archiveren

Amerikaanse literatuur

f7ff2e2c8ffb55d597456317577444341587343_v5
Ik had Treindromen al een gelezen van Denis Johnson en dat beviel erg goed. De naam van de wereld is ook weer een ijzersterke novelle. Het boek verscheen al in 2000 maar is nu pas vertaald.

Het is het verhaal van Mike Reed, een assistent-professor en voormalig medewerker van een senator in Washington. Hij is vier jaar geleden zijn vrouw en dochter kwijtgeraakt bij een auto-ongeluk. Dit is het verhaal van zijn onthechting daarvan. Een rouwverhaal, maar het is veel meer dan dat.

Als we aanhaken in het leven van Mike zien we dat hij langzaamaan weer dingen onderneemt. Hij bezoekt etentjes, een museum, maar hij vindt baat bij rituelen. Het kunstwerk in een museum, gemaakt door een slaaf, dat hem raakt en dat hij vaak opzoekt. De gesprekken die hij in zijn hoofd voert met zijn denkbeeldige vriend Bill, waarvan Bill bestaat maar de vriendschap niet.

Hij ontmoet vrouwen, wat de eerste paar jaar ondenkbaar was. Dat voelde als verraad aan zijn eigen vrouw en aan zijn rouw. Nu raakt hij geïntrigeerd door Flower Cannon, een meisje van 26. Zij is studente, performance artieste, celliste en naaktmodel en Reed komt haar overal tegen. Zij leidt hem onbewust wegen op die hij voorheen nooit betrad.

Dat gebeurt helemaal als hij ook nog zijn baan kwijtraakt. Hij bezoekt een goktent waar hij klappen krijgt. Met Flower, die daar ook een act doet rijdt hij weer terug, maar eerst belandt hij in een geloofsgemeenschap van het Friesland Fellowship. De zinnen die Johnson achteloos in het rond strooit zijn soms prachtig;

Ieder geluidje steeg krokant op en werd dan ver weg gevoerd door de bries, de lichte gestage wind over de korst van de wereld, het klikken van haar portier en haar hakken en tenen op het grind.

Flower is een sterk personage en belangrijk in het verhaal. Hoe ver ze gaan zal ik niet verklappen, maar het verhaal van haar jeugd en de verklaring van haar naam doen hem denken aan zijn eigen dochter;

Wat verbond deze woorden van Flowers lippen met het ongeluk dat mijn gezin het leven kostte? Door die woorden begreep ik dat ik de dood van mijn dochter niet langer kon verdragen. Het zou me kapotmaken. En ik zou het moeten laten gebeuren.

Reed laat uiteindelijk los. Hij vertrekt en wordt oorlogsverslaggever in Irak. Maar het had wat voeten in aarde en dat leest u in dit verhaal. Daarmee is het een rouwverhaal, maar het is ook een kritiek. Op de maatschappij zo u wilt, er wordt geschoven met mensen en posities en daar moet men maar mee omgaan. Het is ook een psychologisch verhaal. Is hij nu uit de rouw of niet? Waar zitten zijn emoties nu precies? Hij koopt een BMW in een opwelling, zoekt ruzie met in een auto passerende jongeren maar houdt vast aan bepaalde gewoontes. Het zou een van emoties bolstaand verhaal kunnen zijn maar dat is het niet. De lezer zit er maar mooi mee.

Johnson beschrijft het allemaal zeer to the point, zonder opsmuk. In het nawoord van Auke Hulst lezen we dat Johnson dit ‘naakt schrijven’ noemde. Hij hield het zijn studenten voor;

‘Schrijf in bloed, alsof inkt zo kostbaar is dat je het niet kan verkwisten.’

Het lijkt of het korte verhaal Johnson past als een jas maar ik heb inmiddels Een zuil van rook in huis van hem en dat telt dan weer 658 pagina’s. Ik ben daar erg benieuwd naar.

Vertaling; Peter Bergsma

902342638X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
On the road van Jack Kerouac is een klassieker in de Amerikaanse literatuur. Het is een autobiografische roman waarin Jack en zijn vriend Neal Cassady de Verenigde Staten talloze malen doorkruisen, meestal per auto en waar ze uiteindelijk een reis van Denver naar Mexico City maken.

Het verhaal gaat dat Kerouac de roman in drie weken tijd op één rol papier zou hebben geschreven in een door benzedrine en cafeïne opgeroepen vlaag van creativiteit. Dit boek is dan ook de zogenaamde ongecensureerde scroll version.  Dat laatste wil zeggen dat het verhaal achter elkaar doorgaat. Geen hoofdstukken of witregels. Het verhaal is verdeeld in vijf boeken, maar het staat allemaal achter elkaar geschreven. Wel ruim 330 pagina’s waar voor je geld.

De ongecensureerde versie wil zeggen dat het verhaal in zijn tijd nogal wat stof deed opwaaien. Het speelt zich af in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog en is symbolisch geworden voor de strijd tot behoud van de Amerikaanse droom. De moraal was preuts in die tijd en het verhaal wordt onverbloemd verteld, hoewel we er nu de wenkbrauwen er niet meer voor optrekken. Ongecensureerd en scroll version zijn meer tot verkooptermen verworden. Verschil met de oorspronkelijke roman is wel dat hier de namen van de echte personen worden gebruikt waar Jack in de oorspronkelijke versie Sal heet en alle andere figuren, hoewel vaak gebaseerd op vrienden en familie, ook anders heten.

Is het daarmee ook een klassieker? Bezien in de tijd wellicht wel. Ik vond het een prima boek om te lezen maar ben geenszins overdonderd. Het is mooi om te lezen hoe de vrienden Jack en Neal het land doorkruisen, alleen of samen, soms met lifters, soms zelf liftend, met de auto, de bus of met de trein. Ze zijn overal op zoek naar vrienden (waaronder literaire figuren als Ginsberg en Burroughs), drank, drugs en vrouwen. Vooral die laatste worden net zo makkelijk weer in de steek gelaten. Het volgende fragment, waarin de vrienden een Cadillac voor iemand naar Chicago moeten rijden geeft een goed beeld van hoe het er aan toe gaat;

Nog geen drie kilometer buiten Denver ging de snelheidsmeter al kapot omdat Neal tegen de 180 reed. ‘Tja, geen teller, nu weet ik niet hoe hard ik ga. Ik trap hem gewoon plankgas naar Chicago en hou de tijd wel in de gaten.’ Het leek wel of we nog geen honderd reden maar op de kaarsrechte snelweg naar Greeley vielen alle auto’s als dode vliegen van ons af. ‘De reden dat we naar het noordoosten gaan, Jack, is dat we absoluut even bij Ed Uhl in Sterling langs moeten…’

De auto komt in Chicago, maar daar is het wel mee gezegd ook. Neal is verreweg de meest maniakale van de twee. Hij heeft verschillende vriendinnen en trouwt tussendoor maar gaat altijd weer weg, vaak op zoek naar Jack. Eigenlijk vind ik de mooiste trip degene buiten hun landsgrenzen, als ze dwars door de jungle rijden met hun vriend Frank Jeffries, op weg naar Mexico City;

‘We zijn in de tropen! Geen wonder dat het hier zo ruikt! Ruik dat eens!’ Ik stak mijn hoofd uit het raampje; er petsten muggen tegen mijn gezicht; er rees een enorm gekrijs op zodra ik mijn oren spitste in de wind…’Sode-MIETER!’ riep Frank achterin. ‘God-SAMME!’ Hij was nog stoned. We beseften dat hij nog stoned was en dat de jungle en de problemen zijn blije ziel niet konden deren…’Wat dondert het ook!—we duiken gewoon dat rottige oerwoud in, we gaan er vannacht gewoon in slapen, vooruit maar!’ riep Neal.

Impulsief, ongedwongen en vrij. Dat ademt het boek wel en daarom was het in zijn tijd een klassieker.

Vertaling; Guido Golüke

9200000108184525

Maar toen, in de vroegste uren van die ochtend in november, een zondagochtend, maakten bepaalde ongewone geluiden inbreuk op het normale nachtelijke gerucht van Holcomb – het hysterische gehuil van coyotes, het droge schrapen van ritselende tuimeldistel, de schelle, wegijlende kreet van fluitende locomotieven. Op dat moment hoorde geen sterveling in slapend Holcomb ze – de vier geweerschoten, die, al met al, een eind maakten aan zes mensenlevens.

Het was een klein krantenberichtje in The New York Times van 1959 dat de aanleiding was tot de bovenstaande zinnen in één van de beroemdste non-fictieromans aller tijden, In koelen bloede van Truman Capote. Het ging om de moord op de familie Clutter, vader Herb, moeder Bonnie, hun zoon Kenyon en dochter Nancy. De dochters Beverly en Eveanna woonden al niet meer thuis. Het was een ‘all-American family’, wonend op een afgelegen ranch en praktiserend lid van de Methodistenkerk. De daders waren twee voormalig gevangenen, Dick Hickock en Perry Smith.

Goed, als we de afloop kennen en de daders, levert dat dan nog een behoorlijk boek op? Uiteraard, het is niet voor iets zo’n beroemde titel. Capote heeft zich er namelijk in vastgebeten, aanvankelijk samen met Nelle Harper Lee (schrijfster van How to kill a Mockingbird). Capote heeft alle betrokkenen geïnterviewd, tot en met de daders aan toe en was er bij toen ze werden opgehangen.

Dat levert een uiterst fascinerend boek op. We leren de familie Clutter kennen en de gemeenschap waarin ze wonen. De vriendin en het vriendje van Nancy, de mannen  waarmee Herb Clutter vist, maar ook hoe hij in de gemeenschap staat. De psychische problemen van moeder Bonnie en hoe ze er langzaam weer uit krabbelt en zoon Kenyon, hoewel hij het minst uit de verf komt wat mij betreft.

Interessanter is dat we ook de daders goed leren kennen. Perry met zijn alcoholische Cherokee-moeder en zijn vader die naar Alaska verdwijnt om goud te zoeken en om een lodge te beginnen voor toeristen. Dick, wiens ouders in de buurt wonen en zich zorgen maken over hem, zeker nadat hij niet de oude meer is na een zwaar ongeluk.  Die twee komen op het idee de familie Clutter te beroven, omdat een oud-werknemer van de Clutters, die met Dick in de gevangenis zat, beweerde dat er wel een geweldige brandkast moest zijn op zo’n grote ranch. Die was er niet, en in totaal maakten ze zo’n 40 tot 50 dollar buit. Waarom, en daar gaat het boek volgens mij over, moest er dan zoveel geweld gebruikt worden? Waarom hamerde Dick er op dat er geen getuigen achter mochten blijven en hielden ze rekening met wel twaalf moorden? Hoe komt iemand tot zo’n daad?

Dat spit Capote helemaal uit in deze roman. Zijn journalistieke gaven en bekwaamheid als romanschrijver komen hier prachtig samen. De moord wordt niet eens met zoveel detail beschreven, wel hoe de gezinsleden gevonden werden; dat leest subtieler. Omdat we de afloop al kennen, werkt Capote met zinnen als;

Vanavond, na haar haar te hebben gedroogd en geborsteld en het in een gazen doek te hebben gebonden, legde ze haar kleren klaar die ze de volgende ochtend naar de kerk wilde dragen: nylonkousen, zwarte pumps, een rode fluwelen jurk – haar mooiste, die ze zelf gemaakt had. Het was de jurk waarin ze begraven zou worden.

Omdat de daders en het motief voor Capote belangrijk zijn wordt daar relatief veel aandacht aan besteed. Vooral de doopceel van Perry wordt gelicht, en daar zitten mooie passages in. De brieven van zijn zus die eigenlijk bang voor hem is, maar ook de relatie met zijn vader en zijn losgeslagen Cherokee-moeder, die zonder hun namen te vragen inging op de verzoeken van havenarbeiders, zolang ze maar met haar dronken en “dansten op de wijsjes van een slingergrammofoon”.

De afloop is bekend. De daders worden opgespoord en berecht. Ook hiervan wordt uitgebreid verslag gedaan. De samenstelling van de jury, de gevangenis waarin ze zitten tijdens het proces, de eekhoorn die Perry daar temt en de maaltijden die voor hen worden gemaakt. Met name de vraag over het motief en geestesgesteldheid van de daders is hier fascinerend;

In zijn bekentenis had Smith gezegd: ‘Ik wou die man niks doen. Ik vond het een heel aardige man. Heel goedig. Dat vond ik tot op het moment dat ik hem zijn strot afsneed.’

En daarna nog eens dood schoot. Terwijl hij hem op een doos had gelegd omdat de vloer zo koud was…Ze worden veroordeeld tot de doodstraf door ophanging en gaan naar de dodencellen. Daar worden de procedures nog zo’n vijf jaar gerekt en maken we kennis met hun medegevangenen en hun daden.

Uiteindelijk is het zover, tijd voor de zwaai op de Grote Schommel. Capote was er bij maar dat blijkt niet uit het verhaal. We zien het gebeuren door de ogen van de rechercheur Dewey, de man die de daders opspoorde. Een naargeestig gebouw vol met rommel waar de galg opgesteld staat, geforceerde grapjes van de veroordeelden en een soort van excuus. Omdat dit verhaal van Dewey in een flashback verteld wordt, eindigen we in de zon, bij het graf van de Clutters. Daar ontmoet Dewey de beste vriendin van Nancy, Susan Kidwell. Zij was degene die Nancy vond na de moord. Ze is gaan studeren en heeft haar leven opgepakt, net als het toenmalige vriendje van Nancy.

Ik vond het een uitermate boeiend boek. Je voelt de ellende natuurlijk aankomen maar Capote maakt ook duidelijk dat er twee kanten aan het verhaal zitten. De daders hebben een achtergrond, een familie en een verhaal. Dat maakt de daad niet minder gruwelijk maar het schijnt een licht op het motief. Dat is waarom ik bleef lezen.

Vertaling; Thérèse Cornips

902953978X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik kan niet zeggen dat ik bekend ben met het werk van Susan Sontag. Ik kende wel haar rol als één van de toonaangevende critici en schrijfsters van haar generatie. Reden genoeg voor mij om nieuwsgierig te zijn naar dit boek van Benjamin Moser.

Susan Sontag (1933-2004) was een kind van Joodse Amerikaanse ouders. Haar vader stierf toen ze jong was en ze nam de achternaam aan van haar stiefvader. Haar leven lang zou de een stormachtige relatie onderhouden met haar aan alcohol verslaafde moeder.

Sontag was als leerling uitzonderlijk begaafd. Ze haalde haar Bachelor of Liberal Arts in de vakken Frans, literatuur en filosofie. Er staan in het boek wat indrukwekkende staaltjes over hoe ze al op jonge leeftijd dacht;

‘Goedbeschouwd zit Schopenhauer ernaast,’ meende ze op haar veertiende. ‘Maar ik heb het daarbij uitsluitend over de kern van zijn filosofie: de deerniswekkendheid van het bestaan.’…En in een opstel voor school in haar laatste jaar omarmt ze Freud…met een hoogmoed die maar zelden bij een scholier zal zijn aangetroffen: ‘Ik zie geen reden om het met de inhoud van het eerste hoofdstuk [van Het onbehagen in cultuur] oneens te zijn,’ schrijft ze.

Ze leest als een bezetene, heeft af en toe vriendje maar beleeft ook haar eerste lesbische liefde. Uiteindelijk trouwt ze op jonge leeftijd met haar docent Philip Rieff.  Het was een verhouding waarin ze zich liet domineren en er werd een zoon uit geboren. Tegelijk liet ze toe dat hij furore maakte met een boek dat zij feitelijk had geschreven, The Mind of the Moralist, waarin Freud en de psychoanalyse in een historische context worden geplaatst.

Sontag wordt aangesteld als de jongste universitaire docent ooit in de Verenigde Staten. Het huwelijk met Rieff houdt geen stand, ze gaat naar New York en stort zich in een relatie met de Cubaanse toneelschrijfster Irene Fornès. Sontag is inmiddels een invloedrijke filosofe, schrijfster en critica;

De tiener die sidderde in het bijzijn van Thomas Mann, was een vrouw geworden die kon zeggen dat Jean-Paul Sartre een slechte smaak had en die sir Isaiah Berlin te kennen kon geven dat hij wat slordig met details omging.

Ze komt in contact met Andy Warhol en heeft een relatie met de schilder Jasper Johns. Ze schrijft een geniaal essay “Notes on Camp”, waarbij ze haarfijn uitlegt dat Cocteau camp is maar Gide niet, Strauss wel maar Wagner niet, waarom Caravaggio en veel van Mozart ingedeeld kunnen worden bij Jayne Mansfield en Bette Davis. Ze legt hierin verbanden bloot die voorheen onzichtbaar waren.

Ondanks haar genialiteit wist ze dit te koppelen aan een soms onvoorstelbare naïviteit. Het belang van tanden poetsen, waar een lichtknopje zich eventueel kan bevinden en in welke kamer de Fiat-erfgename zich bevond op de vijftiende verdieping…het levert fascinerend leesvoer op.

Sontag had een enorme energie en werklust en sliep het liefst zo min mogelijk. Ze rookte als een ketter, dronk sloten koffie en toen ze amfetamines ontdekte, merkte ze dat ze met nog minder slaap toe kon. Ze laat zich ook steeds meer van haar maatschappelijk betrokken kant zien. Ze zet een aanklacht tegen Amerika op papier, die lang niet bij iedereen in goede aarde viel. Hoewel er veel zaken in stonden die klopten, is de eerste zin met name berucht geworden;

‘Het blanke ras is een kankergezwel in de geschiedenis van de mensheid.’

Wellicht wat ongelukkig geformuleerd en ze heeft er haar excuses voor aangeboden, maar eerder voor de metafoor als voor het onderliggend sentiment, want ze was wel degelijk woest. Een reden was de oorlog in Vietnam. Daar laat ze een wonderlijk optreden zien. Ze bezoekt Hanoi en laat zich van alles uitleggen door het regime daar, terwijl op een paar honderd meter van haar hotel Amerikaanse soldaten gemarteld worden. De grote critica was toen wat betreft Vietnam ‘even een blokje om.’ Later zou ze dat vaker doen. Na een reis naar China zou ze ook daar over schrijven, maar geen woord over de Culturele Revolutie en de ellende in dat land.

Privé rolt ze van de ene relatie in de andere, met mannen én met vrouwen. Ze krijgt kanker en overwint deze en schrijft er, uiteraard, een essay over. Dat ging over de bewustwording van de ziekte en over het wegnemen van vooroordelen en velen hebben na het lezen ervan de gang naar de arts gemaakt en zo hun leven gered.

Susan Sontag was, naast een hyperactief en productief mens, ook iemand met twee gezichten. Ze kon mensen eerst de hemel in prijzen, waardoor ze hen aan zich verbond, om ze daarna publiekelijk te vernederen. Dat deed ze zelfs bij Annie Leibovitz, ook een sterke vrouw met een glanzende fotografie-carrière, die dergelijk gedrag toch pikte van Sontag. Wellicht prikten velen toch door haar onzekerheid heen en zagen ze toch haar grote hart.

Dat had ze namelijk wel. Toen er een oorlog woedde op de Balkan, ging Sontag erheen en waagde haar leven. Ze was begaan met de bevolking en organiseerde indrukwekkende toneelvoorstellingen in Sarajevo. Een mede-acteur vertelde wat dit inhield;

Je kon het publiek niet voor de gek houden. Je wist niet eens of je over vijf of tien minuten of de volgende dag nog wel in leven was…Je moest zo eerlijk en goed mogelijk spelen, want je wist niet of je de volgende dag nog een voorstelling kon geven. Ik heb voor gewonde mensen gespeeld, voor blinde kinderen, in het ziekenhuis, op de eerste verdieping terwijl er op de begane grond benen werden geamputeerd, mensen gilden en stierven terwijl ik stond te spelen.

En Susan Sontag dus ook en dat is een prestatie van formaat. Ze stierf uiteindelijk aan leukemie, maar laat best een indruk achter, ook bij mij na het lezen van dit prachtige boek. Het zal wel geen toeval zijn dat op de omslag van het boek dat ik nu lees, “De emigrés” van W.G. Sebald, Sontag als enige genoemd wordt met het citaat ‘De emigrés is grote literatuur.’

Vertaling; Lidwien Biekmann en Koos Mebius

hqdefault (2)
De namiddag van een schrijver van F. Scott Fitzgerald bestaat uit een aantal autobiografische schetsen die voor de serie Privé-domein bijeen gebracht zijn door Jan Donkers.

Ik heb in maart 2017 een aantal stukken geschreven over het echtpaar Fitzgerald, en deze ontbrak nog in het rijtje. F. Scott Fitzgerald was een zeer succesvolle schrijver in de roemruchte jaren twintig van de vorige eeuw en hij en zijn vrouw Zelda lieten het, vooral in Europa, breed hangen.

Dit boek gaat over de periode erna en is daarom zeer interessant. Zijn verdiensten drogen op en hij voelt (en men laat hem dat ook weten), dat hij er niet meer toe doet. Hij schrijft in die periode gedesillusioneerde stukken proza. Het is niet moeilijk om in het stel Nelson en Nicole Kelly de schrijver en zijn vrouw te herkennen;

…het Meer van Genève dat Nelson en Nicole aantroffen, was het treurige oord van sanatoria en rusthuizen…Nicole lag op het balkon van een hotel langzaam tot leven te komen na twee achtereenvolgende operaties, terwijl Nelson voor zijn leven vocht tegen de geelzucht, in een ziekenhuis twee mijl verderop…
‘Er zijn teveel mensen in ons leven geweest,’ zei Nelson. ‘We hebben nooit weerstand kunnen bieden aan mensen. We waren zo gelukkig het eerste jaar, toen er geen mensen waren.’

Zijn overmatig alcoholgebruik komt ook nu weer terug. Hij loopt in Parijs langs de vroeger zo drukke jazz-bars. Nu staan ze grotendeels leeg. In een ander verhaal probeert hij zijn dochtertje op te halen bij zijn schoonzus, met de plechtige belofte nog maar één drankje per dag te drinken. Dat is een beetje de sfeer van dit boek.

Om de lezer verder op te vrolijken loopt hij al zijn vrienden af die één voor één de dood vonden, uiteraard op veel te jonge leeftijd (zelf zou hij niet ouder dan 40 jaar worden). Soms hebben de autobiografische verhalen andere hoofdpersonen, andere verhalen staan in de ‘ik’-vorm, zoals het verhaal Honderd valse starts. Verhalen die hij ooit wilde schrijven, maar waar niets van terecht kwam. Fragmenten die hij zelf niet meer begrijpt.

De stukken over Hollywood zijn ook de moeite waard. Hij werkte daar als tekstschrijver en had een hekel aan de plaats. Schrijven voor een grijpstuiver, dat was het. Misschien wordt die periode nog het meest gekenmerkt door de volgende anekdote. Fitzgerald las in een krant dat in het Pasadena Playhouse een toneelbewerking zou worden opgevoerd van een van zijn verhalen, The Diamond as big as the Ritz. Hij besloot naar de opening te gaan en ging met zijn vriendin eerst dineren in passende avondkledij;

Toen ze bij het theater arriveerden, zagen ze tot hun verbazing dat er niemand naar binnen ging. De hal was verlaten en Fitzgerald dacht dat hij zich in de datum had vergist. Hij ging informeren en kwam terug met het bericht dat een groep studenten het stuk in een bovenzaaltje speelde…Boven bleek het kleine zaaltje, met vijftien houten banken, ook leeg, maar vlak voor het doek opging kwamen er een paar studenten binnen…

Hij bleef manmoedig zitten maar op de terugrit was hij stil en depressief. Gedempte misère noemt samensteller Jan Donkers dit in zijn nawoord. Verder is in dit boek opgenomen het beroemde interview dat Michael Mok met Fitzgerald had in 1936, tijdens één van diens diepste depressies. Volgens zijn biograaf deed hij een zelfmoordpoging na publicatie ervan. Tragisch, zeker door zijn alsnog voortijdige dood. Terwijl Gertrude Stein, de extraverte schrijfster, zo gelijk had toen ze, in het begin van de jaren dertig, had geschreven dat

‘Fitzgerald gelezen zal worden als veel van zijn beroemde tijdgenoten vergeten zullen zijn’

Dat mijn bescheiden bijdrage hiervan maar weer het bewijs mag leveren dan.

9088030537.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het geheim van Penumbra’s boekwinkel van Robert Sloan is een roman van 300 pagina’s. Het gaat over oude boeken en nieuwe technologie, op de achterkant staat dat Oude Kennis en nieuwe Kennis gecombineerd worden. Het intrigeerde mij en boeken over boeken hebben altijd een streepje voor hier.

Het bleek een aangename leeservaring. Clay Jannon verliest zijn baan als webdesigner en vindt werk in de boekwinkel van Penumbra. De winkel is dag en nacht open en kent een vreemd interieur;

Stel je de vorm en omvang voor van een normale boekwinkel die op zijn kant is gezet. De ruimte was absurd smal en duizelingwekkend hoog en alle boekenkasten reikten tot aan het plafond. Drie verdiepingen met boeken, en misschien nog wel meer. Ik legde mijn hoofd in mijn nek…en zag de planken langzaam in de schaduwen verdwijnen alsof ze eindeloos ver doorliepen.

Er worden boeken verkocht, maar niet veel. Gangbare titels staan voorin de winkel, achterin staan heel oude boeken. Daar komt een speciaal publiek voor. Niet om ze te kopen, om ze te lenen. Het blijken gecodeerde boeken en de belangstellenden trachten fanatiek een puzzel op te lossen. Het is Clay verboden om in de boeken te kijken. Hij moet wel een logboek bijhouden, wie wat koopt of leent, hoe die persoon eruit zag, hoe de sfeer of het weer was, alles.

Clay heeft weinig te doen en maakt in zijn computer een visualisatie van de winkel. Wat blijkt, hij kan de puzzel oplossen. Als hij de punten van de plekken van alle uitgeleende boeken met elkaar verbindt, ontstaat er een gezicht. Het gezicht van de oprichter van een genootschap, die zoekt naar het geheim van onsterfelijkheid.

Clay wordt hierbij geholpen door Kat, een slimme meid die bij Google werkt. Zij zet nieuwe technologie in bij hun speurtocht en zo komen ze bij het hoofdkantoor van het genootschap in New York. Daar draait alles om één boek, de Codex Vitae ofwel het levensboek van ene Aldus Manutius. Een gecodeerd boek met de sleutel tot het eeuwig leven. Manutius gaf de sleutel maar aan één iemand door, zijn vriend en partner Griffo Gerritszoon. Die laatste was de uitvinder van een lettertype, dat alom tegenwoordig is als standaardlettertype of font, zowel in print als op de computer (let wel, in de roman).

Het is fascinerend om te lezen hoe een enorme hoeveelheid computers verbonden wordt om de sleutel te kraken;

Een geheim genootschap van geleerden werkt hier al vijf eeuwen aan. Nu zetten we het voor een vrijdagochtend in de agenda.

Het is nog spannend om te lezen ook en het is of je er bij bent;

De schermen komen tot leven in een blizkrieg van datavisualisaties en dataonderzoek. Het woord MANVTIVS knippert fel en onregelmatig in de hoekige letters van de programmeertaal en het bedieningspaneel….Spreidings- en staafdiagrammen verschijnen op de schermen. Op Kats bevel kraken en herkraken de Google-apparaten de data op negenhonderd verschillende manieren. Negenduizend. Nog geen resultaat.

Ik ga niet alles weggeven en er zit natuurlijk een twist aan het verhaal. De auteur heeft knap feiten met fictie vermengd. Het font van Gerritszoon bestaat niet, Manutius bestaat wel. Er wordt verhaald over een Accession Table waarin alle voorwerpen uit alle musea ter wereld gedocumenteerd staan. Er bestaat een research tool voor wetenschappers die zo heet, maar alle voorwerpen gedocumenteerd? Ze zouden het willen. Dat maakt het voor mij een erg aantrekkelijk boek. Oude boeken en een snuif mysterie gecombineerd met moderne technieken, ik houd ervan.

Lees ook de besprekingen van Anna en Bettina vooral.

Vertaling; Jacques Meerman

3aa3e6e08988d86597952685651437641414141
Het complot tegen Amerika van Philip Roth is geschreven in 2004, handelt over de periode tijdens de Tweede Wereldoorlog en is ineens weer zeer actueel. Het is ook een verrassend boek, want het mengt historische feiten met fictie. Een onvervalst wat als? boek.

In de Verenigde Staten wordt namelijk niet Franklin Delano Roosevelt, maar de pionier-vliegenier Charles A. Lindbergh gekozen tot de 42e president (fictie). Dat is erg, want deze man staat bekend om zijn fascistische en anti-semitische denkbeelden (feit). Daar gaan we dus al, maar geen vrees. Het verhaal wordt vlot verteld en wel door de ogen van de jonge Philip Roth zelf.

Deze groeit op in een joods gezin met broer Sandy en pleegbroer Alvin. Deze laatste is het niet eens met de denkbeelden van president Lindbergh. Die staat voor een neutraal Amerika en bemoeit zich niet met de oorlog in Europa. Hij heeft zelfs op IJsland een verdrag gesloten met Hitler ten behoeve van wederzijdse vreedzame betrekkingen. Ook heeft hij een pracht van een Orde van de IJzeren Adelaar gekregen (Lindbergh kreeg daadwerkelijk een Duitse onderscheiding). Alvin gaat vechten in Europa, verliest een been en komt verbitterd terug.

Het anti-semitisme neemt toe en er komen initiatieven om joodse families te verspreiden over het land. Ook de familie Roth wordt intern verdeeld. Tante Evelyne trouwt een rabbijn die achter Lindbergh staat en wordt verketterd door Philip’s ouders, helemaal als tante en haar rabbijn bij Lindbergh en Von Ribbentrop in het Witte Huis mogen aanschuiven. Vader Roth ziet het in de bioscoop op het journaal;

‘Maar waarom ging je dan kijken,’ vroeg mijn moeder hem, ‘als je wist dat het je zo van streek zou maken?’ ‘Ik ging kijken,’ antwoordde hij, ‘omdat ik mezelf elke dag dezelfde dag dezelfde vraag stel: hoe is het mogelijk dat dit in Amerika gebeurt? Hoe is het mogelijk dat zulke mensen het in ons land voor het zeggen hebben? Als ik het niet met mijn eigen ogen zou zien, zou ik denken dat ik hallucineerde.’

De link met de actualiteit hoef ik niet meer uit te leggen en dat maakt het razend interessant. Er is tegenstand in de vorm van oud-cabaretier Walter Winchell (feit) die om zijn tegenstem wordt vermoord (fictie). De grote hervormingen worden persoonlijk als de moeder van het vriendje van Philip omgebracht wordt door anti-joods geweld. President Lindbergh vliegt het land door en pakt de bevolking in met een simpele boodschap;

‘Ons land is in vrede. Onze mensen zijn aan het werk. Onze kinderen gaan naar school. Ik ben hierheen komen vliegen om jullie daaraan te herinneren. Ik ga nu terug naar Washington om ervoor te zorgen dat het zo blijft.’ Een allesbehalve opzienbarende reeks zinnetjes, maar voor die tienduizenden Kentuckianen…alsof hij hun het einde van alle aardse moeite en verdriet heeft aangekondigd.

Toch verdwijnt Lindbergh van het toneel en zijn tegenstander Roosevelt wordt zijn opvolger. Pearl Harbor wordt aangevallen, waarna de geschiedenis zijn normale loop weer herneemt.

Het is een knap geschreven boek en het feit dat feit en fictie door elkaar heen lopen stoort geen moment. Achter in het boek wordt aan de hand van de hoofdpersonen keurig uitgelegd wat de juiste chronologie is van hun levens én staat de toespraak die Charles Lindbergh heeft gehouden op 11 september 1944 in Des Moines, Iowa. De titel was ‘Wie zijn de oorlogsstokers?’. De bijeenkomst was van het America First Committee. America First? Ik hoef die actualiteit ook niet uit te leggen geloof ik.

Vertaling; Ko Kooman

9026338090.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik kocht Catch-22 van Joseph Heller eigenlijk een beetje in een opwelling. Het boek viel op door de helgroene kaft, het is een bekende titel en levendige dialogen op de eerste pagina. De achterkant leerde mij dat dit de oorlogsroman is die alle andere overbodig maakt, dus dan schiet je meteen een eind op.

En dan ga je lezen…en wordt alles weer anders. Jazeker, het is een oorlogsroman. Het gaat over een luchtmachtbasis op het (niet bestaande) eilandje Pianosa voor de Italiaanse kust. Hoofdpersoon is Yossarian, de bommenrichter die er vast van overtuigd is dat de vijand en wellicht vele anderen er op uit zijn om hem te vermoorden. Goed, de term absurd staat op de achterkant, maar dit verwachtte ik ook niet;

‘Ze proberen me te doden,’ zei Yossarian kalm.
‘Niemand probeert jou te doden!’ schreeuwde Clevinger.
‘En waarom schieten ze dan op me?’ vroeg Yossarian.
‘Ze schieten op iederéén,’ antwoordde Clevinger…Clevinger dacht echt dat hij gelijk had, maar Yossarian had de bewijzen, omdat vreemdelingen die hij niet eens kende, telkens als hij de lucht inging om bommen op hen te laten vallen, met kanonnen op hem schoten, en dat was allesbehalve grappig.

Met stijgende verbazing en geamuseerd las ik door en snorde wat achtergrondinformatie op. Satire en absurdisme dus. Prima, daar kan ik ook mee uit de voeten. Yossarian denkt ook dat zijn eigen superieuren op zijn dood uit zijn. Het aantal gevechtsmissies dat hij moet vliegen om op lang verlof te gaan wordt telkens verhoogd. Hij verzint uitvluchten, wendt ziekte voor maar bevindt zich uiteindelijk in een catch-22 situatie. De dokter legt het uit;

‘Natuurlijk is er een catch,’ antwoordde doc Daneeka. ‘Catch-22. Iemand die geen gevechtsmissies meer wil vliegen is zo gek nog niet.’…iemand die…een bezorgdheid over zijn eigen veiligheid aan de dag legde, bewees daarmee dat hij geestelijk normaal was. Orr was gek en kon worden afgekeurd. Hij hoefde er maar om te vragen, maar zodra hij dat deed, zou hij niet gek meer zijn en zou hij meer gevechtsmissies moeten vliegen.

Het is dus een oorlogsroman, maar de vijand is niet aanwezig, hoogstens op de missies die worden gevlogen. Het boek is verdeeld in hoofdstukken die handelen over de personages op de luchtmachtbasis of over de plaatsen die worden bezocht, zoals Rome op verlof. Het zijn er veel, er trekken zo’n 50 personages in totaal voorbij en het boek telt ook goed 500 pagina’s. Boeklog vond het wat té veel, ik had er geen last van en heb mij uitstekend vermaakt. Een sterk karakter is Milo Minderbinder, die groot wordt in de zwarte handel. Hij gaat zover, hoezo absurdisme,  dat hij zelfs zijn eigen basis bombardeert;

Hij had weer een contract afgesloten met de Duitsers, ditmaal om zijn eigen onderdeel te bombarderen…Zijn bemanningen spaarden de landingsbaan en de messrooms, zodat ze netjes konden landen na hun opdracht te hebben uitgevoerd en nog een warm hapje konden eten voordat ze gingen slapen.

Er vallen talloze citaten te geven, over de legerpredikant, over de volledig ingezwachtelde soldaat in het wit (Misschien zit er niemand in), over Nately’s hoer die een grotere rol speelt dan aanvankelijk gedacht, over Majoor Major Major Major (geen tikfout) en ga zo maar door. Lees het vooral zelf.

Het is een absurdistische oorlogsroman maar ook meer dan dat. Er is aandacht voor oorlogstrauma’s en er vallen wel degelijk slachtoffers. Daarmee is het ook een anti-oorlogsroman én een aanklacht tegen het kapitalisme, in de vorm van de ongebreidelde hebzucht en expansiedrift van Milo Minderbinder. Het boek verscheen in dezelfde tijd als Norman Mailers The Naked and the Dead en Kurt Vonneguts Slaughterhouse Five en bevindt zich daarmee in een illuster gezelschap van oorlogsromans.

Achter in het boek staan een aantal documenten opgenomen die de achtergronden van het boek toelichten, onder meer één door de auteur zelf. Zo leer ik dat de titel eerst Catch-18 was, maar omdat de auteur Leon Uris een oorlogsroman uitbracht met de titel Mila-18, moest de titel aangepast worden. Het werd Catch-22 en deze term is inmiddels toegevoegd aan de Engelse woordenschat. Veel meer erkenning is er niet lijkt me.

Vertaling; J.F. Kliphuis

 

9025303560.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik zag De ballade van het treurige café van Carson McCullers toevallig liggen in de boekenweek. Opnieuw vertaald, vriendelijk geprijsd en hij stond op de verlanglijst dus die was snel aangeschaft. Daar heb ik geen spijt van.

Honderdtwaalf pagina’s, maar wat een prachtig boek. Ik word al blij van de eerste zinnen;

Het plaatsje zelf is saai. Het heeft niet veel te bieden, afgezien van een katoenfabriek, de huisjes waar de arbeiders wonen, wat perzikbomen, een kerk met twee gebrandschilderde ramen en een troosteloze hoofdstraat van nog geen honderd meter lang. Op zaterdag komen de pachters van de nabijgelegen boerderijen een dagje buurten voor een praatje. Voor de rest is het een godverlaten oord, ver weg en vervreemd van alle andere plaatsen op de wereld…Op zulke middagen in augustus, als het werk erop zit, is er helemaal niets te doen. Je kunt net zo goed naar de Forks Falls Road lopen om te luisteren naar de dwangarbeiders.

Een lang citaat om te beginnen maar het zet direct de sfeer neer waarin dit verhaal zich afspeelt. Langzaam wordt het grote, dichtgetimmerde huis geïntroduceerd, half geschilderd en verzakt, waar wellicht toch nog iemand woont.

Ooit was dat huis van Miss Amelia. Een lange, rijke, stuurse vrouw die een winkel drijft. Ooit was ze tien dagen getrouwd, maar ze heeft haar man al snel de deur gewezen. Dan komt haar neef Lymon langs. Deze gebochelde dwerg maakt iets in haar los. Ze ontdooit wat en Lymon mag bij haar intrekken. De winkel wordt langzaam omgetoverd tot een café met Lymon als stralend maar intrigerend (in letterlijke zin) middelpunt. McCullers wist mij hier te pakken met haar schrijfstijl;

Uiteraard waren ze elke ochtend in het café en vaak zaten ze uren samen bij het haardvuur boven in de woonkamer. Want ’s nachts voelde de gebochelde zich niet lekker en was bang als hij in het donker lag te staren. Hij had een diepe angst voor de dood. Daarom wilde Miss Amelia hem niet alleen onder die angst laten lijden. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het succes van het café voornamelijk aan hem te danken was. Het verschafte hem gezelschap en plezier, en het hielp hem de avond door te komen. Stel dan aan de hand van die vluchtige impressies een totaalbeeld van die jaren samen. En laat het maar even betijen.

Het maakt mij direct benieuwd naar het vervolg. Ik zal er niet teveel over weggeven. De ex van Miss Amelia verschijnt weer en dat is geen goed nieuws. Uiteindelijk verwordt het populaire café tot het dichtgetimmerde huis aan het begin van het verhaal. Dan hebben we verraad, liefde, jaloezie en geweld achter de kiezen in een ijzersterk verhaal. En het einde? Het laatste hoofdstuk heet “De twaalf stervelingen” en gaat over de dwangarbeiders op Forks Falls Road, die zingend hun werk verrichten. Wellicht zitten er wat van de hoofdpersonen tussen, misschien niet. Maar ze werden niet voor niets al genoemd aan het begin van het boek en dat maakt het verhaal prachtig rond.

Vertaling: Molly van Gelder

Overigens heeft Suzanne Vega muziek geschreven bij het werk van en over Carson McCullers, zoals Twelve Mortal Men.

ba073eee04ebead59765a6d6e77444341587343
Twee jaar voordat F. Scott Fitzgerald zijn roman Teder is de nacht uitbracht, met veel autobiografisch materiaal, had zijn vrouw Zelda Fitzgerald al een portret gemaakt van haar leven met Scott in de, eveneens autobiografische, roman Mag ik de wals?

Zij had dat boek geschreven als werktherapie toen ze voor de tweede keer wegens mentale labiliteit was opgenomen in een kliniek in Baltimore. Haar man reageerde woedend toen ze het manuscript naar zijn uitgever stuurde. Zijn beschuldigingen waren dat Zelda hetzelfde materiaal gebruikte als waar hij mee werkte voor zijn roman, iets met gras voor de voeten wegmaaien dus. Scott beschouwde Zelda’s leven als privé-materiaal, waarop hij, als vakman, het alleenrecht bezat. Dat liep anders, het boek kwam er en de uitgever kon er wat voorschotten mee terug verdienen die al aan Scott waren uitgekeerd.

Het is een autobiografische roman, maar het was toch een wat ander boek dan ik mij had voorgesteld. Dat heeft te maken met het feit dat er toch een wat beperkter deel van hun leven wordt beschreven als dat ik in Fitzgerald’s biografie heb gelezen, ik was te verwend. Scott en Zelda worden beschreven als Alabama en David Knight. Alabama’s jeugd, hun ontmoeting en huwelijk, hun verblijf in Frankrijk, het mislukken van hun relatie en haar ineenstorting komen allemaal wel voorbij, hoewel in aangepaste vorm. Zo wordt Alabama niet wegens geestelijke ineenstorting opgenomen, maar wegens een bloedvergiftiging. Er wordt vrij lang stilgestaan bij de pogingen van Alabama/Zelda om balletdanseres te worden. Alabama zou zelfs in Napels optreden, iets dat Zelda nooit heeft gedaan.

Hoe is het boek geschreven dan? Daar is wel iets over te zeggen, de kwaliteit wisselde namelijk nogal. Allereerst, het is geen hogere wiskunde. Het is een keurig, chronologisch verteld verhaal. De tijdsprongen die er voorkomen zijn lineair, recht naar voren dus. Wat mij vooral opviel waren enkele draken van zinnen tegenover een paar prachtige vondsten en dat naast weer veel meer onbegrijpelijke (althans, voor mij) vergelijkingen. Ik wil graag vanaf het begin meegenomen worden door een verhaal. Dan helpt zin 4 van dit boek niet echt;

De meeste mensen bouwen de kantelen van hun leven met compromissen, trekken hun onneembare forten op uit verstandige toegeeflijkheid en timmeren hun filosofische ophaalbruggen met behulp van een emotioneel opportunisme en verschroeiende strooptochten in de kokende olie van zure druiven.

En dan moet je nog 230 pagina’s. Maar zet door, er komen ook mooie dingen. De volgende zin, met name het laatste deel, is prachtig:

Alabama droeg roze en gebleekt linnen en samen met David zat ze onder de vinnen van de plafondventilator die de zomer aan draaglijke stukjes sloeg.

Wauw. Dat op pagina 46 en ik ging er nog eens goed voor zitten. Zo fijn zag ik ze niet meer, maar wat ik wel veel zag waren vergelijkingen. Zo veel dat het ging opvallen. Vergelijkingen dienen een doel, ter beschrijving van een plaats of situatie, maar het moet wel hout snijden. Wellicht snap ik het niet, maar wat te denken van:

  • haar moeder verrichtte haar werk als een kasteelvrouwe die zich met een arme boer bemoeit
  • Lady Sylvia fladderde door de zaal als een ondoorschijnende massa protoplasma die over een zandbank beweegt
  • haar armen deden haar denken aan een zijlijn van de Siberische spoorwegen
  • ze werkte tot ze zich voelde als een opengereten paard in de arena dat zijn ingewanden achter zich aansleept

Geloof me, er zijn er meer, tot en met het Nederlandse jongetje dat de dijken redde. Al met al is het best een vermakelijk boek, waarvan de meerwaarde voor mij er vooral in schuilde dat er, na het lezen van de romans en biografie van F. Scott Fitzgerald, herkenbare patronen verschenen, maar nu verteld door Zelda.

Waar Scott op 44-jarige leeftijd aan een hartaanval overleed, kwam Zelda op 47-jarige leeftijd om door een brand in de kliniek waar zij toen verbleef. Tijd voor andere boeken, maar het was aangenaam vertoeven met die twee.

Vertaling; Keith Kanger Snell en Geerten Maria Meijsing