archiveren

Latijns-Amerikaanse literatuur

7c4500e2440d94359786a6d5767444341587343

Het goud van Tomás Vargas van Isabel Allende is een verhalenbundel. De verhalen worden voorgedragen door Eva Luna, één van haar hoofdpersonen, als een Zuid-Amerikaanse Shéhérazade. Drieëntwintig verhalen binnen 266 pagina’s. Eigenlijk niet iets om achter elkaar te lezen, wat ik natuurlijk wel heb gedaan.

Want het zijn mooie verhalen met stuk voor stuk een brok tragiek in zich. Soms ragfijn, soms hartverscheurend. De personages zijn vaak memorabel. Zo is daar Belisa Crepusculario. Zij verkoopt woorden. Zij is daar zo goed in, dat zij door de lokale machthebber opgebracht wordt om de redevoering te schrijven die hem tot machthebber moet maken;

Ze verwierp de norse, droge woorden, de al te bloemrijke, de woorden die verbleekt en door gebruik versleten waren, de woorden die zinloze beloftes inhielden, woorden die geen waarheid bevatten of verwarrend waren, om ten slotte alleen die woorden over te houden die in staat waren de gedachten van de mannen en de intuïtie van de vrouwen met zekerheid te treffen.

Met die toespraak komt het wel goed, maar de potentaat komt van een koude kermis thuis. Zo draaien de meeste verhalen om de verhouding tussen twee of drie mensen. Amadeo Peralta, die Hortensia in zijn kelder gevangen houdt. De oudere dokter Sánchez, die de jonge Ester Lucero geneest en niet meer van haar loskomt. Kindse Maria, de beroemde hoer die haar zoontje verloor op zee. Nicolás Vidal, die zijn leven verliest door Casilda, de vrouw van de rechter. Er trekt een bonte stoet aan personen door de verhalen, waarvan het duidelijk is dat ze allen in Zuid-Amerika spelen. Daar zorgt Allende voor met haar prachtige beschrijvingen.

Hoe meer ik blader in het boek voor deze bespreking, des te meer waardering krijg ik er voor. Je wilt nog vertellen over het door de jungle overwoekerde Paleis van de Verbeelding. Of over de tragische geschiedenis van Dulce Rosa die een relatie aangaat met de moordenaar van haar vader. Of over de indiaan Walimai, die een vrouw moet doden om aan haar wens te voldoen;

Ik bracht mijn oor dicht bij haar mond en ze fluisterde haar naam. Ik prentte die tweemaal in mijn hoofd om helemaal zeker te zijn, maar ik sprak hem niet hardop uit, want om hun rust niet te verstoren mag men de doden niet bij name noemen, en zij was dood, hoewel haar hart nog klopte…haar lichaam stierf zonder strijd, zoals baby’s sterven.

Het is niet anders, er wordt nogal wat afgestorven in dit boek. Het laatste verhaal is ook van grote schoonheid. Fotograaf blijft bij meisje dat vastzit in de modder. Al is het maar dit verhaal, dat moet eigenlijk gelezen worden.

Vertaling:Giny Klatser

0a9e420f776d71e593246735967444341587343

Nadat hij de Nobelprijs voor de Literatuur won, bestelde ik maar snel wat titels van Mario Vargas Llosa. Met schaamrood op de kaken, natuurlijk. Ik kende de naam, maar nog geen letter gelezen van hem. Ter kennismaking eerst De jonge honden van Miraflores.

Het boek is een samenstelling van vroeg werk van Vargas Llosa. Het begint met de novelle Los cachorros (De jonge honden van Miraflores) en er volgen nog wat verhalen uit de bundel Los jefes (Bazen). Eerst de novelle. Hoofdpersoon is Piemeltje Cuéllar. Hij maakt deel uit van een vriendengroep, tot hij op een dag door een hond gebeten wordt daar waar mannen niet gebeten willen worden. Dat valt hem niet mee. Geruchten over het verlies van zijn mannelijheid verleiden hem tot roekeloos gedrag. Zijn vrienden gaan door in het leven, studeren, krijgen een vriendin, maar Piemeltje (de vertaling zal kloppen, maar het klinkt ridicuul) blijft alleen. Zijn kuren worden steeds gekker en dat wordt zijn noodlot. Mooi is de vertwijfeling en wanhoop, als Piemeltje wel een meisje wil vragen, maar het niet doet:

Maar de weken gingen voorbij en wij vroegen wanneer Piemeltje? en hij, morgen, had nog geen besluit genomen, morgen zou ie’t haar vragen…Toen begon ie die inzinkingen te krijgen: ineens smeet ie zijn keu tegen de grond aan het biljart, jongen vraag het ‘r nou! en dan begon ie tekeer te gaan tegen de flessen of de sigarettenpeuken, en zocht ie met iedereen ruzie of dan sprongen de tranen hem in de ogen, morgen, deze keer zou ’t echt gebeuren, dat zwoer ie bij God…

Het gebeurde niet. Ook de andere verhalen in het boek gaan over mannen of jongens die iets willen of moeten bewijzen. Een afgesproken vechtpartij, een zwemwedstrijd na tien bier in een donkere zee, een wraakneming op wat een zus is aangedaan. Het zijn allemaal korte, aangename verhalen met een licht cynische ondertoon. Het smaakt naar meer en gelukkig staat dat al in de kast.

Vertaling: Michiel Tjebbes

7ce0dd12a7ccd1859387a735641444341587343

Een kort, maar intrigerend verhaal is Het papieren huis van Carlos María Domínguez. Bluma Lennon wordt overreden door een auto terwijl ze een gedichtenbundel leest van Emily Dickinson. Even na haar dood bezorgt de post een boek van Joseph Conrad op haar adres. Het boek zit onder de mortel en is, volgens de opdracht, een cadeau geweest van ene Carlos.

Bluma’s collega raakt geïntrigeerd en gaat op zoek naar deze Carlos en het verhaal achter het boek. Het brengt hem in Uruguay, waar hij in contact komt met bibliofielen. Eén van hen, Delgado, ontvangt hem om over Carlos te spreken.

Hij vertelt over het dwangmatig leesgedrag van Carlos, zijn verzamelwoede, zijn kaartsysteem om zijn boeken terug te vinden, zijn aantekeningen in zijn boeken, de strijd tegen zilvervisjes en tenslotte over zijn gekte:

Een vriend trof hem aan terwijl hij zat te eten, met op tafel een schitterende editie van Don Quichot, op een standaard geplaatst, en daarvoor een glas witte wijn. Begrijp me goed, niet het glas dat hij in de hand hield, maar een glas dat merkwaardig genoeg voor het boek was bestemd.

Carlos krijgt te maken met een brand die zijn kaartsysteem verwoest, met geldelijke problemen en verhuist. Verhuist met al zijn boeken naar een lagune, dicht bij zee. Daar laat hij een huis bouwen, een huis van papier. Voor een goed verstaander is één en één twee, dus ik zal hier stoppen met de verdere toedracht, men vogele dat zelf maar uit.

Het verhaal telt 96 pagina’s en is in een oogwenk gelezen, maar ik had het niet willen missen. Bibliofilie, behoud en verval van de collectie, de ordening van de bibliotheek, het zit er allemaal in. De tragische figuur van Carlos spreekt mij wel aan. Hij kan geen schrijvers naast elkaar zetten die elkaar niet mogen, zijn wanhopige strijd tegen de zilvervisjes, het heffen van een glas wijn met een boek, de ordening van boeken op zijn bed in de vorm van een menselijk lichaam en tenslotte zijn eenzaam verblijf in de lagune tussen zijn boeken, het is fraai neergezet. Tot slot een passage waardoor ik waarschijnlijk toch weer anders naar boeken ga kijken, uitgesproken door bibliofiel Delgado;

‘En die gangen, wat een genot.’
‘Welke gangen?’ vroeg ik beduusd.
‘Kijk, dat is een oude discussie. Niemand kan het met zekerheid zeggen of het gaat om talent van de schrijver of de voortreffelijkheid van de uitgave…maar veel lezers hoeven alleen maar naar de gangen te kijken om te weten of het boek goed is en verdient gelezen te worden.’
Delgado liep naar zijn boekenkast, haalde er een oude editie van Eugénie Grandet uit en overhandigde mij het exemplaar. Hij vroeg me om het open te slaan en op een willekeurige pagina verticale of diagonale straten te zoeken die getekend waren door de ruimtes tussen de woorden…
‘Een schrijver die geen ritme in zijn zinnen legt, lukt dat niet. Als hij de taal bederft door twee of drie woorden met meer dan vier lettergrepen in één zin te schrijven, zal hij onvermijdelijk de straat doorbreken en uiteraard ook het ritme.

We zullen zien. Ik heb nog aardig wat wereldliteratuur in het verschiet liggen en ‘de gangen’ hebben zich in mijn achterhoofd genesteld.