archiveren

Nederlandstalige literatuur

9023454588.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Toen was hij er ineens; de vuistdikke biografie van Jan Wolkers, Het litteken van de dood, door Onno Blom. Ik wist dat hij er aan zat te komen, dat Blom er 10 jaar aan had gewerkt en ik keek er wel naar uit. Waarom? Ik heb maar één boek van Wolkers gelezen en twee films gezien die op zijn boeken zijn gebaseerd. Maar ik was bekend met zijn kunstwerken en ik heb het altijd een markant figuur gevonden, hij was vaak in de media te vinden. Daarom wilde ik die kleine 1000 pagina’s graag lezen.

Toch had het boek bijna niet nu verschenen, er was nogal wat om te doen. Blom zou op de biografie promoveren, maar het manuscript werd in eerste instantie afgewezen door de promotiecommissie. Blom zou te dicht bij zijn hoofdpersoon zijn gebleven en te weinig de tijdsgeest hebben beschreven waarin Wolkers acteerde. Dat is een opvatting, maar de manier van schrijven van Blom is dat ook, dus werd de commissie ontbonden en werd er een nieuwe aangesteld, die wel akkoord ging (overigens geheel volgens de regels). Voilà, het boek kon toch uitgebracht worden, tien jaar na het overlijden van Wolkers.

Blom had de opdracht van Wolkers zelfs gekregen en had de beschikking over zijn uitgebreide archief. Wolkers bewaarde werkelijk alles. Uit het boek wordt duidelijk dat iedere ontmoeting, gebeurtenis of gesprek input vormde voor zijn kunst. Een beeld, boek, artikel, toneelstuk, gedicht, schilderij, hij was van veel markten thuis. Wolkers ging zelfs zover dat hij ongezien een bandrecorder liet meelopen bij gesprekken met zijn ouders, geliefden en zelfs op begrafenissen, om zo puur mogelijke reacties te verkrijgen.

Hieruit volgt ook dat veel van zijn werk een sterk autobiografisch karakter heeft. Zijn leitmotieven zijn ook helder; een liefde voor de natuur, een afkeer van het geloof, fascinatie voor de dood en een ongebreidelde seksuele drift. Bij dat laatste nam hij in zijn boeken geen blad voor de mond, hij noemde alles bij naam, precies zoals we dat in het echt ook doen, zo was zijn redenatie. Hij gooide ‘en passant’ de seksuele moraal er wel even mee om in de tijd dat zijn boeken verschenen.

Zo’n dik boek geeft uiteraard een stortvloed aan informatie. De chronologie wordt keurig gehandhaafd. Er is uitgebreid aandacht voor zijn jeugd en opleiding. Dat geeft een goed beeld van hoe hij tot zijn werken komt. Zijn huwelijken en kinderen spelen ook een grote rol, zeker de dood van zijn dochtertje Eva. Wolkers is niet monogaam en heeft een voorliefde voor jonge vrouwen. Welke relatie hij ook heeft, zij zal andere vrouwen moeten gedogen. Zijn laatste liefde, Karina, kon hier het beste mee omgaan.

Zijn beelden en sculpturen waren alom geliefd en zijn boeken waren dat ook. Bij het publiek dan. Hij was tijdenlang de best verkopende auteur van het land, maar ieder boek kreeg steevast vernietigende kritieken van een vast clubje. Dat was het enige wat een beetje een opsomming werd in dit boek. Het volgende boek, goed verkocht, veel kritiek, verongelijkte Wolkers, volgend boek, goed verkocht enzovoort.

Maar, het leest verder geweldig weg, ik heb mij geen moment verveeld. Wolkers komt naar voren als een authentiek mens. Apart, maar bevlogen en op vele vlakken autodidact. Het moest wel allemaal volgens zijn spelregels. Zo was zijn ex-vrouw Annemarie Nauta verbolgen over het feit dat Olga uit Turks Fruit op haar gebaseerd was. Wolkers had hier zijn eigen verhaal bij;

‘Ik heb natuurlijk autobiografische elementen gebruikt, maar Turks Fruit is een roman, geen autobiografie. Ik heb veel vrouwen gekend en een aantal vrouwenfiguren in elkaar geschoven, gecombineerd tot Olga. Eén echte complete Olga heeft nooit bestaan’. 

Maar tegen regisseur Paul Verhoeven had hij een ander verhaal opgehangen:

‘We waren geschokt’ zegt Verhoeven. ‘Of een deel van de bodem onder ons vandaan was getrokken. Wij dachten allemaal écht dat Olga dood was. En nu bleek ze te leven…En Wolkers had ons toch maar mooi al die tijd de leugen laten verkondigen dat Olga dood was. Daar hebben we echt van moeten bijkomen.’

Het boek staat vol met dergelijke verhalen en je volgt zijn ontwikkeling van tomeloze kunstenaar tot de broze oude man die hij uiteindelijk werd. Broos, maar vol liefde voor zijn tweeling en zijn vrouw. Broos, maar blijvend scherp, zoals toen hij last had van wondroos; ‘Jan Peter Balkenende had dat ook’, zei Wolkers, ‘maar die had het verdiend.’

Wolkers, een grote robuuste vent met aparte trekjes maar een oorspronkelijk mens, die een dergelijke biografie wat mij betreft verdient. Ik mis hier geen tijdsgeestbeschrijvingen. Een gevoelsmens ook en laat ik daarmee afsluiten, als hij beseft dat hij verhuist, weg van het huis waar zijn dochter Eva is overleden;

Van alle plekken in huis waaraan hij herinneringen had, maakte er één hem nog altijd radeloos en misselijk van verdriet. Het was de plek op de muur waar de handjes van Eva hadden gestaan. ‘Godverdomme ja, tiny little finger-prints,’ schreef hij in Een roos van vlees. ‘Het was chocoladepasta. Ze had allebei haar handjes tegen de muur gedrukt. Misschien heb ik haar er wel een standje voor gegeven. Ik probeerde ze weg te wassen nadat ze was doodgegaan. Het ging niet.’

Advertenties

IMG_3966
Ik begon vol goede moed aan de dubbelroman van Willem Elsschot, Lijmen / Het been. Ik had de novelle Kaas al gelezen van hem en die beviel mij best dus ik was benieuwd naar deze werken. Hoewel ze met enige tijd ertussen werden geschreven, respectievelijk in 1928 en in 1938 is het een vervolg op elkaar en werden ze na de oorlog altijd samen uitgegeven.

De verteller en ik-figuur ontmoet een oude bekende, Frans Laarmans (iemand die we ook al in de novelle Kaas tegenkwamen). Laarmans vertelt over het werk dat hij doet, en dat is klanten werven voor het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen. Dat begon allemaal met de ontmoeting van Laarmans met Boorman. Die verdiende zijn geld met dit tijdschrift en hij zoekt een opvolger. Dat moet Laarmans worden maar er zijn regels;

…je moet doen zoals ik doe, praten zoals ik praat en zwijgen zoals ik zwijg. Wij maken een contract, waarbij bepaald wordt dat je van heden af duizend frank in de maand krijgt gedurende niet langer dan twaalf maanden. Na die tijd, of vroeger, word je er uitgetrapt of doe ik mijn zaak aan je over…

Laarmans gaat akkoord, maar is niet gerust;

 ‘Ik vind het goed,’ sloeg ik toe, niet zonder waardigheid en niet geheel zonder beklemmend gevoel, als verkocht ik mijn ziel.

Laarmans moet namelijk gaan ‘lijmen’. Binnenlopen bij bedrijven en vervolgens aanbieden om een editie van het tijdschrift te wijden aan het fantastische product of de geweldige diensten die geleverd worden. Daartoe liggen al een aantal artikelen panklaar op de plank, die makkelijk omgewerkt kunnen worden naar het betreffende onderwerp.

Zo lopen Boorman en Laarmans binnen bij de smidszaak Lauweryssen. Die wordt gerund door broer en zus. Mevrouw heeft een slecht been en doet de administratie en wordt zo ‘gelijmd’, dat ze besluit 100.000 exemplaren te bestellen van het tijdschrift, dat gaat over hun zaak en de fantastische keukenliften die ze maken. Af te betalen in termijnen, die Laarmans moet gaan innen.

Het vervolg, Het been, gaat over de wroeging van Boorman. Hij loopt mevrouw Lauweryssen tegen het lijf en komt met haar ten val. Ze heeft een houten been inmiddels en Boorman krijgt spijt van zijn vroegere praktijken. Hij wil haar het geld terug betalen, maar zij weigert. Hij zet alles op alles om het voor elkaar te krijgen en geraakt er zelfs even door in een psychiatrische kliniek. Uiteindelijk lukt het toch via bemiddeling van een oom van Laarmans. Dat klinkt heel simpel en dat is het ook, en meteen daar ligt mijn reserve bij deze verhalen.

Het zijn verhalen uit het interbellum, verhalen over het verdienen van geld en een bepaalde moraal. Tot zover niets mis mee. Het is ook geen dik boek, in totaal 219 pagina’s, maar ik kon er mijn aandacht niet bijhouden. Het verhaal kon mij maar heel matig boeien. Er hoeft ook niet persé een plot in te zitten, maar als heel het tweede verhaal draait om het moeizaam teruggeven van het geld, en het is ineens opgelost met een paar gesprekken, dan vind ik dat te mager. Ook het eerste deel, Lijmen, kwam bij mij niet verder dan een aardig verhaal, maar haalde niet het niveau van Kaas.

De mooiste passage? Waarin Laarmans het omgewerkte artikel voor piano’s voorleest aan mevrouw Lauweryssen, maar dan voor keukenliften;

‘…dat Lauweryssens fabriek een waar industrieel paradijs is. Wie er eenmaal werkt gaat niet meer weg, zodat dezelfde mensen reeds jarenlang dezelfde taak verrichten en zich geleidelijk hebben opgewerkt tot een weergaloze bedrevenheid. Het mag dan ook gezegd worden dat Lauweryssens piano’s…
‘Keukenliften,’ verbeterde Boorman kortaf.
‘…dat Lauweryssens keukenliften,’ hervatte ik als de bliksem, ‘voor generlei verbetering vatbaar zijn.

78107f4fbcee130597a76485241444341587343
Zolang te water van Simon Vinkenoog is zijn autobiografische roman uit 1954. Het is een kort verhaal van ruim 140 pagina’s, geschreven toen hij in Parijs woonde. Daar speelt het boek zich ook voornamelijk af, in het Parijs van de vroege jaren veertig en vijftig.

Het is geen lineaire vertelling, verre van zelfs en je moet er je aandacht behoorlijk bijhouden. De hoofdpersoon is de auteur zelf en het draait allemaal om zijn liefde voor Vera. Hierin herkennen velen zijn toenmalige vriendin Ferdi Jansen. Ze ontmoeten elkaar in Parijs en Simon geeft voor Vera zijn tweede huwelijk met Poes op. Uiteindelijk kan hij Vera ook niet voor zichzelf behouden.

Tussen dit verhaal spelen constant andere levensgebeurtenissen. Slapen naast de dochter van de kapper op zijn twaalfde, zijn ontmoeting met een antiquair bij wie hij twee nachten doorbracht, zijn bezoek na de oorlog aan de communistische jeugdbeweging, het meisje dat hij er leert kennen en met wie hij trouwt, de zoon die ze krijgen, hoe hij Julia ofwel Poes ontmoet met wie hij later in Parijs trouwt en uiteindelijk de ontmoeting met Vera.

Kortom, best veel informatie en in een van-de-hak-op-de-tak-stijl opgeschreven. Even het hoofd erbij houden maar dan is er moois te ontdekken in dit boek;

Tegen de zon kan men zich verdedigen: het beest dat naar gezondheid en rijke mensen ruikt, microben doodt en krenkend helder schijnt, heeft vele andere misdaden op zijn geweten. De regen daarentegen is een zacht en teder beest, dat het speeksel van onze lippen likt en liefkozend langs onze wangen speelt, daarenboven nog de mogelijkheid openlaat ons te beschermen wanneer wij genoeg hebben van zijn druppelende goedheid.

Ik vind het poëzie en ik kan het blijven teruglezen. Ook een zinsnede als “…zijn gezichtsvermogen, dat op kurken randjes van onbehagen drijft liet hem hoe langer hoe meer in de steek” vind ik heerlijk om te lezen.

Het was destijds een scandaleuze roman, met hetero- en homoseksuele passages. Nu kijkt niemand er meer van op, maar de recensies logen er destijds niet om. Uit een bespreking in het Dagblad van Rijn en Gouwe uit 1955;

Men moet een jong auteur welwillend tegemoettreden…Teneinde dus dit boek geen onrecht te doen hebben wij de rimram twee keer met aandacht gelezen, wat waarlijk geen genoegen was. En dan moeten wij mededelen dat wij: a. nergens één originele gedachte hebben gelezen; b. nergens één zin hebben gevonden welke een sfeer, een stemming, een beeld ook maar éven oproept; c. nergens één stukje compositie hebben ontdekt; d. nergens één mens hebben ontwaard.

Niet mis dus, hoewel Louis Paul Boon zich weer lovend over het werk uitliet. Zo zie je maar, oordeel vooral zelf. Mij beviel het, om het verhaal, maar ook om de mooie opdracht die ik voor in dit tweedehands boek vond;

“Zolang te water” voor een meisje dat al zo lang te bed ligt, en dat heel flink is. Je Niek 11-3-’61

7f4c882e973c77f593664465251444341587343
De eerste aflevering van het éénmanstijdschrift verscheen in 1996, maar de schrijver Jeroen Brouwers was dat jaar nog niet klaar. Er verscheen dus een Feuilletons Extra Edietzie in de herfst van datzelfde jaar. Het was een schotschrift over de toenmalig aangestelde directeur van uitgeverij De Arbeiderpers, Ronald Dietz.

Die ligt op zijn zachtst gezegd niet goed bij Brouwers, net als de man die Dietz binnenhaalde, Pieter de Jong.

Ze gingen meteen over lijken, de De Jong en Dietz. De nog zittende directeur van De Arbeiderspers, Theo Sontrop, aan wie eerst was voorgespiegeld dat hij nog enige jaren in zijn functie zou worden gehandhaafd met Dietz (‘winstdirecteur’) als rechterhand, werd zeer spoedig de deur uitgeschoven. Bij Dietz’ benoeming werd de al vele jaren aan het bedrijf verbonden redacteur Emile Brugman, bemind en gerespecteerd door het merendeel der Arbeiderspers auteurs, plompverloren gepasseerd.

Een winstdirecteur dus, alleen uit op geld en met nul gevoel voor literatuur, aldus Brouwers. Brugman richtte zijn eigen uitgeverij Atlas op (waar dit boek uiteindelijk ook verscheen) en nam een aantal auteurs mee. Brouwers fulmineert er 160 pagina’s op los tegen Dietz. Enerzijds door zijn functioneren als directeur te bekritiseren (het aanbrengen van niet succesvolle auteurs, zijn afwezigheid bij de uitreiking van een Franse literatuurprijs aan Brouwers, de onrendabele reisjes naar de Buchmesse in Frankfurt), anderzijds door persoonlijke anekdotes;

Eind 1995 bedacht Dietz een ‘Vlaanderen-actie’:…een leuke avond in Amsterdam waarop alle A.P.-Vlaampjes aanwezig zouden zijn, omringd door pers, radio, televisie, leuke Vlaamse hoempamuziek en heel veel bier.
Hij sprak mij erover in mijn bosvilla te Zutendaal en ik wist meteen te melden dat hij het allemaal zò niet moest aanpakken: Vlaamse schrijvers zijn geen bosapen die je op die manier samendrijft in die enge grachtengordel. Natuurlijk vond de circusdirecteur dat weer ‘dwars’ van mij, want luisteren, zoals reeds vermeld, dat kan hij niet.

En dit zijn nog de vriendelijke passages. Zijn uitspraak “Hier ligt Dietz. Hij rijmt op niets” is misschien nog wel de meest bekende uit het hele boek.

Natuurlijk kan Brouwers in zo’n uitgave zijn liederlijke gang gaan. Het is éénrichtingsverkeer en er zitten altijd twee kanten aan een verhaal. In een interview in Trouw uit 1996 werd Dietz om een reactie gevraagd maar hij gaat er niet teveel op in;

“Vrienden zeggen, Ronald, doe wat. Maar ik doe het niet. Wie geschoren wordt, moet stil blijven zitten.”

Dat neemt niet weg dat Brouwers zijn uitspraken wel altijd onderbouwt. Feit is ook dat Dietz na behoorlijk wat onrust bij De Arbeiderspers, per 1 juni 2001 is afgetreden als directeur, na blijvende onenigheid met auteurs en personeel. Brouwers heeft dus zijn oeuvre ondergebracht bij uitgeverij Atlas, waar hij in 2009 als Feuilletons 8 een nieuw vloekschrift publiceerde, Sisyphus’ bakens, over het lage prijzengeld van de Prijs der Nederlandse Letteren. Ook dat boek is de moeite waard.

6916a4a52c225e559366c465251444341587343
Jeroen Brouwers bedacht ooit dat er te weinig literaire tijdschriften waren en besloot toen om er zelf maar één op te richten. Dat werd Feuilletons, uitsluitend bedoeld voor nieuw werk van eigen hand. Er werd een uitgeverij bedacht, ‘Noli me tangere’ in Zutendaal, zijn toenmalige woonplaats en het eerste deel werd gevuld met aantekeningen, polemieken en een paar artikelen.

Ruim honderd pagina’s, maar je bent er zo doorheen, alleen al omdat de eerste 50 pagina’s “Journalen” gezet zijn in een absurd groot lettertype. Die Journalen vond ik meteen het minst boeiend. Wat gedachten over hoe Utopia eruit ziet (hij komt toch uit op zes planken) en een dagboekfragment met een aardig verhaal over de vergeten schrijver en journalist Henri van Wermeskerken.

Het tweede deel is interessanter. Hier gaat Brouwers in op Willem Elsschot en zijn biograaf, de Belg Jean Surmont. Deze laatste krijgt het aardig uitgemeten van Brouwers;

Het als ‘biografie’ gepresenteerde werk…had ook de ondertitel ‘Tussen lulkoek en larie’ kunnen meekrijgen…Het werkstuk van Surmont kon niet lamlendiger, kon niet slordiger, kon niet slechter. Qua Elsschotkunde vertegenwoordigt het zoveel als wind die door dorre bladeren woelt: er staat in het boek niet één mededeling die iedere Elsschotofiel niet al jaren eerder heeft gehoord…

Daar kan Surmont het mee doen. Brouwers gaat ook in op de aparte nationalistische trekjes van Willem Elsschot. Waarom schreef hij een gedicht op de foute en gefusilleerde August Borms? Ook Louis Paul Boon kwam er niet uit. Verder krijgt ook Rudy Kousbroek er van langs in dit tijdschrift. Brouwers is getergd en staat duidelijk niet boven de materie, maar goed, anders hebben we ook geen polemiek natuurlijk.

Ik was geboeid door het verhaal van de mij onbekende Uruguayaanse schrijver en zelfmoordenaar Horacio Quiroga. Die heeft in zijn leven behoorlijk wat voor zijn kiezen gekregen maar schijnt desondanks prachtige verhalen geschreven te hebben met als terugkerend thema de bedreiging van het menselijk bestaan door de natuur. Een voorbeeld;

Een naïeve accountant uit de grote stad Salto, ‘een vreedzame, mollige, blozende jongeman’, trekt opgewekt het oerwoud in, vindt in een boomstam wilde honing en doet zich daar gulzig te goed aan. Het blijkt een moorddadige lekkernij te zijn, die verlamming veroorzaakt. Machteloos neergestort, ziet hij in ‘ultieme angst’ hoe er over de grond iets massaals en zwarts op hem toestroomt…’Om hem heen kleurde de allesverslindende strafexpeditie de grond donker, en de accountant voelde de stroom vleesetende mieren onder zijn lange onderbroek omhoogkruipen.’

Ik heb die verhalen maar besteld en ben benieuwd. Brouwers sluit Feuilletons af met een pleidooi voor het roken en tegen de hypocriete tabakshaat in met name de Verenigde Staten. Van wisselende kwaliteit dus dit éénmanstijdschrift, maar nog altijd boeiend genoeg.

90f23787ad0a076597a4e555767444341587343
Ik vond het tijd worden om eens wat van Rudy Kousbroek te lezen en aangezien ik van essays houd, leken de Anathema’s I een logisch begin. De vragen op de achterkant maakten mij ook nieuwsgierig naar de inhoud: Waarom praten toneelspelers met teveel lucht? Leeft een oude steen langzaam? Is er een relatie tussen het eten van exotische gerechten en het begrijpen van cartoonhumor? Heeft Picasso echt bestaan? Was Swift de uitvinder van de computer?

Bijkomend voordeel is dat deze vragen niet per se tijdgebonden zijn, omdat essays uit de jaren zestig en zeventig gedateerd kunnen zijn en je moet van goede huize komen (Jeroen Brouwers en W.F.H. kunnen dat) willen die nu nog boeien.

Zesentwintig hoofdstukken in 174 pagina’s wisten mij inderdaad te vermaken. Ik moest de betekenis van de titel eerlijk gezegd opzoeken. Een anathema is een aanduiding van een artefact dat in de oudheid door een bezoeker van een heiligdom aan een godheid werd geschonken. Het zal hier meer met de christelijke context te maken hebben; tot zegening of tot vloek.

De essays zelf lezen vlot weg en er worden zowaar antwoorden geformuleerd op bovenstaande vragen, soms het humoristische aanvullingen van commentaren op de essay. Het langzaam leven van die steen gaat over een gedicht van Vasalis (Ik droomde dat ik langzaam leefde…), waar Kousbroek geen liefhebber van is. Hij laat zijn gedachten spelen over tijd, bezien vanuit een steen, een eendagsvlieg en voegt een uitgebreid aanhangsel toe met reacties op zijn essay.

Zij Picasso-verhaal is ook onnavolgbaar. Hij legt de paradoxen bloot van de Picasso-mythe, waarbij de tweede luidt;

…in dezelfde gangbare visie heet kunst te worden geboren uit leed. Het in onze cultuur gangbare model van de kunstenaar…is dat van iemand die aan de rand van waanzin leeft (dichter bij de rand naarmate hij een genialer kunstenaar is), en in de diepste vertwijfeling ‘schoonheid schept.’
Prototype: Vincent van Gogh….
Maar nu komt het: Picasso is geniaal zonder ooit de prijs te hebben betaald die de samenleving daarop heeft gesteld…Als hij nu nog op jeugdige leeftijd en in bittere armoede was gestorven, maar hij is al 85 en zijn fortuin is niet te becijferen.

Tragikomisch is ook het verhaal van de schilder Henri Rousseau. Hij kreeg vaak kritiek op zijn naïeve, kinderlijke zo u wilt, schilderstijl maar had ook bewonderaars in Picasso en Apollinaire. Toch moest hij zich veel laten welgevallen;

Gauguin stuurde Rousseau een vervalste uitnodiging van de president van Frankrijk. Rousseau toog diep getroffen naar het Elysée. Toen hij terugkwam vertelde hij aan Gauguin dat de President zelf had opengedaan, en gezegd had: ‘Jammer dat je in een gewoon pak bent gekomen, Rousseau. Iedereen is hier namelijk in rok, zie je, en ik kan je dus moeilijk binnenlaten. Maar een andere keer graag.’
Om dergelijke reacties was het iedereen te doen…Op een ‘te zijner ere’ aangericht feest werd Rousseau genadeloos voor de gek gehouden en tenslotte in een lege zaal alleengelaten.

Genoeg verhalen dus met een hoog Frans gehalte. Dat is wat mij betreft een aanbeveling en ik heb nog een aantal delen met Anathema’s in het vooruitzicht.

9045016990.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Hoe moet je het boek Hoogtij langs de Seine van Diederik Stevens nu eigenlijk noemen? Een kunstgids, een stadsgids, een geschiedenisboek? Het heeft van alles wat. De ondertitel luidt Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs, waarbij we dan blijkbaar vaststellen dat een schrijver geen kunstenaar is.

Maar zo begint het ook. Het boek telt 470 pagina’s en de eerste 250 daarvan zijn gereserveerd voor korte biografieën van Nederlandse kunstenaars, zoals Simon Vinkenoog, Karel Appel, Corneille, Hugo Claus, Jan Wolkers etc. De overige pagina’s zoemen in op de locaties waar al die kunstenaars kwamen. De hotels, de academies, de ateliers en galeries, de boekhandels, bioscopen en bars, de brasseries en clubs die ze bezochten.

In dat tweede deel lijkt de schrijver op twee gedachten te hinken, want ging het niet om Nederlandse kunstenaars? Die voeren hier niet de boventoon. We lezen over Ernest Hemingway, Kiki de Montparnasse, Juliette Gréco, Pablo Picasso en al die anderen die Parijs bevolkten in de vorige eeuw.

Die twee gedachten stoorden mij overigens niet want laat ik het maar zeggen, het is één van de leukste boeken die ik ooit las. Nu niet meteen naar de boekhandel rennen, want dat kan goed aan mijn persoonlijke voorkeur liggen voor de stad Parijs in combinatie met de bohémiens die daar vertoefden. Je moet er wel van houden.

Zo leer je uit dit boek dat het beeld van de arme kunstenaar geenszins overdreven was. Het was moeilijk om aan woon- en werkruimte te komen. Appel en Corneille konden aan ateliers komen in een groot gebouw waar een vreselijke stank heerste van de huiden van een leerlooierij die daar lagen te drogen. Schrijvers en dichters zaten vaak een hele dag op één consumptie in een brasserie, omdat ze daar enigszins warm konden werken;

In korte tijd verrijst Appels provisorische atelier. Werktafels maakt hij van oude deuren…Appel schildert energiek maar wegens geldgebrek met weinig verf, en vooral op jute, in plaats van op duur linnen. Hard werken blijkt trouwens de enige remedie om warm te blijven, want het geïnstalleerde stookkacheltje heeft bij lange na niet genoeg kracht om het tochthol op temperatuur te krijgen.

Het is prachtig om van de avonturen van die Nederlandse kolonie in Parijs te lezen. Ik wist bijvoorbeeld niet dat Simon Vinkenoog zo’n verbindende factor was in die club. Maar het wordt eigenlijk nog leuker als al die locaties worden beschreven. Vanaf de ontstaansgeschiedenis tot aan heden. Je leest over al die beroemde gelegenheden als La Rotonde, Café Le Dôme, Les Deux Magots en La Coupole en vooral over wie er kwamen. De Amerikaanse schrijver James Baldwin zei:

The moment I began living in French hotels I understood the necessity of French cafés.

De Academies waar ook de Nederlanders les kregen of poseerden spelen een grote rol. De opkomst van de jazz-kelders in Parijs en alle grote sterren die er optraden, het staat er in. In het boek zijn kaartjes opgenomen met de arrondissementen die beschreven worden en alle plaatsen die worden beschreven staan aangegeven. Prachtig om een keer mee door Parijs te lopen lijkt mij.

Wat beklijft zijn de vele mooie verhalen in dit boek. Over The English Bookshop waar de flamboyante eigenaresse Gaït Frogé haar acrobatiek boven bedreef met welke schrijver dan ook. Over Victor Libion, de eigenaar van La Rotonde;

Uit de mémoires van Kiki de Montparnasse….blijkt dat de bedrijfsleiding van La Rotonde bijna dagelijks servies, bestek en glaswerk moet aanvullen omdat sommige financieel krabbende schilders de café-eigendommen onder hun trui of in hun jassen stoppen…Modigliani heeft die gewoonte alweer een tijd lang afgeworpen wanneer hij op een avond een feest in zijn atelier geeft waarbij ook Libion als gast aanwezig is. Tot zijn verrassing wordt de Rotonde-eigenaar geserveerd op hem overbekend servies. Ook blijkt de kroegbaas in de spijzen te prikken met zijn eigen tafelzilver, terwijl er evenmin onduidelijkheid bestaat over de herkomst van de wijnglazen. Libion vertrekt geen spier, staat op en vertrekt naar zijn café om wijnflessen te halen. Bij terugkomst zegt hij: ‘Alleen de wijn op tafel was nog niet van mij.’

En dat een heel boek lang. Ik ben er druk mee geweest en heb veel opgezocht over mij onbekende kunstenaars en artiesten, of om mijn geheugen weer even op te frissen. Zo weet ik nu dat het kunstwerk de knoop op winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht, waar ik honderden keren langs gelopen ben, van Shinkichi Tajiri is, een Nederlands-Amerikaanse beeldhouwer van Japanse afkomst, uiteraard ook actief in Parijs. Een boek dat ik zeker nog eens uit de kast trek.