archiveren

Nederlandstalige literatuur

9090321357.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Met iedere regendruppel huilt mijn mislukte leven in de natuur is de lange titel van de nieuwe roman van Gerardo Soto y Koelemeijer. Die titel is ontleend aan Het boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa en dat is ook de reden dat ik dit boek las. Ik heb van dat boek van Pessoa genoten, de achterflap gaf aan dat hij een rol speelt in deze roman en de foto van een jonge Pessoa op de voorkant deed de rest.

Het is het verhaal van wiskundeleraar Pieter Heuvelburcht. Een neerslachtige man die het lesgeven aan het lyceum zat is. Hij hekelt de onderwijscultuur waarin hij moet meedraaien en komt er steeds moeilijker zijn bed voor uit. Hij vlucht in de drank en alleen zijn boeken geven hem troost, waarbij de ook niet altijd even vrolijke Pessoa (ook een behoorlijke drinkebroer) zijn leidsman is.

Als het bloed hem een keer zo onder de nagels vandaan wordt gehaald loopt hij de school uit om er niet meer terug te keren;

Om zijn definitieve ontslag te vieren, dook hij een kroeg in en dronk in zijn eentje tot de wereld onder zijn voeten begon te tollen. Hij was tweeënvijftig toen hij de illusie had dat zijn leven op het punt stond te beginnen.

Ondertussen lopen er wat verhaallijntjes naast met zijn twee buurvrouwen. Bij de ene, oudere buurvrouw, gaat Pieter iedere vrijdag wat eten brengen om haar eenzaamheid wat te verlichten. Ze praten wat, vaak over hetzelfde, maar Pieter mag haar. De andere buurvrouw, Marije, is ongelukkig in haar huwelijk en is ooit in de armen van Pieter gevlucht, waardoor hij denkt dat hij nu verliefd op haar is, ondanks dat ze inmiddels twee kinderen heeft. Een ander belangrijk gegeven is zijn oom die in een verzorgingshuis verblijft. Hij krijgt als enig familielid een telefoontje over hem, waardoor hun gezamenlijke verleden weer naar boven komt. Verder kan hij zijn enige vriend Bart maar niet loslaten, die op jonge leeftijd overleed kort na de publicatie van zijn eerste boek.

Na zijn ontslag besluit Pieter vijf weken naar Madrid te gaan. Hij betrekt er een appartement en wordt heen en weer getrokken tussen zijn oude, ongezonde gewoonten en een nieuwe start. Hij gaat hardlopen en ontmoet Mutis, een Afrikaanse immigrant, waarmee het goed klikt. Met hem ontstaan er gesprekken over immigratiestromen en de economische gevolgen daarvan. Hij ontmoet er Fátima met wie hij een kortstondige relatie heeft.

Uiteindelijk gaat hij terug naar Nederland waar hij zijn oom nog eenmaal ontmoet en dat leidt tot een mooi scene in het verzorgingshuis. Zijn oom maakt het niet lang meer en Pieter gaat zichzelf vragen stellen;

Het is niet mijn oom die op sterven ligt, ik ben het zelf. Als hij sterft, zal ik nooit meer antwoord krijgen op mijn vragen. Wil ik mijn depressie de baas worden, dan zal ik de confrontatie moeten aangaan nu het nog kan…De oude Pieter is terug, nu zwakker dan ooit. De zelfdestructieve Pieter, die slechts één ding verlangt: een spoedige dood.

Dit kan heel slecht aflopen, of niet. Dat moet u vooral zelf gaan lezen. Aanvankelijk hinkte ik met mijn mening over dit boek op twee gedachten. Sommige passages vond ik langdradig en konden korter en bondiger, of ik verwachte er gewoon wat meer van. Toen Pieter arriveerde in Madrid ging het maar door over de toeristen, de gebouwen, zijn rolkoffertje, de zwervers etc. Zulke beschrijvingen zaten er meer in. De gesprekken met Mutis over immigratiestromen, cultuurverschillen en economie deden mij wel heel erg denken aan de boeken van Ilja Leonard Pfeijffer, want zowel in La Superba als in Grand Hotel Europa kwam ik zulke thema’s tegen. Ook had ik het gevoel dat het boek al een aantal keer had kunnen eindigen, waar het toch weer doorging, maar soms ook tot mijn verrassing.

Dat gezegd hebbend heeft deze roman wel degelijk zijn eigen verdiensten. Het centrale thema hier is terugkeer, ofwel ‘anabasis’ (niet toevallig ook de naam van de uitgeverij die Koelemeijer net is gestart). Het gaat over de terugkeer naar zijn jeugd om zijn demonen het hoofd te bieden. Het gaat over de terugkeer naar Nederland en zijn huis en misschien wel naar de vertrouwde basis waar hij ooit voor wegvluchtte, maar dan met een nieuwe mindset. Dat thema wordt dus mooi uitgewerkt in de roman. Er worden tussendoor citaten gebruikt van andere auteurs maar vooral van Pessoa, uit het Boek der rusteloosheid, en ook dat werkt goed. Dat de hoofdpersoon wiskundeleraar is en de auteur wiskundige geeft natuurlijk wat verdieping aan het geheel en ook dat is prettig.

9025455948.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Vier jaar heeft hij er over gedaan, zei Jeroen Brouwers in een interview. Een boek schrijven over niks. En dat is hem gelukt. Toch is Cliënt E. Busken een rijk boek.

De hoofdpersoon is een oude man in een rusthuis. Hij heeft een ongeval gehad en houdt zich stil en doof voor de wereld. Er is verplegend personeel, psychologen en -iaters, er zijn medebewoners en er zijn regels. Dat is het verhaal zo’n beetje. Maar ruim 250 pagina’s lang zitten we in het hoofd van E. Busken en daar komt een maalstroom aan gedachten en observeringen op gang die zijn weerga niet kent.

Zijn voornaam weet hij niet meer, hij heeft een dochter ergens, of misschien ook niet en hij heeft ooit voor zijn moeder gezorgd. Zijn vader is uit beeld en hij herinnert zich flarden van vroeger, van de (uiteraard) Indische vriend van zijn moeder. Busken is of was zeer erudiet, was op feesten waar Beatrix ook was, gaf overal lezingen en was alom gekend;

Dat ze daar nog mee aankomen, de vlekkentest van good old Rorschach, die halvegare. Ik heb hem eens ontmoet, dat was in Der Elephant in Weimar, en we hebben nog een poos gecorrespondeerd.

Het lichamelijk verval van Busken is evident. Hij zit meestal vastgegord in zijn rolstoel en zijn handen beven voortdurend. Het verplegend personeel moet hem bijstaan als hij ‘doest’ of als hij naar het toilet gaat. Brouwers beschrijft het onnavolgbaar;

Men heeft mij hier bijgebracht zittend te plassen, het zal wel met de gendergelijkstelling of
-opheffing verband houden, zoals er aanbiddelijke meisjesvrouwen met cowboystemmen bestaan, zo moeten stoere manspersonen als ik zittend hun water lozen. U moet uw gevalletje achter de rand van de bril in de pot houden, instrueert ze. Mijn gevalletje. Welk een profanatie nu weer. Hij was van platina en goud op snee, bezet met diamanten als een monarchenscepter, maar in het krijgsgewoel is hij geknakt.

In zijn hoofd lijken de gedachten coherent, maar ook daar hapert het soms;

…ik heb daar enige publicaties over op mijn naam gebracht, waaraan ik mijn internationale reparatie dank.

Soms blijven die woorden staan, soms corrigeert hij ze later. Ik geniet van de minuscule observaties dij hij soms doet, het kleine fripseltje of snipseltje dat valt of het kleine blauwe vlindertje dat sterft op zijn bureau. Blauw, dat vaak terugkomt door het boek heen;

…nu ik op mijn studeertafel een gestorven blauw vlindertje zie liggen. Hoe komt dat daar. Het moet zich nog enige centimeters over het papier hebben voortgesleept, wat is te zien aan het spoortje dun kleurloos poeder, dat het diertje als nutteloos geworden ballast moet hebben afgeschud alvorens het geestje te geven.

Dit boek is de beschrijving van een dag in het rusthuis. Cliënt E. Busken eet, gaat naar buiten en weer naar binnen, ondergaat het gezelschap van personeel en medebewoners maar hij becommentarieert alles en verbindt het met zijn herinneringen. Wat waar is en wat niet weten we niet, hijzelf ook niet. De hoofdstukken beginnen midden in een zin als stappen we ergens lukraak zijn gedachten binnen. De bladspiegel is rafelig, een vondst van Brouwers zelf. Het boek leest als een trein, het zijn prachtig afgewogen zinnen. Hier is goed over nagedacht.

e12401627397d73596e6f507467444341587343
Pastorale van Stephan Enter werd overal de hemel in geprezen en ik werd toch benieuwd naar deze auteur, van wie ik nog niets gelezen had. Ik had iets gehoord over worstelen met het geloof en twijfelde een beetje om dit te lezen na de boutades van Maarten ’t Hart hierover, maar dat was niet nodig; dit is een heel andere stijl.

Het gaat over Oscar en zijn zus Louise die uit Brevendal (een anagram van Barneveld) komen . Louise studeert al in de stad en komt terug op bezoek, Oscar woont er nog en zit er op school. Het verhaal begint bij Oscar in de klas, waarin verteld wordt dat een klasgenoot, de Molukse Jonkie Matupessy is verongelukt met een crossmotor. Iemand moet huiswerk bij hem thuis langs brengen en Oscar is de klos.

Louise rijdt op dat moment met de trein richting Brevendal en ik werd hier getroffen door een lange zin die mij zeer goed beviel;

Maar daar was het, ja – nu kwam de duik in het licht en daar lag het onder een serene hemel, hooguit een paar meter lager en toch greep het oog naar een verre horizon, kreeg je die nevelige voortijdige blik over de vallei met haar verweerde houtwallen en de middeleeuwse torenspits die zich ontfermde over een samenscholing van rode daken en rechts daarachter het uitgestrekte, in eeuwige bries ruisende bos met zijn koele beukenlanen en greppels vol fluisterende bladeren en meer naar links als een ader in het land de verzonken meanders van de Breve, herkenbaar ook aan hoog opgeschoten meidoornbosjes en uit het lood hangende wilgen langs het jaagpad en ten slotte in een van de kronkels het park, als het die naam gezien zijn haveloze staat al mocht hebben, met daarin haar huis, het huis van haar ouders, grootouders, van haar familie voor zover de geschiedenis zich liet terugbladeren.

Niet dat het boek vol staat met die lange zinnen, maar deze zin brengt je meteen in de sfeer van het boek en de omgeving waarin het zich afspeelt, prima gedaan. Louise komt naar huis om te vertellen dat ze stopt met haar studie. Ze heeft ervaren dat, sinds ze uit huis is, ze los kan komen van het geloof dat haar jeugd heeft bepaald. Ze schaamt zich voor wat ze geloofde en gaat daarover in haar ouderlijk huis, tijdens het bezoek van een ouderling, vol op het orgel.

Tegelijk maakt Oscar kennis met Dona, de zus van Jonkie. Normaal komt niemand bij de Molukse plaatsgenoten over de vloer, maar nu door dat huiswerk dus wel. Dona vertelt hem over de kampen waar ze in hebben gezeten en over haar vader, die niet kan aarden in Nederland. Later wordt Oscar uitgenodigd om te komen eten en gaat vader Matupessy vol passie verder op zijn gevoelens in. De mysterieuze kist in hun gang staat symbool voor de problematiek;

De Nederlandse regering, zei hij, had hem verzekerd dat zijn verblijf hier tijdelijk was en dat hij zich permanent gereed diende te houden voor de terugkeer. Dat deed hij nog altijd, want wie was hij om te twijfelen aan die belofte?

Waar de Molukse gemeenschap worstelt met verbroken beloftes en een heimwee naar een land dat niet meer bestaat, staat Louise symbool voor de nieuwe generatie die ook worstelt, met de vroegere zekerheden die niet blijken te bestaan. Ze weet zeker dat haar jeugd door het geloof is afgepakt maar twijfelt ook, want was die zevenjarige werkelijk zo ongelukkig? Wellicht werd ze toen wel getroost door het idee van een hemel en de bescherming van een Goede Herder, ze komt er niet helemaal uit. Als ze een kindernevendienst overneemt in de kerk en zie met de kinderen die overbekende liedjes zingt, begint er echter wat te dagen;

Het was of er gedurende een paar seconden een grauwe waas voor haar stemming schoof en daarna was het tafereel dat ze voor zich zag veranderd. Want hier zag ze het in werking, en voor het eerst in haar volwassen leven zag ze het zo duidelijk: de machinerie – die zij dus deze keer zelf had aangezet.

Het hoofdthema is achterlating of afscheid in dit boek. Het achterlaten van je geloof, je land, je vertrouwen. Dat is niet nieuw, maar het is allemaal erg mooi verwoord. Louise die rook door haar neus blaast als een briesend draakje, verlichte etalages die roerloos in elkaars eenzaamheid staren, ik heb ervan genoten.

9029540427.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Minnebrieven aan Maarten van Elsbeth Etty is een boekje van 142 pagina’s over Maarten ’t Hart en zijn oeuvre. Geen biografie, waar hij eerst voor vreesde;

Ik heb het altijd een reuze akelige gedachte gevonden dat ooit iemand een biografie over mij zou schrijven. Maar het is, als je zelf zo graag biografieën leest…tamelijk hypocriet om voor jezelf een uitzondering te willen maken.

Maar zo ver zijn we dus nog niet Etty hoopt met dit boek bij te dragen aan het doorgronden van het werk, de persoonlijkheid en de literaire betekenis van Maarten ’t Hart. Daartoe heeft ze zijn complete oeuvre opnieuw gelezen. Ze heeft geen uitputtende interviews opgelegd aan ’t Hart, maar mocht hem alle vragen voorleggen die ze wilde en hij zou antwoorden, daarbij in ogenschouw nemend zijn eerdere bekentenis dat hij liegt in interviews;

Uit ‘behoefte aan het behoud van eigen herinneringen en een eigen geschiedenis, waar niemand iets van weet’, verklaarde hij geneigd te zijn ‘de waarheid te verhullen, juist in die gevallen waarin de vragen nogal schaamteloos zijn…’

Allereerst gaat Etty met ’t Hart terug naar zijn geboorteplaats Maassluis. Omdat het werk van ’t Hart vol zit met autobiografische elementen, komt hier al een thema als pedofilie aan bod. Dat speelt een rol in zijn werk en is aan zijn eigen leven ontleend. Zijn jeugd, opleiding en diensttijd verwerkt hij allemaal in zijn verhalen. Waar Etty aanvankelijk dacht dat hij homoseksuele gevoelens had, ondanks zijn huwelijk, blijkt hij hier juist de metafoor te hebben gebruikt voor het verlaten van zijn geloof. Een noodzaak, om zijn nog levende ouders niet te veel te schokken. Homoseksualiteit was erg, het verlaten van het geloof nog veel erger.

Een kleine eye-opener was het wel het feit hoezeer de Holocaust van invloed geweest is op zijn werk. Natuurlijk kom je het tegen, maar het wordt je niet zo in het gezicht gedrukt als bij een Mulisch of een Hermans.

’t Hart wordt een bekende Nederlander en hij schroomt niet stelling te nemen of zijn werk als wraakoefening te gebruiken. Als hij een pand in Amsterdam koopt en gedoe als huisbaas heeft met een onwillige betaler, dan komt dit in zijn werk terecht. Ook zijn verliefdheid op zijn Zweedse vertaalster verwerkt hij in een boek. Dat zijn geen zaken waar zijn vrouw Hanneke vrolijk van wordt, net als zijn verlangen naar travestie. Dat ging wat verder dan wat vrolijke aandachtvragerij. ’t Hart heeft daadwerkelijk bijeenkomsten bezocht om deze neiging aan te pakken.

Zo gaat Etty diagonaal door zijn oeuvre heen en eindigt bij ’t Hart als de vrolijke provocateur. Hij heeft zich de woede van feministisch Nederland op de hals gehaald door zijn essays en besprekingen in De vrouw bestaat niet. Tegen Etty zegt hij dat hij spijt had van zijn opmerking dat de feministische voorvechtster Joke Smit “Führerneigingen” had. Tegen feminisme was hij echter geenszins;

Zou ik het feminisme echt verafschuwen, zoals ik popmuziek verafschuw, dan zou ik er geen moment aan denken het te bestrijden.

Natuurlijk komt zijn geloofsafval aan bod, want daarin provoceert hij als geen ander. Zijn Bijbelkennis is fenomenaal en hij heeft een trekje dat erg opvalt in zijn boeken; hij nam als kind al alles letterlijk en doet dat nog steeds. Dat verklaart alles in zijn boek Wie God verlaat heeft niets te vrezen, maar ook in zijn talloze andere boeken.

Naast de Bijbel moet tenslotte ook Multatuli het ontgelden. Na het winnen van de Multatuli-prijs in 1975, kamde hij deze schrijver net zo makkelijk af in een vrolijke pastische, dat achteraf een meedogenloos zelfportret bleek te zijn. Het NRC Handelsblad had daar weinig gevoel voor en organiseerde een discussie tussen Rudy Kousbroek en ’t Hart, waar Multatuli-adept Kousbroek van een koude kermis thuiskwam. ’t Hart had namelijk alles van Multatuli gelezen en sloeg Kousbroek met panklare citaten uit zijn gehele werk om de oren.

Dat is wat ik bewonder in het werk van Maarten ’t Hart. Zijn enorme kennis op het gebied van literatuur en muziek en zijn vermogen om hier zeer toegankelijke fictie en non-fictie van te maken. Etty geeft dat ook weer in dit boekje, wat een aardige opmaat is voor een definitieve biografie, hoewel die gerust nog een tijd uit mag blijven. Het is wel aan te raden dit boekje te lezen na het lezen van het werk van ’t Hart, er zitten aardig wat spoilers in.

817001cf5a6bd13597354707441437641414141
Als ik een nieuwe roman van Maarten ’t Hart bespreek, kan ik eigenlijk de inleiding van zijn vorige door mij besproken boek wel kopiëren. Je weet onderhand wat je krijgt; klassieke muziek, geloofsafval en kennis van de natuur. Dat is met De nachtstemmer niet anders.

Daar kan je genoeg op afdingen en soms doe ik dat een beetje, dat komt nog, maar ook weer niet te veel. Misschien vraag ik ook wel niet meer van ’t Hart. Zijn schrijfstijl bevalt mij prima en ook dit boek, ruim 300 pagina’s, heb ik met plezier gelezen.

Het verhaal is mooi. Gabriël Pottjewijd is een orgelstemmer uit Noordoost-Groningen en reist af naar een Zuidhollands havenstadje (zijn vertrouwde Maassluis natuurlijk) om daar een orgel te gaan stemmen. Bij dat stemmen krijgt hij hulp van het, waarschijnlijk autistische, meisje Lanna. Zij vindt het niet erg om lang op een orgeltoets te drukken tot de stemmer de volgende toon belieft te horen, iets waar anders moeilijk mensen voor te vinden zijn. Lanna heeft een Braziliaanse moeder met een verbluffend mooi uiterlijk en een lastig karakter. Zij is de weduwe van een kapitein uit het havenstadje en woont met haar dochter aan de haven.

Nu wordt het orgelstemmen danig bemoeilijkt door de herrie van de scheepswerf in de buurt, wat Pottjewijd noopt zijn toevlucht tot de nacht te nemen voor zijn werk. Hij heeft veel hulp van Lanna en wint de sympathie van haar moeder. Dat leidt tot verschillende bedreigingen aan zijn adres, waardoor hij af en toe twijfelt of hij het werk voort zal zetten.

Daar is de strekking mee verteld, de rest zult u zelf moeten lezen. Er is echter veel meer te vertellen, want Maarten ’t Hart is wie hij is en hij gaat heerlijk zijn eigen gang in zijn boeken. Ik denk dat er weinig tot niets weg geredigeerd wordt door een uitgever. Zo schopt hij op pagina 10 al gerust zowel Groningers, Friezen als Drentenaren tegen het been;

Je kunt niet zeggen dat Groningers, Friezen en Drentenaren zulke prettige mensen zijn.

Een bladzijde later zitten we al in de klassieke muziek en in dit boek laat hij regelmatig de Tsjech Josef Suk opdraven (wiens Scherzo Fantastique inderdaad een prachtig stuk is). Even later komt zijn geloofsafval aan bod mét de klassieke muziek als hij het Stabat Mater van Pergolesi opvoert als reden voor zijn eerste twijfel aan het geloof;

‘De diepbedroefde moeder stond wenend bij het kruis, terwijl haar zoon daar hing.’ Ja, alles goed en wel, maar hoe was Maria zo snel vanuit Nazareth, waar ze immers nog steeds woonde, in Jeruzalem aangeland?

Zo komen er talloze gebeurtenissen uit de Bijbel naar voren die hij onmogelijk acht, zoals de sprekende ezel van Bileam, de drijvende bijl uit 2 Koningen 6 enzovoort en hier valt wel een kanttekening te maken. Dat hij zijn thema’s steeds weer gebruikt in zijn boeken, dat is bekend, maar nu komen dezelfde voorbeelden een aantal keer terug en zijn echt een herhaling van zetten. Daar zou wel op geredigeerd mogen worden.

Verder heb ik mij best vermaakt. De verzonnen namen, zoals Pottjewijd, Paalvast (deze is dus niet verzonnen, zie de reacties), Ai Stront en Boetekees, deden mij tijdens het lezen denken aan Karakter van Bordewijk en ’t Hart haalt dit boek zowaar aan (zij het niet in verband met deze achternamen). Mijn orgelkennis is ook weer een beetje opgeschroefd en ik glimlach altijd als de auteur een beetje over de top gaat met zijn kennis, want hoeveel mensen halen Sirimavo Bandaranaike aan als voorbeeld in een discussie over vrouwelijke minister-presidenten en oorlog?

De zijpaadjes leveren ook steevast hilarische verhalen op, zoals buurman Ai Stront met Drieke de geit, de ontmoeting tussen de kapitein en zijn Braziliaanse schone die achtervolgd werd door een hamerhaai, pardon, zwarte kaaiman én de dominee die van de kansel rechtstreeks naar de hemel toog toen hij met stoven van de kansel werd gekogeld.

Tenslotte wil ik u de vondst niet onthouden waarin Pottjewijd zich verdedigt en iemand een boek voor zijn hoofd gooit met de Psalmen van Johannes Worp. Ik houd van dat soort dingen want dat boek bestaat uiteraard, is voor luttele euro’s te koop en leent zich daar uitstekend voor. Kortom, iets minder herhaling is prima maar liefhebbers van Maarten ’t Hart kunnen hun hart ophalen.

a0355ac325b330d59312f2b5577444341587343
Ik weet niet meer precies waar ik het idee opgedaan heb om De grachtengordel van Geerten Meijsing aan te schaffen maar het moet een boekenblog geweest zijn. Ik heb wat informatie opgezocht en ineens bleek er, voor lezing al, best genoeg over te vertellen. Kom ik nog op terug.

Het zou een sleutelroman zijn, een rancuneuze roman, maar in ieder geval een roman die dicht op het literaire wel en wee binnen de grachtengordel zou zitten. Er zouden talloze schrijvers in geportretteerd worden onder fictieve namen, dus dit leek mij reden genoeg om het boek aan te schaffen.

In het kort gaat het verhaal over de schrijver Erik Provenier. Die heeft het niet breed en dat hoort natuurlijk zo bij sappelende schrijvers, maar hij ziet wel dat hij links en rechts wordt ingehaald door generatiegenoten die goed schrijven, maar ook handiger zijn in het spel om de boeken aan de man te brengen. Dat beslaat het eerste deel van het boek en eerlijk gezegd vind ik dat het minst interessante deel. Leuren bij uitgevers, proberen voorschotten te verkrijgen, dat werk.

Het wordt interessant als Provenier ineens in aanmerking komt voor een grote literaire prijs. Hij is inmiddels teruggekeerd vanuit Italië naar Nederland, Amsterdam (steevast aangeduid als A*) en ontmoet daar de inner circle van de literaire wereld. Meijsing heeft er naar mijn weten nooit uitsluitsel over gegeven, maar naar verluidt spelen onder meer A.F. Th. van der Heijden, Frans Kellendonk, Kester Freriks, Joost Zwagerman, Jessica Durlacher, Jeroen Brouwers, Boudewijn van Houten, Oek de Jong, Willem van Toorn en P.F. Thomèse allemaal in pseudoniem een rol in dit boek.

Strookt dat met mijn eigen waarnemingen? Ten dele zeer zeker. Ik ben een verzamelaar van het werk van Jeroen Brouwers (blijkbaar Joost Bierman in het boek) en heb het nodige over hem gelezen en ik herken dit zeker;

‘Wat weet jij toch veel, Kasper, wat weet jij toch veel van de Nederlandse literatuur.’
Christiaans negeert het sarcasme van zijn vriend: ‘Niet zoveel als Bierman, want die schijnt werkelijk alles te weten over dat onderwerp. Zijn hele huis – een omgebouwde hoeve – is één groot dossier. Ook dat is een middel om macht uit te oefenen – je kunt hem niet betrappen op vergissingen, alles is gedocumenteerd. Wat jij je in 1975 tegenover een onnozele reporter hebt laten ontvallen, kan hij morgen tegen jou gebruiken.’

Dat leest ineens heel fijn, een feest der herkenning. De auteur Meijsing, wiens alter ego Erik Provenier zou zijn, gaat ook de zelfspot niet uit de weg. Het grappige (vind ik dan) is dat ik daar ook weer een auteur als Tommy Wieringa in herken;

Neem nou die Provenier, geen kwaaie jongen maar een sprekend voorbeeld van wat tegenwoordig met zoveel aplomb een literator wordt genoemd. ’t Is hem niet genoeg af en toe een boek te schrijven waarin hij alles kwijt kan…neen, hij moet het leven van een schrijver leiden, het is hem erom te doen full-time schrijver te zijn. Zelfs als hij niet schrijft.

Een tikje verwarrend is dat sommige schrijvers met hun echte naam voorkomen en anderen in pseudoniem, maar op zich wen je daar snel aan. De typeringen van bekende persoonlijkheden zijn soms scherp maar mooi om te lezen. Ischa Meijer wordt bij naam genoemd en Meijsing/Provenier ergert zich aan zijn quasi-diepzinnigheden;

Zijn gezicht vertrekt helemaal als hij zo’n moeizame wijsheid moet bedenken – een soort constipatie van de geest. Hij krijgt dan ook iets van een vals mongooltje.

Ik zei al dat ik wat had opgezocht over dit werk en dat bleken wat zaken die ik niet vooraf had kunnen verzinnen, daarvoor ben ik te onbekend met de auteur. Er blijkt namelijk een systematiek aan de roman ten grondslag te liggen. Het boek heeft een symmetrische opbouw, in 36 hoofdstukken, verdeeld in drie delen van elk 12 hoofdstukken. Het volgende ontleen ik aan Wikipedia, maar ik vind het interessant genoeg om weer te geven;

Het ritme is ook steeds anders: het eerste deel beslaat vijftien jaar, het tweede nog geen jaar en het derde de weken die aan de prijsuitreiking voorafgaan. Het eerste deel beslaat jaren, namelijk de periode 1978-1987, met flashbacks naar 1969 en 1972. Het tweede beslaat maanden en loopt van augustus 1987 tot april 1988. Het derde deel ten slotte beslaat de weken van april tot eind mei 1988 wanneer de aanstaande prijsuitreiking steeds meer aanleiding is voor aandacht en beroering in de media. In werkelijkheid ligt aan de structuur zelfs een nog dwingender systematiek ten grondslag. Het werkhandschrift bewijst dat het boek ‘niet het snel geschreven tussendoortje is’ waarvoor het volgens criticus Arjan Peters steeds is aangezien, maar beantwoordt aan ‘dezelfde classicistische en numerologische principes’ die aan al het werk van Meijsing ten grondslag liggen, namelijk 96 units van 400 woorden of 12 hoofdstukken van gemiddeld 3200 woorden.

Ik geef het u maar even mee. Mijn hoofdcriterium is of ik het boek met plezier gelezen heb en dat was ondubbelzinnig het geval. O ja, prachtig dat zowel Joost Zwagerman als A.F. Th. van der Heijden weigerden de presentatie van de roman op zich te nemen. De herkenning was iets te groot…

9028242309.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Soms komen er ineens een aantal lijntjes samen met een boek en dat was het geval met de roman Het grote zwijgen van Erik Menkveld. Ik had dat boek al even in de kast staan en was eigenlijk een beetje vergeten waar het over ging, tot ik het uit de kast pakte.

Het is een roman over de verhoudingen en relaties tussen de componisten Alphons Diepenbrock, Matthijs Vermeulen en de vrouw van Diepenbrock, Elisabeth de Jong van Beek en Donk. Nu gaan Diepenbrock, Vermeulen en ik al even terug. Ik ken hun muziek, ik heb van Diepenbrock de eerste drie delen van zijn correspondentie in de kast staan én gelezen, ik heb deze week de dubbelbiografie over Diepenbrock’s vrouw en haar zus gekocht, ik vind de biografie over Vermeulen van Ton Braas één van de beste biografieën die ik ken en ik kwam er deze week pas achter dat de schrijver van die biografie, Ton Braas, getrouwd is met Odilia Vermeulen, de dochter van Matthijs Vermeulen en Thea Diepenbrock, die weer de dochter is van Alphons Diepenbrock en Elisabeth de Jong. Bent u er nog?

Menkveld beschrijft in zijn boek hoe de jonge criticus (hij is nog geen componist) Vermeulen met Diepenbrock in aanraking komt. Deze is getrouwd met Elisabeth, maar het is geen gelukkig huwelijk. Hij heeft een affaire met Johanna Jongkindt, die hem beurtelings aantrekt en afstoot. Fictie en feiten lopen knap door elkaar heen, zoals het ‘Blasfemie’-incident in 1912. Hierin begon dirigent Willem Mengelberg, na een doorleefde uitvoering van Diepenbrock’s Te Deum, een donderende versie van het Wilhelmus, net als Diepenbrock zijn applaus in ontvangst wil nemen. Vermeulen schreeuwt door het Concertgebouw;

‘Godverdomme! Hoe haal je het in je kop, klootzak!’ roept Vermeulen…Diepenbrock staat nog steeds aan de balustrade, met een gezicht alsof hem zojuist een kaakslag is toegediend…Vermeulen kan zijn verontwaardiging niet langer inhouden, springt overeind en begint als een bezetene met zijn programmaboekje op de balustrade te slaan. ‘Blasfemie! Blasfemie!’

Alsof je er zelf bij bent. Feitelijk gebeurt er niet zo veel in het boek. Het gaat vooral om de relatie tussen Vermeulen en Diepenbrock en Elisabeth, die later op Vermeulen verliefd wordt. Vermeulen zet zijn eerste schreden op het componistenvlak, maar heeft moeite om feedback te krijgen van zowel Diepenbrock als Mengelberg. Die laatste acht hij hoog om zijn vakmanschap, maar als mens en collega blijkt het een ander verhaal. Ook de relatie met Diepenbrock is complex. Ze kunnen het goed met elkaar vinden, maar Vermeulen schroomt niet om de waarheid in zijn kritieken te zeggen als Diepenbrock zijn eigen werken niet goed dirigeert. Dan staat hun relatie weer op springen.

Dat geldt ook voor de relatie tussen Diepenbrock, zijn vrouw en zijn minnares. Die laatste wil weten waar ze aan toe is. Ze trouwt uiteindelijk ook met een ander maar ze kunnen elkaar aanvankelijk niet loslaten. Zijn vrouw Elisabeth komt erachter en schroomt niet om op haar beurt een relatie met Vermeulen aan te knopen. Daar is ze glashelder over tegen haar man;

Op zijn verwijt dat ze Vermeulen in Holtwick had ontvangen, antwoordde ze bits; ‘Holtwick is met mijn geld gebouwd. Ik heb het ingericht en draag er alle zorg voor. Ik ontvang daar wie ik wil.’
‘Gebruik je hem om wraak te nemen op mij?’ vroeg hij nog…’Wraak?’ antwoordde ze. ‘Welnee. Ik hou van Thijs.’ En vervolgens kondigde ze aan op geen enkele manier van plan te zijn zich beperkingen op te leggen in haar omgang met Vermeulen. ‘Jij hebt je geluk gezocht bij Jo. Ik heb ook recht op geluk. De enigen met wie ik rekening zal houden zijn Thea en Johanna.’ En voor hij kon antwoorden liep ze de kamer uit.

Ik ben wel benieuwd of dit een roman voor iedereen is. Het verhaal speelt zich af aan het begin van de twintigste eeuw. Een boeiende periode, waarin de industrialisatie op gang komt en men aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog staat. Er wordt fantastische muziek geschreven, door Diepenbrock, Mahler, Strauss en Willem Mengelberg is op het toppunt van zijn roem. Als muziekliefhebber kan ik hier geen genoeg van krijgen dus ik las het boek in één ruk uit. Sterker, ik blijf nog even in die tijd want ik ben al begonnen in de dubbelbiografie over de vrouw van Diepenbrock, Elisabeth, én van haar zuster Cécile.

De auteur, Erik Menkveld is helaas overleden, maar ik vond wel een mooi interview over zijn boek op Youtube. Lees ook vooral de bespreking van Anna hier.