archiveren

Liedjes

2931d7e7490ffef59706c5a6c77444341587343
Willem Wilmink is alweer sinds 2003 overleden en was, naast Neerlandicus, vooral ook dichter, schrijver en zanger. Zijn belangrijkste werk is gebundeld in dit ruim 1300 pagina’s tellende boek Verzamelde liedjes en gedichten.

Nu kende ik wel iets van Wilmink’s werk, maar dat beperkte zich een beetje tot zijn werk voor De Film van Ome Willem, Het Klokhuis, Sesamstraat enz. Omdat hij ook veel kinderboeken heeft geschreven bracht ik zijn naam onbewust toch vaak in verband met het lichtere genre, terwijl ik stiekem wel wist dat ik de man daarmee onrecht aandeed. Daarom schafte ik dit boek aan om eens grondig kennis van zijn werk te nemen.

Wilmink zelf zette het raamwerk op voor dit boek en de inhoud, maar gaf de samensteller W.P Gerritsen de vrijheid om hiervan naar believen af te wijken (wat hij overigens nauwelijks heeft gedaan). De periode van de werken loopt van 1966 tot in het jaar van zijn overlijden, 2003 en geven, dus ook volgens Wilmink zelf, een mooie dwarsdoorsnede van zijn oeuvre.

Als je zo veel gedichten en liedjes leest zit er uiteraard van alles tussen. Werken die mij raken, die mij vermaken of waar ik niets mee kan of heb (gedichten in Twents dialect, wat hij ook sprak, vind ik ronduit vermoeiend om te lezen). Wat mij heeft verrast is de veelheid aan thema’s en onderwerpen die voorbij komen.

Zo schrijft hij over de opgroeiende jeugd in gedichten over pesten, voortrekken in de klas, broekplassen, verliefd zijn, beginnende borsten bij meisjes, de pubertijd, het scheiden van ouders, het overlijden van je eerste oma, een jeugdzwangerschap, vader als hulplijn bij huiswerk (ik ken het zelf). De ene keer op lichte toon, de andere keer op zeer wrange toon en soms komen ze zelfs samen in één gedicht, zoals bij de kinderverkrachter die zo prachtig vogels na mag doen bij Willem Duys.

Actueel zijn de gedichten nog steeds. Hij schrijft over Turkse moeders en de problematiek van gastarbeiders. Hij schrijft dan vanuit de gastarbeider zelf;

Men wil in dit land dat we heel anders leven,
ook al zijn we hier soms nog maar kort.
Maar mijn oom in Marokko heeft laatst nog geschreven
dat ik veel te Nederlands wordt.

Je komt langs bekende teksten van televisie (Deze vuist op deze vuist), of het lied Hilversum III dat door Herman van Veen bekend werd. Wilmink had echter ook een zeer erudiete kant en kende zijn klassiekers. Gustav Mahler bewerkte een gedicht van Li Tai Po tot Das Trinklied vom Jammer der Erde, maar Wilmink doet dat op geheel eigen wijze ook in De drinker in de lente. Ook bewerkt hij Goethe’s gedicht Erlkönig voor kleuters en zo wordt het wasgoed aan de lijn omgetoverd tot spoken en geesten. Verder gebruikt Wilmink uitgebreid de Carmina Burana en het Hooglied als inspiratie voor zijn werk, maar ook de toen actuele gebeurtenissen als de aanslagen van 11 september of de vuurwerkramp in Enschede.

Het is haast ondoenlijk om iets te kiezen om te citeren in zo’n bespreking, veel gedichten zijn toch wat langer en komen alleen in volle omvang tot hun recht. Ik doe er toch één, als teaser en omdat ik hem prachtig vind. De rest moet u echt zelf gaan lezen, en lezen, en lezen, en herlezen, en herlezen, en herlezen enzovoort.

Talent

Hij was een schilder en zij leerde weven,
en toen die twee met elkaar gingen leven,
hadden ze samen nog bijna geen cent,
maar dat donderde niks, want ze hadden talent.

Toen er een kind in haar buik ging bewegen,
streelde hij haar ietwat steels en verlegen,
en dacht-ie op menig gelukkig moment
aan dat kleine latente toekomstig talent.

En toen het meisje dan echt werd geboren,
was het talentvol van acht’ren en voren,
en alle vrienden aanbaden fervent
die paarduizend gram aan toekomstig talent.

Plaatsten de ouders hun vrouw’lijke godje
teer en voorzichtig op ’t kleurige potje,
dan deed ze ook daar, wat men reeds was gewend:
die vorm en die kleur: onmiskenbaar talent.

Ze was nog geen vijf, toen de kunst’naarselite,
gezellig bijeen op verjaardagsvisite,
haar gaven al definitief had erkend:
zo klein als ze is – het is één brok talent.

Ze ging naar een school toe die aan was bevolen,
bijzonderste school der bijzondere scholen,
alwaar het de leerkrachten in werd geprent:
dat meisje: talent, ja talent, ja talent.

Maar na al die raad en adviezen en wenken,
toen kwam de tijd dat ze zelf leerde denken,
en kocht ze een schopje voor zeventig cent,
en toen groef ze een kuil, en begroef haar talent.