archiveren

Fotografie

Een liefdegeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés van de Nederlandse fotograaf Ed van der Elsken is één van de bekendste en wellicht belangrijkste fotoboeken uit de Nederlandse fotografie. Nu koop ik zelden fotoboeken, maar ik las erover in het boek Gare du Nord van Eric Min en mijn interesse was meteen gewekt. Ik zal voor deze bespreking dan ook teksten en citaten uit dit boek gebruiken.

Ed van der Elsken komt in de zomer van 1950 aan in Parijs en weet nog niet zo goed wat hij met zijn leven wil beginnen;

‘Ik slaap op de Seinekade bij de clochards. Als ik de eerste keer ontwaak onder de Pont Neuf, blijkt in mijn rugzak de stokvis, die mijn moeder me de vorige dag in Amsterdam had meegegeven – “Hier jong, dan heb je tenminste wat te eten de eerste dagen, dit bederft niet” – door de ratten te zijn aangevreten.’

Maar hij heeft een Rolleicord camera bij zich en hij vindt aansluiting bij een internationaal gezelschap van bohémiens, die elke nacht in de cafés van Saint-Germain-des-Prés existentialistisch zitten te wezen. Van dat gezelschap schiet hij duizenden foto’s en daaruit stelt hij een beeldroman samen. Dat is dit fotoboek.

Bijna alle foto’s zijn in de avondschemering of ’s nachts gemaakt, een flitsapparaat heeft hij nog niet. Zolang hij met de Rolleicamera werkt moet hij veel wachten en keuzes maken, want iedere foto moet raak zijn. Pas later met een Leica camera kan hij zich veroorloven om een rolletje of zelfs twee aan een scène te besteden.

Van der Elsken maakt op die manier pure en grofkorrelige foto’s vol sfeer. Hij is vakman en deinst er niet voor terug om soms regieaanwijzingen te geven of een scène over te laten doen, maar het levert prachtige beelden op. Verwacht geen mooie plaatjes van gezellige bar-bistro’s, het zijn vaak close-ups, soms hele filmstrips en allemaal in zwart/wit. De meeste (en beste) beelden zijn allemaal in het moment van de actie ontstaan. Vaak weten de mensen niet eens meer dat Van der Elsken aanwezig is;

Een getuige herinnert zich dat ‘die vreemde blonde buitenlander’ opging in het decor, en afdrukte wanneer iedereen hem vergeten was.

Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Près is niet alleen een fotoboek, Van der Elsken heeft er een beeldroman van gemaakt. Het is een raamvertelling met terugkerende personages en nevenintriges. Het zijn nachtbrakers, zwervers en andere lotgenoten die hij portretteert en waar hij een verhaal bij verzint. Hoofdpersoon is de Australische kunstenares (en Van der Elskens deeltijdse muze) Vali Myers. In de beeldroman heet ze Ann, een opvallende verschijning met een wilde rode haardos en donkere, met kohl omrande ogen, die in de jazzclubs voor wat geld haar danskunsten laat zien.

De verteller in de beeldroman is een Mexicaanse jongen die altijd om Ann heen hangt. Of hij haar krijgt, leest en bekijkt u dat zelf maar. Het is een verhaal van niets maar daar gaat het in dit boek niet om. Het is een prima kapstok om ons aan de hand van prachtige foto’s door een nacht heen te loodsen aan de Rive Gauche, van de Eden – in werkelijkheid café Le Mabillon op de hoek van Boulevard Saint-Germain en de Rue de Buci – naar de Mau Mau, het (vandaag verdwenen) kroegje Chez Moineau in de Rude du Four.

De teksten van het beeldverhaal doen er dus niet zo heel veel toe, maar als Ann, alias Vali Myers, gecomplimenteerd wordt met haar danskunsten, omdat ze danst ‘als een Afrikaanse negerin’, laat haar antwoord weinig aan de verbeelding over;

‘Ik zou een kind van een neger willen hebben. Negers bewegen zich zo sierlijk. Ze zijn zo zachtmoedig. Ze zijn zo rustig […] Ik slaap ook veel met negers. Ik heb er nu een, die heeft zo’n groot hand, dat ik er mijn hoofd in leg als ik ga slapen.’

Overigens was Parijs maar het beginpunt van het roerige leven van Vali Myers, u kunt er hier meer over lezen en op Youtube is zij ook te vinden.

Ik vind het een prachtig boek. Ongekunstelde, ruwe foto’s. Van mensen vooral, maar de foto die mij het meest trof is de foto van een muur. Een gevangenismuur. Het boek is lang niet te koop geweest en je vindt nog steeds sites waar je grof geld moet betalen als het boek weer verkrijgbaar is, maar gelukkig is deze heruitgave weer beschikbaar en beter betaalbaar. Het is de moeite waard.

51529b7ca968860596f7a636c77444341587343_v5
De stilte van het licht van Joost Zwagerman is een boek waar ik blij van word. Het gaat over kunst en ligt in het verlengde van zijn boek Alles is gekleurd. Op de achterkant staat dat dit boek een onderzoek is naar facetten van immense stilte en naar de vraag of stilte in de kunst wellicht een verlangen is om er niet te zijn. Voeg daaraan een ondertitel toe van Schoonheid en onbehagen in de kunst, en dan heeft Zwagerman een vrijbrief om alle facetten van de kunst voor het voetlicht te brengen.

En dat is goed, want ik hoor hem graag aan als hij het over kunst heeft. Hij heeft het vermogen om mij enthousiast te maken over kunstwerken waar ik niet eerder bij stilgestaan had en dat doet hij nu weer. Hij legt zichzelf wel een paar kaders op, door het boek te verdelen in Stilte, Schoonheid, Onbehagen en Verdwijnen, maar je kan hier uiteraard genoeg aan ophangen en dat doet hij dan ook.

In het voorwoord licht Zwagerman de keuze voor de besproken werken toe;

Die verknoping van schoonheid en onbehagen geldt voor veel andere werken van kunstenaars in De stilte van het licht: …Van Zurbaráns Stilleven met vier kruiken uit 1650 tot het…alom bewonderde (en ook alom bespotte) Zwart vierkant van Malevich. Die twee schilderijen zijn, dwars door de eeuwen heen, directe familie van elkaar.

Zoekt u ze maar eens op, die link had ik nooit gelegd en daarom is het een mooi boek. Zwagerman legt allerlei verbanden uit de kunst van het verleden met hedendaagse kunst, maar verbindt het net zo goed met literatuur of een song van Amy Winehouse.

Nu ben ik zelf een voorstander van het adagium ‘anything goes’ in de kunsten maar ik had toch wel weer een paar eye-openers te pakken. Ik had ooit gehoord van performance-kunstenaar Marina Abramović, die in het deel Stilte besproken wordt, maar had mij er nooit in verdiept. Zoekt u op Youtube haar indrukwekkende performance The Artist is Present eens op. Een adembenemende oefening in stilte, waarin Abramović gedurende drie maanden, zes dagen in de week, onbeweeglijk en zonder een woord te zeggen op een stoel zat. Om beurten konden bezoekers tegenover haar plaatsnemen.

Dat staat in schril contrast met een andere stilte, namelijk de stilte in de werken van J.H. Weissenbruch en Jan Mankes. Ook Mark Rothko komt voorbij met zijn kleurvlakken en hier verbindt Zwagerman zijn werk mooi met de poëzie van John Taggart. Ik voeg daar vanuit mijn kennis en smaak de muziek van Morton Feldman bij (overigens een vriend van Rothko) en je hebt zo een paar genoeglijke uren te pakken.

Maar er valt veel meer te zeggen over de stilte. Je vindt het in een uitvergrote theedoek, zakdoek of inpakpapier van Daan van Golden, in de foto’s van Hendrik Kerstens, die van een plastic zak een barok hoofddeksel maakt of in het filmfragment uit American Beauty, waar een plastic zakje in de wind de hoofdrol voor zichzelf opeist. En kende u de Cloud Appreciation Society al? Ik kwam het tegen bij het stuk over kunstenaar Berndnaut Smilde, die maakt en fotografeert wolken, maar dan binnenskamers.

Dan onbehagen, want onbehagen is ook leuk. Ik zei al, anything goes, maar ook het werk van shock artist Andres Serrano, die een crucifix onderdompelde in een bak urine om daar foto’s van te maken? Wat mij betreft wel, het levert prachtig werk op. Of kijk eens naar de studie van Francis Bacon naar een portret van Diego Velazquez van paus Innocentius X. Zo had de paus het nooit bedacht in ieder geval.

Verstikking en verstilling vinden we in het werk van Phineas Q. Eldridge met The Suffocation Rooms. Steeds hetzelfde interieur, beginnend bij een heel kleine, ijskoude kamer. Langzamerhand naar grotere kamers die steeds warmer worden tot een reuzeninterieur in een bloedhete ruimte. Prachtig beschreven, alleen…niet-bestaand. Wel bestaand is het werk van Levi van Veluw, The Collapse of cohesion, the Room. Een video van een spartaans ingerichte ruimte, waar op zeker moment ondefinieerbaar fijnstof naar binnen wordt geblazen. Even later wordt alles in de ruimte in een sureëel laag tempo weggeblazen.

Het laatste deel in het boek, Verdwijnen, geeft een heel letterlijk voorbeeld van dat begrip in het werk van Robert Rauschenberg, Erased de Kooning. De nog niet zo bekende kunstenaar Rauschenberg vroeg een kunstwerk aan de bekende artiest Willem de Kooning om het uit te kunnen gummen en het zo zijn kunstwerk te maken. De Kooning stemde in;

‘I don’t like it. But I realise what you’re doing’

Kunstbroeders onder elkaar dus. Een heel ander aspect van verdwijnen is het verdwijnen in een regenboog. Jan Andriesse kan dat. Eerst door een close-up te schilderen. Ik vind het één van de eye-openers van dit boek. Een schilderij met vervagende kleuren, het heet ook Arc-en-ciel, maar ik zou er in een tentoonstelling waarschijnlijk aan voorbij zijn gelopen. Dat geldt helemaal voor Caryatide, een ‘grijs vlak’. Tot je je realiseert dat hij hier de binnenkant van de regenboog lijkt te willen schilderen. Je hebt geen idee wat voor werk daar in zit;

Andriesse vertelde eens in een interview dat hij per dag één laag op een doek aanbracht. Sommige van zijn werken kosten hem als gezegd een jaar of meer werktijd. Dat betekent: meer dan driehonderd lagen op één doek. Door al die verflagen zijn de meeste van zijn werken letterlijk loodzwaar.

Dat plaatst de ‘dat-kan-mijn-neefje-van-dertien-ook’-doctrine ineens in een heel ander perspectief en dat geldt voor heel veel meer werken in dit boek. Een absolute aanrader voor kunstliefhebbers.

0880014962.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de boeken die ik de laatste tijd heb gelezen over het Parijs tussen de twee wereldoorlogen in, was er één figuur die steevast opdook. Dat was Kiki de Montparnasse. Ik was geïntrigeerd genoeg om haar boek Kiki’s Memoirs aan te schaffen en ik heb er geen spijt van. Natuurlijk wil je de eerste uitgave graag hebben uit 1929, of de eerst vertaalde uit 1930 maar die zijn niet te betalen, dus ik ging voor de meer betaalbare Engelse heruitgave uit 1996.

Er zijn voorwoorden van de Japanse kunstenaar Tsuguharu Foujita, waarvoor zij model stond en door Ernest Hemingway, die nooit meer voor iemand anders een voorwoord zou schrijven. Dan de memoires van Kiki zelf. Ze baarden nogal wat opzien in hun tijd. Zo werden ze door hun expliciet seksuele inhoud tot in de jaren zeventig verboden in de Verenigde Staten. Nu kijken we er niet meer van op, maar Kiki was haar tijd in Parijs ook aardig ver vooruit.

Ze heette Alice Prin (1901-1953) en kwam uit een dorp in de Bourgogne. Ze werd door grootmoeder opgevoed omdat haar moeder in Parijs zat. Daar kwam ze uiteindelijk toch terecht en kreeg een behoorlijk vrije opvoeding. Hoewel ze een baantje kreeg in een schoenenfabriek poseerde ze al op veertienjarige leeftijd naakt voor diverse kunstenaars. Kiki vertelt;

The next day, I went out to look for work, and I met an old sculptor who, seeing that I was up against it, had me come and pose for him. That was something new for me, to strip like taht, but what else was there to do!…My mother forced her way into the sculptor’s and proceeded to throw a scene. I was posing, and she began to scream that I wasn’t her daughter any more, that I was nothing but a dirty wh-.
That didn’t mean anything to me!
It even cheered me up a little, because I understood now that the game was up.

Het spel was inderdaad op de wagen. Kiki krijgt vriendjes en wordt een steeds bekendere verschijning in het uitgaansleven van Montparnasse. Daar neemt ze ook al snel haar nieuwe naam aan. Talloze kunstenaars ontmoet ze en ze wordt door geschilderd door Foujita en Kees van Dongen, gefotografeerd door Man Ray, weergegeven door Alexander Calder, in brons gegoten door Pablo Gargallo enzovoort. Ze ziet er geen been in om gevraagd of ongevraagd haar boezem te ontbloten of haar rokken op te tillen terwijl ze wat chansons laat horen. Hoewel ze geen fantastische stem had volgens de overlevering was haar populariteit onverminderd groot. Zelfs haar fysieke ongemak, het ontbreken van schaamhaar wist ze tot een unique selling point te maken;

Posing is something I’m not very crazy about, for I’ve got a pilose system that’s not as well developed as it might be in a certain spot, and so, I have to dab myself up with black chalk. But I can give a swell imitation of hair!

Ik heb de memoires niet in het Frans gelezen en hoewel Hemingway in zijn voorwoord aangeeft dat deze eigenlijk niet te vertalen zijn, is de taal ongekunsteld en vrijuit. Het leest makkelijk weg. De meerwaarde van dit boek zijn de vele foto’s die er in staan van Kiki, van haar vrienden, haar minnaars, de artiesten die haar vereeuwigden, van de kunst die van haar is gemaakt én van de kunst die zij zelf maakte. Ook zij tekende en schilderde zelf. Hoewel ze midden in de kringen van dadaïsten en surrealisten verkeerde, had ze er wel een mening over;

We hang out with a crowd called Dadaists ans some Surréalists – for my part, I don’t see much difference between them!

Ongekunsteld en vrijuit…Oud werd ze niet. Ze zakte op 51-jarige leeftijd ineen aan de Côte d’Azur, waarschijnlijk aan de gevolgen van drugs- en alcoholgebruik. Maar ze leeft voort in haar memoires en vooral in de prachtige werken waartoe zij velen inspireerde.

Beelden van Kiki de Montparnasse in een film van Man Ray en Fernand Leger

Vertaling; Samuel Putnam

95f578382a0409c593750365241437641414141
Ik heb de laatste tijd wat boeken over Parijs gelezen en de kunstenaars die daar hebben gewoond en Belicht geheugen van Man Ray heeft daar ook mee te maken. Het is de autobiografie van de Amerikaanse dadaïstische en surrealistische fotograaf, schilder en filmregisseur. Een groot deel van zijn leven heeft hij in Parijs gewoond en hij ligt er ook begraven.

Nu had ik wel van de man gehoord, kende wat van zijn foto’s maar daar bleef het bij. Ik wist eigenlijk niet dat hij ook schilderde. Sterker, daar begon en eindigde hij mee. Later kwam de fotografie erbij en de films. Hij heeft al dat werk in de geest van Dada gemaakt, die een afwijzing voorstaat van de traditionele kunst. Daarbij experimenteerde hij met nieuwe technieken, zoals zijn rayografieën;

…stuitte ik op het procédé van mijn rayografie, foto’s zonder camera. Een vel fotopapier kwam in de ontwikkelbak terecht – een onbelicht vel dat tussen de reeds door een negatief belichte vellen was geraakt; ik maakte eerst een aantal opnamen die ik later tegelijk ontwikkelde – en toen ik tevergeefs een paar minuten wachtte of er een beeld zou opdoemen, vol spijt over de verkwisting van het papier, zette ik gedachteloos een kleine glazen trechter, de maatbeker en de thermometer in de bak op het natte papier. Ik deed het licht aan; voor mijn ogen begon zich een beeld te vormen, niet het eenvoudige silhouet van de objecten zoals op een gewone foto, maar vervormd en gebroken waar het glas meer of minder contact met het papier had gemaakt…

En zo ben je live bij de ontwikkeling van fotografie en kunst.  Dat geldt ook voor de films die hij maakt. Hij noemt het geen experimenten maar zorgvuldig uitgedachte werken, waarin mensen onherkenbaar herkenbare dingen doen, door met een kous over het hoofd te gaan duiken, dobbelen of wat dan ook. De focus echter in dit boek ligt in de onafzienbare stoet aan beroemdheden waar Man Ray mee werkt. Marcel Duchamp, Salvador Dalí, Kiki de Montparnasse (zij zouden een zesjarige relatie hebben), Picasso, Erik Satie, Marcel Proust (hij zou zijn doodsbed vastleggen), Ava Gardner enzovoort. Het biedt fascinerende lectuur.

Dat geldt ook voor zijn ontmoeting met de avonturier William Seabrook en zijn vrouw. Een vreemd koppel dat Man Ray uitnodigde om op een vrouw te passen die zij hadden ingehuurd en aan de trap hadden vastgebonden. Je moet het even lezen om te geloven. Inherent aan al deze exotische personen is dat het niet altijd de diepte ingaat. Ik had graag meer willen lezen over de kunstenares Meret Oppenheim. Zij baarde opzien door haar met bont beklede kop en schotel, maar Man Ray maakte ook prachtige foto’s van haar. De Kunsthal weidde er ooit in 1997 een aparte tentoonstelling aan.

Man Ray komt uit dit boek naar voren als een veelzijdiger artiest dan ik had gedacht. Ik heb dan ook veel opgezocht. Hij liet zich leiden door zijn eigen instinct en wist altijd de aandacht op zich te vestigen, waar hij zich ook vestigde. Dat leidde tot veel lezingen, die hij niet altijd even goed voorbereidde overigens;

Toen ik op het podium stapte met een bundel papier in mijn hand, zag ik een gelaten blik op veel gezichten. Langzaam en plechtig las ik de eerste bladzijde en stopte toen, om naar mijn toehoorders te kijken…Toen ik aan de tweede bladzijde begon,ging ik vlugger lezen, bij de derde aangekomen las ik die bijna zonder adem te halen uit. Toen ik de volgende bladzijde opsloeg stopte ik weer, liet hem aan de toehoorders zien en zei: dit was het. De bladzijde was onbeschreven, net als de rest van de stapel. 

Man Ray, een verrassende man en een voor mij verrassend kunstenaar met prachtig werk. Overigens was ik zo gelukkig het exemplaar van Belicht geheugen te bemachtigen met een opdracht van de vertaalster aan Bernlef en zijn vrouw.

Vertaling; Erica Stigter

a6ed91b88c9e6015939554f5277444341587343
Vrouwen die lezen zijn gevaarlijk van Stefan Bollmann kocht ik een beetje in een opwelling. Vanwege de titel natuurlijk, vanwege de aansprekende kaft en vanwege het onderwerp.

De titel spreekt aan omdat ik mij dan toch blijkbaar regelmatig met gevaarlijke dames inlaat. Nu is dat in de praktijk redelijk te overzien dus moet zo’n titel ergens door verklaard worden. Toen het boek eenmaal gemeengoed werd nam het lezen een grote vlucht, onder mannen en zeker ook onder vrouwen. Dat laatste werd niet door iedereen even goed gepruimd;

Een vrouw die leest, verovert een vrijplaats waartoe alleen zijzelf en niemand anders toegang heeft en bezorgt zichzelf hierdoor een onafhankelijk gevoel van eigenwaarde. Bovendien ontwikkelt ze daardoor ook haar eigen wereldbeeld, dat niet per se overeenstemt met het beeld dat ze door afkomst en traditie meekreeg, of met dat van de mannen.

Precies, dat moeten we natuurlijk niet willen met z’n allen, dus: gevaar. Gelukkig kijken we er tegenwoordig wat anders tegenaan en blikken we terug op die tijd aan de hand van een aantal schilderijen, tekeningen en foto’s van vrouwen die lezen of in ieder geval met een boek in de weer zijn.

Eerlijk gezegd wordt het thema er een beetje met de haren bijgesleept. We maken een niet te dik boek over platen van lezende vrouwen, vertellen het (natuurlijk niet nieuwe) verhaal erbij van de vrouwen die alsmaar mondiger worden en meer kennis vergaren, laten Kristien Hemmerechts een voorwoord schrijven en voilà, we hebben een boek.

Anderzijds, er staan werkelijk een aantal prachtige schilderijen in van artiesten die ik niet kende, zoals het Interieur met lezend meisje van de Deen Peter Ilsted of het doek Jonge vrouw met boek van de Rus Aleksander Deineka. Zo zie ik een foto van een lezende Alice Liddell, de Alice die toen ze klein was verhaaltjes te horen kreeg van ene Charles Ludwidge Dodgson. Deze wiskundige verzon fantastische verhalen waarin de heldin niet toevallig Alice heette. Hij zou later wat publiceren onder de naam Lewis Carroll en dan weet u genoeg.

Nu weet ik ook dat Marilyn Monroe wel degelijk bezig was in Ulysses van James Joyce op de beroemde foto’s waar zij lezend op staat afgebeeld. De fotografe bevestigt het. Ze las zelfs hardop en vond het moeilijk (dat vond ik ook, trouwens). Kortom, dat vind ik leuk om te weten.

Er valt genoeg af te dingen op dit boek. Makkelijk onderwerp, vaak erg summiere beschrijvingen, een schilderij over twee pagina’s afgedrukt waar één pagina veel mooier is enzovoort. Aan de andere kant heb ik weer bijgeleerd en kennis gemaakt met mooi en nieuw werk. Dat lijkt me nooit verkeerd.

Vertaling; Hilde Pauwels

6a00d8341c10fd53ef015433098e95970c-500wi

Jonge vrouw met boek van Aleksander Deineka

9029573821.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Alles is gekleurd van Joost Zwagerman heeft als ondertitel Omzwervingen in de kunst. Dat is precies wat het is. Zwagerman neemt ons mee in een groot aantal essays langs verschillende kunstvormen. Schilderkunst, fotografie, literatuur en muziek vormen de hoofdmoot. Nu zijn er genoeg mensen die geen fan van Zwagerman zijn, ik hoor ze zelfs om mij heen. “Waarom bemoeit hij zich met schilderkunst of fotografie, laat hem bij zijn vak blijven”. Ik heb daar geen last van, van mij mag hij. Dit is een boek met vlot geschreven essays, vol wetenswaardigheden en voor mij een (hernieuwde) kennismaking met prachtig werk.

De eerste honderd pagina’s gaan over schilderkunst. Hij begint met Rothko en die tentoonstelling heb ik net bezocht, dus dat was al een mooie binnenkomer. Hij vervolgt met de “drippings” van Jackson Pollock. Ik lees zo’n boek onderhand achter mijn computer, want ieder schilderij zoek ik op. Ik had wel eens van Pollock gehoord, maar ben sinds nu fan. De druppels die Pollock laat vallen op zijn doek, dat op de grond ligt, komen zelfs overeen (het is onderzocht) met microscopische patronen in de natuur. Dat u het weet.

De schilderijen van Edward Hopper kende ik een beetje, nu veel beter. Hij breekt een lans voor de ‘moderne’ kunst en laat zien dat we er soms misschien gewoon aan moeten wennen. Getuige ook de uitspraak van de curator (sic!) van het Metropolitan, die geen heil zag in een Picasso-tentoonstelling;

“Such mad pictures would never mean anything to America”

De uitspraak siert nu een wand in het Whitney Museum of American Art. Het boek staat vol met dit soort weetjes. Zwagerman voert ons langs het zachtgroene schilderij Nebraska van Brice Marden, de fascinerende werken van Cy Twombly en langs de avant-garde van “bad painting”. Kijk naar de werken van Georg Baselitz. Geschrokken? Zwagerman legt het u allemaal uit.

Zo licht hij ook het werk toe van schilder Daniël Richter. Mij onbekend maar ik ben terstond fan. Werk van sinistere schoonheid, rauw, dreigend met vaak een apocalyps waar de punk doorheen dendert. Zwagerman;

Om misverstanden te voorkomen: het is ook weer niet zo dat de punkmentaliteit er overal in zijn werk duimendik bovenop ligt. Het is meer dat die mentaliteit is terug te vinden in de combinatie van de kleuren, de ongebreidelheid van de taferelen. Wie die tijd heeft meegemaakt, herkent veel. Maar wie geen boodschap heeft aan de punk van toen, is zeker niet per direct afgesloten van Richters oeuvre.

Er zijn een aantal mooie essays over Andy Warhol en over de fotografie van Annie Leibovitz, Erwin Olaf en Gregory Crewdson. Met name de ‘photostills’ van de laatste zijn voor mij een ontdekking. Prachtig bewerkte foto’s uit de suburbs van de V.S. die de geest ademen van de schilderijen van Hopper.

Hij schrijft over John Updike, Martin Bril, J.D. Salinger, Nabokov, V.S. Naipaul, Jan Cremer, Deep Throat (u leest het goed) en Kate Moss. Het is een mèr à boire in nog geen 400 pagina’s. Zwagerman schrijft, voor zover ik het kan overzien, met kennis van zaken en met lichte toets. Zijn essay over “het feest dat leven heet” is prachtig. Geluk verwoord in een liedje van Daniël Lohues. Geluk vind je namelijk in een fietstochtje door het achterland. Hij zet René Froger hier even mooi weg:

In Nederland durfde, of all people, onder anderen René Froger het aan om puur geluk te bezingen, in ‘Alles kan een mens gelukkig maken’. Goedgemutst opent hij met ‘Ik kan niet zeggen dat ik iets tekort kom”, waarna het ‘eigen huis’ en ‘de plek onder de zon’ als blessing bezongen worden…Maar tóch is zelfs…dat geluk niet onvoorwaardelijk en absoluut – en bekent Froger in een cruciaal zinnetje: ‘Toch wou ik dat ik net iets vaker / Iets vaker simpelweg gelukkig was’…Eh, nóg vaker? Maar hij wás toch al hartstikke gelukkig?…Vervolgens rijst het vermoeden dat we hier te maken hebben met een Rupsje Nooitgenoeg dat ‘alles’ bezit…en desondanks klaagt…Door dat zinnetje verandert de blije jubelzanger in een drenzend zeikjoch dat altijd maar meer wil. Zo iemand gun je zijn geluk niet.

Een heerlijk stuk in verder een heerlijk boek. Ik heb Americana van Zwagerman al aangeschaft, Dat heeft overlap met dit boek, maar is aangevuld met een groot aantal nieuwe essays waar ik al naar kan uitkijken.

tuwenig

Tuwenig van Daniël Richter