archiveren

Geschiedenis

9025364039.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik weet niet of de titel De gang naar Canossa van Tom Holland nu zo’n wervende titel is voor een geschiedenisboek, of je moet het meteen kunnen plaatsen. De waanzinnige veertiende eeuw van Tuchman lokt misschien meer, maar dit boek is net zozeer de moeite waard.

De gang naar Canossa verwijst naar de boetetocht van keizer Hendrik IV, toen hij zich te voet door de Alpen naar de burcht Canossa sleepte, om vergeving te vragen aan Paus Gregorius VII voor zijn excommunicatie. Uiteraard was dat cruciaal voor zijn zieleheil en wilde hij graag van die ban af.

Dit gegeven grijpt Tom Holland aan voor een duizelingwekkende reis door Europa rondom de eeuwwisseling en daarvoor. In die zin is het interessant de oorspronkelijke titel van het boek erbij te halen, namelijk Millenium. Het boek gaat over de ‘investituurstrijd’, de strijd tussen de Katholieke Kerk en koningen om bisschoppen te benoemen. Koningen legden met hun legers de macht op aan bisdommen en Gregorius VII wilde de Kerk aan die macht onttrekken;

In zijn persoonlijke leven durfde Gregorius nog verder te gaan als hij zijn gedachten wilde ordenen over het lot waartoe God hem bestemd had. Aan een niet-gepubliceerd memorandum vertrouwde hij een reeks opzienbarende gedachten toe: ‘Dat alleen de paus van Rome het recht heeft op de benaming “universeel”; ‘dat alle vorsten alleen de voeten van de paus kussen’; dat hij de bevoegdheid heeft keizers af te zetten’. Beweringen die zo boud waren dat zelfs de schrijver ze niet hardop had durven uitspreken.

Dit alles kon niet los worden gezien van de Openbaring van Johannes, die had voorspeld dat over 1000 jaar na de geboorte van Jezus het einde der tijden zou aanbreken, voorafgegaan door de komst van de Antichrist. Dit beeld speelt constant door het panorama dat Holland neerlegt in de aanloop naar die gang naar Canossa in 1077. Frankrijk was een lappendeken van vorstendommetjes waar de kastelen als paddestoelen uit de grond rezen. Er staat een prachtig verhaal in over de voor mij volslagen onbekende graaf van Anjou, Fulk ‘Nerra’. Het gaat over de Noormannen die Europa teisteren en zich via Rusland een weg banen naar de Zwarte Zee, maar ook over de opkomst en dreiging van de Saracenen, die het dan nog christelijke Constantinopel belagen. Het gaat over de machtsstrijd in Engeland en over Spanje aan het begin van de herovering van dat gebied op de moslims. Interessant hier is de vergelijking van de Islam met het Christendom. De Islam kent immers geen scheiding tussen religie en staat en heeft volgens Holland ‘geen Canossa gekend’, wat voor mij het belang van de Nederlandse titel weergeeft.

Het is verrassend om te lezen hoeveel voortekenen er gezien werden in die tijd van de naderende apocalyps. Sommigen prima verklaarbaar in de ook nu nog bekende kometen, sommige verschijnselen traceerbaar door vergelijkbare waarnemingen, maar Holland noemt er ook die helemaal niet verklaard worden;

Binnen vijf maanden na het concilie van Clermont, terwijl de paus in hartje Frankrijk Pasen vierde, verscheen er inderdaad een mysterieus kruis aan de hemel. Net als vele eeuwen daarvoor tijdens het legendarische bewind van de eerste christelijke Romeinse keizer, vatten degenen die het zagen het op als een teken van zekere overwinning.

Geen noot ter verklaring of onderbouwing hier. Holland heeft verder wel een losse hand van schrijven die mij bevalt. Een millenium beschrijven binnen 400 pagina’s is geen kleine opgave en de hoofdstukken wijzen op grote stappen, maar hij schroomt niet om allerlei details te noemen, soms met de nodige humor en daar houd ik van;

…de Wenden, een volk dat nog steeds schaamteloos zijn afgoden vereerde, mensenoffers bracht, en beleidskwesties oploste door vragen te stellen aan een paard.

Het boek sluit voor mij mooi aan op het eerder genoemde boek van Tuchman. Ze geven samen een mooi beeld van het Europa in de Middeleeuwen en daarvoor en juist dit boek gaat over een periode die bij mij nogal onderbelicht was.

Vertaling; Christien Jonkheer

9200000079154757
Rauter, Himmlers vuist in Nederland is de omvangrijke biografie die Theo Gerritse heeft geschreven over de man die de taken van SS-leider Heinrich Himmler uitvoerde in Nederland. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ik nooit van Rauter had gehoord tot dit boek verscheen en Gerritse onderschrijft dit wel een beetje. Waar Mussert, Seyss-Inquart en Van Tonningen nog bekende namen zijn, is de naam Rauter zo’n beetje gewist uit ons nationale geheugen, geeft hij aan.

Dat wordt met dit dikke boek van ruim 600 pagina’s meer dan rechtgezet. Rauter was namelijk alomtegenwoordig. Zijn naam stond onder de aangeplakte bulletins waarin melding werd gemaakt van voltrokken doodvonnissen. Hij sloeg de Februaristaking van 1941 bloedig neer. Hij hield het toezicht op de ongestoorde deportatie van de Nederlandse joden en de jacht op verzetsmensen. Hij tekende het ‘dennenboompje’ waarmee hij het startsein gaf voor de sluipmoorden (Silbertanne) op vermeende ‘vijanden’ van het Duitse rijk. Een gevreesde, compromisloze man, door en door soldaat, een sober levend mens en tot alles bereid om zijn bevelen op te volgen.

Hij werd geboren in Oostenrijk en vocht in de Eerste Wereldoorlog mee. Daarna verhuisde hij naar Duitsland om daar dienst te nemen. Hij groeide op met het nationaal-socialistisch gedachtegoed en antisemitisme maakte daar een groot deel van uit. De ervaring van een verloren oorlog was bepalend voor de rest van zijn leven. De auteur geeft aan dat met de wapenstilstand of na de gesloten verdragen de oorlog voor Rauter niet ophield. Die ging gewoon door.

Dat doet zich voelen als hij in de Tweede Wereldoorlog in Nederland wordt gestationeerd, als hoogste SS-officier die aan Himmler moet rapporteren. Zoals gezegd volgde hij zijn orders nauwgezet, maar soms ging hij zelfs verder. Hij voldeed aan de quota van Joden die op transport moesten maar zorgde daarnaast ook voor sterilisatieprogramma’s. Joden over wiens lot nog niet was beslist konden kiezen; steriliseren of alsnog op transport. Hij kwam ook met de ‘Gegenterror’ onder de naam ‘Silbertanne’. Als er een aanslag werd gepleegd dan werden er een aantal aangewezen slachtoffers, van wie vermoed werd dat ze tegen de autoriteiten waren, vermoord.

Vreselijke daden, maar Rauter was er vast van overtuigd dat ze geoorloofd waren in een oorlogssituatie. Wat betreft de Jodenvervolging was hij duidelijk;

Ich will gerne mit meiner Seele im Himmel büssen vor dem was ich hier gegen die Juden verbrochen habe.

Hij was niet vies van dergelijke uitspraken en veel hoofdstukken beginnen er ook mee. Het laat wel zien hoe Rauter in zijn werkelijkheid stond;

Es (kommt) nicht so sehr darauf an, dasz der rechte Mann niedergeschossen wird. Auf der Strasze werden auch Unschuldige erschossen (…) Es kommt vielmehr darauf an, dasz im rechten Augenblick Tote fallen.

Rauter zou uiteindelijk ook neergeschoten worden bij een aanslag en heimelijk had hij gehoopt daar als echte Germaanse krijger bij om te komen. Dat gebeurde niet. Hij revalideerde en na de oorlog werd hij in Nederland berecht. Het is verbijsterend om te lezen hoe dat er aan toe ging. De rechtszaak was van Nederlandse kant slecht voorbereid, hoewel de uitkomst al vast stond, de doodstraf. Waar Rauter eerst niet wegliep voor zijn verantwoordelijkheid, soms zelfs zijn daden behoorlijk aandikte, probeerde hij alles voor de rechter te bagatelliseren. Hij loog er af en toe op los en probeerde zichzelf uiteindelijk zelfs als zoenoffer te geven.

Het maakte allemaal niet uit, de doodstraf stond al vast. Hij stond er wel op zonder blinddoek en niet geboeid voor het vuurpeloton te verschijnen. Naar verluid heeft hij zelfs “Vuur!” geroepen, waarna hij daadwerkelijk doodgeschoten werd.

Het is een uiterst boeiend en uitgebreid verhaal wat Gerritse heeft opgetekend. Er was heel veel bekend en gedocumenteerd over Rauter dus dat moet een enorme klus zijn geweest. Het is een dik boek met een groot notenapparaat, maar ik las het in één adem uit. Wat ik erg interessant vond is de duiding van hoe deze man tot zijn daden is gekomen. Het is makkelijk om iemand weg te zetten als verknipte persoon, maar er is veel meer over te zeggen en dat doet Gerritse. Een paar zinsneden daarover;

Hij was een Germaans krijger geweest. Maar Rauter was ook een SS-zendeling, die in de loopgraven aan het Isonzo-front…een specifiek idioom had ontwikkeld…Hij was in Nederland een Einzelgänger die niet rookte en nauwelijks dronk…Hij was een idealist die stond voor zijn zaak, wat de consequenties ook mochten zijn…Als het om Joden ging, kende Rauter geen scrupules en plichtplegingen…’Kämpfer’ en ‘Soldat’ met een ridderlijke inslag, zo zag Rauter zichzelf.

Daar valt dus veel over te vertellen en dat heeft Gerritse knap gedaan. Het is wel handig om een beetje Duits te kennen omdat er heel veel citaten in staan, hoewel er soms een lastig woord vertaald wordt door de auteur en de rest ook voor niet-Duitssprekenden in de regel uit de context of uit de Duitse tekst zelf is op te maken.

0e7b9bcfd511baa596967747551444341587343
Het was de afgelopen jaren wel eens behelpen met het boekenweekgeschenk maar Leon & Juliette van Annejet van der Zijl is een voltreffer. Het gaat over de liefdesgeschiedenis tussen Leon Herckenrath, telg uit een burgemeestersgeslacht uit het Westland, en Juliette, dochter van een slavin uit Charleston aan de Oostkust van de Verenigde Staten uit begin 19e eeuw.

Leon groeit op in het dorp Monster waar zijn vader burgemeester is, op het landgoed Geerbron. Waar zijn broers betrekkingen in Nederland vonden kon Leon zijn vleugels uitslaan om in de Verenigde Staten zijn geluk te beproeven. Hij bemachtigt de post van consul en vindt een gastadres bij ene James Magnan, een Franse koopman en plantagebezitter en vertrekt naar Charleston.

Charleston is een mondaine stad in South Carolina. De auteur beschrijft het als volgt;

Was Charleston een vrouw geweest, dan zouden adjectieven om haar te beschrijven tekortgeschoten zijn. Mooi was ze ongetwijfeld, en daardoor trots en ijdel. Ze was fabelachtig rijk, gewend aan het beste van het beste en verzot op plezier en luxe. In veel opzichten was ze fantastisch gezelschap: gul, gastvrij en vrolijk; cultureel onderlegd en kosmopolitisch, dol op muziek, theater en dansen. Maar achter al die schoonheid en dat savoir-vivre was ze wreed, en als het erop aankwam hypocriet en volstrekt gewetenloos.

Want wat direct opviel was de donkere bevolking. Meer dan de helft was van Afrikaanse afkomst en slavernij en de bijbehorende ellende en gruwelijkheden waren een geaccepteerd en onmisbaar fenomeen. Leon werd ziek en werd verpleegd door Juliette, de dochter van een slavin van Magnan. Hij overleeft, wat helemaal geen vanzelfsprekendheid was, en gaat weer aan het werk. Hij slaagt als zakenman en koopt Juliette om haar direct vrij te laten. Hij zou zelfs met haar trouwen en ook dat was geen eenvoudige zaak. Het werd eenvoudigweg niet geaccepteerd. Vreemdgaan met slavinnen gebeurde overal, maar je verbinden met een slavin was ongehoord. Leon moest dat ook verborgen houden voor zijn zakenpartners en hij ging wonen in Magazine Street, waar ook de gevangenis en het Work House waren gevestigd, een onderkomen waar ongehoorzame slaven afgeranseld werden. Hier konden Leon en Juliette relatief anoniem wonen.

Het paar krijgt veel kinderen maar komt wel in een lastig parket, want de wetten worden steeds strenger. Onderwijs wordt hen ontzegd en verhuizen naar New York of naar Nederland is vooralsnog geen optie. Uiteindelijk gebeurt dat toch. De kinderen, zeven op dat moment, worden één voor één naar landgoed Geerbron gesmokkeld. Dat was niet makkelijk, als je leest hoe Juliette zelf uiteindelijk de oversteek naar Nederland maakt met haar baby;

Nu was het haar beurt om met ingehouden adem het water tegen de houten buik van het schip te horen klotsen, met boven haar het geluid van de blote voeten van de matrozen die de kabels losgooiden, de zeilen hesen en het anker ratelend uit het water takelden. En nu was zij het die, de baby tegen zich aangedrukt – als ze maar niet ging huilen! -, de laarzen van de mannen van de slavenpatrouilles op de dekplanken hoorde, op zoek naar smokkelwaar als zij.

Juliette overleeft en komt in Monster aan. Daar moet zij haar draai vinden met haar kinderen, het is een totaal andere sfeer dan in het warme South Carolina. Ze merkt wel dat haar leven niet meer in gevaar is. Uiteindelijk komt ook Leon terug en wordt ook burgemeester van Monster, net als zijn vader. Hij laat een familiegraf bouwen in de duinen en helaas zal dat al snel nodig blijken te zijn. Laat ik veel meer maar niet weggeven, het boekje telt maar 95 pagina’s.

Het is een prima leesbaar verhaal en het lijkt de opmaat tot een uitgebreider boek, zo stelt de auteur in haar nawoord. Ik kijk er naar uit, want alleen dit verhaal deed mij al zoeken naar het schilderij van Leon Herckenrath van Jan Willem Pieneman en het familiegraf dat nog steeds te bezoeken is op Open Monumentendag maar dat nu een beetje verloren in een woonwijk staat. Kortom, genoeg materiaal om nog eens na te kijken in dit boeiende boekenweekgeschenk.

9045034999.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De boekhandel van de wereld van de historici Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen draagt als ondertitel Drukkers, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw. Op de achterflap staat nog als toevoeging Nederland als centrum van het gedrukte woord. Als lezer, geschiedenisliefhebber en liefhebber van boeken over boeken een onmogelijkheid om dit niet te lezen.

Het interessante aan dit boek is dat het gaat over drukwerk in de dagelijkse praktijk. Boeken, pamfletten, kaarten; er zijn prachtige exemplaren bewaard gebleven en aan sommigen topstukken worden hele boeken of tentoonstellingen gewijd, maar al die stukgelezen boeken voor het dagelijks gebruik, gemeentelijke aankondigingen en kranten uit het verleden zijn veel meer onderbelicht en daar gaat dit boek over. De auteurs zeggen hierover;

In de zeventiende eeuw werden er in de Republiek per hoofd van de bevolking meer boeken uitgegeven dan in enig ander boekenproducerend land…Het was een land waar boeken en lezen ten diepste verbonden waren met het functioneren van de maatschappij…Het is dus des te eigenaardiger dat al die boeken op een of andere manier onder tafel zijn gewerkt in het klassieke succesverhaal van de Nederlandse Gouden Eeuw. Blijkbaar zijn we altijd zo diep onder de indruk geweest van de grote Nederlandse schilders…dat we de stille revolutie die zich afspeelde in de huiskamers van de burgerij over het hoofd hebben gezien.

In de zeventiende eeuw waren er al een aantal grote drukkers. Families die vanuit Vlaanderen vanwege het geloof naar het noorden waren gevlucht, maar ook drukkers als Elzevier, Blaeu (u weet wel, van die grote atlas) en Claesz. De laatste zette de toon voor het Nederlandse boekenbedrijf door zich te richten op een klantenkring uit de middenklasse naast de traditionele elite van boekenkopers.

Er wordt aandacht besteedt aan het drukwerk voor pamfletten. Dat was een niet te onderschatten bron van inkomsten én die pamfletten waren van groot belang voor de polemieken tussen remonstranten en contraremonstranten. Ook raadspensionaris Van Oldebarnevelt was slecht voorbereid op de felheid van de aanvallen tegen hem die in talloze pamfletten werden afgedrukt.

Het boek belicht veel dagelijkse kanten van het drukwerk. Psalmenboeken en catechismussen werden vaak gebruikt en stukgelezen, dus werden steeds opnieuw gedrukt. Atlassen en kaarten waren belangrijk voor de scheepvaart, maar ook de publicaties over de handelsreizen zelf waren van grote invloed op toekomstige investeringen en de handel. Een belangrijk werk is het boek Cijfferinghe van Gerrit Bartjens. Het gold jarenlang als standaardwerk voor de rekenkunst, met honderden voorbeelden van elementaire rekensommen en complexere berekeningen over rentetarieven en wisselkoersen. Mooi dat er ook voorbeelden in het boek zijn opgenomen;

Een schip ten oorlogh zijnde voorsien met 250 koppen, is ghevictualiseert voor 1 jaer; nae 3 maenden worden 50 man overgeset in een ander schip. Vrage, hoe veel langer konnen sy met selve victualie toe-komen?

Omdat Leiden een academisch centrum was vanwege de universiteit was het ook van belang voor de drukkerswereld. Alle oraties werden gedrukt en ik werd getriggerd door het fenomeen van de prijsboeken, een boek dat de beste leerlingen van de Latijnse school ontvingen van hun rector, veelal Latijnse klassiekers, voorzien van een band met gemeentewapen en handgeschreven inscriptie. Ik heb de studie daarover van J. Spoelder meteen maar in huis gehaald.

Andere vormen van drukkunst betreffen liedboeken en toneelwerken en er vindt een verschuiving plaats in de klassieke letteren. Het Latijn maakt plaats voor moderne talen. Er wordt gedicht in de volkstaal met Vondel als grote exponent daarvan. Hij verwerkt kritieken in zijn treurspelen en bereikt daarmee het volk. Datzelfde volk moest ook door de gemeente op de hoogte gehouden geworden van allerhande zaken en dat ging via de stadsomroeper, maar ook via plakkaten. Die plakkaten werden vaak weer van de muren gerukt door de bevolking (zoals door vrienden van een corrupte belastingontvanger die via een plakkaat gezocht werd), waardoor er zelfs plakkaten verschenen die de burgers ervan verwittigden dat het verboden was om plakkaten af te scheuren. Je blijft lezen in zo’n boek.

Het boek maakt ook duidelijk dat de Nederlanders zeer bedreven waren in de drukkunst én in de boekhandel. Ze hadden al talloze veilingen opgezet en dit fenomeen eigenlijk uitgevonden, maar ze bedienden ook de buitenlandse markt. Waar hun forte niet lag, daar kocht men in en verkocht men met winst. Het belang van gedrukte catalogi wordt zo ook duidelijk. Die waren voor geïnteresseerden in binnen- en buitenland van belang om te weten wat er op de markt was om zo de verzameling uit te breiden.

Het is een boek van ruim 500 pagina’s en ik heb er veel uitgehaald. Het geeft inzicht in de ontwikkeling en het gebruik van het drukwerk in Nederland. Dagelijks gebruik, maar ook verzamelingen als die van Johannes Thysius ontbreken niet in dit boek. Voor dit boek is er uitvoering onderzoek gedaan in talloze archieven wereldwijd en dat geeft een hoop informatie. Daarnaast houd ik erg van anekdotes die ook niet worden geschuwd, zoals dat van de predikant die vond dat hij te weinig verdiende én dat op schrift stelde, wat nog prima werd verkocht ook. De auteurs wijzen er op dat hij zich wel de luxe van boter veroorloofde en komen daar later in het boek nog eens fijntjes op terug.

De conclusie is ook een mooie, en wellicht een logische. Indrukwekkende bibliotheekcollecties zijn prachtig, maar;

Uiteindelijk ligt het ware verhaal van de Nederlandse boekenwereld misschien eerder in de alomtegenwoordigheid: boeken die te koop lagen in winkels, die werden gelezen op trekschuiten, die werden uitgedeeld aan gasten bij brouwerijen en promoties van studenten, die lagen te verschimmelen in de vochtige hitte van Oost-Indië, en die voorzichtig uit de boekenkist van Hugo de Groot werden gehaald zodat de staatsman zich daarin kon verstoppen.

Vertaling; Frits van der Waa

7fbefaf51b7f1c059686d507467444341587343
John Barton heeft met zijn boek De Bijbel een lijvig werk geschreven van zo’n 623 pagina’s. Ik was getriggerd door de ondertitel Het boek, de verhalen, de geschiedenis (oplettende lezers zien dat deze ondertitel iets afwijkt van de ondertitel op bovenstaande afbeelding, maar zo staat het echt op mijn stofomslag). Het gaat over al die verhalen die in de Bijbel staan en hoe die verhalen, wetten, spreekwoorden, profetieën, gedichten en brieven uit de Bijbel tot stand zijn gekomen en wat we weten, maar ook vooral niet weten, over hun auteurs.

Vanuit mijn jeugd heb ik al die verhalen wel meegekregen. Ik wist van profeten, alle boeken van het Oude én het Nieuwe Testament kon ik opdreunen, maar er is nooit vertèld over die profeten of al die anderen die blijkbaar nodig waren om het belangrijkste boek van de westerse cultuur te schrijven.

Daarom was ik nieuwsgierig naar dit boek. John Barton is hoogleraar en priester van de Anglicaanse kerk en geeft zelf aan wat hij met dit boek beoogt;

Ik wil laten zien hoe het boek is ontstaan, zich heeft ontwikkeld en in de loop der eeuwen is gebruikt en geïnterpreteerd zowel binnen het christendom als het jodendom…Al doende zal ik vraagtekens zetten bij de neiging van bepaalde groepen godsdienstige gelovigen om van de Schrift zoiets bijzonders te maken dat zij niet meer gelezen kan worden als willekeurig welk ander boek ‘doordat men aan de Schrift meer toekent dan zij kan hebben’

Gezond kritisch dus en dat sprak mij aan. Hij trapt af met het Oude Testament en het wordt al snel duidelijk dat veel verhalen komen uit een lange traditie van vertelkunst. Vaak, en het verhaal van de Zondvloed is daar een voorbeeld van, lijken diverse verhalen met elkaar te zijn verweven. Barton geeft aan dat verhalen ook zijn geredigeerd en zelfs aangevuld met verzonnen gedeeltes, zoals in het verhaal van de boosaardige koning Manasse van Juda. Hij gaat ook in op de waarschijnlijk fictieve personages van Ruth, Jonas en Ester.

Het Oude Testament kent een veelheid aan bronnen. Spreuken kan deels worden teruggevoerd op een Egyptisch document, de wetboeken in de Bijbel vertonen sterke verwantschap met andere bekende wetboeken uit het Nabije Oosten. Barton staat stil bij de Tien Geboden die door Mozes ontvangen zouden zijn. Die geboden en wetten duiden namelijk op een agrarische gemeenschap, terwijl Mozes toch echt als een nomade op reis was met zijn volk toen hij ze ontving.

De profetische boeken zijn ook een verhaal apart. Profeten schreven in de regel geen lange, samenhangende boeken, maar deden korte, bondige uitspraken. Deze zijn verzameld en waarschijnlijk door discipelen opgeschreven, waardoor de profetische boeken zijn ontstaan. De profeet Jeremia is de enige die wel zijn gedachten liet opschrijven door zijn secretaris. En passant toont de auteur ook even aan dat de tekst van Jesaja niet minder dan een knoeiboel is.

Het Nieuwe Testament is ontstaan vanaf ongeveer 70 na Christus, waarbij sommigen menen dat het evangelie van Marcus het oudst bekende is. De evangeliën zijn gebaseerd op herinneringen die mondeling overgeleverd zijn, maar waar, na de dood en opstanding van Jezus, wel een generatie overheen ging. Het vormt ook geen consistent geheel. Soms is er overeenstemming, maar vaker zijn er verschillen en soms tegenstellingen. De datering is ook lastig;

De datering van nieuwtestamentische boeken is wel omschreven als een lange rij dronkenlappen die elkaar overeind houden zonder een stevige muur om tegenaan te leunen.

De datering van Paulus’ brieven is nog te doen, tussen de jaren 40 en 60. Die brieven zijn de vroegst bekende christelijke literatuur en waren bedoeld om voor te lezen aan christelijke geloofsgemeenschappen. Interessant is ook weer te lezen dat de Paulus uit zijn brieven weer verschilt van de Paulus uit het boek Handelingen. Barton legt het allemaal uit. Ook gaat hij uitvoerig in op de oorsprong van de evangeliën en waarom ze onderling verschillen.

Eigenlijk vind ik dat het meest interessante deel van het boek, maar er zijn ook nog deel drie en vier. Die gaan over de Bijbel en zijn teksten en de betekenissen van de Bijbel als boek. Hier volgt voor mij een beetje de makke van dit boek. De auteur weet vreselijk veel en hij etaleert die kennis met verve, maar het gaat soms wel diep. Zo staat hij uitgebreid stil over het woord ‘rustplaats’;

…waarin staat dat God boos was op de generatie Israëlieten die met Mozes uit Egypte vertrok: vanwege hun hardnekkige ongehoorzaamheid zwoer hij: ‘Nooit gaan zij mijn rustplaats binnen.’ Daarop volgt…een lange preek die om het woord ‘rustplaats’ draait, en tracht aan te tonen dat de passage in wezen een voorspelling was van de ‘rustplaats’ die Jezus zijn volgelingen zou schenken.

En dat gaat dan zo nog even door. Ontegenzeggelijk boeiende materie, maar houdt u de aandacht er even bij. Makkelijker te lezen zijn de verhalen over de gruwelijkheden die in de Bijbel staan, of de ogenschijnlijk onmogelijke verhalen zoals het doodslaan van kinderen tegen de rotsen of het scheppingsverhaal dat ergens met de evolutieleer in het reine moet komen. Barton geeft precies weer hoe men daar mee om gaat.

Tenslotte is er aandacht voor de Bijbel door de geschiedenis heen. De Bijbel in de Middeleeuwen, de invloed van Luther, Erasmus, Calvijn en Spinoza op de teksten, de verspreiding ervan én de verschillende vertalingen.

Het boek bevat dus een stortvloed aan informatie en het leest niet altijd even makkelijk weg, maar toch een aanrader voor wie nieuwsgierig is naar het ontstaan van de Bijbel.

Vertaling; Ton Heuvelmans, Aad Janssen en Marianne Palm

IMG_6817 (002)
En dan weet je ineens een stuk meer over ruiterstandbeelden. ‘Helden’ op hengsten is net verschenen en is het resultaat van een jarenlange zoektocht naar ruiterstandbeelden, waar dan ook ter wereld, door Kees van Tilburg. Dat idee is niet helemaal nieuw, de auteur werd geïnspireerd door een klein bericht in The New York Times van 1899, waarin ene S.H. Kaufmann ook een poging waagde om alle ruiterstandbeelden ter wereld in kaart te brengen.

Zo’n project heeft kaders nodig, want wat verstaan we onder een ruiterstandbeeld? Van Tilburg definieert het als volgt; het beeld moet vrij staan, publiek toegankelijk zijn, het beeld moet uniek zijn, een zekere monumentaliteit hebben, het moet een combinatie van paard en mens afbeelden (jawel, er bestaat een beeld van een man op een schildpad), de ruiter moet hebben bestaan en het beeld moet van duurzaam materiaal gemaakt zijn.

In het inleidende verhaal staat de auteur ook stil bij de redenen om zo’n beeld op te richten. Belangrijke redenen zijn zelfverheerlijking, een eerbetoon door de bevolking en het versterken van de (nationale) identiteit.

Als we kijken naar het ontstaan van deze traditie, dan komen we in Italië uit. Het oudste bestaande ruiterstandbeeld is dat van Marcus Aurelius, waarschijnlijk uit 176. Door een misverstand bestaat het beeld nog steeds. Voor bekende beelden daarna moeten we toch een paar honderd jaar verder maar de grootste kunstenaars zijn dan nog steeds in Italië te vinden. Niet alle standbeelden blijven bewaard. Ze worden vaak gebruikt om kanonnen van te gieten als er een stad veroverd was, maar andersom gebeurde het ook, dat de kanonnen van de vijand gebruikt werden om een mooi standbeeld van de overwinaar te vervaardigen.

De standbeelden worden steeds spectaculairder. Een steigerend paard ziet er indrukwekkend uit, maar is lastig te vervaardigen. Voor zo’n beeld van Filips IV komt Galileo Galilei er aan te pas om te berekenen hoe zo’n beeld overeind kan blijven staan. Het zwaartepunt moet achterin liggen en het paard kreeg, naast de twee achterbenen, een derde steunpunt in een massief bronzen staart.

Brons is één ding, maar het kan ook in marmer. Ik kende Gian Lorenzo Bernini wel als fenomenaal beeldhouwer in marmer, maar wist niet dat hij zich ook aan ruiterstandbeelden had gewaagd. Niet tot tevredenheid van de Franse koning Lodewijk XIV overigens.

Ik associeer ruiterstandbeelden uit gewoonte maar vooral met Europa, maar in de Verenigde Staten kunnen ze er ook wat van. De meeste beelden daar betreffen de generaals en andere helden uit de Onafhankelijkheidsoorlog en de Burgeroorlog.

Zo’n oorlog is voor een ruiterstandbeeld wel een kritiek moment, naast revoluties en onafhankelijkheidsverklaringen;

Zo sneuvelt tijdens het uitroepen van de Amerikaanse Onafhankelijkheid het beeld van de Engelse koning George III in New York…Een groot deel van het beeld wordt gebruikt om er ruim 42.000 kogels van te maken. Zo kan het gebeuren dat niet lang na de ontmanteling van dit ruiterstandbeeld de Engelse troepen van George III stukjes van zijn beeld om de oren krijgen.

In India gaan ze veel rustiger om met beelden van de vroegere overheersers. Ze worden teruggestuurd naar Engeland, blijven staan of worden verplaatst naar minder prominente locaties. Dat laatste levert de auteur nog een arrestatie op in India. Een mooi verhaal en er staan meer anekdotes in dit boek. Zo wordt het beeld van Filips III in Madrid aanvankelijk omver getrokken door vandalen, tot er ineens honderden botjes uitrollen. Dat is een slecht teken en het beeld wordt met rust gelaten. Een cliffhanger; leest u vooral zelf wat hier achter steekt.

Ruiterstandbeelden lijken iets uit het verleden, maar dat klopt niet helemaal. Het grootste standbeeld staat op dit moment in Mongolië en is het veertig meter hoge beeld van Dzjengis Kahn. India wil daar nog een schepje bovenop doen, die zijn bezig met een beeld van Shivaji Chhatrapati, een 17e eeuwse Indiase leider, van maar liefst 126 meter hoog.

Ook in Nederland is er onlangs nog een ruiterstandbeeld bijgekomen, in Weert, van de in Brussel onthoofde graaf van Horne. Bijzonder; het beeld gaat eerst op wereldreis, zoals naar Hangzhou in China, een zusterstad van Weert. Het nieuwe geld zorgt nog steeds voor de productie van ruiterstandbeelden, maar ook regeringsleiders in bijvoorbeeld Noord-Korea onthullen nog steeds nieuwe standbeelden.

In het boek staat wat geschreven over de technieken om zo’n beeld te gieten en de moeilijkheden die bij het ontwerpen ervan worden ondervonden, maar het is vooral een boek over de schoonheid van de beelden zelf. Er staan dan ook talloze foto’s in. Ik kom er de mij zeer bekende Willibrord tegen die in Utrecht staat, maar ook het prachtige beeld van Wenceslaus I dat ik onlangs nog in Praag zag.

De auteur vertelt ons in de inleiding van het boek;

En wie weet, ik hoop het, dat u na het lezen van al die verhalen, ook een beetje gefascineerd raakt door die beelden…Een ding is zeker…na het lezen van al die verhalen zult u voortaan anders naar ruiterstandbeelden kijken.

Daar heeft hij gelijk in. Gefascineerd was ik al wel, maar door dit prachtige boek ga ik anders kijken omdat ik weet waar ik op moet letten en heb ik eigenlijk gewoon zin om er op uit te gaan; standbeelden kijken.

P.S.; Omdat niet alle beelden in een boek van 287 pagina’s passen, is er ook een website, http://www.equestrianstatue.org. Zeer de moeite waard.

902956170X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Stefan Zweig (1881–1942) was een Oostenrijkse schrijver van Joodse komaf. In zijn autobiografie De wereld van gisteren vermengt hij zijn eigen geschiedenis met het tijdsbeeld van rond de eeuwwisseling tot vlak voor zijn zelfgekozen dood in 1942.

Zweig werd geboren in Wenen. Dat was een stad waar het goed toeven was aan het eind van de 19e eeuw en Zweig zingt de lof over zijn stad;

Gastvrij en met een bijzonder assimilatievermogen trok deze stad de meest ongelijksoortige krachten aan en ontspande ze, maakte ze los en bracht ze tot rust; het was een mild klimaat om in te leven, deze atmosfeer van geestelijke tolerantie, en onbewust werd elke burger van deze stad tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap opgevoed.

Iedere burger een wereldburger; dat is het gevoel wat Zweig zal vasthouden. Voorlopig vindt hij zijn weg in de stad, waar kunstenaars rondlopen als Brahms en Mahler en waar de joodse burgerij een voorname rol in speelde;

…negen tiende van wat de wereld als Weense cultuur van de negentiende eeuw bejubelde, was een door de joodse Weners gestimuleerde, gevoede of zelfs zelf gecreëerde cultuur.

Tock waren veranderingen onontkoombaar. Goede veranderingen, een verschuiving in de kunsten bijvoorbeeld. Jonge kunstenaars stonden op en Zweig en zijn vrienden zogen alles in zich op. Ze maakten kennis met Hugo von Hofmannsthal, een komeet van een schrijver en dichter én met Rainer Maria Rilke, een dichter die veel geleidelijker tot wasdom zou komen.

Minder goede veranderingen waren er ook. De eerste scheuren dienden zich aan in de maatschappij in de vorm van grof geweld in de politiek, terwijl Zweig en de zijnen daar nog weinig oog voor hadden. Zij schreven en bediscussieerden hun gedichten, maar

In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen.

Zweig studeert ondertussen onder meer filosofie in Wenen en Berlijn. Hij komt in aanraking met verschillende kunstvormen en ontmoet de door hem bewonderde dichter Emile Verhaeren in België. Hij zal zijn werk ook vertalen. In Parijs ontmoet hij de dichter Rilke en de beeldhouwer Rodin. Er volgt een mooi portret van deze Fransman als hij Zweig meeneemt naar zijn atelier, nog wat begint te schaven aan één van zijn beelden en vervolgens zo volledig in zijn werk opgaat dat hij Zweig vergeet.

Zweig reist ook naar Engeland waar een evenzeer mooi portret wordt gegeven van een vrouw bij wiens doop Goethe nog aanwezig is geweest. Hij reist zelfs naar India om zijn blik te verbreden, om van buitenaf eens Europa te beschouwen.

In dat Europa waait een nieuwe wind. Het was de tijd van uitvindingen en ontdekkingen, maar met die wind kwamen er ook donkere wolken mee. Er was trots en zelfvertrouwen, maar dat bracht ook expansiedrift met zich mee. Industrieën draaiden op volle toeren en dat gistende vat kwam ergens tot ontploffing. Zweig vertelt;

Als je je nu in alle rust afvraagt waarom Europa zich in 1914 in een oorlog stortte, vind je geen enkele zinnige reden en zelfs geen aanleiding. Het ging niet om ideeën, het ging niet werkelijk om de kleine grensgebieden; ik kan geen andere verklaring vinden dat dit overschot aan energie…

Toch komt die oorlog er en de beschrijving van de rekruten die zich opmaken om naar het front te gaan vind ik treffend. Of je er zelf bij bent. Gedurende de oorlog toont Zweig zich als de Europeaan die hij zich voelt. Hij probeert de contacten te onderhouden met zijn vrienden die nu tot ‘de vijand’ behoren en die vriendschap krijgt hij terug, bijvoorbeeld van de Franse dichter Romain Rolland.

Als de oorlog afgelopen is, heeft iedereen, logischerwijs, hoop op een goede toekomst. De kunsten gingen verder op de schop. Melodie in de muziek hoefde niet meer, er golden nu andere principes. Klassieke schilders gingen het depot in, kubisme deed zijn intrede, schrijvers en dichters vonden alles opnieuw uit, weg met de lidwoorden bijvoorbeeld. Ook Zweig was kritisch ten opzichte van zijn vroege werk en bedacht;

De tijd was voorbij waarin ik mijzelf had kunnen wijsmaken dat alles waar ik aan begon maar voorlopig was. Ik had het midden van mijn leven bereikt, de leeftijd van louter beloften was voorbij. Nu was het zaak het beloofde waar te maken, mijzelf te bewijzen of het definitief op te geven.

Opgeven hoeft niet, Zweig is zeer succesvol. Zijn werken worden in allerlei talen vertaald. Hij bezoekt vrienden door heel Europa en merkt dat het Europese gevoel nog springlevend is, ook bij de vroegere ‘vijand’. De propagandamachine was blijkbaar toch minder binnengekomen als gevreesd.

Toch, en dat beschrijft Zweig heel goed, komen er weer verschuivingen. Er zijn steeds kleine opstootjes en brandjes waar niemand veel aandacht aan schenkt. Ze komen op en verdwijnen weer. Er staat wel iemand met een grote mond te brallen in de Beierse bierhuizen, maar dat is plaatselijke amok. Tot deze figuur rijkskanselier wordt. Er verschijnen ineens goed getrainde ordetroepen op straat en de sfeer wordt grimmiger.

Zweig onderkent de gevaren en zal zijn woonplaats Salzburg verlaten. Hij laat alles achter, inclusief zijn immense verzameling handschriften, en vertrekt naar Engeland. Vanuit Londen ziet hij hoe Europa langzaam een nieuwe oorlog inglijdt en hij lijdt mee. Toen zijn moeder op sterven lag ging hij nog een laatste keer naar Wenen, voor een laatste afscheid van alles en iedereen;

Ik heb die laatste twee dagen in Wenen elke vertrouwde straat afzonderlijk, elke kerk, elke tuin, elk oud hoekje van de stad waar ik geboren ben, bekeken met een vertwijfeld, onuitgesproken ‘nooit meer’.

Zweig laat Europa achter zich en zou uiteindelijk met zijn vrouw in Brazilië zelfmoord plegen, gedesillusioneerd over de vernietiging van ‘zijn’ Europa.

Het is een boek van ruim 400 pagina’s en het geldt als een autobiografie, maar het is natuurlijk veel meer dan dat. Het laat Europa zien aan het eind van de negentiende eeuw en hoe dat continent twee oorlogen over zich heen kreeg. De hoop die ontstond in het interbellum, de ontzetting over hoe het toch weer fout ging. De onderkenning daarvan door hemzelf, de ontkenning van zoveel anderen, die daarvoor ook een hoge prijs zouden betalen. Prima lessen voor de toekomst, maar een levensgrote spiegel tegelijkertijd, want zoals het toen was is het nu; we zijn er zelf bij.

Vertaling; Willem van Toorn