archiveren

Schilderkunst

Wellicht weet u dat ik wel vaker iets lees over Parijs en de kunstenaars die het aantrekt. Hier, hier en hier leest u daar meer over. Gare du Nord van Eric Min is een boek dat daat goed op aansluit en deels overlapt. Het gaat over Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs in de periode 1850-1950.

De titel slaat uiteraard op het treinstation in Parijs waar die noordelingen arriveerden. Hendrik Marsman was één van hen en hij beschreef in zijn autobiografische mijmering Drijfzand al Gare du Nord als lieu de passage;

‘Ik had het gevoel alsof ik mijn stroeve nordieke natuur had afgegeven aan het bagagedepot van de Gare du Nord alsof ik uit de onderwereld, het souterrain van mijzelf, opdook in mijn eigen stad. Ik stak het plein over en slenterde door die verrukkelijke St. André des Arts in de richting van de Boulevard St. Germain, neuriënd.’

Nu zit Marsman aan het eind van het verhaal zoals Min het vertelt, er waren er tallozen voor hem. Die hadden allemaal zo hun redenen om naar Parijs te komen. Een rode draad hierin is het volgen of voltooien van een opleiding in de kunsten, maar ook het leggen van contacten, de liefde of juist de sfeer en cultuur zijn vaak belangrijk.

De Belgische schilder Antoine Wiertz (1806-1865) ging naar Parijs om zijn kunst te verfijnen. Hij deed zijn best om te mogen exposeren in de Parijse Salon maar dat mislukte. Dat zinde hem niet en prompt stuurde hij een jaar later een echte Rubens in uit de collectie van een vriend, waarbij hij de signatuur van Rubens met zijn eigen handtekening overschilderde. Overigens vind ik het werk van Wiertz zeer de moeite waard.

De Belgische graficus, karikaturist en schilder Félicien Rops (1833-1898) was een onbekende voor mij en die maakte niet direct een esthetische keuze om naar Parijs te komen. Die kon niet wachten tot hij de gezusters Duluc het hof kon maken. Dat de jongsten toen zestien en negentien waren…#MeToo was nog niet geboren zullen we maar zeggen. Rops had met zijn tekeningen wel veel succes met zijn satanistisch en licht pornografisch werk. Zozeer zelfs dat hij de beeldhouwer Rodin betichtte van plagiaat; hij vond dat Rodin in 3D namaakte wat hij in 2D creëerde.

Het verhaal van Vincent van Gogh 91853-1890) zal wat bekender zijn en die ontbreekt uiteraard niet, maar artiesten zoals de art-nouveau-schilder Privat Livemont (1861-1936) of de componist Guillaume Lekeu (1870-1894) zijn wellicht minder bekend. De Belgische schilder Henri Evenepoel (1872-1899) kwam ook naar Parijs om er zijn opleiding tot schilder af te ronden. Hij richtte een atelier in op zeshoog onder de Parijse dakpannen. Een ezel, een modeltafel, gordijnen voor het hoge raam en een kachel, zo is hij trouw aan de stereotypen van het milieu;

‘Om een echte artiste peintre te zijn moet ik alleen nog een brede slappe hoed kopen, een stevige en knoestige wandelstok en een wijde kapmantel. Een vies pijpje roken en op afgetrapte schoenen lopen. En vooral niet vergeten schulden te maken.’

In de beschreven periode veranderde de wereld en dus ook Parijs en dat is terug te zien in de kunst. Er kwamen schilderijen waarin ineens het licht anders was. Geen kaars- of gaslicht maar electriciteit. Industrialisatie en automatisch vervoer bepaalden meer en meer het straatbeeld en de kunst groeide daarin mee.

Niet iedereen vond het geluk in Parijs natuurlijk. De jonge Antwerpse schilder Jules Schmalzigaug (1882-1917) kon er slecht aarden en vetrok naar Venetië (Het eten is daar zoveel lekkerder, en Parijs werkt hem op de zenuwen). Daar had de excentrieke schilder en beeldhouwer Henry de Groux (1866-1930) geen last van. Leest u vooral het verhaal van deze figuur en dan volgt er later in het boek een nog vreemder verhaal van de Vlaamse schrijver André Baillon (1875-1932). Dat ga ik hier niet weergeven maar deze uitspraak van de auteur maakt u wellicht nieuwsgierig;

André is, met permissie gezegd, knettergek.

Niets is minder waar en ik heb zelfs zijn biografie besteld om er eens wat dieper in te duiken. Overigens schrijft Eric Min in zeer prettige stijl met hier en daar een verwijzing naar voren (‘dat verhaal komt er verderop in het boek nog aan’ of ‘hij staat ons verderop nog op te wachten’).

Er staan nog talloze artiesten in het boek die ik niet heb genoemd, zoals de schrijvers Georges Simenon (1903-1989), Hugo Claus (1929-2008), Jan van Nijlen (1884-1965) en Simon Vinkenoog (1928-2009), kunstschilders Piet Mondriaan (1872-1944), Léon Spilliaert (1881-1946) en Rik Wouters (1882-1916) en dan nog ben ik niet compleet. Het is een overvloed aan informatie en een plezier om te lezen. Allemaal verenigd door die gemene deler, Parijs, waarover de schrijver Paul Kenis (1885-1934) schreef aan zijn redacteur André de Ridder;

In zijn brieven aan De Ridder zucht Kenis dat er voor hem een ton poëzie schuilt in namen als Montparnasse, Montmartre en de Boul’ Miche. De stad zelf heeft hij lief ‘lijk een koket wijfje dat u bedriegt en u doet lijden en op den hoop toe nog uitlacht…maar u toch niet los laat. Zoo’n echte cocotte…heel Parijs!’

51529b7ca968860596f7a636c77444341587343_v5
De stilte van het licht van Joost Zwagerman is een boek waar ik blij van word. Het gaat over kunst en ligt in het verlengde van zijn boek Alles is gekleurd. Op de achterkant staat dat dit boek een onderzoek is naar facetten van immense stilte en naar de vraag of stilte in de kunst wellicht een verlangen is om er niet te zijn. Voeg daaraan een ondertitel toe van Schoonheid en onbehagen in de kunst, en dan heeft Zwagerman een vrijbrief om alle facetten van de kunst voor het voetlicht te brengen.

En dat is goed, want ik hoor hem graag aan als hij het over kunst heeft. Hij heeft het vermogen om mij enthousiast te maken over kunstwerken waar ik niet eerder bij stilgestaan had en dat doet hij nu weer. Hij legt zichzelf wel een paar kaders op, door het boek te verdelen in Stilte, Schoonheid, Onbehagen en Verdwijnen, maar je kan hier uiteraard genoeg aan ophangen en dat doet hij dan ook.

In het voorwoord licht Zwagerman de keuze voor de besproken werken toe;

Die verknoping van schoonheid en onbehagen geldt voor veel andere werken van kunstenaars in De stilte van het licht: …Van Zurbaráns Stilleven met vier kruiken uit 1650 tot het…alom bewonderde (en ook alom bespotte) Zwart vierkant van Malevich. Die twee schilderijen zijn, dwars door de eeuwen heen, directe familie van elkaar.

Zoekt u ze maar eens op, die link had ik nooit gelegd en daarom is het een mooi boek. Zwagerman legt allerlei verbanden uit de kunst van het verleden met hedendaagse kunst, maar verbindt het net zo goed met literatuur of een song van Amy Winehouse.

Nu ben ik zelf een voorstander van het adagium ‘anything goes’ in de kunsten maar ik had toch wel weer een paar eye-openers te pakken. Ik had ooit gehoord van performance-kunstenaar Marina Abramović, die in het deel Stilte besproken wordt, maar had mij er nooit in verdiept. Zoekt u op Youtube haar indrukwekkende performance The Artist is Present eens op. Een adembenemende oefening in stilte, waarin Abramović gedurende drie maanden, zes dagen in de week, onbeweeglijk en zonder een woord te zeggen op een stoel zat. Om beurten konden bezoekers tegenover haar plaatsnemen.

Dat staat in schril contrast met een andere stilte, namelijk de stilte in de werken van J.H. Weissenbruch en Jan Mankes. Ook Mark Rothko komt voorbij met zijn kleurvlakken en hier verbindt Zwagerman zijn werk mooi met de poëzie van John Taggart. Ik voeg daar vanuit mijn kennis en smaak de muziek van Morton Feldman bij (overigens een vriend van Rothko) en je hebt zo een paar genoeglijke uren te pakken.

Maar er valt veel meer te zeggen over de stilte. Je vindt het in een uitvergrote theedoek, zakdoek of inpakpapier van Daan van Golden, in de foto’s van Hendrik Kerstens, die van een plastic zak een barok hoofddeksel maakt of in het filmfragment uit American Beauty, waar een plastic zakje in de wind de hoofdrol voor zichzelf opeist. En kende u de Cloud Appreciation Society al? Ik kwam het tegen bij het stuk over kunstenaar Berndnaut Smilde, die maakt en fotografeert wolken, maar dan binnenskamers.

Dan onbehagen, want onbehagen is ook leuk. Ik zei al, anything goes, maar ook het werk van shock artist Andres Serrano, die een crucifix onderdompelde in een bak urine om daar foto’s van te maken? Wat mij betreft wel, het levert prachtig werk op. Of kijk eens naar de studie van Francis Bacon naar een portret van Diego Velazquez van paus Innocentius X. Zo had de paus het nooit bedacht in ieder geval.

Verstikking en verstilling vinden we in het werk van Phineas Q. Eldridge met The Suffocation Rooms. Steeds hetzelfde interieur, beginnend bij een heel kleine, ijskoude kamer. Langzamerhand naar grotere kamers die steeds warmer worden tot een reuzeninterieur in een bloedhete ruimte. Prachtig beschreven, alleen…niet-bestaand. Wel bestaand is het werk van Levi van Veluw, The Collapse of cohesion, the Room. Een video van een spartaans ingerichte ruimte, waar op zeker moment ondefinieerbaar fijnstof naar binnen wordt geblazen. Even later wordt alles in de ruimte in een sureëel laag tempo weggeblazen.

Het laatste deel in het boek, Verdwijnen, geeft een heel letterlijk voorbeeld van dat begrip in het werk van Robert Rauschenberg, Erased de Kooning. De nog niet zo bekende kunstenaar Rauschenberg vroeg een kunstwerk aan de bekende artiest Willem de Kooning om het uit te kunnen gummen en het zo zijn kunstwerk te maken. De Kooning stemde in;

‘I don’t like it. But I realise what you’re doing’

Kunstbroeders onder elkaar dus. Een heel ander aspect van verdwijnen is het verdwijnen in een regenboog. Jan Andriesse kan dat. Eerst door een close-up te schilderen. Ik vind het één van de eye-openers van dit boek. Een schilderij met vervagende kleuren, het heet ook Arc-en-ciel, maar ik zou er in een tentoonstelling waarschijnlijk aan voorbij zijn gelopen. Dat geldt helemaal voor Caryatide, een ‘grijs vlak’. Tot je je realiseert dat hij hier de binnenkant van de regenboog lijkt te willen schilderen. Je hebt geen idee wat voor werk daar in zit;

Andriesse vertelde eens in een interview dat hij per dag één laag op een doek aanbracht. Sommige van zijn werken kosten hem als gezegd een jaar of meer werktijd. Dat betekent: meer dan driehonderd lagen op één doek. Door al die verflagen zijn de meeste van zijn werken letterlijk loodzwaar.

Dat plaatst de ‘dat-kan-mijn-neefje-van-dertien-ook’-doctrine ineens in een heel ander perspectief en dat geldt voor heel veel meer werken in dit boek. Een absolute aanrader voor kunstliefhebbers.

874f96fda11ae82597a52525367444341587343_v5
De kracht van kunst van hoogleraar (kunst)geschiedenis Simon Schama is een boek dat verscheen als begeleiding van de achtdelige BBC-serie Power of Art. In die serie en dus ook in dit boek, probeert Simon Schama van een aantal meesterwerken het creatieve proces te vangen; werken die onder hoogspanning zijn gemaakt en waardoor je niet hetzelfde meer kijkt naar kunst. Dat zijn nogal pretenties en we gaan zien of die waargemaakt worden.

Hij zet de kunstwerken in hun tijd neer en kijkt naar de ontstaansgeschiedenis ervan en dat resulteert in een aantal minibiografieën van Caravaggio, Bernini, Rembrandt, David, Turner, Van Gogh, Picasso en Rothko. Allemaal schilders, waarbij bij Bernini de nadruk op zijn beeldhouwwerk ligt. Als je geïnteresseerd bent in kunst ken je de namen wellicht, maar van Jacques-Louis David (1748 – 1825) en William Turner (1775 – 1851) wist ik toch verrassend weinig. 

Een van de mooiste verhalen is die van Caravaggio (1571 – 1610) en geeft meteen mooi aan wat Schama met dit boek wil. Caravaggio was een briljante schilder maar ook een wildebras. Constant in conflict met het gezag, hij zocht de foute buurten en vrienden steeds weer op en hij zou uiteindelijk een moord plegen. Tegelijk kwam hij over de vloer bij magistraten en hoogwaardigheidsbekleders en hij zag er geen been in om de figuren voor de schilderijen van die laatsten te halen uit die foute buurten. Schama zegt;

Caravaggio was dan ook absoluut uniek omdat hij de enige schilder in Rome was wiens leven een brug sloeg tussen de wereld van de paleizen van de kardinalen en de grote kerken en die van de gokhuizen, bordelen en wijnlokalen van de popoli.

Een werk als David en Goliath bekijk je anders én wordt anders geschilderd als je weet dat Caravaggio het schilderde vlak nadat hij iemand vermoordde.

Ook Bernini was geen huismus. De dramaturg onder de beeldhouwers verstond de kunst om de rigiditeit van marmer te vertalen naar materialen als staal, bont, huid of zelfs zweet. Zijn werken zijn een lust voor het oog, waaronder de buste van Costanza Bonarelli. Schama legt uit wat hier zo bijzonder aan is, maar het verhaal gaat verder want Costanza was de minnares van Bernini. Hij kwam erachter dat zij hem bedroog met zijn jongere broer. Hij probeerde zijn broer te vermoorden maar dat mislukte. Vervolgens gaf hij een bediende de opdracht het gezicht van Costanza aan flarden te snijden met een scheermes;

Zo werd door dezelfde hand die het mooiste hoofd in de geschiedenis van de beeldhouwkunst had gemodelleerd – zij het via een plaatsvervanger – het levende vlees dat hij had geëerd verminkt.

Misschien proeft u het al een beetje, Schama is een enthousiast verteller en strooit met superlatieven. Zo doet een schilder als Rembrandt niets aan de werkelijkheid af en geeft hij iedereen natuurgetrouw weer. Bij Schama gaat het dan meteen om “symfonieën van cellulitis“. Als Rembrandt overgaat naar wat zwaarmoediger werk is het “Alsof de kunstenaar de volumeknop van de wereld lager heeft gedraaid.” Soms wat over de top, maar van mij mag hij, het stoort me niet.

Het werk van David en Turner waren voor mij eye-openers. Bij de eerste ligt de nadruk op het schilderij À Marat, over de dood van de politicus Jean-Paul Marat. Hij werd in bad vermoord ten tijde van de Franse revolutie en was bevriend met David. Ook David werd bijna veroordeeld maar werd uiteindelijk verbannen. De schilderijen van Turner hebben weer een heel eigen signatuur. Hij is een historieschilder en is beroemd om zijn luchten en dramatische voorstellingen. Hier staat Het Slavenschip centraal, geïnspireerd op een verhaal waarbij een kapitein slaven overboord gooide om zo de verzekeringspremie te incasseren. Een indringend werk waarmee Turner de slachtoffers een podium geeft. Door dit hoofdstuk ben ik instant bewonderaar geworden van de werken van Turner, over wie ik veel te weinig wist.

Bekender was ik met Van Gogh, Picasso en met Rothko. Schama geeft aan hoe de werken van Van Gogh zich hebben ontwikkeld in zijn korte periode als schilder. Mooi dat een redelijk onbekend werk als Boomwortels (dat deze week toevallig ineens in het nieuws was) hier relatief veel aandacht krijgt. Bij Picasso staat zijn magnum opus Guernica centraal. Het is gemaakt naar aanleiding van het bombardement op Gernika, het Baskische dorp dat weggevaagd werd in 1937 en Schama legt uit hoe het schilderij is ontstaan. Nog belangrijker, hij legt de relevantie van het werk, en daarmee van de kunst, uit aan de hand van de terroristische bomaanslagen op een treinstation in Madrid in 2004. De Guernica bevond zich op een paar honderd meter van het station;

Het station werd een gedenkplaats voor de onschuldige gevallenen. Maar toen de kaarsen waren gedoofd en de publieke rouwplechtigheden waren afgesloten, staken duizenden de weg over naar de Guernica en bleven staan voor zijn sluier van rook en verminkte menselijkheid. Ze hadden geen walkmangids nodig om uit te leggen waarom het werk ertoe doet.

Met het werk van Mark Rothko (14903 – 1970) was ik bekend en ik ben er fan van. Ik las zijn biografie en ben in 2015 naar de tentoonstelling van zijn schilderijen in het Gemeentemuseum in Den Haag geweest. Voor wie zijn werk niet kent is dit een prima eerste kennismaking met zijn, op het eerste gezicht, ondoorgrondelijke schilderijen.

Terug naar de stelling aan het begin van dit relaas. Ga je na het lezen van dit boek anders kijken naar kunst? Zeker naar al die werken die besproken zijn. Schama wijst je op talloze details waar ik anders zeker overheen gekeken had. Het boek doet mij ook beseffen dat lezen over kunst, de kunstenaars en hun tijd een meerwaarde heeft dan alleen het werk bekijken, hoewel dit persoonlijk is. Het boek telt 470 pagina’s, maar vele voorbeelden van de besproken kunstwerken en het enthousiasme van de auteur doet de rest.

Vertaling; Karina van Santen en Olaf Brenninkmeijer

 

9492068192.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Er is veel te vertellen over Het meesterwerk van Émile Zola. Allereerst is het een kunstenaarsroman. Het speelt zich grotendeels af in Parijs tussen 1860 en 1870 en gaat over de strijd van een schilder, Claude Lantier, om het ultieme meesterwerk af te leveren. Zola gaf dit zelf als volgt weer;

‘Met Claude Lantier wil ik het gevecht van de artiest tegen de natuur schilderen, de inspanningen die met bloed en tranen gepaard gaan […] om leven te scheppen: steeds weer strijden met het ware, en steeds weer verslagen worden, het gevecht met de engel.’

En het begint allemaal zo rustig. Claude Lantier is een beginnend schilder die, als hij zijn kamer binnen wil gaan, een meisje ziet schuilen voor de regen. Hij nodigt Christine binnen uit en laat haar overnachten. ’s Morgens schildert hij haar, aanvankelijk zonder haar medeweten. Christine vertrekt en we maken kennis met het milieu waarin Claude leeft. Zijn vrienden, de schrijver Pierre Sandoz, de aankomend architect Louis Dubuche en later nog anderen als de beeldhouwer Mahoudeau en de schilder Fagerolles. Op de vaste donderdagavond, tijdens de etentjes bij Sandoz, wordt er vaak heftig gediscussieerd. Allemaal zijn ze vastbesloten Parijs op de grondvesten te doen schudden met hun werk;

‘O, alles zien en alles schilderen!’ riep Claude uit…’Mijn handen jeuken. Ja, heel het moderne leven! Fresco’s zo hoog als het Pantheon! Een serie doeken, zo fantastisch dat het Louvre ervan ontploft!’

Claude ontmoet Christine weer en ze worden onafscheidelijk. Tegelijk wordt zijn doek geweigerd door de prestigieuze kunsttentoonstelling Salon de Paris. Het komt terecht op de Salon des Refusés, de salon voor de geweigerden, waar het bespot en uitgelachen wordt. Het is een hard gelag voor Claude en Christine en ze verlaten Parijs om in het landelijke Bennecourt te gaan wonen. Daar wordt hun zoon Jacques geboren.

Uiteindelijk kruipt het bloed waar het niet gaan kan en keren ze terug naar Parijs. Claude raakt er steeds meer van overtuigd dat hij iets prachtigs zal gaan scheppen, maar zijn doeken worden keer op keer geweigerd. Hij wordt depressiever en de eerste ruzies ontstaan tussen Claude en Christine. Zij ziet dat ze Claude meer en meer kwijtraakt aan een rivale, de schilderkunst. De contacten met zijn vrienden waren verwaterd maar worden hersteld en hij verschijnt weer op de etentjes. Toch merkt hij dat de verhoudingen anders zijn. De vriendschappen zijn niet meer als voorheen.

Ondertussen heeft hij een atelier ingericht en vindt hij een definitief onderwerp voor zijn meesterwerk. Maar zijn grote doek zorgt voor een definitieve verwijdering tussen Claude en Christine. Er komt soms lange tijd niets uit zijn vingers;

Hij leed als een verdoemde die eeuwig een rotsblok omhoog moet duwen dat terugrolt en hem verplettert, maar hij had de toekomst nog, de zekerheid dat hij het blok op een dag met beide handen op zou tillen en het naar de sterren zou slingeren.

Christine poseert uit wanhoop maar voor zijn doek om bij hem te zijn, maar ze voelt dat hij haar gebruikt en wordt verstikkend jaloers. Hij verkiest zijn geschilderde kopie boven haar en maakt de kopie alleen maar mooier.

Het mooie is dat zijn vrienden ook allemaal een proces meemaken. Sandoz, de schrijver, gaat ook op in zijn werk. Dubuche, de architect, trouwt met de dochter van een beroemde vakgenoot maar zal dat berouwen. Mahoudeau, de beeldhouwer, ziet één van zijn werken voor zijn ogen instorten en leeft in grote armoede, het zijn stuk voor stuk mooie verhalen die parallel lopen en elkaar vaak kruisen.

Claude wisselt enkele hoogtepunten af met veel meer dieptepunten en Christine ziet het angstig aan;

‘Wat maakt het ook uit, verdomme…Ik begin gewoon opnieuw…’
Ze stak het licht aan, ze zag heel bleek en wierp een blik vol vrees en haat op het schilderij. Het ging dus niet weg, de verschrikking begon weer van voren af aan!
‘Ik begin gewoon opnieuw,’ herhaalde Claude, ‘ook al ga ik eraan onderdoor, gaat mijn vrouw eraan onderdoor, mijn kind, de hele bliksemse boel, maar het zal godsakkerju een meesterwerk worden!’

Of dat gebeurt moet u vooral zelf gaan lezen, maar het boek laat schitterend zien wat een worsteling dit voor deze kunstenaars soms is. Ze weten dat het wellicht voor een erkenning is die ze nooit meemaken, en wellicht is zelfs dat te hoog gegrepen. Het is ook herkenbaar, we kunnen schilders opnoemen voor wiens werk er nu miljoenen neergeteld worden en die dat nooit hebben meegemaakt. Verder laat het de strijd van de oude garde zien die ooit een meesterwerk afleverde, maar waarvan verwacht wordt dat dit geëvenaard of overtroffen wordt. Ook is er een verhaallijn over de kunsthandelaar die een middelmatige schilder tot grote hoogte weet op te stuwen en die zelfs een rol gaat spelen in het wel of niet toelaten van het werk van Claude tot de Salon.

Om terug te gaan naar het begin van deze bespreking; allereerst een kunstenaarsroman dus. Maar ook een sleutelroman. Claude Lantier zou een alter ego van de schilder Paul Cézanne zijn en met Pierre Sandoz zou Zola zichzelf een plaats in het verhaal hebben gegeven. Het ligt wel iets complexer, beiden zijn uit meerdere figuren samengesteld. Er zitten wel autobiografische elementen in; het landelijke Bennecourt en de donderdagavondbijeenkomsten van de vriendengroep zijn aan de werkelijkheid ontleend.

Verder is het een naturalistische roman. Zola was erg precies in zijn weergave en documentatie. Hij verdiepte zich voor deze roman in de kunstwereld, in de organisatie en het verloop van de Salons en hij maakte zelfs een lijstje van uitdrukkingen die hij argeloze bezoekers hoorde gebruiken. Overigens haal ik deze wijsheid uit een prima nawoord van Marjolein van Tooren.

Tot slot is het een roman met als groot thema de strijd tussen liefde en kunst. Waar Claude en Christine eerst gek op elkaar zijn, verschuift de liefde van Claude langzaam maar zeker naar zijn kunst en moet Christine wijken. Het levert een prachtige roman op.

Vertaling; Lidewij van den Berg en Marijke Scholts

9403104708.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In 2009 kocht ik het boek De lezende Lucebert, samengesteld door Lisa Kuitert. Dat is een boek over de uitgebreide bibliotheek van dichter/schilder Lucebert, overleden in 1994. Het ging over de mogelijke invloed van die boeken op zijn werk. Nu was ik toen niet bekend met dat werk en ik trachtte mij erin te verdiepen. Dat viel nog niet mee. Gedichten (daar was ik toen praktisch niet mee bezig) waar ik geen touw aan vast kon knopen en schilderijen en tekeningen die mij nog minder zeiden.

Toch ben ik Lucebert niet vergeten en heb in de loop der jaren echt wel gedichten van hem gelezen en leren waarderen, evenals zijn schilderijen en tekeningen. Toen Lucebert de biografie van Wim Hazeu verscheen, moest die dan ook zo snel mogelijk aangeschaft én gelezen worden. Zo geschiedde en ik weet nu al dat ik er de rest van mijn leven mee vooruit kan. Kom ik op terug.

Allereerst ging de publicatie met wat ophef gepaard, want die publicatie moest een jaar uitgesteld worden. De biograaf kreeg namelijk, toen het manuscript af was, brieven in handen die een nieuw licht wierpen op Lucebert in oorlogstijd. Waar hij altijd had gezegd dat hij in Duitsland tewerkgesteld was, lag dat toch iets anders. Hij had zichzelf aangemeld. Is hij daarmee een ‘foute Nederlander’? Ook dat ligt genuanceerd en dat geeft Hazeu prima weer. Lucebert was hevig geïnteresseerd in de Duitse cultuur en was ervan overtuigd dat het bolsjewisme bestreden moest worden. Hij viel voor het Duitse charme-offensief en die factoren leidden ertoe dat hij zich aanmeldde. Toen bleek met wat voor regime hij uiteindelijk in zee was gegaan schaamde hij zich ervoor en heeft hij er nooit meer over verteld.

Dan zijn kunst. Lucebert heeft de ulo afgemaakt maar is verder autodidact in dicht- en schilderkunst. Als je zijn immense poëzie-oeuvre bekijkt en leest (ik ben er nu in bezig) dan ga je beseffen wat een groot kunstenaar dit is. Het is waar, ogenschijnlijk is er soms niets te begrijpen van die gedichten, maar Lucebert wist precies wat hij opschreef. Gelukkig bevind ik mij in goed gezelschap, want Simon Vinkenoog zei over zijn poëzie;

‘Ontzettend indrukwekkend, soms beangstigend waren zijn mystieke gedichten, waar ik niks van begreep maar die ergens op een heel hoog niveau ontroering teweeg brachten’.

Ik kom bij het volgende boek terug op zijn gedichten, even terug naar de mens Lucebert zelf. Hij werd woordvoerder van de Vijftigers, een literaire beweging die zich afzette tegen de kunst van hun voorgangers. Hij werd bevriend met de Duitse toneelschrijver Bertold Brecht en volgde hem met zijn gezin naar Oost-Berlijn. Later ging hij in het Noord-Hollandse Bergen wonen én in het Spaanse Jávea. Hij was geen ‘socializer’. Premières en feestjes meed hij het liefst, hij werkte. Onvermoeibaar en altijd. Hij was altijd in zijn atelier te vinden, bezig met een nieuw schilderij, een tekening, een ets of gouache. Hij krijgt uiteindelijk succes en sluit een contract af met een Engelse kunstgalerij. Later volgen er meer exposities over de hele wereld, die hij overigens niet bijwoont vanwege zijn vliegangst.

Over zijn schilder- en tekenkunst is ook genoeg te zeggen. Allereerst was Lucebert kleurenblind, opmerkelijk voor een schilder natuurlijk. Ten tweede zijn de voorstellingen niet altijd even duidelijk, wat stelt het eigenlijk voor? Lucebert zelf zegt daarover;

‘Alles wat me maar invalt schilder ik, ik schilder en teken van alles op alles, alle opvattingen waardeer ik gelijkelijk, tussen motieven maak ik geen keuze en ik streef niet naar syntheses, tegenstellingen blijven bij mij rustig aangesteld en terwijl ze elkaar weerstreven, pleeg ik geen verzet, blijf ik buiten schot en beleef de vrijheid die alleen zij mij aanreiken, mijn schilderijen, mijn gedichten…Niet zweer ik dus bij magere en niet bij vette schilderijen, geen voorkeur heb ik voor bepaalde paletten, vandaag vlucht ik in boombruin, morgen verdrink ik lachend in dauwblauw.’

Als een schilderij af was dan werd de titel erbij verzonnen. Vaak wist hij die al tijdens het schilderen, maar hij gebruikte ook zijn boekenkast daarvoor als inspiratie.

Een andere constante is de muziek. Lucebert was gek van jazzmuziek en dat luisterde hij vaak met vrienden. Toch waren ook zijn gedichten een bron van inspiratie voor componisten. Zo heeft hij meegewerkt aan het surrealistische schouwspel Poppetgom. Componist Bruno Maderna componeerde de muziek hiervoor en Lucebert verzorgde de teksten, waarvan het Vietnamlied ‘Soldatenmoeder’ gezongen werd door de Zangeres zonder Naam. Ik heb dat singeltje voor een paar euro op de kop getikt, dat vind ik leuk om erbij te hebben, al is het een wat vreemde eend in mijn collectiebijt…. Zijn gedicht ‘het laatste avondmaal’ inspireerde Louis Andriessen tot zijn compositie ‘Trilogie van de laatste dag’ en Xander Hunfeld schreef zijn compositie ‘oktober’ ook op basis van zijn gedichten.

Als rechtgeaard hypochonder kwam Lucebert niet bij artsen over de vloer, tot bleek dat hij de ziekte van non-hodgkin had. Hij werkte tot het einde door, zoveel hij kon en liet een indrukwekkend oeuvre na. Waarom blijf ik daar dan de rest van mijn leven mee bezig? Omdat ik inmiddels liefhebber van zijn werk ben. Ik zal al zijn gedichten lezen en erover blijven lezen, net als ik zijn schilderijen zal blijven opzoeken. Niet de makkelijkste werken, maar des te interessanter. Het mooie is dat Lucebert zijn werk prima kan duiden. Hij kan je zeggen waarom er wat op een schilderij staat en wat hij met een gedicht bedoelt. Over dat laatste meer in de volgende bespreking, maar het is fascinerend om te lezen. Hij deed niet zomaar wat, was autodidact (zeer belezen in verschillende talen) en hij gebruikte niet alleen taal, hij vond het ook uit. Hazeu legt het allemaal helder uit in een vlot leesbare biografie van zo’n kleine 800 pagina’s die ik zeer de moeite waard vond.

9068687417.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Lezers van dit blog weten dat ik mij al even bezig houd met Parijs en zijn kunstenaars. Van Joke kreeg ik de tip voor dit boek, Nederlanders in Parijs 1789-1914 van Mayken Jonkman. Jonkman is naast auteur ook samenstelster van dit boek, waaraan nog 8 auteurs hebben deelgenomen én zij is de motor achter de gelijknamige tentoonstelling in het Van Gogh Museum in Amsterdam. Jonkman heeft, als conservator bij het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis in Den Haag, de afgelopen drie jaar onderzoek gedaan naar die Nederlanders in Parijs.

Tussen 1789 en 1914 reisden er minstens 1136 Nederlandse kunstenaars naar Parijs. Ze werden aangetrokken door de continue ontwikkelingen in de Franse kunst en door de vele mogelijkheden op het gebied van opleidingen, carrièrekansen, een opkomende kunsthandel, een kooplustig publiek en de vele museale collecties. Omdat 1136 artiesten wat veel wordt, worden er hier negen belicht. Mij bekende schilders als Van Gogh, Mondriaan en Breitner, maar ook mij onbekende schilders als Gerard van Spaendonck, Ary Scheffer en Frederik Hendrik Kaemmerer passeren de revue.

Jonkman begint echter met een inleiding over het Parijs van de 19e eeuw en met een stuk over de Nederlandse schilderkunst op de Wereldtentoonstellingen in Parijs. Die Wereldtentoonstellingen, de Salon (een tweejaarlijkse tentoonstelling van levende kunstenaars) en de Académie des Beaux-Arts waren cruciaal in de kunstwereld van die tijd. Carrière binnen dit circuit stond garant voor succes.

Neem nu Gerard van Spaendonck (1746-1822). Hij was gespecialiseerd in decoratieve bloemschilderkunst. Rond 1770 was er geen betere plaats om daarin carrière te maken dan in Parijs. Hij reisde er naar toe en binnen enkele jaren was hij hofschilder aan het hof van Lodewijk XV, ontwierp hij serviezen voor de porseleinfabriek in Sèvres en was hij botanisch kunstenaar in de Jardin des Plantes. Hij werd ook tekenmeester en werd gezien als een belangrijke katalysator door al zijn functies. Mede door zijn schilderijen kregen Nederlandse 17de-eeuwse stilleven-schilders algemene bekendheid in Frankrijk.

Ary Scheffer (1795-1858) was ook een bijzondere. Hij wist zich op te werken tot vertrouweling van het koningshuis en bewoog zich door het hele kunstenaarsspectrum van Parijs. Hij was één van de kunstenaars die gevraagd werd om stukken te schilderen voor het museum van de Franse geschiedenis dat in het paleis van Versailles zou worden gevestigd. Hij was ook een spil tussen de Nederlandse en Franse kunstwereld, door zijn hulp aan schilders uit beide landen.

Ik kende Johan Barthold Jongkind (1819-1891) niet, maar hij kwam in Parijs terecht op uitnodiging van de Franse schilder Eugène Isabey. Jongkind schilderde er prachtige werken met de Seine-oever als onderwerp. Hij werd bekend en de beruchte criticus Edmond de Goncourt zei over hem;

‘Hij heeft op zijn schildersezel een doek staan van een buitenwijk van Parijs, met een leemachtige oever in een heerlijk mengsel van kleuren. Hij laat ons gezichten van Parijs zien, van de wijk Mouffetard, de omgeving van Saint-Médard, waar de verrukking van de grijze kleuren van de Parijse pleisterkalk door een tovenaar lijkt te betrapt in een waterige schittering’

Zijn stijl veranderde en dat is mooi te volgen in dit boek. Zozeer zelfs, dat hij geprezen wordt als vader van het impressionisme. Ik had geen idee.

Via Jacob Maris (1837-1899) leerde ik over de landschapsschilders en het belang van het plaatsje Barbizon, aan de rand van het Forêt de Fontainebleau. Maris toog erheen om het landschap daar te schilderen. Hij was niet de enige, men spreekt zelfs van de School van Barbizon. Veel Nederlandse schilders waren gevoelig voor deze Franse natuurbeleving en getuigden hier weer van in hun eigen werk.

Frederik Hendrik Kaemmerer (1839-1902) ging met Jacob Maris naar Parijs, op uitnodiging van kunsthandel Goupil & Cie. In dit hoofdstuk wordt duidelijk wat de rol van de kunsthandel is en dat ze vaak, zoals bij Kaemmerer, schilders exclusief aan zich binden en hen zelfs als agenten inzetten om nieuwe schilders voor hen te werven. Zo werd tegenkracht geboden aan de grote invloed van de Salon en de Académie.

Dan George Hendrik Breitner (1857-1923). Hij was een figuurschilder en trok in Den Haag op met Vincent van Gogh. Zijn leertijd in Parijs begon in 1884. Hij zag zichzelf als ‘le peintre du peuple’, zijn werkwijze was vooral het zwerven door de stad en het vastleggen van het alledaagse leven. Breitner schilderde ook, in navolging van Degas, naakten en ballerina’s. Dat was nog niet eerder door een Nederlander gedaan;

Hoewel de aanleiding voor de naakten zeker gezocht moet worden in zijn kennismaking met de moderne Franse schilderkunst, gaf Breitner er een eigen invulling aan: voor de heldere kleur van zijn Franse collega’s ging hij niet overstag. Zijn gamma bleef rembrandtesk, zijn expressiviteit rauwer dan de mondaine sensualiteit van Degas of Manet.

Een mooi voorbeeld van de Franse invloed op een Nederlandse schilder en dat is ook te zien bij Vincent van Gogh (1853-1890). In dit boek is goed zijn ontwikkeling te volgen van de donkere schilderijen uit zijn Nuenense periode, waar hij een realistische boerenschilder was, tot zijn exuberante kleurstellingen in zijn Zuid-Franse periode. Die ontwikkeling liep via Parijs en daar zie je zijn palet, onder invloed van de kleuren van Delacroix, steeds meer opklaren en helderder worden.

Kees van Dongen (1877-1968) vond ik zelf een openbaring. Ik kende zijn schilderij De blauwe japon al vanuit het Van Gogh Museum, maar zijn andere werk was een eye-opener. Hij trok aanvankelijk naar Parijs om zijn krachten te wijden aan het ‘vrijheidslievend’ socialisme. Hij bevond zich onder meer midden in de Dreyfusaffaire. Hij schilderde ook en hoe. Zijn meesterwerk is ‘A la Galette’, een doek op groot formaat dat het uitgaansleven van de ‘arbeidende klasse’ toont. Vreselijk om te lezen en zien dat dit doek versneden is in zes afzonderlijke doeken, die nu wereldwijd verspreid zijn.

Tot slot las ik over Piet Mondriaan (1872-1944). Hij schilderde aanvankelijk volgens de Haagse en de Barbizon-school. Keurig herkenbaar werk dus. Hij toonde zich vooralsnog ongevoelig voor het impressionisme en ander modern werk zoals van Van Gogh. Vanaf 1907 veranderde dat. Zijn belangstelling voor theosofie leidde een zoektocht in naar de verbeelding van een hogere, spirituele levensessentie. Minder tijd en beweging, meer versterkte kleuren. Hij zei;

‘Wat als eerste veranderde in mijn schilderijen was de kleur. Ik zag af van natuurlijke kleuren ten gunste van zuivere kleuren. Ik was tot het inzicht gekomen dat kleuren uit de natuur niet op doek zijn te reproduceren. Instinctief voelde ik dat het schilderen een nieuwe weg moest vinden om de schoonheid van de natuur tot uitdrukking te brengen,’

Mondriaan kwam onder invloed van het ‘luminisme’, een techniek waarmee de verf in korte streken wordt aangebracht in heldere, veelal ongemengde kleuren. Mondriaan maakte een eerste reis naar Parijs en kwam in aanraking met het ‘kubisme’ en met de werken van Picasso, die hij bewonderde. Hij ging meer in die stijl werken en ondervond er kritiek op, onder meer van Willem Steenhoff, onderdirecteur van het Rijksmuseum;

‘zelfs Mondriaan, die op een onzalig oogenblik zich aan het dogma van het Cubisme onderwierp, heeft in een duinlandschap op een volkomen onverantwoorde wijze de methode toegepast, te goeder trouw meenend, dat de stompzinnige regelmatigheid van als langs een lineaal stijf en languit getrokken lijnen, de suggestie zou geven van een strenge rust en ruimte. De ongemotiveerdheid van ’n paar rechtzijdige vlakken, als tapijtjes, bij den voorgrond, versterken slechts de zinledigheid van het geheel.’ 

Gelukkig ging Mondriaan door. Hij vertrok voor een tweede keer naar Parijs en zijn werk werd steeds abstracter. Fascinerend om te zien dat in een volledig abstract werk als Schilderij No.II / Compositie No.XV in de vijf kruizen bovenin toch iets te herkennen is uit de ‘gewone wereld’. Ze komen overeen met het uitzicht uit zijn atelier op de seinbrug (goed kijken) van Gare Montparnasse, die ook dergelijke kruisen heeft. Als om aan te geven dat zijn werk nog steeds wortelt in alledaagse werkelijkheid.

Daarmee is dit een vrij uitgebreide recensie geworden maar ik kon niet anders. Ik heb veel bijgeleerd, vind het erg fascinerend en ik ga zeker de tentoonstelling in het Van Gogh Museum nog bezoeken. Lees hier het verslag van Bettina van haar bezoek.

0880014962.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de boeken die ik de laatste tijd heb gelezen over het Parijs tussen de twee wereldoorlogen in, was er één figuur die steevast opdook. Dat was Kiki de Montparnasse. Ik was geïntrigeerd genoeg om haar boek Kiki’s Memoirs aan te schaffen en ik heb er geen spijt van. Natuurlijk wil je de eerste uitgave graag hebben uit 1929, of de eerst vertaalde uit 1930 maar die zijn niet te betalen, dus ik ging voor de meer betaalbare Engelse heruitgave uit 1996.

Er zijn voorwoorden van de Japanse kunstenaar Tsuguharu Foujita, waarvoor zij model stond en door Ernest Hemingway, die nooit meer voor iemand anders een voorwoord zou schrijven. Dan de memoires van Kiki zelf. Ze baarden nogal wat opzien in hun tijd. Zo werden ze door hun expliciet seksuele inhoud tot in de jaren zeventig verboden in de Verenigde Staten. Nu kijken we er niet meer van op, maar Kiki was haar tijd in Parijs ook aardig ver vooruit.

Ze heette Alice Prin (1901-1953) en kwam uit een dorp in de Bourgogne. Ze werd door grootmoeder opgevoed omdat haar moeder in Parijs zat. Daar kwam ze uiteindelijk toch terecht en kreeg een behoorlijk vrije opvoeding. Hoewel ze een baantje kreeg in een schoenenfabriek poseerde ze al op veertienjarige leeftijd naakt voor diverse kunstenaars. Kiki vertelt;

The next day, I went out to look for work, and I met an old sculptor who, seeing that I was up against it, had me come and pose for him. That was something new for me, to strip like taht, but what else was there to do!…My mother forced her way into the sculptor’s and proceeded to throw a scene. I was posing, and she began to scream that I wasn’t her daughter any more, that I was nothing but a dirty wh-.
That didn’t mean anything to me!
It even cheered me up a little, because I understood now that the game was up.

Het spel was inderdaad op de wagen. Kiki krijgt vriendjes en wordt een steeds bekendere verschijning in het uitgaansleven van Montparnasse. Daar neemt ze ook al snel haar nieuwe naam aan. Talloze kunstenaars ontmoet ze en ze wordt door geschilderd door Foujita en Kees van Dongen, gefotografeerd door Man Ray, weergegeven door Alexander Calder, in brons gegoten door Pablo Gargallo enzovoort. Ze ziet er geen been in om gevraagd of ongevraagd haar boezem te ontbloten of haar rokken op te tillen terwijl ze wat chansons laat horen. Hoewel ze geen fantastische stem had volgens de overlevering was haar populariteit onverminderd groot. Zelfs haar fysieke ongemak, het ontbreken van schaamhaar wist ze tot een unique selling point te maken;

Posing is something I’m not very crazy about, for I’ve got a pilose system that’s not as well developed as it might be in a certain spot, and so, I have to dab myself up with black chalk. But I can give a swell imitation of hair!

Ik heb de memoires niet in het Frans gelezen en hoewel Hemingway in zijn voorwoord aangeeft dat deze eigenlijk niet te vertalen zijn, is de taal ongekunsteld en vrijuit. Het leest makkelijk weg. De meerwaarde van dit boek zijn de vele foto’s die er in staan van Kiki, van haar vrienden, haar minnaars, de artiesten die haar vereeuwigden, van de kunst die van haar is gemaakt én van de kunst die zij zelf maakte. Ook zij tekende en schilderde zelf. Hoewel ze midden in de kringen van dadaïsten en surrealisten verkeerde, had ze er wel een mening over;

We hang out with a crowd called Dadaists ans some Surréalists – for my part, I don’t see much difference between them!

Ongekunsteld en vrijuit…Oud werd ze niet. Ze zakte op 51-jarige leeftijd ineen aan de Côte d’Azur, waarschijnlijk aan de gevolgen van drugs- en alcoholgebruik. Maar ze leeft voort in haar memoires en vooral in de prachtige werken waartoe zij velen inspireerde.

Beelden van Kiki de Montparnasse in een film van Man Ray en Fernand Leger

Vertaling; Samuel Putnam

95f578382a0409c593750365241437641414141
Ik heb de laatste tijd wat boeken over Parijs gelezen en de kunstenaars die daar hebben gewoond en Belicht geheugen van Man Ray heeft daar ook mee te maken. Het is de autobiografie van de Amerikaanse dadaïstische en surrealistische fotograaf, schilder en filmregisseur. Een groot deel van zijn leven heeft hij in Parijs gewoond en hij ligt er ook begraven.

Nu had ik wel van de man gehoord, kende wat van zijn foto’s maar daar bleef het bij. Ik wist eigenlijk niet dat hij ook schilderde. Sterker, daar begon en eindigde hij mee. Later kwam de fotografie erbij en de films. Hij heeft al dat werk in de geest van Dada gemaakt, die een afwijzing voorstaat van de traditionele kunst. Daarbij experimenteerde hij met nieuwe technieken, zoals zijn rayografieën;

…stuitte ik op het procédé van mijn rayografie, foto’s zonder camera. Een vel fotopapier kwam in de ontwikkelbak terecht – een onbelicht vel dat tussen de reeds door een negatief belichte vellen was geraakt; ik maakte eerst een aantal opnamen die ik later tegelijk ontwikkelde – en toen ik tevergeefs een paar minuten wachtte of er een beeld zou opdoemen, vol spijt over de verkwisting van het papier, zette ik gedachteloos een kleine glazen trechter, de maatbeker en de thermometer in de bak op het natte papier. Ik deed het licht aan; voor mijn ogen begon zich een beeld te vormen, niet het eenvoudige silhouet van de objecten zoals op een gewone foto, maar vervormd en gebroken waar het glas meer of minder contact met het papier had gemaakt…

En zo ben je live bij de ontwikkeling van fotografie en kunst.  Dat geldt ook voor de films die hij maakt. Hij noemt het geen experimenten maar zorgvuldig uitgedachte werken, waarin mensen onherkenbaar herkenbare dingen doen, door met een kous over het hoofd te gaan duiken, dobbelen of wat dan ook. De focus echter in dit boek ligt in de onafzienbare stoet aan beroemdheden waar Man Ray mee werkt. Marcel Duchamp, Salvador Dalí, Kiki de Montparnasse (zij zouden een zesjarige relatie hebben), Picasso, Erik Satie, Marcel Proust (hij zou zijn doodsbed vastleggen), Ava Gardner enzovoort. Het biedt fascinerende lectuur.

Dat geldt ook voor zijn ontmoeting met de avonturier William Seabrook en zijn vrouw. Een vreemd koppel dat Man Ray uitnodigde om op een vrouw te passen die zij hadden ingehuurd en aan de trap hadden vastgebonden. Je moet het even lezen om te geloven. Inherent aan al deze exotische personen is dat het niet altijd de diepte ingaat. Ik had graag meer willen lezen over de kunstenares Meret Oppenheim. Zij baarde opzien door haar met bont beklede kop en schotel, maar Man Ray maakte ook prachtige foto’s van haar. De Kunsthal weidde er ooit in 1997 een aparte tentoonstelling aan.

Man Ray komt uit dit boek naar voren als een veelzijdiger artiest dan ik had gedacht. Ik heb dan ook veel opgezocht. Hij liet zich leiden door zijn eigen instinct en wist altijd de aandacht op zich te vestigen, waar hij zich ook vestigde. Dat leidde tot veel lezingen, die hij niet altijd even goed voorbereidde overigens;

Toen ik op het podium stapte met een bundel papier in mijn hand, zag ik een gelaten blik op veel gezichten. Langzaam en plechtig las ik de eerste bladzijde en stopte toen, om naar mijn toehoorders te kijken…Toen ik aan de tweede bladzijde begon,ging ik vlugger lezen, bij de derde aangekomen las ik die bijna zonder adem te halen uit. Toen ik de volgende bladzijde opsloeg stopte ik weer, liet hem aan de toehoorders zien en zei: dit was het. De bladzijde was onbeschreven, net als de rest van de stapel. 

Man Ray, een verrassende man en een voor mij verrassend kunstenaar met prachtig werk. Overigens was ik zo gelukkig het exemplaar van Belicht geheugen te bemachtigen met een opdracht van de vertaalster aan Bernlef en zijn vrouw.

Vertaling; Erica Stigter

9045016990.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Hoe moet je het boek Hoogtij langs de Seine van Diederik Stevens nu eigenlijk noemen? Een kunstgids, een stadsgids, een geschiedenisboek? Het heeft van alles wat. De ondertitel luidt Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs, waarbij we dan blijkbaar vaststellen dat een schrijver geen kunstenaar is.

Maar zo begint het ook. Het boek telt 470 pagina’s en de eerste 250 daarvan zijn gereserveerd voor korte biografieën van Nederlandse kunstenaars, zoals Simon Vinkenoog, Karel Appel, Corneille, Hugo Claus, Jan Wolkers etc. De overige pagina’s zoemen in op de locaties waar al die kunstenaars kwamen. De hotels, de academies, de ateliers en galeries, de boekhandels, bioscopen en bars, de brasseries en clubs die ze bezochten.

In dat tweede deel lijkt de schrijver op twee gedachten te hinken, want ging het niet om Nederlandse kunstenaars? Die voeren hier niet de boventoon. We lezen over Ernest Hemingway, Kiki de Montparnasse, Juliette Gréco, Pablo Picasso en al die anderen die Parijs bevolkten in de vorige eeuw.

Die twee gedachten stoorden mij overigens niet want laat ik het maar zeggen, het is één van de leukste boeken die ik ooit las. Nu niet meteen naar de boekhandel rennen, want dat kan goed aan mijn persoonlijke voorkeur liggen voor de stad Parijs in combinatie met de bohémiens die daar vertoefden. Je moet er wel van houden.

Zo leer je uit dit boek dat het beeld van de arme kunstenaar geenszins overdreven was. Het was moeilijk om aan woon- en werkruimte te komen. Appel en Corneille konden aan ateliers komen in een groot gebouw waar een vreselijke stank heerste van de huiden van een leerlooierij die daar lagen te drogen. Schrijvers en dichters zaten vaak een hele dag op één consumptie in een brasserie, omdat ze daar enigszins warm konden werken;

In korte tijd verrijst Appels provisorische atelier. Werktafels maakt hij van oude deuren…Appel schildert energiek maar wegens geldgebrek met weinig verf, en vooral op jute, in plaats van op duur linnen. Hard werken blijkt trouwens de enige remedie om warm te blijven, want het geïnstalleerde stookkacheltje heeft bij lange na niet genoeg kracht om het tochthol op temperatuur te krijgen.

Het is prachtig om van de avonturen van die Nederlandse kolonie in Parijs te lezen. Ik wist bijvoorbeeld niet dat Simon Vinkenoog zo’n verbindende factor was in die club. Maar het wordt eigenlijk nog leuker als al die locaties worden beschreven. Vanaf de ontstaansgeschiedenis tot aan heden. Je leest over al die beroemde gelegenheden als La Rotonde, Café Le Dôme, Les Deux Magots en La Coupole en vooral over wie er kwamen. De Amerikaanse schrijver James Baldwin zei:

The moment I began living in French hotels I understood the necessity of French cafés.

De Academies waar ook de Nederlanders les kregen of poseerden spelen een grote rol. De opkomst van de jazz-kelders in Parijs en alle grote sterren die er optraden, het staat er in. In het boek zijn kaartjes opgenomen met de arrondissementen die beschreven worden en alle plaatsen die worden beschreven staan aangegeven. Prachtig om een keer mee door Parijs te lopen lijkt mij.

Wat beklijft zijn de vele mooie verhalen in dit boek. Over The English Bookshop waar de flamboyante eigenaresse Gaït Frogé haar acrobatiek boven bedreef met welke schrijver dan ook. Over Victor Libion, de eigenaar van La Rotonde;

Uit de mémoires van Kiki de Montparnasse….blijkt dat de bedrijfsleiding van La Rotonde bijna dagelijks servies, bestek en glaswerk moet aanvullen omdat sommige financieel krabbende schilders de café-eigendommen onder hun trui of in hun jassen stoppen…Modigliani heeft die gewoonte alweer een tijd lang afgeworpen wanneer hij op een avond een feest in zijn atelier geeft waarbij ook Libion als gast aanwezig is. Tot zijn verrassing wordt de Rotonde-eigenaar geserveerd op hem overbekend servies. Ook blijkt de kroegbaas in de spijzen te prikken met zijn eigen tafelzilver, terwijl er evenmin onduidelijkheid bestaat over de herkomst van de wijnglazen. Libion vertrekt geen spier, staat op en vertrekt naar zijn café om wijnflessen te halen. Bij terugkomst zegt hij: ‘Alleen de wijn op tafel was nog niet van mij.’

En dat een heel boek lang. Ik ben er druk mee geweest en heb veel opgezocht over mij onbekende kunstenaars en artiesten, of om mijn geheugen weer even op te frissen. Zo weet ik nu dat het kunstwerk de knoop op winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht, waar ik honderden keren langs gelopen ben, van Shinkichi Tajiri is, een Nederlands-Amerikaanse beeldhouwer van Japanse afkomst, uiteraard ook actief in Parijs. Een boek dat ik zeker nog eens uit de kast trek.

276208
Met genoegen lees ik af en toe een deel uit de Volkskrant-serie over modernere schilderkunst en nu was het de beurt aan Matisse, geschreven door Volkmar Essers.

Henry Matisse valt voor mij in de categorie waar ik van gehoord heb, ook wel eens wat van gezien heb maar verder geheel onbekend mee ben. Iedere informatie is dan welkom en daar lenen deze deeltjes van zo’n 90 pagina’s zich uitstekend voor.

Henry Matisse werd in 1869 geboren in Le Cateau-Cambrésis in Noord-Frankrijk. Zijn ouders hadden een levensmiddelenzaak en een graanhandel en het lag dus niet direct voor de hand dat Matisse de kunsten in zou gaan. Dat gebeurde aanvankelijk ook niet, hij studeert af in de rechten in 1887/1888.

Zijn belangstelling voor tekenen was er echter al vanaf jonge leeftijd en als advocaat volgde hij een tekencursus, bestemd voor gordijnontwerpers. Je moet ergens beginnen. Hij maakte er echter werk van en geeft zijn advocatenloopbaan op om te gaan studeren aan de Académie Julian en aan de Ecole des Beaux-Arts.

Hij komt al snel in aanraking met het Impressionisme en raakt enthousiast over de kleuren van de regenboog na een reis naar Bretagne. Die prismakleuren begon hij direct in zijn werk toe te passen. Hij blijft erg gevoelig voor licht en kleuren en dat wordt versterkt door een reis naar Corsica. Het Mediterrane licht maakt zijn schilderijen steeds helderder en dat laat hij zien in landschappen, stillevens en interieurs.

Hij is inmiddels getrouwd en heeft een dochter en twee zoons. Overigens wordt zijn privé-leven maar zeer summier behandeld, het boekje gaat voornamelijk over zijn werk.

Kleur dus. Zo veel kleur dat dit niet bij iedereen in de smaak viel;

Toen Matisse in 1905 met Derain, De Vlaminck en Marquet zijn doeken in de Parijse Herfstsalon exposeerde, veroorzaakten deze schilders bij het publiek verontwaardiging en werden zij vanwege de heftigheid van hun kleuren…voor ‘wilden’ (in het Frans ‘fauves’) uitgemaakt.

Het fauvisme was geboren. Een prachtig voorbeeld van wat toen onconventioneel was, is het schilderij Vrouw met hoed uit 1905. Matisse ging reizen en zijn verblijf in Algerije leidde tot invloeden uit de islamitische kunst in zijn werk. Keramiek, tapijten en odalisken (haremdienaressen) komen regelmatig terug in zijn werk.

Wat zo interessant is aan zijn werk is dat Matisse niet naar het het leven schildert. Dat wil zeggen dat hij zijn modellen en omgeving niet zo natuurgetrouw mogelijk probeert weer te geven. Het gaat hem om iets anders. Zelf zegt hij daar over;

Mijn modellen zijn menselijke figuren en niet zomaar figuranten in een interieur. Ze vormen het hoofdthema van mijn scheppingen. Hun vormen zijn niet volmaakt, maar altijd expressief.

Hij gaat daarin steeds verder. Soms staan de modellen zo op de voorgrond, dat hij ze bewust niet helemaal op het doek laat passen. Armen en benen worden door de lijst afgesneden. De expressie wordt steeds belangrijker en hierin zijn voor mij de hoogtepunten zijn werken De dans, De muziek en Blauw naaktIk heb wat minder met de interieurs die hij op het doek heeft gezet zoals Groot rood interieur.

In de Tweede Wereldoorlog blijft hij in Frankrijk, ondanks dat hij een visum heeft voor Brazilië. Hij is grotendeels bedlegerig in de oorlog door allerlei problemen met de ingewanden en longembolieën. In die periode legt hij zich toe op kleiner werk zoals boekillustraties. Na de oorlog houdt hij zich nog bezig met tapijtontwerpen en glaswerk in de raampartijen van de Rozenkranskapel in Vence. Hij overlijdt in 1954 aan een hartaanval.