archiveren

Erasmus

0cb686a5b79e07e593653565577437641414141_v5
De corespondentie van Desiderius Erasmus Brieven 298-445. Deel 3 van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus is ook de moeite waard. Dit deel telt 284 pagina’s en waar we zien dat de eerste twee delen (hier en hier) zo’n 300 brieven weergaven over een periode van 27 jaar, telt dit deel zo’n 150 brieven over een periode van 2 jaar. Dat is de frequentie die we in de komende delen ook zullen tegenkomen.

De beschreven jaren zijn de jaren 1514-1516 en in 1514 is Erasmus 46 jaar (nemen we even aan, zie de biografie voor meer informatie). Hij kent de noordelijke en zuidelijke Nederlanden, heeft in Parijs gestudeerd en is in Engeland geweest, waar hij kennis heeft gemaakt met veel vooraanstaande maatschappelijke figuren. Ook is hij in Italië geweest waar hij getuige was van de intocht van paus Julius II in Bologna. Met uitgevers en drukkers maakt hij plannen om zijn werken uit te geven en dan in het bijzonder zijn werken over de Latijnse kerkvaders Gregorius, Ambrosius, Augustinus en Hiernonymus.

Eén van zijn grootste criticasters is de Leuvense theoloog Maarten van Dorp. Het mooie van deze boeken is dat ze niet alleen brieven van Erasmus bevatten, maar ook brieven aan Erasmus. Van Dorp geeft in zo’n brief de kern van zijn kritiek aan op de herziening van Erasmus op de dan zo belangrijke bijbelvertaling, de Vulgaat;

Het is immers niet te accepteren dat de universele kerk, die deze vertaling altijd gebruikte en nog steeds gebruikt en haar goedkeurt, zo veel eeuwen gedwaald zou hebben.

Geduldig legt Erasmus aan hem en aan anderen zijn werkwijze toe. Hij legt uit dat hij de teksten van Hieronymus, de vertaler van de Vulgaat, zuivert en van fouten ontdoet. Zo schrijft hij aan de kartuizer Gregor Reisch;

Met enorm veel zwoegen heb ik geprobeerd…een gezuiverde tekst van de brieven van Hieronymus uit te geven, die in een onvoorstelbaar en onbeschrijfelijk slechte staat verkeert…Ten derde voeg ik alle vervalsingen toe die een mij onbekende zoutloze en schaamteloze windbuil ertussen heeft gestopt.

Hij is er druk mee en dan moet hij ook nog in de pen om over de uitgaven van zijn werk te corresponderen. Ook dat is niet altijd makkelijk, zeker als de leerling-drukker niet het scherpste potloodje in het etui blijkt. Wilhelm Nesen namelijk schrijft Erasmus;

Gegroet, zeergeleerde Erasmus. In het werk van Seneca, dat dankzij jouw energie weer ter beschikking staat van de liefhebbers van de beschaafde literatuur, tref ik in de marge een paar notities aan van jouw hand…met de woorden; ‘Dit heeft een of andere windbuil er aan toegevoegd.’ Schrijf me of ik die woorden moet weglaten of met de andere moet drukken, al ben ik te dom om van een zeergeleerde een brief daarover te mogen afwachten.

Die ‘windbuil’ gebruikte Erasmus nogal eens dus. Erasmus schrijft soms lange brieven, zoals aan paus Leo X, aan wie hij zijn editie Hieronymus wil opdragen. Ook criticaster Maarten van Dorp krijgt lange epistels toegestuurd, Erasmus maakt zich er niet snel van af. Het is fascinerend om die twee met elkaar in conclaaf te zien gaan. Lof der Zotheid was volgens Van Dorp niet zo nodig maar als het toch moet, dan ook graag een Lof der Wijsheid alstublieft, zo schrijft hij. Erasmus wimpelt dit beleefd maar stellig af in zijn schrijven aan Van Dorp.

Al dat erudiete heen- en weergeschrijf is prachtig om te lezen, maar wat ik net zo mooi vind zijn de inkijkjes in een ander tijdperk, zo net na de Middeleeuwen. Zo was het nog steeds redelijk gevaarlijk om een reis te ondernemen, zoals Erasmus bericht in een brief aan zijn goede vriend, de Engelse humanist en staatsman Thomas More;

… toen ik overal groepen soldaten zag, overal boeren die van het land naar de stad trokken, en het gerucht de ronde deed dat er een grote troepenmacht in aantocht was, veranderde ik van gedachte en ontvluchtte niet, maar verruilde het gevaar. In Keulen trof ik een paar afgezanten uit Italië, bij wie we ons hebben aangesloten, bij elkaar zo’n tachtig ruiters. Zelfs met dat aantal was de reis niet ongevaarlijk.

De uitgave van de correspondentie is zeer verzorgd zoals in de vorige delen, hoewel ik in dit deel voor het eerst wat schoonheidsfoutjes aantrof en een verminkte pagina. Hopelijk niet in het volgende deel, want ik lees de brieven met veel belangstelling.

Vertaling; M.J. Steens

 

9403120312.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Af en toe heb je mensen nodig die van de gebaande paden afwijken om de mensheid vooruit te helpen. Erasmus is zo’n persoon en ik was al benieuwd waar hij die reputatie aan te danken had. Daarom las ik zijn Lof der Zotheid, zijn biografie en heb ik zijn correspondentie aangeschaft. Maar als Sandra Langereis dan komt met een nieuwe biografie met de titel Erasmus dwarsdenker, dan ben ik daar uiteraard zeer benieuwd naar.

Met 700 pagina’s is deze biografie een keer zo dik als bovengenoemde biografie van Léon Halkin, dus ik ben aardig wat wijzer geworden. De inleiding echter zette mij wel even op het verkeerde been. Die begint namelijk met

Op 27 juni 1598 vertrok Erasmus uit de haven van Rotterdam.

Voor een reis naar het westen zelfs, om Zuid-Amerika heen helemaal naar Japan. Die reis was ik even niet tegengekomen in de andere biografie en dat kon ook niet, gezien het sterfjaar van 1536 van Erasmus. Het blijkt om een houten beeld van hem te gaan. Afijn, het is een verrassend begin van de biografie en de inleiding verklaart ook waarom de grote humanist in een bloemetjeshemd op de omslag staat.

Dan de biografie zelf. Langereis heeft er werk van gemaakt. Dat is te zien aan het uitgebreide notenapparaat, dat veel informatie bevat en zeer de moeite waard is. Zo is er geen zekerheid over de geboortedatum van Erasmus, maar de auteur weet het aannemelijk te maken dat dit 28 oktober 1469 is geweest. Zeer fascinerend om te lezen hoe ze tot die hypothese komt en het geeft aan dat hier geen gemakzuchtig werk is afgeleverd.

Wat dit boek ook heel duidelijk maakt is de grote verdienste van Erasmus. Waarom was hij zo’n vernieuwer? Dat begint al bij zijn leergierigheid als kind. Hij raakt thuis in de teksten van de Bijbel maar is een kritisch lezer. Hij raakt er meer en meer van overtuigd dat de bekende teksten van de kerkgeleerden die iedereen nu voor lief neemt opnieuw beoordeeld moeten worden en wel vanuit de oerteksten. Daarom is het van belang om, naast Latijn, ook het Grieks uitstekend te beheersen.

Na jaren doorgebracht te hebben in een abdij besluit hij dat dit niets voor hem is. Hij wil zich gaan toeleggen op het schrijven. De teksten van de Bijbel begrijpelijk maken voor iedereen en uitleggen hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. Wat Langereis dan echt prima doet is ons eerst uitgebreid bijpraten over wat die teksten zijn die Erasmus zonodig moest herzien. De Summa theologiae van Thomas van Aquino en de commentaren van Hiëronymus van Stridon, die de Vulgaat maakte, een Bijbelvertaling in alledaags Latijn.

Wat opvalt is de ijzeren wil van Erasmus om die geweldige taak te volbrengen. Hij moet er veel voor laten. Hij reist door Europa, afhankelijk van giften en zal bijvoorbeeld nooit trouwen of zelfs maar een relatie aangaan. Daarnaast schrijft hij ook nog werken als zijn beroemde Lof der Zotheid en de Adagia, een verzameling Griekse en Latijnse spreuken. Maar de kern was toch wel een juist begrip van de Bijbel, van de teksten die golden als de standaard;

Die voorkeur voor schoolse Latijnse vertalingen…had tot gevolg dat in de vulgaatbijbel zoals die sinds het jaar 400 was doorgegeven – de door de paus gecanoniseerde vulgaat… – allerlei Griekse zegswijzen zó letterlijk in het Latijn waren omgezet dat de beeldspraak gemankeerd raakte en de betekenis van de bijbeltekst in het geding kwam. Daarom begrepen geestelijken die een millenium later de bijbel in het Latijn van de vulgaat lazen terwijl ze geen enkel benul hadden van het achterliggende Grieks de betekenis van allerlei bijbelfrasen verkeerd.

Erasmus’ publicaties hierover waren niet meer dan revolutionair. Het is indrukwekkend om te lezen hoeveel geschriften hij overal opduikelt en hoe grondig hij te werk gaat. Zo brengt hij het complete Nieuwe Testament uit. In twee kolommen, links in het Grieks van de oertekst en rechts in het Latijn van de Vulgaat, zij het dat de Latijnse kolom niet de officiële vulgaatvertaling afdrukte, maar de vulgaat zoals die op basis van de meegeleverde Griekse oertekst was verbeterd door Erasmus. Vervolgens kreeg de lezer nog 400 pagina’s met aantekeningen van Erasmus over zijn keuzes én bronvermeldingen.

Erasmus wordt één van de grootste schrijvers van Europa. Uiteraard volgen er dan kritieken en zijn werken worden door de inquisitie verboden. Zijn botsing met Luther wordt ook uitgebreid toegelicht en dat is prachtige leesstof want de kritiek van Luther is niet mis;

‘En als het gaat over de erfzonde: die erkent hij wel, maar hij wil niet waar hebben dat de apostel daarover spreekt in de brief aan de Romeinen. Laat hij toch Augustinus lezen!’, klonk het kribbig in dezelfde brief. ‘Ik lees Erasmus, en mijn zin in hem verschrompelt met de dag’…

Erasmus negeert de kritiek van Luther aanvankelijk maar zal hem later toch aardig van repliek dienen als het echt een haatcampagne wordt. In geschrift natuurlijk en dat is Erasmus ten voeten uit.

Ik heb genoten van deze vlot geschreven biografie. Die volgt natuurlijk het leven van Erasmus, maar geeft vooral inzicht in waarom hij zo’n groot denker was én geeft een hoop informatie over al die teksten die hij onderhanden nam. Dat is mooi om mee te nemen als ik verder ga met het lezen van zijn correspondentie, want ik ben nog lang niet klaar met die man.

e677a9f2810374559364b565577437641414141_v5
De correspondentie van Desiderius Erasmus Brieven 142-297. Deel 2 van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus is gelezen. Met 264 pagina’s niet een heel dik boek maar zeer de moeite waard.

Dat komt door een aantal zaken. Allereerst door het begrip vleierij. Als je de brieven van Erasmus leest, dan zie je dat hij zich vaak uitput in prachtige volzinnen waarbij de ene vriend er nog beter en mooier van af komt dan de ander. In een aantal brieven uit dit deel gaat Erasmus hier dieper op in en wordt het duidelijker hoe hij dit begrip hanteert. Zo heeft hij bijvoorbeeld een lofrede geschreven voor de aartshertog Filips de Schone. Erasmus zegt daarover;

Daar kwam bij dat ik in mijn eenvoud, om eerlijk te zeggen, een zekere afkeer heb van dit soort werk, waarop het woord van Plato zeer van toepassing is: ‘het vierde deel van de vleierij’. Alhoewel, het is niet zozeer een lofrede als wel een vermaning. Geen andere opzet is zo efficiënt om vorsten te corrigeren dan ze, onder het mom van lofprijzingen, een model voor te houden van de goede vorst, als je aan hem goede eigenschappen toeschrijft en slechte ontzegt op een zodanige wijze dat het lijkt dat je oproept tot navolging van de eerste en afschuw voor de laatste.

Hij gebruikt vleierij als instrument om, zeker in zijn latere brieven, zijn kritiek op koningen en pausen niet te sparen, maar hij doet dat ook in zijn eigen vriendenkring. Verder is dit boek de moeite waard omdat we Erasmus volgen in zijn pogingen om Grieks te leren. De mysteriën van het geloof kunnen volgens hem niet goed ontsluierd worden zonder het Grieks omdat de vertalers van de Heilige Schrift zich zo angstvallig aan Griekse metaforen houden. Grieks is dus nodig om de letterlijke betekenis te vatten en;

Bij ons, Latijnen, kun je wat beekjes vinden en modderige meertjes, bij de Grieken kristalheldere bronnen en rivieren die goudkiezels met zich meevoeren.

We maken dus mee dat Erasmus wat Griekse werken in handen krijgt die hij gaat vertalen. Zijn eerste vertalingen draagt hij op aan Nicolas Ruistre, een gezagsdrager aan het Bourgondisch-Habsburgse hof, kanselier van de universiteit van Leuven en bisschop van Atrecht vanaf 1501. In de brieven die hij schrijft put hij ook ruimschoots uit zijn eigen werk. Bekend zijn de Adagia van Erasmus. Dat is een verzameling Griekse en Latijnse spreuken die hij heeft verzameld en van commentaar heeft voorzien. Hij strooit daar mee in zijn brieven en dat leest prettig;

…ik vind het bijzonder prijzenswaardig dat je je niet bezondigd hebt aan allerlei retorische opsmuk, die de aard van het onderwerp niet gedoogde, zodat er nergens van ‘parfum in bonensoep’ of ‘een aap in het purper’ sprake is.

Zijn Adagia staan zeker op de lijst om nog eens gelezen te worden hier. Wat dit boek verder zo interessant maakt is dat Erasmus aan zijn goede vriend Thomas More uitlegt hoe zijn beroemde werk Lof der Zotheid tot stand kwam;

‘Welke Pallas’, zeg je, ‘bracht je op dat idee?’. Allereerst je familienaam, More, die evenveel lijkt op het woord Moria als jijzelf vreemd bent aan zijn betekenis, want naar ieders mening ben je allesbehalve zot. Vervolgens bedacht ik dat juist jij dit spelletje van mijn geest zou weten te waarderen. Je geniet immers altijd erg van dit soort grappen die, als ik me niet vergis, niet dom of zouteloos zijn, en ook in het gewone leven gedraag je je als een Democritos.

In de noten lezen we dan keurig dat ‘Moria’ grieks is voor zotheid en dat Democritos een Grieks wijsgeer was die lachte om de menselijke dwaasheid. Noten die weer onder aan de pagina’s staan wat erg fijn doorleest.

Een brievenboek is nooit volledig, onherroeplijk zijn er brieven verloren gegaan. Het is dan ook leuk om die brieven te lezen die teruggrijpen op eerdere brieven die wél in het boek staan. Zo staat er een brief in van John Colet, deken van de St. Paul’s in Londen aan Erasmus, waarin Colet het heeft over geld waar Erasmus om zou kunnen vragen;

Kortom, ik heb geen geld van anderen om aan anderen te besteden, maar ik heb enig geld van mezelf voor jou, als je het me nederig afbedelt.

Daar reageert Erasmus op in een brief aan Colet;

Maar je opmerking (ook al was die grappig bedoeld) ‘als je er nederig om bedelt’ heeft mij nogal gestoken.

Daar gaat hij verder op in en dat is prachtig om te lezen. Wat ook leuk is, is dat ik weer personen tegenkom uit het vorige boek dat ik las, De Habsburgers. Wat stomtoevallig was, is dat Erasmus het heeft over koningen en hun raadgevers zoals koning Croesus en zijn Griekse wijsgeer Solon, terwijl ik net de opera Croesus van Reinhard Keiser aan het beluisteren was die een aria tussen Croesus en Solon bevat. Soms komen dingen mooi samen.

Misschien wel de mooiste brief in het boek is de nooit door Erasmus gepubliceerde brief aan Servaas Rogier, de prior van Stein. In Stein, bij Gouda, stond het klooster waar Erasmus in zijn jonge jaren enige tijd heeft verbleven. Hij geeft de prior, die Erasmus graag terug had gezien, een verklaring van de keuzes die hij in het leven heeft gemaakt. Daar is hij vrij expliciet in;

Maar telkens als ik erover dacht terug te keren naar uw kloostergemeenschap, moest ik denken aan de afkeer die velen daar voor me koesteren, de verachting van allen, de kille en zouteloze gesprekken die geen vleugje Christus bevatten…

Kortom, Erasmus blijft door Europa reizen en dat levert dus deze prachtige boeken op.

Vertaling; M.J. Steens

 

c106a795a22f4c8593647565577433041414141_v5
De correspondentie van Desiderius Erasmus Brieven 1-141. De kop is eraf van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus en het smaakt absoluut naar meer. Dat kan, dit boek van 302 pagina’s is lang niet het dikste deel uit de serie.

De tijdspanne van de brieven is de periode 1484 – 1500. Wij worden in een voorwoord meteen even gewaarschuwd voor de stijlfiguur van de overdrijving en dat is niets teveel gezegd. Erasmus heeft talloze ‘geliefde broeders’ en de ene vriend is nog dierbaarder dan de ander. Het went snel. Het zijn geen spontane, maar weldoordachte, goed uitgewerkte en zorgvuldig geformuleerde brieven die we te lezen krijgen. Erasmus hechtte zeer aan de kunst van de retoriek en die is nu eenmaal bedoeld om mensen, op welsprekende wijze, te overtuigen iets te doen of te laten.

Is het daarmee wellicht niet een tikje saai? Welnee, ik heb zeer geboeid zitten lezen. Het helpt wel om wat voorkennis te hebben, bijvoorbeeld door het lezen van een biografie met een goede tijdtafel. Omdat het een brievenboek is, ontkom je niet aan versnipperde gebeurtenissen, het is geen vloeiend lopend verhaal. Wat hierbij prima helpt is dat, telkens als Erasmus schrijft aan een persoon, deze persoon en de context in een korte inleiding worden toegelicht. Ben je bij brief nummer zoveel even vergeten wie die persoon ook al weer was, dan staat achterin het boek nog eens een personenregister mèt beschrijving van de desbetreffende persoon. Zeer handig.

Dan de brieven zelf. Ik heb talloze aantekeningen gemaakt waaruit ik zou kunnen citeren, maar zal ten behoeve van de leesbaarheid mij trachten te beperken. Allereerst vind ik het mooi dat door zo’n boek historische figuren gaan leven. Ze maken, net als ieder ander, ook alledaagse dingen mee, zoals in het mooie verhaal wanneer Erasmus tips geeft aan het dienstmeisje om haar gewelddadige bazin van het lijf te houden;

Toen ze vroeg wat ik haar dan aanraadde zei ik; ‘Wanneer zij je weer aanvalt, trek je haar dadelijk haar pruik af…en als je dat gedaan hebt, vlieg je haar in de haren.’ Ik meende dat wat ik voor de grap zei, ook als grap zou worden beschouwd.

Dat liep wat anders maar hij komt er mee weg. Het is aanvankelijk even wennen aan de stijl van die tijd en wanneer het ernst is of scherts. Soms denk je dat Erasmus aardig van leer trekt tegen zijn vrienden;

Ik heb al sinds lang mijn pijlen gepunt, mijn spiesen gereedgemaakt; ik zal je een uitdaging tot de strijd sturen die zuurder is dan welke azijn ook en daarna rest je niets anders dan een balk te zoeken om je op te hangen…

Dat gaat nog even zo door tot hij aangeeft genoeg geschertst te hebben. Uiteraard zijn er ook veel brieven bij die gaan over zijn vak, de theologie en het humanisme. Zo is er een belangrijke en interessante briefwisseling met John Colet (1467 – 1519), de humanist en deken van de St. Paul’s in Londen. Hij verschilt met Colet van mening over de uitspraken van Jezus aan het kruis, waarin Jezus vraagt de kelk aan hem voorbij te laten gaan, maar dat niet zijn wil, maar God’s wil geschiedde. Colet ziet hierin het verdriet van Jezus om het Joodse lot, waarin de Joden verantwoordelijk worden gehouden voor de dood van Jezus. Erasmus ziet hierin een menselijke angst voor de dood, maar ook het besef van de noodzaak daarvan. Hij beziet dit van alle kanten legt het Colet uit;

Niemand – hoe levenslustig ook – verlangde zozeer te leven als Hij verlangde te sterven…Hoe rijm je dat, zeg je, vurig de dood te wensen en die tegelijk te vrezen? Eenzelfde ziel kan heel goed in de verschillende organen verschillende gevoelens hebben, vooral bij Christus….Daar waar de ziel van Jezus het dichtst bij de lichamelijke zintuigen was, ervoer hij smartelijke gevoelens; daar waar hij het dichtst stond bij zijn goddelijke natuur, verlangde hij met een onuitsprekelijke vreugde.

Het is uitermate boeiend om Erasmus zijn denkbeelden zelf uit te horen leggen aan een ander. Aan de andere kant is het net zo leuk om een beeld te krijgen van het alledaagse leven in de Renaissance. Erasmus reist veel en dat is niet ongevaarlijk in die tijd. Hij schrijft over een hachelijk avontuur op weg naar Parijs, waarin hij verwachtte beroofd te worden in een herberg;

Intussen zitten wij als twee offerdieren te wachten op de offeraar…Even later treedt die brave kerel binnen alsof hij van de prins geen kwaad weet; ik sla de man nauwlettend gade. Hoe scherper ik hem bekijk, hoe duidelijker ik zie dat ik met een rover te doen heb.

De brieven leveren een veelheid aan onderwerpen op. Erasmus kent zijn klassieken en strooit met citaten uit de literatuur van de grote schrijvers uit het verleden. Die worden toegelicht in noten die, en wat een verademing is dat, onderaan de pagina staan, wat dus een hoop geblader scheelt. Die noten zijn van belang, omdat we nu vaak niet meer snappen wat er bedoeld wordt;

“Jij bent jaloers op hem, denk ik, omdat jij begonnen bent Mercurius en Janus te vereren in plaats van Apollo en de negen zusters.”

Daar kan je overheen lezen, maar in een noot wordt uitgelegd dat Mercurius de god van de handel is en Janus van de beginnende ondernemingen. De zusters van Apollo zijn de muzen. Erasmus bedoelt dus: “omdat jij kiest voor de commercie in plaats van de kunst.”

Het zijn 141 brieven, van Erasmus en aan Erasmus geschreven, soms door Erasmus geschreven voor een vriend aan iemand anders, maar er staan ook brieven in die niet aan of van Erasmus zijn. Uiteraard gaan die brieven wel over hem en zo krijg je, ondanks een versnippering van onderwerpen toch een goed beeld van de man in zijn tijd. Gelukkig kan ik met 19 delen nog even vooruit.

Vertaling; M.J. Steens

eaa32f00dcfc3c8593768445251444341587343_v5
Na het lezen van zijn Lof der Zotheid wilde ik meer weten over Erasmus, dus pakte ik De biografie van Erasmus erbij van de Belgische historicus Léon Halkin. Het is een boek van 376 pagina’s en al in 1987 uitgekomen, maar het leest prima weg en heeft mij aardig wat wijzer gemaakt. Het helpt dat er veelvuldig uit zijn weken wordt geciteerd om zijn ideeën toe te lichten.

Desiderius Erasmus, of Erasmus van Rotterdam, is in de gelijknamige plaats geboren en wordt er altijd mee geassocieerd, al is het maar door de brug, de universiteit en zijn standbeeld, maar hij heeft er maar een paar jaar gewoond. Zijn ouders overleden toen hij jong was en hij ging naar de parochieschool in Gouda. In Deventer leerde hij Latijn, de taal die hij zijn hele leven zou gebruiken. Ook zou hij Grieks leren. Onder druk van zijn voogden deed hij zijn intrede in het klooster in Gouda maar dat is hem te benauwend. Hij vertrekt naar Kamerijk, als secretaris van de bisschop. Hij heeft zijn priesterwijding dan al gehad.

Vervolgens begint hij aan de Sorbonne in Parijs een theologiestudie. Hij maakt een reis naar Londen en ontmoet daar Thomas More, de Engelse humanist en latere staatsman, met wie hij altijd bevriend zou blijven. Terug in Parijs wordt zijn eerste werk gedrukt, de Adagia. Het is een verzameling van Griekse en Latijnse spreuken van de grote klassieke schrijvers.

Het humanisme, een aan Cicero ontleend concept waarin “menselijkheid” centraal staat, wordt leidend voor het werk van Erasmus. Vanuit die benadering beziet en bekritiseert hij ook het geloof. Hij is wars van dogma’s en rituelen en dan met name de uitwassen daarvan. Een voorbeeld zijn de pelgrimstochten naar bedevaartsoorden. Erasmus ontkent het sacrale karakter hiervan niet, maar wil dat ze hun oorspronkelijke betekenis en zuiverheid terugkrijgen, in plaats van louter reislust of een oervorm van toerisme opwekken.

Naast zijn eigen werk bereidt Erasmus kritische uitgaven voor van Latijnse auteurs en vertaalt hij werken van Cicero, Plutarchus, Horatio, Plautus en Seneca. Verder is hij een begaafd briefschrijver. Zijn brieven zijn toegankelijk en vaak geschreven met het oog op publicatie. Hij gaf ook eigen brieven uit in druk, maar had waarschijnlijk niet kunnen bedenken dat zijn totale correspondentie nog steeds verkrijgbaar zou zijn in de 21e eeuw. Onlangs is de uitgave van de integrale correspondentie voltooid, zoals hier te zien is.

Zijn werk wordt gelezen en doet er toe, en hij is er zich van bewust ook, zoals blijkt bij een verzoek om geld bij de moeder van een leerling van hem;

‘Je zult laten zien hoe ik door mijn wetenschap mevrouw meer tot eer zal strekken dan andere theologen die zij ondersteunt. Want die zeggen alledaagse dingen, maar ik schrijf onvergankelijke dingen. Die domme kletsers hoort men in de ene of andere kerk; mijn boeken zullen worden gelezen door de kenners van Latijn en Grieks, door alle volken op de hele aarde.’

Uiteindelijk behaalt Erasmus in Italië zijn doctorstitel. Hij blijft schrijven en brengt werken uit als het Handboekje van de Christensoldaat, maar ook zijn commentaren op het Nieuwe Testament. Vooral de laatste uitgave zorgt voor grote verontwaardiging aan de theologische faculteiten, omdat zijn tekstkritische werk wordt gezien als een ondermijning en aantasting van het geloof.

Beroemd is ook zijn controverse met die andere geloofscriticus, Luther. Aanvankelijk zijn ze het wel eens, maar voor Erasmus gaat Luther veel te voortvarend te werk. Erasmus blijft het instituut veel meer trouw dan Luther maar nog belangrijker; Erasmus gelooft in de vrije wil, waar Luther betoogde dat God al had beschikt over het heil van de mens. Een zwarter mensbeeld dan waar Erasmus in geloofde.

Een andere pijler van Erasmus’ gedachtegoed is het pacifisme. Daar hangt het kernthema van zijn zedenleer aan vast, namelijk het thema van eendracht. Hij denkt groot, maar vertaalt die gedachte door, dus hij verlangt niets meer of minder dan eendracht tussen volken, kerken, theologische scholen, maar ook tussen vrienden en echtelieden.

Erasmus trouwt nooit en is een onvermoeibare werker. Hij heeft wel lichamelijke klachten als nierstenen, maar dat weerhoudt hem nooit van zijn reizen of van zijn werk. Door zijn kritiek wordt hij vaak aangevallen in geschriften en in de regel reageert hij daar met humor of met ironie op, maar soms geeft hij toe aan zijn verbittering en verweert zich fel;

‘Zolang men mij niets goddeloos te verwijten heeft, sta ik niemand toe mij voor goddeloos uit te schelden…De woorden van sommigen van u zijn mij niet ontgaan: “Als wij eerst Luther te gronde hebben gericht, dan pakken wij Erasmus aan”…Terwijl ik op aanwijzing van de keizer, de paus en andere vorsten…de strijd met Luther heb aangebonden. De inspanningen die ik onder gevaren op mij heb genomen, hebben de vijand verzwakt. En dan valt u mij meteen midden in het gevecht in de rug aan. Wat doet u toch? Misgunt u de kerk soms de overwinning? Wilt u de vijand te hulp snellen?’

Als Erasmus ouder wordt en zijn einde voelt naderen sluipt er in het boek wat drama, waar het verhaal tot nu toe vrij feitelijk was;

In de stilte van de ouderdom doorleeft Erasmus nog eenmaal voorbije dagen, zijn nogal trieste jeugd, de vroege dood van zijn ouders en de vurige hartstocht van zijn jongelingsjaren…Weemoedig leest Erasmus de brieven van zijn weinige trouwe vrienden nog eens door.

Hij overlijdt uiteindelijk in Bazel waar zijn grafsteen nog steeds in De Munster, de voornaamste kerk daar, te bezichtigen is.

Het is een informatieve biografie, die hoewel wat gedateerd, een prima overzicht geeft van leven en werk van Erasmus. Niet altijd chronologisch verteld, maar daar helpt de tijdtafel achter in het boek bij. Soms viel mij een herhaling van zetten op, zoals in welke geschriften Erasmus allemaal voortleeft. Dat wordt een aantal maal herhaald en had wat zorgvuldiger geredigeerd mogen worden. Verder ben ik wel benieuwd geworden naar zijn correspondentie, waaruit veel geciteerd is.

902536800X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Lof der Zotheid van Desiderius Erasmus is een beroemd werk en was eigenlijk niet eens voor publicatie bedoeld. Erasmus kwam op het idee tijdens een tocht over de Alpen, terwijl hij dacht aan het weerzien met zijn vriend, de humanist en filosoof Thomas More. ‘More’ werd ‘Moria’, wat in het Grieks ‘zotheid of dwaasheid’ betekent. Dit leidde uiteindelijk tot een grote lofrede van de godin Zotheid op zichzelf, waarin zij haar algemene weldaden uitvoerig prijst. 

In het eerste deel presenteert de godin Zotheid of de Dwaasheid zichzelf (waarom we verder Dwaasheid gebruiken legt de vertaler uit in zijn nawoord). Hoewel de lofrede bol staat van de satire geeft ze aan dat ze meer op vermaak dan op agressie uit is. Ze stelt haar dienaressen voor, zoals daar zijn Vleierij, Eigenliefde, Vergetelheid en Laksheid. Ze betoogt dat de wereld maar moeilijk zonder haar kan en dat uit zich op allerlei manieren. Zij neemt al snel de vrouw bij de kladden en stelt deze voor als dwaas. Voordat er dames op de achterste benen gaan staan, de godin nuanceert meteen;

Aan de andere kant lijkt de vrouwelijke sekse mij ook weer niet zo dwaas dat ze kwaad op mij zouden worden omdat ik ze dwaasheid toeschrijf; tenslotte ben ik zelf ook een vrouw én Dwaasheid.

Dat toont meteen het slimme aan van deze lofrede. Erasmus, of de godin, kan kritiek leveren of satire bedrijven met wie of wat hij of zij maar wil, want wie spreekt hier nu? En die kritiek is niet van de lucht, want dwaasheid, op zich al een ruim begrip, is overal te vinden. Ze mag graag de tegenstelling zoeken en de strijd aangaan met de Wijsheid. Ze betoogt dat zogenaamde wijzen als Diogenes, Xenocrates, vader en zoon Cato, Cassius en Brutus allemaal de hand aan zichzelf sloegen en dat dit de mensheid niet vooruit helpt;

U ziet wel wat er gaat gebeuren als overal de mensen wijs zouden zijn: dan hebben we weer klei nodig en nog zo’n pottenbakker als Prometheus.

Waarbij Prometheus een Titaan was die de mensheid uit klei gevormd zou hebben. Erasmus kan als criticaster van het christelijk geloof volop zijn ei kwijt in dit werk. Hij geloofde sterk in de naastenliefde maar was wars van dogmatiek. Dwaasheid zegt dan ook;

Zo’n koopman of soldaat of rechter bijvoorbeeld denkt dat hij door één muntje uit zijn enorme buit weg te geven het hele moeras van het leven in één klap heeft drooggelegd en is van mening dat al zijn meineden, al zijn liederlijkheden, al zijn dronkenschappen, al zijn vechtpartijen, al zijn moorden…door een soort contract zijn afgekocht…

Hiervan weten we dus dat Erasmus zijn mening laat doorklinken in de satire. Verder gaat hij los op schoolmeesters, dichters, geleerden en filosofen. Vooral die laatsten beschrijft hij op hilarische wijze. Uiteraard staat Dwaasheid lang stil bij koningen, hovelingen en religieuzen als de paus en zijn bisschoppen. Ook worden haar loftuitingen onderbouwd met passages uit de heilige schrift, dus u weet in één klap waar het woord ‘dwaas’ zoal voorkomt in de Bijbel. Dat gaat nog best ver;

En dat mag ons niet bevreemden, wanneer de heilige Paulus zelfs aan God enige dwaasheid toeschrijft: ‘Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen’, zegt hij.

Koren op de molen van de godin Dwaasheid dus en ze gaat nog even door. Jezus heeft nu eenmaal meer op met dwazen en dat geldt ook voor de dieren waar hij mee omgaat. Hij rijdt immers op een ezel Jeruzalem binnen, waar hij ook een leeuw had kunnen gebruiken. Zijn uitverkorenen zijn ‘schaapjes’, terwijl dat toch het domste dier is dat er bestaat, aldus Dwaasheid.

De lofrede is een geestig en soms scherp verhaal waar veel in zit. Het is geen lang verhaal, ruim 100 pagina’s, maar als je het goed wil lezen kost het wat werk. Er staat een uitgebreid notenapparaat achter in het boek én een namenregister. Dat is erg nodig, want Erasmus, of de godin Dwaasheid zo u wil, is niet van de straat en strooit met namen uit de klassieke oudheid. Dus als u niet direct weet wie Chrysippus en Didymus zijn én de noten wil lezen, bladert u aardig wat heen en weer.

Tot slot een opmerking over de vertaling. In een stuk over tegenstellingen kwam ik de volgende zinsnede tegen;

wie daarnet een vrouw was, is nu een man; wie daarnet een jongen was, nu een bejaarde; wie zojuist een koning was, is plotseling Van Dam;

Van Dam? Zo zal Erasmus het niet opgeschreven hebben. Als ik de tekst nakijk op de Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren (Dbnl), zie ik dat daar stond

de vrouw van zoo aanstonds b.v. zou een man worden: de jongeling een grijsaard: iemand nog pas te voren een koning eensklaps een gemeene kerel

Een grapje van de vertaler? Geen idee, maar ik heb liever dat een vertaler bij de tekst blijft. De vertaling van Dirkzwager/Nielson geeft hier het woord ‘spitsboef’ aan, de vertaling van Petty Bange lost het op met “Dama”. Bange vertaalt deze naam verder niet maar het licht hem toe in een noot.

Vraagtekens had ik ook bij dit deel;

En zo rust deze geïnspireerde interpreet de apostelen uit met speren, katapulten, projectielen en pistolen en laat ze optrekken om het kruis te prediken.

Een apostel met een pistool had ik weinig voorstelling bij en hier bood Dbnl ook uitkomst. Daar staat;

En zoo laat die vertolker van de goddelijke wijsheid de apostelen met lansen, schietwerktuigen, slingers en bomharden uittrekken, om den gekruisigde te prediken.

Nu zal “bomharden” wel “bombarden” zijn, wat een voorloper van het kanon was en hoewel het pistool nog tijdens Erasmus’ leven was uitgevonden zie ik niet precies van waaruit dit vertaald is. Petty Bange vertaalt het in ieder geval met “kanonnen”. Dank aan Danny Habets voor de hulp in deze twee vertaalkwesties.

Dit alles neemt niet weg dat ik dit een prachtwerk vind waar ik langer mee bezig was dan vooraf gedacht en dat is alleen maar prima. Ik ga mij wat meer met Erasmus bezig houden.

Vertaling; Harm-Jan van Dam