archiveren

Nederland

54b9a753c6baa765976325a7467444341587343_v5
Katholiek in de Republiek is de pakkende titel van dit boek van jurist en historicus Carolina Lenarduzzi. Zij promoveerde in 2018 aan de universiteit Leiden op een historisch proefschrift over de katholieke subcultuur in de Republiek en dit boek is de prima leesbare versie daarvan voor een wat breder publiek.

Wellicht mag de grondslag bekend zijn. Na de Nederlandse Opstand tegen hun landsheer Filips II werd in het noorden de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gevormd. Vanaf het jaar 1580 werden daarmee een aantal anti-katholieke edicten uitgevaardigd die de grondvesten onder het bestaan van overtuigde katholieken deed schudden. Ze mochten hun geloof niet meer in het openbaar belijden en moesten toezien hoe hun belangrijke rituelen en symbolen als ‘paapsche superstitien ende affgoderie’ werden geweerd en hoe hun heilige objecten het mikpunt van spotternij en vandalisme werden.

De aanleiding voor de studie en dus voor dit boek was het paradoxale samengaan van het verbod op de uitoefening van het katholieke geloof en het bestaan van een bloeiende katholieke gemeenschap. Lenarduzzi wil beschrijven wat een inwoner van de Republiek tot een katholiek maakte en dat doet ze aan de hand van een aantal egodocumenten, variërend van particuliere kronieken en dagboeken tot poëzie en liederen.

Het boek is verdeeld in drie delen. Het eerste deel, Van mainstream naar marginale cultuur, onderzoekt de marges waarin katholieken nog zichzelf konden zijn. Hun kerken en kloosters kregen andere bestemmingen maar er verschenen bijvoorbeeld schuilkerken. Katholieke bestuurders werden verbannen en anderen, zoals de priester Franciscus Dusseldorpius (1567-1630) emigreerden zelf. Dusseldorpius liet een aantal jaarboeken na waaruit vaak geciteerd wordt. Hij beschrijft het bestaan van glippers, de katholieken die liever in ballingschap gingen dan onder het juk van de ‘ketters’ te moeten leven. Ook worden in dit deel de katholieke herinneringsculturen beschreven en hoe die nog steeds een rol speelden in het dagelijks leven. Het gaat dat om de verbeelding van het verleden, processies en bedevaarten die nog steeds plaatsvonden en de religieuze objecten die nog overal werden verborgen.

Het tweede gaat dieper in op De katholieke gedragscode. Hoe kijken de katholieken naar de wereld en hoe bewegen ze zich hier in? Alle vanzelfsprekende rituelen moesten immers heroverwogen worden. Een priester kon niet zomaar over straat;

De vanuit Gouda naar Amsterdam gevluchte broeder Wouter Jacobz noteerde in 1572 in zijn dagboek, dat priesters zieken bezochten ‘in vrouwencleeder […] om tselfde den guesen te verduysteren.’

Lenarduzzi gebruikt veel van dergelijke voorbeelden en dat maakt het tot een levendig boek. Er staan ook langere fragmenten in en dan moet u zich even concentreren op het taalgebruik, er wordt geen vertaling bijgegeven. In dit deel merken we ook hoe belangrijk de muziek is in het katholieke geloof. De liturgische gezangen verloren hun gebruikelijke setting en veel expertise ging verloren. Dat was van belang, want kosteres Tryn Oly (1585-1651), uit wiens geschriften ook vaak wordt geciteerd, gaf aan dat muziek belangrijk was voor de aanwas van nieuwe katholieken;

Weyntgen Hendriks, bijvoorbeeld, besloot haar wereldlijke leven vaarwel te zeggen toen de ‘soeticheyt des gesank’ en de ‘lieffelicheit der spelende instrumenten’ van de Haarlemse maagden haar ziel raakten.

Het derde deel tenslotte heet Dynamiek en gaat over het feit dat de katholieke gemeenschap en haar gedragscode geen statische maar dynamische grootheden zijn. Ze zijn onderhevig aan beweging en verandering, zowel intern als extern. Een voorbeeld hiervan is het schisma dat ontstond tussen rooms-katholieken en jansenisten. Ben je al een onderdrukte groep, moet je nog uitmaken of je wel in de juiste onderdrukte groep zit. Dat onderdrukte gevoel kwam er ook wel eens uit en katholiek geweld kwam dan ook voor. De Kroniek van het Sint Geertruyklooster beschreef tot in detail hoe de Bossche stadhouder Martinus Achterdijck in 1673 aan katholiek geweld ten prooi viel. Er overkwam hem van alles

Maer oock verschijnde slaegen, soo binnen als buijten de deure bij hem ontfangen, hem noch geïnfligeert was een seer periculeuse wonden int hooft, penetrerende tot in het pericranium, ende alnoch een diepe steeck met een moortpriem int dick van sijn lijff;

U heeft meteen een idee van al die fragmenten en hoe ze te lezen. Aparte vermelding verdienen de prachtige illustraties in het boek, soms over twee pagina’s. Het is een zeer interessante inkijk in de belevingswereld van een religieuze minderheid die zich toch behoorlijk liet gelden.

9020534866.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De dageraad van Holland van heraldicus en historicus Henk ’t Jong beschrijft de geschiedenis van het graafschap Holland in de periode 1100-1300. Het sluit naadloos aan op het boek Strijd om West-Frisia van Kees Nieuwenhuijsen, dat de periode 900-1100 behandelt.

Floris II, Dirk VI, Floris III, Dirk VII, Willem I, Floris IV, Willem II, Floris V, Jan I; daar gaan we weer. Even het hoofd erbij houden want dit zijn alleen de hoofdrolspelers. Ook hun familieleden lopen over het toneel, vaak met dezelfde namen of varianten daarop. Concentreren dus, maar de auteur helpt daar goed bij. Voor in het boek staat een duidelijke stamboom waarin die verbanden in één oogopslag duidelijk worden. Iedere graaf heeft ook zijn eigen hoofdstuk en we lezen keurig in de tijd mee, dat scheelt ook.

De auteur maakt zich er sterk voor dat hij alleen afgaat op de feiten. Hij schroomt ook niet te zeggen als hij iets niet weet en geeft in het begin al aan dat we van de eerste twee graven, Floris II en Dirk VI, zo goed als niets weten. Van de volgende vier wat meer (in een glijdende schaal) en van de laatste drie behoorlijk veel. De bronnen waaruit geput is zijn onder meer het Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, de Annales Egmundenses ofwel de jaarkroniek uit de abdij van Egmond (1120-1205) en de berijmde geschiedenis van de grafelijke klerk Melis Stoke, de zogenaamde Rijmkroniek.

Nu is graaf Floris V de enige die het tot de canon van de Nederlandse geschiedenis heeft geschopt. Wellicht is bekend dat zijn ‘veroveringen’ ertoe hebben geleid dat ‘zijn’ edelen tegen hem in opstand kwamen en hem doodden. Veel lesmethodes en websites geven aan dat hij dit aan zichzelf te danken had maar dat ligt toch wat genuanceerder zoals uit dit boek blijkt en daarom is het ook een nuttig boek. Het kwam allemaal niet uit de lucht vallen.

Maar er is meer. We reizen door een Holland zoals we dat niet meer kennen en we zijn bij het ontstaan van steden als Dordrecht, Amsterdam, Gouda en Delft. Ik ben benieuwd hoevelen weten waar überhaupt de naam ‘Holland’ vandaan komt;

Het gebruik van de naam Holland, of eigenlijk Holtland, laat zich terugvoeren tot rond 1061. In een mogelijk Utrechtse bron, die als basis voor de Egmondse Annalen kan hebben gediend, komt die naam voor het Friese graafschap al voor…De naam wijst eerder op een bosrijk gebied, ‘holt’ is hout, maar dan ‘hoog opgaande eikenbossen’ in plaats van ‘lage elzen- en wilgenbossen…[die] woud genoemd’ werden.

In al die verhalen over de graven spelen de belangen mee in het graafschap Holland, maar wordt ook het grotere beeld nooit vergeten. De onlusten met West-Frisia (in wat nu Noord-Holland is), gedoe met het bisdom Utrecht of de graven van Gelre en natuurlijk de betrekkingen met de Duitse keizer, met de Vlaamse graven of de pauselijke invloed uit Rome. Maar ’t Jong blijft ook vaak heel dichtbij ‘huis’, als hij ingaat op het uiterlijk van de graven of gravinnen of wat zo’n graaf nu eigenlijk de hele dag doet. Zo kan Floris II wel ‘de Vette’ als bijnaam hebben, maar ’t Jong zoekt zelfs uit of dit geen erfelijkheidskwestie was in plaats van vraatzucht. Mooi bronnenwerk.

Wat wel blijkt is dat graaf zijn niet de makkelijkste betrekking is. De kans dat je op hoge leeftijd vredig de geest geeft is vrij klein. Dat lees je terug in de verhalen. Sommigen kwamen relatief onschuldig om op een toernooi of aan een ziekte, maar vaak gebeurde dat in de strijd, al of niet in het buitenland. Zo stierf graaf en tevens Rooms-Duitse koning Willem II van Holland in de strijd tegen de West-Friezen toen hij door het ijs zakte met zijn paard. Zijn moordenaars namen hem mee en begroeven hem onder de haard in een huis in Hoogwoud. Daar was de aarde nog warm genoeg om een graf te graven. Zijn zoon, Floris V, liet hem daar later opgraven;

De graaf nam, volgens Melis Stoke, ontroerd de schedel van zijn vader die hij nooit gekend had in de hand, dankte God en Maria en sprak:

Dat ic so vele dus mach scouwen
Vanden vader di mi ghewan.

Vertaald; ‘Dat ik dit nog mag zien, van de vader die mij verwekte’. Een mooi moment van een man die ook niet fijn aan zijn einde kwam en waar veel over geschreven is. Heel in het kort werd hij omgebracht vanwege zijn steun aan de lagere standen en zijn steun aan de Franse koning. Hij werd vermoord door een aantal voormalige getrouwen toen hij weerloos in een sloot lag na een val van zijn paard. Hij was, geboeid nog, op de vlucht geslagen nadat hij ontvoerd was. ’t Jong schrijft;

Werd graaf Floris door zijn edelen vermoord omdat hij hen tegen zich in het harnas had gejaagd? De van oorsprong Stichtse edelen Amstel en Woerden waren destijds ontegenzeggelijk op hun plaats gezet, maar daar hadden ze het ook wel naar gemaakt.

Aldus de nuance en dat levert boeiende leesstof op. Net zoals wordt beschreven dat Floris verantwoordelijk is voor de bouw van de nu zo bekende Ridderzaal op het Binnenhof en hoe die zaal gebruikt en gefinancierd werd. Dit boek bevat wat mij betreft een stuk noodzakelijke geschiedenis.

9089539506.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De brandende kampongs van Generaal Spoor van de Zwitsers-Nederlandse historicus Rémy Limpach is een omvangrijke studie naar het gebruik van extreem geweld door het Nederlandse leger in het voormalig Nederlands-Indië. Het is een boek van 780 pagina’s tekst, aangevuld met foto’s en kaarten van de regio.

In mijn bespreking van Revolusi gaf ik al aan dat dit onderwerp mijn interesse heeft omdat mijn grootvader betrokken is geweest bij de Politionele Acties in dit gebied en dat hij daar het nodige heeft meegemaakt. Als getuige of als deelnemer, dat weet ik niet zeker; hij heeft er heel weinig over willen vertellen maar het heeft hem achtervolgd.

Het boek is ruim opgezet. Het begint met de verklaringen van militair Joop Hueting op televisie over de excessen die hij heeft gezien. Hierop volgde de Excessennota van de Nederlandse regering, een summiere en, naar blijkt uit dit boek, onvolledige verklaring over toegepast extreem geweld. Vervolgens gaat de auteur in op de geschiedenis van het conflict, de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog en de verschillende spelers in het gebied, zowel aan Nederlandse als aan Indonesische zijde.

Er is een hoofstuk over extreem geweld in de periode 1945-1946, de zogenaamde Bersiap-periode, waarin gekeken wordt naar Indonesisch, Nederlands én Brits massageweld. Daarna zijn er een aantal case-study’s uitgewerkt over een aantal geweldsexplosies, zoals de Zuid-Celebes-affaire, de tragedie in Rawagede, de massamoord in Malang en de bloedbruiloft in Tjilatjap. Geen vrolijke verhalen maar het is een studie naar de donkere kanten van het Nederlandse optreden daar.

Is het daarmee een leesbaar verhaal? Ik vind van wel en heb geboeid zitten lezen. Er is veelvuldig gebruik gemaakt van brieven en ego-documenten van militairen en ambtenaren die alles mee hebben gemaakt, zoals deze brief;

Heb vanochtend het bevestigen van de macht van de Nederlandsche bajoneten in het landschap Soeppa meegemaakt…Gisteren is daar een grootscheepsche actie geweest […]. Stuk of wat kampongs afgebrand, bevolking verzameld en op aanwijzing van een stelletje spionnen ruim tweehonderd menschen […] als honden, met de revolver, neergeschoten. Er is hier een kapitein [Rijborz], bij het leger, die in een psychopatheninrichting thuis hoort.

Die teksten liegen er niet om en er zijn er veel meer in dit boek verzameld. Ze tonen aan dat excessief geweld op grote schaal en structureel plaatsvond. Vaak door individuele militairen, soms door hun meerderen en zeker, en dat wordt vaak vergeten, mogelijk gemaakt door de legerleiding tot aan de hoogste in functie, Generaal Spoor, aan toe. Spoor liet het voorkomen dat excessief geweld niet getolereerd werd en zwaar bestraft werd, maar hij komt er niet goed van af in deze studie. Ook van kapitein Westerling, die zelf zijn meedogenloze optreden in Zuid-Celebes prima kan verantwoorden, wordt geen mooi beeld geschetst. De kapitein heeft het in zijn eigen mémoires uiteraard niet over zijn speciaal ingerichte martelkamers.

Mijn indruk is dat de studie erg compleet is. Naast de case-study’s wordt uitgebreid ingegaan op de oorzaken van extreem geweld, de meldingen van en verzet tegen dat geweld, de preventie van extreem geweld en vooral het verhullen ervan. We zien dat er vaak gezocht wordt naar verzachtende omstandigheden als iemand voor de krijgsraad komt. Zelden worden er zware straffen opgelegd, terwijl er vaak tientallen tot honderden slachtoffers zijn. Pijnlijk duidelijk wordt dat in het geval van de slachting in Rawagede, waarin ruim vierhonderd mannen werden geëxecuteerd. Zowel Generaal Spoor als Procureur-Generaal Felderhof lieten de verantwoordelijke commandant Fons Wijnen ongemoeid;

Spoor en Felderhof besloten dus Wijnen strafrechtelijk en uiteindelijk ook disciplinair ongemoeid te laten, hoewel geen van beiden eraan twijfelde dat de krijgsraad de majoor zou veroordelen. Hun gevarieerde, strafrechtelijk volkomen irrelevante redenen om de procedure stil te leggen, maken heel veel duidelijk. Zij meenden dat dit moest gebeuren omdat de “vreemde [buitenlandse] inmenging en belangstelling” inmiddels was verdwenen; omdat ze bezorgd waren voor Wijnens carrière; omdat ze begrip konden opbrengen voor de majoor en omdat in elk geval Felderhof militaire eigenrichting liet passeren en zelfs goedpraatte…

Uiteindelijk werd in dit specifieke geval de majoor niet veroordeeld en bood de Nederlandse regering pas in 2011 excuses aan de nabestaanden aan. Opvallend is dat militairen vaak de vergelijking maakten met het drama van Putten in de Tweede Wereldoorlog, waarbij de Duitsers als wraakoefening onschuldige burgers fussileerden. De Nederlanders bleken niet veel beter zo kort na die oorlog in hun eigen conflict.

Bij het lezen van deze studie krijg je geen rooskleurig beeld van het Nederlandse leger in die tijd. Limpach wijst erop dat het een studie naar extreem geweld is en dat het merendeel van de militairen zich correct gedroeg. De studie toont echter wel aan dat wegkijken voor die geschiedenis niet meer kan. Het heeft mij een hoop wijzer gemaakt.

9403183403.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Met Revolusi heeft David van Reybrouck een zeer geslaagde poging gedaan om het verhaal te vertellen van de Indonesische vrijheidsstrijd. Een strijd die losbarstte kort na de Tweede Wereldoorlog, maar die zijn wortels al ver daarvoor had. In een documentaire over de totstandkoming van dit boek vertelt de auteur dat hij als niet-Nederlander los kan komen van het nationale perspectief en dat de geschiedenis van Indonesië een wereldgeschiedenis is, dus ook zijn geschiedenis.

Om dat beeld te schetsen heeft Van Reybrouck talloze interviews gehouden. In Indonesië uiteraard, in Nederland, maar hij heeft ook gezorgd voor verschillende perspectieven. Daarom ging hij ook op zoek naar Japanse ooggetuigen en trok hij zelfs naar Nepal om de Gurkha-strijders te interviewen die ook in Indonesië actief waren.

Dat levert een boek op van ruim 500 pagina’s dat ik met meer dan normale belangstelling heb gelezen. Ik heb zelf in het land rondgereisd en mijn grootvader is direct betrokken geweest bij de acties na de Tweede Wereldoorlog. Acties waar hij nooit echt over heeft willen spreken, maar die hij zeker zijn leven lang met zich mee heeft gedragen.

Van Reybrouck vertelt over de geschiedenis van de regio en komt zo tot de landing van de eerste Nederlanders in het gebied. Langzaam wordt de puzzel gelegd en worden de Nederlandse gebiedsuitbreidingen in kaart gebracht. Overigens was territorium niet het doel, dat was de handel, maar het leidde ontegenzeggelijk tot het begin van het kolonialisme. Wat de auteur goed doet is de standsverschillen in de maatschappij beschrijven aan de hand van de verschillende dekken op de pakketboot die de diensten onderhield tussen de verschillende eilanden. Dat waren, even heel algemeen, in het begin de Europeanen op dek 1, veel vreemde oosterlingen op dek 2 (denk aan de Chinese middenstanders) en de inlanders op dek 3. Al naar gelang er veranderingen in de maatschappij voorkwamen, beschrijft Van Reybrouck dat aan de hand van die dekken en dat werkt prima. Als de nationalisten snel een bestuur opzetten als er een machtsvacüum ontstaat bijvoorbeeld;

Kortom, binnen minder dan twee weken was er een grondwet, een staatshoofd, een parlement, een regering, een soort leger en het begin van een bestuur. Militairen en ambtenaren kregen meteen een plek in de nieuwe staat, duizenden dorpen en eilanden werden bereikt. Dek 2 en 3 klommen samen op naar dek 1. Maar er ontstond gedrang op de trappen.

De Tweede Wereldoorlog wordt uitgebreid beschreven, de wreedheden die daarin begaan werden, het verblijf in de kampen, maar zeker de periode daarna is een heel interessante. Daarin zie je dat eerst de ‘Bersiap’- periode uitbreekt, een uiterst gewelddadige periode  waarin paramilitaire groepen veel niet-inlanders of van collaboratie met de Nederlanders verdachte inlanders ombrachten. In de ‘Engelse’ periode komt Engeland om de oud-kolonie eigenlijk terug te geven aan Nederland. Iets waar de nationalisten onder leiding van Soekarno uiteraard niet op zitten te wachten. Omdat Nederland nog geen leger heeft zie je dat Nepalese Gurkha’s hier het gevecht met Javanen aangaan. Ik had er nooit bij stilgestaan.

Nederland kan ook niet vasthouden aan zijn oude kolonie. Een akkoord in Linggajati, later het Renville-akkoord en het Roem-van Roijen-akkoord zijn stappen op weg naar onafhankelijkheid, maar kunnen niet voorkomen dat Nederland twee ‘politionele’ acties uitvoert om zogezegd orde en rust te herstellen, maar Van Reybrouck geeft aan dat de acties niet best doordacht waren. Sommigen die uitgezonden werden dachten daar net zo over. Er waren er die deserteerden, zoals Poncke Princen en Piet van Staveren. Met die laatste heeft Van Reybrouck ook gesproken. Er waren er ook die verhaal deden van wat ze zagen tijdens die acties, zoals het beroemde interview van Joop Hueting voor de VARA-televisie in 1969. Ook met hem sprak Van Reybrouck;

‘In Jember zag ik voor het eerst een marteling. Een TNI’er was aan zijn voeten opgehangen met zijn hoofd naar beneden. Een Indische jongen van het KNIL martelde hem door het touw meermaals zachtjes te vieren, met kleine schokjes, zodat zijn kop op de grond kwam…Ik liep weg. Ik kon er niet tegen.’ Dat hij enkele maanden later zelf bij wreedheden betrokken zou raken wist hij toen nog niet. Oorlog is geen afgrond, maar een trage helling.

Ik heb zelfs het hele citaat niet weergegeven, het is nog erger. Hueting werd vreselijk bedreigd vanwege deze onthullingen. Verbijsterend is ook het optreden van de groep van kapitein Raymond Westerling. Die deinsde niet terug voor standrechterlijke executies en heeft voor talloze doden gezorgd, met medeweten van zijn meerderen. Hij is nooit gestraft en dat is moeilijk te begrijpen,  maar Van Reybrouck legt ook uit wat hier achter zit.

Van Reybrouck legt met ons de route af naar onafhankelijkheid en geeft ook het belang aan van de grote conferentie in Bandung in 1955. Daar namen Aziatische en Afrikaanse landen aan deel die recentelijk onafhankelijk waren geworden en die conferentie was uiteraard belangrijk voor Indonesië en Soekarno. Het doel was de stimulering van economische en culturele samenwerking en het weerstand bieden aan (neo)kolonialisme van andere landen.

Voor het geheel van het boek geldt dat het, mede door al die persoonlijke interviews, een uiterst prettig leesbaar boek is en de grote winst vind ik dat er zoveel standpunten in de geschiedenis van verschillende kanten belicht worden. Het is wel eens goed om te lezen waar Nederland kansen heeft laten liggen in de ogen van de auteur. Er zijn talloze boeken en studies in het Nederlands verschenen, vaak vanuit nationaal standpunt beschreven en veel Engelstalige publicaties die weer vaak een Republikeinse invalshoek hebben. Van Reybrouck heeft in ieder geval getracht zoveel mogelijk invalshoeken te gebruiken en dat is prima gelukt. Een aanbeveling voor wie meer wil weten is ook het uitgebreide bibliografisch essay achterin het boek, waarin uitgebreid de gebruikte documentatie wordt beschreven. Ik ga er in ieder geval nog eens wat dieper induiken.

 

9401907560.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als liefhebber van geschiedenis is het ook wel eens leuk om wat dichter bij huis te blijven. Daarom las ik Strijd om West-Frisia van Kees Nieuwenhuijsen. Dat beschrijft de ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland in de periode 900–1100.

West-Frisia was een gebied dat zich uitstrekte van Texel tot Zeeland. Dat gebied werd in de tiende eeuw geteisterd door aanvallen van Vikingen. Godfried de Deen was één van hen, maar hij maakte een afspraak met Karel de Dikke, de keizer van het Frankische Rijk. Als de Vikingen hun plunderingen zouden staken, zou hij militair opperbevelhebber worden van heel Frisia, van het kustgebied vanaf het Zwin tot aan de Eemsmond plus de Betuwe. Er kwam weinig van terecht en Godfried werd vermoord. Die moord was het begin van het tijdperk der Gerulfingen. Stamvader Gerulf greep de macht.

Die macht van de Gerulfingen zou ruwweg de periode 900-1100 beslaan en het zou wat ver voeren al zijn opvolgers hier te noemen. Nieuwenhuijsen doet dat chronologisch in zijn boek van ruim 220 pagina’s. Gerulf werd in ieder geval door de Frankische vorsten aardig in het zadel geholpen door grote schenkingen van stukken land.

Met die groei stichtten zij ook een abdij in Egmond en ook in Vlaanderen verworven ze een machtspositie. Conflicten waren er uiteraard ook genoeg. Met de eigen inwoners, maar ook met het bisdom Utrecht waren er voortdurend spanningen. De bisschoppen wilden land hebben in West-Frisia, dat in die tijd op grote schaal ontgonnen werd. Hiervoor werden verschillende veldslagen uitgevochten, en zo krijgen we beschrijvingen van de Slag bij Andernach, de Slag bij Vlaardingen, de Slag bij Bodegraven, de Slag bij Kassel en de Slag bij IJsselmonde.

Er zijn niet heel veel bronnen die terugvoeren op deze periode, hoewel de literatuurlijst achter in het boek vrij indrukwekkend is. Nieuwenhuijsen geeft aan dat er vaak meerdere versies van één verhaal zijn en die worden in aparte kaders ook weergegeven. Dat leest erg prettig en de auteur geeft ook meteen aan welk verhaal waarom het meest plausibel is. Zo vertelt hij over het beleg van Alkmaar;

Het beleg van Alkmaar in 1072 werd pas op het eind van de vijftiende eeuw voor het eerst door geschiedschrijvers vermeld. Johannes van Leiden († 1504) en Johan Veldenaer (circa 1480) vertelden dat Godfried met de Bult tijdens zijn veroveringstocht in de stad Alkmaar zijn hoofdkwartier had ingericht…De ontzettingsmacht kwam nadat het beleg al negen weken had geduurd…Er sneuvelden maar liefst 8000 Friezen en de gevangengenomen leiders werden onthoofd, als afschrikwekkend voorbeeld…Een belegering van negen weken is echter moeilijk voor te stellen, omdat Alkmaar in de elfde eeuw een eenvoudig dorp was en geen ommuurde stad. Pas in de dertiende eeuw werd er een burcht gesticht. Het aantal van 8000 doden is zeker niet realistisch, want dan zouden er in Frisia ulterior vrijwel geen weerbare mannen meer over zijn geweest.

Deze duiding werkt verhelderend en dat doen ook de vele kaartjes en stambomen in het boek. Die zijn ook wel nodig, want de grafen leefden niet allemaal even lang, de ene Dirk volgt de ander op, dus je moet je hoofd er af en toe wel even bij houden.

Naast de stamboom der Gerulfingen komen we ook veel te weten over het ontginnen van het land. West-Frisia was een veenrijk gebied en bewerking was nodig om het bewoon- en bebouwbaar te maken. Ook zijn er aparte hoofstukken gewijd aan de verschillende soorten burchten die werden gebouwd en over het godsdienstig leven in die tijd. Ik noemde de abdij van Egmond al, maar ik leerde zelfs bij over de mij zo bekende Domkerk in Utrecht; ik had geen idee van de twee keizersteentjes in die kerk, waar de ingewanden van Koenraad II onder werden begraven in 1039.

Van het geloof komen we ook op de Kruistochten; de grafen en bisschoppen werden verzocht om daar aan deel te nemen en in de bijlagen is een mooie lijst opgenomen van wie precies met hoeveel manschappen moest deelnemen.

Kortom; het is geen dik boek maar wel een boek met een hoop samengebalde kennis en feiten over een voor mij relatief onbekende periode in de Nederlandse geschiedenis. Het is bovendien een mooie opmaat voor het boek van Henk ’t Jong, die het verhaal voortzet in zijn boek De dageraad van Holland, over de geschiedenis van het graafschap in de periode 1100-1300.

9200000079154757
Rauter, Himmlers vuist in Nederland is de omvangrijke biografie die Theo Gerritse heeft geschreven over de man die de taken van SS-leider Heinrich Himmler uitvoerde in Nederland. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ik nooit van Rauter had gehoord tot dit boek verscheen en Gerritse onderschrijft dit wel een beetje. Waar Mussert, Seyss-Inquart en Van Tonningen nog bekende namen zijn, is de naam Rauter zo’n beetje gewist uit ons nationale geheugen, geeft hij aan.

Dat wordt met dit dikke boek van ruim 600 pagina’s meer dan rechtgezet. Rauter was namelijk alomtegenwoordig. Zijn naam stond onder de aangeplakte bulletins waarin melding werd gemaakt van voltrokken doodvonnissen. Hij sloeg de Februaristaking van 1941 bloedig neer. Hij hield het toezicht op de ongestoorde deportatie van de Nederlandse joden en de jacht op verzetsmensen. Hij tekende het ‘dennenboompje’ waarmee hij het startsein gaf voor de sluipmoorden (Silbertanne) op vermeende ‘vijanden’ van het Duitse rijk. Een gevreesde, compromisloze man, door en door soldaat, een sober levend mens en tot alles bereid om zijn bevelen op te volgen.

Hij werd geboren in Oostenrijk en vocht in de Eerste Wereldoorlog mee. Daarna verhuisde hij naar Duitsland om daar dienst te nemen. Hij groeide op met het nationaal-socialistisch gedachtegoed en antisemitisme maakte daar een groot deel van uit. De ervaring van een verloren oorlog was bepalend voor de rest van zijn leven. De auteur geeft aan dat met de wapenstilstand of na de gesloten verdragen de oorlog voor Rauter niet ophield. Die ging gewoon door.

Dat doet zich voelen als hij in de Tweede Wereldoorlog in Nederland wordt gestationeerd, als hoogste SS-officier die aan Himmler moet rapporteren. Zoals gezegd volgde hij zijn orders nauwgezet, maar soms ging hij zelfs verder. Hij voldeed aan de quota van Joden die op transport moesten maar zorgde daarnaast ook voor sterilisatieprogramma’s. Joden over wiens lot nog niet was beslist konden kiezen; steriliseren of alsnog op transport. Hij kwam ook met de ‘Gegenterror’ onder de naam ‘Silbertanne’. Als er een aanslag werd gepleegd dan werden er een aantal aangewezen slachtoffers, van wie vermoed werd dat ze tegen de autoriteiten waren, vermoord.

Vreselijke daden, maar Rauter was er vast van overtuigd dat ze geoorloofd waren in een oorlogssituatie. Wat betreft de Jodenvervolging was hij duidelijk;

Ich will gerne mit meiner Seele im Himmel büssen vor dem was ich hier gegen die Juden verbrochen habe.

Hij was niet vies van dergelijke uitspraken en veel hoofdstukken beginnen er ook mee. Het laat wel zien hoe Rauter in zijn werkelijkheid stond;

Es (kommt) nicht so sehr darauf an, dasz der rechte Mann niedergeschossen wird. Auf der Strasze werden auch Unschuldige erschossen (…) Es kommt vielmehr darauf an, dasz im rechten Augenblick Tote fallen.

Rauter zou uiteindelijk ook neergeschoten worden bij een aanslag en heimelijk had hij gehoopt daar als echte Germaanse krijger bij om te komen. Dat gebeurde niet. Hij revalideerde en na de oorlog werd hij in Nederland berecht. Het is verbijsterend om te lezen hoe dat er aan toe ging. De rechtszaak was van Nederlandse kant slecht voorbereid, hoewel de uitkomst al vast stond, de doodstraf. Waar Rauter eerst niet wegliep voor zijn verantwoordelijkheid, soms zelfs zijn daden behoorlijk aandikte, probeerde hij alles voor de rechter te bagatelliseren. Hij loog er af en toe op los en probeerde zichzelf uiteindelijk zelfs als zoenoffer te geven.

Het maakte allemaal niet uit, de doodstraf stond al vast. Hij stond er wel op zonder blinddoek en niet geboeid voor het vuurpeloton te verschijnen. Naar verluid heeft hij zelfs “Vuur!” geroepen, waarna hij daadwerkelijk doodgeschoten werd.

Het is een uiterst boeiend en uitgebreid verhaal wat Gerritse heeft opgetekend. Er was heel veel bekend en gedocumenteerd over Rauter dus dat moet een enorme klus zijn geweest. Het is een dik boek met een groot notenapparaat, maar ik las het in één adem uit. Wat ik erg interessant vond is de duiding van hoe deze man tot zijn daden is gekomen. Het is makkelijk om iemand weg te zetten als verknipte persoon, maar er is veel meer over te zeggen en dat doet Gerritse. Een paar zinsneden daarover;

Hij was een Germaans krijger geweest. Maar Rauter was ook een SS-zendeling, die in de loopgraven aan het Isonzo-front…een specifiek idioom had ontwikkeld…Hij was in Nederland een Einzelgänger die niet rookte en nauwelijks dronk…Hij was een idealist die stond voor zijn zaak, wat de consequenties ook mochten zijn…Als het om Joden ging, kende Rauter geen scrupules en plichtplegingen…’Kämpfer’ en ‘Soldat’ met een ridderlijke inslag, zo zag Rauter zichzelf.

Daar valt dus veel over te vertellen en dat heeft Gerritse knap gedaan. Het is wel handig om een beetje Duits te kennen omdat er heel veel citaten in staan, hoewel er soms een lastig woord vertaald wordt door de auteur en de rest ook voor niet-Duitssprekenden in de regel uit de context of uit de Duitse tekst zelf is op te maken.

7b6ce0a0a2238da596e416b7251444341587343
Wat ik in de laatste alinea van mijn vorige stuk schreef is prachtig uitgekomen met dit boek. Luc Panhuysen en René van Stipriaan schreven met Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog een prachtig boek met verslagen uit de eerste hand over die roerige periode uit onze geschiedenis.

Zo biedt Oranje tegen Spanje een mooi raamwerk waarin je met dit boek al die gebeurtenissen weer voorbij ziet komen, maar waarbij je nu de diepte ingaat. Het boek biedt 327 pagina’s leeswerk en 134 verslagen door de meest uiteenlopende personen en ook over de meest uiteenlopende onderwerpen. Voor ieder verslag wordt een inleidend stuk(je) geschreven waardoor de geschiedenis chronologisch aan elkaar wordt verteld. Toch helpt het als je al wat over die geschiedenis weet, dan kan je alles sneller en beter plaatsen.

Voorbeelden van die verdieping zijn de verslagen over de belegering van verschillende steden zoals Haarlem, Alkmaar en Naarden. De bevolking van Naarden wordt uitgemoord en in dit boek staat een verslag van Lambertus Hortensius, priester en historicus en één van de naar schatting zestig overlevenden van die slachtpartij.

Grote gebeurtenissen worden door ooggetuigen beschreven, maar er worden ook zijpaden bewandeld, zoals het naspelen van een zeeslag met stenen door de Amsterdamse jeugd, of de beschrijving door een diplomaat over hoe Willem van Oranje gekleed ging. Je komt zo wel dicht op de geschiedenis te staan;

Zijn belangrijkste kledingstuk was een gewaad, van het type waar – zo durf ik oprecht te zeggen – een eenvoudige rechtenstudent niet graag mee over straat zou gaan. Zijn wambuis niet geknoopt, en evenmin kostbare stof. Zijn vest – dat daaronder zichtbaar was – had veel weg van de beste gebreide exemplaren waarin onze bootslui ons voortroeien.

Diezelfde Willem van Oranje wordt vogelvrij verklaard, overleeft een moordaanslag en wordt vervolgens toch gedood. Beide gebeurtenissen komen uitgebreid aan bod. Van de eerste dader wist ik nagenoeg niets tot nu. Dat wordt uitgebreid beschreven door Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, die later blijkbaar ook nog eens een leuk wijsje componeerde.

Toch zijn die grote ijkpunten uit de geschiedenis zeer de moeite waard. Het verhaal van het Turfschip van Breda, ons eigen Paard van Troje, mag genoegzaam bekend zijn, met dit boek stap je in het schip zelf. Je maakt mee hoe stil de mannen moesten zijn om niet ontdekt te worden;

Een zekere Matthijs…werd dermate door hoest gekweld dat hij die onmogelijk kon bedwingen. Hij bood zijn makkers zijn ponjaard aan om hem de hals af te snijden of te doorsteken, omdat hij liever alleen wilde sterven dan dat alle eerlijke soldaten vanwege hem zouden worden ontdekt en gedood. Maar de schipper maakte met pompen en andere werkzaamheden zoveel herrie als maar mogelijk was om het hoesten van zijn turf voor de dragers en de soldaten te overstemmen.

De grote lijnen van remonstranten tegen contraremonstranten en daarmee de tweespalt tussen Prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt (goed beschreven in Oranje tegen Spanje) krijgt in dit boek handen en voeten. Lees de verslagen van Joris de Bie, de thesaurier-generaal die beiden van nabij meemaakte, Johan van den Sanden die een contraremonstrantse jurist was én van Prins Maurits en van Van Oldenbarnevelt zelf. Als de raadspensionaris tenslotte wordt geëxecuteerd is het zijn knecht Jan Francken die verslag doet;

Bij het lezen van het vonnis zat mijn heer verschillende malen te keren en te draaien, en soms rees hij op van zijn stoel, gebaarde dat hij wilde antwoorden, maar Pots las gewoon verder. Nadat het vonnis was gelezen, sprak mijn heer…: ‘Ik dacht dat de Staten-Generaal voldoende zouden hebben aan mijn lichaam en bloed, en dat vrouw en kinderen hun bezit zouden mogen houden. Is dit mijn loon voor 43 jaar dienst aan het land?’

Zo staan er talloze verhalen in het boek. Je maakt mee hoe het was voor Hugo de Groot om te ontsnappen in die boekenkist uit Slot Loevestein. Hoe weinig lucht hij kreeg. Wat er werd gezegd door de dragers toen hij zich even verschoof, hoe zijn dochter gevat reageerde op vragen. Maar je maakt ook mee hoe luitenant-admiraal Maarten Tromp zijn manschappen toesprak toen hij met elf schepen de zeventig Spaanse schepen te lijf wilde gaan (en uiteindelijk vernietigde). Tenslotte moet ik nog even “Het duel van Leckerbeetje” noemen. Een mooi verhaal uit die tijd die feitelijk niet eens met de oorlog te maken had, maar zeker zijn plaats verdient in dit boek.

4509f546e9080a4597332316c41444341587343
Oranje tegen Spanje van Edward De Maesschalck is het derde boek uit de cassette waarvan De Graven van Vlaanderen en De Bourgondische Vorsten ook deel uitmaken. De boeken laten zich in chronologische volgorde lezen, waarvan dit laatste deel de periode beslaat van 1500 – 1648. Eenheid en scheiding van de Nederlanders onder de Habsburgers is de ondertitel en dat is nogal veelomvattend.

Het boek start met de geboorte van Karel V en loopt tot en met het einde van de Tachtigjarige Oorlog, die getekend werd met de Vrede van Münster. Het boek telt zo’n 340 pagina’s en het voordeel van deze uitgaven is dat er prachtige illustraties, stambomen en landkaarten in staan. Het leest zoveel makkelijker.

Want er valt ook veel te lezen. Karel V wordt Keizer Karel en komt tegenover Luther te staan. De religie is allesbepalend en we zien de leer van Calvijn groot worden. Willem van Oranje wordt calvinist en komt in aanvaring met het katholieke Spanje. Als belangrijkste edelman wordt hij als rebel gezien en Spanje zal met zijn generaal Alva een schrikbewind instellen. Don Juan van Oostenrijk, de bastaardzoon van Karel V kwam aan de macht als landvoogd van De Nederlanden, maar hij wist dat dit weinig voorstelde zolang hij Oranje niet wist in te palmen. Die wist natuurlijk wel hoe de hazen liepen, zoals bleek uit zijn onderhandelingen met Don Juan;

Dus begon hij te onderhandelen met Oranje en beloofde hem de hemel op aarde, zoals de terugkeer van zijn zoon Filips-Willem, het herstel van al zijn functies in dienst van de kroon en de teruggave van al zijn bezittingen. Oranje kon het niet geloven, want hij wist zeer goed dat de Spanjaarden zich niet gebonden achtten aan beloften die ze ketters deden…Volgens een verslag van de vredesbesprekingen zei Oranje letterlijk: ‘Wij begrijpen dat u ons wenst uit te roeien en wij wensen niet uitgeroeid te worden.’

Zoals bekend wordt hij toch vermoord en zijn zonen nemen zijn rol over. Eerst Maurits van Nassau die tegenover de nieuw ingevlogen landvoogd Farnese komt te staan. Het beleg van Doornik, van Oudenaarde en van Antwerpen zijn maar een paar voorbeelden van wat de bewoners van De Nederlanden over zich heen kregen. Ondertussen lezen we ook over de verwikkelingen in Spanje, van waaruit de acties veelal geïnitieerd werden, maar ook veronachtzaamd werden vanwege andere belangen. Zo werd er bijvoorbeeld ook een invasie van Engeland voorbereid, die overigens op niets uitliep.

Het mooie van dit boek is dat op zich bekende gebeurtenissen met elkaar in verband worden gebracht. De moord op Willem van Oranje, de Slag bij Nieuwpoort, de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt; het wordt haarfijn uitgelegd. Dat laatste feit is een direct gevolg van de strijd tussen raadspensionaris Van Oldenbarnevelt en Prins Maurits, tussen remonstranten en contraremonstranten ofwel de ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ (vrij vertaald; men is zelf verantwoordelijk voor het eigen lot of alles is al voorbestemd). Met Van Oldenbarnevelt werd ook Hugo de Groot veroordeeld, zij het tot levenslang. Hij wist weer uit Slot Loevestein te ontsnappen in een boekenkist.

Ondertussen ging het wel goed met de Republiek. Ik bracht de opkomst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie én van de West-Indische Compagnie nooit zo in verband met de tijd van Van Oldenbarnevelt, maar het speelde zich in dezelfde tijd af natuurlijk. In Spanje raakt men niet uitgepraat over de hebzucht van de Hollanders. De Spaanse schrijver Gonzalo de Céspedes y Meneses beschouwde de Hollanders zelfs als de bron van alle kwaad in de wereld:

Zeg me hoelang je nog zal dulden, o edel Spanje, dat een stel technologische vaardige rebellen, maar verachtelijke miskramen van de zee en plompe rotsen van het land, met hun boosaardigheid en oproer Duitsland in brand steken. Zij zijn de aanstichters van Bohemen, de opstokers van de Fransen, de omwoelers van de Zwitsers, steunpilaren van de Zweden, de omgooiers van de Polen, de bondgenoten van de Turken, en vrienden en partijgenoten van de Moren.

En zo gaat het nog even door. Wellicht wat teveel eer maar het geeft aan dat De Republiek de gemoederen aardig bezig hield. Dit soort teksten staan veelvuldig in het boek en voegen veel toe aan het verhaal.

Uiteindelijk zal Frederik-Hendrik, de jongste zoon van Willem van Oranje, stadhouder worden. Hij zal vele steden op de Spanjaarden terug veroveren en krijgt de bijnaam ‘Stedendwinger’. Het kon ook, want Piet Hein had er met de verovering van de Spaanse zilverloot voor gezorgd dat de oorlogskas goed gespekt werd. Overigens zou de tweede dochter van Frederik-Hendrik, Albertina-Agnes, trouwen met de Friese stadhouder Willem-Frederik van Nassau-Dietz. Van hen stamt de huidige Nederlandse koninklijke familie in rechte lijn af.

Het belangrijkste dynastieke huwelijk uit die tijd was dat van zoon Willem II, die op veertienjarige leeftijd trouwt met de negenjarige Maria-Henriëtte Stuart, waardoor op termijn een Oranjevorst (Willem III) koning van Engeland zou worden. Overigens grappig dat de auteur zich hier, waar hij overal zakelijk en ‘to the point’ verslag doet, ten opzichte van Maria Stuart even laat gaan;

…al liet het verwaande kind te pas en te onpas horen dat enkel zij van koninklijke bloede was en niet haar gemaal noch haar schoonouders.

Frederik-Hendrik putte zijn prestige uit militaire overwinningen, maar na zijn dood leek de weg vrij voor vredesbesprekingen. Daarvoor stond meer in de weg dan Frederik-Hendrik, er waren nog altijd geloofstegenstellingen maar er was beweging. Uiteindelijk zou de Vrede van Münster getekend worden, waarbij het opvallend is dat de sfeer, na zo’n lange tijd van oorlog en ellende, uiterst vriendelijk en gemoedelijk was.

Dit boek biedt hopelijk een prachtig raamwerk voor het volgende boek dat ik wil lezen. Als het goed is bevat dat verslagen van ooggetuigen uit deze periode, die zo nog meer invulling geven aan één van de roerigste periodes uit onze geschiedenis.

download
De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten van Marieke van Delft en Reinder Storm is een groot boek van 34 x 29 cm en zo’n 387 pagina’s dik. Het moet ook een groot boek zijn, want die 100 kaarten worden soms paginagroot, maar ook vaak over twee pagina’s afgedrukt. Niet iets voor je e-reader, het is een feest voor het oog.

In de inleiding geven de auteurs een inkijkje in de doelstelling van en de werkwijze bij het samenstellen van dit boek;

Bij de keuze van kaarten en onderwerpen is een tweesporenbeleid gevolgd. In overleg met kaarthistorici Peter van der Krogt en Bram Vannieuwenhuyze hebben we een lijst opgesteld van belangrijke kaarten van de Nederlanden. Vervolgens is een overzicht gemaakt van belangrijke gebeurtenissen in de geschiedenis van Nederland en zijn daar, voor zover mogelijk, de kaarten aan verbonden…Wie alle stukken uit dit boek na elkaar leest, verwerft op soepele wijze inzicht in de grote lijnen en belangrijkste ontwikkelingen van de geschiedenis van ons land.

Dat heb ik gedaan en het klopt. Nu was die kennis niet eens het hoofddoel, ik was gewoon steeds weer benieuwd welke kaart ik nu weer voor me zou krijgen. Het procedé is steeds hetzelfde. Er wordt een kaart getoond, bijvoorbeeld die van Adriaen Coenen uit de 16e eeuw van de Noordzee, en er volgt in twee pagina’s een toelichting over (in dit geval) de haringvisserij in de zestiende eeuw. Zo wandel je door de geschiedenis vanaf de eerste tot en met de twintigste eeuw. De onderwerpen zijn enorm divers. Het gaat over de eerste Batavieren, de Sint-Elisabethsvloed, de drooglegging van de Beemster, de eerste harde verbindingsweg in Nederland, Nieuw-Amsterdam (New York) ten tijde van het Nederlands bestuur, het slavernijverleden, Nederlands-Indië, de handel met Japan via het eilandje Deshima, de wereldtentoonstelling in Amsterdam, de Jodenvervolging, de Elfstedentocht, Schokland, de eerste autokaarten en treinverbindingen enzovoort. Ik bleef lezen.

De Atlas Maior van de beroemde cartograaf Joan Blaeu ontbreekt niet, evenmin als de Bosatlas. Ook de vloerkaart in het Koninklijk Paleis op de Dam staat erin. Indrukwekkend is ook de kaart op een wandtapijt over het Leidens ontzet uit de 16e eeuw.

Soms gaan de verhalen ook over hoe de kaarten tot stand zijn gekomen. Niet zozeer het maken van de kaart zelf, maar wel de meetmethoden die gebruikt werden. De belangrijkste daarvan was de zogenaamde driehoeksmeting;

Driehoeksmeting gaat uit van het meetkundig beginsel dat, als er van een driehoek twee hoeken en de lengte van de tussenliggende zijde bekend zijn, de derde hoek en de lengte van de twee overige zijden uitgerekend kunnen worden…Eerst wordt in het land een netwerk van driehoeken uitgezet. Voor de hoekpunten worden hoge plaatsen uitgezocht, waarbij een vereiste is dat vanuit elk hoekpunt de twee anderen zichtbaar zijn. Voor deze punten werden in ons land meestal kerktorens gebruikt.

Er werden de meest fantastische kaarten mee gemaakt, zoals de onderstaande, zeer gedetailleerde kaart uit 1712 van ’t Hooge heemraedschap van Delfland van Nicolaas en Jacob Kruikius. Minder fantastisch, maar wel heel leuk is de fietskaart van Amsterdam, compleet met pijlen voor de juiste fietsrichting. Gemaakt voor (en ik houd van dit soort weetjes) Johan Koopmans & Co, importeur voor Crescent Cycles. Koopmans was agent voor veel Amerikaanse fabrikanten van onder meer metaalwaren, rijtuigen, meubelen, klokken én…zelfrijzend bakmeel. En dat staat nog steeds hier in de supermarkt.

Grimmiger is de kaart met de positie van de zogenaamde ‘Dodendraad’, het hek dat Duitsland langs de gehele Belgische grens bouwde om een vlucht naar Nederland te voorkomen in de Eerste Wereldoorlog. Omdat elektriciteit relatief nieuw was, vielen er veel doden te betreuren door onbekendheid met dit fenomeen.

Op een paar schoonheidsfoutjes in wat woordafbrekingen en een Franse Zonnekoning Lodewijk XIC (?) is de uitgave verder prachtig verzorgd. Dit zijn boeken om vaak in te kijken.

atlas_0718_005

4bba7cab41471665971444b6c51444341587343
Ik had elders al aangegeven dat ik met die Bourgondiërs nog niet klaar was en
De Bourgondische vorsten van Edward De Maesschalck stond dus nog in de kast te branden. Het boek is 237 pagina’s dik en bestrijkt de periode 1315-1530. Uiteraard heeft het veel overlap met het boek van Bart van Loo, wat ik onlangs heb gelezen en dat meer tekst bevat. Is dit boek daarmee dan overbodig? Zeer zeker niet.

Allereerst vind ik het prettig om het verhaal in andere woorden opnieuw te lezen, ik onthoud het dan beter. Er staan handige stambomen en kaarten in het boek die veel verduidelijken. Verder staan er werkelijk prachtige foto’s in, soms paginagroot en zelfs over twee pagina’s.

Het boek is verdeeld in zeven delen en beschrijft achtereenvolgend Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria van Bourgondië en hun kinderen. Omdat veel verhalen mij nu bekend voorkomen kan ik mij verliezen in al die details waar ik zo van houd. Zo werd ik getriggerd door de huisdieren van Margaretha van Male. Zo had zij papegaaien en die associeerde ik niet direct met de Middeleeuwen, maar niets is minder waar. Ik zocht dat even op en in het midden-Nederlands was het pape gaie (gaai van de paap?) en ze waren alom aanwezig aan de hoven in Europa. Die details zijn prachtig maar onherroepelijk word je ook meegezogen in de grote gebeurtenissen van die tijd.

De kruistochten en het verschrikkelijk pak slaag dat Jan zonder Vrees kreeg in Bulgarije. De koppige Fransen die de fiere ridder wilden uithangen en bij Azincourt werden verslagen door de Engelse boogschutters en die later bij Poitiers precies dezelfde fout maakten. De moorden op Lodewijk van Orléans en op Jan zonder Vrees. Het doorlopende politieke spel om de macht en om zo gunstig mogelijke huwelijken en verbintenissen te sluiten. Een opvolger was van levensbelang en het ging zover dat Maria van Bourgondië moest bewijzen dat ze een jongen had gekregen en geen meisje. Dat deed ze;

Zij ontdeed het kind van zijn zwachtels, toonde het midden op de markt naakt aan de samengestroomde menigte en ‘nam sijn cullekens in haer hant’.

Uiterst interessant is het inkijkje in de hofhouding van de vorsten, ofwel het hôtel;

Het hôtel van Isabella van Portugal kende een hoogtepunt rond 1445, toen er sprake was van 25 eredames en samen meer dan 300 personen of 480 monden…Met monden bedoelde men ook de paarden, want die kosten aan onderhoud ongeveer evenveel als een mens.

Die paarden waren voor een vorst van cruciaal belang dus werden ze goed verzorgd. Een detail in een stukje over wijn;

De mindere wijn werd gebruikt om er na een zware rit de poten (sic) van de paarden mee te wassen.

De Bourgondische feesten ontbreken ook in dit boek niet en prachtig is het verhaal waarin Filips de Goede zich verplicht tot een kruistocht door een eed op een goudkleurige, levende fazant. Die kruistocht zou er overigens niet komen. Kortom, de grote lijnen zijn prima te volgen en het is smullen van al die details, ook in de talloze miniaturen die in het boek staan.