijver voor liederen van de Hollandse zending bijvoorbeeld. Camerata Trajectina heeft een prachtige cd gemaakt met de titel Zingende Zwanen, waarin sommige van zijn teksten ten gehore worden gebracht.

Andere aanleidingen waren grote gebeurtenissen zoals de ramp met de Batavia bij Australië of de oorlogsverrichtingen in Europa. Uiteraard was Michiel de Ruyter een dankbare inspiratiebron. Ook een eenvoudig gegeven als het buitenleven zorgde voor veel gedichten, zoals de hofdichten waarin men bijvoorbeeld de superioriteit van het zuivere landleven boven dat in de stad beschreef. Een voorbeeld is het gedicht over Hofwyck, waarin Huygens zijn buiten aan de Vliet in Voorburg bezong. Zijn buiten ligt al lang niet meer buiten en als hij wist hoe dat er nu bij lag zou hij het wellicht wat moeten herschrijven…

Nu lijkt het alsof er alleen maar gedicht werd in die tijd en dat werd er ook veel. Buitenstaanders viel het zelfs op dat de vers- en liedkunst erg goed ontwikkeld was in Nederland, waar verder de muziekcultuur niet op het allerhoogste niveau stond Europees gezien. Maar voor iedere gelegenheid was er een lied en dus tekst. Toneel was echter ook belangrijk en ook daarvoor werd er geschreven. De embleemboeken wil ik nog even apart noemen. Die waren erg populair en bestonden uit boeken met emblemata ofwel houtsnedes of gravures, begeleid met een spreuk of korte tekst. Vaak bevatte die tekst dan een morele les. Ook hiervan staan veel voorbeelden in het boek met mooie illustraties. Ook het fenomeen drempeldichten kwam ik overal tegen en dat zijn dan weer gedichten die ter inleiding dienen tot een groter (dicht)werk.

Interessante materie en ik kan er uren over doorlezen, maar de aparte verhalen blijven toch het mooiste, zoals die excentrieke edelman Everhart Meyster, die op zijn landgoed uitsluitend groenblijvende bomen en struiken had geplant en het landgoed Nimmer-dor noemde. Hij schreef er een hofdicht over;

In elke vierde regel van zijn ruim achthonderd verzen tellende gedicht herhaalde hij: ‘’t is nimmerdor rontsom, van boven en ter zijden.’ Zelfs het boek was groen: met groene letters gedrukt op groen papier.

2baa678e928145859304f6a5551444341587343_v5
Ik had een wapenbroeder is de tweede roman van Maarten ’t Hart, geschreven in 1973. Ik heb, voordat ik begon met bloggen, het merendeel van zijn werk gelezen en de grote onderwerpen die kenmerkend zijn voor zijn oeuvre zijn allemaal in dit verhaal al in de kiem aanwezig. Klassieke muziek, (afstand van) het geloof en zijn bijbelkennis, maar ook het beroep van zijn vader en zijn wetenschappelijke loopbaan komen aan bod.

Hij was namelijk bioloog en heeft als etholoog gewerkt, ofwel als gedragsbioloog. ’t Hart noemt dit boek ook een ethologische thriller en hij beschrijft hierin een situatie die door hemzelf is bestudeerd bij ratten: agressie en seksualiteit in streng hiërarchisch levende groepen.

Hij gebruikt hiervoor de setting van de militaire dienst. De hoofdpersoon Ammer Stol raakt in zijn diensttijd bevriend met Arthur Holm. Daar begint het boek echter niet, want Ammer zit in de cel. Dat is niet voor niets, want hij heeft Arthur doodgeschoten. Tijdens een schietoefening. Het boek geeft de aanloop weer naar deze tragische gebeurtenis en doet onderzoek naar het motief. Wij blijven achter met de vraag of het nu opzet was of niet.

Het verhaal bevat een aantal flashbacks en voor wie in dienst heeft gezeten is het een feest der herkenning. Marcheren, een veldloop, inspectie van de kamerwacht en de onmogelijkheid van het kader om fatsoenlijk ‘Geeft acht!’ te scanderen;

Een enkeling nam de houding eerste rust aan. De sergeant vloekte en schreeuwde opnieuw ‘groep’, waarna iedereen in de houding eerste rust stond.
‘Geeft…ajt’

Ammer en Arthur vinden elkaar in dienst en er ontstaat een relatie. Ze spreken veel met elkaar en Arthur maakt vergelijkingen tussen de diensttijd en concentratiekampen. Arthur geeft aan dat hij geniet van het macht hebben over anderen als hij commando’s mag geven en hij herkent het uit zijn werk met ratten in een laboratorium. Om die ratten te doden moest hij ze in een emmer met ether doen en er een plaat op leggen;

Dat vasthouden van die plaat is een sensatie. Je voelt je oppermachtig, je heerst over dood en leven. Vergis ik me, of is het van daar maar één stap naar gas gooien in een gaskamer en door een ruitje naar binnen kijken hoe mensen sterven.

Vanuit het verleden komen we soms terug in het heden waarin Ammer wordt verhoord over de toedracht en aanleiding van de dood van zijn vriend. Ze zijn samen in Amsterdam geweest en waren wat stil na terugkomst op de kazerne. Bovendien is Arthur in Amsterdam gezien met een meisje. Ook weten we dat Arthur aandacht kreeg van een sergeant waardoor Ammer wel eens jaloers geweest kon zijn.

Als er, tijdens dienst, twee vrouwen het bivak inlopen worden er door de soldaten opmerkingen over gemaakt. Ammer kan er niets mee. Eigenlijk wil hij zelf een vrouw zijn en samenleven met Arthur. Zo worden er steeds meer puzzelstukjes gelegd die een aanleiding tot Arthur’s dood zouden kunnen zijn.

Weer terug in het heden mag Ammer even zijn cel uit om de begrafenis van zijn grootvader bij te wonen. Daar ontsnapt hij met behulp van een doodgraver;

‘Ik ben geen doodgraver, ik graaf geen mens dood, ik ben grafmaker.’

Hij verbergt zich in een schuur en komt later een oude vriend tegen, de bioloog Maarten. Die biedt hem voorlopig onderdak. Ammer vertelt hem zijn verhaal en vertelt alles over zijn homoseksualiteit, zijn neiging tot travestie en over de gebeurtenissen die tot de dood van Arthur hebben geleid. Maarten houdt Ammer een spiegel voor door te vertellen over een meisje dat hij aan een ander kwijt raakte;

Toen ik haar voor de eerste keer zag met haar vriend, een mooie jongen met een indrukwekkende snor, nou ja, heel anders dan ik dus, was ik ongelooflijk jaloers. Op dat ogenblik dacht ik: ik zou jullie allebei willen vermoorden, maar stel nu dat ik haar een dag later zou hebben overreden met mijn auto, zou ik dan een moord gepleegd hebben omdat ik een dag eerder dacht: ik wil je doodmaken?

Of Ammer hier verder uitkomt moet u vooral zelf maar gaan lezen. Het is een boek waarvan ik de uitkomst al heb weggegeven, maar daar draait het niet om. Het is een verhaal over macht en seksualiteit in een strak geregelde omgeving. Wij weten nu dat het verhaal behoorlijk wat autobiografische elementen heeft, getuige de travestie van de schrijver zelf in het verleden, zijn afkomst uit het gelovige milieu, het beroep van zijn vader die ook grafmaker was, zijn werk met ratten (hij publiceerde er een wetenschappelijk werk over) en natuurlijk zijn alter ego de bioloog Maarten die Ammer een spiegel voorhoudt.

 

9021419343.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In het rijtje van ‘de grote drie’ staat hij niet. Blijkbaar is het ook niet de moeite om er ‘de grote vier’ van te maken en misschien wordt hij gewoon te weinig gelezen en/of gewaardeerd, maar feit is dat er naast die drie nog een Nederlandse schrijver is met een behoorlijk groot oeuvre. Willem Brakman is de naam en Nico Keuning schreef zijn biografie met de titel Een ongeneeslijk heimwee.

Brakman publiceerde 51 romans, verhalenbundels, novellen en een enkel essay. Daarvan heb ik er niet één gelezen en ik ben benieuwd wie wel. Nog meer benieuwd ben ik naar uw mening. Zijn werk staat namelijk te boek als redelijk ontoegankelijk.

Het begon echter niet met literatuur. Brakman groeide op in Den Haag en werkte al jong op kantoor. In de avonduren studeerde hij voor het HBS-diploma en met een beurs ging hij medicijnen studeren in Leiden. Hij heeft even een huisartsenpraktijk in Den Haag gehad maar dat leek hem niet zijn bestemming. Hij verhuisde naar Enschede (jawel, een mooie link met mijn laatst besproken boek) en ging werken als bedrijfsarts. Dat was niet een al te drukke baan en het stelde hem in staat om te gaan schrijven.

Hij debuteerde laat, op bijna 40-jarige leeftijd, met zijn roman Een winterreis. Dat is het begin van een lange stroom aan romans; hij schrijft er vaak twee per jaar. Al vroeg is duidelijk dat Brakman niet voor iedereen schrijft, zoals blijkt uit een brief van hem aan zijn uitgever;

Ik voel mij geen ‘literator’. Ik zou niet kunnen schrijven met de gedachte aan literaire perfectie in mijn opgewonden hoofd; ik wil schrijven omdat ik vertellen wil welk brokje leven een Willem Brakman vertegenwoordigt. Als dát er in zit, heb ik de enige vorm gevonden die voor mij normatief moet heten.

Eenieder heeft zo best wat te stellen met Willem Brakman. Zijn uitgever, door de niet altijd makkelijke verhalen (hij liet zich ook weing gelegen liggen aan enige vorm van interpunctie), de lezer om die verhalen te volgen en te doorgronden (zeker als men wil nagaan welke autobiografische gegevens erin zitten verwerkt of welke personen er al dan niet verbasterd in voorkomen) én zijn familie.

Brakman is getrouwd en heeft twee kinderen. Die moeten vooral stil zijn als hij aan het schrijven is. Waar Simon Vestdijk graag schreef bij het geluid van zijn Nilfisk-stofzuiger, daar had Brakman liever een ‘vliegkap’, die hij op het vliegveld had gekocht;

Een ‘rummi vuurkap’: ‘Dat zijn grote bollen, gedeeltelijk met vloeistof gevuld, en die plaats ik dan op mijn hoofd en dat is een uiterst beroerd, benauwd gevoel maar het geeft dan in ieder geval toch iets van stilte weer zodat ik althans kan horen wat ik denk.’

Ik heb er nog geen foto’s van gevonden helaas…Brakman voerde een correspondentie met Vestdijk overigens en verder loopt de vriendschap met interviewer Nol Gregoor als een rode draad door zijn leven. Die vriendschappen kenden ups and downs, niet in het minst omdat Brakman de gewoonte had om veel uitspraken of gebeurtenissen direct in zijn werk op te nemen. Schrijver Jean-Paul Franssens werd hier onaangenaam door verrast, toen hij aan Brakman in vertrouwen vertelde over zijn buitenechtelijke escapades, maar die vervolgens met geuren en kleuren teruglas in Brakman’s volgende roman.

Wat maakt het nu zo lastig om die romans te lezen? Literatuurcriticus Tom van Deel kan er enig licht op doen schijnen. Hij zegt dat de vorm de samenhang bepaalt. Brakman wil het perspectief openhouden ‘voor wat zich toevallig aandient.’ Journalist Wim Noordhoek zegt dat Brakman ‘zijn neus achterna schrijft.’ Dichter Jan Kuijper zegt vervolgens;

‘Wat dat betreft lijkt hij helemaal niet op Vestdijk, waarin alles wel in het grote geheel past, wat soms tot een soort dorheid heeft geleid. Brakman is een van onze geestigste schrijvers. Zijn humor is bijzonderder dan die van Reve.’

Geen vooropgezette schema’s in zijn werkwijze dus. Brakman schreef, veelal vanuit zijn persoonlijke obeservaties en herinneringen met een aantal belangrijke thema’s zoals de dood en de vergankelijkheid, erotiek en angst. Ook zijn woonplaatsen Den Haag en Enschede komen vaak voor. Hij schreef zoals het hem inviel en vaak wist hij zelf niet waar het verhaal naar toe ging. Dat leidde er wel toe dat het grote publiek hem niet omarmde, omdat men hem niet altijd volgde in zijn gedachtensprongen.

Daardoor verbitterde Brakman wel enigzins, maar hij deed geen concessies. Het leverde hem uiteindelijk wel de P.C Hooftprijs op voor zijn gehele oeuvre en het doet mij toch zeer benieuwen naar zijn werk, bijvoorbeeld door het volgende fragment uit zijn verhaal Engel, waarin de engel, een oude man met een kaal, bleek hoofd en ‘hier en daar nog wat slierten grijs haar’, op een brancard naar een restaurant wordt gedragen:

‘De rug was bloot, een ouwe-mannetjesrug: los vel vol sproeten en mee-eters. Toch was goed te zien hoe de slagpennen met een bijna komische vanzelfsprekendheid in grote kam met de rulle huid waren vergroeid, die hier en daar dun en vliezig tot ver over de schachten groeide of in de diepte de pennen blauw liet doorschemeren.’

Die beschrijving gaat nog even door en kan nooit representatief zijn voor zijn gehele werk maar het is prachtig gedaan en bleef mij erg bij. Ook hier geldt dat ik het vooral zelf moet gaan ontdekken, want de voor- en tegenstanders van naam zijn er genoeg. Bij die ontdekking is dit in ieder geval een prachtig boek en onmisbaar hulpmiddel. Wilt u meer over Willem Brakman te weten komen, dan kan dat via deze site.

9038806116.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de man zit nog een jongen. Die titel gaf Elsbeth Etty mee aan haar biografie van dichter en schrijver Willem Wilmink. In mijn bespreking van Wilmink’s Verzamelde liedjes en gedichten noemde ik hem ook nog een zanger, maar je leert bij uit een biografie. Hij zong zijn liedjes, zeker, maar echt een zanger was hij ook weer niet.

Etty heeft een prettig leesbare biografie geschreven van ruim 470 pagina’s. Ik ben een liefhebber van het werk van Wilmink en of dat meteen inhoudt dat ik alles over zijn leven wil weten, nou nee; niet meteen. Toch houd ik van dit soort boeken. Natuurlijk is het aardig om de man wat beter te leren kennen maar ik vind het leuker om de tijd en het milieu te leren kennen waarin iemand zijn werk schreef en om te zien met welke personen hij in aanraking kwam of welke gebeurtenissen zijn werk hebben beïnvloed.

Ik hoef zijn levensloop hier niet te herhalen, leest u daar het boek zelf maar voor, maar een kleine spoiler is wel op zijn plaats. Bent u lyrisch over zijn werk en dweept u met Wilmink, dan misschien dit boek maar niet ter hand nemen, want er kunnen u een paar schellen van de ogen vallen. Wilmink was wel een man met een gebruiksaanwijzing, ‘to put it mildly.’

Zijn talent voor het aanleveren van gedichten en liedteksten werd al snel onderkend en hij werd bijvoorbeeld door Hedy d’Ancona gevraagd om teksten aan te leveren voor de cabaretgroep La Pie qui chante. Pianist, componist en latere presentator Han Reizger zette zijn teksten op muziek. Wilmink is nog een blauwe maandag leraar geweest, wat geen onverdeeld succes was overigens. Frits Barend en Erwin Rutte, die later nauw met Wilmink zou samenwerken voor De Film van Ome Willem, waren leerlingen van hem.

Op het amoureuze vlak verging het Wilmink aanvankelijk niet best. Hij grossierde in blauwtjes die hij liep, maar trouwde uiteindelijk met Noor. Hij kreeg twee zoons, maar het huwelijk was geen succes. De belangrijkste reden waren zijn driftbuien. Die waren voor Noor een volkomen onbekend fenomeen;

Hij ontplofte om niets. Ik kon me niet voorstellen dat iemand zich in ernst zo aanstelde, maar hij had gewoon een cholerisch karakter. Hij geneerde zich nergens voor. Hij was vaak razend op mij of op het leven, en hij probeerde nooit zijn woede een beetje te temperen. Integendeel. Het werd steeds erger. Vaak met een flinke slok op.

Wilmink wordt wetenschapper en zal uiteindelijk zelfs promoveren, maar dat had behoorlijk wat voeten in aarde. De rode draad is hier de erkenning waar Wilmink zijn hele leven naar zocht. Hij wilde voor iedereen begrijpelijk schrijven en ontkende dat hij voor kinderen schreef, hij schreef voor iedereen. Zelfs zijn proefschrift was voor jong en oud leesbaar. Toch bleef hij altijd het gevoel hebben dat er op zijn kunst neergekeken werd.

Aan verzoeken om teksten lag het niet. Hij kon uiteindelijk leven van zijn werk. Hij schreef teksten voor Cabaret Don Quishocking, ging publiceren, werkte voor De Stratemakeropzeeshow, De Film van Ome Willem, Sesamstraat, Het Klokhuis en hij bleef onafgebroken gedichten schrijven. Het mooie van die gedichten, ga ze vooral lezen, is dat hij ze voor iedereen schreef. Hij omarmde ieder ras en geloof, daar is zijn werk van doortrokken.

Zijn tweede vrouw, Wobke, kon wel zijn gebruiksaanwijzing hanteren. Hij verhuisde met haar onder meer naar Zeist, voor ze in zijn gebooteplaats Enschede neerstreken. Wilmink had wel steeds meer last van verschillende dwangneuroses en angsten. Dat leidde soms tot voor veel mensen onbegrijpelijke keuzes. Hij was bijvoorbeeld niet op de bruiloft van zijn zoon of bij de uitvaart van zijn goede vriend, de componist Harry Bannink. Het was geen desinteresse, hij kon het niet, zo legt zijn goede vriend Herman Finkers uit aan Etty. Overigens heeft Wilmink wel een prachtige anekdote over Bannink, die niet in hel en hemel geloofde;

Kort na diens dood droomde hij dat hij Bannink belde met de vraag waar hij zich bevond. ‘In Paleis Het Loo,’ luidde het antwoord. Zo eigenwijs was hij dus, concludeerde Wilmink. ‘Nou zit-ie in de hemel en gelooft-ie het nog niet.’

Na een herseninfarct en een aantal tia’s gaat de gezondheid van Wilmink achteruit en uiteindelijk houdt hij zelf de regie over zijn leven. Het is een mooi boek over een man die niet makkelijk was voor zichzelf en voor anderen, maar die uiteindelijk de erkenning kreeg waar hij zo naar zocht. Misschien had ik wat meer willen lezen over het proces van schrijven. Ik lees steeds dat het hem makkelijk af ging en dat hij maar zelden een opdracht afwees maar het blijft een beetje ongrijpbaar. Wellicht is er ook niet meer over te vertellen en speelde dat proces zich uitsluitend in zijn hoofd af.

Je kon er wel mee spelen, zoals Joost Prinsen deed. Die wilde een gedicht over de Joodse goochelaar Ben Ali Libi hebben. Wilmink zegde dat wel toe maar het duurde erg lang. Toen schreef Prinsen het maar zelf en stuurde het op naar Wilmink. En dan kom je op zijn terrein…Wilmink:

‘Je kan misschien een beetje toneelspeel’n, maar denk nou niet dat je ook kan tekstschrijv’n’

Wilmink stuurde per kerende post zijn versie terug en het is één van zijn bekendste werken geworden.

 

a1046ca3687b7a659714a4c6777444341587343_v5
Deel 5 van de volledige werken van Willem Frederik Hermans bevat zijn Groningse romans, Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen. Beiden zijn romans met een satirische inslag en nemen het academische milieu in Groningen op de korrel. Hermans heeft jarenlang deel uitgemaakt van dat milieu als assistent van een hoogleraar en later als lector aan de Universiteit van Groningen.

Nu was zijn functioneren daar onderwerp van discussie waar zelfs de politiek zich tegenaan bemoeide, hoewel Hermans’ naam uiteindelijk gezuiverd werd. Hij nam echter ontslag en schreef later deze werken. Het zijn natuurlijk sleutelromans, hoewel Hermans dit altijd ontkend heeft en zelfs bij Onder professoren een hilarisch nawoord toevoegt van ene Prof. Dr. B.J.O. Zomerplaag waarin deze professor dit ook stellig tegenspreekt.

Op de vraag van Rob Delvigne hoe de fictieve professor aan zijn voorletters komt schrijft Hermans; ‘Ik denk dat het komt doordat de bejo, net als de papegaai een vogel is, die wel wat zeggen kan, maar het moet hem eerst worden voorgezegd.’

De hoofdpersoon uit Onder professoren is  de hoogleraar chemie Rufus ‘Roef’ Dingelam, die op een dag bericht krijgt dat hij de Nobelprijs voor chemie heeft gewonnen. Die krijgt hij voor de synthese van een stof die belangrijk is als de derde witmaker in wasmiddelen. Dat hiervan ook een potentieverhogend middel kan worden afgeleid is natuurlijk ook niet onbelangrijk. Roef is getrouwd met Gré, die maar nauwelijks besef heeft van het belang van de prijs. Gonnie, de vrouw van een collega, wel;

‘het is toch zeker voor miljoenen huisvroiuwen van het grootste belang dat de was schoon wordt?’…’Of die idiote vluchten naar de maan,’ ging Gonnie verder, ‘en waarmee komen ze terug, van de maan? Met hun kleren vol stof! Geef mij maar een wasmiddel…’

De buurman van hun vakantieboerderijtje geeft hen spontaan een haan cadeau die ze als huisdier besluiten te houden en langzamerhand stromen de felicitaties binnen. Niet van iedereen, want zijn superieur op de universiteit, Tamstra, heeft Roef altijd tegengewerkt en zal dat blijven doen.

Dat blijkt als de studenten een bezetting organiseren waardoor de huldiging van Roef gevaar loopt. Tamstra is daar eerst fel op tegen maar schaart zich later achter de studenten. Hilarisch is het verhaal als Roef en Gré collega’s thuis op bezoek krijgen maar niets in huis hebben. Het is al laat en alleen het plaatselijke eroscentrum is nog open voor een drankje en daar gaat het gezelschap dan naar toe. Laten ze daar nu Tamstra tegenkomen… Ook de bezetting gaat door en ook dat levert een paar smakelijke scènes op. Uiteindelijk wordt het toch druk voor Roef en Gré en vertrekken ze naar Monte Carlo om er even uit te zijn.

Het is een roman zonder groot plot of spanningsboog en de ontvangst was wisselend na publicatie. Ik heb mij er echter uitstekend mee vermaakt. Het is een satirisch verhaal, Hermans schrijft vlot en ik ben fan van zijn manier van vertellen;

Het enige wat er viel te horen, was het geknetter en gehijg van een overjarige Volkswagenmotor, maar daarvoor moet je wel een beetje verstand van Volkswagenmotoren hebben en dat heeft niet iedereen.

Verder vond ik het opvallend dat Hermans vaak situaties beschreef die potentieel tot ellende konden leiden, zoals het parkeren op een parkeerplaats waar het niet mocht, een reerug totaal anders klaarmaken dan het recept voor de lastige eter Roef, maar waar er vervolgens geen vuiltje aan de lucht was. Er volgde geen bon en de reerug smaakte Roef prima. Dat leest ook lekker weg merkte ik.

Uit talloos veel miljoenen speelt ook in Groningen en wel in Paterswolde. Clemens van Wissel is universitair medewerker en baalt ervan dat hij nog stees geen hoogleraar is. Zijn vrouw Sita is aan de drank en probeert zichzelf te lanceren als schrijfster van kinderboeken over het Beertje Bombazijn. Hun huwelijk is geen toonbeeld van perfectie;

‘Dag schat, ik heb een kopje thee voor je gezet’…En met een ruk ging zij rechtop zitten in bed. Hij zette het blaadje op het tafeltje bij haar hoofdeinde en dacht: Ik heb er alweer geen chloraal, geen arsenicum, geen thallium in gedaan…Ik ben een nobel mens.

Sita heeft een dochter Parel uit een eerdere affaire die steevast op de verkeerde mannen valt. Dat wordt helemaal een ding als zij valt voor een lector die net boven Clemens is aangesteld. Die lector is jonger en hoger in functie, dus zal eerder hoogleraar worden en kan nu zijn schoonzoon worden. Een recept voor ellende. Dat loopt allemaal wat anders want Parel heeft gedoe met mannen en belt dan steevast haar moeder;

Toen werd de verbinding verbroken. Omdat in Nederland de telefoon zo perfect werkt, dat er nooit door onverklaarbare oorzaak een verbinding verbroken wordt, was het duidelijk dat Parel de hoorn neergelegd had.

Clemens worstelt met zijn carrière en Sita mag zowaar op gesprek bij een uitgever in Amsterdam. Parel heeft ineens geld als water en of dat allemaal bij elkaar komt moet u zelf maar gaan lezen. Ook dit vond ik een prima verhaal.

Voor beide romans geldt dat de ontvangst nogal wisselde. Ze hebben misschien niet de intensiteit van De donkere kamer van Damokles of Nooit meer slapen, maar ik heb mij geen moment verveeld en we praten toch over ruim 900 pagina’s in totaal. Schrijver/criticus Hans Warren schreef over Uit talloos veel miljoenen:

‘Mensen die je in het werkelijke leven met stokken van de deur zou houden, vallen via deze roman uren lang bij je binnen om je voor drie tientjes dood te vervelen.’

Andere schrijver/criticus Ab Visser rekende deze beide romans juist weer tot de meest geslaagde romans van Hermans. Zo ziet u maar, ga ze lezen en oordeel zelf maar van mij mogen ze blijven. Een toegevoegde waarde is de uitgebreide ontstaansgeschiedenis van beide romans die achterin het boek is toegevoegd.

af5444d19985d8a59734d2b7941444341587343_v5
Wat wij zagen van Hanna Bervoets is het Boekenweekgeschenk van 2021. Anders dan vorig jaar is dit weer een fictieverhaal en wel één die midden in deze tijd staat. Het is namelijk het verhaal van Kayleigh, die moderator is bij Hexa. Hexa is een onderaannemer voor een groot internationaal platform, waarvan de naam nooit genoemd mag worden.

Als moderator bepaalt ze volgens een vastgesteld aantal regels welke content wel en welke niet op internet getoond mag worden. Dat is nog best lastig;

Een pedofiel doodwensen mag, een politicus doodwensen mag niet, een filmpje van iemand die zich vol overtuiging opblaast in een kleuterklas moet worden verwijderd, en wel op grond van terroristische propaganda, niet op grond van geweld dan wel kindermishandeling. Selecteerden we de verkeerde categorie, dan gold de beoordeling als foutief, of het bericht nu terecht was verwijderd of niet.

Dat laatste heeft betrekking op de werkomstandigheden bij Hexa; die zijn niet best. De moderators worden op foutpercentages afgerekend en hebben bijna geen pauzes. Het hele verhaal wordt ook door Kayleigh verteld aan een advocaat, meneer Stilic, die een zaak tegen het bedrijf aan het voorbereiden is.

Het zijn heftige beelden die Kayleigh en haar collega’s voor de kiezen krijgen en dat leidt soms tot uitbarstingen. Ook tot een stukje beroepsdeformatie, als de hele afdeling ineens op het dak van een gebouw iemand ziet staan die zich vast van het leven gaat beroven, maar dit toch iets anders blijkt.

Kayleigh krijgt een relatie met een collega, Sigrid. Die relatie kent ups and downs, zeker als Sigrid geconfronteerd wordt met een filmpje dat ze moet beoordelen waar ze nog lang mee zit. Het wordt al snel duidelijk in het verhaal dat de relatie geen stand houdt, hoewel de omstandigheden waaronder het allemaal eindigt op verschillende manieren uitgelegd kan worden;

Wat gebeurde er op 30 augustus, de dag dat Sigrid bij me wegging? Dat vind ik een lastige kwestie. Soms denk ik het te begrijpen, maar dan sla ik al snel weer aan het malen over wat zij zei, over wat ik zei…Mijn herinneringen aan die een-na-laatste dag van augustus laten zich, kortom, op verschillende manieren uitleggen.

Er gaat ook nogal wat aan vooraf. De stress van het werk dat ze doen is voelbaar bij iedereen. Dan komen er ook nog collega’s die de flat earth-theorie aanhangen, die hun vraagtekens zetten bij de filantropie van de joodse rijkaard George Soros én er meteen een holocaust-ontkenning aan vastknopen. Het heeft te maken met de breuk tussen Kayleigh en Sigrid, maar meer geef ik maar niet weg.

Is het daarmee een geslaagd boekenweekgeschenk? Ten dele zeer zeker. Ik kende nog niets van Hanna Bervoets en zij zet een helder verhaal neer. Er zitten niet veel lagen in maar dat is lastig in een begrenzing van ruim 90 pagina’s. Het is een actueel verhaal en daarom zeg ik ‘ten dele’, want hier zit volgens mij een veel grotere roman in. Alle thema’s zijn er; social media en wat daarop wel of niet te zien is, een relatie tussen twee mensen op het werk maar die ook een achtergrond heeft van financiële ellende, een mogelijke rechtszaak tegen een bedrijf vanwege de werkomstandigheden, complottheorieën, gesprekken die Kayleigh voert bij dokter Ana over wat haar bezig houdt, de relatie van Sigrid met haar ex-man Pete, de collega’s die meer aandacht zouden verdienen, zoals Robert die zijn beoordelaar Jaymie met een taser bedreigt en dan heb ik het nog niet eens over Archibalt de hamster gehad…Kortom, het had voor mij nog wel even door mogen gaan.

dff4522e5f48f6e597546346b77444341587343_v5
Vaan. Het bewogen bestaan van C.B. Vaandrager is de ambivalente titel van de biografie van schrijver en dichter Cornelis Bastiaan Vaandrager van Menno Schenke. Ambivalent, omdat de titel zowel zijn afgekorte naam Vaan bevat, als zijn officiële naam C.B. Vaandrager. Ik had de gedichten van Vaandrager al enige tijd in huis en heb zijn novelle Leve Joop Massaker gelezen en was benieuwd naar deze markante Rotterdammer.

Die was al jongeman al zeer goed met taal, met name op het gebied van vertalen. Waar de hele klas zwoegde op een vertaling, schudde Cor zo’n vertaling in no time uit zijn mouw. Het veelsoortige spel met taal, de dubbelzinnigheid die je in taal kunt leggen en de meervoudige betekenis van woorden ontdekt hij al snel en zal een kenmerk van zijn schrijverschap worden.

Cor raakt bevriend met Hans Sleutelaar en ze beginnen een literair tijdschrift. Bijkomend voordeel is dat je dan automatisch in je eigen tijdschrift je literair debuut kan maken en dat doet Cor op twintigjarige leeftijd, met het korte verhaal Vrienden. Waar Cor en Hans in Nederland aan de weg timmeren met hun tijdschrift doen de Vlamingen Paul Snoek en Gust Gils dat met hun eigen literaire tijdschrift, Gard Sivik. Cor en Hans raken hier bij betrokken en langzamerhand trekken ze dit tijdschift naar zichzelf toe, met als uitvalbasis Rotterdam. Later zal Gard Sivik overgaan in hun nieuwe tijdschrift De Nieuwe Stijl. Ze krijgen bekendheid in het literaire milieu en bij Simon Vinkenoog komt Cor in aanraking met marihuana. Het zal een dagelijks genotmiddel worden.

Cor schrijft gedichten en die worden niet altijd even goed ontvangen. Zo zegt uitgever Ad den Besten over zijn bundel East Coast;

Het spijt me dat ik je geen voorstel tot uitgave van je bundel East Coast kan doen. Je gedichten blijven voor mij grotendeels woorden…ze ballen zich niet samen tot een frappante suggestie. Daarbij is de vorm uiterst zwak: vers voor vers zie ik geen enkele reden de regels af te breken waar jij het doet; zoiets zou immers op ritmische gronden moeten worden vastgesteld.

Daar kan Cor het mee doen. De bundel zou nooit worden uitgegeven. Wat wel wordt uitgegeven is zijn novelle Leve Joop Massaker. Dat boek krijgt prima kritieken en geeft hem bekendheid. Hij komt tijd tekort en heeft het gevoel dat hij door moet schrijven. Hij gaat pillen slikken om maar weinig te hoeven slapen en ook de speed is dan niet meer weg te denken uit zijn leven. Dat schrijven concentreert zich voornamelijk op gedichten en samen met Hans Sleutelaar, Hans Verhagen en Armando vormen ze zich tot ‘de zestigers’. ‘De vijftigers’ als Lucebert, Gerrit Kouwenaar en Hugo Claus zijn geweest, het is tijd voor een nieuw geluid. Hierin wordt realiteit als een vorm van kunst gepresenteerd. Weg met de traditionele lyriek, de werkelijkheid dient nu als inspiratie, bijvoorbeeld zoiets als reclameteksten.

Privé heeft Cor het niet makkelijk. Geld is altijd een probleem en hij heeft gedoe daarover met uitgeverijen en de belastingdienst. Na een paar relaties trouwt hij met Hetty en ze krijgen een dochter. Zijn vele drugsgebruik beïnvloedt echter zijn persoonlijkheid en hij gaat aparte trekken vertonen. Hij verzamelde altijd al van alles en nog wat, maar dat gaat uit de hand lopen. Simon Vinkenoog daarover;

‘Je kon van Cor de gekste dingen verwachten. Hij logeerde bij ons in Amsterdam. Ik kom ’s ochtends beneden in de keuken, waar een grote eettafel stond. Cor was ’s nachts gaan wandelen en had overral naamplaatjes van afgetrokken en losgeschroefd. De keukentafel lag er vol mee. In die namen ontdekte hij allerlei verbanden; een berg naast een dal.’

Dat gedrag wordt van kwaad tot erger en er volgen periodes met depressies, opnames en pogingen tot zelfmoord. Gelukkig heeft hij inmiddels twee boeken uitgebracht, De Hef en De reus van Rotterdam en is hij ook gedichten blijven schrijven. Die boeken en die gedichten zijn een verhaal apart. Gelukkig staan er talloze voorbeelden in deze biografie, want het is handig om enige duiding in de schrijfstijl te krijgen, anders knoop je er geen touw aan vast. Zeker een boek als De Hef is speedproza. Zonder verhaallijn, hooguit thematisch aan elkaar geplakte hoofdstukken. Sommigen kunnen er niets mee, maar dichter Rien Vroegindeweij zegt erover;

‘De Hef is een subliem boek, dat een wereldseller zou zijn geweest als het in New York zou zijn geschreven. Ik vind ’t een Andy Warhol-achtig boek.’

Het maakt mij nieuwsgierig en dat ben ik ook naar zijn gedichten, die ook de makkelijkste niet zijn. U zult er nog meer over lezen op mijn blog.

De biografie is een vlot geschreven verhaal met als voordeel dat veel van de hoofdrolspelers nog in leven waren toen dit boek verscheen. Daarom hebben we informatie uit de eerste hand van Simon Vinkenoog, Hans Sleutelaar, Hans Verhagen, Armando, Jules Deelder en musicus Teddy Treurniet. Allen zijn inmiddels overleden. Jammer dat er één grote fout in staat; de jonge componist Hans van Sweeden nam geen overdosis, hij maakte met een geweer een einde aan zijn leven.

Cor Vaandrager is niet oud geworden, slechts 56 jaar, maar dit boek doet hem, zijn tijd en zijn stad Rotterdam mooi herleven. Ik ga zeker meer van hem en zijn mede-zestigers lezen.

 

0cb686a5b79e07e593653565577437641414141_v5
De corespondentie van Desiderius Erasmus Brieven 298-445. Deel 3 van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus is ook de moeite waard. Dit deel telt 284 pagina’s en waar we zien dat de eerste twee delen (hier en hier) zo’n 300 brieven weergaven over een periode van 27 jaar, telt dit deel zo’n 150 brieven over een periode van 2 jaar. Dat is de frequentie die we in de komende delen ook zullen tegenkomen.

De beschreven jaren zijn de jaren 1514-1516 en in 1514 is Erasmus 46 jaar (nemen we even aan, zie de biografie voor meer informatie). Hij kent de noordelijke en zuidelijke Nederlanden, heeft in Parijs gestudeerd en is in Engeland geweest, waar hij kennis heeft gemaakt met veel vooraanstaande maatschappelijke figuren. Ook is hij in Italië geweest waar hij getuige was van de intocht van paus Julius II in Bologna. Met uitgevers en drukkers maakt hij plannen om zijn werken uit te geven en dan in het bijzonder zijn werken over de Latijnse kerkvaders Gregorius, Ambrosius, Augustinus en Hiernonymus.

Eén van zijn grootste criticasters is de Leuvense theoloog Maarten van Dorp. Het mooie van deze boeken is dat ze niet alleen brieven van Erasmus bevatten, maar ook brieven aan Erasmus. Van Dorp geeft in zo’n brief de kern van zijn kritiek aan op de herziening van Erasmus op de dan zo belangrijke bijbelvertaling, de Vulgaat;

Het is immers niet te accepteren dat de universele kerk, die deze vertaling altijd gebruikte en nog steeds gebruikt en haar goedkeurt, zo veel eeuwen gedwaald zou hebben.

Geduldig legt Erasmus aan hem en aan anderen zijn werkwijze toe. Hij legt uit dat hij de teksten van Hieronymus, de vertaler van de Vulgaat, zuivert en van fouten ontdoet. Zo schrijft hij aan de kartuizer Gregor Reisch;

Met enorm veel zwoegen heb ik geprobeerd…een gezuiverde tekst van de brieven van Hieronymus uit te geven, die in een onvoorstelbaar en onbeschrijfelijk slechte staat verkeert…Ten derde voeg ik alle vervalsingen toe die een mij onbekende zoutloze en schaamteloze windbuil ertussen heeft gestopt.

Hij is er druk mee en dan moet hij ook nog in de pen om over de uitgaven van zijn werk te corresponderen. Ook dat is niet altijd makkelijk, zeker als de leerling-drukker niet het scherpste potloodje in het etui blijkt. Wilhelm Nesen namelijk schrijft Erasmus;

Gegroet, zeergeleerde Erasmus. In het werk van Seneca, dat dankzij jouw energie weer ter beschikking staat van de liefhebbers van de beschaafde literatuur, tref ik in de marge een paar notities aan van jouw hand…met de woorden; ‘Dit heeft een of andere windbuil er aan toegevoegd.’ Schrijf me of ik die woorden moet weglaten of met de andere moet drukken, al ben ik te dom om van een zeergeleerde een brief daarover te mogen afwachten.

Die ‘windbuil’ gebruikte Erasmus nogal eens dus. Erasmus schrijft soms lange brieven, zoals aan paus Leo X, aan wie hij zijn editie Hieronymus wil opdragen. Ook criticaster Maarten van Dorp krijgt lange epistels toegestuurd, Erasmus maakt zich er niet snel van af. Het is fascinerend om die twee met elkaar in conclaaf te zien gaan. Lof der Zotheid was volgens Van Dorp niet zo nodig maar als het toch moet, dan ook graag een Lof der Wijsheid alstublieft, zo schrijft hij. Erasmus wimpelt dit beleefd maar stellig af in zijn schrijven aan Van Dorp.

Al dat erudiete heen- en weergeschrijf is prachtig om te lezen, maar wat ik net zo mooi vind zijn de inkijkjes in een ander tijdperk, zo net na de Middeleeuwen. Zo was het nog steeds redelijk gevaarlijk om een reis te ondernemen, zoals Erasmus bericht in een brief aan zijn goede vriend, de Engelse humanist en staatsman Thomas More;

… toen ik overal groepen soldaten zag, overal boeren die van het land naar de stad trokken, en het gerucht de ronde deed dat er een grote troepenmacht in aantocht was, veranderde ik van gedachte en ontvluchtte niet, maar verruilde het gevaar. In Keulen trof ik een paar afgezanten uit Italië, bij wie we ons hebben aangesloten, bij elkaar zo’n tachtig ruiters. Zelfs met dat aantal was de reis niet ongevaarlijk.

De uitgave van de correspondentie is zeer verzorgd zoals in de vorige delen, hoewel ik in dit deel voor het eerst wat schoonheidsfoutjes aantrof en een verminkte pagina. Hopelijk niet in het volgende deel, want ik lees de brieven met veel belangstelling.

Vertaling; M.J. Steens

 

185d6a6da4532755970466c6677444341587343_v5
Het circus der eenzaamheid van Jeroen Brouwers is het vierde en laatste deel van de serie Kladboeken. Het is met 196 pagina’s een stuk dunner dan deel drie, Het vliegenboek en wat mij betreft minder boeiend.

Toch is een Brouwersboek nooit verloren tijd en haal ik er altijd wel iets uit. Zo ben ik benieuwd naar Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere. Dat komt goed uit want die is verschenen in de serie Privé-domein en die verzamel ik zo’n beetje. Vervolgens krijg ik besprekingen van werken van Benno Barnard, Leonard Nolens en Christine D’haen. Geen grote namen alhier en dat moest maar zo blijven lijkt mij. Als ik een plank mis sla, corrigeert u mij dan vooral.

Maar…als Brouwers het over Elsschot gaat hebben ben ik geïnteresseerd. Als Vlaams schrijver moest Elsschot af en toe zoeken naar Nederlandse woorden en hij kreeg daarbij hulp van ene Anna Christina van der Tak. Hij kende haar uit zijn Schiedamse periode en zij was aanjager van zijn debuut, Villa des Roses. Hij droeg het werk ook aan haar op. Curieus is dat Walter, die als zoontje van Alfons de Ridder (Elsschot was zijn schrijversnaam) een luxe-exemplaar van dat debuut naar Anna op de post deed, het vijftig jaar later weer te koop kreeg aangeboden. Overigens bleef de relatie niet zo goed want Anna was er niet over te spreken dat zij figureerde in Elsschot’s boek Kaas.

Nog mooier wordt het als Brouwers los gaat op het boek Het Ridderspoor van Johan Anthierens, waarin de laatste verklaart innig van Elsschot te houden en hem te beschouwen als ‘literaire vader’. Ik ga er eens goed voor zitten;

Het boek is een opeenstapeling van bric-à-brac, verzameld door iemand die van de glans van een koperen punaise zal beweren dat het het licht van een komeet is…En nog wat: toen Anthierens op dinsdag 23 juni 1992 te Antwerpen door de Verdussenstraat slenterde, de straat waar romanpersonage Laarmans woonde, was daar, neen maar, een straatwals bezig met de restauratie van het wegdek, precies zo’n straatwals als voorkomt in Elsschots novelle De leeuwentemmer! Dit alles is van groot gewicht voor de Elsschot-exegese…

Zo voel ik mij weer helemaal thuis bij Brouwers. Hij vindt het werk van Anthierens niets en vraagt zich af waar de definitieve biografie blijft. Deze is inmiddels door Vic van de Reijt geschreven, alleen heb ik Brouwers daar nog niet over gehoord eigenlijk; het zal vast ergens te vinden zijn.

Na deze Elsschot-wetenswaardigheden komt het hoofdstuk dat je wist dat zou komen; over uitgeefster en vroegere werkgever van Brouwers, Angèle Manteau. Gretha Segers heeft namelijk een boek over haar geschreven, Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau. Wellicht had ze dat beter niet kunnen doen want het vindt geen genade in de ogen van Brouwers. Hij onderbouwt dit uiteraard want hij zat in het oog van de storm en heeft dus de kennis over Manteau wel paraat.

De onderwerpen gaan een beetje van de hak op de tak. Hoofdstukken over André Baillon en Daniël Robberechts boeiden mij maar matig en een verhaal over Janis Joplin is zelfs een beetje vreemde eend in de bijt.

Maar dan komt het stokpaard van Brouwers de hoek om draven; zelfmoord in de literaire wereld. Het verhaal rondom Adriaan Venema is ronduit intrigerend en was bij mij al een beetje weggezakt. Venema was kunsthandelaar maar ook schrijver. Hij wist dat hij geen groot romancier zou worden en legde zich toe op zijn magnum opus, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie. Vijf delen die behoorlijk bekritiseerd zijn vanwege de vele slordigheden en fouten. Brouwers sprak hem wel eens, maar

Nooit heeft hij adequaat antwoord kunnen geven op de vraag wat hem dreef het oorlogsverleden van kunstenaars, schrijvers, uitgevers tot in de wortels uit te vezelen, niet terugschrikkend voor tendentieusheden, valse betichtingen, aantoonbare onwaarheden, om nog maar te zwijgen van de moraliserende praatjes waarmee hij de zaken nog extra orkestreerde.

Venema was alle kritiek zat en maakte een eind aan zijn leven. Brouwers gaat dieper in op gelijke gevallen. John Kennedy Toole en Alexander Ziegler pleegden ook zelfmoord na kritiek op hun werk. Brouwers is hier in zijn element, want expert op dit gebied, gezien zijn boek over dit onderwerp, De laatste deur. Zijn verhaal over Harry Mulisch en Klaus Mann mag er ook zijn. De zoon van de grote schrijver Thomas Mann zette een soort van familietraditie voort; ook hij benam zich het leven.

Brouwers maakt nog wat zijstapjes naar Adolf Hitler en zijn wegbereider Oswald Spengler en onderhoudt ons over een aantal vriendelijke Duitse seriemoordenaars om er met een knaller uit te gaan. Ik miste hem al; Rudy Kousbroek. Die moest het in Het vliegenboek al ontgelden maar Brouwers is nog niet klaar met hem;

‘Zonder er iets aan te veranderen,’ snottert Kousbroek nu verongelijkt in dat Maagpijn-opstelletje van hem. Zonder dat die Brouwers, dat lijk, ‘het fatsoen’ heeft gehad een en/of ander te ‘herroepen’, zo weeklaagt hij verontwaardigd. In snotteren en weeklagen, daar is hij goed in, Kousbroek. Staat altijd te stampvoeten in zijn eigen waterlanders.

Het ging er altijd pittig aan toe tussen de heren; toch mag ik ze beiden graag lezen. Van Brouwers heb ik nog genoeg boeken liggen, die blijft op gezette tijden gewoon voorbij komen.