archiveren

Liedjes

9038806116.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de man zit nog een jongen. Die titel gaf Elsbeth Etty mee aan haar biografie van dichter en schrijver Willem Wilmink. In mijn bespreking van Wilmink’s Verzamelde liedjes en gedichten noemde ik hem ook nog een zanger, maar je leert bij uit een biografie. Hij zong zijn liedjes, zeker, maar echt een zanger was hij ook weer niet.

Etty heeft een prettig leesbare biografie geschreven van ruim 470 pagina’s. Ik ben een liefhebber van het werk van Wilmink en of dat meteen inhoudt dat ik alles over zijn leven wil weten, nou nee; niet meteen. Toch houd ik van dit soort boeken. Natuurlijk is het aardig om de man wat beter te leren kennen maar ik vind het leuker om de tijd en het milieu te leren kennen waarin iemand zijn werk schreef en om te zien met welke personen hij in aanraking kwam of welke gebeurtenissen zijn werk hebben beïnvloed.

Ik hoef zijn levensloop hier niet te herhalen, leest u daar het boek zelf maar voor, maar een kleine spoiler is wel op zijn plaats. Bent u lyrisch over zijn werk en dweept u met Wilmink, dan misschien dit boek maar niet ter hand nemen, want er kunnen u een paar schellen van de ogen vallen. Wilmink was wel een man met een gebruiksaanwijzing, ‘to put it mildly.’

Zijn talent voor het aanleveren van gedichten en liedteksten werd al snel onderkend en hij werd bijvoorbeeld door Hedy d’Ancona gevraagd om teksten aan te leveren voor de cabaretgroep La Pie qui chante. Pianist, componist en latere presentator Han Reizger zette zijn teksten op muziek. Wilmink is nog een blauwe maandag leraar geweest, wat geen onverdeeld succes was overigens. Frits Barend en Erwin Rutte, die later nauw met Wilmink zou samenwerken voor De Film van Ome Willem, waren leerlingen van hem.

Op het amoureuze vlak verging het Wilmink aanvankelijk niet best. Hij grossierde in blauwtjes die hij liep, maar trouwde uiteindelijk met Noor. Hij kreeg twee zoons, maar het huwelijk was geen succes. De belangrijkste reden waren zijn driftbuien. Die waren voor Noor een volkomen onbekend fenomeen;

Hij ontplofte om niets. Ik kon me niet voorstellen dat iemand zich in ernst zo aanstelde, maar hij had gewoon een cholerisch karakter. Hij geneerde zich nergens voor. Hij was vaak razend op mij of op het leven, en hij probeerde nooit zijn woede een beetje te temperen. Integendeel. Het werd steeds erger. Vaak met een flinke slok op.

Wilmink wordt wetenschapper en zal uiteindelijk zelfs promoveren, maar dat had behoorlijk wat voeten in aarde. De rode draad is hier de erkenning waar Wilmink zijn hele leven naar zocht. Hij wilde voor iedereen begrijpelijk schrijven en ontkende dat hij voor kinderen schreef, hij schreef voor iedereen. Zelfs zijn proefschrift was voor jong en oud leesbaar. Toch bleef hij altijd het gevoel hebben dat er op zijn kunst neergekeken werd.

Aan verzoeken om teksten lag het niet. Hij kon uiteindelijk leven van zijn werk. Hij schreef teksten voor Cabaret Don Quishocking, ging publiceren, werkte voor De Stratemakeropzeeshow, De Film van Ome Willem, Sesamstraat, Het Klokhuis en hij bleef onafgebroken gedichten schrijven. Het mooie van die gedichten, ga ze vooral lezen, is dat hij ze voor iedereen schreef. Hij omarmde ieder ras en geloof, daar is zijn werk van doortrokken.

Zijn tweede vrouw, Wobke, kon wel zijn gebruiksaanwijzing hanteren. Hij verhuisde met haar onder meer naar Zeist, voor ze in zijn gebooteplaats Enschede neerstreken. Wilmink had wel steeds meer last van verschillende dwangneuroses en angsten. Dat leidde soms tot voor veel mensen onbegrijpelijke keuzes. Hij was bijvoorbeeld niet op de bruiloft van zijn zoon of bij de uitvaart van zijn goede vriend, de componist Harry Bannink. Het was geen desinteresse, hij kon het niet, zo legt zijn goede vriend Herman Finkers uit aan Etty. Overigens heeft Wilmink wel een prachtige anekdote over Bannink, die niet in hel en hemel geloofde;

Kort na diens dood droomde hij dat hij Bannink belde met de vraag waar hij zich bevond. ‘In Paleis Het Loo,’ luidde het antwoord. Zo eigenwijs was hij dus, concludeerde Wilmink. ‘Nou zit-ie in de hemel en gelooft-ie het nog niet.’

Na een herseninfarct en een aantal tia’s gaat de gezondheid van Wilmink achteruit en uiteindelijk houdt hij zelf de regie over zijn leven. Het is een mooi boek over een man die niet makkelijk was voor zichzelf en voor anderen, maar die uiteindelijk de erkenning kreeg waar hij zo naar zocht. Misschien had ik wat meer willen lezen over het proces van schrijven. Ik lees steeds dat het hem makkelijk af ging en dat hij maar zelden een opdracht afwees maar het blijft een beetje ongrijpbaar. Wellicht is er ook niet meer over te vertellen en speelde dat proces zich uitsluitend in zijn hoofd af.

Je kon er wel mee spelen, zoals Joost Prinsen deed. Die wilde een gedicht over de Joodse goochelaar Ben Ali Libi hebben. Wilmink zegde dat wel toe maar het duurde erg lang. Toen schreef Prinsen het maar zelf en stuurde het op naar Wilmink. En dan kom je op zijn terrein…Wilmink:

‘Je kan misschien een beetje toneelspeel’n, maar denk nou niet dat je ook kan tekstschrijv’n’

Wilmink stuurde per kerende post zijn versie terug en het is één van zijn bekendste werken geworden.

 

2931d7e7490ffef59706c5a6c77444341587343
Willem Wilmink is alweer sinds 2003 overleden en was, naast Neerlandicus, vooral ook dichter, schrijver en zanger. Zijn belangrijkste werk is gebundeld in dit ruim 1300 pagina’s tellende boek Verzamelde liedjes en gedichten.

Nu kende ik wel iets van Wilmink’s werk, maar dat beperkte zich een beetje tot zijn werk voor De Film van Ome Willem, Het Klokhuis, Sesamstraat enz. Omdat hij ook veel kinderboeken heeft geschreven bracht ik zijn naam onbewust toch vaak in verband met het lichtere genre, terwijl ik stiekem wel wist dat ik de man daarmee onrecht aandeed. Daarom schafte ik dit boek aan om eens grondig kennis van zijn werk te nemen.

Wilmink zelf zette het raamwerk op voor dit boek en de inhoud, maar gaf de samensteller W.P Gerritsen de vrijheid om hiervan naar believen af te wijken (wat hij overigens nauwelijks heeft gedaan). De periode van de werken loopt van 1966 tot in het jaar van zijn overlijden, 2003 en geven, dus ook volgens Wilmink zelf, een mooie dwarsdoorsnede van zijn oeuvre.

Als je zo veel gedichten en liedjes leest zit er uiteraard van alles tussen. Werken die mij raken, die mij vermaken of waar ik niets mee kan of heb (gedichten in Twents dialect, wat hij ook sprak, vind ik ronduit vermoeiend om te lezen). Wat mij heeft verrast is de veelheid aan thema’s en onderwerpen die voorbij komen.

Zo schrijft hij over de opgroeiende jeugd in gedichten over pesten, voortrekken in de klas, broekplassen, verliefd zijn, beginnende borsten bij meisjes, de pubertijd, het scheiden van ouders, het overlijden van je eerste oma, een jeugdzwangerschap, vader als hulplijn bij huiswerk (ik ken het zelf). De ene keer op lichte toon, de andere keer op zeer wrange toon en soms komen ze zelfs samen in één gedicht, zoals bij de kinderverkrachter die zo prachtig vogels na mag doen bij Willem Duys.

Actueel zijn de gedichten nog steeds. Hij schrijft over Turkse moeders en de problematiek van gastarbeiders. Hij schrijft dan vanuit de gastarbeider zelf;

Men wil in dit land dat we heel anders leven,
ook al zijn we hier soms nog maar kort.
Maar mijn oom in Marokko heeft laatst nog geschreven
dat ik veel te Nederlands wordt.

Je komt langs bekende teksten van televisie (Deze vuist op deze vuist), of het lied Hilversum III dat door Herman van Veen bekend werd. Wilmink had echter ook een zeer erudiete kant en kende zijn klassiekers. Gustav Mahler bewerkte een gedicht van Li Tai Po tot Das Trinklied vom Jammer der Erde, maar Wilmink doet dat op geheel eigen wijze ook in De drinker in de lente. Ook bewerkt hij Goethe’s gedicht Erlkönig voor kleuters en zo wordt het wasgoed aan de lijn omgetoverd tot spoken en geesten. Verder gebruikt Wilmink uitgebreid de Carmina Burana en het Hooglied als inspiratie voor zijn werk, maar ook de toen actuele gebeurtenissen als de aanslagen van 11 september of de vuurwerkramp in Enschede.

Het is haast ondoenlijk om iets te kiezen om te citeren in zo’n bespreking, veel gedichten zijn toch wat langer en komen alleen in volle omvang tot hun recht. Ik doe er toch één, als teaser en omdat ik hem prachtig vind. De rest moet u echt zelf gaan lezen, en lezen, en lezen, en herlezen, en herlezen, en herlezen enzovoort.

Talent

Hij was een schilder en zij leerde weven,
en toen die twee met elkaar gingen leven,
hadden ze samen nog bijna geen cent,
maar dat donderde niks, want ze hadden talent.

Toen er een kind in haar buik ging bewegen,
streelde hij haar ietwat steels en verlegen,
en dacht-ie op menig gelukkig moment
aan dat kleine latente toekomstig talent.

En toen het meisje dan echt werd geboren,
was het talentvol van acht’ren en voren,
en alle vrienden aanbaden fervent
die paarduizend gram aan toekomstig talent.

Plaatsten de ouders hun vrouw’lijke godje
teer en voorzichtig op ’t kleurige potje,
dan deed ze ook daar, wat men reeds was gewend:
die vorm en die kleur: onmiskenbaar talent.

Ze was nog geen vijf, toen de kunst’naarselite,
gezellig bijeen op verjaardagsvisite,
haar gaven al definitief had erkend:
zo klein als ze is – het is één brok talent.

Ze ging naar een school toe die aan was bevolen,
bijzonderste school der bijzondere scholen,
alwaar het de leerkrachten in werd geprent:
dat meisje: talent, ja talent, ja talent.

Maar na al die raad en adviezen en wenken,
toen kwam de tijd dat ze zelf leerde denken,
en kocht ze een schopje voor zeventig cent,
en toen groef ze een kuil, en begroef haar talent.