archiveren

Column

9029542845.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Begin vorig jaar las ik van journalist Ronit Palache haar bloemlezing over Ischa Meijer en aan het einde van 2020 verscheen haar nieuwe boek in de Privé-Domein serie over Renate Rubinstein; Bange mensen stellen geen vragen.

Ik heb het werk van Rubinstein niet gelezen maar weet wel dat ze haar stem deed gelden in haar boeken en colums, zoals die in Vrij Nederland onder haar pseudoniem Tamar. Voordat ik dit boek las keek ik naar een boeiend gesprek over Renate Rubinstein door onder meer Ronit Palache, Theodor Holman en Roxane van Iperen, waarbij actrice Olga Zuiderhoek fragmenten van dit boek voorleest.

Palache geeft aan in haar inleiding dat Rubinstein de eerste columnist in Nederland was. Dat hield ze 29 jaar vol, met twee korte tussenpozen. Ze begon op de vrouwenpagina en in haar eerste stuk maakte ze daar op kenmerkende wijze al gehakt van:

‘Ik ken geen krant die er een mannenpagina op na houdt.’

Zo, de toon is gezet. Rubinstein neemt geen blad voor de mond en was, ook volgens eigen zeggen, lang niet altijd aardig. In een interview met Theo van Gogh noemt Boudewijn Büch haar zelfs een ‘naar mens’ (het is terug te vinden op YouTube). Palache laat haar aan het woord door artikelen, columns, boekfragmenten en brieven op te nemen met thema’s als haar jonge jaren, oorlog en jodendom, zelfportret, maatschappij, liefde, feminisme en ziekte en gezondheid. Je krijgt zo een behoorlijk goed beeld van waar Rubinstein over schreef en hoe ze over die zaken dacht.

Net zoals bij Ischa Meijer is het niet verwonderlijk dat de oorlog een thema is in haar leven en werk. Haar vader werd vermoord en zij heeft de oorlog lang op zijn terugkomst gewacht. Over de oorlog zegt zij;

Wat in die tijd nog het meeste indruk op mij maakte, waren de verhalen over meisjes die kaalgeschoren werden omdat ze in de Jeugdstorm gezeten hadden of met moffen gingen. Hun lot beangstigde mij omdat het de vraag opwierp hoe je van tevoren zou kunnen weten wat goed was en wat fout. Mijn ouders waren Duitsers, dus ik ook en als mijn vader niet joods was geweest dan had ik misschien iets gedaan wat door en door verkeerd was, dacht ik…hoe moet je handelen en hoe kun je weten wat goed is en wat slecht voor het te laat is?

De Weinreb-zaak was mij bekend maar ook daar staat een prachtig verhaal over in. Het is een polemiek tussen Rubinstein en ‘die ophitser in Parijs’, de schrijver Willem Frederik Hermans over het gedrag van de joodse schrijver Weinreb in de oorlog.

Het mooie van de stukken in dit boek is dat ze soms een tijdsbeeld geven, maar ze zijn er ook op uitgekozen omdat ze voor deze tijd ook nog zeer relevant zijn. Als Rubinstein het heeft over antisemitisme stelt ze;

Ik bedacht…dat voor extreem domme mensen het antisemitisme een vorm van intellectualiteit (intellectuality) is, de enige vorm waartoe zij in staat zijn. Het vertegenwoordigde, op rudimentaire wijze, het vermogen om in categorieën te denken en te generaliseren.

Er zijn er genoeg die dit vandaag de dag in hun zak kunnen steken en je zou het ook kunnen doortrekken naar de complotdenkers en corona-ontkenners van vandaag. De beeldenstorm die we onlangs in Nederland hebben gehad, waarbij beelden werden aangevallen van historische figuren met een bedenkelijke rol in de geschiedenis? Rubinstein schreef er al over en het staat in dit boek.

Er is veel te lezen in ruim 500 pagina’s. Over haar verhouding met Simon Carmiggelt, over haar ziekte multiple sclerose en over haar opvattingen over de maatschappij en het feminisme. Maar ook over alledaagse zaken als roddelen komt ze scherp uit de hoek. Je kan roddelen over rare gewoontes van mensen, hun onhebbelijkheden soms, maar:

Al deze dingen zijn ongetwijfeld…van een bepaalde hoek bekeken heel verkeerd, maar het lukt mij niet de hoek te vinden waarvandaan zij er allemáál verkeerd uitzien.

Inlevend vermogen is haar geenszins vreemd. Humor touwens ook niet;

En toen hij doodging was hij niet tevreden en niet ontevreden, wel dood.

Ik heb talloze citaten opgeschreven en dat geeft voor mij aan dat ik dit boek met interesse en plezier gelezen heb. Als laatste wil ik nog wijzen op het prachtige portret dat er in staat van de Duits-Britse socioloog Norbert Elias, een goede vriend van Rubinstein. Het is nu dertig jaar geleden dat Renate Rubinstein overleed. Hans Goedkoop is al in 1994 met haar biografie begonnen, maar zoals Theodor Holman betoogde in zijn column in Het Parool, wellicht moet hij zijn geloofsbrieven overhandigen aan Ronit Palache; ik zou het toejuichen.

 

9029540257.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ischa Meijer was een journalist en televisiemaker die ik graag mocht horen. Daarom was ik benieuwd naar de bloemlezing die journalist Ronit Palache van hem samenstelde; Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan.

Het is geen biografie, hoewel het vol met biografische elementen zit. Het is een greep uit zijn werk waarin Palache een beeld wil schetsen van twee belangrijke onderdelen van Ischa’s leven; de oorlog en het jodendom. Daarvoor bracht ze een aantal artikelen, columns, lezingen, interviews en toneelwerk van hem samen in dit boek. Dat houdt in dat we Ischa zelf horen, maar ook een keur aan mensen die hun eigen verhaal aan hem vertellen. Hoort dat hier thuis dan? Welzeker. Juist die interviews waren voor hem belangrijk;

…hij bleef de rest van zijn leven vragen stellen. Ook die aan zijn geïnterviewden waren indirecte pogingen meer over zijn eigen verleden en familie te weten te komen. Ischa vertelde regelmatig in interviews mét hem dat interviewen ook een manier was via een ander uitdrukking te geven aan wat hij zelf wilde vertellen of voelen.

Je zou hem tweede generatieslachtoffer kunnen noemen maar Judith Belinfante (door Ischa geïnterviewd in dit boek) noemde het treffend ‘de anderhalfste generatie’; wel in het kamp geweest, te jong voor veel herinneringen eraan maar des te meer kampend met de impact. Zo introduceerde Ischa het begrip ‘leedadel’. Wie in een kamp had gezeten bood tegen elkaar op. Bergen-Belsen kon niet op tegen Sobibor en Auschwitz stond bovenaan de top. Het is tekenend voor het milieu waarin hij opgroeide. Eufemismen als “hij is niet teruggekomen” waren normaal en als je een huisje huurt even controleren of de verhuurders wel okay waren geweest in de oorlog.

Alle stukken in de bloemlezing zijn met zorg gekozen en passen binnen de thema’s oorlog en jodendom. Soms direct, soms duiken de thema’s later op. Soms zijn de teksten wrang, …hoe bent u er zo toe gekomen om uitgerekend slachtoffer te worden? (uit de muzikale komedie De Dames) en soms uitermate hilarisch, zoals in de komedie Het leven van Jos Brink;

Daarin lijkt Jezus weer ontzettend op m’n moeder, terwijl m’n moeder op haar beurt zelf verder in niks op Jezus lijkt, op dat ene gat in d’r hand na.

Omdat ik Ischa vooral van televisie ken waren zijn Dikke Man-columns mooi om te lezen. Juist als je die achter elkaar leest vang je de sfeer goed, ik ga ze zeker ook herlezen;

Tijdens zijn namiddagwandelingetje werd De Dikke Man aangesproken door een tamelijk treurig kijkende dame, die zei: ‘Ik ben een beetje in de war, meneer.’ De Dikke Man hield zijn pas in, en zette een luisterend gezicht op.
“ik heb namelijk een ongelukkige jeugd achter de rug,’ vervolgde De Treurige Dame. ‘Aangezien ik opgevoed ben door twee ouders die nogal geleden hebben onder de Tweede Wereldoorlog….’

Er staan ook aardig wat interviews in het boek, onder meer met Renate Rubinstein (Ronit Palache werkt ook aan een bloemlezing van haar werk), Ed van Thijn, Eli Asser, Hedy d’Ancona, Loe de Jong, Hanneke Groenteman en Leon de Winter. Hier hoor je van anderen wat het betekent om Joods te zijn en wat de impact is van de Tweede Wereldoorlog. Van anderen, maar voor Ischa ook geldend óf van belang. Regisseur Leonard Frank verwoordt het als volgt;

Ik voel me het meest jood in negatieve omstandigheden; als een Israëlische diplomaat in Parijs doodgeschoten wordt, als er in Israël weer vreselijke dingen gebeuren, als er in Antwerpen een bom ontploft in een sjoel. Dan voel ik me zeer betrokken. Zeer. Maar ik ben niet gelovig, zal het ook nooit worden.

Het boek besluit met een postuum interview met Ischa zelf. Geen gesprek dat Palache met hem voerde maar samengesteld uit meerdere, eerder gehouden, interviews met hem. Daarin hoor je Ischa alles nog eens uitspreken en als je hem hebt meegemaakt hoor je het hem ook zeggen. Dit boek is een prachtige uitgave en een mooi eerbetoon aan een markante journalist, schrijver en televisiemaker. Laat ik hem hier ook maar het laatste woord geven, daar was hij tenslotte het beste in;

Het was altijd wat met die joden, zullen we maar zeggen, dat voelde ik wel. Dat thema liep tot voor kort door mijn werk heen. Vaak zeiden ze: “Hou nou eens op over dat jodendom.” Waarom zou ik erover ophouden, Wolkers heeft het toch ook voortdurend over die gereformeerde troep? Hoe vaker ze zeggen dat ik het weer over het jodendom heb, hoe vaker ik denk: dat wring ik jou door de strot.

9048829240.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Presentator Matthijs van Nieuwkerk werd een aantal jaar geleden gevraagd of hij een column in de VARA-gids wilde schrijven. Hij stemde in, met één voorwaarde, iedere column moest (vroeg of laat) gaan over Charles Aznavour. In dit boekje van 152 pagina’s zijn er 67 gebundeld.

Van Nieuwkerk is een enorme fan van Aznavour, dat blijkt uit zijn verhalen. Hij draait zijn muziek iedere dag en heeft zelfs de “Azna” van het jaar. Een jaar lang draait hij iedere morgen hetzelfde nummer en start zo zijn dag.

Het leukst zijn de weetjes, zoals over het ontstaan van het nummer “Sur ma vie”. Zo mocht Aznavour best eens optreden in de Parijse muziektempel Olympia, maar dat moest wel met een nieuw nummer, volgens de toenmalige directeur daar. Graag morgen af. Van Nieuwkerk;

Aznavour schreef in de meest benauwde en belangrijkste seconden van zijn leven een hymne, een volkslied voor zichzelf. Het gekke is; ik heb in Holland Sport veel topsporters geïnterviewd die, op het moment dat het er op aankwam, niet in vorm waren. En elke keer als ik de eerste zucht van het excuus hoorde, dacht ik aan Charles Aznavour en Olympia, 1956. Idioot. Ik hield dan ook mijn mond.

Het zijn allemaal ultra korte stukjes en de kwaliteit is niet hoog. Ik ben echter ook fan van Aznavour dus ik vergeef het hem direct. Ronduit irritant vond ik de toevoeging overal “de beste zanger die ooit geleefd heeft”, maar goed. Waar ik van smul zijn stukjes als deze, dan ren ik naar de computer;

Ga naar YouTube, tik in: aznavour-emmenez moi. U kiest de uitvoering waarbij staat: live in concert 2004. Kijk deze clip van 4.05 minuten nu eerst eens rustig uit…Hier staat een zanger van tachtig jaar…Hij maakt een vuist, hij wijst naar een plaats achter in de zaal, hij grijpt katachtig in de lucht, hij snuift, hij wijst met twee vingers naar boven. Hij zingt alsof zijn leven van elke lettergreep afhangt…Aznavour spat het eruit, spuugt de staalharde c’s de zaal in, je ziet het publiek bijna bukken.
En dan! Zie hem dansen (heel even in slow-motion), zwieren op zijn eigen onweerstaanbare melodie. Elegant is niet voor niets een Frans woord.

Alleen deze column was het tientje al meer dan waard. Wat een zanger.

Emmenez-moi live in concert 2004