archiveren

Maandelijks archief: maart 2016

9082408902.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Erik Voermans is muziekredacteur van Het Parool.  In zijn boek Van Andriessen tot Zappa bundelt hij in meer dan 100 hoofdstukken de interviews die hij afnam met de belangrijkste hedendaagse componisten en bespreekt hij hun muziek.

Nu weet ik van tevoren dat ik daar druk mee ga zijn. Ik heb best wat hedendaagse muziek in huis, maar kan nog erg veel bij leren, en daar gebruik ik zo’n boek dan ook voor. Het stelde niet teleur, ik heb een schat aan nieuwe informatie opgedaan.

Misschien moet ik beginnen met een citaat van de auteur zelf, over hoe het kan gaan met zo’n eerste kennismaking met hedendaagse muziek. Dat gaat over het stuk Le Marteau sans maître van Pierre Boulez en het komt overeen met mijn eigen ervaringen;

En toen belandde dus die Marteau op mijn draaitafel. Begrijpen deed ik het voor geen cent. Toch vond ik dat koele getinkel van die ijsblokjes meteen al hartstikke mooi, eigenlijk direct al bij de eerste beluistering. Maar het grillige vocale parcours van de zangeres – die rare grote sprongen, dat was toch geen melodie meer? – wilde zich maar niet in mijn oren nestelen, en dat is lang zo gebleven, eerlijk gezegd.

Hedendaagse klassieke muziek beluister ik ook niet vanwege de melodielijnen. Wel vanwege de klank, de energie en de spanning die er in zit. Luister eens naar het stuk Earth dances van  Birtwistle, wat een tomeloze energie zit daar in. Luister naar Tanzsuite mit Deutschlandlied van Lachenmann en zie wat hij met conventionele instrumenten voor een klankwereld kan oproepen. Fascinerend!

Het boek biedt veel meer dan alleen muziekvoorbeelden. Het brengt ons dichter bij de componist zelf en geeft een beeld van het klimaat waarin ze moeten werken in bijvoorbeeld Nederland. Zo is het pamflet opgenomen dat Cornelis de Bondt heeft geschreven waarin hij afrekent met het kortzichtig denken over de kunsten en kunstsubsidies;

“Neem nu zo’n Muziekcentrum van de Omroep. Dat moest eerst weg. Nu mag er weer een stuk van blijven. Denk je dat ze bij een onderneming als Philips op zo’n ondoordachte manier in essentiële bedrijfsonderdelen gingen snijden? Natuurlijk niet! Daar gaat uitgebreid onderzoek aan vooraf. Maar in de muziek hoeft dat kennelijk niet en dat vind ik onbegrijpelijk.”

De Bondt was uiteindelijk zo teleurgesteld dat hij al zijn werken heeft teruggetrokken voor uitvoering. Gelukkig valt er ook nog veel te genieten en te lachen in het boek. We leren dat smaak zeer subjectief is. Zo vindt Simeon ten Holt het werk van de Nederlandse componisten erg plat. Willem Pijper noemt hij niet veel soeps, terwijl Otto Ketting verderop debiteert dat Pijper toch echt heel goede dingen heeft geschreven. Ik lees over Heiner Goebbels, die aangeeft dat het heilige componistenvuur bij hem totaal ontbreekt;

“Ik vind het allemaal onzin. Ik doe niet mee aan het romantische cliché van de componist die in de eenzaamheid van zijn zolderkamer monumentale werken zit te scheppen die niemand ooit zal horen….Ik werk alleen als iemand iets nodig heeft.”

Anekdotes genoeg en citaten teveel, maar het boek doet mij (opnieuw) luisteren naar Ombre Cinesi van Willem Jeths, Naar de Anne Frank Cantate van Hans Kox, naar The Rise of Spinoza van Theo Loevendie, naar Grab it! van Jakob ter Veldhuis en ga zo maar door, het is een mèr à boire.

Gelukkig is het ook een actueel boek en worden er bij oudere interviews en stukken zinvolle toevoegingen geschreven. Zo wordt er nog melding gemaakt van het onlangs overlijden van Pierre Boulez. Enig minpuntje is de soms slordige redactie met spelfoutjes en/of foutieve afbrekingen, maar dat valt in het niet bij het plezier dat ik aan dit boek beleef.

Advertenties

1c0a322cf72165059747a346c77444341587343

Broer, dan, van Esther Gerritsen. Het boekenweekgeschenk 2016 en ik had nooit iets van haar gelezen. Nu wel dus en dat was mooi. ik lees de openingszin overal maar hij mag gewoon niet ontbreken;

Haar broer belde haar, vlak voor hij zijn been zou verliezen.

Briljant. Olivia krijgt een telefoontje van haar broer Marcus, de nalatige diabeet, die waarschijnlijk zijn been gaat verliezen. Olivia zit tien minuten voor een aandeelhoudersvergadering. I love it, dat is een opening, enne..hij verliest inderdaad zijn been.

Olivia had nooit een geweldig contact met haar broer, maar dit hakt er even in. Ze zoekt haar, altijd beetje wereldvreemde, broer op. Broer huilt veel, heeft eigenlijk geen echte verblijfplaats en Olivia beslist dat hij eigenlijk wel even bij het gezin in kan wonen. Het gezin is man Gerard en zonen Tom en Julius.

Olivia is druk met het bedrijf, een familiebedrijf in serviezen, van de ondergang te redden, maar heeft dus te dealen met haar broer en een man, tandarts, die in een dip zit en een crisis in zijn huwelijk voorwendt. Haar broer lijkt niet in te passen in haar gezin maar de werkelijkheid lijkt anders;

In de gang hoorde ze bulderend gelach. Gerard, Marcus en de jongens zaten voor de televisie en keken Laurel en Hardy-filmpjes…Olivia stond midden in de keuken, achter haar familie.

Olivia begrijpt via haar man dat ze toch echt in een huwelijkscrisis zit en dat Marcus intern moet revalideren. Er wordt een kamer geregeld maar wie er ook verblijft, Marcus niet. Hij is een graag geziene gast, zowel op het bedrijfsfeest van Olivia als in haar huis met zoons en man.

Goed, het einde mag een beetje zoet aan doen, maar het maakt mij niet uit, het past hier. Ik vind dit een sterk boekenweekgeschenk.

9023485173.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik had van de Dreyfus-affaire gehoord, maar wist zeker niet van de hoed en de rand. Na het lezen van De Officier van Robert Harris ben ik echt een heel stuk wijzer.

Het boek gaat over de beroemdste gerechtelijke dwaling aller tijden. Het speelt rond 1900 en gaat over de veroordeling van de joods-Franse officier Alfred Dreyfus wegens hoogverraad. Hij werd er van beschuldigd voor Duitsland te hebben gespioneerd en werd verbannen naar Duivelseiland voor de kust van Frans-Guyana.

Nu werd ene Georges Picquart benoemd tot het hoofd van de afdeling Statistiek van de Franse overheid. Lees; hij werd kolonel van de afdeling spionage. Daar krijgt hij te maken met de affaire Dreyfus en beetje bij beetje ontdekt hij dat de zaken toch niet helemaal in elkaar steken zoals de regering het doet voorkomen. Hij komt er achter dat er in ieder geval een echte verrader rondloopt, Ferdinand Walsin Esterhazy. Het document waarop Dreyfus is veroordeeld blijkt geschreven door Esterhazy.

Picquart bijt zich erin vast en er komt steeds meer modder naar voren. Hij wil dit bespreken met zijn superieuren maar wat blijkt; hij moet het laten rusten. Dreyfus is veroordeeld op basis van onomstotelijke feiten in een geheim document, dat de verdediging niet heeft mogen inzien. Dat gaat volledig tegen het rechtsgevoel van Picqaurt in, hoe toegewijd hij ook is aan het leger dat hij dient. De gemoederen lopen soms hoog op;

‘Maar als we nu ontdekken dat Esterhazy de verrader was, en niet Dreyfus…?’
‘Nou, dat ontdekken we dus niet, begrijpt u? Dat is namelijk het hele punt. Want zoals ik net aan u heb uitgelegd, is de zaak-Dreyfus voorbij. Het hof heeft zijn vonnis gewezen, en dat is einde verhaal.’

Het leest als een roman, wat het ook is, alleen leunt de roman zwaar op wat er echt is gebeurd. Iedere persoon die voorkomt heeft ook echt bestaan. De ik-persoon, Picquart, heeft het zwaar te verduren. Hij constateert, signaleert en krijgt dit;

“Het enige waar ik om vraag, is dat de zaak nog eens grondig wordt onderzocht…’
‘Het enige?”Nu ontploft Gonse. ‘Het enige! Die is goed! Ik begrijp u niet Picquart! Weet u eigenlijk wel wat u zegt? Dat het hele leger – het hele land, wat dat aangaat – om uw gevoelige geweten draait!

Picquart blijft tegen muren oplopen. Hij wordt weggepromoveerd naar Afrika, wordt teruggeroepen om te getuigen en gevangen gezet. De kwestie splijt het land en er zijn beroemde voorstanders als de schrijver Émile Zola die zijn beroemde pamflet J’accuse schreef, op het gevaar af voor smaad veroordeeld te worden.

Uiteindelijk loopt het goed af en worden zowel Dreyfus als Picquart in het gelijk gesteld, maar wat een inkijk geeft dit in het gekonkel en gedoe in het Franse rechtssysteem rond 1900. Verbluffend.

O ja, lees vooral ook Anna’s bespreking. Voor meer achtergronden zie hier.

Vertaling; Paul Witte

a43d8d7772bcb9b593730615851437641414141
Ik ben een onverbeterlijke liefhebber van literatuur, essays en autobiografisch werk. Eén van onze grootste schrijvers op dat vlak is Karel van het Reve. Toen ik zijn verzameld werk voor een vriendenprijsje kon aanschaffen twijfelde ik niet en begon direct aan Verzameld werk I. Dit deel is een bundeling van jeugdwerk, autobiografische stukken, diverse artikelen uit de periode 1932-1958, de studie Sovjet-annexatie der klassieken en een autobiografische schets van de auteur door zijn vriend Robert van Amerongen.

Een kleine 800 pagina’s aan leeswerk en ik heb mij geen moment verveeld. Zijn jeugdwerk is fris en verrassend goed geschreven. Het gaat om artikelen voor de kinderkrant De Tribune of over zijn jeugd in Betondorp. Het geeft al een aardig kijkje op de jonge communist die Karel op dat moment is;

In vele opzichten leek de Brigade op een Russische kindergroep. Zij ontleende niet alleen haar naam, maar ook veel van haar repertoire, haar muziek, haar tendens, aan de Russische kinderbeweging…Het bestaan van een kindertheater alleen al -het enige in West-Europa waarschijnlijk- was iets Russisch. Er heerste een democratische sfeer, die ik vergeefs in andere kinderorganisaties gezocht heb.

Daar werd al de kiem gelegd voor zijn latere interesse voor Rusland, de Russische literatuur en de taal. Dat gaat als een rode draad door het boek heen. Erg lezenswaardig is zijn studie Sovjet-annexatie der klassieken. In het kort gaat dat over de houding die het marxisme volgens zijn aanhangers dient aan te nemen tegen de kunst van het verleden. Daar is genoeg over te vertellen en Reve doet dat in een goede 130 pagina’s.

Toch heb ik het meest genoten van de kortere essays en besprekingen. De complete Russische literatuur komt voorbij, van Gorki en Oblomov tot Gogol en Tsjechov. Vergelijkingen tussen Heinrich Heine en Poesjkin, Thomas Mann over Tsjechov, Leskov afgezet tegen Tolstoj. Over die laatste zegt Reve bijvoorbeeld;

Leskov treedt zichzelf terug, en laat de Rus spreken. Het resultaat daarvan is voor ieder die Russisch leest, een openbaring. Het lijkt wel of men bij Leskov voor het eerst kennis maakt met de Russische taal; men beseft plotseling dat Poesjkin, Toergenjev en Tolstoj in een soort gerussificeerd Frans schreven. Zij schreven glashelder, geniaal, meeslepend, maar zij schreven geen Russisch.

Om maar even een statement te maken. Reve heeft zelf ook vertaald voor Uitgeverij Van Oorschot en ook daar heeft hij uiteraard een mening over;

Hebt u wel eens een boek van zevenhonderd bladzijden uit het Russisch in het Nederlands vertaald? Ja? Dan hoeven wij elkaar niets te vertellen. Nee? Dan moet ik u ten sterkste afraden er ooit aan te beginnen…Het is moeilijk. U denkt misschien dat u Russisch kent. Dat dacht ik vroeger ook. Maar zelfs als het waar is, hebt u daar niet veel aan. Al begrijpt u wat er staat, daarom kunt u er nog geen Hollands van maken. Een paar bekende voorbeelden: u weet misschien hoe uw grootmoeder u over haar brilleglazen aankijkt? Neem haar die bril nu eens af. Hoe zoudt u die manier van kijken nu noemen? De Russen hebben er een woord voor, wij niet. Zij noemen het ‘van-onder-voorhoofd’. Hoe wilt u dat vertalen?

Tenslotte zijn er nog de essays en toelichtingen over het marxisme, communisme, Lenin, Stalin en het hele politieke spectrum in de Oostelijke regio. Reve geeft een fascinerende inkijk in de politieke arena van die tijd.

Het zijn mooie verhalen in een prachtige, zevendelige editie. Het gaat om Verzameld Werk en niet het complete werk; gedichten ontbreken bijvoorbeeld omdat dit niet Reve’s forte was. Doublures zijn er ook uitgelaten evenals enkele onvoltooide teksten. Er is een uitgebreid notenapparaat en de uitgaven zien er zeer verzorgd uit. Deel II volgt vanzelf een keer.