archiveren

Dagboek

IMG_8429 (002)
Het tweede deel van Tot het bittere einde van Victor Klemperer behelzen de dagboeken over de periode 1942-1945. Uiteraard gaat het verder waar deel 1 geëindigd is en Klemperer en zijn vrouw Eva wonen nog in het jodenhuis in Dresden.

De beschrijvingen die volgen liggen ook in het verlengde van deel 1 en dat lijkt wellicht saai maar dat is het allerminst. Het is juist de grote kracht van het boek. Het laat zien dat de samenleving er voor joden er met de dag beklemmender en verstikkender op wordt. Klemperer heeft het ‘geluk’ getrouwd te zijn met een arische vrouw én dat hij in de Eerste Wereldoorlog als vrijwilliger heeft gediend. Daardoor is hij ‘geprivilegieerd’, maar uiteindelijk zegt dat niets. Voorschriften wijzigen per dag en de willekeur heerst. Op de eerste dag zit de spanning er al meteen in, als Klemperer wordt opgepakt door de Staatspolitie en mee moet naar het gebouw van de Gestapo, waarover alleen maar slechte verhalen bestaan. De ondervraging barst los;

‘Wie gaat de oorlog winnen? Wij of jullie?’ – ‘Hoe bedoelt u?’ – ‘Nou ja, jullie bidden toch dagelijks om onze nederlaag – tot Jaweh, zo heet dat toch? Het is toch de joodse oorlog? Dat heeft Adolf Hitler gezegd – (pathetisch brullend): En wat Adolf Hitler zegt, dat ís zo…’Je laat je gezicht hier niet meer in de tram zien. Je kunt lopen. En als we je hier nog eens tegenkomen, word je afgevoerd. Je weet wel waarheen. Begrepen?

Het is geen loos dreigement, er worden in hun omgeving veel mensen afgevoerd. Ook hun medebewoonster mevrouw Pick moet zich melden bij de Gestapo. Zij wacht het niet af en pleegt zelfmoord. Klemperer en zijn vrouw moeten weer verhuizen en hij wordt tevens tewerkgesteld. Het is geen zwaar werk, het afwegen en inpakken van thee, maar het is saai en eentonig. Hij ontmoet er de heer Conradi met een vergelijkbare achtergrond. Ook professor, heeft ook gediend in de oorlog en ook een gemengd huwelijk. Als Conradi wordt gearresteerd en omkomt, is het Klemperer duidelijk dat hij nooit veilig zal zijn;

Ieder moment kan het lot mij treffen. En dan in de cel van minuut tot minuut gaan zitten wachten op de beul…misschien wurgt me hier wel niemand (‘hang ik me niet op’), maar sterf ik als ik onderweg ben naar het concentratiekamp (‘bij een vluchtpoging doodgeschoten’) of in Auschwitz zelf aan een ‘zwak hart’.

Aldus de eufemismen die men dagelijks te horen krijgt over de omgekomen kennissen. Ze redden het zo goed en kwaad als ze kunnen. Af en toe is het honger lijden en krijgen ze zelfs een ‘hongerbuik’. Ook de geestelijke honger kan maar moeilijk gestild worden. Klemperer weet wel ‘Mein Kampf’ van Hitler nog te lezen;

Het is even interessant als afgrijselijk en deprimerend – dat boek was er, en toen hebben ze van die man de Führer gemaakt en hem tot nu toe elf jaar laten regeren!

Ik heb het hier nog liggen om te lezen en ben toch benieuwd…Inmiddels is wel de invasie begonnen en die berichten komen maar heel moeilijk door. De staatsomroep heeft het alleen over de schade die de V1-raketten in Londen aanrichten. In Dresden zelf gaat af en toe het luchtalarm af, maar hoewel Berlijn en Leipzig de volle laag krijgen lijkt Dresden stelselmatig genegeerd te worden. Dacht men.

Wij weten beter natuurlijk en dat bombardement is één van de trieste ‘hoogtepunten’ in dit boek. Klemperer en zijn vrouw weten op wonderbaarlijke wijze te overleven, maar vraag niet hoe;

Intussen een zware inslag in de buurt. Ik dook op mijn knieën tegen de muur bij de toegang tot de binnenplaats. Toen ik opkeek, was Eva verdwenen…Ik riep herhaaldelijk om Eva. Geen antwoord. Zware inslagen. Opnieuw barstte de ruit in de tegenoverliggende muur…er sloeg iets hards en gloeiend heets tegen de rechterkant van mijn gezicht. Ik voelde onmiddelijk met mijn hand, die zat onder het bloed, ik betastte mijn oog, het zat er nog.

Uiteindelijk zouden er zo’n 130.000 tot 140.000 doden vallen. Klemperer en zijn vrouw vinden elkaar en slaan door Duitsland aan het zwerven tot aan de bevrijding. Het verhaal sluit mooi af als ze naar hun zelfgebouwde huisje in Dölzschen gaan, net buiten Dresden.

Na het dagboek van Anne Frank natuurlijk zijn deze dagboeken ook een uiterst persoonlijke weergave van het leven net voor en in de Tweede Wereldoorlog in Duitsland. Het is ongekunsteld opgeschreven en maakt de alledaagse terreur heel erg voelbaar, juist door al die beperkingen, ge- en verboden, kleine en grote treiterijen, onheuse behandelingen, afranselingen en mysterieuze verdwijningen. Een absolute aanrader wat mij betreft.

Vertaling: W. Hansen

IMG_8430 (002)
Tot het bittere einde is de titel van de oorlogsdagboeken van de Duits-joodse filoloog en schrijver Victor Klemperer. Dit eerste deel gaat over de jaren 1933-1941 en het beschrijft hoe de wereld in  Duitsland geleidelijk aan veranderde voor met name de joodse bevolking.

Als hij begint te schrijven heeft hij een aanstelling als professor Romanistiek aan de Hogeschool in Dresden. Hij is getrouwd met Eva, een niet-joodse vrouw. Ze zijn bezig om fondsen te vinden om een huisje te laten bouwen net buiten Dresden, maar het is lastig om dat voor elkaar te krijgen; gebrek aan financiën zal als een rode draad door het boek heen lopen.

Hitler is al aan de macht en joden hebben het moeilijk. Klemperer ergert zich aan het gedrag van velen van hen, die de gettovorming blijkbaar accepteren als het nieuwe normaal. Toch is hij verderop in het verhaal ook niet helemaal vrij van dergelijk gedrag; hij moet zich wel degelijk neerleggen bij sommige, grievende, maatregelen.

De gezondheid speelt hen beiden parten. Klemperer heeft regelmatig last van zijn hart en Eva leidt aan ontstekingen in de mond en aan haar ogen. Uiteindelijk weten ze hun huis te realiseren en gaat Klemperer ook autorijlessen volgen en haalt zijn rijbewijs. In zijn werk ondervindt hij steeds meer beperkingen die worden opgelegd. Ze denken wel aan emigreren maar verwerpen het eigenlijk als optie; er is geen werk voor geesteswetenschappers in het buitenland en zijn Engels is te slecht.

Het sluipt er allemaal in. Als jood krijgt hij een leeszaalverbod in de bibliotheek. Vanuit de gemeente volgt de ene na de andere pesterij wat betreft zijn huis, zoals toen er iemand in zijn tuin verscheen;

Toen verscheen om acht uur de gemeentetuinman: controle of de tuin gedaan was. Ik liet hem zien dat alles gesnoeid was; hij trok iets uit de grond: ‘Dit is nog onkruid, en dit, en dit. Dat moet ik melden, ze sturen arbeiders naar u toe, u bent gedwongen ze te laten werken.’…Ik: ‘Wat wilt u eigenlijk van me?’ – ‘De tuin moet voor een paar honderd mark door deskundige tuinlieden worden opgeknapt.’

Er volgt een legitimatiekaart voor joden en er komen huiszoekingen. Een sabel, aandenken uit de Eerste Wereldoorlog, is reden voor arrestatie maar Klemperer komt snel vrij. Grote gebeurtenissen als de Kristallnacht worden wel genoemd, maar de belevenissen dicht bij huis vormen het verhaal.

Het wordt serieuzer als zijn rijbewijs wordt ingenomen en als ze zelfs hun huis uit moeten. Ze worden ondergebracht in een jodenhuis in Dresden. Er komt een verbod voor joden om na acht uur buiten te zijn en Klemperer is gedwongen zijn bibliotheek te ontmantelen; hij kan niet alles meenemen.

Inmiddels is het offensief tegen Polen al in volle gang en is Hitler een aanval begonnen op Nederland en België. Het wordt steeds lastiger om aan voedsel en om aan kleren te komen;

Mevrouw Voß smeedt een plan om mij een pak van Moral te bezorgen. Maar die man was veel smaller dan ik. Kousen van de gesneuvelde Haeselbarth, misschien een pak van de zelfmoordenaar Moral – joodse kleren in het 3e Rijk.

Engeland is inmiddels ook betrokken in de oorlog en ze horen de vliegtuigen op weg naar Berlijn. Ook in Dresden gaat het luchtalarm af maar vooralsnog gebeurt er niets. De beperkingen gaan gewoon door. De telefoon wordt ook verboden voor joden en uiteindelijk volgt de ultieme vernedering, een gele ster ter herkenning. Het is al bekend dat er veel mensen gedeporteerd worden en het is leven bij de dag; iedere dag kan het zover zijn. Klemperer vergeet een keer het raam te verduisteren en dat komt hem op een week gevangenisstraf te staan.

Het sterke van dit boek vind ik dat door zijn manier van beschrijven het heel duidelijk wordt hoe het is om als jood te leven in een maatschappij waarin de vrijheden steeds meer aan banden worden gelegd. We horen wat er op het grote politieke toneel gebeurt, maar Klemperer brengt alles meteen terug tot zijn eigen wereld en de impact die alles op het dagelijks leven heeft. Van hem, maar ook van zijn niet-joodse kennissen. Dat wordt afgewisseld met zaken als rijlessen, huishouden, boodschappen; al die dingen die wij ook kennen, maar die voor hem steeds lastiger worden. Dus hij en zijn vrouw moeten daar mee om zien te gaan, maar hij schetst ook een samenleving die steeds meer verandert en dat wordt misschien een beetje duidelijk in wat hij hoort van een oudere arbeider;

‘Zeg kameraad, ken jij een zekere Hersschmann? – Nee? Dat is ook een jood, een conciërge, net als ik – ik wilde je alleen maar zeggen: maak je niet druk over die ster, we zijn allemaal mensen, en ik ken ook goede joden.’

Deel 2 van zijn dagboeken moet ik nog lezen, over de jaren 1942-1945 en het zal er niet beter op worden. Het lijkt me wel een belangrijk en zeker goed geschreven document.

Vertaling; W Hansen

e9afa7b340e9ae45935676a5767444341587343 (3)
Giacomo Leopardi (1798-1837) was het beste jongetje van de klas. Voor zijn achttiende had hij al een aantal literaire en wetenschappelijke werken op zijn naam staan. Hij was verder geleerde, dichter en filosoof. Die veelzijdigheid komen het best tot uiting in zijn Zibaldone, een intellectueel dagboek dat hij bijhield van 1817 tot 1832.

Het is een immens werk van in totaal 4526 schriftvellen en dit boek is een bloemlezing daaruit. Nu houd ik van dagboeken en essays dus ik was benieuwd naar de gedachtesprongen van deze alleskunner. De inhoud gaat over van alles; schrijvers en literatuur, filosofie, psychologische observaties, onvoltooide proza- en poëziefragmenten enzovoort.

Dat viel me dus nog niet mee. Het is geen dik boek, zo’n 248 pagina’s, de hoofdstukken over verschillende onderwerpen zijn niet lang maar ik vond het niet lekker weglezen. Een willekeurig voorbeeld van het begin van een nieuw hoofdstuk;

De uitspraak dat de mensen in alle tijden en landen steeds hetzelfde zijn, is alleen maar waar in deze zin. De perioden die de mens (en ook ieder volk) doorloopt, vertonen, evenals de tijdsperioden onderling, globaal gezien steeds een duidelijke gelijkenis en overeenkomst; maar de diverse tijdvakken waaruit deze grotere perioden bestaan, zijn onderling zeer verschillend, en datzelfde geldt voor de mensen van het ene tijdvak ten opzichte van die van het andere, en voor een volk dat zich op dit moment in het ene tijdvak bevindt tegenover een volk dat zich momenteel in het andere bevindt.

Bent u er nog? De zinnen zijn vaak erg lang. Op pagina 134 staan 4 volledige zinnen. Als zin 5 gelezen is zitten we halverwege pagina 135. Dat hielp ook niet mee. Is er ook iets positiefs te melden? Natuurlijk. Als je je even concentreert zijn er mooie quotes op te halen;

Wie op deze wereld een beroep wil uitoefenen, en daaruit ook nog enig rendement wil halen, kan alleen maar dat van oplichter kiezen, welk terrein hij ook betreedt.

Ik werk in de verzekeringsbranche maar heb hier vooralsnog geen conclusie aan verbonden. Leopardi stelt ook dat als ongeletterden een beroemd auteur lezen, ze hier geen genoegen aan beleven, omdat ze een onmogelijk genot verwachten, een niveau van perfectie waartoe de menselijke geest niet in staat is. Daarom lachen ze om die auteur of minachten hem zelfs. Dat laatste doe ik zeker niet, maar misschien verwachtte ik toch een wat hoger genot dan dit boek mij verschafte. Wat natuurlijk ook aan mijn geletterdheid kan liggen.

Het was wel leuk om de naam van Bilderdijk tegen te komen in Leopardi’s werk en ik blijf onverminderd benieuwd naar zijn Canti, ofwel gedichten. Dat zijn er niet veel maar zouden van een ongehoorde schoonheid zijn. Leopardi zelf? Hij had een zwakke gezondheid en was ook niet direct het zonnetje in huis. In zijn Zibaldone is de natuur aanvankelijk nog ‘de enige bron van het schone, het grote, het leven en de afwisseling’ maar allengs wordt zijn toon donkerder en pessimistischer. Uiteindelijk is de natuur ‘een valse stiefmoeder die haar kinderen alleen maar wil zien lijden’. Jammer dat hij er niet langer van mocht genieten.

Vertaling; Frans van Dooren

118ad671ca28e85593948795241444341587343
Waarom ik De dagboeken 1950-1962 van Sylvia Plath heb gelezen, leg ik uit in mijn blog over haar man, Ted Hughes. De dagboeken beschrijven wel een andere periode dan het brievenboek van Hughes. Het verhaal van Plath begint bij haar periode als beursstudente en eindigt een jaar voor haar zelfmoord in 1963, waar het brievenboek doorloopt tot 1998.

Ook de stijl is anders, een dagboek heeft nu eenmaal een andere toon dan een brief. Ik kan niet aangeven welk boek mij beter beviel, ik heb ze beiden (deze toch ook ruim 400 pagina’s) achter elkaar uitgelezen.

De dagboeken van Plath beginnen met studenten- en campusbelevenissen, zoals vriendjes die maar op één ding uit zijn, maar wat opvalt is dat Plath zich ook direct met grotere vragen bezig houdt;

Waarom zijn mensen geobsedeerd door vernietiging en moord? Wat zouden we moeten beginnen met Rusland als we hen tot ruïne bombarderen?

Ze houdt van schrijven en dichten en is erg bezig met jongens en mannen. Ze denkt zelfs al vroeg na over haar partnerkeuze en dan al, in haar studentenjaren duiken de eerste donkere gedachten bij haar op;

God, als ik ooit na aan zelfmoord toe was, is het nu wel, met dat versufte, slapeloze bloed dat zich door mijn aderen sleept…Ik wil mezelf doden om aan alle verantwoordelijkheid te ontsnappen, miserabel terug te kruipen in de baarmoeder.

In 1953 doet ze daadwerkelijk een poging maar dat mislukt. Dan ontmoet ze Ted Hughes en daar kan ze niet omheen. Die ontmoeting is te lang om te citeren maar wordt o zo prachtig beschreven. Het stel pendelt in de komende jaren tussen Engeland en de Verenigde Staten. Thema’s blijven geldzorgen, het produceren van gedichten, verhalen en romans en steeds maar weer de teleurstelling verwerken van afwijzingen. Plath loopt inmiddels bij een psychiater en haar stemmingen wisselen voortdurend. Zo moet ze af zien te rekenen met haar moederhaat;

Maar ik heb, vanaf mijn achtste, de liefde van een vader niet meer gekend, de liefde van een altijd aanwezige man met wie ik bloedbanden had. Mijn moeder vermoordde de enige man die mijn leven lang van me gehouden zou hebben: kwam op een ochtend binnen met nobele tranen in haar ogen en zei dat hij voorgoed was heengegaan. Daarom haat ik haar. Ik haat haar omdat zij niet van hem hield. Hij was een monster. Maar ik mis hem. Hij was oud, maar zij trouwde met een oude man die mijn vader moest worden. Het was haar schuld. Verdomme nog aan toe. (Haar vader overleed in 1940 ten gevolge van diabetes).

Uiteindelijk krijgen Plath en Hughes twee kinderen. Plath was er lange tijd niet aan toe omdat kinderen geld en tijd kosten, hun vrijheid en mogelijkheid om te schrijven zou er onder lijden. Plath draaide bij en had het later zelfs over een huis vol kinderen. Toch heeft ze haar demon uiteindelijk niet overwonnen en pleegde in 1963 zelfmoord. Zelf verwoordde ze het zo;

Ik heb een goed ik, een ik dat houdt van luchten, heuvels, ideeën, lekker eten en vrolijke kleuren. Mijn demon zou dat graag om zeep helpen door te eisen dat het een feilloos toonbeeld is, en te zeggen dat het weg moet rennen zodra het ook maar iets minder is. Ik zal onverdroten mijn best blijven doen en weten dat ik dat doe, wat anderen ook mogen zeggen.

Vertaling; Nelleke van Maaren

 

 

359ab805510e795593059315741437641414141
Ik had in een ver verleden Een boekenkast op reis van Boudewijn Büch al eens gelezen, maar ik kon deze mooie eerste druk bemachtigen voor een vriendenprijs, dus dat was een mooie reden om het boek te herlezen. Met veel plezier, want de 270 pagina’s waren in ‘no time’ verslonden.

Het is een dagboek van het jaar 1998, het jaar waarin hij reist naar De Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland en Italië. Hij verdiept zich dat jaar weer bovenmatig in Goethe vanwege een televisieproject, verdiept zich altijd in Napoleon, de coelacant (de wat?, dit dus), de Boerenoorlog, Amerikaanse presidenten en ga zo maar door. Dat vind ik meteen het fascinerende aan de man. Hij wist en weet mij te enthousiasmeren (ik heb al zijn programma’s op dvd) voor zaken die anders aan mij voorbij gaan. Ik weet niet hoeveel mensen zich specifiek interesseren voor The Jameson Raid (de prelude tot de Tweede Boerenoorlog), maar Büch is er één van. Zulke dingen vind ik dus leuk en dat is waar dit boek over gaat. Een boek dat hij helemaal niet wilde beginnen. Hij schrijft op 1 januari 1998;

Ik hoor het vuurwerk – het is nu een halfuur in het nieuwe jaar – en ik haat het oude jaar en heb direct al een hekel aan het nieuwe…Hoewel ik al meer dan veertig jaar een dagboek schrijf, weet ik dat ik dit jaar voor een boekpublicatie zal pennen. Waarom ik uiteindelijk ja heb gezegd tegen het publiceren van een heel dagboek weet ik niet, maar ik heb er nu in elk geval al spijt van.

De auteur is natuurlijk een bibliomaan en verzamelt en koopt honderden boeken per reis voor astronomische bedragen. Het is een feest om te lezen welke titels hij zoal binnensleept. Een kleine proeve;

  • Bericht über die in höchsten Auftrage Seiner Königlichen Hoheit des Prinzen Carl von Preussen […] bewirkte Untersuchung einiger Theile des Mosquitolandes
  • Leaves from the battle-field of Gettysburg
  • Beyond the lines; or a Yankee prisoner loose in Dixie
  • Die berühmteste Radfahr-patrouille des Weltkrieges
  • Evita Perón e l’oro dei nazisti

Wellicht zijn de drie catalogi van Bubb Kuyper nog ergens te koop, daar staat Büch’s nalatenschap in en daarin zijn al die titels na te lezen. Veel van wat er in het boek staat is te zien in zijn programma’s. Wat daar niet in te zien is, zijn de meer persoonlijke gevoelens van Büch. Zo is hij niet tevreden over zijn team (cameravrouw, geluidsman en producer) in Zuid-Afrika. Hij moppert er vrijuit over en dat doet hij ook over de hotelkamers, het eten en de Nederlanders die hem overal aanspreken. Hij lijdt nogal eens aan zwaarmoedigheid en allerlei lichamelijke kwaaltjes en zo zucht en puft hij zich wel een beetje door het boek heen. Dat vind ik meteen de mindere kant van hem. Hij neemt zichzelf nooit eens bij de lurven om dat zelfopgelegde lijden wat te verlichten. Zo vind ik zijn verliefdheid voor de zesentwintigjarige producer Panda ook wat pathetisch overkomen. Dat gezegd hebbend voert zijn enthousiasme voor wat hem wel boeit gelukkig de boventoon en daarom mag ik zijn boeken graag lezen en blijf ik nog steeds naar zijn programma’s kijken.

821f302eba0c615593831375841444341587343
Er zijn veel mensen die wel eens een dagboek bijhouden, maar als de beroemde Franse courtisane Liane de Pougy (1869-1950), dat doet…dan heb je wellicht ook wat moois om te lezen. Het resultaat van haar noeste arbeid zijn Mes cahiers blues en ik las de Engelse vertaling, My blue notebooks.

Liane de Pougy werd geïnspireerd door de dagboeken van Marie Bashkirtseff. Ook Liane schreef haar dagboeken voor publicatie en daardoor zijn ze wat gekleurd. Ik vind er weinig negatiefs over Liane zelf in. Daarover zo meer. Desondanks heb ik er wel van genoten.

Even wat highlights. Liane stortte zich al vroeg in een slecht huwelijk met een legerofficier. Zij kregen een zoon die al jong zou omkomen als piloot. Liane vluchtte naar Parijs en ontmoette de beroemde courtisane Valtessa de la Bigne. Daar begon het gelazer. Liane steeg snel in de rangen van de Parijse elite, kwam uit voor haar bisexuele geaardheid en snoepte van ieder walletje dat ze tegenkwam.Zij liet zich overladen met juwelen en schrok niet terug voor uiterlijk vertoon:

One day…the Poirets called on us to invite us to a dinner dance….everyone was to come dressed as a ‘royal’…we decided to appear thus: the King and Queen of Albania, with their Favourite. The favourite was to be an Italian greyhound wearing a collar of gold and lying on a velvet cushion…

Doe maar gek. Liane, inmiddels getrouwd met de Roemeense prins Ghika, laat het af en toe breed hangen. Haar man is haar ontrouw, maar komt later terug, Toch, ondanks al deze liederlijkheid, heeft zij iets van haar religieuze opvoeding behouden. Haar geloof komt regelmatig terug en zij steunt een opvanghuis voor mismaakte en verweesde kinderen. Uiteindelijk is ze, na de dood van haar man, non geworden; een opmerkelijke carrière-move voor een courtisane.

Zoals gezegd schreef ze voor publicatie. Ze laat veel weg en dat wordt summier toegelicht door de uitgever. Het beeld van haar wordt een klein beetje rechtgezet in het voorwoord door de Dominicaan R.P. Rzewuski, die haar kende:

..there is the odd and mysterious business with Nathalie Barney, friend of her early youth in Paris: her beloved and matchless Flossie. They were united by forty years of mutual affection….the bond…would seem to have become stronger, unbreakable. Well, it was not. One day…Liane…almost bumped into her in a narrow alley. She thought she discerned a mocking smile on the Amazon’s lips, turned her head away and went by without saying a word. She never saw her again.

Dat was Liane dus ook. Keihard soms, maar misschien kan dat niet anders als je je staande wilt houden in de Parijse upper-class. Maar het is leuk om een verslag te lezen uit het Parijs rondom de start van de twintigste eeuw, waar Marcel Proust in het wild rondliep, evenals de componisten Hahn, Poulenc, Auric en de alleskunner Jean Cocteau. Misschien moet u soms wat nazoeken wie Max Jacob (dichter) of Salomon Reinach (linguïst en archeoloog) ook al weer was, maar dan duikt u in een mooie tijd.

Vertaling: Diana Athill

depo1a

Liane de Pougy & Suzanne Dorval

963e210cd2b842e59342f675977444341587343
Na de antisemitische complottheorieën uit Eco’s Begraafplaats van Praag leek Het Achterhuis van Anne Frank mij een mooie tegenhanger, ook al omdat het morgen Nationale Dodenherdenking is.

Het verhaal mag bekend zijn; de dertienjarige Anne Frank duikt met haar famlie en wat anderen onder in Het Achterhuis. Hier begint zij haar wereldberoemde dagboek, waarin zij de brieven richt aan haar denkbeeldige vriendin Kitty.

In het begin schrijft zij echt voor zichzelf; het is niet de bedoeling dat iemand dit leest. Later hoort zij op de radio een toespraak van minister Bolkestein die wijst op het belang van dagboeken uit de oorlog. Dan beseft zij dat ze wellicht ook voor anderen kan schrijven. Wat meteen opvalt is dat zij onverbloemd en verbazend volwassen is in haar taalgebruik. Als iemand nog met het beeld in zijn hoofd zit van dat lieve, kleine meisje dat sierlijk haar dagboekje volkrult, dan zal ik dat hier eventjes bijstellen. Het is een fragment waarin zij uitvaart tegen Kitty over die volwassenen die zich over Anne’s gedrag beklagen:

Ik denk er niet aan om al die beledigingen op me te laten zitten, ik zal ze wel laten zien dat Anne Frank niet van gisteren is, ze zullen nog opkijken en gauw hun grote bek houden, als ik ze duidelijk maak, dat ze niet aan mijn, maar aan hun eigen opvoeding het eerst moeten beginnen…Maar zodra ik er aan ga wennen en dat al wel gauw zijn, zal ik ze hun woorden ongezouten teruggeven, dan zullen ze wel anders praten!

Anne maakt er geen geheim van dat ze niet van haar moeder houdt. De verhouding met haar vader en zus varieert, maar moeder heeft definitief afgedaan en ook dat vermeldt zij. Zij leest op latere leeftijd wel stukken terug en verbaast zich dat zij zo openhartig is geweest, schrijft dat ook op in een naschrift, maar laat alles wel staan. Dat is het mooie van deze uitgave, die is compleet, waar vroegere uitgaven door de vader van Anne Frank, die als enige de oorlog overleefde, werden geredigeerd. De pijnlijkste passages werden er door hem uitgehaald.

De verhouding met Peter, een jongen die ook ondergedoken zit, wordt ook mooi beschreven. Eerst ziet zij hem niet zitten. Hij is verlegen en teruggetrokken, maar naarmate de tijd vordert worden zij vrienden. Zij bespreken alles, zelfs de ontluikende sexualiteit wordt door Anne tot in detail beschreven. Die openhartigheid neemt mij voor haar in.

Het boek ontkomt niet aan een zekere monotonie. Dat heeft te maken met de lange tijd die mensen in een kleine ruimte met elkaar doorbrengen, de kleine en grotere irritaties die er ontstaan. Er gebeurt nu eenmaal niet veel in zo’n kleine ruimte. We moeten het dus hebben van Anne’s observeringen, gedachten en dromen. En er is de angst, de angst om ontdekt te worden, om verraden te worden. Die angst wordt af en toe bijna tastbaar:

Dan, kwart over elf, gedruis beneden. Bij ons was de ademhaling van het hele gezin hoorbaar, verder verroerden we ons niet. Stappen in huis, privé-kantoor, keuken, dan…onze trap. Niemand ademde nu hoorbaar, acht harten bonkten. Stappen op onze trap, dan gerammel aan de draaikast. Dit moment is onbeschrijfelijk.
‘Nu zijn we verloren!’ zei ik, en ik zag ons alle vijftien diezelfde nacht nog door de Gestapo weggevoerd.

Toen liep het goed af, later zijn ze uiteindelijk verraden en is Anne overleden aan de gevolgen van een tyfus-epidemie in concentratiekamp Bergen-Belsen. Het is bekend, maar het wordt des te schrijnender als je net haar enthousiasme hebt gelezen over de succesvolle invasie, de moeder die ze later zelf wil worden en de roman die ze wil schrijven met als titel Het Achterhuis

159fe99d7c9dedb593937685951444341587343

Geheim dagboek van een puritein van Samuel Pepys staat al een tijdje op mijn wensenlijst omdat ik erg nieuwsgierig ben naar dit dagboek. Het complete dagboek wel te verstaan. Die heb ik mij nog niet aangeschaft. Omdat ik her en der ook Privé-Domeinen verzamel mag deze echter niet ontbreken en ik zie het maar als een inleiding op het complete dagboek, wat vast en zeker nog wel een keer gekocht wordt…

Pepys (spreek uit als Pieps) was secretaris van de Admiraliteit en leefde van 1633 tot 1703. Gedurende tien jaar hield hij een dagboek bij, wat resulteerde in een werk van zo’n 3800 pagina’s. In dit boek is hiervan een selectie gemaakt uit de jaren 1660-1669.

We worden geconfronteerd met eerst en vooral de dagelijkse beslommeringen in huize Pepys. Het gaat over bedienden die worden aangenomen en/of ontslagen, over schilderijen waarvoor hij en zijn vrouw poseren, over kleren die worden besteld en over verbouwingen in en om het huis. Het gaat over bezoekjes die worden afgelegd, reisjes die worden gemaakt en voorstellingen die worden bezocht.

Dat klinkt niet enerverend en dat is het ook niet. Voor een groot deel kabbelt het verhaal voort. Ik sla het boek open, het is 5 september 1662:

5 september Vandaag heb ik bij mijnheer Bland, de koopman, gedineerd met de heren van de douane-commissie; een bijzonder voornaam gezelschap…
9 september Sir John Minnes heeft geklaagd over de verbouwing van mijn huis. Hij zegt dat hij nu geen licht meer heeft op zijn trap en zijn deur naar het dak niet meer kan gebruiken en hij dreigde dat hij maatregelen zou nemen…
12 september Bijtijds op en meteen naar mijn huis om met de werklui te spreken; er zit niet veel schot in…
14 september (Dag des Heren) Naar Whitehall; heb de dienst bijgewoond in de kapel van de Koning…

Dat kabbelt allemaal aardig voort. Toch staan er ook zaken in waarvoor ik dergelijke boeken graag lees. Als het gaat over de pestepidemie die er heerst, dan lees je wat voor een impact dat heeft op het straatbeeld. Van de grote brand in Londen wist ik wel, maar Pepys was erbij en heeft het beschreven:

Naarmate het donker werd, zagen we het vuur steeds duidelijker in hoeken en op torens, tussen kerken en huizen zo ver ons oog reikte over de hele heuvel van de City, met afschuwelijke, boosaardige, bloedrode vlammen, helemaal niet zoals de fijne vlammen van een gewoon vuur. Toen het donker werd, zagen we de brand als één grote boog van vuur, die van de ene kant van London Bridge naar de andere kant liep en nog een boog van meer dan een mijl lang de heuvel op; ik heb gehuild toen ik het zag.

Ook de voortdurende twisten met de Hollanders worden beschreven. Het is de tijd van De Ruyter dus in de meeste gevallen loopt het slecht af voor de Engelsen, helemaal als de Hollanders de beroemde ketting bij Chatham hebben gebroken.

Wat opvalt in het dagboek is de eerlijkheid waarmee alles wordt opgetekend (Ze lijkt me een vriendelijke vrouw, maar mooi is ze niet). Hij ontziet hierin ook zichzelf niet. Al zijn zwakheden vertrouwt hij toe aan het papier. Zo is hij niet de aardigste wederhelft en maakt regelmatig ruzie met zijn vrouw (Vanmiddag liet mijn vrouw mij op kantoor een briefje brengen; heb besloten het niet te lezen en het thuis voor haar ogen te verbranden. Ze moet goed weten dat ik van dergelijke onzin niet gediend ben). Daarbij is hij een onverbeterlijke rokkenjager, geen dienstertje is veilig voor hem. Hij wordt een keer betrapt door zijn vrouw en hij weet het goed te praten maar verleren doet hij het niet. Dat maakt hem niet altijd even sympathiek, maar hij houdt niets achter voor zijn dagboek. Verder worden we keurig op de hoogte gehouden van zijn vermogen. Met regelmaat doet hij de boekhouding en tekent hij op hoeveel hij bezit. Dat geld is belangrijk voor hem en als de situatie erom gaat spannen verdeelt hij zijn bezittingen. Zijn vrouw en vader begraven zijn goudstukken voor hem en doen dat volgens hem op knullige wijze. Ook hier krijgt vrouwlief weer de wind van voren.

Ik ben het met Boeklog eens dat dit deel slechts een kleine proeve biedt van het origineel en dat het geenszins volstaat om een oordeel te vellen over “Het dagboek van Pepys” in zijn geheel. Daarvoor is toch echt de aanschaf vereist van de volledige, ongecensureerde versie. Die blijft op de wensenlijst.

The-Dutch-burn-English-ships-during-the-expedition-to-Chatham-Raid-on-Medway-1667Jan-van-Leyden-1669

Engelse schepen in brand tijdens de tocht naar Chatham
Schilderij van Jan van Leyden, Rijksmuseum Amsterdam

80db14193762dde59382f365241444341587343

De ivoren kooi van Edmond en Jules de Goncourt is een vervolg op het Privé-domeindeel Dagboek van de gebroeders De Goncourt. Dat dagboek had ik al eens gelezen en daar was ik erg enthousiast over. Dit deel moest dus ook gelezen.

Nu is dit een wat schlemielig boekje. Nog geen 60 pagina’s leesstof, de afmeting is kleiner dan een volwaardig Privé-domeindeel dus het is een beetje een vreemde eend in de bijt. Maar goed, compleetheidsdrang is een gekte dus aan de slag.

Het zijn, net als in het Dagboek, fragmenten. De gebroeders hielden salon in het midden van de 19e eeuw in Parijs en frequenteerden alle belangrijke salons in de omgeving. Tout bekend Parijs maakt er zijn opwachting en er wordt naar hartelust geroddeld en achtergeklapt. Wat niemand wist, was dat de broers De Goncourt alles minutieus optekenden in een dagboek, waarmee een uniek tijdsdocument is ontstaan.

De broers wisten heel goed waar ze mee bezig waren en dat dit ze niet door eenieder in dank afgenomen zou worden:

11 augustus 1864
Hoe verder ik kom, des te meer loop ik rond met een onbedwingbare trots op onszelf, en wel door wat ik aan laagheden bij anderen zie en door wat deze me nog doen vermoeden.

Dat is ook het aantrekkelijke aan het Dagboek en De ivoren kooi, het zijn inkijkjes in de levens van illustere schrijvers en hun tijdgenoten. Je vergeet wel eens dat ze echt hebben geleefd en hun discussies hebben gevoerd. In zo’n document komen die mensen tot leven:

6 mei 1866
Flaubert zei gisteren tegen me: ‘Er zijn twee mensen in me verenigd. De een, moet u weten, is iemand met een smalle borst, een achterwerk van lood, een man gemaakt om over een tafel gebogen te zitten; de ander een handelsreiziger op reis en een voorkeur voor inspannende lichamelijke oefeningen!…’

Zo leren we Prins Napoléon, zoon van koning Jérôme Bonaparte, ook wat beter kennen:

24 augustus 1867
Ongetwijfeld de ergste vrek die er is, prins Napoleon! Feydau vertelde ons dat hij na de breuk met Anna Deslions een knecht stuurde om bij haar een dekkleed van poolvos weg te halen dat hij haar gegeven had. Feydau was daarbij aanwezig. Hij zei tegen Anna dat hij het verachtelijk van haar zou vinden als ze het teruggaf. De Prins gaf zich niet gewonnen: hij wilde Anna door de prefect van politie, Boitelle, laten dwingen het kleed ‘weer uit te spuwen’.

RTL Boulevard is er niks bij. Ik ben een groot fan van dit soort documenten, zij het dat dit deel veel te beknopt is. Het had makkelijk bij het originele dagboek bijgevoegd kunnen worden en als je al een vervolg wilt maken wegens groot succes, doe het dan serieus. Ergo: inhoud prima, uitvoering onvoldoende.

68274eabadc97c0592f75635877444341587343
Wat het Dagboek van Vaslav Nijinski interessant maakt, is dat het de beleving van een man weergeeft, waarbij de diagnose schizofrenie is gesteld. In mijn voorgaande verslagen Vaslav en Het dossier Vaslav Nijinski komt de levensloop van de balletdanser Nijinski aan bod en het verdient aanbeveling om deze boeken eerst te lezen, voor men aan dit dagboek begint.

Het dagboek bestaat uit drie hoofdstukken, getiteld Leven, Dood en Gevoelens. Dit zijn titels die door Nijinski zelf bedacht zijn, hoewel de onderwerpen in de delen wel een grote overlap vertonen. Wat vooral opvalt zijn een paar thema’s die steeds weer terugkeren. Nijinski geeft consequent aan dat hij God is en tegelijkertijd maar een normaal mens. Hij heeft het vaak over zijn gevoel en onbaatzuchtigheid. Ook heeft hij het vaak over zijn geestesgesteldheid en het lijkt of hij goed weet hoe men over hem denkt. Hij speelt er zelfs mee:

Ik ben God in mensengedaante. Ik voel wat Christus gevoeld heeft. Ik ben als Boeddha. Ik ben de God van de Boeddhisten en iedere gestalte van God. Ik heb ze allemaal ontmoet. Ik doe express of ik gek ben, ik heb daar mijn bedoelingen mee. Ik weet dat wanneer iedereen maar zal denken dat ik een ongevaarlijke gek ben, niemand meer bang voor me zal zijn. Ik houd niet van mensen die denken dat ik een gevaarlijke krankzinnige ben. Ik ben een krankzinnige die de mensheid lief heeft. Mijn waanzin is mijn liefde voor de mensheid.

Nijinski schrijft fanatiek in zijn dagboek en weet dat van zichzelf. Af en toe is hij concreet en verwijst naar gebeurtenissen zoals beschreven in de roman van Japin. Zo komt zijn relatie met de balletimpresario Diaghilev uitgebreid aan bod. Hier komt de ambivalentie in zijn karakter tot uiting. Hij noemt Diaghilev zijn aartsvijand, maar draagt hem tegelijkertijd een goed hart toe. Die ambivalentie komt ook terug in zijn gedragingen ten opzichte van zijn vrouw Romola en zijn dochter Kyra. Soms is hij hard en ongevoelig of kan hij uitbarsten in redeloze woede, aan de andere kant houdt hij van ze en kan hij niet zonder ze. Zijn dagboek staat vol met liefdesbetuigingen aan beiden.

Er wordt veel herhaald in het dagboek, het is geen coherent geheel. Een voorbeeld hiervan is het volgende stuk, dat in andere bewoordingen elders ook weer opduikt:

Zonder energie kan er geen leven bestaan. Het leven is moeilijk omdat de mensen niet begrijpen hoe belangrijk het is. Het leven is kort. Ik schrijf niet om mezelf te amuseren, maar om de mensen dood en leven te doen begrijpen. Ik houd van de dood. De dood kan lieflijk zijn wanneer God dat zo wil, verschrikkelijk wanneer hij komt zonder God…Ik studeer niet zo veel, alleen als God wil dat ik studeer. God verlangt niet van de mensen dat zij zich overbelasten. Hij wil dat de mensen gelukkig zijn…

Deze beschouwingen komen vaak voor en hij spreekt zichzelf nog wel eens tegen. Hier houdt hij van de dood, elders is hij er bang voor. Enerzijds looft hij de intelligentie van zijn vrouw, anderzijds wil hij die vernietigen zodat zij zich in andere opzichten kan ontwikkelen. Er zitten veel kanten aan een persoonlijkheid, geteisterd door wat dan als schizofrenie is gediagnosticeerd. Het boek is de moeite waard als aanvulling op de roman Vaslav van Japin.