archiveren

Nederlandstalige literatuur

be9f64afc5ffac2593779415a41437641414141_v5
De correspondentie van Desiderius Erasmus Brieven 446-593. Deel 4 van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus gaat over de jaren 1516 en 1517. Erasmus vertrok naar de Nederlanden en zijn naam was gevestigd. Hij kreeg van alle kanten lof toegezwaaid. De Duitse filosoof en theoloog Melanchthon eerde hem met een gedicht. Hertog George van Saksen, de aartsbischop van Mainz en de bisschop van Bayeux nodigden hem uit zich in hun gebied te vestigen. Er was sprake van een aanstelling aan het nog op te richten Collège Royal in Parijs en de Duitse theoloog Spalatinus vestigde Erasmus’ aandacht op een opmerkelijke confrater, de augustijner monnik Luther.

Toch moet hij zich ook zorgen hebben gemaakt over de ontvangst die hem van de kant van de theologen te wachten stond. Hij was natuurlijk een lastpak. Hij riep onophoudelijk dat de theologen hun Latijn moesten verbeteren en riep op tot terugkeer tot de helderheid en eenvoud van het evangelie en de Latijnse kerkvaders. Hij verkondigde dat een theoloog die aanspraak wilde maken op die titel zich moest bekwamen in het Grieks en de Griekse theologische werken moest bestuderen. Eigenlijk vroeg Erasmus om een totale mentale omschakeling.

Verder is er een rode draad in dit boek en dat is het verzoek aan de paus om hem te ontslaan van zijn kloostergeloften en als seculier priester te mogen leven, de zogenaamde dispensatie. Genoeg stof dus voor correspondentie.

Voor die dispensatie schreef Erasmus een bijzondere brief die uniek is in zijn oeuvre. Hij schreef een brief aan Lambert Grunnius, een fictieve pauselijke secretaris, waarin Erasmus de jeugd van Floris beschrijft (Erasmus zelf) en zijn broer Anton (Erasmus’ broer Pieter). Hij vertelt hoe Floris tegen zijn zin moest intreden bij de augustijner kanunniken en hoe hij nu dispensatie wenst te ontvangen. Erasmus verzoekt Grunnius om de zaak van Floris bij de paus te bepleiten. De brief wordt vervolgd door een antwoord waarin Grunnius meedeelt dat de paus de gevraagde dispensatie verleent.

In het echte leven werd de fictieve brief met het daadwerkelijke verzoek om dispensatie verstuurd naar paus Leo X. Het was niet voor niets, want Erasmus kreeg antwoord van de paus;

Beminde zoon, groet en apostolische zegen. De eerzaamheid van je leven en karakter en andere bewijzen van je prijzenswaardige oprechtheid en deugd…brengen ons ertoe je speciale gunsten en voorrechten te verlenen. Daarom willen we jou…genadig onze gunst tonen en je op de voorwaarden van deze brief vrijstellen en als vrijgesteld verklaren van alle kerkelijke sententiën, censuren en straffen van excommunicatie, opschorting of verbod en alle andere straffen die jou zijn opgelegd bij wet…

Zo gaat het nog even door want de paus is lang van stof maar het is een opmerkelijk inkijkje in de geschiedenis. Zo zijn er veel meer en dat is het aantrekkelijke van deze correspondentie. Het biedt een venster op de geschiedenis van de wereld waarin wij leven. Zo is er een uitgebreide correspondentie met de Franse humanist Guillaume Budé. Die heeft te maken met de oprichting van het Collège Royal, de voorloper van het Collège de France, een beroemd onderzoeksinstituut in Parijs.

De brieven maken ook duidelijk dat Erasmus nogal wat teweeg brengt in Europa. Hij ontvangt brieven waarin hem om uitleg van zijn standpunten wordt gevraagd, zoals van de Duitse hoogleraar theologie Hieronymus Dungersheim. Zo wordt je heel direct betrokken bij de geloofsbeleving in die tijd.

De correspondentie bevat niet alleen brieven van Erasmus, maar ook brieven aan Erasmus en zelfs brieven van anderen over Erasmus. Het zal niet verbazen dat er veelvuldig bijbelteksten aangehaald worden en onderaan de brieven wordt consequent de vindplaats in de bijbel vermeld. Ik zoek niet alles op maar als de geestelijke en hoveling Hieronymus Emser Erasmus een ‘uitverkoren vat’ noemt kijk ik toch even in Handelingen 9;15 wat hiermee bedoeld wordt. Ook Erasmus’ eigen verzameling van Latijnse en Griekse spreuken, de Adagia, wordt veelvuldig geciteerd, meer nog door anderen dan door hemzelf zoals wanneer de Nijmeegse humanist Gerard Geldenhouwer aan Erasmus schrijft;

Het bevalt me goed dat je de theoloog Michael wel mag; misschien heeft hij dat te danken aan zijn leermeester Lebrixa, want het is erg belangrijk door wie je in je jeugd wordt opgeleid. Maar dit is het zwijntje dat Minerva onderwijst.

Waarmee Geldenhouwer zegt dat hij Erasmus verder niets te leren heeft.

Erasmus brengt ook mensen bij elkaar en dat blijkt uit correspondentie van de Engelse jurist Cuthbert Tunstall aan de eerdergenoemde Franse humanist Budé. Tunstall was geïnteresseerd in oude munten waarin Budé gespecialiseerd was. Verder staan er brieven in die gebruikt zijn als voorwoord bij uitgaven, zoals die van Erasmus over Suetonius waarin de levens worden beschreven van Romeinse keizers die regeerden tussen 117 en 284.

Genoeg te lezen en te beleven in dit deel en ik wil u niet de alledaagse beslommeringen onthouden van Erasmus en de zijnen, want dat zijn ook mooie delen tussen de theologische beschouwingen door. Zo schreef hij zijn goede vriend de staatsman Thomas More over hoe zijn portret werd geschilderd samen met dat van Pieter Gillis, de gemeentesecretaris van Antwerpen;

Met mij ging het uitstekend, totdat de dokter, Joost mag weten hoe, op het idee kwam mij enige pillen voor te schrijven om mijn gal te reinigen en wat hij me aan doms aanraadde, volgde ik, nog dommer op. De schilder was al aan mijn portret begonnen, maar toen ik na het slikken van de medicijnen bij hem terugkeerde, weigerde hij te geloven dat het mijn gezicht was.

Tenslotte kwam Guy Morillon, secretaris van Jean le Sauvage, hoveling van Karel V er maar amper toe om Erasmus te schrijven, getuige het einde van zijn brief;

Het overige, wat voor u van belang kan zijn, kunt u beter horen als u hier zelf bent. Mijn vrouw roept me steeds weer naar bed. Vaarwel, heer.

Het zijn maar twee jaar uit het leven van Erasmus maar er valt veel te halen en te genieten uit deze brieven. Gelukkig heb ik nog een paar delen in het vooruitzicht.

eaef5c0dd654e3f593358335541444341587343_v5
Remco Campert schreef met Somberman’s actie het Boekenweekgeschenk 1985. Toen was het recept ook om een korte novelle van goed 90 pagina’s te schrijven en dat gaat Campert prima af.

Het is de 156e dag van Somberman’s werkloze bestaan. Hij deed de boekhouding van een groot warenhuis, maar dat ging failliet. Campert zag het Vroom & Dreesmann-debacle al vroeg aankomen blijkbaar. Somberman’s naam is niet toevallig gekozen. Hij weet niet wat hij met zijn tijd aan moet en gaat weinig vrolijk door het leven. Zijn vrouw, Bezig, heeft wel werk. Zij is receptioniste van een hotel en Somberman is licht jaloers op het feit dat zij wel werkt;

Soms betrapt hij zich op het verlangen dat ze ook haar ontslag zal krijgen, zo ver gaat het al bij hem. Waarom de een wel werk en de ander niet?…Zou het niet veel eerlijker verdeeld zijn als niemand werk had?
Even vermeit hij zich met die gedachte. Voor zijn ogen verschijnt een zonnig beeld van gelukkige families die wandelen in een park. Er klinkt hemelse muziek. Somberman en Bezig lopen er ook, hand in hand, het lijkt wel of ze zweven.
Dit is de dood, beseft Somberman huiverend, en razendsnel doet hij het beeld verdwijnen.

Somberman heeft een vriend, Domoor, die af en toe langs komt. Hij werkte ook in het warenhuis maar was net op tijd met pensioen. Bezig mag Domoor niet, het is een kleurloze man volgens haar. Soms zoekt Somberman haar op in het hotel, zoals wanneer hij zijn haar heeft laten knippen. Zwart, bij de kapper die officieel dicht is op dinsdagmiddag maar wel een borreltje schenkt.

Af en toe gaat Somberman naar een café, waar hij Blufkaak en zijn actievoerende zoon en kraker Lubbe ontmoet. Daar staat het meisje Soeza achter de bar en Somberman vraagt haar in een opwelling mee uit. Zijn vrouw Bezig ziet volgens hem wat in de barman Harry, dus hij mag ook wat afspreken nietwaar? Zo leert hij langzamerhand ook de andere kant van het leven kennen en hij bloeit zowaar een beetje op;

Hij denkt aan zijn nacht met Soeza en heeft moeite een Tarzankreet te onderdrukken. Alles wijst erop dat zijn nieuwe leven is begonnen en hij verbaast zich over zijn onverhoeds teruggekeerde vitaliteit, want op de keper beschouwd zijn de omstandigheden nauwelijks veranderd.

Dat gaat verder. Lubbe is erachter gekomen dat Somberman in het warenhuis heeft gewerkt en wil hem daarover spreken. Hij stemt toe en bevindt zich ineens in een krakersbeweging die het warenhuis wil bezetten. Hij geeft hen nuttige tips en verschijnt zelfs op het journaal. Domoor zit op de bank het journaal te kijken;

Domoor valt bijna van de bank van verbijstering. Het is Somberman! Domoor staat op en loopt naar het televisietoestel toe. Even heeft hij het gevoel dat er iets mis is met het toestel, een technische storing van kosmische aard. Somberman hoort nu thuis te zitten en met zijn vrouw naar het journaal te kijken, in plaats van eròp te zijn.

Domoor heeft weing tijd meer over om van zijn verbazing te bekomen, maar dat moet u zelf maar gaan lezen. Net als hoe het Somberman vergaat. Hij heeft zijn kleurloze leven wat invulling weten te geven en wacht tot de politie het warenhuis in komt. Dan gaat hij over tot wat we nu kennen als Somberman’s actie, maar ook die geef ik niet weg hier. Al met al een vermakelijk boek waarin Campert met een vleug humor een licht tragisch leven neerzet.

c55ab340402e37a5975797a3067444341587343_v5
Ik had het Boekenweekgeschenk van dit jaar nog liggen en omdat ik een liefhebber ben van de boeken van Ilja Leonard Pfeijffer, was ik ook benieuwd naar Monterosso mon amour. Het blijkt nogal eens lastig om in zo’n 90 pagina’s een onderhoudend verhaal te schrijven maar Pfeijffer is wat mij betreft daarin geslaagd.

Het thema van de Boekenweek 2022 is Eerste liefde en daar draait het om in dit boek. Carmen is de vrouw van een gepensioneerde diplomaat en zo rond de zestig jaar. Kinderen hebben ze niet en ze vindt eigenlijk dat ze een weing opzienbarend leven heeft geleid;

Ik heb over de wereld gereisd zonder de wereld te zien, ik heb tennisballen in een net geslagen en sherry ontdekt, ik ben zomaar opeens oud geworden zonder daarvoor moeite te doen.

Ze organiseert lezingen voor de plaatselijke bibliotheek, is verder niet ongelukkig maar het grote gebaar ontbreekt gewoon. Als op één van die lezingen de schrijver Ilja Leonard Pfeijffer optreedt en spreekt over het Italiaanse Monterosso, denkt Carmen terug aan haar eerste liefde die ze daar ooit ontmoette.

Kinderen waren ze nog en Carmen en Antonio waren onafscheidelijk op hun vakantie. Ze hebben onder water zelfs hun eerste zoen uitgewisseld. Na die lezing besluit Carmen alleen naar Monterosso te gaan voor een korte voorjaarsvakantie. Haar man Rob vindt het allemaal prima.

Eenmaal daar aangekomen vindt ze snel de online besproken Bed & Breakfast van Tiziana. Ze raken in gesprek, ook over die eerste liefde en Tiziana wordt enthousiast en wil Antonio voor haar vinden. Daar was het Carmen nu niet om te doen, hoewel ze ooit had beloofd om terug te keren naar Monterosso;

‘Echt, Tiziana, het is goed zo…Ik heb geen enkele behoefte om mij in mijn nadagen op te dringen aan een Italiaanse heer van min of meer mijn leeftijd die zijn eigen leven heeft, met hypotheeklasten, huisdieren, pensioenpremies en waarschijnlijk ook een vrouw, en die er met zekerheid niet op zit te wachten om het wrede verval waaraan een vroegere vakantieliefde ten prooi is gevallen met eigen ogen te aanschouwen.’

Dat mag zo zijn, ondertussen is Carmen natuurlijk wel naar de zee gegaan en heeft daar een jongen ontmoet, Oronzo, die haar doet denken aan de jonge Antonio. Oronzo trekt even bij Carmen en Tiziana in het Bed & Breakfast in, omdat de oma waarbij hij woont opgenomen is in het ziekenhuis vanwege een virus dat ineens overal heerst. Door dat virus zijn er ook beperkingen en kan Carmen niet terug naar Nederland vliegen. De actualiteit is keurig in het verhaal opgenomen.

De lijntjes komen in het verhaal uiteindelijk keurig bij elkaar. Misschien ziet u hem aankomen, misschien niet maar het leest prettig weg. De leuke twist zit op het einde, als Carmen weer naar huis vliegt. Op het vliegveld van Genua ziet ze, u gelooft het niet, de schrijver Ilja Leonard Pfeijffer weer;

Hij ziet haar niet. Hij is te druk met haar espresso en met het negeren van het gewone volk.

Natuurllijk zitten ze naast elkaar en komen ze met elkaar in gesprek. Ze herinnert hem aan de lezing in de bibliotheek én aan het feit dat ze voorkomt in één van zijn boeken, de relatie gaat nog veel verder terug. Uiteindelijk is de les dat alles op een misverstand berust.

Ik ben niet altijd enthousiast over de Boekenweekgeschenken maar ik heb dit met plezier gelezen. Het is onmiskenbaar Pfeijffer en het bevalt me dat hij zichzelf met enige zelfspot opvoert in het boek.

9403113014.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Wildevrouw van Jeroen Olyslaegers speelt in het zestiende-eeuwse Antwerpen en sluit dus mooi aan op het boek Antwerpen van Michael Pye dat ik hiervoor las. Als auteur wil je de grote gebeurtenissen van die tijd in een geloofwaardig verhaal vatten en volgens mij is Olyslaegers daar volledig in geslaagd.

Ogenschijnlijk is de verhaallijn snel verteld maar er is ontzettend veel aan de hand in dit boek en dat maakt het uitermate boeiend. Eerst de verhaallijn dan.

Beer heeft een herberg in Amsterdam in de Warmoesstraat maar blikt terug op zijn leven in Antwerpen. Daar had hij ook een goedlopende herberg, maar hij kende een groot verdriet. Drie vrouwen heeft hij in het kraambed verloren, alleen de laatste liet hem een zoon na. Die herberg is een gouden vondst van Olyslaegers. Het is de plaats waar mensen samen komen om handel te drijven, ruzie te maken en nieuws uit te wisselen. Daar maken we kennis met het geheime genootschap ‘De Familie der Liefde’ die er bijeenkomsten houdt. De bekende cartograaf Abraham Ortelius en de kunstenaars Joris Hoefnagel en Pieter Bruegel maken er deel van uit en figureren dus in het verhaal.

Er worden in zijn herberg plannen gemaakt om met schepen een doorgang te vinden naar China via het noorden. De rijke Gillis Hooftman zal hiertoe een aantal schepen uitrusten. Zo’n risico moet verzekerd worden en ineens is daar Jan Grauwels, een zogenaamde verzekeringsexpert, die zich zal ontpoppen tot een genadeloze inquisiteur van de Spaanse bezetter.

De schepen vertrekken en slagen niet in hun missie. Slechts één komt er terug, vol met pelsen en slagtanden van walrussen en met, zo gaat het gerucht, een monster in een kooi. Een monster is het niet, Beer krijgt te maken met een wildevrouw en haar dochter, die een belangrijke rol in zijn leven gaan spelen. Gaat u dat vooral zelf lezen.

Dat is het hele verhaal maar daar begint het pas. Er is zoveel meer dan dat. Alle kaders die in het boek van Pye geschetst zijn worden door Olyslaegers prachtig ingekleurd. Allereerst door de taal die een feest is om te lezen. Het boek begint zo;

Wanneer een vent drie vrouwen aan de aarde heeft moeten toevertrouwen, de een na de ander, en twee van hen ook nog eens deze wereld hebben verlaten met een bijna voldragen kind in hun buik, dan acht hij zijn zaad vervloekt. De laatste stierf vlak nadat ze een zoon ter wereld had gebracht. De eerste twee kwamen zelfs niet aan baren toe. Beladen als een schip vol toekomst zonken ze weg in de diepte van de dood, nog voor ze met hun vracht wisten aan te meren. De eerste voelde zich geminacht en had schrik van mijn manieren, de tweede piste op mij vanop grote hoogte en deed alsof ik een ware stier was in bed, de derde keek in het zwart van mijn ogen en wist genoeg.

Wat een begin van een verhaal. Een ander sterk punt zijn alle figuren. De bekende historische figuren worden mooi ingekleurd, maar ook de sterke vroedvrouw Margreet die Beer terzijde blijft staan, zijn zoon Ward die hagepreker wordt, de blinde Jeroom en De Schrale, met wie Beer een wildeman speelt tijdens de opvoering van een landjuweel.

Je voelt de koude als Olyslaegers de extreme winter in Antwerpen beschrijft. Je voelt de gruwelen als goudsmid Samson Wolboort aan Beer vertelt over de Spaanse Furie toen Antwerpen geplunderd werd en haar bevolking werd afgeslacht.

Historische gebeurtenissen en figuren die steeds weer bij elkaar komen in de herberg van Beer. Zelfs de Prins van Oranje en zijn vrouw Anna van Saksen maken hun opwachting in het verhaal en de auteur schuwt ook de humor niet. Ik heb Anna van Saksen nooit zo beschreven zien worden;

Iets aan haar klopte niet. Ze leek ooit van een of andere trap te zijn gedonderd of misschien van een paard gesmeten in volle galop en vervolgens verkeerd in elkaar gestoken.

Uiteindelijk draait het om de wildevrouw en haar dochter en ook dat is gebaseerd op een ware gebeurtenis. Als u het boek heeft gelezen kijk dan vooral op de website www.wildevrouw.be waar allerlei achtergronden staan over dit wervelende verhaal, de historische gebeurtenissen en de hoofdpersonen.

9048815045.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Gehavende stad van Erik Brus en Fred de Vries is een boek over muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu, waar nu dan het jaar 2012 is toen dit boek verscheen. Ik kwam het tegen toen ik mij verdiepte in het werk van C.B. Vaandrager. Omdat ik ook wat van Jules Deelder gelezen had en sowieso iets met muziek heb was ik benieuwd naar dit boek.

Het boek van ruim 370 bladzijden is verdeeld in vijf hoofdstukken die beginnen eind jaren vijftig en zo naar het heden toewerken, het jaar 2012 dus. Ieder hoofdstuk begint met de beschrijving van een bekende locatie die een rol heeft gespeeld in het literaire en/of muzikale klimaat van die tijd. Het leven van Cor Vaandager wordt als leitmotiv gebruikt en komt als een soort mini-biografie in ieder hoofdstuk terug.

Eén van die locaties die ik uit de biografie van Vaandrager ken is kunstenaarscafé De Fles. Moderne jazz, discussiëren over kunst en existentialisme en er gebeurde alles wat nu geen opzien meer baart maar wat de God van de jaren vijftig verboden had. Cor Vaandrager, Jules Deelder, Riekus Waskowsky en Frans Vogel zijn maar een paar namen van de vaste bezoekers.

Jules Deelder was een groot pleitbezorger van de jazz, maar de jazzclubs van Willem ‘Wodka’ van Empel bezorgden Rotterdam zowaar een uniek jazzgezicht. Dat bestaat nog steeds in de vorm van het North Sea Jazz Festival.

Het aantrekkelijke van dit boek zijn de portretten van markante Rotterdammers die in literair of muzikaal opzicht een rol speelden. Peter Graute bijvoorbeeld is een begrip. Het is de man die in 1976 de Backstreet Record-shop opende en met zijn encyclopedische kennis de jeugd voorzag van de meest bijzondere muziek. Een ander begrip is Anna Vingerhoets. Zij runde het café Oom Tom van haar vader, maar in de volksmond heette het gewoon ‘Anna’.  Het café was een soort ludieke vrijstaat waarin alles kon, zoals het oude gebak opkopen van de bakkers in de buurt en er mee los gaan. Anna;

‘Er is weleens iemand binnengekomen en die had meteen een tompoes op zijn muil. Die dacht een lekker biertje te gaan drinken…’

Rotterdamser krijg je het niet. Het gaat over het tragische verhaal van de Rotterdamse drummer Cor van der Beek van Shocking Blue en even later over de inmiddels gezochte uitgaven van uitgeverij Cold Turkey Press, opgericht doort Gerard Bellaart. Hij wist Charles Bukowski zo gek te krijgen vertaald werk van hem uit te mogen geven. Die afwisseling van muziek en literatuur werkt prima want even later zitten we weer bij Hoeny Chen als oprichter van de Swinging Soul Machine. Daar zou Ivan Groeneveld weer zingen die later bekend werd van het duo Spooky and Sue.

Ik was geboeid door het verhaal van dichter Riekus Waskowsky. Adriaan Morriën prees hem als een van de begaafdste vernieuwers van de poëzie. Hij verstond de kunst om grote filosofen en machtsbeluste staatsmannen, oude kunstschatten en hedendaagse jazz, levensbeschouwelijke regels en platte seksgrappen af te wisselen, vaak binnen één gedicht. Ik heb zijn Verzamelde Gedichten aangeschaft en ben zeer benieuwd.

Ineens bevinden we ons alweer in de club Eksit, de Rotterdamse tegenhanger van het Amsterdamse Paradiso. Punk was in en de Eksit was het centrum. Er werden ook literaire avonden gehouden, waar beginnend dichter M.M.M. Kneepkens nog even moest wennen;

Hij komt nog maar net kijken in de literaire scene van Rotterdam en weet niet wat hij meemaakt…Kneepkens: ‘De avond zelf was alsof ik in de hel was afgedaald. Men kon de dichters daar in dat duistere jeugdhonk ruwweg verdelen in twee kampen. De druggebruikers en de alcoholici…Met uitzondering van Peter Bulthuis zat er geen ‘normaal’ consumerend mens tussen. Naast mij zat Jules Deelder coke te snuiven. Riekus Waskowsky…lag al starnakel dronken onder tafel.

Dichters maar ook punk dus, zoals de groep Vissepunk. Het klinkt bijna aandoenlijk als je leest dat ze zich hullen in grijze vuilniszakken met veiligheidsspelden, maar dat ze na afloop vergeten zijn een televisie in elkaar te trappen als apotheose van het optreden.

Er wordt ruimschoots aandacht besteed aan gabberhouse met als centrum Villa Parkzicht bij de Euromast. Ted Langenbach met zijn MTC-party’s en DJ Paul Elstak met de hardcoremuziek maakten furore net als hiphop en de Redrum Party’s van Mike Redman. Ik kende ze niet, maar ze waren van groot belang voor de muziek in Rotterdam. Dit is hoe het er aan toeging volgens Redman zelf;

‘Af en toe kreeg ik kippenvel van de sfeer. Die freestyle-sessies. Mensen duwden elkaar van het podium af. Het was een agressieve sfeer zonder agressie, als je begrijpt wat ik bedoel. Iedereen rapte of zijn leven er werkelijk van af hing.’

Redman richtte zelfs een platenlabel op en werkte samen met de Amerikaanse supergroep Public Enemy. Het is mooi dat de schrijvers hem in de traditie plaatsen van Cor Vaandrager. Dat was de oersampler die met zijn ready-mades in taal bestaande teksten een nieuwe betekenis gaf, Redman deed dat met geluiden die hij gebruikte voor zijn samples.

Een ander fenomeen is A. Moonen (lees A punt Moonen). Wel omschreven als de vieste schrijver van Nederland, met zijn autobiografische bundels vol beschrijvingen over vluchtige seks met hoeren, jongens, Turkse mannen en toevallige passanten. Aan de andere kant een groot stilist en een lastig heerschap af en toe. Hij had daar geen last van bij zijn bezoek aan de tv-show van Jules Deelder (te vinden op Youtube), ik vond hem daar onderhoudend en grappig. Hij stierf eenzaam en de schrijver Erik Brus schrijft een mooi verhaal over hem in dit boek.

Even later zitten we weer midden in de muziek met de klanken van de Rotterdamse band Spasmodique. Ik had er van gehoord maar het was mooi om mij er even verder in te verdiepen. Het is een prima live-band die inmiddels weer optreedt ook; dat konden de schrijvers van dit boek toen nog niet weten. Ook The Kik met hun zanger Dave von Raven is geen onbekende en krijgt aandacht.

Er is veel meer te vertellen over dit boek en het heeft mij mooie tips opgeleverd over muziek en poëzie en dat is altijd winst, maar het is mooi hoe constant de verbinding wordt gezocht tussen de literatuur en de muziek uit Rotterdam, de mensen die het maakten, de omgeving waarin dat gebeurde maar vooral de invloed van de stad waaruit dit alles voortkwam.

Wellicht weet u dat ik wel vaker iets lees over Parijs en de kunstenaars die het aantrekt. Hier, hier en hier leest u daar meer over. Gare du Nord van Eric Min is een boek dat daat goed op aansluit en deels overlapt. Het gaat over Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs in de periode 1850-1950.

De titel slaat uiteraard op het treinstation in Parijs waar die noordelingen arriveerden. Hendrik Marsman was één van hen en hij beschreef in zijn autobiografische mijmering Drijfzand al Gare du Nord als lieu de passage;

‘Ik had het gevoel alsof ik mijn stroeve nordieke natuur had afgegeven aan het bagagedepot van de Gare du Nord alsof ik uit de onderwereld, het souterrain van mijzelf, opdook in mijn eigen stad. Ik stak het plein over en slenterde door die verrukkelijke St. André des Arts in de richting van de Boulevard St. Germain, neuriënd.’

Nu zit Marsman aan het eind van het verhaal zoals Min het vertelt, er waren er tallozen voor hem. Die hadden allemaal zo hun redenen om naar Parijs te komen. Een rode draad hierin is het volgen of voltooien van een opleiding in de kunsten, maar ook het leggen van contacten, de liefde of juist de sfeer en cultuur zijn vaak belangrijk.

De Belgische schilder Antoine Wiertz (1806-1865) ging naar Parijs om zijn kunst te verfijnen. Hij deed zijn best om te mogen exposeren in de Parijse Salon maar dat mislukte. Dat zinde hem niet en prompt stuurde hij een jaar later een echte Rubens in uit de collectie van een vriend, waarbij hij de signatuur van Rubens met zijn eigen handtekening overschilderde. Overigens vind ik het werk van Wiertz zeer de moeite waard.

De Belgische graficus, karikaturist en schilder Félicien Rops (1833-1898) was een onbekende voor mij en die maakte niet direct een esthetische keuze om naar Parijs te komen. Die kon niet wachten tot hij de gezusters Duluc het hof kon maken. Dat de jongsten toen zestien en negentien waren…#MeToo was nog niet geboren zullen we maar zeggen. Rops had met zijn tekeningen wel veel succes met zijn satanistisch en licht pornografisch werk. Zozeer zelfs dat hij de beeldhouwer Rodin betichtte van plagiaat; hij vond dat Rodin in 3D namaakte wat hij in 2D creëerde.

Het verhaal van Vincent van Gogh 91853-1890) zal wat bekender zijn en die ontbreekt uiteraard niet, maar artiesten zoals de art-nouveau-schilder Privat Livemont (1861-1936) of de componist Guillaume Lekeu (1870-1894) zijn wellicht minder bekend. De Belgische schilder Henri Evenepoel (1872-1899) kwam ook naar Parijs om er zijn opleiding tot schilder af te ronden. Hij richtte een atelier in op zeshoog onder de Parijse dakpannen. Een ezel, een modeltafel, gordijnen voor het hoge raam en een kachel, zo is hij trouw aan de stereotypen van het milieu;

‘Om een echte artiste peintre te zijn moet ik alleen nog een brede slappe hoed kopen, een stevige en knoestige wandelstok en een wijde kapmantel. Een vies pijpje roken en op afgetrapte schoenen lopen. En vooral niet vergeten schulden te maken.’

In de beschreven periode veranderde de wereld en dus ook Parijs en dat is terug te zien in de kunst. Er kwamen schilderijen waarin ineens het licht anders was. Geen kaars- of gaslicht maar electriciteit. Industrialisatie en automatisch vervoer bepaalden meer en meer het straatbeeld en de kunst groeide daarin mee.

Niet iedereen vond het geluk in Parijs natuurlijk. De jonge Antwerpse schilder Jules Schmalzigaug (1882-1917) kon er slecht aarden en vetrok naar Venetië (Het eten is daar zoveel lekkerder, en Parijs werkt hem op de zenuwen). Daar had de excentrieke schilder en beeldhouwer Henry de Groux (1866-1930) geen last van. Leest u vooral het verhaal van deze figuur en dan volgt er later in het boek een nog vreemder verhaal van de Vlaamse schrijver André Baillon (1875-1932). Dat ga ik hier niet weergeven maar deze uitspraak van de auteur maakt u wellicht nieuwsgierig;

André is, met permissie gezegd, knettergek.

Niets is minder waar en ik heb zelfs zijn biografie besteld om er eens wat dieper in te duiken. Overigens schrijft Eric Min in zeer prettige stijl met hier en daar een verwijzing naar voren (‘dat verhaal komt er verderop in het boek nog aan’ of ‘hij staat ons verderop nog op te wachten’).

Er staan nog talloze artiesten in het boek die ik niet heb genoemd, zoals de schrijvers Georges Simenon (1903-1989), Hugo Claus (1929-2008), Jan van Nijlen (1884-1965) en Simon Vinkenoog (1928-2009), kunstschilders Piet Mondriaan (1872-1944), Léon Spilliaert (1881-1946) en Rik Wouters (1882-1916) en dan nog ben ik niet compleet. Het is een overvloed aan informatie en een plezier om te lezen. Allemaal verenigd door die gemene deler, Parijs, waarover de schrijver Paul Kenis (1885-1934) schreef aan zijn redacteur André de Ridder;

In zijn brieven aan De Ridder zucht Kenis dat er voor hem een ton poëzie schuilt in namen als Montparnasse, Montmartre en de Boul’ Miche. De stad zelf heeft hij lief ‘lijk een koket wijfje dat u bedriegt en u doet lijden en op den hoop toe nog uitlacht…maar u toch niet los laat. Zoo’n echte cocotte…heel Parijs!’

Een nieuw vaderland voor de muzen is deel vier van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Het is geschreven door Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt en behandelt de periode 1560-1700.

Het is een dik boek van 886 pagina’s en het lijdt een beetje aan hetzelfde euvel als deel drie uit deze serie. Het is vrij academisch van toon en je moet liefhebber van de materie zijn om dit allemaal door te willen lezen. Ik heb mij er prima mee vermaakt, maar de gemiddelde leesclub gaat er niet blij van worden.

Er staat namelijk een stortvloed aan informatie in het boek. Onderverdeeld in kleinere tijdvakken staan de auteurs stil bij de literatuur uit de verschillende Nederlandstalige streken of genres. Zo kan het dat u vaker de titel ‘De literatuur in Brabant en Vlaanderen’ tegenkomt, u zit alleen in een ander tijdvak. Rederijkers, dat zijn amateurdichters en voordrachtskunstenaars in verenigingsverband, waren belangrijk voor de literatuur en u zult het weten; iedere vereniging en al wat zij hebben gedaan wordt beschreven. Alle toneelspelen en drama’s die zij organiseerden passeren de revue.

Op zich interessant, maar ik genoot het meest van die grote namen die zelf hun stempel op de literatuurgeschiedenis hebben gedrukt. Dirck Volckertsz. Coornhert die zich beijverde voor de zuiverheid van de taal of Hendrik Laurensz. Spiegel die het genre van de Stedenlof beoefende, zoals zijn jubelzang op Amsterdam;

O rijcke Korenschuer van’t volckrijck Nederland;
Met starck verbanden hout, ghy hooghe huysen spant;
Niet vast ghegrond in Zand, maer op gehayde palen:
Waer de grond om ghekeert men soud int Bosch verdwalen.

Via Spiegel komen we bij nog grotere literaire kanonnen terecht als Pieter Cornelisz. Hooft, Joost van den Vondel, Jacob Cats en Constantijn Huygens. Ook beroemde dames als Katharina Lescailje, Titia Brongersma en Anna Roemers krijgen hun plaats, zij het dat de laatste door Vondel nog wel even weggezet werd als man…vrouwen met poëtische talenten moest men nog even aan wennen zeg maar.

Met deze dichters komen we tot de grotere drama’s uit de literatuur waarbij Vondel natuurlijk erg veel aandacht krijgt. Hij fungeerde zo’n beetje als het morele kompas van Nederland en hij was niet bang om stelling te nemen zoals bij de executie van raadspensionaris Johan van Oldebarnevelt. Toch was er ook kritiek, Huygens was namelijk helemaal niet zo te spreken over de stijl van Vondel. Die was namelijk nogal rechtlijnig in de leer en hield niet van grammaticale vrijheden of volkstalige vormen;

Huygens reageerde in een weerlegging vrij minachtend op dit onbegrip voor subtiel taalspel en ook volgens Hooft zocht Vondel nogal eens ‘knorven in de biezen’ (knopen in rietstengels).

Titanen tegenover elkaar, maar die titanen hadden wel iets nodig om over te schrijven en ook die aanleidingen tot poëzie worden uitgebreid toegelicht. Het geloof is een heel belangrijke. Joannes Stalpart van der Wiele was een tekstschrijver voor liederen van de Hollandse zending bijvoorbeeld. Camerata Trajectina heeft een prachtige cd gemaakt met de titel Zingende Zwanen, waarin sommige van zijn teksten ten gehore worden gebracht.

Andere aanleidingen waren grote gebeurtenissen zoals de ramp met de Batavia bij Australië of de oorlogsverrichtingen in Europa. Uiteraard was Michiel de Ruyter een dankbare inspiratiebron. Ook een eenvoudig gegeven als het buitenleven zorgde voor veel gedichten, zoals de hofdichten waarin men bijvoorbeeld de superioriteit van het zuivere landleven boven dat in de stad beschreef. Een voorbeeld is het gedicht over Hofwyck, waarin Huygens zijn buiten aan de Vliet in Voorburg bezong. Zijn buiten ligt al lang niet meer buiten en als hij wist hoe dat er nu bij lag zou hij het wellicht wat moeten herschrijven…

Nu lijkt het alsof er alleen maar gedicht werd in die tijd en dat werd er ook veel. Buitenstaanders viel het zelfs op dat de vers- en liedkunst erg goed ontwikkeld was in Nederland, waar verder de muziekcultuur niet op het allerhoogste niveau stond Europees gezien. Maar voor iedere gelegenheid was er een lied en dus tekst. Toneel was echter ook belangrijk en ook daarvoor werd er geschreven. De embleemboeken wil ik nog even apart noemen. Die waren erg populair en bestonden uit boeken met emblemata ofwel houtsnedes of gravures, begeleid met een spreuk of korte tekst. Vaak bevatte die tekst dan een morele les. Ook hiervan staan veel voorbeelden in het boek met mooie illustraties. Ook het fenomeen drempeldichten kwam ik overal tegen en dat zijn dan weer gedichten die ter inleiding dienen tot een groter (dicht)werk.

Interessante materie en ik kan er uren over doorlezen, maar de aparte verhalen blijven toch het mooiste, zoals die excentrieke edelman Everhart Meyster, die op zijn landgoed uitsluitend groenblijvende bomen en struiken had geplant en het landgoed Nimmer-dor noemde. Hij schreef er een hofdicht over;

In elke vierde regel van zijn ruim achthonderd verzen tellende gedicht herhaalde hij: ‘’t is nimmerdor rontsom, van boven en ter zijden.’ Zelfs het boek was groen: met groene letters gedrukt op groen papier.

2baa678e928145859304f6a5551444341587343_v5
Ik had een wapenbroeder is de tweede roman van Maarten ’t Hart, geschreven in 1973. Ik heb, voordat ik begon met bloggen, het merendeel van zijn werk gelezen en de grote onderwerpen die kenmerkend zijn voor zijn oeuvre zijn allemaal in dit verhaal al in de kiem aanwezig. Klassieke muziek, (afstand van) het geloof en zijn bijbelkennis, maar ook het beroep van zijn vader en zijn wetenschappelijke loopbaan komen aan bod.

Hij was namelijk bioloog en heeft als etholoog gewerkt, ofwel als gedragsbioloog. ’t Hart noemt dit boek ook een ethologische thriller en hij beschrijft hierin een situatie die door hemzelf is bestudeerd bij ratten: agressie en seksualiteit in streng hiërarchisch levende groepen.

Hij gebruikt hiervoor de setting van de militaire dienst. De hoofdpersoon Ammer Stol raakt in zijn diensttijd bevriend met Arthur Holm. Daar begint het boek echter niet, want Ammer zit in de cel. Dat is niet voor niets, want hij heeft Arthur doodgeschoten. Tijdens een schietoefening. Het boek geeft de aanloop weer naar deze tragische gebeurtenis en doet onderzoek naar het motief. Wij blijven achter met de vraag of het nu opzet was of niet.

Het verhaal bevat een aantal flashbacks en voor wie in dienst heeft gezeten is het een feest der herkenning. Marcheren, een veldloop, inspectie van de kamerwacht en de onmogelijkheid van het kader om fatsoenlijk ‘Geeft acht!’ te scanderen;

Een enkeling nam de houding eerste rust aan. De sergeant vloekte en schreeuwde opnieuw ‘groep’, waarna iedereen in de houding eerste rust stond.
‘Geeft…ajt’

Ammer en Arthur vinden elkaar in dienst en er ontstaat een relatie. Ze spreken veel met elkaar en Arthur maakt vergelijkingen tussen de diensttijd en concentratiekampen. Arthur geeft aan dat hij geniet van het macht hebben over anderen als hij commando’s mag geven en hij herkent het uit zijn werk met ratten in een laboratorium. Om die ratten te doden moest hij ze in een emmer met ether doen en er een plaat op leggen;

Dat vasthouden van die plaat is een sensatie. Je voelt je oppermachtig, je heerst over dood en leven. Vergis ik me, of is het van daar maar één stap naar gas gooien in een gaskamer en door een ruitje naar binnen kijken hoe mensen sterven.

Vanuit het verleden komen we soms terug in het heden waarin Ammer wordt verhoord over de toedracht en aanleiding van de dood van zijn vriend. Ze zijn samen in Amsterdam geweest en waren wat stil na terugkomst op de kazerne. Bovendien is Arthur in Amsterdam gezien met een meisje. Ook weten we dat Arthur aandacht kreeg van een sergeant waardoor Ammer wel eens jaloers geweest kon zijn.

Als er, tijdens dienst, twee vrouwen het bivak inlopen worden er door de soldaten opmerkingen over gemaakt. Ammer kan er niets mee. Eigenlijk wil hij zelf een vrouw zijn en samenleven met Arthur. Zo worden er steeds meer puzzelstukjes gelegd die een aanleiding tot Arthur’s dood zouden kunnen zijn.

Weer terug in het heden mag Ammer even zijn cel uit om de begrafenis van zijn grootvader bij te wonen. Daar ontsnapt hij met behulp van een doodgraver;

‘Ik ben geen doodgraver, ik graaf geen mens dood, ik ben grafmaker.’

Hij verbergt zich in een schuur en komt later een oude vriend tegen, de bioloog Maarten. Die biedt hem voorlopig onderdak. Ammer vertelt hem zijn verhaal en vertelt alles over zijn homoseksualiteit, zijn neiging tot travestie en over de gebeurtenissen die tot de dood van Arthur hebben geleid. Maarten houdt Ammer een spiegel voor door te vertellen over een meisje dat hij aan een ander kwijt raakte;

Toen ik haar voor de eerste keer zag met haar vriend, een mooie jongen met een indrukwekkende snor, nou ja, heel anders dan ik dus, was ik ongelooflijk jaloers. Op dat ogenblik dacht ik: ik zou jullie allebei willen vermoorden, maar stel nu dat ik haar een dag later zou hebben overreden met mijn auto, zou ik dan een moord gepleegd hebben omdat ik een dag eerder dacht: ik wil je doodmaken?

Of Ammer hier verder uitkomt moet u vooral zelf maar gaan lezen. Het is een boek waarvan ik de uitkomst al heb weggegeven, maar daar draait het niet om. Het is een verhaal over macht en seksualiteit in een strak geregelde omgeving. Wij weten nu dat het verhaal behoorlijk wat autobiografische elementen heeft, getuige de travestie van de schrijver zelf in het verleden, zijn afkomst uit het gelovige milieu, het beroep van zijn vader die ook grafmaker was, zijn werk met ratten (hij publiceerde er een wetenschappelijk werk over) en natuurlijk zijn alter ego de bioloog Maarten die Ammer een spiegel voorhoudt.

 

9021419343.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In het rijtje van ‘de grote drie’ staat hij niet. Blijkbaar is het ook niet de moeite om er ‘de grote vier’ van te maken en misschien wordt hij gewoon te weinig gelezen en/of gewaardeerd, maar feit is dat er naast die drie nog een Nederlandse schrijver is met een behoorlijk groot oeuvre. Willem Brakman is de naam en Nico Keuning schreef zijn biografie met de titel Een ongeneeslijk heimwee.

Brakman publiceerde 51 romans, verhalenbundels, novellen en een enkel essay. Daarvan heb ik er niet één gelezen en ik ben benieuwd wie wel. Nog meer benieuwd ben ik naar uw mening. Zijn werk staat namelijk te boek als redelijk ontoegankelijk.

Het begon echter niet met literatuur. Brakman groeide op in Den Haag en werkte al jong op kantoor. In de avonduren studeerde hij voor het HBS-diploma en met een beurs ging hij medicijnen studeren in Leiden. Hij heeft even een huisartsenpraktijk in Den Haag gehad maar dat leek hem niet zijn bestemming. Hij verhuisde naar Enschede (jawel, een mooie link met mijn laatst besproken boek) en ging werken als bedrijfsarts. Dat was niet een al te drukke baan en het stelde hem in staat om te gaan schrijven.

Hij debuteerde laat, op bijna 40-jarige leeftijd, met zijn roman Een winterreis. Dat is het begin van een lange stroom aan romans; hij schrijft er vaak twee per jaar. Al vroeg is duidelijk dat Brakman niet voor iedereen schrijft, zoals blijkt uit een brief van hem aan zijn uitgever;

Ik voel mij geen ‘literator’. Ik zou niet kunnen schrijven met de gedachte aan literaire perfectie in mijn opgewonden hoofd; ik wil schrijven omdat ik vertellen wil welk brokje leven een Willem Brakman vertegenwoordigt. Als dát er in zit, heb ik de enige vorm gevonden die voor mij normatief moet heten.

Eenieder heeft zo best wat te stellen met Willem Brakman. Zijn uitgever, door de niet altijd makkelijke verhalen (hij liet zich ook weing gelegen liggen aan enige vorm van interpunctie), de lezer om die verhalen te volgen en te doorgronden (zeker als men wil nagaan welke autobiografische gegevens erin zitten verwerkt of welke personen er al dan niet verbasterd in voorkomen) én zijn familie.

Brakman is getrouwd en heeft twee kinderen. Die moeten vooral stil zijn als hij aan het schrijven is. Waar Simon Vestdijk graag schreef bij het geluid van zijn Nilfisk-stofzuiger, daar had Brakman liever een ‘vliegkap’, die hij op het vliegveld had gekocht;

Een ‘rummi vuurkap’: ‘Dat zijn grote bollen, gedeeltelijk met vloeistof gevuld, en die plaats ik dan op mijn hoofd en dat is een uiterst beroerd, benauwd gevoel maar het geeft dan in ieder geval toch iets van stilte weer zodat ik althans kan horen wat ik denk.’

Ik heb er nog geen foto’s van gevonden helaas…Brakman voerde een correspondentie met Vestdijk overigens en verder loopt de vriendschap met interviewer Nol Gregoor als een rode draad door zijn leven. Die vriendschappen kenden ups and downs, niet in het minst omdat Brakman de gewoonte had om veel uitspraken of gebeurtenissen direct in zijn werk op te nemen. Schrijver Jean-Paul Franssens werd hier onaangenaam door verrast, toen hij aan Brakman in vertrouwen vertelde over zijn buitenechtelijke escapades, maar die vervolgens met geuren en kleuren teruglas in Brakman’s volgende roman.

Wat maakt het nu zo lastig om die romans te lezen? Literatuurcriticus Tom van Deel kan er enig licht op doen schijnen. Hij zegt dat de vorm de samenhang bepaalt. Brakman wil het perspectief openhouden ‘voor wat zich toevallig aandient.’ Journalist Wim Noordhoek zegt dat Brakman ‘zijn neus achterna schrijft.’ Dichter Jan Kuijper zegt vervolgens;

‘Wat dat betreft lijkt hij helemaal niet op Vestdijk, waarin alles wel in het grote geheel past, wat soms tot een soort dorheid heeft geleid. Brakman is een van onze geestigste schrijvers. Zijn humor is bijzonderder dan die van Reve.’

Geen vooropgezette schema’s in zijn werkwijze dus. Brakman schreef, veelal vanuit zijn persoonlijke obeservaties en herinneringen met een aantal belangrijke thema’s zoals de dood en de vergankelijkheid, erotiek en angst. Ook zijn woonplaatsen Den Haag en Enschede komen vaak voor. Hij schreef zoals het hem inviel en vaak wist hij zelf niet waar het verhaal naar toe ging. Dat leidde er wel toe dat het grote publiek hem niet omarmde, omdat men hem niet altijd volgde in zijn gedachtensprongen.

Daardoor verbitterde Brakman wel enigzins, maar hij deed geen concessies. Het leverde hem uiteindelijk wel de P.C Hooftprijs op voor zijn gehele oeuvre en het doet mij toch zeer benieuwen naar zijn werk, bijvoorbeeld door het volgende fragment uit zijn verhaal Engel, waarin de engel, een oude man met een kaal, bleek hoofd en ‘hier en daar nog wat slierten grijs haar’, op een brancard naar een restaurant wordt gedragen:

‘De rug was bloot, een ouwe-mannetjesrug: los vel vol sproeten en mee-eters. Toch was goed te zien hoe de slagpennen met een bijna komische vanzelfsprekendheid in grote kam met de rulle huid waren vergroeid, die hier en daar dun en vliezig tot ver over de schachten groeide of in de diepte de pennen blauw liet doorschemeren.’

Die beschrijving gaat nog even door en kan nooit representatief zijn voor zijn gehele werk maar het is prachtig gedaan en bleef mij erg bij. Ook hier geldt dat ik het vooral zelf moet gaan ontdekken, want de voor- en tegenstanders van naam zijn er genoeg. Bij die ontdekking is dit in ieder geval een prachtig boek en onmisbaar hulpmiddel. Wilt u meer over Willem Brakman te weten komen, dan kan dat via deze site.

9038806116.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de man zit nog een jongen. Die titel gaf Elsbeth Etty mee aan haar biografie van dichter en schrijver Willem Wilmink. In mijn bespreking van Wilmink’s Verzamelde liedjes en gedichten noemde ik hem ook nog een zanger, maar je leert bij uit een biografie. Hij zong zijn liedjes, zeker, maar echt een zanger was hij ook weer niet.

Etty heeft een prettig leesbare biografie geschreven van ruim 470 pagina’s. Ik ben een liefhebber van het werk van Wilmink en of dat meteen inhoudt dat ik alles over zijn leven wil weten, nou nee; niet meteen. Toch houd ik van dit soort boeken. Natuurlijk is het aardig om de man wat beter te leren kennen maar ik vind het leuker om de tijd en het milieu te leren kennen waarin iemand zijn werk schreef en om te zien met welke personen hij in aanraking kwam of welke gebeurtenissen zijn werk hebben beïnvloed.

Ik hoef zijn levensloop hier niet te herhalen, leest u daar het boek zelf maar voor, maar een kleine spoiler is wel op zijn plaats. Bent u lyrisch over zijn werk en dweept u met Wilmink, dan misschien dit boek maar niet ter hand nemen, want er kunnen u een paar schellen van de ogen vallen. Wilmink was wel een man met een gebruiksaanwijzing, ‘to put it mildly.’

Zijn talent voor het aanleveren van gedichten en liedteksten werd al snel onderkend en hij werd bijvoorbeeld door Hedy d’Ancona gevraagd om teksten aan te leveren voor de cabaretgroep La Pie qui chante. Pianist, componist en latere presentator Han Reizger zette zijn teksten op muziek. Wilmink is nog een blauwe maandag leraar geweest, wat geen onverdeeld succes was overigens. Frits Barend en Erwin Rutte, die later nauw met Wilmink zou samenwerken voor De Film van Ome Willem, waren leerlingen van hem.

Op het amoureuze vlak verging het Wilmink aanvankelijk niet best. Hij grossierde in blauwtjes die hij liep, maar trouwde uiteindelijk met Noor. Hij kreeg twee zoons, maar het huwelijk was geen succes. De belangrijkste reden waren zijn driftbuien. Die waren voor Noor een volkomen onbekend fenomeen;

Hij ontplofte om niets. Ik kon me niet voorstellen dat iemand zich in ernst zo aanstelde, maar hij had gewoon een cholerisch karakter. Hij geneerde zich nergens voor. Hij was vaak razend op mij of op het leven, en hij probeerde nooit zijn woede een beetje te temperen. Integendeel. Het werd steeds erger. Vaak met een flinke slok op.

Wilmink wordt wetenschapper en zal uiteindelijk zelfs promoveren, maar dat had behoorlijk wat voeten in aarde. De rode draad is hier de erkenning waar Wilmink zijn hele leven naar zocht. Hij wilde voor iedereen begrijpelijk schrijven en ontkende dat hij voor kinderen schreef, hij schreef voor iedereen. Zelfs zijn proefschrift was voor jong en oud leesbaar. Toch bleef hij altijd het gevoel hebben dat er op zijn kunst neergekeken werd.

Aan verzoeken om teksten lag het niet. Hij kon uiteindelijk leven van zijn werk. Hij schreef teksten voor Cabaret Don Quishocking, ging publiceren, werkte voor De Stratemakeropzeeshow, De Film van Ome Willem, Sesamstraat, Het Klokhuis en hij bleef onafgebroken gedichten schrijven. Het mooie van die gedichten, ga ze vooral lezen, is dat hij ze voor iedereen schreef. Hij omarmde ieder ras en geloof, daar is zijn werk van doortrokken.

Zijn tweede vrouw, Wobke, kon wel zijn gebruiksaanwijzing hanteren. Hij verhuisde met haar onder meer naar Zeist, voor ze in zijn gebooteplaats Enschede neerstreken. Wilmink had wel steeds meer last van verschillende dwangneuroses en angsten. Dat leidde soms tot voor veel mensen onbegrijpelijke keuzes. Hij was bijvoorbeeld niet op de bruiloft van zijn zoon of bij de uitvaart van zijn goede vriend, de componist Harry Bannink. Het was geen desinteresse, hij kon het niet, zo legt zijn goede vriend Herman Finkers uit aan Etty. Overigens heeft Wilmink wel een prachtige anekdote over Bannink, die niet in hel en hemel geloofde;

Kort na diens dood droomde hij dat hij Bannink belde met de vraag waar hij zich bevond. ‘In Paleis Het Loo,’ luidde het antwoord. Zo eigenwijs was hij dus, concludeerde Wilmink. ‘Nou zit-ie in de hemel en gelooft-ie het nog niet.’

Na een herseninfarct en een aantal tia’s gaat de gezondheid van Wilmink achteruit en uiteindelijk houdt hij zelf de regie over zijn leven. Het is een mooi boek over een man die niet makkelijk was voor zichzelf en voor anderen, maar die uiteindelijk de erkenning kreeg waar hij zo naar zocht. Misschien had ik wat meer willen lezen over het proces van schrijven. Ik lees steeds dat het hem makkelijk af ging en dat hij maar zelden een opdracht afwees maar het blijft een beetje ongrijpbaar. Wellicht is er ook niet meer over te vertellen en speelde dat proces zich uitsluitend in zijn hoofd af.

Je kon er wel mee spelen, zoals Joost Prinsen deed. Die wilde een gedicht over de Joodse goochelaar Ben Ali Libi hebben. Wilmink zegde dat wel toe maar het duurde erg lang. Toen schreef Prinsen het maar zelf en stuurde het op naar Wilmink. En dan kom je op zijn terrein…Wilmink:

‘Je kan misschien een beetje toneelspeel’n, maar denk nou niet dat je ook kan tekstschrijv’n’

Wilmink stuurde per kerende post zijn versie terug en het is één van zijn bekendste werken geworden.