archiveren

Nederland

8ec2ca84705d0355974304e7241444341587343
Historicus Fred Jagtenberg heeft twintig jaar gewerkt aan zijn biografie over Willem IV en dat zie je er aan af. Het is niet alleen een kolossaal boekwerk (ruim 800 pagina’s leesvoer, los van het notenapparaat), maar het vertaalt zich ook in talloze uitstapjes, beschrijvingen en citaten.

Daarbij komt dat de hoofdpersoon niet bekend staat om zijn lange, roerige leven (hij werd maar veertig jaar) en dan rijst de vraag of zo’n omvangrijke biografie gerechtvaardigd is. Daar kom ik op terug.

De ondertitel, Stadhouder in roerige tijden klopt natuurlijk. Willem heeft zijn vader nooit gekend en zijn moeder nam de zaken waar tot hij benoemd werd tot Stadhouder. Aanvankelijk eerst in Gelderland en Jagtenberg beschrijft tot in detail wat voor voeten het in aarde had om die benoeming zeker te stellen. De erfopvolging (hij stamde via zijn moeder af van Willem van Oranje) was geen zekerheid, want Engeland en Pruisen aasden ook op de titel ‘Prins van Oranje’, met alle bijbehorende emolumenten.

Willem trouwde met de dochter van de Britse koning George II, Anna van Hannover. Het was een gelukkig huwelijk en ze kregen een dochter en een zoon (naast meerdere miskramen). In 1740 brak de oorlog uit tussen Frankrijk en Oostenrijk en daar kreeg Willem mee te maken. Ook had hij zijn handen vol aan het pachtersoproer van 1748. Zijn zwakke gezondheid hielp niet echt en na een kuur in Aken overleed Willem op jonge leeftijd.

Is dan zo’n dikke biografie zinvol? Ten dele. Als je van geschiedenis houdt zoals ik, dan blijf je lezen. Het boek staat vol met details uit talloze brieven en andere documenten. De uitstapjes naar het gebruik van geheimschrift of de “schuitenpraatjes” (gesprekken in de trekschuit) kunnen mij ook niet lang genoeg zijn. Het mooist vind ik de beschrijvingen uit het dagelijks leven van de bevolking, zoals over de vreugde na Willem’s benoeming tot stadhouder;

‘Een troep jongelingen, waarvan de oudste ontrent twaalf Jaren bereikte, hebbende een van dezelve, die aan ’t hoofd was, een Oranje Vaandeltje, en een ander een Trommel, trokken van daar den 29. April langs den Dyk na de stad Schiedam…’ Een van hen, die ‘door den langen marsch verhit’ in Kethel te snel karnemelk gedronken had, kreeg bij thuiskomst ‘groote pyn in de Ingewanden’. De dokter die hem onderzocht, ‘zeide hem, dat hy ‘er van sterven zoude, waarop hy antwoorde: geen nood! ’t is my genoeg dat de Prins Stadhouder zal zyn, begraaf my maar eerlyk onder de Oranje vlag’.

Dit fragment geeft aan hoe je dit boek leest. Het staat vol met dit soort fragmenten die veel toevoegen, maar waardoor het niet vlot doorleest. Helemaal als je ook het zeer uitgebreide notenapparaat erbij houdt. De conclusie heeft dus twee kanten. Het boek doet recht aan de persoon Willem IV én aan de achttiende eeuw waarin het speelt. Als je geduld hebt en van geschiedenis houdt dan vind je dit, zoals ik, een schitterend boek. Maar ik kan mij ook voorstellen dat, met een strakkere redactie en de helft minder pagina’s, je een groter publiek bereikt. Dan mis je wellicht wel een aantal van Willem’s uitspraken, zoals deze;

‘Vrienden, ick ben oock een inboorling van Nederland en door de voorzienigheyd Gods gesteld aan ’t hoofd der regering’ en in die hoedanigheid zou hij altijd trachten zich naar zijn beste vermogen voor het land in te zetten.

b18c42bbd1a4856593061535877444341587343
De Wereldgeschiedenis van Nederland is een omvangrijk boek van ruim 730 pagina’s, onder redactie van Lex Heerma van Voss, nog vijf anderen en geschreven door meer dan honderd Nederlandse onderzoekers op het gebied van geschiedenis en cultuur. Ze vertellen in 116 essays hoe Nederland invloed heeft gehad op de wereld en hoe buitenlandse invloeden in Nederland terecht zijn gekomen.

Aanvankelijk wist ik niet goed wat ik er van moest denken. Waarom werd dit boek geschreven? Werkt het om aan de hand van zoveel, schijnbare arbitraire, onderwerpen door de geschiedenis van Nederland en de wereld heen te lopen? Heerma van Voss legt uit;

Nog steeds onderzoeken veel Nederlandse historici aspecten van het Nederlandse verleden…Maar ze kijken veel meer dan vroeger naar de manier waarop de Nederlandse geschiedenis beïnvloed is vanuit het buitenland en Nederlandse ontwikkelingen verwikkeld zijn met internationale…Het is niet onze bedoeling om één doorlopende geschiedenis van Nederland te geven…De beschreven gebeurtenissen zijn interessant, dat is de eis die we gesteld hebben.

Een andere kijk op geschiedenis dus aan de hand van een groot aantal verschillende invalshoeken. Beginnend in het jaar 70.000 voor Christus en eindigend in 2017 met de orkaan Irma op Sint Maarten. Voor mij werkt het. Er zitten talloze eye-openers in het boek of verhalen waar ik gewoon niets van af wist.

Een paar voorbeelden dan. Er wordt overtuigend betoogd dat de Nederlandse handelsgeest eerder ontstond in 1700 voor Christus dan in 1700 na Christus. ‘Toen wij nog in berenvellen’ rondliepen, bleken wij al deel uit te maken van een internationaal handelsnetwerk dat reikte tot in het Nabije Oosten. De geschriften van onze bekende rechtsgeleerde Hugo de Groot reikten verder dan ons land. Ze werden vertaald in het Arabisch en in het Urdu. Het is bekend dat Rembrandt van Rijn mensen van Afrikaanse afkomst schilderde, maar hij woonde zelf dicht bij een wijk waar een omvangrijke gemeenschap woonde met mensen uit Nederlands-Brazilië. Ronduit schokkend vond ik het essay over 1777, over het beleid van de VOC ten aanzien van de San in Zuid-Afrika;

Tijdens deze vergadering nemen de raadsleden een catastrofaal besluit: de boeren mogen voortaan elke San die zij tegenkomen zonder aanleiding doodschieten…de San zijn immers nagenoeg dieren, zielloze figuren die je kunt neerknallen, waarop gejaagd kan worden. Maar het raadsbesluit ging nog verder dan dat: naast het vogelvrij verklaren van de San, wordt besloten tot volkerenmoord: ‘dat alle middelen om de Roofzugtige Bosjesmans [en] Hottentotten tot stilstand te brengen, vrugteloos zijn aangewend, heeft men dierhalve moeten besluijten, om […] dezelve door sterkere Commando’s te doen attacqueeren, en langs dien weg uijt te roeijen.’

De donkere kanten van onze geschiedenis wordt niet gemeden, zoals ook bij de politionele acties in Nederlands-Indië wordt beschreven. Donkere kanten, maar er is ook veel te leren. Het verhaal van Hans Brinker (u weet wel, met die vinger in de dijk) blijkt zo Amerikaans als wat en hij heet ook al geen Hans Brinker. Het boeiende verhaal van Anthony Fokker en hoe Lindbergh hem aftroefde, internationale kennis in een kuipje margarine van Unilever, Amsterdammers die Duitsers kraakles geven en ga zo maar door. Je valt van het ene onderwerp in het andere. Arbitrair wellicht, nooit saai. Je kan hoogstens betogen dat de onderwerpen wat evenwichtiger over de jaren verdeeld hadden kunnen worden. Sommige jaren krijgen twee onderwerpen, terwijl de laatste 25 jaar afgedaan wordt met drie essays. Het is maar een kanttekening in een zeer lezenswaardig boek, al is het maar om dit soort fragmenten, over de oprichting van de firma Conimex;

Zelfs binnen Conimex bleef Indonesië vaak op afstand. Zo stelde mede-oprichter Fons Sternenberg bij zijn pensioen in 1972 opgewekt dat hij misschien voor het eerst van zijn leven naar de archipel zou gaan: ‘Kijken hoe het daar smaakt.’

b18c42bbd1a4856593061535877444341587343
Musch van Jean-Marc van Tol is het eerste deel van wat een trilogie moet worden over het leven van Johan de Witt. Deel 1 is 500 pagina’s dik en wordt verteld via de fictieve memoires van Cornelis Musch, de griffier van de Staten-Generaal in de periode 1628 tot 1650.

De memoires van Musch worden afgewisseld en ingekleurd door het leven van de gebroeders De Witt. De jongste, Johan is advocaat bij het Hof van Holland én wiskundige en zijn oudere broer Cornelis is schepen van Dordrecht. Op een dag wordt hun vader, oud-burgemeester van Dordrecht, samen met andere bestuurders gevangen gezet op Slot Loevestein door de Stadhouder Willem II. Tegelijkertijd pleegt deze met zijn neef, graaf Willem-Frederik van Nassau-Dietz een aanval op Amsterdam, die jammerlijk mislukt omdat een deel van de troepen in het slechte weer op de heide verdwaalt.

Die aanval was Willem II ingefluisterd door Musch vanwege onenigheid over het afbreken van de Tachtigjarige Oorlog. Sommigen varen nu eenmaal beter bij ellende en Musch was er zo één. Hij was getrouwd met de dochter van Jacob Cats, dichter en raadspensionaris van Holland. Verder was Musch hopeloos corrupt en belust op macht;

Het ging mij nooit om status. Ik streefde altijd naar hogere doelen. Rijkdom was slechts bijvangst; macht, werkelijke macht, dát was mijn streven. En met een raadspensionaris als schoonvader en een onervaren prins die mijn advies in alles volgde, was ik niet alleen de rijkste maar ook de machtigste inwoner van Den Haag. Nee, van de Republiek. En daarmee, waarschijnlijk, van de wereld.

Hoe het afloopt met Musch geef ik niet weg, dat doet hij zelf al vrij snel, maar hij vertelt vooral het verhaal van de aanval op Amsterdam en van de intriges in en om het hof. Het boek is een afwisseling van de memoires van Musch, brieven en dagboeken van regenten en zelfs gedichten van Cats. Dat maakt het een erg afwisselend boek. Zo staan er delen in uit een zogenaamd blauwboekje, een pamflet om mensen te informeren of te overtuigen, in dit geval een samenspraak tussen vier mensen over wat er is voorgevallen tussen Willem II en de stad Amsterdam;

AMSTERDAMMER: ‘Waren onze heren van Amsterdam niet ontboden om diezelfde morgen bij Zijne Hoogheid te komen?’
BODE: “Neen, niet dat ik weet. De heren van Amsterdam waren vroeg bij het Hof gekomen. De heer Cats…was nog boven bij Zijne Hoogheid. Ze wachtten, terwijl het regende, onder de galerij op het Binnenhof en gingen daarna, nadat de heer Cats weer van boven was gekomen, naar de vergadering. Toen hoorden ze van de arrestatie. De heer Cats zei dat Zijne Hoogheid er niet aan twijfelde dat de troepen onder leiding van Zijne Excellentie graaf Willem Frederik, stadhouder van Friesland, reeds binnen Amsterdam waren.’
BURGER: ‘Dus de heer Cats deelde mee wat Zijne Hoogheid hem gezegd had?’
BODE: ‘Ja, in goed vertrouwen. Dat had Zijne Hoogheid ook van hem verlangd. Maar hij was zo geëxalteerd, wat niet verwonderlijk is, dat hij nauwelijks uit zijn woorden kon komen.’
WAARD: ‘Dat kan men zich waarachtig wel voorstellen.’

Een levendig stuk geschiedenis dus, origineel en afwisselend verteld. Illustere figuren uit de geschiedenis als de gebroeders De Witt, Jacob Cats, Frans Banninck Cock en Nicolaes Tulp (u weet wel, geschilderd door Rembrandt), Hugo de Groot, Johan van Oldebarnevelt, Christiaan Huygens, ze komen allemaal voorbij en de meesten tot leven (Van Oldebarnevelt was al onthoofd). Ik heb in recensies gelezen dat er wel heel veel personen voorbij kwamen, maar ik heb dat geen enkel moment als bezwaar gezien. Het verhaal is prima te volgen en anders staat er achterin het boek een volledige lijst met alle Dramatis personae. Overigens is het boek prachtig uitgegeven, maar leg de omslag even weg tijdens het lezen, die schijnt af te geven…Ik kijk uit naar deel 2.

73bc2e9a5797542596e63327141444341587343
Zeker had ik van Jacob van Lennep gehoord, als schrijver in ieder geval en omdat een straat hierachter naar hem is vernoemd én ik associeerde hem met een flinke wandeltocht. Dat klopt, maar er is zoveel meer en Marita Mathijsen legt dit allemaal uit in zijn biografie Een bezielde schavuit.

De man leefde van 1802 tot 1868 en heeft een groot stempel gedrukt op de Amsterdamse én Nederlandse samenleving van de 19e eeuw. Hij was advocaat, politicus, romanschrijver, dichter, toneelschrijver, historicus, editeur, taalkundige en beschermer van oudheden. Hij stond aan de basis van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, de verbetering van het Nederlands toneel, het Vondel- én het Rembrandtstandbeeld, het behoud van de Ridderzaal, schoon drinkwater in Amsterdam, het Amstel Hotel, het Noordzeekanaal, de uitgave van Max Havelaar én de bescherming van oudheden in Nederland.

Zo begon het echter niet. Van Lennep stond in zijn studententijd onder invloed van de ‘dompers’ Bilderdijk en Da Costa. Streng gelovig en ver verwijderd van de zelfbewuste man die hij zou worden. Dat stelt de auteur ook voor een probleem;

Ikzelf althans heb er moeite mee Van Lennep te portretteren als iemand die werkelijk punnikte aan de pre-destinatiegedachte en gebukt ging onder religieus schuldbesef. Ik zie liever de vrolijke frans, de schaterlachende verteller, de plannenmaker, de oprichter van monumenten, de editeur van Vondel, de monumentenbeschermer, de helper van mensen in nood, en ook de vrouwenjager is me lief.

Van Lennep verloor al jong zijn moeder en dat zou volgens de biograaf een thema in zijn leven blijven. Vrouwenjager was hij ook en hij wordt met 20 jaar al vader van een dochter. Hij zal haar erkennen maar het wordt nooit bekend wie de moeder is. Hij trouwt en zal één dochter en vijf zonen krijgen.

Dat van die wandeltocht klopt, hij maakt met een vriend een voetreis door Nederland. Daarna gaat hij schrijven en publiceert hij romantische gedichten en dito verhalen. Zijn vader is hij opgevolgd als rijksadvocaat, een beroep dat hij tot zijn dood zal uitoefenen. Hij tracht uit zijn huwelijk te breken door met ene Doortje Ringeling naar Engeland te vluchten maar zijn vader belet hem dat. Hij keert terug bij zijn vrouw en Doortje stierf alleen. Dat leidde overigens tot een mooie reactie van een familielid van Doortje op het blog van de auteur.

Het boek geeft een razend interessante inkijk in de 19e eeuw en zijn moraal. De boeken die Van Lennep publiceert worden niet allemaal even goed ontvangen. Hij krijgt een lading kritiek als hij de Vaderlandse geschiedenis met enige humor en illustraties uitgeeft. De wereld was nog niet klaar voor een fragment als dit:

De moord op graaf Floris I wordt gadegeslagen door de keukenmeid die het zonde vindt dat de moordenaar de man in bed doodsteekt door het beddengoed heen:

“Och, meneer! – sprak de meid – wat een zunde veur die mooie noppiesdeken!”
“Hoû je stil, ouê Trijn! dat is gestopt met drie steken.”

De auteur geeft in de epiloog aan dat het een enorme klus is geweest om research voor dit boek te doen, juist omdat er zoveel bewaard is gebleven. Talloze brieven, zijn Vondel-project, rechtbankverslagen, zijn complete oeuvre, vergaderverslagen uit de Tweede kamer en al die instituten waarbij hij betrokken was. Gelukkig is dat wel gebeurd want al die fragmenten vormen de meerwaarde van dit boek. Je bent er zelf bij, zoals bij de verwikkelingen over de grondwetswijziging. Van Lennep uitte kritiek op die wijzigingen met het argument dat de Amsterdamse bevolking daar helemaal niet achter stond. Dat leverde hem de volgende schrobbering op van het Algemeen Handelsblad:

Waarlijk, Mijnheer Van Lennep, nu maakt gij het wat al te bont: Uw brief aan Mr. D. Donker Curtius loopt de spuigaten uit, en gelijk gij durft te veronderstellen, dat de commissie van herziening eenige artikelen der grondwet na den eten of ’s morgens heel vroeg in een uur van slaperigheid zou hebben opgesteld, komen wij tot de stellige overtuiging, dat gij in eene bui van groote opgewondenheid, welligt na een of ander souper, u aan het schrijven hebt gezet, en al schrijvende zulk een welbehagen in u zelven gekregen hebt, dat gij niet kondet uitscheiden, maar u op het laatst wel moest verbeelden, dat gij de ziel waart, zoo niet van het geheele land, dan toch van Amsterdam […]. Waart gij het verzenmaken of romanschrijven beû, gelijk u zeker de rijksbelastingzaken reeds lang de keel uithangen, welnu, goed, bemoei u dan ook eens met andere rijksbelangen dan die van de belasting; maar bemoei u dan alleen met de landstaal: daar zijt gij in uw element.

Die kon hij in zijn zak steken. Het boek staat vol met zulke fragmenten, evenals met prachtige illustraties over de hoofdpersonen en uitgaven van zijn werk. De genoemde epiloog is een mooie afsluiter van dit boek, waarin Mathijsen aangeeft dat ze drie draden heeft proberen te vervlechten tot één draad; de zoektocht naar de moeder, het werken aan maatschappelijke vooruitgang en bekommernis om zwakken. Daarin moest de vreemde tweespalt in zijn karakter ook een plaats krijgen, de religieuze tobber uit zijn vroege jaren en de gedreven en maatschappelijk betrokken burger uit zij latere jaren. Het heeft mij mateloos geboeid.

FullSizeRender (002)
En dan ligt er een boek voor je van meer dan 5 kilo, een prachtcadeau van mijn lief. Dutch Mountains van Peter Voskuil. Volgens eigen zeggen Het ultieme standaardwerk over de Nederlandse platenindustrie. Ik houd niet zo van die zelfverheerlijkende titels maar…in dit geval ga ik hier in mee, want wat een schitterend boek is dit.

Ruim 700 pagina’s geschiedenis, heden en een vooruitblik over alles wat met muziek en de platenindustrie te maken heeft. In Nederland, maar ook daarbuiten, want die fonograaf hebben we nu eenmaal niet zelf uitgevonden. Chronologisch gezien hoef ik het niet helemaal na te vertellen, maar het begint in 1878 met het kermiswonder van dat wonderlijke apparaat waarmee goochelaar en illusionist Maju het land doortrekt. Het boek eindigt in 2015, waarin streamingdiensten van muziek gemeengoed zijn en het hele verdienmodel opnieuw uitgevonden moest worden.

Het is een schat aan informatie met talloze eye-openers (althans, voor mij). Dat varieert van het krijgen van inzicht in opnametechnieken tot het belang van bepaalde opnames uit heden en verleden. “Ouwe Taaie” van Eddy Christiani was tot voor kort een wat belegen liedje uit een ver verleden, maar ik wist niet dat het in feite een regelrechte protestsong was in een tijd van oorlog. Je kijkt er meteen anders tegenaan.

Je leest over de opkomst en ondergang van labels en maatschappijen en wat er voor nodig is om een hit te maken. Zo was het personeel van het later zo grote Decca-label ooit afhankelijk van de stoom van de wasserij op de begane grond om hun platen te persen.

De Nederpop ontstaat ironisch genoeg bij indo-bands als de Tielman Brothers, maar ook het levenslied gooit hoge ogen. Willy Alberti komt voort uit de Jordaan-gekte en zorgt met zijn hitsingle Marina voor de allereerste Nederlandse notering ooit in de Amerikaanse Billboard Top 100 (plaats 42). Den Haag als beatstad wordt uitgebreid beschreven en met name de capriolen in de studio’s, met alsmaar meer mogelijkheden, zijn prachtig om te lezen. Zo gaat het er aan toe, als Peter Koelewijn een single produceert van Q65;

Technicus van dienst die middag is de jonge Jan Audier. “De eerste keer dat ze gingen spelen, schrok ik me de pleuris”, herinnert hij zich. “Die meters lagen stijf in de rechterhoek in het rood, zo’n herrie was het. Toen heb ik een black out gehad. Ik dacht: hoe krijg ik die meters in godsnaam uit de hoek? Ik wilde niet afgaan.”
“Waar gaat die tekst eigenlijk over?” vraagt technicus Jan Audier als hij zijn black out weer enigszins te boven is. Audier spreekt redelijk goed Engels, maar verstaat er geen snars van. “Ik zal ’s gaan luisteren”, antwoordt Koelewijn. Hij gaat naast Bieler staan tijdens het inzingen, maar krijgt er ook geen hoogte van. Ze laten het maar zo.

Het is pionieren en je krijgt een goed inzicht in wie welke rol heeft gespeeld. Peter Koelwijn en Pierre Kartner blijken producers van formaat. Willem van Kooten is in de gehele geschiedenis alom aanwezig en Willem Duys had veel invloed.

De rol van het uitzendschip Veronica en later Radio Noordzee was ook van groot belang. Het waren elkaars concurrenten en dat ging zo ver dat de eigenaar van Veronica een bomaanslag pleegde op Radio Noordzee. Belangrijker was de uitvinding van de Top 40 en de invloed op de industrie. Er was sprake van manipulatie van de Top 40 en van payola, zeg maar omkoperij van disc-jockeys en andere belanghebbenden. Ik had er wel eens van gehoord, maar dat er voor Nederlandse concerns ook rechtstreeks zaken werd gedaan met de Amerikaanse maffia, was nieuw voor me. Inkoper Juan da Silva dobbelt zelfs over partijen van 20.000 lp’s, die bij de Free Record Shop in de bak ‘drie voor een tientje’ terecht komen.

De Free Record Shop wordt groot met parallelimport en kan zo goedkoop platen leveren. Dat brengt een hoop beroering in de industrie en één van degenen die er goed op weet in te spelen is de latere LPF-minister Herman Heinsbroek. Hij ziet het belang van een goede back-cataloque en het maken van compilatie-platen. Mensen betalen graag voor alle hits achter elkaar in plaats van een album met maar één of twee hits.

De ontwikkelingen gaan razendsnel en het wordt allemaal helder uitgelegd, compleet met grafieken en cijfers. De Palingsound, de opkomst van de cd en dvd en later de streamingdiensten, het staat er allemaal in. Door het hele boek staan aparte katernen waarin de totstandkoming van belangrijke Nederlandse platen wordt toegelicht. Maar het mooiste vind ik de talloze weetjes uit de praktijk, waardoor je muziek opnieuw gaat beleven of met andere ogen zien, of die ik gewoon wil weten als muziekliefhebber. Een paar dan;

– Hennie Huisman drumt helemaal niet op de opname van de hitsingel “House for Sale”  van de band Lucifer
– Frank Sinatra had bijna “In ’t kleine café aan de haven” gecovered, althans als het aan zijn producer had gelegen
– de moeder van Herman Heinsbroek heeft mijn “guilty pleasure” lp van Frankie Laine samengesteld (die kende ik als jongeling al van buiten en zijn moeder bleek groot fan, het was de enige compilatie die Heinsbroek niet zelf samenstelde)
– de hit “This is the moment” van René Froger lag klaar op de planken voor Whitney
Houston, maar die had net iets vergelijkbaars uitgebracht dus wilde hem niet.

Dat was nog in de tijd van lp’s en cd’s, maar het boek sluit af in de periode van streamingdienst en iTunes. Maarten Steinkamp, head of continental Europe van Sony/BMG;

“Ineens kon je muziek per track kopen. Dat is een game-changer van jewelste geweest. Als voor die tijd een single een succes werd, persten we die single bijvoorbeeld niet meer bij. Die trokken we dan van de markt af met het verhaal dat de single uitverkocht was. Dan moesten de mensen het album kopen om dat nummer toch te krijgen.”

Een verhelderend boek dus, groot en zwaar, maar daardoor ook met prachtige foto’s. Wat mij betreft een absolute aanrader voor iedere muziekliefhebber.

9044634674.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Frits van Oostrom heeft met Nobel Streven het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode verteld. Dat is meteen de ondertitel van het boek, die ik een tikje hysterisch vond en nog steeds vind, maar ik werd er wel door aangespoord om de achterkant te lezen én het boek aan te schaffen…

Jan van Brederode maakte deel uit van een roemrucht geslacht wat verweven is met de Nederlandse geschiedenis. Omdat zijn oudste broer het klooster in ging werd Jan de heer Van Brederode in het graafschap Holland. Hij vocht tegen de Friezen en werd commandant in Staveren. Door zijn huwelijk met Johanna van Abcoude werden de bezittingen uitgebreid en het vermogen vergroot. Het huwelijk bleef kinderloos, wat een reden zou kunnen zijn voor zijn pelgrimstocht naar Ierland. Omdat het land werd verscheurd door Hoekse en Kabeljauwse twisten én de Arkelse oorlogen, werd het slot van Van Brederode verwoest en raakte hij in financiële problemen.

Hij en zijn vrouw Johanna besloten om in te treden in het klooster. Die keuze was nogal radicaal. Van krijgsheer tot kartuizer, Van Oostrom beschrijft het treffend;

Dit werd nu Jan van Brederodes leven…Geen kasteel meer maar één kamertje. Geen personeel om te bevelen; hij werd nu zelf bediende. In plaats van lange adellijke lokken, helemaal kaal en met een baard…Geen handschoenen maar blote handen, geen laarzen maar sandalen, en van luxe kledij naar alle dagen in hetzelfde habijt.

Van Brederode werd er schrijver en zou de tekst van een Frans biechtboek, La Somme le Roi, (Des coninx summegrotendeels in het Nederlands vertalen. Hij liet het klooster en de vertaling voor wat het was toen er een mooie erfenis in de familie daagde en zijn opvolger, broer Walraven in het gevang zat. Overigens had die uittreding erg veel voeten in de aarde, iets dat prachtig wordt beschreven in dit boek. Hij trachtte vervolgens zijn vrouw uit haar klooster bij Wijk bij Duurstede te ontvoeren, maar dat mislukte. Jan van Brederode werd gevangen gezet. Na zijn vrijlating was hij heer af en trok hij als huurling naar Frankrijk, waar hij uiteindelijk sneuvelde in de slag bij Azincourt. Aan welke zijde, de Franse of de Engelse, dat is onbekend maar de auteur bespreekt dit uitgebreid en maakt aannemelijk dat dit aan de verliezende Franse zijde is geweest.

Wat maakt dit boek zo bijzonder? Meerdere zaken. Allereerst het taalgebruik. De ondertitel geeft het al aan, het mag allemaal wetenschappelijk onderbouwd zijn, het wordt allemaal zeer toegankelijk opgeschreven. Over Engelse boogschutters;

…zullen deze Engelsen ternauwernood hebben geweten waar ze waren en waarom het ging. Laat staan dat ze Woudrichem konden uitspreken.

Vervolgens de wetenschappelijke onderbouwing; de auteur gaat na de dood van Jan van Brederode nog een paar hoofdstukken door, waarin wordt ingegaan op het boek zelf en hoe dit tot stand kwam. Uitermate boeiend en verhelderend. De auteur;

Hetgeen bijvoorbeeld impliceert: durven veronderstellen dat Jans gang naar de kartuis Zelem (mede) bedoeld was om ruimte te maken voor Walraven als nieuwe heer van Brederode…Of (re)construeren dat Jans tweede Engelse koningsoorkonde kan zijn voortgevloeid uit deelname aan zijn priors visitatie van de kartuis in Londen…Maar een kaartenhuis blijft het. Of met een ander beeld: dit boek is als een gobelin dat aan de voorzijde een rijk geweven panorama biedt, maar aan de achterzijde tal van stopgaatjes vertoont.

Tenslotte; het bredere perspectief. Het geslacht Van Brederode wordt uitgebreid in kaart gebracht (uiteraard met stamboom in het boek) en de verwevenheid met de Nederlandse geschiedenis daarmee ook. Ik vond het mooi om te lezen wat zich in het gebied waar ik zelf woon heeft afgespeeld in de middeleeuwen en ik moet dat praalgraf van de familie in Vianen maar eens gaan bezichtigen. Voetnoten staan er niet in het boek, er wordt verwezen naar een website die bol staat van de informatie en waar de liefhebber nog even voort kan met zich te verdiepen in de wereld van Van Brederode.

940040753X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De eerste wandelaar van Flip van Doorn sprak mij, voordat ik een letter in het boek had gelezen, om een aantal zaken aan. De heldere kaft met uitnodigende duinweg om te beginnen. Ik zou er willen lopen. De titel. Ik houd van wandelen dus ik ben benieuwd naar wie die eerste wandelaar was. Tenslotte de tekst op de achterkant. Wandelen door een veranderend Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw. Als liefhebber van geschiedenis kon ik het niet laten liggen.

Wie was die eerste wandelaar? Dat was de doopsgezinde predikant Jacobus Craandijk (1834-1912). Deze heer had behoorlijk wat vrije tijd omhanden en begon deze te vullen met wandeltochten. Hij was ook een verteller en hij begon zijn observaties te noteren. Dat leidde uiteindelijk tot acht delen met de titel Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Ook met potlood, want hoewel hij zelf verdienstelijk tekende, worden de delen opgesierd met prachtige illustraties van Piet Schipperus.

De auteur is nauw bij de hoofdpersoon betrokken want het is een achterneef van de dominee. Omdat Van Doorn ook een fervent wandelaar is, probeert hij Craandijk zo dicht mogelijk te benaderen door zijn tochten deels na te lopen, maar ook door te gaan zwerven. Dat levert een erg fijn boek op.

Het boek is verdeeld in verschillende regio’s, zoals Gooi- en Eemland, Het Groene Hart, Kennemerland, Utrecht en Zuid-Holland, Friesland, Achterhoek-Twente, Drenthe en Groningen en Limburg – Noord-Brabant-Zeeland. Die regio’s waren niet allemaal even makkelijk te bereiken vroeger;

Nog een flink stuk lopen voorbij het eind der aarde komt hij ten slotte bij twee boerderijen. Alleen dwars door de weilanden zijn ze bereikbaar. Gewend als hij is zich over land te verplaatsen, beschouwt de dominee de nederzetting met het oog van de wandelaar. ‘Hoe afgezonderd van de wereld liggen deze beide plaatsen, door twee broeders met hun gezinnen bewoond. Wat krijgen zij hier te zien, wat te hooren van wat daar omgaat in die woelige wereld daarbuiten! Nooit komt hier iemand voorbij; het naaste dorp is minstens een uur veraf, en dat dorp is het zelfs reeds zo afgelegen Oudega…’

Toch beweegt Craandijk zich in een snel veranderende wereld. Industrialisatie, spoorlijnen, de auto en fotografie. Hij is zeker geen tegenstander van die vooruitgang, hoewel hij ook de geschiedenis van zijn land koestert. De auteur maakt daar gebruik van door zinvolle uitstapjes te maken naar het ontstaan van verenigingen als Natuurmonumenten of door stil te staan bij de beroemde familie Zocher, die zo belangrijk was voor de vormgeving van een deel van ons land.

Het boek nodigt uit tot wandelen. Het is prettig leesbaar en voor de geïnteresseerden is er een mooie site in het leven geroepen, via welke de volledige teksten van Craandijk’s boeken te raadplegen zijn. Die teksten komen samen in dit boek, maar eigenlijk in één zin op de achterkant die mij zo aansprak, dat ik het boek niet kon laten liggen;

Laverend tussen vooruitgangsoptimisme en nostalgie, beschreef hij in meanderend proza een snel veranderende samenleving.

Ik meanderde zo’n 450 pagina’s mee en dat beviel mij heel best.