archiveren

Maandelijks archief: maart 2019

581
Ik weet niet zo goed wat ik met dit boekenweekgeschenk moet. Met Jas van belofte preludeert Jan Siebelink vrij op hem welbekende thema’s, zoals daar zijn de vader als tuinder, het geloof en het leraarschap. Op zich staat hem dat vrij en is daar niets mis mee, maar dit boek heeft teveel ongemakkelijke rafelrandjes.

Het boek opent met een proloog waarin Arthur Siebrandi, leraar Frans, met een ambulance naar het ziekenhuis wordt gebracht. Dan volgt een verhaal over Arthur, vrij gemodelleerd naar de auteur zelf (beiden zoon van een tuinder), die met een dissertatie bezig is over de Franse schrijver Jean Tinan én aan een grote roman bezig is.

Die roman gaat over zijn vader. Toen Arthur elf jaar was stapte zijn vader op de fiets en verdween, voorgoed. Alleen zijn fiets en zijn jas werden nog terug gevonden. Als Arthur bezig is aan zijn boek over zijn vader komt hij in aanraking met Edwin Wopereis, die een verhaal van zijn hand had gelezen. Wopereis maakt zich sterk voor een uitgave maar gaat zich met de roman bemoeien en verdwijnt later uit beeld.

Arthur heeft een relatie met Lisette, maar begint ook een relatie met een leerlinge van hem, Caroline. Tussendoor worden we geconfronteerd met het feit dat Arthur en Lisette een kindje verloren hebben, iets waarvan de toegevoegde waarde mij ontgaat. De relatie met de schrijver Loet IJzertje (dat moet de schrijver/dichter Louis Ferron zijn) speelt een rol maar daarvan ontgaat mij ook de meerwaarde. Ik vond de passages tussen hen volstrekt oninteressant.

Uiteindelijk komt zijn roman toch af en overlijdt de schrijver naar aanleiding van de beroerte waar het boek mee opent. Gedurende het verhaal zijn er korte episodes over zijn ambulancerit op weg naar het ziekenhuis.

Waar zitten dan die rafelrandjes? Allereerst de grote tijdsprongen. Caroline werd verliefd op een andere man en opeens lees ik een passage waarin ze al drie jaar getrouwd is. Ik had het even niet door. Soms staan er draken van zinnen in het boek. Stel je even zo’n conversatie voor:

Ze keken naar de vissen. Lisette kuste hem. ‘Natuurlijk ben ik blij dat je thuis bent. Waar ik ook vaak aan denk: als je boek zou lukken en al moet alles daarin omver worden gegooid, als het echt zou lukken, in zekere zin, ja, zo zie ik het soms, maar dan moet het ook in alles volmaakt zijn, dan brengt jouw boek ons, in zekere zin, ook het kind terug dat we al kwijt waren voor we het hadden.’

Het idee van een verdwenen vader waar je alleen de jas van vindt, het kan zomaar een prima verhaal opleveren, maar de passage dat Arthur achter zijn vader aanrent kwam ik een aantal maal tegen (ik had geen zin om alsnog te gaan tellen). Je hoeft vervolgens niet te gaan uitleggen dat de achtergelaten jas de ‘jas van belofte’ is en als ik later op dezelfde pagina nogmaals lees ‘Ik zei het straks. Die jas is een jas van belofte’, vind ik dat niet best. Als vervolgens ook nog vrij duidelijk wordt dat Siebelink zichzelf eigenlijk een prachtige roman in dit boek laat schrijven (de redactrice van de uitgeverij had verrukt opgekeken uit zijn manuscript) was ik er wel een beetje klaar mee.

Helemaal niets moois dan? Gelukkig wel en laat ik daar dan mee eindigen. Als Arthur op het einde van het verhaal een wedstrijd aangaat in zijn Maserati met een Lamborghini, volgt een mooie verwijzing naar een hemelvaart;

Dan de ultieme sensatie. De voorwielen spoten vuur door de wrijving, werden vuurballen, vuurkolommen. Ze maakten zich los van de aarde. Zijn vurige wagen, met vurige paarden, o ruiteren Israëls, reed schuin omhoog de hemel in, en algauw was de autobaan nog maar een smal streepje.

4bba7cab41471665971444b6c51444341587343
In de boeken over de Bourgondiërs die ik las kwam Jeanne d’Arc ook voor en de door Larissa Juliet Taylor geschreven biografie had ik in de kast staan, dus dat was reden genoeg om het boek te lezen.

Larissa Juliet Taylor is een Amerikaanse mediëvist met het Franse katholicisme als specialisatie. Haar biografie van Jeanne d’Arc is een wetenschappelijke biografie, gebaseerd op de primaire bronnen die zijn overgeleverd. Dat zijn er nogal wat. De stukken van het proces waardoor Jeanne op de brandstapel belandde zijn bewaard gebleven, evenals de stukken met betrekking tot haar rehabilitatie, de zogenaamde nullificatieprocedure.

Wetenschappelijk staat gelukkig niet gelijk aan gortdroog. In een kleine 300 pagina’s wordt een levendig beeld geschetst van een meisje uit Lotharingen, dat in haar korte leven en in een periode van twee jaar de loop van de Franse geschiedenis zou veranderen.

Als tiener begon Jeanne stemmen te horen, die haar opdroegen Frankrijk te bevrijden van de Engelsen, zodat Karel VII tot koning gekroond kan worden. Jeanne geeft gehoor aan die stemmen en verlaat haar geboortedorp. Het kost haar, uiteraard, de nodige moeite om serieus genomen te worden en ze moet talloze vragen beantwoorden en onderzoeken ondergaan. Daar blijkt ze niet voor één gat te vangen. Ze is scherpzinnig, doortastend, topfit én maagd. Bovendien weet ze feilloos Karel VII aan te wijzen terwijl ze hem nooit gezien heeft én geeft ze en passant aan waar haar droomzwaard zich bevindt, ergens begraven in een kerk waar ze ook nooit is geweest.

Deze zaken worden als wonderbaarlijk gezien en Jeanne wordt toegelaten tot het leger. Ze meet zich een harnas aan en begeeft zich naar Orléans om de stad te ontzetten. Dat wordt haar eerste grote overwinning. Het wordt beeldend beschreven en het is verbijsterend om te beseffen dat het hier om een zeventienjarig meisje gaat;

Voor de inwoners van Orléans en de soldaten beloofde Jeannes komst verlossing…Terwijl haar vaandel voor haar uit werd gedragen, reed ze door de straten van de stad, met de Bastaard naast haar en gevolgd door edelen, schildknapen, commandanten en eenvoudige soldaten…De drang om haar en haar paard aan te raken was zo groot dat een van de mensen met een fakkel zo dichtbij kwam dat haar lansvaantje in brand vloog.

Hierna zouden er meer veldslagen én overwinningen volgen. Jeanne geeft blijk van grote moed, van militair inzicht en raakt gewond. Ook dat laatste lijkt ze uit te buiten, want hoewel ze serieus gewond lijkt blijkt ze even later wonderbaarlijk hersteld. De Engelsen zijn verbijsterd en de Fransen krijgen enorme moraal.

Uiteindelijk bereikt Jeanne haar doel, Karel VII kan in Reims tot koning gekroond worden. Toch wil ze meer en ze houdt geen rekening met krachten die haar uit de weg willen hebben. Uiteindelijk wordt ze gevangen genomen en belandt ze op haar negentiende op de brandstapel. Schrijnend is dat Karel VII erg weinig moeite doet om haar hiervoor te behoeden.

Het is een onvoorstelbaar verhaal waar natuurlijk talloze vragen bij te stellen zijn en daar helpt dit boek enorm bij. Voor uiteenlopende zaken worden logische of pragmatische verklaringen gezocht. De stemmen kunnen hallucinaties zijn geweest, het herkennen van Karel VII en het zwaard dat ze weet te liggen; het is allemaal minder wonderbaarlijk als het lijkt. De plotselinge opstanding na haar wond kan heel goed een list zijn, iets wat vaker toegepast werd. Toch blijven er genoeg vragen over. Tijdens haar proces wordt ze eindeloos ondervraagd en blijft ze overeind tegenover haar ondervragers. Hoe kan dat? Hoe kwam ze aan het militaire inzicht en de vaardigheden die haar vooraan deden strijden? Waar mogelijk worden er verklaringen gegeven door de auteur.

Het boek heeft ervoor gezorgd dat de figuur Jeanne d’Arc meer is gaan leven. Vastberaden, koppig, streng, slim maar ook vroom. Op enig moment lijkt ze te breken, als ze een document moet ondertekenen waarin ze al het haar ten laste gelegde moet bekennen, maar dan toont ze ongekende veerkracht. Voor de duidelijkheid, in eerdere (gedicteerde) brieven zette ze soms een kruisje als teken dat men niet moest geloven wat ze had opgeschreven. Toen moest ze de verklaring dus ondertekenen;

Op spottende wijze tekende Jeanne een soort cirkel. Hoewel Jeanne inderdaad niet kon lezen en schrijven, kon ze wél haar handtekening zetten. Dat ze dit niet deed is veelzeggend. Was dit een kruisje in een cirkel dat Jeanne naar eigen zeggen had gebruikt om haar volgelingen te laten weten dat ze niet moesten geloven wat ze had geschreven? Anderen zeiden dat ze lachte toen ze het document tekende. De bisschop van Noyon herinnerde zich dat na de herroeping velen zeiden dat het slechts komedie was en ze alleen maar de spot met hen dreef. Vermoedelijk had hij gelijk.

Het komt allemaal naar voren uit de bronnen die er nog zijn. Achterin het boek staat dit in bijlagen toegelicht, evenals namen van de getuigen die ondervraagd zijn in verband met haar rehabilitatie en de belangrijkste personages in Jeanne’s leven.

Vertaling; Rob Hartmans

4bba7cab41471665971444b6c51444341587343
Ik had elders al aangegeven dat ik met die Bourgondiërs nog niet klaar was en
De Bourgondische vorsten van Edward De Maesschalck stond dus nog in de kast te branden. Het boek is 237 pagina’s dik en bestrijkt de periode 1315-1530. Uiteraard heeft het veel overlap met het boek van Bart van Loo, wat ik onlangs heb gelezen en dat meer tekst bevat. Is dit boek daarmee dan overbodig? Zeer zeker niet.

Allereerst vind ik het prettig om het verhaal in andere woorden opnieuw te lezen, ik onthoud het dan beter. Er staan handige stambomen en kaarten in het boek die veel verduidelijken. Verder staan er werkelijk prachtige foto’s in, soms paginagroot en zelfs over twee pagina’s.

Het boek is verdeeld in zeven delen en beschrijft achtereenvolgend Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria van Bourgondië en hun kinderen. Omdat veel verhalen mij nu bekend voorkomen kan ik mij verliezen in al die details waar ik zo van houd. Zo werd ik getriggerd door de huisdieren van Margaretha van Male. Zo had zij papegaaien en die associeerde ik niet direct met de Middeleeuwen, maar niets is minder waar. Ik zocht dat even op en in het midden-Nederlands was het pape gaie (gaai van de paap?) en ze waren alom aanwezig aan de hoven in Europa. Die details zijn prachtig maar onherroepelijk word je ook meegezogen in de grote gebeurtenissen van die tijd.

De kruistochten en het verschrikkelijk pak slaag dat Jan zonder Vrees kreeg in Bulgarije. De koppige Fransen die de fiere ridder wilden uithangen en bij Azincourt werden verslagen door de Engelse boogschutters en die later bij Poitiers precies dezelfde fout maakten. De moorden op Lodewijk van Orléans en op Jan zonder Vrees. Het doorlopende politieke spel om de macht en om zo gunstig mogelijke huwelijken en verbintenissen te sluiten. Een opvolger was van levensbelang en het ging zover dat Maria van Bourgondië moest bewijzen dat ze een jongen had gekregen en geen meisje. Dat deed ze;

Zij ontdeed het kind van zijn zwachtels, toonde het midden op de markt naakt aan de samengestroomde menigte en ‘nam sijn cullekens in haer hant’.

Uiterst interessant is het inkijkje in de hofhouding van de vorsten, ofwel het hôtel;

Het hôtel van Isabella van Portugal kende een hoogtepunt rond 1445, toen er sprake was van 25 eredames en samen meer dan 300 personen of 480 monden…Met monden bedoelde men ook de paarden, want die kosten aan onderhoud ongeveer evenveel als een mens.

Die paarden waren voor een vorst van cruciaal belang dus werden ze goed verzorgd. Een detail in een stukje over wijn;

De mindere wijn werd gebruikt om er na een zware rit de poten (sic) van de paarden mee te wassen.

De Bourgondische feesten ontbreken ook in dit boek niet en prachtig is het verhaal waarin Filips de Goede zich verplicht tot een kruistocht door een eed op een goudkleurige, levende fazant. Die kruistocht zou er overigens niet komen. Kortom, de grote lijnen zijn prima te volgen en het is smullen van al die details, ook in de talloze miniaturen die in het boek staan.

3c24e7a1c22fe9a596f33657067444341587343
Ik kan slecht weerstand bieden tegen boekomslagen waar bibliotheken op staan. De titel Struinen, lezen en denken én de subtitel Notities van een liefhebber maakten mij ook nieuwsgierig en als de auteur dan ook nog Theodore Dalrymple heet, wat ik poëzie in een notendop vind, dan schaf ik zo’n boek aan.

De naam Dalrymple klonk vaag bekend en de man blijkt naast arts ook een bekend cultuurcriticus met aardig wat vertaalde Nederlandse publicaties. Dit boek gaat vooral over de boeken die hij verzamelt en zijn belevenissen daaromtrent.

Geen dik boek, 236 pagina’s en het zijn vrij korte essays maar…ik moest er wel even in komen. Dat had denk ik te maken met de onderwerpen uit zijn eerste verhalen. Een relaas over een antiquaar en Hoxha-adept (u weet wel, de oud-dictator van Albanië) en de uitweiding over obscure Russische uitgaven boeiden mij niet direct, maar gelukkig kwam daar al snel de onderkoelde humor om de hoek kijken van deze auteur;

Het is vermoedelijk overbodig om daaraan toe te voegen dat het verlengen van de menselijke levensspanne indertijd nou niet echt tot Stalins meest dwingende preoccupaties behoorde.

De auteur wordt gefascineerd door (ooit) verboden uitgaven en door zaken die hij in boeken aantreft. Brieven, opdrachten én aantekeningen. Hij combineert dat vaak met zijn beroep (hij getuigde vaak in moordprocessen als getuige-deskundige) en dus heeft hij het over een gedicht dat men (ditmaal vergeefs) uit de handel trachtte te nemen over een huisarts die zijn patiënten vergiftigde. Zo heeft hij ook een opbeurend rijtje boeken over mensen die voortijdig begraven zijn en wilde hij ooit een boek over arsenicum in de 19e eeuw schrijven, waartoe hij ook een verzameling aanlegde. Het boek kwam er overigens niet.

Leuk om te lezen zijn de ontmoetingen met boekverkopers. Zo wilde Dalrymple ooit een boek afrekenen bij een verkoper die zijn boeken verre prefereerde boven zijn klanten:

Ik bracht het naar de toonbank waar hij achter stond om af te rekenen.
‘Waar hebt u het voor nodig?’ vroeg hij.
Uit het veld geslagen door zijn hooghartige toon antwoordde ik zwakjes: ‘Ik schrijf een boek over Liberia.’
‘Een wetenschappelijk boek?’
‘Nee. Een reisboek.’
‘Dan denk ik niet dat u dit nodig heeft.’
Hij schoof het boek onder de toonbank, om het te bewaren voor een waardiger koper, die het boek voor een zinvoller onderneming zou gebruiken.

Interessant is het essay over de leescultuur in Engeland en Frankrijk. Frankrijk, waar je een redelijk vaste boekenprijs hebt en Engeland, waar deze vaste prijs is losgelaten en boeken veel goedkoper aangeboden kunnen worden, resulterend in een paar levensgrote aanbieders, waar in Frankrijk meer diversiteit in aanbod is. Het leuke van dit boek is dat, na zo’n hoofdstuk, hij weer verder gaat met zijn eigen bibliotheek, zoals met een boek over mensen die zichzelf hebben verhangen (u snapt, beroepsmatige interesse).

Ik houd wel van die mijmeringen. Een beetje struinen in het antiquariaat en kijken wat je tegenkomt. Dalrymple doet het vaak en veel;

Ik perste mezelf in de smalle ruimtes tussen stapels boeken op de vloer en in de rekken en trok een boek tevoorschijn, inmiddels tachtig jaar oud…Het was een van die boeken die antiquaren zeldzaam plegen te noemen, iets wat dan niet alleen in hun catalogi wordt vermeld maar ook in microscopisch kleine potloodletters aan de binnenkant van het omslag wordt genoteerd. Om voor de hand liggende redenen wijzen ze er nooit op dat de mensen die het boek werkelijk zouden kopen nog zeldzamer zijn.

Zijn eigen bibliotheek omschrijft hij desondanks als een ratjetoe en hij moet er niet aan denken wat er mee gebeurt als hij overlijdt. Waarschijnlijk een verkoop per strekkende meter. Tot die tijd blijft hij verzamelen en schrijven, tot hij vliegwaarts neigt (lees dat vooral zelf op pagina 204).

Vertaling; Jabik Veenbaas

9025363911.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In mijn bespreking van Stemmen op schrift van Frits van Oostrom gaf ik al aan dat ik enthousiast was geworden door het middeleeuwse verhaal over Reynaert de Vos van de auteur die wij niet anders kennen als Willem. De vertaler van dit boek, Ard Posthuma, was door Stemmen op schrift aangezet om een nieuwe vertaling te maken en dat is het boek dat voor mij ligt.

Het is een beroemd verhaal en wat mij betreft terecht, ik heb er van genoten. Het verhaal van de vos blijkt een oeroud verhaal. Er bestaat al een Mesopotamische Reynaert, overgeleverd op kleitabletten. De vos heeft natuurlijk vele gezichten. Hij is sluw, wreed maar kan ook vertederend zijn. Het zorgt voor een dubbel gevoel door het hele verhaal heen, iets wat de auteur natuurlijk meesterlijk doet. Misschien eerst even naar het verhaal.

Koning Leeuw houdt een hofdag waar alle dieren verschijnen, behalve Reynaert de vos. Vele dieren doen hun beklag over zijn streken. Ysengrin de Wolf zegt dat Reynaert zijn vrouw verkracht heeft. Het hondje Courtois beschuldigt hem van diefstal van een worst. Van Oostrom geeft aan dat Grymbeert de Das het hondje afdoet als een ‘huilerig mietje’, wat te maken heeft met de verjaring van het vergrijp. Overigens is Grymbeert de neef van Reynaert en hij verdedigt hem bij de koning. Dat doet de auteur knap. Tegenover de wreedheden van de vos weeft hij een positieve tegenstem. Zo heeft Reynaert met de vrouw van Ysengrin geslapen, maar geheel tot haar tevredenheid bijvoorbeeld.

Toch doet de haan Cantecleer Reynaert nu even de das om, als deze binnen komt lopen met de hen Coppe op een baar, doodgebeten door Reynaert. De verontwaardiging is groot, evenals de schijnheiligheid. Leeuwen en wolven staan immers ook niet bekend om hun vegetarische inslag. Toch moet Reynaert hangen en dient hij opgebracht te worden. Bruun de Beer mag het eerst proberen. Dat loopt faliekant mis. Reynaert is hem te slim af en Bruun komt meer dood dan levend terug. Dat geldt ook voor de volgende, Tybeert de Kater. Het levert een prachtige scène op met een naakte pastoor die de kat betrapt. Deze werd maar al te vaak wat gekuist voor de jeugdige lezers;

Tybeert gaf zich rekenschap
van het dodelijke gevaar.
en schraapte al zijn moed bij elkaar
en maakte de pastor te schande
met zijn klauw en met zijn tanden
en sprong, als een kat in nood,
de pastoor recht naar zijn kloot
en beet van ’t beursje zonder naad
waar een man de klok mee slaat
de helft af en die plofte neer!

Grymbeert krijgt Reynaert uiteindelijk mee naar het gerecht, maar dan blijkt dat deze al ver vooruit heeft gedacht. Hij kent de zwakke plekken van iedereen en ook de koning valt voor zijn listen. Er mee wegkomen is Reynaert niet voldoende. Hij weet iedereen te overtuigen dat hij op pelgrimstocht gaat om te boeten, maar moet hiervoor een tas en schoenen hebben. Hiervoor worden wolf en beer deels gestroopt. Cuwaert de haas en de ram Belijn vergezellen hem naar zijn burcht waar hij afscheid van vrouw en kinderen mag nemen. Cuwaert overleeft het niet en Belijn zal, zonder het te beseffen, de kop van Cuwaert bij de koning afleveren. Dat zal hem later overigens flink bezuren. Reynaert en zijn gezin ontspringen de dans, hoewel ze ook vogelvrij verklaard worden.

Het is een verhaal waar veel over te vertellen valt. Willem Elsschot was groot fan en dankt zijn pseudoniem (hij heet Alfons de Ridder) aan de auteur van dit verhaal. Als voorinformatie is het essay in Stemmen op schrift onontbeerlijk. Je wil weten wat het beroep nu is van vrouwe Ogerne, die meedoet aan de lynchpartij van Bruun de Beer. Je wil weten wat Firapeel het luipaard ineens doet om alles op te lossen. Je weet ineens dat de auteur begint met zijn naam, maar via een acrostichon er ook mee eindigt. Je weet ineens van de homoseksuele connotatie als Cuwaert de haas door Reynaert ‘kapelaan gemaakt’ wordt als hem het Credo wordt geleerd (daar bestaat zelfs een mooie miniatuur van) en je leert vooral over al die tegenstellingen die je constant voor je kiezen krijgt. Dierenliefde komt er niet in voor, of het moet om de onvoorwaardelijke liefde gaan van Reynaert voor zijn gezin, waarmee hij je toch weer voor hem inneemt, de schurk;

Luister, mijn lieve Hermelijne,
jouw kinderen zijn ook de mijne,
behoed die twee in elk geval,
maar verzorg ook bovenal
mijn kleine Reynardinus goed,
wiens snorhaartjes nu al zo zoet
rondom zijn kleine neusje prijken.

De rijmvorm die gekozen is maakt dat het boek heel prettig doorleest. Eén keer lezen volstaat niet, want het is fascinerend om te zien wat de vertaler er van heeft gemaakt, de oorspronkelijke tekst staat er links naast (Tybeert die haast in katzwijm lag, ik houd van die vondsten) maar ook pareltjes als:

heeft hij de door hem tevoren
in het zand gemaakte sporen
met zijn staart weer uitgewist.

Het boek telt 114 pagina’s, het verhaal laat zich makkelijk herlezen en dat is de moeite waard, ook door de prachtige illustraties van Mance Post.

Vertaling: Ard Posthuma
Illustraties: Mance Post

 

27060b849555942593546785777444341587343
Het Chanson de Roland of Het Roelantslied, geschreven door ene Turoldus stond al even bij mij in de kast, maar ik moest nog even een reden vinden om het te lezen. Die vond ik in het boek Stemmen op schrift. Daarin wordt het genoemd en beschreven dus ik pakte het maar eens op.

Het Chanson de Roland is een zogenaamd ‘chanson de geste’, een in de middeleeuwen populaire vorm van verhaalvertelling, waarin historische personen een hoofdrol spelen. In dit geval betreft het een heuse ridderroman, waarin het begrip roman niet in de huidige betekenis moet worden opgevat, daar het volledig in versvorm is opgeschreven.

Het Franse origineel dateert uit de periode 1050-1150 en de eerste, fragmentarisch overgeleverde, Nederlandse vertaling komt uit het begin van de 16e eeuw. Het verhaal zelf mag er zijn. Karel de Grote heeft vrijwel heel Spanje veroverd op de Saracenen. Deze bereiden samen met de Franse graaf Ganelon een verraderlijk plan voor dat moet leiden tot een aanval op het zich terugtrekkende Frankische leger en de dood van zijn stiefzoon Roeland en zijn vriend Olivier.

Ik zal het maar verklappen, dat plan lukt. Wat volgt staat bekend als de Slag bij Roncevaux. Roeland en de zijnen worden overvallen en de hoofdpersoon weigert om met zijn hoorn versterkingen in te roepen. Zij vechten zich eervol dood. De verraderlijke graaf zal echter zijn verdiende straf uiteindelijk krijgen.

Nu weet ik graag wat achtergronden voor ik zo’n vers ga lezen, dus begon ik met het lezen van het nawoord van de vertaler. Dat was nuttig, want ik kreeg zo aanwijzingen voor het verhaal. Er wordt uitgelegd waarom het verraad gepleegd werd. Ook wordt Roeland’s merkwaardige gedrag verklaard met het blazen op zijn hoorn Olifant. Hij weigerde, zei ik al, om versterkingen in te roepen. Later blaast hij toch. Toch bang geworden? Wanhoop? Nee, dat was enkel nog bedoeld om te voorkomen dat de heidenen zouden ontkomen, niet als hulp voor hem persoonlijk. Dan lees je het toch net even anders;

Roeland zet de Olifant aan zijn mond,
plaatst hem goed en blaast er dan krachtig op.
Hoog zijn de bergen, ver draagt zijn stem rond:
tot ruim twintig mijlen heeft hij weerklonken.
Karel hoort hem met zijn hele gevolg.
‘Onze mannen voeren strijd!’ zegt de vorst
Maar dat wordt weersproken door Ganelon:
‘Zei een ander dat, dan leek het bedrog!’ 

Karel de Grote gaat toch terug terwijl Roeland, Olivier en hun metgezellen vechten voor hun leven. Die vechtpartijen worden zeer beeldend beschreven en volgen een vast ‘ridderlijk’ patroon (hier en daar met variaties). Het paard wordt gespoord, de lans gericht, de ridder slaat toe, het schild breekt, het maliënkolder wordt verscheurd, de tegenstander wordt doorboord en van zijn paard geworpen. Iets als volgt;

Engeler, de Gascogner uit Bordeaux,
laat de teugel vrij, geeft zijn paard de sporen
om Escremiz van Valterne te doden.
Hij breekt het schild aan zijn hals middendoor
en ’t kinstuk van zijn kolder: steekt hem voorts
recht in het borstbeen. Met volle lans stoot
hij hem uit het zadel op de grond, dood.
Daarna zegt hij hem: ‘Nu ben je verloren!’

Karel komt dus te laat en zijn jammerklacht is een prachtige. Uiteindelijk zal hij de Saracenen najagen en verslaan en wordt de verrader gevierendeeld. Eind goed, al goed, zo ongeveer.

Er valt verder genoeg over dit verhaal te vertellen, zoals de twijfel aan een deel waarin de emir Baligant optreedt. Het is een andere verteltechniek en er zijn redenen aan te voeren dat het deel niet past, maar afdoende bewijs is nooit geleverd. Leuk om te lezen dat de term ‘la douce France’ in dit vers voor het eerst opduikt (‘het zoete Frankrijk’). Ook de auteur, ene Turoldus, blijft een mysterie. Er zijn er die zeggen dat het om Turoldus van Fécamp gaat, de halfbroer van Willen de Veroveraar. Ook zijn er kroniekschrijvers die melden dat tijdens Willems campagne bij de slag van Hastings een jongleur, genaamd Taillefer, een Roelantslied zong. Dan is er het beroemde tapijt van Bayeux, waarop bij een klein figuurtje in jongleurstenue de naam TVROLD vermeld staat…tenzij die naam slaat op de forse krijgsman naast hem. Kortom, ook daar een mysterie. Het wordt prachtig toegelicht door de vertaler in het nawoord, lees dat vooral eerst.

Vertaling; Arjaan van Nimwegen

a1a0ebd29140369593671335477444341587343
Stemmen op schrift van Frist van Oostrom is het eerste deel van de prachtige reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuurDit deel bestrijkt de periode vanaf het vroegst bekende begin tot het jaar 1300.

Waar ik wellicht vreesde voor een wat droge opsomming en toelichting van de vroege werken werd ik blij verrast, want Van Oostrom blijkt een bezield verteller. De 550 pagina’s vlogen er doorheen.

Dat begint al met speculaties over het wellicht oudst bekende Nederlandstalige boek. Professor Justus Lipsius vond het in 1591 in Luik, het dateerde uit ongeveer het jaar 900 en…het is zoek. Dat begint veelbelovend en zo gaat het door. Ik maak kennis met Galbertus van Brugge, een vroege literator, die zo zijn eigen redenen had om te gaan schrijven;

Het heeft er alle schijn van dat de hoofdfunctie van zijn kroniek het schrijven zelf was, en dat Galbertus dus de eerste literator van de Lage Landen was voor wie het schrijven zweemde naar therapie. In de voorrede lijkt hij zich daarvan op verrassend moderne wijze bewust te zijn: “Dáár, te midden van zo veel rampzalige omstandigheden en benauwde ruimtes, begon ik mijn hevig wankelende geest […] te beteugelen en schrijvenderwijs te kalmeren […].’ 

Ik maak kennis met veel beroemde en soms minder beroemde werken. Ik kende de eerste geïllustreerde encyclopedie, de Liber floridus, van de kanunnik Lambertus van Sint-Omaars niet. Hier is het prachtwerk online in te zien. We hebben het natuurlijk getroffen met de oudst bekende Nederlandstalige tekst, ‘Hebban olla vogala…’. Aangetroffen in een abdij in Rochester blijkt het een gedichtje, als pennenproef neergezet. Voor hetzelfde geld had het een rekening of besluit geweest, maar wij hebben dus dat prachtige gedichtje.

Kijkend door de inhoudsopgave van het boek duizelt het eigenlijk weer, zoveel is er voorbij gekomen. Bijbelepiek en heiligenlevens, ridderromans, mystici en schrijvende vrouwen, Bijbelvertalingen en beroemde werken als Vanden vos Reynaerde en de werken van veelschrijver Jacob van Maerlant (ca. 1235 – ca. 1300). Van die vos had ik wel gehoord maar ik heb het boek nooit gelezen en het verhaal van Van Oostrom maakte mij zo enthousiast dat ik ging zoeken. Ik heb de vertaling besteld van Ard Posthuma. Het grappige is dat deze de Reynaert juist vertaald heeft omdat hij enthousiast was geworden juist door dit boek te lezen. U leest het hier.

Het is dus al met al materie die gortdroog lijkt maar met verve wordt verteld. Dat blijkt uit zinnen als;

“Walewijn blijkt al met al Great Gatsby, Rudolf Valentino en Rambo ineen.”

“Haar…strofische gedichten…zijn dusdanig gevoelig…dat de lyriek van Jan van Brabant…er hoofse horlepiep bij lijkt.”

“Discovery Channel op perkament”

Naast al die prachtige verhalen en hun ontstaansgeschiedenis zijn er uitstapjes naar andere onderwerpen. Ik kende het begrip “glossen” niet, volkstalige verklaringen van Latijnse woorden die vaak in de marge worden geschreven. Er wordt beschreven wat er nodig was om überhaupt te gaan schrijven, hoe wordt perkament gemaakt. We lezen het horrorverhaal van het middeleeuwse Nederrijns moraalboek. Verstopt gedurende de Tweede Wereldoorlog, maar toen in Hannover de Leine buiten haar oevers trad, dreef het kostbare boek een tijd in rivierwater.

Verhalen genoeg en de enige omissie is misschien een geografische. De titel van de reeks is Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, maar in deze periode bestond Nederland nog niet, zo leerde ik uit het boek De Bourgondiërs van Bart van Loo. Hoe groot is het gebied waar we het over hebben en waar komen de geschriften vandaan die hier later verschenen in vertaling? Wat kaarten hadden veel kunnen verhelderen, maar laat dat de enige kanttekening zijn. Ik heb erg veel opgestoken en kijk uit naar de rest van de serie.

Overigens heeft dit deel een eigen website voor achtergrondinformatie en biedt de website Literatuurgeschiedenis een prachtig totaaloverzicht.