archiveren

Bloemlezing

65961ee4cfb4eb85976486f6a77437641414141
T
oen ik bij mede-blogger Bibliofilos het boek Afgronden, Verontrustende literatuur uit de Romantiek van Anton Haakman tegenkwam, was ik direct geïntrigeerd. Het is een combinatie van een aantal essays en een bloemlezing over zogenaamde ‘fantastische’ literatuur uit de Romantiek. Niet te verwarren met sprookjes dus. Dit gaat over de gothic novel, ‘mooie gruwelen’, zwarte kunst en het fenomeen van de dubbelganger of ‘bleke metgezel’. Als ik dan de namen op de kaft zie prijken van Poe, Verne, Hoffmann en Dickens, dan weet ik het al; het boek moet gelezen.

Dat was een feestje. In de essays wordt keurig geduid waar de stijlen hun oorsprong vinden en wordt gezocht naar een definitie van de ‘fantastische’ literatuur. Dat blijkt nog niet zo makkelijk. Waar de Franse auteur Roger Caillois doodleuk zegt dat zijn persoonlijke smaak die definitie bepaalt, komt de auteur tot een nadere definitie, die mij zinvoller lijkt;

In engere, vooral negentiende-eeuwse zin gaat het om een fictie van het onverklaarbare of onverklaarde die realistisch aandoet, op de rand van de geloofwaardigheid balanceert en de volwassen, min of meer kritische lezer op zijn zwakste punt wil treffen – zijn angsten.

Met deze definitie worden in één klap de grote boze wolven en peperkoeken huisjes gediskwalificeerd en kunnen we ons met een gerust hart overgeven aan duivels, vampieren en geesten. Daar ontbreekt het dan ook niet aan in dit boek. Leef mee met zeeman Elis die zijn einde vindt in de mijnen van Falun, een verhaal van de Duitse E.T.A. Hoffmann. Jules Verne schreef over Zacharias de Klokkenmaker, die mee moet maken dat al zijn klokken stil blijven staan, behalve die ene, waarnaar hij op zoek gaat. Wat een prachtverhaal. Of reis mee met Peter Rugg, die als een soort Vliegende Hollander rusteloos met zijn sjees over de Amerikaanse wegen rijdt, altijd met zijn dochtertje op zoek naar Boston. Ook een prachtverhaal, van William Austin. Klassiek is natuurlijk het huis waar het spookt. Edward Bulwer Lytton schreef er een verhaal over, De Bezoekers. Een nuchter heerschap wil wel eens een nacht doorbrengen in een huis waar niemand het meer dan twee nachten uit heeft gehouden. Hij meent dit wel aan te kunnen en heeft een theorie;

Welnu, mijn theorie is, dat het Bovennatuurlijke het Onmogelijke is, en dat wat wij bovennatuurlijk noemen, slechts iets in de natuurwetten is waar wij tot nu toe onkundig van zijn. Als er dus een geest voor mij verschijnt, heb ik niet het recht om te zeggen:’Het bovennatuurlijke bestaat dus’, maar veeleer: ‘In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen valt de verschijning van een geest dus binnen de natuurwetten, dat wil zeggen, is niet bovennatuurlijk.’

Het nuchtere heertje krijgt meer dan zijn portie thuis, maar ik vind het een prachtredenatie. Zelfs Montaigne had het hier al over in zijn essays (vraag even niet welke…); wellicht is er veel meer om ons heen dan wij überhaupt kunnen waarnemen. De wind, elektriciteit, straling, we zien het allemaal niet maar het is er wel, dan kan dit net zo goed opgaan voor geesten, nietwaar?

Wat hebben al die verhalen gemeen in dit boek? Overal manifesteren zich machten uit de onderwereld of uit een schimmenrijk. Fantastische literatuur is de literatuur van de schaduw, van de keerzijde. In de verhalen krijgen onze oerangsten gestalte. Het gaat over ongrijpbare tegenstanders die we niet begrijpen. Als ik terugdenk aan dit boek en de verhalen de revue laat passeren blijft de Seinwachter van Charles Dickens hangen. De plichtsgetrouwe man die de signalen van de donkere figuur niet begreep op de berg. Natuurlijk loopt dat slecht af. Dat hoort zo in dit boek.

Advertenties