archiveren

Maandelijks archief: februari 2021

9044541897.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Kom, roep het van de bergen is het debuut van de Amerikaanse schrijver en intellectueel James Baldwin. Het is een sterk autobiografische roman over een jongen van veertien die opgroeit in Harlem aan het begin van de vorige eeuw. Johnny Grimes is een buitenechtelijk kind (net als James Baldwin zelf overigens) die opgroeit in het gezin van een hardhandige predikant. Deze Gabriel wilde vroeger ook niet deugen tot hij geroepen werd tot het geloof en daar moet nu alles en iedereen voor wijken.

Johnny gaat daar niet in mee. Hij is opstandig en onzeker. Homoseksuele gevoelens die hij heeft, of überhaupt seksuele verlangens zijn taboe en hij zet zich af tegen het geloof van zijn stiefvader. Een stiefvader die, met een slavernijverleden van zijn ouders, de witte mens veracht. Johnny krijgt mee dat hij niet overal mag komen;

Zijn wereld was die van de achterdeur, de onverlichte trap, de keuken en de kelder. Deze wereld was niet voor hem weggelegd. Als hij dat weigerde in te zien en tot het uiterste wilde blijven proberen, dan kon hij wachten tot hij een ons woog; ze zouden hem nooit binnenlaten. Dus John ging anders denken over de mensen en Fifth Avenue, hij werd bang voor hen en wist dat hij op een dag een hekel aan hen kon krijgen als God hem niet op andere ideeën bracht.

Het eerste deel van het boek draait om Johnny maar in het tweede deel verschuift de focus naar zijn tante Florence. Zij durft haar broer Gabriel als één van de weinigen van repliek te dienen en we duiken ook haar verleden in. Zij woonde ooit samen met haar man Frank maar dat liep slecht af. De dialogen die Baldwin voor hen schreef liegen er niet om;

‘De enige verrassing die ik van je wil is dat je je hersens een beetje gaat gebruiken! Dát zou een verrassing zijn! Dacht je dat ik hier de rest van mijn leven wil blijven zitten, bij die vuile zwarten die jij altijd meeneemt naar huis?’
‘Waar zie je ons wonen, lieve schat, als het niet tussen de zwarten is?’…’En wat wou je dat ik deed, Florence? Wou je dat ik wit werd?’

Ook nemen we een kijkje in het verleden van stiefvader Gabriel Grimes. Als jongen, dan nog in het diepe zuiden van de Verenigde Staten, leeft hij er op los tot hij door het geloof wordt geroepen. Hij trouwt met de ooit door witte mannen misbruikte Deborah maar is lang niet altijd even standvastig in zijn geloof; hij verwekt een zoon bij een ander meisje, Esther. Het is geen vrolijk boek, zowel met Esther als de zoon loopt het niet goed af.

Florence was ondertussen al naar New York verhuisd en Gabriel komt er ook wonen met zijn inmiddels nieuwe gezin. Deborah is overleden en hij is nu getrouwd met de zwijgzame Elizabeth, de moeder van Johnny. Hoewel deze zich dus aanvankelijk afzet tegen het geloof werkt de roman toe naar zijn verlossing, die hij vindt in de kerk van zijn gemeenschap;

Toen zag John de Heer – even maar; en even maar was de duisternis gevuld met een licht dat hij niet kon verdragen.

Het is een indrukwekkend boek met een aantal thema’s. De druk van de religie op een gemeenschap is een belangrijk thema, maar door het boek heen loopt ook het thema van racisme. Vader Gabriel die een hekel heeft aan witte mensen, het slavernijverleden dat een grote rol speelt en de vloek die er op het zwarte ras zou liggen al vanaf de zoon van Noach. Dat gaat om Cham, die zijn vader naakt zou hebben gezien net als Johnny zijn stiefvader naakt heeft gezien. Daardoor vervloekte Noach Cham, die wel wordt gezien als de aartsvader van de kleurlingen;

De ironische stem…vroeg John vervolgens smalend of hij geloofde vervloekt te zijn, en herinnerde eraan dat alle zwarten vervloekt waren, alle zwarten waren voortgekomen uit die meest respectloze zoon van Noach.

Johnny is degene die de reis maakt naar zijn verlossing, maar stiefvader Gabriel verpersoonlijkt de begane zondes, het schuldgevoel en het lijden, iets dat hem door zijn zus Florence aan het einde nog eens goed wordt ingepeperd. Een sterke roman en ik heb gelukkig nog wat boeken van james Baldwin liggen.

Lees ook vooral de bespreking van Bettina.

Vertaling; Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre

 

314c4fdd8c13e9e59746b367841444341587343_v5
De sneeuwpanter van Sylvain Tesson is een reisbeschrijving, maar wel een bijzondere. Reiziger, schrijver en filosoof Sylvain Tesson wordt door fotograaf Vincent Munier gevraagd om mee te gaan naar Tibet, op zoek naar de sneeuwpanter waar er nog maar zo’n vijfduizend van in leven zijn.

Ze worden vergezeld door Marie, de verloofde van Munier die er een film gaat maken en door Léo, filosoof en secondant van Munier. Omdat Tesson geen zware bagage kan dragen door een ongeluk is hij wat onzeker over zijn rol in het geheel;

Aangezien ik vanwege mijn gammele wervelkolom niet geschikt was als lastdrager, geen kaas had gegeten van fotografie en ook geen enkele ervaring had met het opsporen van dieren, had ik geen idee wat mijn taak zou zijn. In elk geval ervoor zorgen dat ik niemand ophield en niet moest niezen als de panter zich zou vertonen.

Dat lijkt lollig en die luchtigheid zit zeker in zijn verhaal, maar wat volgt is een geconcentreerd verhaal over de tocht naar de hoogtes van Tibet, op zoek naar de sneeuwpanter. Ik kan op iedere pagina (van de 187) wel iets moois ontdekken. Het is een oefening in geduld om dieren te kunnen observeren. Munier en zijn vrienden zijn er goed in, Tesson minder, maar hij filosofeert terwijl hij wacht in het sneeuwlandschap;

En wij zaten daar, in die verblindende tuin van leven en dood…Het leven in een notendop: geboren worden, rennen, sterven, verrotten en in een andere vorm weer terugkeren in het spel…waardoor een wees geworden zoon zijn moeder kon menen te herkennen in een klapwiekende vleugel, een golvende schub of een trillende vacht.

Het boek is verdeeld in drie stukken, over de aanloop, de voorhof en de verschijning. Af en toe dwalen de gedachten van Tesson terug naar vroeger. Zijn moeder, de vriendin die hij ooit had en die ook zo opging in de natuur. Hij denkt zelfs haar terug te vinden als hij de panter vindt. Maar het zijn vooral zijn observaties en de beschrijvingen die mij zo bijblijven uit dit boek.

Ze zien wolven, wilde ezels, de grote ruwharige jaks die daar gehouden worden maar ook in het wild voorkomen. Ik maak kennis met het blauwschaap, de fluithaas en sinds dit boek heb ik een zwak voor de manoel. Een soort wilde kat die Tesson als volgt beschrijft;

Een andere keer stak een manoel gepikeerd maar koket zijn kop uit zijn schuilplaats. Zijn eigen aaibaarheid leek hem alleen maar kwaaier te maken.

Uiteindelijk gaat het om de sneeuwpanter en hun reis blijkt niet voor niets. Na lang wachten zien ze hem voor het eerst. Op het gevaar af teveel te citeren ga ik het toch doen, want ik vind het prachtig;

De panter richtte zijn kop op en snoof de lucht op. Het dier droeg de heraldieke kleuren van het Tibetaanse landschap. Zijn vacht, inlegwerk van goud en brons, behoorde tot de dag, de nacht, de hemel en de aarde. Hij was getekend door bergkammen, de sneeuwvelden, de duisternis van de kloof en de kristalheldere lucht, de herfst op de hellingen en de eeuwige sneeuw, doornstruiken en alsem, onverhoede onweersbuien en zilveren wolken, goudkleurige steppen en het ijs dat het landschap als een lijkwade bedekte, de doodstrijd van moeflons en het bloed van gemzen. Hij droeg het kleed van de wereld, hulde zich in haar taferelen. De panter, dat sneeuwfantoom, had zich uitgedost met de aarde.

Reizen, filosofische bespiegelingen, observaties en een dosis humor, het zit er allemaal in. Tesson citeert en passant uit literair werk of haalt godsdiensten aan om iets te onderstrepen, maar vertelt vooral ook een boodschap. De panter heeft zich niet voor niets teruggetrokken in een domein waar de mens niet thuis is. Die boodschap is voelbaar door het hele boek heen in een juweel van een verhaal.

Lees ook vooral de prima bespreking van Bettina.

Vertaling; Eef Gratama

 

9025458920.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Mensje van Keulen heeft met haar verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen de Maarten Biesheuvelprijs 2021 gewonnen. Ongekend natuurlijke dialogen en geraffineerde plots waren de voornaamste redenen om de prijs toe te kennen en daar was ik best benieuwd naar.

Het is een dun boekje van 165 pagina’s met 9 verhalen dus je bent er zo doorheen, maar lees het niet te snel. De verhalen zijn inderdaad de moeite waard. Het leuke aan de verhalen is dat het om alledaagse mensen gaat in alledaagse situaties. Ze maken min of meer herkenbare dingen mee, maar de twist zit op het eind en dat geldt eigenlijk voor alle verhalen.

Iedereen heeft wel eens iets in huis verloren, maar voor Simone, door haar man ‘Siempje’ genoemd, gaat het om haar ring. Maar is hij wel in huis verloren? Het kan ook in de supermarkt geweest zijn. Man Patrick helpt mee;

Hij mocht van de medewerker, die hem met gefronste wenkbrauwen succes wenst, bij de kassa een post-it onder het scherm naast het pinapparaat plakken.
‘Laten we, terwijl we de andere briefjes ophangen, zelf ook nog zoeken, Siempje, vooral op de groente-afdeling.’
‘Ik wil naar huis, alsjeblieft, laten we snel naar huis gaan.’
‘We moeten toch even zien of de mensen de briefjes lezen en of ze reageren, het is eigenlijk wel een aardig experiment.’

Een herkenbare situatie, maar de afloop laat zich niet raden en dat is mooi. Dat geldt ook voor Bob, die op rekening bestelt in de bar. Iedereen kent Bob, behalve het meisje achter de bar. Dat maakt niet uit, de allerlaatste zin van het verhaal doet het hem en die ga ik hier niet weggeven.

Ook de moeder die een brief dicteert aan de rechter heeft een verhaal. Haar zoon Joey is een moordenaar en de dood van zijn oma heeft hem net dat zetje gegeven om zo te worden;

De enige om wie Joey leek te geven was zijn oma. Hij ging steeds vaker bij haar langs. Ze gaf hem geld, dat natuurlijk ook. Maar toch, er was iets. Hij deed haar boodschappen en dankzij die kooklessen kookte hij ook voor haar. Het leek even rustig, maar ze kreeg een heel gemene kanker en toen ze doodging is het rietje, waardoor hij nog net een beetje de wereld in keek, geknapt.

Uiteindeljik verdedigt zij niet haar zoon maar zichzelf. Wie ook voor zichzelf opkomt is de aankomend politica die een paar mannen laat langskomen voor een seksdate. Tegelijk. Een stopwatch ernaast en aan de slag. Maar daar heeft ze een reden voor; gaat u het vooral lezen.

De tekst op de binnenflap zegt dat de waarheid soms als een mokerslag komt maar soms subtiel onthuld wordt. Ik houd van beide en die laatste wordt mooi beschreven in het verhaal Meneer Harry, voor wie zich afvraagt waarom hij bij de zustertjes zit;

Mijn broers noemden me vroeger niet voor niets een duikelaar: waar ik ook viel, ik sprong weer op. Tot dat moment waarop een donkere golf in mijn hoofd me verdoofde. Ik bleef volkomen bij terwijl de kracht uit me vloeide  en even een weldadige stilte bracht. Sindsdien maak ik gebaren met mijn linkerhand en glimlach naar de zustertjes en de meesten glimlachen terug.

Misschien gaan subtiliteit en mokerslag hier wel hand in hand. Ik vind het mooi om te lezen. Ik denk ook nog even aan de weduwnaar die als toneelmeester naar zijn werk moet maar aan de praat wordt gehouden door een dame uit zijn straat. Des te groter is zijn verbazing als hij diezelfde dame tegenkomt in de zaal tussen het publiek van de cabaretier. En ook dan is ze niet stil.

Laat ik maar niet meer weggeven. Het zijn stuk voor stuk verhalen die knap in elkaar zitten en die ik met plezier gelezen heb.

9463102345.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Schubert de biografie van Yves Knockaert was een boek dat een beetje in mijn kast brandde. Ik wilde het graag lezen. Waarom? De componist Franz Schubert (1797-1828) is een componist die ik een beetje heb moeten veroveren. Niet vanwege zijn instrumentale muziek. Zijn pianosonates, strijkkwartetten en zijn symfonieën zijn werkelijk prachtig. Dat lag een beetje aan hetgeen waarom hij het meest beroemd is; zijn liedkunst. Daar ben ik ingedoken en ik heb (denk ik) alles van hem beluisterd op dat gebied en hij is onder mijn huid gaan zitten, door zijn muziek alleen.

Maar, van de man zelf wist ik nog niet heel veel. Daarom heb ik zijn biografie aangeschaft zodra deze uitkwam, ik was er alleen nog niet aan toe gekomen. En nu ik hem heb gelezen…ben ik niet helemaal tevreden. Ik zal het trachten uit te leggen.

Het is geen dik boek voor zo’n groot componist, net iets meer dan 300 pagina’s. Maar goed, dat zegt niets over de kwaliteit. De auteur neemt ons chronologisch mee door het leven van Schubert. We zien waar hij zijn muzikale onderricht had, thuis en in het convict waar hij toetrad tot de Wiener Sängerknaben. Tijdens die opleiding bezet Napoleon de stad Wenen en er worden vrijwilligers gezocht om tegenstand te bieden, maar Schubert en de zijnen mochten zich niet aansluiten hierbij. Zijn medestudent Spaun geeft een ooggetuigenverslag;

Om 9 uur op de avond van 12 mei begon het bombardement van de stad. Het was prachtig om te zien hoe de gloeiende kogels voorbijvlogen tegen de nachtelijke hemel, terwijl de talrijke vuurhaarden in de stad de hemel rood kleurden.

Om direct mijn eerste bezwaar te noemen, ik mis meer van dit soort beschrijvingen waarin de mens Schubert en zijn werk in de tijd worden gezet. Er wordt later nog gewag gemaakt van het regime van Metternich en zijn censuur, maar veel meer lees ik niet.

Het talent van Schubert is onmiskenbaar en hij blinkt uit in het lied. Hij heeft te maken met de populariteit van de Italiaanse opera, maar hij wil Duitse opera’s schrijven. Hij probeert het vaak en schrijft veel voor dat genre, maar hij zal nooit bekend worden als operacomponist. Wel door het lied en zijn liederencycli. We lezen waar Schubert zijn teksten vandaan haalt en die staan ook vaak in het boek en dan kom ik op mijn tweede bezwaar; ze zijn alleen te lezen in Nederlandse vertaling. Juist bij zijn liederen is de originele Duitse taal zo belangrijk en wil ik die teksten ook in die taal lezen. Dat er een vertaling naast staat of in de noten, prima natuurlijk. Eigenlijk geldt dat ook voor de weinige dagboekaantekeningen of correspondentie van Schubert die in het boek staat.

Er worden een aantal beroemde werken van Schubert uitgelicht voor een nadere toelichting. Daar wringt het ook een beetje. De ene keer worden er veel musicologische termen gebruikt waar een leek weinig mee kan (…door intrigerende tekstwoorden van hetzelfde interval te voorzien, dikwijls een tertsval of één of meer opeenvolgende dalende tertsen), terwijl Knockaert het ook anders doet, zoals bij de beschrijving van Schubert’s Octet:

De finale begint op een merkwaardig plechtige wijze (Andante molto), die in het Octet tot dan toe nog niet aan bod gekomen is. De sombere sfeer met de onheilspellende tremolo’s is bewust dramatisch expressief om met meer contrast verder te kunnen gaan in het snelle tempo (Allegro), in een soort eindeloze perpetuum-mobilebeweging. Waar je uiteindelijk een briljante conclusie verwacht, grijpt de componist terug naar de introductie, waarna wel nog voldoende energie overblijft voor een roekeloze coda.

Daar kan ik iets mee, roekeloze’s coda’s wil ik direct beluisteren. Wat ik weer minder geslaagd vind zijn de beschrijvingen van diverse verhalen van de verschillende opera’s die niet van de grond komen. Die kan ik elders ook nalezen. Ook komen de eerste symfonieën er met anderhalve bladzijde bekaaid vanaf. Helemaal geen goede punten dan? Zeker wel, ik ben er bijna. Nog twee punten.

Ten eerste weet ik niet wat ik met een heel hoofdstuk moet over Schubert’s geaardheid. Knockaert beschrijft uitgebreid dat men speculeert over homoseksuele gevoelens en dat er uit honderden werken wordt geïnterpreteerd, om tot de conclusie te komen dat hij wellicht biseksueel was maar dat het op zijn muziek al helemaal geen invloed had. Het leek mij een weinig zinvol hoofdstuk. Interessanter, en dat is punt twee, is Schubert’s relatie tot Beethoven. Schubert was een groot bewonderaar van Beethoven en ze hebben elkaar gekend. Of ze elkaar ook ontmoet hebben; het is waarschijnlijk maar niet zeker. Maar om dan vier pagina’s op te nemen met gebeurtenissen waar ze elkaar hadden kúnnen ontmoeten; ik vond het wat veel.

Maar…ik wist niet van die symfonie waaraan Schubert had gewerkt en die niemand ooit heeft teruggevonden, de Gmunden-Gastein symfonie. Of het is toch één van zijn nu bekende symfonieën, of Schubert wilde er aan beginnen, of hij is echt verdwenen. Mateloos boeiende materie. Ook de mij onbekende dagboekfragmenten en de aantekeningen van zijn vrienden geven een mooi beeld van de omgeving waarin Schubert verkeerde. De beroemde muzikale bijeenkomsten of Schubertiades gaan een stuk meer leven en dat is allemaal winst. Ik wilde alleen dat er meer informatie was. Gezien de vuistdikke Engelstalige biografieën van Heinrich von Kreissle (twee delen van 338 en 352 pagina’s) of van Maurice Brown (435 pagina’s) zou dat toch moeten kunnen.

9089539506.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De brandende kampongs van Generaal Spoor van de Zwitsers-Nederlandse historicus Rémy Limpach is een omvangrijke studie naar het gebruik van extreem geweld door het Nederlandse leger in het voormalig Nederlands-Indië. Het is een boek van 780 pagina’s tekst, aangevuld met foto’s en kaarten van de regio.

In mijn bespreking van Revolusi gaf ik al aan dat dit onderwerp mijn interesse heeft omdat mijn grootvader betrokken is geweest bij de Politionele Acties in dit gebied en dat hij daar het nodige heeft meegemaakt. Als getuige of als deelnemer, dat weet ik niet zeker; hij heeft er heel weinig over willen vertellen maar het heeft hem achtervolgd.

Het boek is ruim opgezet. Het begint met de verklaringen van militair Joop Hueting op televisie over de excessen die hij heeft gezien. Hierop volgde de Excessennota van de Nederlandse regering, een summiere en, naar blijkt uit dit boek, onvolledige verklaring over toegepast extreem geweld. Vervolgens gaat de auteur in op de geschiedenis van het conflict, de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog en de verschillende spelers in het gebied, zowel aan Nederlandse als aan Indonesische zijde.

Er is een hoofstuk over extreem geweld in de periode 1945-1946, de zogenaamde Bersiap-periode, waarin gekeken wordt naar Indonesisch, Nederlands én Brits massageweld. Daarna zijn er een aantal case-study’s uitgewerkt over een aantal geweldsexplosies, zoals de Zuid-Celebes-affaire, de tragedie in Rawagede, de massamoord in Malang en de bloedbruiloft in Tjilatjap. Geen vrolijke verhalen maar het is een studie naar de donkere kanten van het Nederlandse optreden daar.

Is het daarmee een leesbaar verhaal? Ik vind van wel en heb geboeid zitten lezen. Er is veelvuldig gebruik gemaakt van brieven en ego-documenten van militairen en ambtenaren die alles mee hebben gemaakt, zoals deze brief;

Heb vanochtend het bevestigen van de macht van de Nederlandsche bajoneten in het landschap Soeppa meegemaakt…Gisteren is daar een grootscheepsche actie geweest […]. Stuk of wat kampongs afgebrand, bevolking verzameld en op aanwijzing van een stelletje spionnen ruim tweehonderd menschen […] als honden, met de revolver, neergeschoten. Er is hier een kapitein [Rijborz], bij het leger, die in een psychopatheninrichting thuis hoort.

Die teksten liegen er niet om en er zijn er veel meer in dit boek verzameld. Ze tonen aan dat excessief geweld op grote schaal en structureel plaatsvond. Vaak door individuele militairen, soms door hun meerderen en zeker, en dat wordt vaak vergeten, mogelijk gemaakt door de legerleiding tot aan de hoogste in functie, Generaal Spoor, aan toe. Spoor liet het voorkomen dat excessief geweld niet getolereerd werd en zwaar bestraft werd, maar hij komt er niet goed van af in deze studie. Ook van kapitein Westerling, die zelf zijn meedogenloze optreden in Zuid-Celebes prima kan verantwoorden, wordt geen mooi beeld geschetst. De kapitein heeft het in zijn eigen mémoires uiteraard niet over zijn speciaal ingerichte martelkamers.

Mijn indruk is dat de studie erg compleet is. Naast de case-study’s wordt uitgebreid ingegaan op de oorzaken van extreem geweld, de meldingen van en verzet tegen dat geweld, de preventie van extreem geweld en vooral het verhullen ervan. We zien dat er vaak gezocht wordt naar verzachtende omstandigheden als iemand voor de krijgsraad komt. Zelden worden er zware straffen opgelegd, terwijl er vaak tientallen tot honderden slachtoffers zijn. Pijnlijk duidelijk wordt dat in het geval van de slachting in Rawagede, waarin ruim vierhonderd mannen werden geëxecuteerd. Zowel Generaal Spoor als Procureur-Generaal Felderhof lieten de verantwoordelijke commandant Fons Wijnen ongemoeid;

Spoor en Felderhof besloten dus Wijnen strafrechtelijk en uiteindelijk ook disciplinair ongemoeid te laten, hoewel geen van beiden eraan twijfelde dat de krijgsraad de majoor zou veroordelen. Hun gevarieerde, strafrechtelijk volkomen irrelevante redenen om de procedure stil te leggen, maken heel veel duidelijk. Zij meenden dat dit moest gebeuren omdat de “vreemde [buitenlandse] inmenging en belangstelling” inmiddels was verdwenen; omdat ze bezorgd waren voor Wijnens carrière; omdat ze begrip konden opbrengen voor de majoor en omdat in elk geval Felderhof militaire eigenrichting liet passeren en zelfs goedpraatte…

Uiteindelijk werd in dit specifieke geval de majoor niet veroordeeld en bood de Nederlandse regering pas in 2011 excuses aan de nabestaanden aan. Opvallend is dat militairen vaak de vergelijking maakten met het drama van Putten in de Tweede Wereldoorlog, waarbij de Duitsers als wraakoefening onschuldige burgers fussileerden. De Nederlanders bleken niet veel beter zo kort na die oorlog in hun eigen conflict.

Bij het lezen van deze studie krijg je geen rooskleurig beeld van het Nederlandse leger in die tijd. Limpach wijst erop dat het een studie naar extreem geweld is en dat het merendeel van de militairen zich correct gedroeg. De studie toont echter wel aan dat wegkijken voor die geschiedenis niet meer kan. Het heeft mij een hoop wijzer gemaakt.

622f0bda4527e84596b6f727841444341587343_v5
Kapitein Raymond Westerling was een omstreden Nederlands militair die gediend heeft in voormalig Nederlands-Indië in de periode 1946-1948. Hij heeft in Mijn Memoires verslag gedaan van hoe hij die periode heeft beleefd, hoe zijn jeugd en jonge jaren eruit zagen en hoe hij de toekomst ziet van een onafhankelijk Indonesië.

Westerling werd in 1919 geboren in Istanbul uit een Nederlandse vader en een Griekse moeder. In de eerste pagina’s wordt al duideljk hoe hij over zichzelf denkt;

Ook wat lezen betreft was ik mijn leeftijd ver vooruit…Met 7 jaar was ik al een goed schutter…Wees voorzichtig! – wat een belachelijke raad! Ik was immers altijd voorzichtig geweest. Had ik dat niet gedaan, dan zou ik al honderdmaal de dood hebben gevonden.

En dit in nog geen twee pagina’s. Maar goed. Westerling heeft actie nodig en dat vindt hij niet in Istanbul. Hij wil het leger in en schrijft zich in. Via een lange reis, om Afrika heen (gevechten met Zoeloes uiteraard in Soedan), via Puerto Rico en Canada belandt hij bij de Prinses Irene-brigade in Wolverhampton in Groot-Brittannië. Hij volgt er een opleiding tot commando, wordt even uitgezonden naar Brits-Indië maar bevindt zich even later in België tijdens de Tweede Wereldoorlog waarin hij zelf militairen moet trainen. Hij is dan al een allround commando die zich in vrijwel elk terrein kan redden.

Hij raakt gewond door een exploderende V1-raket en is een tijd uitgeschakeld maar komt er bovenop. Na de oorlog gaat hij naar Nederlands-Indië, waar op dat moment anarchie heerst en bendes vrij spel hebben, de zogenaamde Bersiap-periode. Westerling ontvangt er zijn eerste opdracht;

De Japanners toonden weinig neiging de capitulatie van hun regering te aanvaarden en het terrorisme nam dagelijks in omvang toe…Het leek van het grootste belang iemand naar Sumatra te sturen, zelfs vóór de komst der geallieerden. Dat werd mijn eerste opdracht.

Dat doet hij op kenmerkende manier. Hij opereert voornamelijk ’s nachts en weet een guerilla-leider ongezien uit zijn huis te ontvoeren. Hij was daarvoor een weddenschap aangegaan met een majoor. Die won hij, hij leverde het hoofd van de bandiet op een bord aan de majoor. Het leest allemaal als een spannend jongensboek, maar daar zit natuurlijk een heel andere kant aan. Ik kom er nog op terug.

Het meest berucht is Westerling om zijn optreden op Zuid-Celebes. Ook dat gebied werd geteisterd door guerilla’s en moest ‘gezuiverd’ worden en Westerling leek daar geknipt voor. Hij kreeg het voor elkaar, maar gebruikte daar zijn eigen methoden voor. Hij betrok de bevolking bij zijn acties en handelde volgens het plaatselijk gewoonterecht, maar gebruikte ook standrechterlijke executies. Verraders werden in het openbaar terecht gesteld en dat had tot gevolg dat hij een berucht militair werd. Toch neemt hij zelf termen als ‘verlosser’ en ‘Robin Hood’ in de mond. Hij was zich echter ook bewust van de kritiek;

Eén zo’n geval van vergelding, nadat een voorafgaande waarschuwing in de wind was geslagen, had plaats onder nogal spectaculaire omstandigheden en dit ergerde vele Europeanen en leidde tot scherpe critiek op mijn methoden.

Het is ook niet misselijk wat er gebeurd (hij beschrijft het letterlijk) maar blijkbaar had het effect. Dat spannende jongensboek is dus maar één kant van het verhaal. Hoewel Westerling niet ontkent verantwoordelijk te zijn voor honderden doden wordt daar toch vrij snel aan voorbij gegaan in zijn mémoires. Toch neemt hij een apart hoofdstuk op met de titel ‘Ter zelfverdediging’. Dat heeft te maken met de verhalen over vele tienduizenden doden die hem door de Republikeinen (de regering van Soekarno) in de schoenen worden geschoven, maar ook met zijn eigen methoden. Methoden, waarvan zijn superieuren wel degelijk op de hoogte waren. Uiteindelijk neemt hij ontslag uit dienst voor de tweede politionele actie. Hij doet uitgebreid verslag van zijn poging tot staatsgreep die mislukt, om later via Singapore naar België te reizen. Uiteraard met een bloedstollend verhaal over de ontsnapping met een watervliegtuig en de zinkende roeiboot in de door van haaien vergeven zee voor de kust van Singapore. Uiteindelijk geeft hij nog zijn toekomstvisie voor Indonesië, waarbij hij voornamelijk wijst op de gevaren van een communistisch gezinde regering in die regio.

Westerling komt er in zijn mémoires natuurlijk goed vanaf. Het lijkt en is een avontuurlijk leven en hij was ongetwijfeld een uitstekend militair. Voor hoeveel doden hij echt verantwoordelijk is, wellicht geeft de studie van Rémy Limpach, De brandende kampongs van Generaal Spoor, hier meer duidelijkheid over. Ik ben er al in begonnen. Het is lastig voor te stellen dat Westerling, na zijn verblijf in Nederlands-Indië, vrij anoniem doorleefde met een korte carrière als opera-zanger, handelaar in antiquarische boeken en als badmeester. Hij overleed in 1987 aan een hartstilstand in zijn woonplaats Purmerend.

b83fb6c7601ef96596f372f6651444341587343_v5
F. Springer, een pseudoniem van Carel Jan Schneider (1932-2011), schreef zijn romans geïnspireerd op zijn eigen leven als bestuurder en diplomaat. Dat geldt ook voor één van zijn succesvolste werken, Bougainville. Hij werkte onder meer als diplomaat in Nieuw-Guinea, New York, Bangkok, Brussel, Dhaka, Teheran en Straatsburg. Ik las al boeken van hem die Nieuw-Guinea als decor hebben, Bericht uit Hollandia en Schimmen rond de Perula, maar Bougainville kende ik nog niet.

Bo werkt in Bangladesh als Nederlandse chargé d’affaires, een soort ambassadeur. Zijn vriend, Tommie Vaulant is daar ook als VN-medewerker en die verdrinkt in de zee bij Cox’s Bazaar. Hij wordt meegesleurd door een onderstroom. Tenminste, dat is het verhaal. Bo krijgt namelijk een pakket toegestuurd die Tommie blijkbaar al op de post had gedaan. Daar blijken de kasboeken in te zitten van Tommies opa, opa De Leeuw, die volgeschreven staan met zijn mémoires. Ook heeft Tommie zelf er allerlei teksten bijgeschreven.

Zo ontstaan er eigenlijk drie verhaallijnen. Allereerst Bo zelf, die zijn besognes in Dacca heeft (nu Dhaka), zoals die baggerzuiger die voor hem afgeleverd wordt maar die hij bezwaarlijk op zijn hotelkamer kan stallen. Ten tweede opa De Leeuw, die uitgebreid verslag doet van het feit dat hij tijdens een bootreis met Mata Hari de kooi in is gedoken;

Was zij het werkelijk? Ik wíst dat zij het was, maar bewijs het maar eens. Ik wist dat zij het was, in 1919, toen ik in de wekelijkse leestrommel van ‘Toko Madioen’ (boeken en tijdschriften voor het gehele Gezin) lange rapportages over de spionne Mata Hari vond. Een donderslag! Een bonkend hart in de keel! Het kon niet anders, het kón toch niet anders, maar Joh. De Leeuw Hzn, klerk bij de Staatsspoorwegen te Soerabaja, was met de grootste spionne aller tijden ter kooi geweest, jawel, hij had haar, al in de vorige eeuw, zijn ster, maan en zon mogen noemen!

Ten derde is er dan Tommie, die ook zijn verhaal via zijn aantekeningen in de kasboeken vertelt. Van hem komt ook de titel van het boek, Bougainville. Het is een eiland in de Grote Oceaan en in het boek komt niemand daar terecht, maar Tommie gebruikt het als een plaats waarnaartoe hij kan ontsnappen;

…maar Bougainville is ’s nachts om drie, vier uur mijn vluchtoord. Na enige oefening kan ik er nu in veertig minuten zijn.

Uit die herinneringen van opa De Leeuw en van Tommie komen we steeds weer in het heden terecht, waarin Bo in Dacca een ambassade tracht op te zetten. Hij brengt avonden door met Ole, de zwaar drinkende Zweedse ambassadeur en hij gaat op bezoek bij de president van Bangladesh. Die overigens vindt dat Nederland de Deltawerken ook wel even in Bangladesh kunnen bouwen. Ook heeft Bo nog te maken met een doodsbedreiging vanwege de houding van de Nederlandse politiek ten opzichte van Israel.

Eenmaal terug in Nederland vindt er een reünie plaats van de oude klas van Bo. De overleden Tommie is onderwerp van gesprek en Madeleen komt binnen, het knapste meisje van de klas. Madeleen heeft Tommie voor zijn vertrek naar Wenen nog vierentwintig uur gezien, maar Tommie is vertrokken en heeft niets meer van zich laten horen.

Waarmee we eigenlijk op het centrale thema van de roman komen en dat is wat mij betreft ‘vluchten’. Alle personages zijn op één of ander moment op reis, gaan weg en sommigen keren nooit meer terug. Het wordt gesublimeerd in het toevluchtsoord ‘Bougainville’, de enige plaats waar niemand fysiek naar toe gaat. In die zin vind ik het een mooie roman, waarin best veel gebeurt in 128 pagina’s. In een andere zin ging het voor mij ook wat van de hak op de tak met al die herinneringen. Het boek wordt aangevuld met een korte biografie van F. Springer en een stuk over de ontvangst van deze roman door het publiek. 

Omslag_def
Las ik het vorige boek Revolusi met meer dan normale belangstelling, bij dit boek van Eddy Korwa was dat nog meer het geval. Daar kom ik nog op terug. De Verstekeling vertelt het verhaal van de vlucht per vrachtschip van Sorong naar Rotterdam van een jonge Papoea.

Lezers van mijn blog weten dat ik af en toe een boek voorbij laat komen dat met West-Papoea te maken heeft. West-Papoea, nu een onderdeel van Indonesië, waar Nederland ooit beloften heeft gedaan om dat land naar onafhankelijkheid te leiden. Iets waar in het boek van P.J. Drooglever veel meer over te lezen is.

Eddy Korwa werd in 1940 geboren in het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, op het eiland Biak. Hij groeide er op en volgde de LTS in Hollandia, wat nu Jayapura is, de hoofdstad van West-Papoea. Daarna volge hij een opleiding tot lichtmatroos en was hij betrokken bij het oppakken van Indonesische infiltranten op de Raja Ampat-eilanden. De voorbereiding op onafhankelijkheid werd steeds grimmiger en Eddy sloot zich aan bij de verzetgsgroep Kobe Oser. Uiteindelijk moest hij voor zijn eigen veiligheid zijn land verlaten en besloot hij samen met een vriend als verstekeling naar Nederland te reizen aan boord van een vrachtschip van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd.

Dat klinkt makkelijker dan het was. Hij moest hiervoor zijn vriendin achterlaten, zijn ouders en andere familie. Zij wisten van niets. Hij had het geluk dat een vroegere penvriend aan boord werkte die hem en zijn vriend Tony een schuilplaats bezorgde in de dubbele wand van het schip;

Veel later hoorde ik pas wat er gebeurd was. De havenmeester had gemeld dat hij twee Papoea’s miste, ook die Korwa was er niet. Het schip was stilgelegd en van onder tot boven doorzocht door mannen van de Brimob (mobiele brigade), Kopassus (militaire speciale eenheid) en de beveiliging van de marine. Zij hadden ook dat water en carbidgas in de dubbele bodem gepompt, met de bedoeling eventuele verstekelingen eruit te jagen. We hebben echt geluk gehad.

Het lukt Eddy en Tony om in Nederland politiek asiel aan te vragen. Via kennissen belandt Eddy uiteindelijk in Utrecht waar hij als chauffeur bij Defensie gaat werken. Hij trouwt, krijgt kinderen en gaat zich inzetten voor zijn vaderland. Dat varieert van deelname aan protesten in Den Haag waarbij hij opgepakt wordt tot aan de organisatie van een vredesmars van Nijmegen tot Den Haag. Die protesten trekken soms de aandacht in de pers, maar in ieder geval van de veteranen in Nederland;

Veel van die oudgedienden voelen zich tot op de dag van vandaag verbonden met de Papoea’s. Net als wij voelen zij zich in de steek gelaten door de Nederlandse regering. Ook hun verhaal staat niet in de geschiedenisboekjes.

Voor mij herkenbaar, want mijn vader is één van die veteranen en hij is tot op de dag van vandaag bezig om zich in te zetten voor hun belangen. Eddy gaat met zijn gezin in Nieuwegein wonen en richt de Stichting Papua Projectgroep Nieuwegein op, om zo de Papoea-cultuur via manifestaties uit te kunnen dragen. Ook begeleidt hij de prominente Papoea Viktor Kaisiëpo als deze in Genève gaat spreken op een congres bij de Verenigde Naties. Hij reist met een voetbalteam naar Vanuatu en uiteindelijk gaat hij naar Papoea terug om zijn familie die nog leeft te ontmoeten.

Wat mij treft in dit boek zijn uiteraard de persoonlijke ontboezemingen van iemand die alles en iedereen moet verlaten om in Nederland opnieuw te beginnen. Moet verlaten, omdat hij in zijn eigen land niet veilig is. Hij ontmoet later de jongen die hem aan boord hielp van het schip maar daardoor zelf in de problemen kwam. Hij blijkt ineens ook een zoon achtergelaten te hebben in West-Papoea. Eddy groeit op tussen twee culturen. Papoea tot op het bot, maar ook Nederlander als hij in Papoea is. Uiteraard is er veel aandacht voor de schrijnende situatie in West-Papoea. Nederland dat daar heeft verzaakt, het besef dat het om geld gaat omdat het land zo rijk aan grondstoffen is en het met voeten treden van mensenrechten.

Voor mij is het boek een feest der herkenning. Ik ben zelf een aantal maal in West-Papoea geweest en ik heb bijeenkomsten in Nederland bezocht. Eddy Korwa is getrouwd met de oudere zus van een oude bekende van mij. Ik heb Viktor Kaisiëpo ontmoet en gesproken en ben op die bijeenkomsten veel bekende namen tegengekomen die in dit boek figureren. Omdat ikzelf in Nieuwegein ben opgegroeid weet ik van de Papoea-gemeenschap daar (er is een apart hoofdstuk aan gewijd) en staan er oud-klasgenoten van mij in het boek.

Erg leuk voor mij allemaal, maar belangrijker is de boodschap die Eddy Korwa uitdraagt en die zijn te jong overleden zoon Jofrey wilde uitdragen; heb oog voor de situatie in West-Papoea en voor wat Nederland daar ooit heeft beloofd. Het begint bij respect voor mensenrechten en een gelijkwaardige dialoog, met goede opleidingen voor een breed kader en uiteindelijk onafhankelijkheid. Daarom komen dit soort boeken hier soms voorbij.