archiveren

Griekse literatuur

9035113829.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_ (2)
Verzameld werk deel 2 van Plato dan. In Theaitetos halen, de alleen van het werk van Plato bekende Terpsion, en Euklides die in Megara een filosofische school stichtte, herinneringen op aan Theaitetos. Het is een raamvertelling, waarin Euklides een door hem op schrift gestelde gedachtenwisseling laat voorlezen, waarin Sokrates, Theaitetos en Theodoros deelnamen.

Theodoros is meetkundige en de leermeester van de briljante jongeman Theaitetos. De centrale vraag die in de 109 pagina’s wordt behandeld is: wat houdt kennis in? Theaitetos moet hierin de antwoorden geven, hoewel Theodoros ook aardig aan de tand gevoeld wordt en Sokrates staat hen hierin bij als ‘verloskundige’. Hem gaat het erom dat hij met zijn ambacht kan toetsen of het verstand van iemand schijn en leugen, dan wel iets vruchtbaars en waarachtigs baart.

Voor we de inhoud ingaan moest ik lachen om de beschrijving die Theodoros aan Sokrates gaf van zijn leerling Theaitetos;

Nou, Sokrates, ik heb een knaap gezien, een stadgenoot van je, die het zeker verdient dat ik over hem spreek en jij over hem hoort. Als hij mooi was, zou ik me ervoor wachten enthousiast over hem te spreken – je zou denken dat ik verliefd op hem was. Maar – wees niet boos op me – hij is niet mooi, hij lijkt op jou met zijn stompe neus en zijn uitpuilende ogen, iets minder geprononceerd dan jij ze hebt.

Daar kan je het mee doen als filosoof. Sokrates is echter een ‘good sport’ en gaat in gesprek met Theaitetos over het begrip ‘kennis’. Als hij aan Theaitetos vraagt wat kennis is antwoordt deze dat kennis gelijk staat aan waarneming. Dat is aan Sokrates besteedt dus dat wordt verder uitgediept.

Uiteraard gaat dat in de vorm van een dialoog waar Plato zo bekend om staat. Dat gaat soms best diep en je moet je hoofd er wel even bij houden. Sokrates over waarneming dus;

Dan rest voor ons waarnemer en waargenomene, denk ik, niets anders dan àls we zijn in betrekking tot elkaar te zijn, àls we worden in betrekking tot elkaar te worden…Vandaar dat wanneer je beweert dat er iets is of wordt je daarbij moet zeggen dat het van, voor, in betrekking tot iets is of wordt. Niemand mag beweren dat iets op zichzelf is of wordt en van een ander mag je zo’n bewering niet dulden.

Haalt u even rustig adem. Ook Theaitetos snapt het niet allemaal direct. Het scheelt wel dat Sokrates ook met begrijpelijke voorbeelden komt, dan hebben wij er ook meteen een beter beeld bij. Wat deze dialogen zo aantrekkelijk maakt is, dat Sokrates zijn toehoorder prijst waarbij hij hem eerst laat denken dat hij de perfecte definitie van ‘kennis’ heeft gevonden. Vervolgens gooit hij een nieuwe overpeinzing in de strijd, waardoor Theaitetos weer opnieuw kan beginnen;

Weer terug naar het begin dan: hoe omschrijven we kennis? Want we laten niet af hè?

En Theaitetos moet weer aan de bak. Er worden talloze interessante vragen opgeworpen. Kan iemand iets zien terwijl hij niets ziet? Kan je iets bezitten zonder dat je het hebt? De slimmeriken beamen dat natuurlijk; je kan een jas bezitten en als je hem uitleent heb je hem niet. Maar hoe zit dat met kennis? Dan bent u al een stuk stiller waarschijnlijk. Leest u vooral deze verhandeling dan eens door. Als je je vergist en je houdt vijf plus zeven voor elf dan verwar je een methode die je kent en die tot elf leidt met een methode die je ook kent en die tot twaalf leidt. Houd je dan iets voor wat je kent voor iets anders dat je ook kent? Nog verder geredeneerd; een wiskundige heeft kennis van alle getallen maar slaat toch aan het rekenen. Blijkbaar doet hij dat om iets te vinden dat hij niet kent, terwijl we hadden vastgesteld dat hij al kennis van alle getallen had.

Afijn, u begrijpt ongeveer in welke hoek u deze verhandelingen moet zoeken. Ook nu weer geldt, net als in deel 1 van Plato’s werken, dat je er graag eens tussen zou springen met je eigen verhaal of wanneer je vindt dat Plato, bij monde van Sokrates, weer eens te kort door de bocht gaat. Uiteindelijk (spoiler!) blijken alle verklaringen onhoudbaar en leren we slechts wat kennis niet is. Het maakt niet uit, het is een zeer onderhoudend boek dat dichteres en lerares klassieke talen Ida Gerhardt al opnam in haar verhalend gedicht Twee uur: de klokken antwoordden elkaar.

Vertaling: Hans Warren en Mario Molegraaf

 

9035113810.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_ (2)
De kop is er af, Verzameld werk deel 1 van Plato is gelezen. Nog 16 delen te gaan in deze mooie serie in een vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf. Dit deel bevat vier kleinere werken met een ironische ondertoon, te weten Euthydemos, Ion, Menexenos en Hippias. De hoofdrol in al deze verhalen is weggelegd voor de leraar van Plato, Sokrates. Plato vertelt in wezen zijn eigen verhaal door de mond van zijn meester; Sokrates zelf heeft niets op schrift nagelaten.

Plato des te meer en al zijn werken zijn goed bewaard gebleven. Toch geloofde hij dat een gesprek filosofie beter kon overbrengen dan een geschrift, vandaar de gekozen dialoogvorm. Daarbij is dialoog dan weer een groot woord, het zijn ook vaak lange monologen van Sokrates met korte antwoorden van zijn gesprekspartner. Wellicht was ik wat beducht om filosofische verhandelingen te gaan lezen maar dat was onterecht. De verhalen zijn prima te volgen, hoewel ik mij kan voorstellen dat de vertaling af en toe aardig wat hoofdbrekens gekost heeft.

Het eerste verhaal Euthydemos is een vrolijk gesprek tussen Sokrates en Kriton over twee woordkunstenaars, Euthydemos en Dionysodoros. Sokrates vertelt hoe de twee allerlei stellingen van Kleinias weerleggen en dat ook vooraf hadden aangekondigd. De onderwerpen zijn onder meer verworven kennis en het belang van het juist aanwenden van die kennis;

…moet je alles kennen om een kenner te zijn?’
‘Welnee, bij Zeus,’ was mijn reactie, ‘er zijn zo veel andere zaken waar ik geen kennis van heb.’
‘Als je iets niet kent, ben je geen kenner.’
‘Daarin niet, m’n beste,’ zei ik.
‘Desondanks ben je geen kenner!’ zei hij. ‘Terwijl je zojuist zei een kenner te zijn. Je ziet het: je bent wat je eigenlijk bent en toch ook weer niet, op hetzelfde moment en met betrekking tot hetzelfde.’

En dit soort redeneringen zitten er veel meer in, daarom leek mij een vertaling niet makkelijk. Ik kreeg vaak de neiging om in zo’n discussie te springen om mijn eigen argumenten aan te dragen of zaken te weerleggen waar de heren wat al te kort door de bocht gingen. Dat leek mij geen slecht teken, het was vermakelijk om te lezen.

In het tweede verhaal Ion steekt Sokrates de draak met de rapsode Ion. Een rapsode is een rondtrekkende zanger die gememoriseerde gedichten en verhalen voordraagt, waarvan Homeros de bekendste is. Plato, bij monde van Sokrates, geeft er zijn visie op het dichterschap en kunstenaarschap in het algemeen. De conclusie is uiteindelijk dat grote kunst ontstaat in momenten van vervoering, niet als het verstand in de weg staat. De kunstenaar als tolk van de goden. Ook dat gaat weer volgens onnavolgbare dialogen;

‘En ben jij niet de beste rapsode van Griekenland?’
‘Vèruit, Sokrates’
‘Ben je ook de beste veldheer van Griekenland, Ion?’
‘Nou en of, Sokrates, en dat komt door mijn Homeros-studie.’
‘Maar hoe is het dan in godsnaam mogelijk, Ion, dat jij, die van de Grieken de beste veldheer én de beste rapsode bent, als rapsode door Griekenland rondtrekt maar nog nooit een leger leidt?’

In Menexenos gaat het over een redevoering waartoe Sokrates wordt uitgedaagd om die te houden bij een jaarlijkse plechtigheid in Athene, waarbij de gevallenen in een gemeenschappelijk graf werden bijgezet. Sokrates geeft aan dat hij dit zou kunnen, maar het verwordt tot een parodie op de redenaars van zijn tijd. Hij houdt een betoog waarin geen enkele twijfel doorklinkt, terwijl hij juist gewoon is alle zekerheden te ondergraven. Het is een verhaal vol roem en glorie, terwijl het Atheense rijk juist in die periode ten onder ging.

In Hippias tenslotte praat Sokrates met de sofist Hippias. De sofistiek is een filosofische periode in de 2e helft van de 5e eeuw v.C. waarin de nadruk ligt op het spreken en debatteren in het openbaar waarbij gebruik werd gemaakt van een grote encyclopedische kennis en eigen waarneming. Ook dit is een prachtig gesprek wat leidt tot een opmerkelijke conclusie;

‘Wie zich dus opzettelijk misdraagt, slechte en onrechtvaardige dingen doet, Hippias – àls er zo iemand bestaat – moet wel de goedheid in eigen persoon zijn.’

Gaat u vooral zelf eens lezen hoe Plato, hier Sokrates, bij deze conclusie is uitgekomen. Het is wel kenmerkend voor hoe Plato werkt overigens. Zijn leraar Sokrates wordt wel gerekend tot de sofisten, hoewel Plato keer op keer in zijn werk het tegengestelde wil aantonen. Als het al zo is, dan bestrijdt hij hen met eigen wapens en laat hij hier de sofist Hippias in zijn eigen zwaard vallen.

Vertaling: Hans Warren en Mario Molegraaf

335eb47aa25cf4c59696e336767444341587343
Kikvorsenmuizenstrijd is een dun boekje van een onbekende auteur, maar dat in de oudheid werd toegeschreven aan Homerus. Ik laat dat maar even zo. Zijn grote werken de Ilias en de Odyssee zijn waarschijnlijk ook niet van dezelfde dichter.

De taal van deze Homerische epen, zoals ze werden genoemd, was doorgaans een oud gekunsteld mengsel van verschillende Griekse dialecten. Het was een kunsttaal die niet gesproken werd in het dagelijks leven maar die de antieke Grieken wel wonderlijk mooi in de oren klonk. Ze waren ook vertrouwd met poëzie en het voordragen ervan. Velen kregen intensieve training in het declameren en wisten grote stukken van beroemde drama’s uit het hoofd op te zeggen.

Wat is dit dan voor een boekje? Kikvorsenmuizenstrijd (u mag ook Batrachomyomachia zeggen maar dat hoeft niet) is een parodie op de gedragen taal en de grootste gevechten zoals die bijvoorbeeld in de Ilias plaatsvinden. Strijdende krijgers en heroïsche daden worden overgebracht naar de microkosmos van schril-piepende muizen en brallend-kwakende kikkers, maar wel inclusief het Godenpantheon dat zich er tegenaan bemoeit.

Dat levert een prachtig verhaal op van de muis Kruimjat, die in gesprek raakt met de kikker Blaaskaak. Ze keuvelen wat over waar ze vandaan komen, wie hun vader en moeder waren en wat ze zoal doen in het dagelijks leven. Kruimjat vertelt;

Broodknabbelaar, mijn vader, een muis met een nobele inborst.
Molensteenlikster, een kind van een koning, de dochter van Hamkluif,
baarde mij diep in haar hol en zij voedde mij op met haar hapjes
okker- en andere noten en vijgen en lekkere spijzen.

Ook Blaaskaak laat zich niet onbetuigd en hij krijgt Kruimjat zover dat hij zijn rug opklimt om zijn huis te bezoeken. Maar wat een drama, er duikt een waterslang op. Blaaskaak moet vluchten, duikt de diepte in en Kruimjat wordt aan zijn lot overgelaten en verdrinkt. Prachtig dat de muis in zijn stervensuur er nog van alles uit weet te brengen;

‘Blaaskaak, dat heb je listig gedaan! Maar het zal je berouwen!…Nooit zou je mij op het droge, in worstelen, in gymnastiek of sprinten de baas zijn geweest, jij ondier!…’

Er zijn getuigen, de muizen zijn not amused en ze bewapenen en bepantseren zich. Een muizenheraut verkondigt de kikkers de oorlog. De Goden hebben het ook over de naderende strijd maar houden zich vooralsnog afzijdig. Uiteindelijk brandt de strijd los en dat gaat naar beste traditie, zoals we dit kennen uit de Ilias;

Slikslaap, de prachtige, doodde intussen Geschoffel, de veldmuis; sloeg met een rots diens schedel aan gruzelementen, de hersens druppelden zo uit zijn neus en belekten de grond met een bloedspoor.

Ik zal de afloop niet verklappen, maar het is prachtig om te lezen. De muis Schilfertjesrover die zijn knuisten in een noot steekt en de doppen als boksriem gebruikt. Zeus die vanaf de Olympus zich er toch mee gaat bemoeien en zorgt voor de ontknoping van het verhaal.

Omdat het zo’n oud verhaal is wat talloze malen gekopieerd moet zijn zien we de omgekomen Kruimjat doodleuk meedoen in de strijd. Dat soort details maken het wel interessant. Het is een dun boekje, met inleiding ruim 30 pagina’s, waarvan de helft nog links op de pagina in het Grieks is gedrukt. Niet leesbaar, maar het maakt het wel een verzorgde uitgave.

Vertaling; Jaap M. Hemelrijk