archiveren

Maandelijks archief: maart 2015

902958727X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer is een verfrissend boek. Het is een roman over de havenstad Genua, ofwel La Superba (De Hoogmoedige). Het is ook een roman over liefde, maar vooral over fantasie en verbeelding. Dat wordt prachtig gebruikt door de auteur door het hele boek heen.

Het begint al met de vondst van een geamputeerd vrouwenbeen. U leest het goed. Hij neemt het mee naar huis en er wordt een prachtige vrouw bij gefantaseerd, waardoor hij prompt zijn DNA op het been achter laat. En dat was geen wangslijm. Hij ontdoet zich van het been en later in het boek vernemen we meer over de herkomst.

Pfeiffer beschrijft de ontelbare kleine steegjes en pleintjes van Genua waar de leeglopers en de hoertjes huizen, onnavolgbaar bezongen door volkszanger Fabrizio de Andrè in het lied Via del Campo. Hij is geobsedeerd door het mooiste meisje van Genua, serveerster van de Bar met de Spiegels. Daar schrijft hij zijn roman en ontmoet hij markante figuren zoals Rashid de rozenverkoper, of de vulgaire Monia waarvan Pfeiffer hoopt dat ze hem van geld kan voorzien.

Geld waarvoor? Samen met een regisseur wil hij een theater kopen. Alleen wordt hij hierbij opgelicht en krijgt hij een rechtszaak aan zijn broek van de machtigste advocaat uit Genua. Of hij een kleine zes ton kan overmaken. Het zijn mooie avonturen. In twee prachtige intermezzi vertelt hij de verhalen van Don en Djiby. Don is een Engelsman die al even in Genua woont, vol sterke verhalen zit en op het terras zijn einde vindt. Djiby is een Senegalees die het schrijnende verhaal vertelt van zijn onwaarschijnlijke reis naar Italië. Don kon niet terug, verstrikt in zijn eigen verhalen en Djiby kon niet terug. Hij spiegelt het thuisfront voor dat hij het heeft gemaakt en moet ook naar zijn fantasie leven.

Zo worden portretten afgewisseld met zeer wereldse gebeurtenissen, zoals een hilarisch bezoek aan een pornobioscoop of een bijna tastbare beschrijving van de hitte in Genua:

De hitte van augustus is vloeibaar…Het water van de zee dat verdampt, kan geen kant op. Direct achter de stad zijn de bergen…Hier word je in hete waterdamp gaar gestoomd. Vanuit de bergen ziet dat er uit alsof er een mist hangt boven de stad. Maar in de stad zelf zindert de zon. De mist is de lucht die we ademen. In de stad staat dit weer bekend onder de spookachtige naam macaia…Macaia is gemaakt van de zuchten van de Genuezen. De hitte van augustus is vloeibaar. Je strekt je erin uit als in een dampend ligbad en je dompelt je erin onder. Je zwemt door de stegen van de stad. De warmte is tastbaar. Zij stroom tussen je vingers door en langs je huid terwijl je drijft op haar trage golven…Zo zwem ik glimlachend met minieme gebaartjes kleine rondjes door de stegen. Ik hoef niet naar zee om te zwemmen.

Dat leest heerlijk weg zoals heel het boek heerlijk weg leest. Rode draad is de verbeelding en de fantasie die overal in terugkomt. Hij geeft het zelf aan;

Natuurlijk is het zo dat ik Genua heb verzonnen…Je zult haar nooit zo zien zoals ik haar zie, tenzij ik je vertel hoe je haar moet zien.

Daarom is het ook een roman en geen non-fictie. Uiteindelijk wordt het verhaal prachtig rond gemaakt en blijkt de schrijver verwant aan Don en Djiby. Hij kan ook niet terug en sterker nog, uiteindelijk wordt hij zelf De Hoogmoedige.

9079770159.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als je van een goede road-novel houd dan moet je zeker Al die tijd de duivel van Donald Ray Pollock lezen. Het speelt zich af in contreien in Ohio waar je niet wilt zijn, waar niets is en waar de troosteloosheid van af druipt. Heerlijk dus.

Willard Russell is getraumatiseerd terug gekomen uit de Tweede Wereldoorlog. Hij woont met vrouw en zoon in Knockemstiff, Ohio (jawel, dat gehucht bestaat). Als zijn vrouw kanker krijgt draait Willard door. Hij heeft een gebedsstam in het bos waar hij offert en waar hij zijn zoon Arvin dwingt tot vurige gebeden. Charlotte sterft en in zijn waanzin snijdt Willard zich de keel door.

Er trekt een stel moordend het land door. Carl is fotograaf en nietsnut, Sandy werk in een ruige bar en tippelt. Maar soms gaan ze op reis en pikken lifters op, “modellen”, zoals ze ze noemen. Een ander koppel, Roy en Theodore trekken predikend door het land. Roy denkt dat hij doden tot leven kan wekken en die gedachte kent een dramatische afloop.

Arvin woont inmiddels bij zijn oma en er komt een nieuwe predikant in het dorp. Dat blijkt een perverseling en u raadt het; ook hier vallen slachtoffers. Arvin is eigenlijk degene die zich tussen al deze figuren in beweegt en bij wie alle verhaallijnen uiteindelijk samen komen.

Het klink allemaal niet vrolijk en dat is het ook niet. Maar het is geweldig mooi geschreven. Overal hangt een duistere sfeer, getekend door het troosteloze gebied en de karakters die er in zijn gezet. Zoals hier, waar Arvin de hulpsherriff Bodecker naar zijn dode vader bij de gebedsstam brengt;

Bodecker richtte zijn zaklamp omhoog. Dieren in verschillende staten van ontbinding hingen overal om hen heen, sommige in de takken en andere aan hoge houten kruisen. Een dode hond met een leren halsband rond zijn nek was boven aan een van de kruisen gespijkerd als een soort afschuwelijk Christusfiguur… ‘Verdomme jongen, wat is dit in godsnaam?’ zei hij terwijl hij het licht weer op Arvin richtte, juist op het moment dat een witte, kronkelende made op de schouders van de jongen viel…’Het is een gebedsstam,’ zei Arvin, met een nauwelijks hoorbare stem.
‘Wat? Een gebedsstam?’ Arvin knikte en staarde naar zijn vaders lichaam. ‘Maar hij doet het niet,’ zei hij.

Het verhaal is met vaart geschreven en verveelt geen moment. Er zit redelijk wat geweld in, maar dat wordt overal erg matter-of-fact beschreven. Geen overbodige details om het extra aan te zetten. Kortom, een donker maar erg goed verhaal.

Lees hier het verslag van Bettina.

Vertaling; Mon Faber en Uitgeverij Karaat

9449d52ca1408f6597771355267437641414141
Ik loop wel vaker achter de feiten aan, dus als heel de wereld Verslag van een junkie van Christiane F. al lang voor de lijst heeft gelezen, lees ik het dertig jaar later voor het eerst. Het is het verhaal van Christiane en ik houd haar naam aan als auteur, maar het is feitelijk vastgelegd door redacteur Kai Hermann en journalist Horst Rieck.

Het is een eerlijk verhaal met de nodige zelfkritiek. Er wordt niet gemoraliseerd en dat hoeft met zo’n boek ook niet. Het verhaal zelf is hier de waarschuwing.

Als de familie verhuist naar Berlijn komen ze terecht in Gropiusstadt. Een Berlijns stadsdeel met flats voor 45.000 mensen. Weinig groen, geen parken, de jeugd verveelt zich kapot. Er is een Protestants jongerencentrum met een kelder waar muziek gedraaid wordt. Daar gaat Christiane naar toe. Feitelijk is het hasj-hol en hier komt Christiane voor het eerst in aanraking met verdovende middelen. De volgende stap is LSD en dat is niet altijd een succes;

Toen we instapten en de trein wegreed begon ik te flippen. het was om gek van te worden. ik dacht dat ik in een blikken bus zat waar iemand met een enorme lepel in stond te roeren. het lawaai van de trein in de tunnel was afgrijselijk. ik was bang dat ik het niet zou uithouden…Toen we in Rudow uitstapten was ik blij. Nu begon ik pas goed high te worden. Alle lichten brandden ontzettend fel. Een straatlantaarn boven ons brandde feller dan ik ooit van de zon had gezien.

De thuissituatie is een ramp. Ze heeft een tirannieke vader, waar haar moeder uiteindelijk bij wegloopt. Christiane kan niet opschieten met haar moeder’s nieuwe vriend en ze is zo vaak mogelijk weg van huis. LSD voldoet niet meer, ze gaat over op efedrine en mandrax. In de discotheek Sound komt ze in aanraking met ‘horse’ ofwel heroïne. Aanvankelijk wil ze er niets van weten, maar ze zit in een sociale omgeving waar er geen ontkomen aan is. Ze neemt haar eerste snuif en uiteindelijk de eerste spuit.

Ze heeft een vaste vriendengroep waarvan Detlef de belangrijkste vriend wordt. Stella en Babsi zijn haar beste ‘vriendinnen’. Aanhalingstekens, omdat soms pijnlijk duidelijk wordt dat vriendschappen maar beperkt houdbaar zijn. Er moet geld verdiend worden om de ‘horse’ te kopen. Geld bietsen voldoet al lang niet meer. Eerst begint Detlef met tippelen op het station. Christiane volgt hem later. Ze zien dat er vrienden wegvallen. Sommigen nemen een bewuste overdosis, het “golden shot”, anderen overkomt het. Babsi is nog steeds het jongste heroïne slachtoffer ooit in Berlijn, ze is 14 jaar als ze sterft.

Christiane probeert een aantal keer af te kicken. Ze moet steeds door de ‘cold turkey’ heen, de ontwenningsverschijnselen. Het lukt haar maar ze blijft junk. Soms zet ze haar eerste shot al een paar uur nadat ze weer op straat loopt. Op een gegeven moment is ze heel ver heen;

Ik dacht die middag dat het echt een aflopende zaak met me was. Ik had geen zware dosis gespoten, maar alleen te veel azijn. Mijn lichaam had gewoon geen weerstand meer, het deed in elk geval niet meer mee. Ik kende dat van anderen die al dood waren. Die waren ook eerst een paar keer flauw gevallen na een shot…ik wist niet mee waarom ik bang was geweest om dood te gaan. Om in mijn eentje dood te gaan. Spuiters gaan in hun eentje dood, meestal op een stinkende plee. En ik wilde echt dood.

Uiteindelijk zet ze zelf het ‘golden shot’. Maar ze overleeft. Uiteindelijk weet ze af te kicken als ze door haar moeder op het vliegtuig wordt gezet, naar familie, in de buurt van Hamburg.

Ik heb het boek in één adem uitgelezen. Hoe lang geleden ook, ik vind het een sterk boek. Het gaat over tieners die ongelooflijk veel voor hun kiezen krijgen. Ze hebben er zelf voor gekozen, maar ik vraag me af hoeveel je te kiezen hebt als je in zo’n omgeving opgroeit. Dan moet je sterk in je schoenen staan. Het verhaal leest makkelijk en wordt afgewisseld met verhalen van Christiane’s moeder, van de predikant van het jeugdcentrum en van een ambtenaar van de Berlijnse politie. Dat voegt wat toe, evenals de foto’s die in het boek staan.

En Christiane? Ze leeft nog. In 2013 heeft ze haar autobiografie Mein zweites Leben gepubliceerd. Van de drugs is ze niet af, dat is haar leven, maar ze heeft het langer volgehouden dan menigeen die in hetzelfde schuitje zat.

Vertaling; Hans van Straalen

coetzee
Na Jongensjaren was Portret van een jongeman het tweede boek dat ik las van J.M. CoetzeeEen soort vervolg, hoewel de boeken als zelfstandige romans te lezen zijn. Weer een soort autobiografie en we treffen de hoofdpersoon in zijn studentenjaren aan in Zuid-Afrika.

Hij studeert wiskunde maar dit vak lijkt geen roeping te zijn. Hij blinkt niet uit en moet hard werken om bij te blijven. Hij is niet blind voor de maatschappelijke onrust in zijn land. Hij merkt het zelfs op de campus die tijdelijk wordt afgesloten tijdens onlusten;

Hij zou graag geloven dat er genoeg medelijden bestaat met zwarte mensen en hun lot, genoeg behoefte om hen fatsoenlijk te behandelen, om de wreedheid van de wetten goed te maken. Maar hij weet dat het niet waar is. Tussen zwart en wit gaapt een onoverbrugbare kloof. Dieper dan het medelijden, dieper dan een fatsoenlijke behandeling, dieper zelfs dan de goede wil, sluimert aan weerszijden het besef dat mensen als Paul en hijzelf, met hun piano’s en violen, zich slechts met heel zwakke excuses op deze grond bevinden, de grond van Zuid-Afrika.

Hij heeft er ook genoeg van, van het land, zijn studie en zijn halfbakken relaties met vrouwen. Hij wil zijn hart achterna. Kunstenaar worden, dichter zijn in Europa. Het wordt Londen. Hij vindt een baan als leerling-programmeur bij IBM en hij vindt woonruimte. Maar het dichten, dat vlot niet. Natuurlijk, hij weet dat kunstenaars zich vroeger benevelden met opium of alcohol, maar zo is hij niet. T.S. Eliot werkte bij een bank, Kafka op een verzekeringskantoor. Waarom hij dan niet bij IBM?

Hij heeft wel vriendinnetjes maar net als in het vorige boek; ook hier lukt het allemaal net niet. Hij begint aan een analyse van het werk van Ford Madox Ford en wil dichters ontmoeten. Ook weer allemaal net niet. Grappig dat kort even de Nederlandse poëzie onder de loep wordt genomen;

Als Vinkenoog alles is wat Nederland te bieden heeft, wordt zijn ergste vermoeden bevestigd: dat Nederlanders het saaiste, het meest apoëtische volk ter wereld zijn.

Hij neemt ontslag bij IBM en gaat op een huis passen om de kosten te drukken. Omdat zijn verblijfsvergunning gevaar loopt, moet hij toch weer een baan aannemen. Dat doet hij, bij International Computers. Hij richt zich weer op de poëzie maar vraagt zich af:

Is het waar dat kunst alleen uit ellende wordt geboren? Moet hij er weer ellendig aan toe zijn om te kunnen schrijven? Bestaat er ook niet een poëzie van de vervoering, en zelfs een poëzie van lunchcricket als vorm van vervoering? Maakt het uit waaraan poëzie haar drijfveer ontleent, zolang het maar poëzie is?

Uiteindelijk probeert hij zelfs met een reusachtige Atlas-computer gedichten samen te stellen. Zelf komt hij echter tot een soort eindconclusie. Hij was misschien ooit dichter, maar nu niet meer. Geen schrijver, geen kunstenaar, maar programmeur. Hij bevindt zich in een soort eindspel en weet vooralsnog niet hoe hij er uit moet komen.

Niets minder dan een prachtig boek. Het greep mij meer dan het eerste boek. Het is een prachtige vertelling van iemand die een pad voor zichzelf heeft uitgestippeld, maar zich opeens op een heel ander pad bevindt. Hij weet (nog) niet hoe weer op dat uitgestippelde pad te komen. Misschien komt dat in deel drie, Zomertijd. Die heb ik nog liggen.

Lees hier de bespreking van Anna

Vertaling: Peter Bergsma

Verhulst-omslag-CPNB1
De zomer hou je ook niet tegen van Dimitri Verhulst is dit jaar het Boekenweekgeschenk. Ik heb nog nooit iets van Verhulst gelezen, maar met dit werk heb ik niks.

Het is eigenlijk een road-novel. Pierre haalt Sonny, een geestelijk gehandicapte jongen op uit de instelling waar hij verblijft. Dat doet hij vaker. Hij heeft een relatie gehad met de moeder van Sonny en gaat soms met hem wandelen in het park. Deze keer niet. Hij zet hem in de auto en rijdt naar Frankrijk, richting de Provence;

Omdat Sonny over een klein etmaal tegen alle medische voorspellingen in zijn zestiende verjaardag vierde, en Pierre geen beter geschenk had kunnen bedenken dan een vertelling. En daarna, daarna wist Pierre niet wat hij zou doen. Hij had geen plan. Maar alles stond open. Hij kon Sonny die berg af duwen. Ze konden samen de diepte induvelen. Of ze konden een ander vervolg verzinnen. Maar van geen enkele mogelijkheid had hij schrik.

Op dit moment (pagina 12) was ik nog vol aandacht. Ik hou van een goede road-novel en hier kon er nog van alles gebeuren. Ik hoopte op een gejaagde rit naar het zuiden met een onberekenbare passagier. Iets van naderend onheil misschien. Niets van dat al. Ze rijden naar Frankrijk, Sonny gedraagt zich voorbeeldig en wat volgt is een grote monoloog van Pierre over zijn verhouding met de moeder van Sonny.

Ze droomden ooit samen van een huis in Frankrijk, daarom moest er waarschijnlijk naar de Provence gereden worden. Het verhaal had ook in het park verteld kunnen worden. De verhouding hield geen stand. Zij had een kinderwens, hij was al vader, zij het geen succesvolle. Ze gingen uit elkaar en ze kreeg haar kind, Sonny. Waarom Pierre hem ophaalt voor wat wandelingen wordt wel duidelijk in het boek of misschien raadt u het al, het is weinig spectaculair.

Verhulst is een Vlaming en dat geeft gelukkig wel wat zwier aan het verhaal, zoals wanneer Pierre over zijn eigen kind vertelt;

Slechts één keer heeft ze mij de toestemming gegeven haar op het verdriet te betrappen, en dat was toen ze, een jaar of negen, met haar trottinette een immense smak maakte en er een reep vel van haar armen en benen tegen het asfalt kleefde.

Kortom, de noodzaak van dit verhaal ontgaat mij eigenlijk. Het wordt gelukkig aardig opgeschreven maar heel geslaagd vond ik het niet.

ijstweeling-tremayne
I
Jstweeling van S.K. Tremayne is een pageturner van ruim 300 pagina’s. Angus en Sarah Moorcroft verhuizen naar een klein Schots eiland, een jaar nadat één van hun identieke tweelingdochters door een ongeluk overlijdt. Ze willen opnieuw beginnen na een periode van intense rouw.

Prima idee, maar hun zekerheden worden overhoop gehaald door hun nog levende dochter:

‘Nou,’ zeg ik. ‘Hoe vind je dat? Verhuizen naar ons eigen eiland? Vind je dat niet spannend?’ Kirstie knikt zachtjes. Ze kijkt naar haar boek, slaat het dicht, en dan kijkt ze weer naar mij en vraagt: ‘Mama, waarom noem je me steeds Kirstie?’
Ik zeg niets. De stilte galmt door de kamer. Dan vraag ik: ‘Wat zeg je lieverd?’
‘Waarom noem je me steeds Kirstie, mam? Kirstie is dood. Kirstie is doodgegaan. Ik ben Lydia.’

Daarmee is de toon van het boek gezet. Omdat de tweeling volkomen identiek was (met nagellak konden ze hun dochters uit elkaar houden) slaat de twijfel toe. Ze namen aan dat Lydia van het balkon gevallen was omdat Kirstie dat had geroepen, maar de meiden wisselden vaak van identiteit. Verwarring alom.

Ze verhuizen naar een bouwval van een huis op het eiland en Kirstie gaat naar een nieuwe school waar ze Gaelic spreken. Ze wordt er niet geaccepteerd en heeft het zwaar. Sarah en Angus hebben het ook zwaar. Hun relatie vertoont barsten die alleen maar groter worden. Kirstie vertoont ineens gedrag van Lydia en waarom reageert de hond op Kirstie zoals hij alleen deed bij Lydia? Je wordt als lezer ook constant op het verkeerde been gezet en dat is precies wat ik verwacht van zo’n boek.

De barsten in de relatie worden groter en slaan om in wantrouwen. Heeft Angus of juist Sarah een rol gehad in de dood van Kirstie of Lydia? Sarah gaat op onderzoek uit en vindt zaken die ze niet wil vinden;

De mogelijkheden zijn eindeloos en allemaal even verbijsterend, maar ze leiden steeds tot dezelfde conclusie: mijn echtgenoot is verantwoordelijk voor de dood van zijn dochter en nu maakt hij ook zijn andere dochter kapot…Ik ben in staat hem dood te schieten. Beng. De woede die ik voel is gevaarlijk en hevig.

Wie denkt dat ik hiermee een spoiler weggeef: dat zou kunnen. Maar misschien ook niet. Niets is wat het lijkt in dit boek. Komt Kirstie of Lydia naast Sarah slapen in die stormnacht? Sarah weet het zelf niet.

Kortom, een prachtig boek waarvan de rillingen je door het lijf lopen af en toe. Er hangt door het hele boek een ‘unheimische’ sfeer, goed geholpen natuurlijk door de setting van een verlaten Schots eiland met veel wind en regen. Overigens is S.K. Tremayne het pseudoniem van een internationale bestsellerauteur, die woont en werkt in Londen. Wie het weet mag het zeggen.

Vertaling: Lidwien Biekmann

9029573821.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Alles is gekleurd van Joost Zwagerman heeft als ondertitel Omzwervingen in de kunst. Dat is precies wat het is. Zwagerman neemt ons mee in een groot aantal essays langs verschillende kunstvormen. Schilderkunst, fotografie, literatuur en muziek vormen de hoofdmoot. Nu zijn er genoeg mensen die geen fan van Zwagerman zijn, ik hoor ze zelfs om mij heen. “Waarom bemoeit hij zich met schilderkunst of fotografie, laat hem bij zijn vak blijven”. Ik heb daar geen last van, van mij mag hij. Dit is een boek met vlot geschreven essays, vol wetenswaardigheden en voor mij een (hernieuwde) kennismaking met prachtig werk.

De eerste honderd pagina’s gaan over schilderkunst. Hij begint met Rothko en die tentoonstelling heb ik net bezocht, dus dat was al een mooie binnenkomer. Hij vervolgt met de “drippings” van Jackson Pollock. Ik lees zo’n boek onderhand achter mijn computer, want ieder schilderij zoek ik op. Ik had wel eens van Pollock gehoord, maar ben sinds nu fan. De druppels die Pollock laat vallen op zijn doek, dat op de grond ligt, komen zelfs overeen (het is onderzocht) met microscopische patronen in de natuur. Dat u het weet.

De schilderijen van Edward Hopper kende ik een beetje, nu veel beter. Hij breekt een lans voor de ‘moderne’ kunst en laat zien dat we er soms misschien gewoon aan moeten wennen. Getuige ook de uitspraak van de curator (sic!) van het Metropolitan, die geen heil zag in een Picasso-tentoonstelling;

“Such mad pictures would never mean anything to America”

De uitspraak siert nu een wand in het Whitney Museum of American Art. Het boek staat vol met dit soort weetjes. Zwagerman voert ons langs het zachtgroene schilderij Nebraska van Brice Marden, de fascinerende werken van Cy Twombly en langs de avant-garde van “bad painting”. Kijk naar de werken van Georg Baselitz. Geschrokken? Zwagerman legt het u allemaal uit.

Zo licht hij ook het werk toe van schilder Daniël Richter. Mij onbekend maar ik ben terstond fan. Werk van sinistere schoonheid, rauw, dreigend met vaak een apocalyps waar de punk doorheen dendert. Zwagerman;

Om misverstanden te voorkomen: het is ook weer niet zo dat de punkmentaliteit er overal in zijn werk duimendik bovenop ligt. Het is meer dat die mentaliteit is terug te vinden in de combinatie van de kleuren, de ongebreidelheid van de taferelen. Wie die tijd heeft meegemaakt, herkent veel. Maar wie geen boodschap heeft aan de punk van toen, is zeker niet per direct afgesloten van Richters oeuvre.

Er zijn een aantal mooie essays over Andy Warhol en over de fotografie van Annie Leibovitz, Erwin Olaf en Gregory Crewdson. Met name de ‘photostills’ van de laatste zijn voor mij een ontdekking. Prachtig bewerkte foto’s uit de suburbs van de V.S. die de geest ademen van de schilderijen van Hopper.

Hij schrijft over John Updike, Martin Bril, J.D. Salinger, Nabokov, V.S. Naipaul, Jan Cremer, Deep Throat (u leest het goed) en Kate Moss. Het is een mèr à boire in nog geen 400 pagina’s. Zwagerman schrijft, voor zover ik het kan overzien, met kennis van zaken en met lichte toets. Zijn essay over “het feest dat leven heet” is prachtig. Geluk verwoord in een liedje van Daniël Lohues. Geluk vind je namelijk in een fietstochtje door het achterland. Hij zet René Froger hier even mooi weg:

In Nederland durfde, of all people, onder anderen René Froger het aan om puur geluk te bezingen, in ‘Alles kan een mens gelukkig maken’. Goedgemutst opent hij met ‘Ik kan niet zeggen dat ik iets tekort kom”, waarna het ‘eigen huis’ en ‘de plek onder de zon’ als blessing bezongen worden…Maar tóch is zelfs…dat geluk niet onvoorwaardelijk en absoluut – en bekent Froger in een cruciaal zinnetje: ‘Toch wou ik dat ik net iets vaker / Iets vaker simpelweg gelukkig was’…Eh, nóg vaker? Maar hij wás toch al hartstikke gelukkig?…Vervolgens rijst het vermoeden dat we hier te maken hebben met een Rupsje Nooitgenoeg dat ‘alles’ bezit…en desondanks klaagt…Door dat zinnetje verandert de blije jubelzanger in een drenzend zeikjoch dat altijd maar meer wil. Zo iemand gun je zijn geluk niet.

Een heerlijk stuk in verder een heerlijk boek. Ik heb Americana van Zwagerman al aangeschaft, Dat heeft overlap met dit boek, maar is aangevuld met een groot aantal nieuwe essays waar ik al naar kan uitkijken.

tuwenig

Tuwenig van Daniël Richter