archiveren

Maandelijks archief: november 2019

902956170X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Stefan Zweig (1881–1942) was een Oostenrijkse schrijver van Joodse komaf. In zijn autobiografie De wereld van gisteren vermengt hij zijn eigen geschiedenis met het tijdsbeeld van rond de eeuwwisseling tot vlak voor zijn zelfgekozen dood in 1942.

Zweig werd geboren in Wenen. Dat was een stad waar het goed toeven was aan het eind van de 19e eeuw en Zweig zingt de lof over zijn stad;

Gastvrij en met een bijzonder assimilatievermogen trok deze stad de meest ongelijksoortige krachten aan en ontspande ze, maakte ze los en bracht ze tot rust; het was een mild klimaat om in te leven, deze atmosfeer van geestelijke tolerantie, en onbewust werd elke burger van deze stad tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap opgevoed.

Iedere burger een wereldburger; dat is het gevoel wat Zweig zal vasthouden. Voorlopig vindt hij zijn weg in de stad, waar kunstenaars rondlopen als Brahms en Mahler en waar de joodse burgerij een voorname rol in speelde;

…negen tiende van wat de wereld als Weense cultuur van de negentiende eeuw bejubelde, was een door de joodse Weners gestimuleerde, gevoede of zelfs zelf gecreëerde cultuur.

Tock waren veranderingen onontkoombaar. Goede veranderingen, een verschuiving in de kunsten bijvoorbeeld. Jonge kunstenaars stonden op en Zweig en zijn vrienden zogen alles in zich op. Ze maakten kennis met Hugo von Hofmannsthal, een komeet van een schrijver en dichter én met Rainer Maria Rilke, een dichter die veel geleidelijker tot wasdom zou komen.

Minder goede veranderingen waren er ook. De eerste scheuren dienden zich aan in de maatschappij in de vorm van grof geweld in de politiek, terwijl Zweig en de zijnen daar nog weinig oog voor hadden. Zij schreven en bediscussieerden hun gedichten, maar

In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen.

Zweig studeert ondertussen onder meer filosofie in Wenen en Berlijn. Hij komt in aanraking met verschillende kunstvormen en ontmoet de door hem bewonderde dichter Emile Verhaeren in België. Hij zal zijn werk ook vertalen. In Parijs ontmoet hij de dichter Rilke en de beeldhouwer Rodin. Er volgt een mooi portret van deze Fransman als hij Zweig meeneemt naar zijn atelier, nog wat begint te schaven aan één van zijn beelden en vervolgens zo volledig in zijn werk opgaat dat hij Zweig vergeet.

Zweig reist ook naar Engeland waar een evenzeer mooi portret wordt gegeven van een vrouw bij wiens doop Goethe nog aanwezig is geweest. Hij reist zelfs naar India om zijn blik te verbreden, om van buitenaf eens Europa te beschouwen.

In dat Europa waait een nieuwe wind. Het was de tijd van uitvindingen en ontdekkingen, maar met die wind kwamen er ook donkere wolken mee. Er was trots en zelfvertrouwen, maar dat bracht ook expansiedrift met zich mee. Industrieën draaiden op volle toeren en dat gistende vat kwam ergens tot ontploffing. Zweig vertelt;

Als je je nu in alle rust afvraagt waarom Europa zich in 1914 in een oorlog stortte, vind je geen enkele zinnige reden en zelfs geen aanleiding. Het ging niet om ideeën, het ging niet werkelijk om de kleine grensgebieden; ik kan geen andere verklaring vinden dat dit overschot aan energie…

Toch komt die oorlog er en de beschrijving van de rekruten die zich opmaken om naar het front te gaan vind ik treffend. Of je er zelf bij bent. Gedurende de oorlog toont Zweig zich als de Europeaan die hij zich voelt. Hij probeert de contacten te onderhouden met zijn vrienden die nu tot ‘de vijand’ behoren en die vriendschap krijgt hij terug, bijvoorbeeld van de Franse dichter Romain Rolland.

Als de oorlog afgelopen is, heeft iedereen, logischerwijs, hoop op een goede toekomst. De kunsten gingen verder op de schop. Melodie in de muziek hoefde niet meer, er golden nu andere principes. Klassieke schilders gingen het depot in, kubisme deed zijn intrede, schrijvers en dichters vonden alles opnieuw uit, weg met de lidwoorden bijvoorbeeld. Ook Zweig was kritisch ten opzichte van zijn vroege werk en bedacht;

De tijd was voorbij waarin ik mijzelf had kunnen wijsmaken dat alles waar ik aan begon maar voorlopig was. Ik had het midden van mijn leven bereikt, de leeftijd van louter beloften was voorbij. Nu was het zaak het beloofde waar te maken, mijzelf te bewijzen of het definitief op te geven.

Opgeven hoeft niet, Zweig is zeer succesvol. Zijn werken worden in allerlei talen vertaald. Hij bezoekt vrienden door heel Europa en merkt dat het Europese gevoel nog springlevend is, ook bij de vroegere ‘vijand’. De propagandamachine was blijkbaar toch minder binnengekomen als gevreesd.

Toch, en dat beschrijft Zweig heel goed, komen er weer verschuivingen. Er zijn steeds kleine opstootjes en brandjes waar niemand veel aandacht aan schenkt. Ze komen op en verdwijnen weer. Er staat wel iemand met een grote mond te brallen in de Beierse bierhuizen, maar dat is plaatselijke amok. Tot deze figuur rijkskanselier wordt. Er verschijnen ineens goed getrainde ordetroepen op straat en de sfeer wordt grimmiger.

Zweig onderkent de gevaren en zal zijn woonplaats Salzburg verlaten. Hij laat alles achter, inclusief zijn immense verzameling handschriften, en vertrekt naar Engeland. Vanuit Londen ziet hij hoe Europa langzaam een nieuwe oorlog inglijdt en hij lijdt mee. Toen zijn moeder op sterven lag ging hij nog een laatste keer naar Wenen, voor een laatste afscheid van alles en iedereen;

Ik heb die laatste twee dagen in Wenen elke vertrouwde straat afzonderlijk, elke kerk, elke tuin, elk oud hoekje van de stad waar ik geboren ben, bekeken met een vertwijfeld, onuitgesproken ‘nooit meer’.

Zweig laat Europa achter zich en zou uiteindelijk met zijn vrouw in Brazilië zelfmoord plegen, gedesillusioneerd over de vernietiging van ‘zijn’ Europa.

Het is een boek van ruim 400 pagina’s en het geldt als een autobiografie, maar het is natuurlijk veel meer dan dat. Het laat Europa zien aan het eind van de negentiende eeuw en hoe dat continent twee oorlogen over zich heen kreeg. De hoop die ontstond in het interbellum, de ontzetting over hoe het toch weer fout ging. De onderkenning daarvan door hemzelf, de ontkenning van zoveel anderen, die daarvoor ook een hoge prijs zouden betalen. Prima lessen voor de toekomst, maar een levensgrote spiegel tegelijkertijd, want zoals het toen was is het nu; we zijn er zelf bij.

Vertaling; Willem van Toorn

c5445462db6a15d5976655a7467444341587343
Ik ben soms een hopeloos opportunistische boekenkoper, maar soms leidt dat tot mooie ontdekkingen. Ik kwam overal de nieuwe uitgaven van W.G. Sebald tegen en dus ook commentaren op zijn werk. Sebald zou de schrijver zijn die een Nobelprijs was misgelopen. Ik had wel eens van hem gehoord maar nooit iets van hem gelezen dus verdiepte mij in zijn werk, ik werd geïntrigeerd en schafte de nieuwe vertalingen aan. Dit is zijn debuutroman, Duizelingen, die eerder werd uitgegeven als Melancholische dwaalwegen.

Eerst iets over de auteur zelf. Hij werd in Duitsland, Beieren, in 1944 geboren als Winfried Georg Maximilian Sebald. Hij studeerde literatuurwetenschap en vestigde zich vanaf 1970 in Norwich in Groot-Brittannië. Hij werd professor in de Europese Letterkunde aan de Universiteit van East Anglia en begon te schrijven. Hij overleed aan de gevolgen van een auto-ongeluk in 2001.

Hoe ga je nu een boek als dit toelichten? Navertellen heeft weinig zin, het is geen boek dat toewerkt naar een plot. Het is een boek over geschiedenis, reizen, herinneringen, observaties en overpeinzingen. Toch start het ergens en wel met het verhaal van Henri Beyle die met Napoleon over de Alpen naar Italië trekt. Of het helpt dat je weet dat Beyle het pseudoniem is van de schrijver Stendhal, geen idee. Volgens mij niet. De reis die Beyle maakt, zien we later deels terug in de reis die de auteur als verteller maakt.

Die verteller bevindt zich bijvoorbeeld in Wenen om te ontsnappen aan een moeilijke tijd in Engeland. In prachtige zinnen vertelt hij hoe hij toch contact zoekt;

Er ontstaat een bijzonder soort leegte wanneer je in een vreemde stad tevergeefs telefoonnummers staat te draaien. Als er niemand opneemt, is dat een teleurstelling met een enorme betekenis, alsof het bij dit cijferspel werkelijk om leven en dood gaat. Als ik dan de munten die uit het toestel rinkelden weer in mijn zak had gestopt, restte mij dus niets anders dan weer doelloos tot diep in de nacht buiten te blijven rondlopen.

Nu heeft u wellicht de indruk dat dit één roman is, maar het boek (ruim 200 pagina’s) bestaat uit vier verhalen. In al die verhalen wordt er gereisd door de verteller, door Duitsland, Oostenrijk en Italië. In Verona volgt hij het spoor van Kafka, waarna een hilarisch fragment volgt als hij in een bus twee jongens ziet die sprekend op de schrijver lijken. Hij wil graag een foto van ze hebben maar hun ouders verbieden dat waar hij zich maar bij neerlegt om niet als een Engelse pederast weggezet te worden.

Venetië wordt onder meer het decor van de geschiedenis van Casanova en in Riva wordt er gekuurd. In de haven daar legt een schip aan en Sebald beschrijft dat als volgt;

Het duurt drie volle jaren voordat het schip, alsof het over het water wordt gedragen, zachtjes de kleine haven van Riva binnen zweeft. In de vroege ochtenduren legt het aan. Een man in blauwe overall stapt aan land en haalt de trossen door de ringen. Twee andere mannen in donkere jassen met zilveren knopen dragen een baar achter de bootsman aan, waarop onder een grote gebloemde doek duidelijk een mens ligt. Het is Gracchus de jager.

Die baar en die jager komen we later in Tirol weer tegen en dat is het vernuftige aan dit boek. Er zijn ontmoetingen met open eindes, maar ook namen en gebeurtenissen die in andere verhalen terug komen. Soms zit de verwijzing in een naam, soms in een beeld zoals het golvende riet, dat ik voorin en achterin het boek tegenkom.

Het boek is een mengeling van feiten en fictie en speelt met herinneringen en het vergeten daarvan. Kenmerkend zijn ook de foto’s die hij gebruikt en die echt onderdeel van het verhaal zijn.

Geen navertelling van het verhaal dus maar hopelijk geef ik zo een impressie van wat het boek te bieden heeft. Ik geniet van zinnen als

Ze was rijzig, had een breed, open gezicht met watergrijze ogen en een dikke bos vlaskleurig haar als van een halflingerpaardje.

Of wanneer een sfeer als volgt wordt neergezet;

Op de geoliede plankenvloer lagen plassen bier en sneeuwwater, en de rook, die in dichte wolken door de gelagkamer trok en uiteindelijk naar de gammele ventilator toe dreef, vermengde zich met de zure stank van nat leer en loden jassen en gemorste gentiaan.

Als ik er zo van kan genieten is dit meteen een compliment aan de vertaalster. Ik las ergens dat het geen boek is voor luie lezers maar wel voor trage lezers. Ik legde het soms even opzij om het te laten bezinken en dat beviel goed. Het is een boek om te herlezen en ik kijk uit naar zijn andere werk.

Vertaling; Ria van Hengel

f20430b91e5bfd2597048456651444341587343
Ik heb mij de laatste tijd aardig verdiept in de Nederlandse componist Alphons Diepenbrock. Een beetje door toeval, door het boek van Erik Menkveld, hoewel ik zijn muziek al wel kende. Dit biografisch essay over Diepenbrock, geschreven door componist en musicoloog Leo Samama ontbrak nog in de bagage, tot nu.

Het is geen dik boek, zo’n 286 pagina’s, en het leven van Diepenbrock wordt niet uitputtend beschreven, maar dat hoefde voor mij niet. Ik wilde het lezen om een andere reden, namelijk om zijn muziek.

De ondertitel van het boek is Componist van het vocale en dat is meteen het grootste kenmerk; zijn oeuvre wordt grotendeels bepaald door vocale muziek. Dan kom je meteen ook bij zijn teksten uit en, volgens de auteur, zijn meest karakteristieke eigenschap als componist; de literaire of talige impuls.

Dat wil zeggen dat een goed begrip van zijn muziek nauwelijks denkbaar lijkt zonder een even goed begrip van de gebruikte teksten. Die teksten ontleende hij aan Nederlandse schrijvers en dichters als Vondel, Verwey en van Deyssel, aan Duitse schrijvers en dichters als Goethe, Heine en Nietzsche en later ook aan hun Franse collega’s als Verlaine en Baudelaire.

Daarom was dit boek voor mij van belang. Het geeft van veel composities de ontstaansgeschiedenis weer met veel muziekvoorbeelden. Ik ben geen musicus en er staan soms wat technische termen in, maar over het algemeen is het prima te volgen, zeker als je de muziek ernaast beluistert.

Wat verbluffend is om te lezen, is dat Diepenbrock als componist autodidact was. Van beroep was hij leraar klassieke talen en hij heeft als zodanig ook gewerkt. Niettemin werd hij volledig geaccepteerd als vakman, door zijn collega’s en topdirigenten als Willem Mengelberg. Hij was wel een twijfelaar en bleef vaak schaven aan bestaande partituren. De auteur over het ontstaan van een compositie;

Wie Diepenbrocks correspondentie doorleest, moet inderdaad constateren dat zijn muziek als impulsieve bevlieging ontstond, maar daarna met veel doorzettingsvermogen als geschreven partituur veroverd moest worden op de gedroomde klank.

Die gedroomde klank bleek nogal eens een probleem voor de uitvoerende partijen. Zo componeerde Diepenbrock drie ‘reien’ (een rei is een koor in een toneelstuk); de Rey van Amsterdamsche maegden, de Rey van clarissen en de Rey van burchtstaeten;

De première in Haarlem door het plaatselijke Toonkunstkoor en het Concertgebouworkest liep uit op een grote teleurstelling doordat het koor niet tegen de moeilijkheidsgraad van de muziek was opgewassen.

Ook na herziening bleven het erg lastige werken, dus hij had de lat hoog liggen met zijn gedroomde klank. De twijfel die hij had betrof dan ook niet zozeer zijn kunde als componist, maar wel hoe te komen tot het beste resultaat. Integendeel, hij was zelfs vrij zeker van zijn eigen kwaliteiten. Zo wilde hij een mis componeren voor mannenstemmen met orgel, wat de Missa in die festo zou worden. Diepenbrock zei daarover;

Maar er worden in de kerken juist niet anders gezongen als voor mannenkoor met orgel; er is heel veel voor gecomponeerd en ook door grote lui, Liszt bijv. Nu, al die lui wil ik in één woord corrigeren. Een betere mis maken dan die er tot dusver voor mannenkoor bekend zijn.

Daar spreekt overtuiging uit en dat had hij altijd al wel. Ein Heldenleben van Richard Strauss vond hij kermismuziek en de Symphonie pathétique van Tsjaikovski een smakeloos maakwerk.

Dan zijn eigen muziek zoals het Te Deum. Een groots werk dat overigens door Samama gedetailleerd wordt beschreven wat mij bij het beluisteren prima heeft geholpen. Ik kende het werk al, maar meer door het vaak beluisterd te hebben. Dan is een duiding met notenvoorbeelden toegevoegde waarde voor mij.

Hoewel zijn muziek dus niet makkelijk uit te voeren was, waren er ook zangers en zangeressen die het niveau wel aankonden. Eén van hen was de beroemde sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius. Zij heeft vaak liederen van hem gezongen en er staat een mooi fragment van haar zoon Hendrik in dit boek, die Diepenbrock verslag deed van een uitvoering door zijn moeder;

‘Beste oom Fons. Gisteravond heeft Moeder hier in de Luth. kerk gezongen met mevr. de Haan en Verhey. ’t Is een erg mooi concert geweest van muziek als juist gisteravond van: “Wenige wissen…”. Het is voor mij haast niet te begrijpen dat dat menselijke muziek is. Alle grond zinkt onder je weg, alle houvast verdwijnt. Alle aardse kleuren en vormen vervagen en het enige wat overblijft is die roerend mooie, ongelooflijk hoge muziek.’

Nu heb ik al jaren lang iets met Diepenbrock omdat ik zijn muziek regelmatig draai en jaren terug al wat delen uit de tiendelige serie Brieven en Documenten van Diepenbrock heb aangeschaft en gelezen. Ik overweeg de aanschaf van de overige delen nog. De componist is dus meer en meer gaan leven en daarom ben ik gelukkig met de aanschaf van drie van zijn boeken uit zijn persoonlijke bibliotheek. Hij heeft ze gesigneerd en er aantekeningen in gemaakt en zo wordt voor mij de muziekgeschiedenis ineens een stuk tastbaarder.

a0355ac325b330d59312f2b5577444341587343
Ik weet niet meer precies waar ik het idee opgedaan heb om De grachtengordel van Geerten Meijsing aan te schaffen maar het moet een boekenblog geweest zijn. Ik heb wat informatie opgezocht en ineens bleek er, voor lezing al, best genoeg over te vertellen. Kom ik nog op terug.

Het zou een sleutelroman zijn, een rancuneuze roman, maar in ieder geval een roman die dicht op het literaire wel en wee binnen de grachtengordel zou zitten. Er zouden talloze schrijvers in geportretteerd worden onder fictieve namen, dus dit leek mij reden genoeg om het boek aan te schaffen.

In het kort gaat het verhaal over de schrijver Erik Provenier. Die heeft het niet breed en dat hoort natuurlijk zo bij sappelende schrijvers, maar hij ziet wel dat hij links en rechts wordt ingehaald door generatiegenoten die goed schrijven, maar ook handiger zijn in het spel om de boeken aan de man te brengen. Dat beslaat het eerste deel van het boek en eerlijk gezegd vind ik dat het minst interessante deel. Leuren bij uitgevers, proberen voorschotten te verkrijgen, dat werk.

Het wordt interessant als Provenier ineens in aanmerking komt voor een grote literaire prijs. Hij is inmiddels teruggekeerd vanuit Italië naar Nederland, Amsterdam (steevast aangeduid als A*) en ontmoet daar de inner circle van de literaire wereld. Meijsing heeft er naar mijn weten nooit uitsluitsel over gegeven, maar naar verluidt spelen onder meer A.F. Th. van der Heijden, Frans Kellendonk, Kester Freriks, Joost Zwagerman, Jessica Durlacher, Jeroen Brouwers, Boudewijn van Houten, Oek de Jong, Willem van Toorn en P.F. Thomèse allemaal in pseudoniem een rol in dit boek.

Strookt dat met mijn eigen waarnemingen? Ten dele zeer zeker. Ik ben een verzamelaar van het werk van Jeroen Brouwers (blijkbaar Joost Bierman in het boek) en heb het nodige over hem gelezen en ik herken dit zeker;

‘Wat weet jij toch veel, Kasper, wat weet jij toch veel van de Nederlandse literatuur.’
Christiaans negeert het sarcasme van zijn vriend: ‘Niet zoveel als Bierman, want die schijnt werkelijk alles te weten over dat onderwerp. Zijn hele huis – een omgebouwde hoeve – is één groot dossier. Ook dat is een middel om macht uit te oefenen – je kunt hem niet betrappen op vergissingen, alles is gedocumenteerd. Wat jij je in 1975 tegenover een onnozele reporter hebt laten ontvallen, kan hij morgen tegen jou gebruiken.’

Dat leest ineens heel fijn, een feest der herkenning. De auteur Meijsing, wiens alter ego Erik Provenier zou zijn, gaat ook de zelfspot niet uit de weg. Het grappige (vind ik dan) is dat ik daar ook weer een auteur als Tommy Wieringa in herken;

Neem nou die Provenier, geen kwaaie jongen maar een sprekend voorbeeld van wat tegenwoordig met zoveel aplomb een literator wordt genoemd. ’t Is hem niet genoeg af en toe een boek te schrijven waarin hij alles kwijt kan…neen, hij moet het leven van een schrijver leiden, het is hem erom te doen full-time schrijver te zijn. Zelfs als hij niet schrijft.

Een tikje verwarrend is dat sommige schrijvers met hun echte naam voorkomen en anderen in pseudoniem, maar op zich wen je daar snel aan. De typeringen van bekende persoonlijkheden zijn soms scherp maar mooi om te lezen. Ischa Meijer wordt bij naam genoemd en Meijsing/Provenier ergert zich aan zijn quasi-diepzinnigheden;

Zijn gezicht vertrekt helemaal als hij zo’n moeizame wijsheid moet bedenken – een soort constipatie van de geest. Hij krijgt dan ook iets van een vals mongooltje.

Ik zei al dat ik wat had opgezocht over dit werk en dat bleken wat zaken die ik niet vooraf had kunnen verzinnen, daarvoor ben ik te onbekend met de auteur. Er blijkt namelijk een systematiek aan de roman ten grondslag te liggen. Het boek heeft een symmetrische opbouw, in 36 hoofdstukken, verdeeld in drie delen van elk 12 hoofdstukken. Het volgende ontleen ik aan Wikipedia, maar ik vind het interessant genoeg om weer te geven;

Het ritme is ook steeds anders: het eerste deel beslaat vijftien jaar, het tweede nog geen jaar en het derde de weken die aan de prijsuitreiking voorafgaan. Het eerste deel beslaat jaren, namelijk de periode 1978-1987, met flashbacks naar 1969 en 1972. Het tweede beslaat maanden en loopt van augustus 1987 tot april 1988. Het derde deel ten slotte beslaat de weken van april tot eind mei 1988 wanneer de aanstaande prijsuitreiking steeds meer aanleiding is voor aandacht en beroering in de media. In werkelijkheid ligt aan de structuur zelfs een nog dwingender systematiek ten grondslag. Het werkhandschrift bewijst dat het boek ‘niet het snel geschreven tussendoortje is’ waarvoor het volgens criticus Arjan Peters steeds is aangezien, maar beantwoordt aan ‘dezelfde classicistische en numerologische principes’ die aan al het werk van Meijsing ten grondslag liggen, namelijk 96 units van 400 woorden of 12 hoofdstukken van gemiddeld 3200 woorden.

Ik geef het u maar even mee. Mijn hoofdcriterium is of ik het boek met plezier gelezen heb en dat was ondubbelzinnig het geval. O ja, prachtig dat zowel Joost Zwagerman als A.F. Th. van der Heijden weigerden de presentatie van de roman op zich te nemen. De herkenning was iets te groot…

9200000107384454
Je kon de afgelopen tijd niet om de Verzamelde Gedichten van Menno Wigman (1966 – 2018) heen. Hoog opgestapeld in de winkel en zowaar boek van de maand bij een populair televisieprogramma. Ik had het boek direct na publicatie al in huis gehaald dus ik was de hype net voor. Ik had mij eerder al geërgerd aan oneigenlijk gebruik van Wigman’s gedichten door een politicus in de Tweede Kamer en ik vond het hoog tijd zijn werk zelf maar eens goed door te nemen.

Wat een feest was dat. Talloze aantekeningen heb ik gemaakt, de ene zinsnede nog mooier dan de ander. Nu ben ik een vrij opportunistische poëzie-liefhebber. Ik heb weinig verstand van de techniek dus ik zal niet uitweiden over binnenrijmen en vijfvoetige jambes, maar ik kan wel aangeven wat ik mooi vind. Ik lees de gedichten ook achter elkaar door. Dat wordt niet altijd aangeraden, maar dat bevalt mij omdat ik dan in het idioom blijf en eventuele overlappingen of andere zaken mij eerder opvallen.

Wigman staat er om bekend dat de dood prominent aanwezig is in zijn werk en daar kom ik op terug. Er zijn nog wel meer thema’s die opvallen namelijk. Sympathiek aan de man vond ik dat hij nauw betrokken was bij het project Eenzame uitvaart, waarbij dichters een vers voorlezen aan het graf van een verder door iedereen verlaten dode. Het gedicht Eindafschrift is daar een voorbeeld van, waarvan hier een gedeelte;

…en onbevangen tot het duister treedt.
Straks stuurt de ING een eindafschrift.
Uw diepste angsten zijn allang gewist.

De ING in een gedicht. Wigman was, wat je zou kunnen noemen, een dichter van de stad. Geen natuurlijke overpeinzingen voor hem. Als hij het al over de natuur heeft, dan steekt hij kevers dood en noemt zich de Mengele van machteloze mieren. Elders schrijft hij “O sleep me uit dit groene braaksel weg.”

Wigman is dus van de bebouwde kom. Hij heeft het over de Burger King, de V&D, de H&M, bibliotheken, zebrapaden, winkelstraten, vinexwijken en, wat mooi, de droefenis van copyrettes. Dat is dus een thema bij hem. Nu staan er 188 gedichten in dit boek en ik heb eens gelet op welke thema’s er vaak voor komen. Ik heb dus wat geturfd. De dood, zoals gezegd, is belangrijk en komt als woord, aanverwant woord (graf) of onderwerp minstens 68 maal voor. Een goede tweede is de kroeg of aan drank verwante woorden (zoals wijn, bier, katers, drinken en zuipen); maar liefst 46 maal. Daarna hartstocht en sex; 28 maal. Opvallend vond ik het gebruik van spiegels, ramen en ruiten in zijn gedichten, dat kom ik 16 maal tegen. Ook vervoermiddelen als metro, tram, auto en taxi spelen een belangrijke rol. Om een voorbeeld van dat laatste te geven, ik vind het begin van Ondergrondse, één van de mooiste openingszinnen die ik ken, dan heb je mij meteen;

De metro ramt de voorkant van de dag.
Ochtendvrees en gangpadvee. Een man
hoest of zijn ziel vol gaten zit.
Herfst in zijn broek. Het diepe door,
de onderzee van blauw verlichte schimmen.

Als we op zijn gedichten moeten afgaan was Wigman geen groot vriend van zichzelf. De samenstellers van de bundel, Neeltje Maria Min en Rob Schouten, menen dat we inderdaad op zijn werk mogen afgaan. Het was geen pose. Zij hebben recht van spreken want zij waren goede vrienden van de jong gestorven Wigman en kenners van zijn werk. Ook de poëzie biedt niet altijd uitkomst, getuige het gedicht Misverstand;

Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

Een bijzonder gedicht is het werk met de titel Harba lori fa. Ook Cees Noteboom heeft een gedicht met die titel geschreven en de term komt uit een minnelied van Jan I, hertog van Brabant (1253 – 1294). Het is niet bekend wat het precies betekent maar Wigman gebruikt het als volgt;

Ik hoorde van twee dichters die, jawel,
een botsing kregen – zaten ze te spreken,
geld, vrouwen, Elba, god mag weten, bloed

Tegen de voorruit maar hun voorhoofd heel.
Zo moest het gaan. Zo moeten daar
harba lori fa drie vrouwen hebben gestaan.

Er valt veel te zeggen over zijn gedichten. De vijf gedichten gedichten bij oude politiefoto’s zijn erg mooi, met Sluipwesp als uitschieter voor mij. Veel mooie zinnen als Hij zat zijn dood te voeden in de kroeg of ik wil in zestigduizend hoofden ruisen gaan vaak vooraf aan een fijne twist zoals

Voor ik de weg van alle boeken ga
en roemloos bij De Slegte sta

Menno Wigman besteedde veel aandacht aan zijn werk, aan de cadans en het ritme. Dat blijkt ook. Ik heb de gedichten meerdere malen gelezen inmiddels, soms hardop, en het leest vloeiend. Zoals dat gaat met poëzie hier, het boek zal regelmatig nog uit de kast worden gehaald.

7b6ce0a0a2238da596e416b7251444341587343
Wat ik in de laatste alinea van mijn vorige stuk schreef is prachtig uitgekomen met dit boek. Luc Panhuysen en René van Stipriaan schreven met Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog een prachtig boek met verslagen uit de eerste hand over die roerige periode uit onze geschiedenis.

Zo biedt Oranje tegen Spanje een mooi raamwerk waarin je met dit boek al die gebeurtenissen weer voorbij ziet komen, maar waarbij je nu de diepte ingaat. Het boek biedt 327 pagina’s leeswerk en 134 verslagen door de meest uiteenlopende personen en ook over de meest uiteenlopende onderwerpen. Voor ieder verslag wordt een inleidend stuk(je) geschreven waardoor de geschiedenis chronologisch aan elkaar wordt verteld. Toch helpt het als je al wat over die geschiedenis weet, dan kan je alles sneller en beter plaatsen.

Voorbeelden van die verdieping zijn de verslagen over de belegering van verschillende steden zoals Haarlem, Alkmaar en Naarden. De bevolking van Naarden wordt uitgemoord en in dit boek staat een verslag van Lambertus Hortensius, priester en historicus en één van de naar schatting zestig overlevenden van die slachtpartij.

Grote gebeurtenissen worden door ooggetuigen beschreven, maar er worden ook zijpaden bewandeld, zoals het naspelen van een zeeslag met stenen door de Amsterdamse jeugd, of de beschrijving door een diplomaat over hoe Willem van Oranje gekleed ging. Je komt zo wel dicht op de geschiedenis te staan;

Zijn belangrijkste kledingstuk was een gewaad, van het type waar – zo durf ik oprecht te zeggen – een eenvoudige rechtenstudent niet graag mee over straat zou gaan. Zijn wambuis niet geknoopt, en evenmin kostbare stof. Zijn vest – dat daaronder zichtbaar was – had veel weg van de beste gebreide exemplaren waarin onze bootslui ons voortroeien.

Diezelfde Willem van Oranje wordt vogelvrij verklaard, overleeft een moordaanslag en wordt vervolgens toch gedood. Beide gebeurtenissen komen uitgebreid aan bod. Van de eerste dader wist ik nagenoeg niets tot nu. Dat wordt uitgebreid beschreven door Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, die later blijkbaar ook nog eens een leuk wijsje componeerde.

Toch zijn die grote ijkpunten uit de geschiedenis zeer de moeite waard. Het verhaal van het Turfschip van Breda, ons eigen Paard van Troje, mag genoegzaam bekend zijn, met dit boek stap je in het schip zelf. Je maakt mee hoe stil de mannen moesten zijn om niet ontdekt te worden;

Een zekere Matthijs…werd dermate door hoest gekweld dat hij die onmogelijk kon bedwingen. Hij bood zijn makkers zijn ponjaard aan om hem de hals af te snijden of te doorsteken, omdat hij liever alleen wilde sterven dan dat alle eerlijke soldaten vanwege hem zouden worden ontdekt en gedood. Maar de schipper maakte met pompen en andere werkzaamheden zoveel herrie als maar mogelijk was om het hoesten van zijn turf voor de dragers en de soldaten te overstemmen.

De grote lijnen van remonstranten tegen contraremonstranten en daarmee de tweespalt tussen Prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt (goed beschreven in Oranje tegen Spanje) krijgt in dit boek handen en voeten. Lees de verslagen van Joris de Bie, de thesaurier-generaal die beiden van nabij meemaakte, Johan van den Sanden die een contraremonstrantse jurist was én van Prins Maurits en van Van Oldenbarnevelt zelf. Als de raadspensionaris tenslotte wordt geëxecuteerd is het zijn knecht Jan Francken die verslag doet;

Bij het lezen van het vonnis zat mijn heer verschillende malen te keren en te draaien, en soms rees hij op van zijn stoel, gebaarde dat hij wilde antwoorden, maar Pots las gewoon verder. Nadat het vonnis was gelezen, sprak mijn heer…: ‘Ik dacht dat de Staten-Generaal voldoende zouden hebben aan mijn lichaam en bloed, en dat vrouw en kinderen hun bezit zouden mogen houden. Is dit mijn loon voor 43 jaar dienst aan het land?’

Zo staan er talloze verhalen in het boek. Je maakt mee hoe het was voor Hugo de Groot om te ontsnappen in die boekenkist uit Slot Loevestein. Hoe weinig lucht hij kreeg. Wat er werd gezegd door de dragers toen hij zich even verschoof, hoe zijn dochter gevat reageerde op vragen. Maar je maakt ook mee hoe luitenant-admiraal Maarten Tromp zijn manschappen toesprak toen hij met elf schepen de zeventig Spaanse schepen te lijf wilde gaan (en uiteindelijk vernietigde). Tenslotte moet ik nog even “Het duel van Leckerbeetje” noemen. Een mooi verhaal uit die tijd die feitelijk niet eens met de oorlog te maken had, maar zeker zijn plaats verdient in dit boek.

4509f546e9080a4597332316c41444341587343
Oranje tegen Spanje van Edward De Maesschalck is het derde boek uit de cassette waarvan De Graven van Vlaanderen en De Bourgondische Vorsten ook deel uitmaken. De boeken laten zich in chronologische volgorde lezen, waarvan dit laatste deel de periode beslaat van 1500 – 1648. Eenheid en scheiding van de Nederlanders onder de Habsburgers is de ondertitel en dat is nogal veelomvattend.

Het boek start met de geboorte van Karel V en loopt tot en met het einde van de Tachtigjarige Oorlog, die getekend werd met de Vrede van Münster. Het boek telt zo’n 340 pagina’s en het voordeel van deze uitgaven is dat er prachtige illustraties, stambomen en landkaarten in staan. Het leest zoveel makkelijker.

Want er valt ook veel te lezen. Karel V wordt Keizer Karel en komt tegenover Luther te staan. De religie is allesbepalend en we zien de leer van Calvijn groot worden. Willem van Oranje wordt calvinist en komt in aanvaring met het katholieke Spanje. Als belangrijkste edelman wordt hij als rebel gezien en Spanje zal met zijn generaal Alva een schrikbewind instellen. Don Juan van Oostenrijk, de bastaardzoon van Karel V kwam aan de macht als landvoogd van De Nederlanden, maar hij wist dat dit weinig voorstelde zolang hij Oranje niet wist in te palmen. Die wist natuurlijk wel hoe de hazen liepen, zoals bleek uit zijn onderhandelingen met Don Juan;

Dus begon hij te onderhandelen met Oranje en beloofde hem de hemel op aarde, zoals de terugkeer van zijn zoon Filips-Willem, het herstel van al zijn functies in dienst van de kroon en de teruggave van al zijn bezittingen. Oranje kon het niet geloven, want hij wist zeer goed dat de Spanjaarden zich niet gebonden achtten aan beloften die ze ketters deden…Volgens een verslag van de vredesbesprekingen zei Oranje letterlijk: ‘Wij begrijpen dat u ons wenst uit te roeien en wij wensen niet uitgeroeid te worden.’

Zoals bekend wordt hij toch vermoord en zijn zonen nemen zijn rol over. Eerst Maurits van Nassau die tegenover de nieuw ingevlogen landvoogd Farnese komt te staan. Het beleg van Doornik, van Oudenaarde en van Antwerpen zijn maar een paar voorbeelden van wat de bewoners van De Nederlanden over zich heen kregen. Ondertussen lezen we ook over de verwikkelingen in Spanje, van waaruit de acties veelal geïnitieerd werden, maar ook veronachtzaamd werden vanwege andere belangen. Zo werd er bijvoorbeeld ook een invasie van Engeland voorbereid, die overigens op niets uitliep.

Het mooie van dit boek is dat op zich bekende gebeurtenissen met elkaar in verband worden gebracht. De moord op Willem van Oranje, de Slag bij Nieuwpoort, de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt; het wordt haarfijn uitgelegd. Dat laatste feit is een direct gevolg van de strijd tussen raadspensionaris Van Oldenbarnevelt en Prins Maurits, tussen remonstranten en contraremonstranten ofwel de ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ (vrij vertaald; men is zelf verantwoordelijk voor het eigen lot of alles is al voorbestemd). Met Van Oldenbarnevelt werd ook Hugo de Groot veroordeeld, zij het tot levenslang. Hij wist weer uit Slot Loevestein te ontsnappen in een boekenkist.

Ondertussen ging het wel goed met de Republiek. Ik bracht de opkomst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie én van de West-Indische Compagnie nooit zo in verband met de tijd van Van Oldenbarnevelt, maar het speelde zich in dezelfde tijd af natuurlijk. In Spanje raakt men niet uitgepraat over de hebzucht van de Hollanders. De Spaanse schrijver Gonzalo de Céspedes y Meneses beschouwde de Hollanders zelfs als de bron van alle kwaad in de wereld:

Zeg me hoelang je nog zal dulden, o edel Spanje, dat een stel technologische vaardige rebellen, maar verachtelijke miskramen van de zee en plompe rotsen van het land, met hun boosaardigheid en oproer Duitsland in brand steken. Zij zijn de aanstichters van Bohemen, de opstokers van de Fransen, de omwoelers van de Zwitsers, steunpilaren van de Zweden, de omgooiers van de Polen, de bondgenoten van de Turken, en vrienden en partijgenoten van de Moren.

En zo gaat het nog even door. Wellicht wat teveel eer maar het geeft aan dat De Republiek de gemoederen aardig bezig hield. Dit soort teksten staan veelvuldig in het boek en voegen veel toe aan het verhaal.

Uiteindelijk zal Frederik-Hendrik, de jongste zoon van Willem van Oranje, stadhouder worden. Hij zal vele steden op de Spanjaarden terug veroveren en krijgt de bijnaam ‘Stedendwinger’. Het kon ook, want Piet Hein had er met de verovering van de Spaanse zilverloot voor gezorgd dat de oorlogskas goed gespekt werd. Overigens zou de tweede dochter van Frederik-Hendrik, Albertina-Agnes, trouwen met de Friese stadhouder Willem-Frederik van Nassau-Dietz. Van hen stamt de huidige Nederlandse koninklijke familie in rechte lijn af.

Het belangrijkste dynastieke huwelijk uit die tijd was dat van zoon Willem II, die op veertienjarige leeftijd trouwt met de negenjarige Maria-Henriëtte Stuart, waardoor op termijn een Oranjevorst (Willem III) koning van Engeland zou worden. Overigens grappig dat de auteur zich hier, waar hij overal zakelijk en ‘to the point’ verslag doet, ten opzichte van Maria Stuart even laat gaan;

…al liet het verwaande kind te pas en te onpas horen dat enkel zij van koninklijke bloede was en niet haar gemaal noch haar schoonouders.

Frederik-Hendrik putte zijn prestige uit militaire overwinningen, maar na zijn dood leek de weg vrij voor vredesbesprekingen. Daarvoor stond meer in de weg dan Frederik-Hendrik, er waren nog altijd geloofstegenstellingen maar er was beweging. Uiteindelijk zou de Vrede van Münster getekend worden, waarbij het opvallend is dat de sfeer, na zo’n lange tijd van oorlog en ellende, uiterst vriendelijk en gemoedelijk was.

Dit boek biedt hopelijk een prachtig raamwerk voor het volgende boek dat ik wil lezen. Als het goed is bevat dat verslagen van ooggetuigen uit deze periode, die zo nog meer invulling geven aan één van de roerigste periodes uit onze geschiedenis.