archiveren

Geschiedenis

9048827655.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik was niet van plan een boek te kopen. Maar ik was wel in een boekhandel…Ik zag dit boek liggen, Duitsland Biografie van een natie van Neil MacGregor, ik begon te bladeren en kon het niet meer wegleggen. U begrijpt, pure overmacht.

Toch twijfelde ik wel. Goed 550 pagina’s, erg veel foto’s en illustraties en geschreven door een Engelsman, zij het voormalig directeur van het British Museum. Ook kon ik zo snel geen chronologische lijn ontdekken in het boek, dus wat had ik nu hier in handen? Ik besloot toch tot aankoop (€ 20,- leek niet veel) en werd voor de kassa aangesproken door een enthousiaste jongeman die aangaf dat ik een heel goed boek in handen had.

Nu is dat altijd heel subjectief maar het moet gezegd, ik heb het met erg veel plezier gelezen. Dat gebrek aan chronologie wordt goedgemaakt door een heldere indeling in onderwerpen. Het boek bestaat uit delen, zoals Waar ligt Duitsland?, Duitsland verbeeld, Het hardnekkige verleden, Made in Germany en Leven met de geschiedenis. Vervolgens word je aan de hand van praktijkvoorbeelden die voor iedereen herkenbaar zijn door de geschiedenis geloodst.

Allereerst wordt duidelijk gemaakt dat “De geschiedenis van Duitsland” niet bestaat. Door de talloze Duitse vorstendommen en deelstaten zijn er talloze geschiedenissen. Er komt pas een beetje lijn in na de samensmeding van die lappendeken door Bismarck in 1871. Daarvoor was er maar een vaag gevoel van een gemeenschappelijk doel;

Wel zijn er veel breed gedeelde herinneringen aan wat Duitsers hebben gedaan en ervaren. Die herinneringen oproepen en op een deel ervan nader ingaan is de bedoeling van dit boek.

Dat gebeurt door een breed scala van onderwerpen te beschrijven. Zo wordt duidelijk wat het belang was van de Lutherse vertaling van de bijbel. Die kon ineens gelezen worden in de taal van de straat. In het hoofdstuk Duitsland verbeeld worden de wouden beschreven, de monumenten zoals het ongemakkelijk megalomane beeld Het Hermannsdenkmal in het Teutoburgerwald, het Walhalla met de bustes van alle belangrijke Duitsers (ruim genomen, Duits sprekend was al voldoende) en de Faust van Goethe. Maar ook de verscheidenheid aan bier en worst wordt uitgebreid beschreven.

Ik heb echt teveel aan notities om ze allemaal te beschrijven, maar interessant was het deel over Karel de Grote of Charlemagne, Duitser of Fransman? Dit hoofdstuk geeft goed weer hoe lastig gebiedsbepaling en nationaliteit soms ligt. De man wordt door beide landen geclaimd als groot landgenoot. Dat loopt ook door het hele boek heen. Waar liggen de grenzen precies?

Ik heb (nader) kennis gemaakt met de houtsnijder Tilman Riemenschneider, aangehaald door Thomas Mann in zijn speech in de Library of Congress. Grootheden als Goethe, Dürer (maakte zich druk om schending van zijn logo), Kollwitz en fenomenen als het Bauhaus en het Wirtschaftswunder hebben wat minder geheimen voor mij.

Wat zo goed is aan dit boek is dat alles met elkaar in verband wordt gebracht. Als het beklemmende logo op het hek van Buchenwald wordt beschreven “Jedem das seine”, wordt terugverwezen naar het Bauhaus, want de letters zijn niet voor niets in die stijl geplaatst. Maar ook wordt verder verwezen naar Johann Sebastian Bach, die een cantate schreef met die titel. Zo zijn er talloze verwijzingen in dit boek. Er zijn ook erg veel illustraties maar ik vind dat een pré. Ik was door de beschrijvingen zo vaak benieuwd naar de afbeelding (een porseleinen neushoorn bijvoorbeeld), maar ik weet dat die afbeelding verderop komt. Voor in het boek zijn ook acht duidelijke kaarten opgenomen van Duitsland door de eeuwen heen.

Het is niet alleen achteromkijken in dit boek. De lijnen met het heden liggen er. Er zijn verwijzingen naar de oude Hanzesteden op de nummerborden in Hamburg en in de naam Lufthansa. De erfopvolger van Bauhaus, waar voor een groot publiek duurzaam geproduceerd wordt, is IKEA. Ook de omgang van Duitsland met zijn bezwaard verleden is indrukwekkend. Het land is opgebouwd (wat een rol voor de Trümmerfrauen, die dit vaak steen voor steen deden), maar loopt niet weg voor het verleden. Gebouwen zijn bewust in beschadigde toestand gelaten, in de Reichstag zijn, vaak keiharde, teksten van de Russische overwinnaars bewust zichtbaar gelaten en niemand kan om het Holocaust Monument in Berlijn heen. Eén van de mooiste is de Engel van Barlach;

De figuur hangt boven een doopvont, het traditionele christelijke symbool voor vergiffenis van zonden en nieuw leven…De lippen van de engel zijn gesloten, geluidloos. Hier is de oorlog naar binnen gekeerd. Afgrijzen en angst komen des te harder aan doordat ze niet worden verwoord…Barlach zelf heeft gezegd dat dat ongeveer de manier is waarop we de oorlog moeten beschouwen: Erinnerung und innere Schau.

Er zit nog een prachtig verhaal vast aan deze engel zoals er talloze staan in dit boek, maar lees dat vooral zelf. Ik zou het ook niet op E-reader lezen want de foto’s en illustraties zijn prachtig en paginagroot soms. Voor die twee tientjes heb je een prima naslagwerk in huis.

Vertaling; Pon Ruiter

Advertenties

8203a486aacd1a3597467716f77444341587343
Er is een beroepsgroep waarin ik mij nog niet verdiepte, maar die wel mijn warme belangstelling geniet; de Viking. Toen ik het boek Noormannen van John Haywood zag liggen moest het gekocht én direct gelezen worden.

Goed 400 pagina’s en een ware stortvloed van informatie. Ieder hoofdstuk beschrijft de Viking in een ander deel van Europa, Azië én Noord-Amerika. Ook de oorsprong, de Godenwereld en hun scheepsbouw komen uitgebreid aan bod. Om direct maar een mythe te ontkrachten, een Viking had geen gehoornde helm. Beetje jammer vond ik het.

Nu wist ik dat de Vikingen behoorlijk huis hielden in Europa, maar het is fascinerend om te lezen hoe ze aan de wieg van het huidige Rusland stonden. Dat ze deelnamen aan kruistochten. Hoe ze steeds verder naar het Westen trokken en uiteindelijk in Noord-Amerika belandden. Dat ze niet op grondgebied uit waren, maar voornamelijk op buit. Dat ze toch nederzettingen bouwden in Engeland en in sommige gebieden een enorme genetische erfenis achterlieten. Dat ze op soms erg onwaarschijnlijke plekken toch opdoken;

In de loop van hun expedities naar Iberia hebben Vikingen misschien per toeval het eiland Madeira ontdekt. Het bewijs hiervoor komt van een ongebruikelijke bron: het DNA van huismuizen van Madeira. Dit geeft aan dat ze, waarschijnlijk als verstekelingen, ergens tussen 900-1050 geïntroduceerd werden op het destijds onbewoonde eiland.

Ik smul van zulke feiten. Ook Dorestad ontbreekt niet. Zwaar geplunderd, maar Dorestad profiteerde wellicht ook van de Vikingrooftochten;

Het is heel goed mogelijk dat Dorestad indirect profiteerde van Vikingrooftochten elders. Terwijl rijkdom terugvloeide naar Scandinavië vanuit West-Europa, stimuleerde dit de handel waarmee het ruimschoots compenseerde voor de schade die Dorestad zelf was toegebracht; de Vikingen waren grote herverdelers van rijkdom.

Omdat Vikingen niet bekend staan om hun geletterdheid, zijn we afhankelijk van opgravingen, mythen en legenden, geschiedschrijvers en verslagen van bezoekers, zoals de Arabier Ahmed ibn Fadla. Hij schreef een indrukwekkend verslag van een begrafenisritueel, waarbij een slavenmeisje geofferd werd.

Ik ben mijn aantekeningen aan het doornemen en het zijn er teveel. Ik weet nu hoe Groenland aan zijn naam komt, ik weet dat tot het Christendom bekeerde Vikingen er geen been in zagen om anderen met grof geweld ook te bekeren. Uiteindelijk verdwijnen de Vikingen van het toneel;

Aan het begin van het Vikingtijdperk waren de Scandinaviërs nog steeds prehistorische, heidense barbaren; tegen het einde ervan waren ze volledig geïntegreerd in de culturele hoofdstroom van rooms-katholiek christelijk Europa. Ondanks al hun energie en agressie scandinaviseerden de Vikingen Europa niet; Europa europeaniseerde de Vikingen.

Ondanks de stortvloed van informatie (de opvolgingen buitelen over elkaar heen als er weer eens een Viking naar het Walhalla vertrekt) is het een prima leesbaar boek. De overzichtskaarten met hun reizen helpen erg en achter in het boek staan alle Vikingkoningen en -heersers nog eens op een rij, met illustere namen als Erik Bloedbijl, Thorfinn Schedelsplijter, Harald Blauwtand en Magnus Blootvoet.

Nabrander: het is altijd leuk om, als je zo’n boek hebt gelezen, twee dagen erna een bericht te lezen over de vondst van een Viking-zwaard. Uitzonderlijk goed geconserveerd en op 1640 meter hoogte gevonden in Noorwegen. Lees hier het verhaal.

Vertaling; Henk Hardeman

9400402848.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Metronome van Lorànt Deutsch is een boek over Parijs door de eeuwen heen. Vanaf de eerste nederzetting tot aan de bouw van de moderne wij La Défense. Deutsch doet dat aan de hand van de namen van verschillende Parijse metrostations. Velen hebben ze wel gezien, maar wie of wat zit er achter namen als Invalides, Châtelet, Etienne Marcel? Een originele invalshoek, hoewel ik de titel er dan weer een beetje bijgesleept vind. De auteur;

Mijn boek wil in zekere zin een instrument zijn dat de maat tikt en de tijd ritme geeft.

Hij had het iedere andere titel mee kunnen geven maar hier stopt dan ook alle kritiek van mijn kant. Wat rest is een prachtig boek van bijna 400 pagina’s dat ik in één adem uit las. Wat een rijkdom aan feiten en wetenswaardigheden. Het begint al bij de eerste nederzetting, waarvan ik dacht dat het op het eilandje in de Seine was gebouwd, het Île de la Cité. Fout! De eerst nederzetting ontstond verderop, bij het huidige Nanterre, in de westelijke banlieue van Parijs. De Romeinen gingen op het eilandje bouwen, waaronder natuurlijk een arena. Deutsch geeft haarfijn aan waar deze heeft gelegen in het huidige Parijs. Gevochten werd er, tegen de Galliërs en de Romeinen waren onder de indruk van hun onverschrokkenheid. Ze doopten het strijdtoneel “Het terrein van Mars” en zo heet het nog steeds. Ik wist niet dat er onder de Eiffeltoren resten lagen van Gallische strijders.

En zo gaan we door de eeuwen heen. Na de Romeinen kwamen de Franken en er ontstaat een constante strijd over het groeiende Parijs en de overige rijksdelen. Deutsch vertelt met vaart en humor over de politieke situatie, maar ook over het ontstaan van monumenten als de kerk Saint-Germain-des-Prés. De Vikingen proberen Parijs in te nemen maar dat valt ze vies tegen. Het wordt zelfs zo gek dat ze wel Frankrijk verder in trekken, maar op de terugweg hun boten aan wal trekken en ermee om Parijs heen lopen!

Onder Filips II bloeit Parijs op, maar deze neemt al wel op zeventienjarige leeftijd keiharde maatregelen tegen de Joden. De Hallen worden aangelegd en Deutsch vertelt en passant ook meteen hoe ze weer verdwenen. Van nog veel meer zaken vertelt hij wat er nog van te zien is en dat is meteen de grote kracht van dit boek, Je wordt mee de geschiedenis in genomen, je leest bijvoorbeeld over de moord op Lodewijk van Orléans;

Hij heeft geen tijd om verder nog iets te zeggen. Hij wordt uit het zadel getrokken, valt op zijn knieën, probeert weer op te staan, maar wordt met bijlen, zwaarden en knuppels doodgeslagen.

Spannend, maar Deutsch gaat vervolgens verder in een omkaderde tekst;

Waar werd hertog Lodewijk van Orléans vermoord?

Al is er niets over van hôtel Barbette, zoals ik al zei, het steegje dat naar de zij-ingang leidde is er nog altijd. In deze impasse des Arbalétriers, ter hoogte van de rue des Francs-Bourgeois 38, is de misdaad gepleegd.

Ik ren dan meteen naar de computer om het op te zoeken, het was dus hier. Zo trekt hij voortdurend zijn geschiedenisverhaal het heden in. Je moet met dit boek eigenlijk door de stad zelf heen lopen.

Hij doet het ook met de beruchte gevangenis de Bastille. Ik citeer;

Iedereen is het erover eens en zal het u bevestigen: met uitzondering van de paar funderingsstenen die in de metro te zien zijn, is er niets van de Bastille over…Maar dat is niet waar! Er bestaat nog een cel, een van die smerige hokken die zich in de kelders van de vesting bevonden, daar waar het koninklijke gezag de eigenzinnige types en weerspannige geesten opsloot.

En vervolgens legt hij haarfijn uit waar die cel zit, onder een Koreaans restaurant…Zo gaat het maar door, ik kan mij voorstellen dat zelfs een notoire Parijsbezoeker hier nog wat van kan opsteken. Nog eentje dan. Wellicht heeft u in Parijs op Place de la Bastille de grote gedenkzuil wel eens gezien, de Colonne de Juillet. Opgericht tussen 1835 en 1840 als gedenkteken voor de Parijse opstanden van juli 1830. Maar Deutsch geeft hier weer een mooi weetje, want hij stelt de vraag wat wij onder die zuil vinden?

De geschiedenis maakt soms vreemde kronkels. Tussen de vijfhonderdvier martelaars van de julirevolutie uit 1830 die onder de zuil zijn begraven, liggen een paar Egyptische mummies, die ouder zijn dan twee- of drieduizend jaar! Ze waren door Bonaparte van de veldtocht in Egypte mee teruggebracht en onder de grond verstopt in een park vlak bij de nationale bibliotheek…precies op de plaats waar na de julidagen de lijken van de revolutionairen werden begraven. Toen men de helden van de revolutie onder de zuil wilde leggen, dacht niemand eraan om ze uit te zoeken, en ze namen alle lichamen mee zonder er al te veel naar te kijken. En zo komt het dat er vandaag de dag misschien een of andere farao onder de place de la Bastille ligt…

Ik smul van dit soort verhalen, zeker als ze met zoveel vaart en humor als hier gebracht worden. Aanrader!

Lees ook het verhaal van Bettina

Vertaling; Martine Woudt

 

940040753X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De eerste wandelaar van Flip van Doorn sprak mij, voordat ik een letter in het boek had gelezen, om een aantal zaken aan. De heldere kaft met uitnodigende duinweg om te beginnen. Ik zou er willen lopen. De titel. Ik houd van wandelen dus ik ben benieuwd naar wie die eerste wandelaar was. Tenslotte de tekst op de achterkant. Wandelen door een veranderend Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw. Als liefhebber van geschiedenis kon ik het niet laten liggen.

Wie was die eerste wandelaar? Dat was de doopsgezinde predikant Jacobus Craandijk (1834-1912). Deze heer had behoorlijk wat vrije tijd omhanden en begon deze te vullen met wandeltochten. Hij was ook een verteller en hij begon zijn observaties te noteren. Dat leidde uiteindelijk tot acht delen met de titel Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Ook met potlood, want hoewel hij zelf verdienstelijk tekende, worden de delen opgesierd met prachtige illustraties van Piet Schipperus.

De auteur is nauw bij de hoofdpersoon betrokken want het is een achterneef van de dominee. Omdat Van Doorn ook een fervent wandelaar is, probeert hij Craandijk zo dicht mogelijk te benaderen door zijn tochten deels na te lopen, maar ook door te gaan zwerven. Dat levert een erg fijn boek op.

Het boek is verdeeld in verschillende regio’s, zoals Gooi- en Eemland, Het Groene Hart, Kennemerland, Utrecht en Zuid-Holland, Friesland, Achterhoek-Twente, Drenthe en Groningen en Limburg – Noord-Brabant-Zeeland. Die regio’s waren niet allemaal even makkelijk te bereiken vroeger;

Nog een flink stuk lopen voorbij het eind der aarde komt hij ten slotte bij twee boerderijen. Alleen dwars door de weilanden zijn ze bereikbaar. Gewend als hij is zich over land te verplaatsen, beschouwt de dominee de nederzetting met het oog van de wandelaar. ‘Hoe afgezonderd van de wereld liggen deze beide plaatsen, door twee broeders met hun gezinnen bewoond. Wat krijgen zij hier te zien, wat te hooren van wat daar omgaat in die woelige wereld daarbuiten! Nooit komt hier iemand voorbij; het naaste dorp is minstens een uur veraf, en dat dorp is het zelfs reeds zo afgelegen Oudega…’

Toch beweegt Craandijk zich in een snel veranderende wereld. Industrialisatie, spoorlijnen, de auto en fotografie. Hij is zeker geen tegenstander van die vooruitgang, hoewel hij ook de geschiedenis van zijn land koestert. De auteur maakt daar gebruik van door zinvolle uitstapjes te maken naar het ontstaan van verenigingen als Natuurmonumenten of door stil te staan bij de beroemde familie Zocher, die zo belangrijk was voor de vormgeving van een deel van ons land.

Het boek nodigt uit tot wandelen. Het is prettig leesbaar en voor de geïnteresseerden is er een mooie site in het leven geroepen, via welke de volledige teksten van Craandijk’s boeken te raadplegen zijn. Die teksten komen samen in dit boek, maar eigenlijk in één zin op de achterkant die mij zo aansprak, dat ik het boek niet kon laten liggen;

Laverend tussen vooruitgangsoptimisme en nostalgie, beschreef hij in meanderend proza een snel veranderende samenleving.

Ik meanderde zo’n 450 pagina’s mee en dat beviel mij heel best.

9045016990.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Hoe moet je het boek Hoogtij langs de Seine van Diederik Stevens nu eigenlijk noemen? Een kunstgids, een stadsgids, een geschiedenisboek? Het heeft van alles wat. De ondertitel luidt Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs, waarbij we dan blijkbaar vaststellen dat een schrijver geen kunstenaar is.

Maar zo begint het ook. Het boek telt 470 pagina’s en de eerste 250 daarvan zijn gereserveerd voor korte biografieën van Nederlandse kunstenaars, zoals Simon Vinkenoog, Karel Appel, Corneille, Hugo Claus, Jan Wolkers etc. De overige pagina’s zoemen in op de locaties waar al die kunstenaars kwamen. De hotels, de academies, de ateliers en galeries, de boekhandels, bioscopen en bars, de brasseries en clubs die ze bezochten.

In dat tweede deel lijkt de schrijver op twee gedachten te hinken, want ging het niet om Nederlandse kunstenaars? Die voeren hier niet de boventoon. We lezen over Ernest Hemingway, Kiki de Montparnasse, Juliette Gréco, Pablo Picasso en al die anderen die Parijs bevolkten in de vorige eeuw.

Die twee gedachten stoorden mij overigens niet want laat ik het maar zeggen, het is één van de leukste boeken die ik ooit las. Nu niet meteen naar de boekhandel rennen, want dat kan goed aan mijn persoonlijke voorkeur liggen voor de stad Parijs in combinatie met de bohémiens die daar vertoefden. Je moet er wel van houden.

Zo leer je uit dit boek dat het beeld van de arme kunstenaar geenszins overdreven was. Het was moeilijk om aan woon- en werkruimte te komen. Appel en Corneille konden aan ateliers komen in een groot gebouw waar een vreselijke stank heerste van de huiden van een leerlooierij die daar lagen te drogen. Schrijvers en dichters zaten vaak een hele dag op één consumptie in een brasserie, omdat ze daar enigszins warm konden werken;

In korte tijd verrijst Appels provisorische atelier. Werktafels maakt hij van oude deuren…Appel schildert energiek maar wegens geldgebrek met weinig verf, en vooral op jute, in plaats van op duur linnen. Hard werken blijkt trouwens de enige remedie om warm te blijven, want het geïnstalleerde stookkacheltje heeft bij lange na niet genoeg kracht om het tochthol op temperatuur te krijgen.

Het is prachtig om van de avonturen van die Nederlandse kolonie in Parijs te lezen. Ik wist bijvoorbeeld niet dat Simon Vinkenoog zo’n verbindende factor was in die club. Maar het wordt eigenlijk nog leuker als al die locaties worden beschreven. Vanaf de ontstaansgeschiedenis tot aan heden. Je leest over al die beroemde gelegenheden als La Rotonde, Café Le Dôme, Les Deux Magots en La Coupole en vooral over wie er kwamen. De Amerikaanse schrijver James Baldwin zei:

The moment I began living in French hotels I understood the necessity of French cafés.

De Academies waar ook de Nederlanders les kregen of poseerden spelen een grote rol. De opkomst van de jazz-kelders in Parijs en alle grote sterren die er optraden, het staat er in. In het boek zijn kaartjes opgenomen met de arrondissementen die beschreven worden en alle plaatsen die worden beschreven staan aangegeven. Prachtig om een keer mee door Parijs te lopen lijkt mij.

Wat beklijft zijn de vele mooie verhalen in dit boek. Over The English Bookshop waar de flamboyante eigenaresse Gaït Frogé haar acrobatiek boven bedreef met welke schrijver dan ook. Over Victor Libion, de eigenaar van La Rotonde;

Uit de mémoires van Kiki de Montparnasse….blijkt dat de bedrijfsleiding van La Rotonde bijna dagelijks servies, bestek en glaswerk moet aanvullen omdat sommige financieel krabbende schilders de café-eigendommen onder hun trui of in hun jassen stoppen…Modigliani heeft die gewoonte alweer een tijd lang afgeworpen wanneer hij op een avond een feest in zijn atelier geeft waarbij ook Libion als gast aanwezig is. Tot zijn verrassing wordt de Rotonde-eigenaar geserveerd op hem overbekend servies. Ook blijkt de kroegbaas in de spijzen te prikken met zijn eigen tafelzilver, terwijl er evenmin onduidelijkheid bestaat over de herkomst van de wijnglazen. Libion vertrekt geen spier, staat op en vertrekt naar zijn café om wijnflessen te halen. Bij terugkomst zegt hij: ‘Alleen de wijn op tafel was nog niet van mij.’

En dat een heel boek lang. Ik ben er druk mee geweest en heb veel opgezocht over mij onbekende kunstenaars en artiesten, of om mijn geheugen weer even op te frissen. Zo weet ik nu dat het kunstwerk de knoop op winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht, waar ik honderden keren langs gelopen ben, van Shinkichi Tajiri is, een Nederlands-Amerikaanse beeldhouwer van Japanse afkomst, uiteraard ook actief in Parijs. Een boek dat ik zeker nog eens uit de kast trek.

9088030537.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het geheim van Penumbra’s boekwinkel van Robert Sloan is een roman van 300 pagina’s. Het gaat over oude boeken en nieuwe technologie, op de achterkant staat dat Oude Kennis en nieuwe Kennis gecombineerd worden. Het intrigeerde mij en boeken over boeken hebben altijd een streepje voor hier.

Het bleek een aangename leeservaring. Clay Jannon verliest zijn baan als webdesigner en vindt werk in de boekwinkel van Penumbra. De winkel is dag en nacht open en kent een vreemd interieur;

Stel je de vorm en omvang voor van een normale boekwinkel die op zijn kant is gezet. De ruimte was absurd smal en duizelingwekkend hoog en alle boekenkasten reikten tot aan het plafond. Drie verdiepingen met boeken, en misschien nog wel meer. Ik legde mijn hoofd in mijn nek…en zag de planken langzaam in de schaduwen verdwijnen alsof ze eindeloos ver doorliepen.

Er worden boeken verkocht, maar niet veel. Gangbare titels staan voorin de winkel, achterin staan heel oude boeken. Daar komt een speciaal publiek voor. Niet om ze te kopen, om ze te lenen. Het blijken gecodeerde boeken en de belangstellenden trachten fanatiek een puzzel op te lossen. Het is Clay verboden om in de boeken te kijken. Hij moet wel een logboek bijhouden, wie wat koopt of leent, hoe die persoon eruit zag, hoe de sfeer of het weer was, alles.

Clay heeft weinig te doen en maakt in zijn computer een visualisatie van de winkel. Wat blijkt, hij kan de puzzel oplossen. Als hij de punten van de plekken van alle uitgeleende boeken met elkaar verbindt, ontstaat er een gezicht. Het gezicht van de oprichter van een genootschap, die zoekt naar het geheim van onsterfelijkheid.

Clay wordt hierbij geholpen door Kat, een slimme meid die bij Google werkt. Zij zet nieuwe technologie in bij hun speurtocht en zo komen ze bij het hoofdkantoor van het genootschap in New York. Daar draait alles om één boek, de Codex Vitae ofwel het levensboek van ene Aldus Manutius. Een gecodeerd boek met de sleutel tot het eeuwig leven. Manutius gaf de sleutel maar aan één iemand door, zijn vriend en partner Griffo Gerritszoon. Die laatste was de uitvinder van een lettertype, dat alom tegenwoordig is als standaardlettertype of font, zowel in print als op de computer (let wel, in de roman).

Het is fascinerend om te lezen hoe een enorme hoeveelheid computers verbonden wordt om de sleutel te kraken;

Een geheim genootschap van geleerden werkt hier al vijf eeuwen aan. Nu zetten we het voor een vrijdagochtend in de agenda.

Het is nog spannend om te lezen ook en het is of je er bij bent;

De schermen komen tot leven in een blizkrieg van datavisualisaties en dataonderzoek. Het woord MANVTIVS knippert fel en onregelmatig in de hoekige letters van de programmeertaal en het bedieningspaneel….Spreidings- en staafdiagrammen verschijnen op de schermen. Op Kats bevel kraken en herkraken de Google-apparaten de data op negenhonderd verschillende manieren. Negenduizend. Nog geen resultaat.

Ik ga niet alles weggeven en er zit natuurlijk een twist aan het verhaal. De auteur heeft knap feiten met fictie vermengd. Het font van Gerritszoon bestaat niet, Manutius bestaat wel. Er wordt verhaald over een Accession Table waarin alle voorwerpen uit alle musea ter wereld gedocumenteerd staan. Er bestaat een research tool voor wetenschappers die zo heet, maar alle voorwerpen gedocumenteerd? Ze zouden het willen. Dat maakt het voor mij een erg aantrekkelijk boek. Oude boeken en een snuif mysterie gecombineerd met moderne technieken, ik houd ervan.

Lees ook de besprekingen van Anna en Bettina vooral.

Vertaling; Jacques Meerman

9200000051759408
Aan de Amstel in Amsterdam staat een familiehuis. Die staan er meer in de hoofdstad, maar dit is het familiehuis van de familie Six. Een familie, die al vanaf de 16e eeuw met Amsterdam is verbonden, tot aan de dag van vandaag. In dat huis ligt een enorme verzameling aan materiaal opgeslagen over de geschiedenis van deze familie. Schrijver Geert Mak had gedurende drie jaar onbeperkt toegang en dat leidde tot het boek De levens van Jan Six. De ondertitel is Een familiegeschiedenis en dat klopt, maar het is evenzeer een geschiedenis van Amsterdam en Nederland door de eeuwen heen.

Dat is meteen de grote kracht van dit boek. We volgen de opeenvolgende Jannen Six door de eeuwen heen maar net zo interessant is de tijd waarin zij leefden. Die wordt door de auteur in talloze eindeloos interessante details weergegeven. Omdat er zo’n ontzettend groot archief is, zou dit een ontzettend dikke pil kunnen zijn, maar Mak houdt het in ruim 400 pagina’s zeer overzichtelijk en uitstekend leesbaar. Geen minpunten? Wel iets, maar niets schokkends, ik kom er nog op terug.

Het verhaal begint bij Charles Six, die in de 16e eeuw vanuit Saint-Omer in Vlaanderen naar Amsterdam trekt. De familie is in goeden doen door de lakenhandel en neemt al snel een prominente plaats in. Het verhaal van de Jannen begint met Jan Six I (1618-1700). Dit is de Jan waar in het boek steeds op wordt teruggegrepen en het is de Jan wiens portret door Rembrandt is geschilderd. Het hangt nog steeds in het huis aan de Amstel. Naast Rembrandt was Vondel een huisvriend en was de beroemde art Nicolaas Tulp de vader van zijn vrouw. Dat geeft een prachtige inkijk in onze vaderlandse geschiedenis. Mak vertelt uitgebreid over Jan Six I en zijn illustere vrienden en dat is meteen het minpuntje, de andere Jannen passeren veel sneller de revue, soms ook omdat ze minder interessant zijn of omdat er minder materiaal voorhanden is, dat wel. Overigens is achter in het boek een handige tijdlijn opgenomen met de verschillende “Jannen”, die bovendien een bijnaam hebben gekregen als ‘de rentenierende Jan’ of als ‘de professor’, zodat je altijd weet met welke Jan je van doen hebt.

Terug naar het verhaal. Ik ga geen chronologie weergeven van de inhoud, lees daar vooral het boek voor, maar ik tracht weer te geven waarom ik bleef lezen in dit boek. Dat zijn vooral de details en feiten die Mak geeft, zoals wanneer hij de inboedel van het huis aan de Amstel beschrijft;

Er staat Venetiaans glaswerk en sommige smalle drinkglazen van de 17e-eeuwse voorouders zijn er ook nog, dun en hoog om de enorme kanten kragen te ontzien. Er hangt een pomander, een fraai bewerkt korfje met amber dat deftige dames vroeger aan een kettinkje tussen de plooien van hun rokken hingen om luizen en schaamlucht te weren.

Je leert in rap tempo bij zo. Het leukst vind ik misschien wel de zijpaadjes die Mak bewandelt. Zo is er een Haagse tak die hij links laat liggen, maar waar wel snel vermeld wordt dat een achterachterkleinzoon van die tak in Tolstoj’s Oorlog en Vrede opduikt als Hollandse ambassadeur.

Jan Six II is heer van Hillegom, waar hij veel land heeft opgekocht. Dat land wordt veelal begrensd met grenspalen, die nog steeds her en der zijn terug te vinden (zie de foto hieronder). De familie blijft in goede doen en verzamelt enorm veel kunst door de eeuwen heen. Er is zoveel geld, dat Jan Six III, geheel conform de mores van zijn tijd, zelfgenoegzaam rentenierend het leven doorgaat. Dat staat synoniem voor de staat van het land. volgens sommige historici:

Johan Huizinga schilderde…de periode als een ‘grote inzinking op bijna het gehele veld van de beschaving’: ‘In de plaats van de 17e eeuw, vol leven en gedruis, schuift zich het beeld naar een 18e eeuw waarin ons land in de late middagzon van een lange zomerdag lijkt te sluimeren.’ dat beeld is, terecht, omstreden. Maar het stemt wel overeen met de bevindingen van onderzoekers naar vergelijkbare elitefamilies uit die tijd…De ondernemingslust was verdwenen, het politieke leven was gestold, maar dat was niet het enige. De mensen zelf waren veranderd.

En dat laatste is iets wat mooi wordt aangetoond in het boek. Tijden veranderen, de maatschappij verandert en een grote familie als de familie Six tracht hierin mee te gaan, terwijl ze eigenlijk vast zit in een ijzeren korset van mores en tradities. Een enkeling in de familie breekt hieruit, zoals de aangetrouwde Lucretia van Merken die een groot dichteres zou worden, of Henriette Six, die het bestond om er met een burgerman vandoor te gaan.

Wat lang in stand bleef was de immense kunstcollectie van de familie. Op enig moment hingen er honderden schilderijen in het huis, waaronder ettelijke werken van Rembrandt (waaronder Maerten en Oopjen, onlangs samen met Het Louvre teruggekocht door het Rijksmuseum), Vermeer (Het Melkmeisje en Het Straatje van Vermeer), Hals, Van Ruysdael enzovoort. Daarbij nog serviezen, glaswerk, munten, kostuums en manuscripten. Het is een geluk dat de contacten met het Rijksmuseum altijd prima waren.

Aparte vermelding verdient nog Pieter Jacob Six, zoon van Jan Six VII. Ogenschijnlijk een op zijn landgoed rondscharrelend heerschap, maar in werkelijkheid het hoofd van de Ordedienst, een op militaire leest geschoeide verzetsbeweging in de Tweede Wereldoorlog. Voor zijn daden is hij beloond met de Militaire Willems-orde en je zou een apart boek aan hem alleen kunnen wijden.

Bovenstaande geeft al aan, er is eindeloos meer te vertellen en Geert Mak doet dat een stuk meer coherent dan ik hier. Er is nog zoveel meer, de Arabische sjeik die met een Six een goed heenkomen zoekt in de V&D, het gedwongen dansje van de Hillegomse burgervader Jan Six na de Franse aftocht en waarom Lucretia pas begraven mocht worden ‘tot zij begon te rieken.’

Prachtige verhalen allemaal, maar wat ik het meest interessant vind is dat je een verhaal leest over een familie die op veel vlakken erg verstrengeld is met onze geschiedenis en waar nog talloze tastbare herinneringen van zijn overgebleven, zoals de huizen in Amsterdam, de kunstcollectie, gedichten van Vondel, hun kostuums, de grenspalen van hun landerijen of het stadhuis in Hillegom. De collectie in het huis aan de Amstel 2018 is nog steeds te bezichtigen op afspraak, maar de site leert ons wel dat, door dit boek, alles al wel volgeboekt zit tot in oktober 2017.

Lees vooral ook de besprekingen van Joke en Bettina

DSCN4425.JPG
Grenspaal landgoed Jan Six