archiveren

Geschiedenis

9000373735.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
U kent natuurlijk de term ‘de donkere middeleeuwen’. Dat lijkt een door ons bedachte term om een periode vol geweld, ziektes en andere ellende aan te duiden en het was ook niet altijd aangenaam toeven in die tijd, maar als het gaat om kennis en wetenschap, dan kunnen we dat begrip gerust omzetten en dat is wat Seb Falk doet met De Verlichte Middeleeuwen. Het is een ontdekkingsreis door de middeleeuwse wetenschap, zo zegt de ondertitel, en dat was een aspect wat gerust onderbelicht was in de boeken die ik tot nu toe over dit tijdperk las.

Het begint met de wetenschapper Derek Price, die in 1951 in de bibliotheek van Cambridge een manuscript ontdekt dat ‘aanwijzingen voor de vervaardiging van een astrolabium’ bevat. Een astrolabium is een instrument om de banen en posities van planeten en vaste sterren te bepalen. Omdat Price het woord ‘chauc’ in dat manuscript herleidde tot ‘Chaucer’, als in Geoffry Chaucer, de schrijver van de Canterbury Tales, vond hij dat een ontdekking van formaat, hoewel hij wist dat diezelfde Chaucer al een handleiding had geschreven dat Treatise on the Astrolabe heette.

Lang verhaal kort, het manuscript (dat de naam Equatorie of the Planetis kreeg) bleek toch van een monnik, broeder Johannes Westwyk. Falk gebruikt deze monnik en zijn reizen om het verhaal van de middeleeuwse wetenschap aan ons te vertellen. Dat doet hij in 346 pagina’s en ik waarschuw maar vast, daar moet u soms aardig het hoofd bij houden.

Het begint nog allemaal overzichtelijk met een hoofdstuk over tijdrekenkunde. Toen er nog geen mechanische klokken waren moesten monniken toch iets bedenken om op tijd op te staan voor hun gebeden en daar gebruikten ze een waterklok voor. Rond 1300 begon echter de uurwerkrevolutie en Falk noemt de mechanische klok meteen de belangrijkste uitvinding uit de middeleeuwen. De uren werden toen gelijkgeschakeld, want ‘ongelijke uren’ waren nog gangbaar. In de zomer waren de twaalf dag-uren langer dan de twaalf nacht-uren en in de winter was dat omgekeerd. Natuurlijk komen in de rekenkunde de ‘oude’ Romeinse cijfers voor, maar werden de nieuwe Arabisch-Indische cijfers al snel omarmd. Als u even oplet leert u zelfs hoe u tot duizend kunt tellen op één hand. Die nieuwe cijfers bereikten al snel alle verhandelingen over rekenkunde – door middeleeuwse vertalers aangeduid als algorismus als eerbetoon aan Musa al-Khwarizmi, een negende-eeuwse geleerde uit Centraal-Azië. Ons woord ‘algoritme’ is nog aan hem ontleend.

Van al die rekenkunde is het dus een kleine stap naar astronomie en alles wat daarmee samenhangt. De mythe dat men in de middeleeuwen dacht dat de aarde plat was kan overboord, want de Griekse filosoof Eratosthenes wist al een vrij nauwkeurige schatting van de omtrek van de aarde te maken. Falk legt nauwkeurig uit hoe hij dat aanpakte. De middeleeuwse wetenschappers borduurden dus voort op kennis die terugging tot de oude Grieken. Daarbij werden instrumenten ontwikkeld om de baan en posities van sterren en planeten te bepalen zoals genoemd astrolabium, een armillarium of een torketum. We komen zelfs uit bij een albion, een planetaire supercomputer uit die tijd, die alle beschikbare functies in zich verenigde. Onbekende termen? Falk legt het u haarfijn uit en hij weet zelf ook wel dat hij gedetailleerd is;

Lezers wie het na deze laatste twee alinea’s is gaan duizelen verkeren in goed gezelschap. Mensen hebben altijd grote moeite gehad met driedimensionaal denken. Daarom waren armillaria zo nuttig. Het probleem was dat ze ook buitengewoon lastig te maken en dus duur waren.

Waarbij een armillarium weer een model is in een sferische kooi van een globe met koperen ringen om de kosmos uit te beelden. Als daar dan de snarentabellen van Ptolemaeus nog bijgehaald worden die in de middeleeuwen nog steeds als trigonometrische tabellen worden gebruikt werken mijn hersenen op volle toeren om het bij te benen (met mijn Alpha-achtergrond). Toch vind ik het razend interessant om te lezen. Het blijkt dat al die moeite om kennis te vergaren van de astronomie én de astrologie (wat nu als een pseudo-wetenschap wordt beschouwd maar toen serieus werd beoefend) belangrijk was voor navigatie op land, op zee maar ook bijvoorbeeld voor de geneeskunde. Falk maakt dat hier duidelijk;

Het idee dat de mens, bestaand uit elementaire materie, een micro-kosmos en dus een afspiegeling van het heelal was, manifesteerde zich het duidelijkst in de geneeskunde. Ieder lichaamsdeel van hoofd tot voeten werd geregeerd door een zodiakteken, van Ram tot Vissen. ‘Een arts kan niet genezen,’ schreef Robertus Angelicus in zijn commentaar op Sacrobosco’s De Sphaera Mundi, ‘als hij de oorzaak van de ziekte niet kent. En die oorzaak kan niet worden gekend als de beweging en de positie van de hemellichamen niet worden begrepen.’

Wij kijken daar iets anders tegenaan nu maar het belang van de ontwikkelingen in die tijd is onmiskenbaar. De monnik Johannes Westwyk neemt deel aan een kruistocht waar navigatie en geneeskunde uitgebreid aan bod komen. Hij zal later, na terugkomst, nog een belangrijk astronomisch werk schrijven, zijn Traktaat over het Equatorium. Met dit planetaire instrument kon men de positie van planeten in een paar minuten bepalen. Falk legt geduldig de stappen uit hoe je met zo’n equatorium de astronomische lengte van een planeet bepaalt. Voor een complete horoscoop zou je dat met iedere planeet moeten doen maar hij verwijst meteen naar een website waar u dat fijn zelf kunt uitproberen.

Het is een zeer interessant boek dat helder de lijnen uitzet van de klassieke en Arabische werken en geleerden die in de middeleeuwen werden vertaald. Universiteiten werden opgericht en theorieën over astronomie en astrologie werden verfijnd. Er werden klokken ontworpen en vraagtekens gezet bij de gebruikte kalenders. Arabisch-Indische cijfers werden omarmd en men experimenteerde met geneesmiddelen uit de hele wereld. Wiskunde, navigatie en zelfs alchemie zorgden voor technieken die we nog steeds gebruiken. Het komt allemaal aan bod. Is het een lastig boek? Ja, soms wel maar een beetje inspanning voor zo’n boek is niets vergeleken met de inspanningen die men in het verleden heeft gedaan om alles te doorgronden. Om met Isaac Newton te spreken, ‘we staan op de schouders van reuzen’.

Vertaling; Conny Sykora

9000359899.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De Habsburgers van Martyn Rady beschrijft volgens de ondertitel de opkomst en ondergang van een wereldmacht. Ik ben die Habsburgers natuurlijk in verschillende geschiedenisboeken tegengekomen maar het is mooi om alles in dit boek nog eens op een rijtje te zien.

Dat is een flink rijtje, want het begint allemaal in de 10e eeuw met ene graaf Kanzelin en eindigt pas met de Eerste Wereldoorlog in 1918. Daartussen dus 10 eeuwen Habsburg met heel veel Rudolf, Maximiliaan, Filips, Albrecht, Karel en Ferdinand. Geen nood, voorin staan heel duidelijke stambomen en in het boek wordt keurig vermeld over welke Habsburger het gaat dus het is prima te volgen.

Allereerst de naam Habsburg. Die is te herleiden naar een kasteel in Zwitserland, de Habichtsburg. Legendarisch is het verhaal dat Radbod, zoon van graaf Kanzelin een havik liet vliegen die neerstreek op de muren van een burcht die vervolgens de naam Habichtsburg kreeg. Meer praktisch betekende het gewoon ‘rivierovergang’ naar het oudduitse woord ‘Hab’, dus ‘Burg an der Hab’ ofwel ‘Habsburg’.

Hoe werd die familie nu zo groot? Dat was deels te wijten aan wat geluk. Men kon een hoop bezittingen ‘opvegen’ na de dood van vele heersers in de omtrek. Een rivaliserende familie, de Hohenstaufers, ging ten onder en er werd een hoop land geërfd.

Zoals dat gaat wordt dat bezit groter en kleiner en halverwege de veertiende eeuw lag het huis Habsburg zogezegd op zijn gat. Toch was daar Maximiliaan, die door slimme huwelijksdiplomatie de basis legde voor een heus Habsburgs wereldrijk. Het was het begin van de heerschappij in Spanje, waar ook de bezittingen in Midden-Europa nog veilig gesteld waren. Het boek bevat overigens een aantal landkaarten die dit verduidelijken.

Dit zijn natuurlijk grote lijnen en die wil ik weten, maar ik ben gek op de details. Die komen ook ruimschoots aan bod. Ik wist bijvoorbeeld niet dat het embleem op de Spaanse vlag, met de Zuilen van Hercules, rechtstreeks van het huis Habsburg kwam. Spanje speelde een grote rol op het wereldtoneel en dus werd de kleinzoon van Maximiliaan, Karel V, een wereldheerser over overzeese gebieden. Nu werd de verantwoordelijkheid Karel blijkbaar af en toe wat te veel volgens Rady;

Karel was inmiddels aan het einde van zijn lichamelijke en geestelijke krachten. Afwisselend starend in het niets en huilend bracht hij zijn laatste jaren als keizer door met het uit elkaar halen van klokken, waarna zijn bedienden ze in elkaar moesten zetten en ze tegelijk moesten laten tikken.  

Zijn opvolger was Filips II, die Nederland natuurlijk nog tegen zou komen. Wat mooi is aan dit boek is dat niet alleen al die heersers in chronologische volgorde worden beschreven, maar dat er talloze uitstapjes worden gemaakt naar andere gebeurtenissen en onderwerpen die toen speelden. Dat kan zijn de Slag bij Lepanto, waar christenen en moslims een zeeslag leverden en waarbij de halfbroer van Filips II betrokken was, maar dat kan ook zijn de alchemie en occulte wetenschappen die Rudolf II in Praag in haar greep kreeg. U moet echt dit boek lezen om te weten hoe Tirol bijna een koloniale macht werd, waarom in Peru de cavia het lam Gods verving, waarom het geel in de Braziliaanse vlag van Habsburg komt of waarom de Dertigjarige Oorlog waarin Habsburg verzeild raakte nog doorwerkt in de huidige demografie in Taiwan.

Verderop in de lijn komen we beroemde telgen tegen als keizer Maximiliaan van Mexico en keizerin Sisi. Natuurlijk had ik van hen gehoord maar zo’n boek plaatst ze mooi in de context van het grotere geheel. Ik heb die Sisi-films nooit gezien maar betwijfel of ze hier over gingen;

Elisabeth of ‘Sisi’ was, in de woorden van Frans Jozefs persoonlijke lakei, ‘een wereld verwijderd van een ideale vrouw’. Eigenzinnig en zelfzuchtig wentelde ze zich in haar eigen schoonheid. Na haar plicht te hebben gedaan door voor een mannelijke erfgenaam te zorgen, was ze veel van huis en reisde ze heen en weer tussen gezondheidsspa’s, Korfoe en Engeland. Daar tussendoor bezocht ze Monte Carlo, waar ze gokte, en maakte ze lange cruises over de Middellandse Zee en om dat te laten zien liet ze een tatoeage op haar schouder zetten.

Bijzonder interessant, maar uiteindelijk kwam ze triest aan haar einde, ze werd vermoord. Haar man kreeg het aardig voor zijn kiezen want zijn zoon Rudolf pleegde zelfmoord met zijn maitresse Maria Vetsera (zie ook mijn bespreking van Donau). Wat ik dan wel weer leuk vind is dat zijn weduwe, Stefanie van België, uitvinder én patenthouder is van de keukentrolley. Je leert genoeg uit zo’n boek.

Uiteindelijk komen we uit bij Franz Ferdinand. De moord op hem was de opmaat naar de Eerste Wereldoorlog en het eind van het huis Habsburg. Uitermate fascinerend om te lezen en glashelder opgeschreven, zij het met wat schoonheidsfoutjes hier en daar, waarbij het ‘Ministerie van Binnenlandse Zalen’ dan wel weer de leukste is.

Vertaling; Rob de Ridder

9025309615.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Oorlog in Gallië van Julius Caesar is een must-read voor een beetje geschiedenisliefhebber. En ik breng het er maar meteen in; ik ben ook een groot fan van de strips van Asterix en Obelix. Uiteraard heb ik dat stripbeeld van Caesar haarscherp op mijn netvlies en weet ik dat er niets klopt van die verhalen en toch…kom ik op terug.

Dit boek bevat verslagen, opgetekend door Julius Caesar zelf van verschillende van zijn veldslagen in Gallië. Dat is een gebied dat groter is dan het huidige Frankrijk. Het werd verdeeld in Gallia Cisapina, ‘Gallië aan deze zijde van de Alpen’ met een deel van Noord-Italië dat al onder Romeins bestuur viel en het grotendeels nog niet veroverde Gallia Transalpina, ‘Gallië achter de Alpen’. Daarvan stond alleen een strook aan de Middellandse Zee, iets groter dan de huidige Provence, al onder Romeins gezag.

We beginnen al snel met de Inval van De Helvetiërs. Dat laat zich lezen als een uitermate boeiend verhaal over een veldslag met alles erop en eraan. Troepenbewegingen, strategie en de gevechten zelf natuurlijk;

Vanuit de hoogte gooiden de soldaten hun speren, waarmee ze gemakkelijk de gesloten formatie van de vijanden braken. Toen die eenmaal uiteengeslagen was, trokken ze hun zwaarden en vielen op hen aan. De Galliërs ondervonden veel hinder in de strijd; vaak werden enkele schilden door één rake speer doorboord en aan elkaar vastgemaakt. Doordat de speerpunt hierbij verboog, konden ze die er niet uittrekken.

Dat leest geweldig, maar zoals het nawoord prima toelicht; je moet er altijd even bij nadenken wie dit vertelt. Caesar dus. En die wist precies wat hij opschreef. Caesar zocht een aanleiding om oorlog te voeren in Gallië en verbood de Helvetiërs, die uitbreiding zochten wegens overbevolking de doortocht. De Helvetiërs gingen vervolgens onderhandelen en kozen voor een alternatieve route om Romeins gebied heen. Dat zinde Caesar niet en die veranderde meteen van argument; de Helvetiërs kwamen ‘te dicht bij de Provincie’ te wonen en moesten bestreden worden. Dus zijn titel Inval van de Helvetiërs dient behoorlijk genuanceerd te worden. Het verhaal is geschreven om Caesars provocaties te rechtvaardigen als defensieve actie. Het leidt bovendien af van een ‘detail’, het afslachten van zesduizend Helvetiërs.

De veldslagen volgen elkaar in rap tempo op want er leven talloze stammen in Gallië, ik had er geen idee van. Ik houd van details, als zijn manschappen door de Nerviërs aangevallen worden, dat er geen tijd is om de schilden uit hun hoezen te halen. Lijkt me een enorm gedoe bij een verrassingsaanval.

Caesar heeft niet alleen te maken met stammen uit Gallië, er wonen ook Germanen net over de Rijn en die moeten bij tijd en wijle ook een lesje hebben. Caesar besluit de Rijn over te steken en wil dat niet per schip doen, dat is beneden de Romeinse waardigheid. Hij laat een brug bouwen. Dat is een huzarenstuk en hij beschrijft glashelder hoe dat bouwwerk opgetuigd wordt;

Voor de brug gebruikte hij de volgende techniek. Als pijlers dienden combinaties van twee palen, anderhalve voet dik en van onderen een beetje aangepunt. Die stonden op twee voet afstand van elkaar en waren onderling verbonden; hun lengte hing af van de diepte van de rivier.

Het gaat nog even door en je zou hem zo na kunnen bouwen, maar wat valt op; zijn taalgebruik. ‘Voor de brug gebruikte hij…’ duidt op de derde persoon enkelvoud en Caesar stond erom bekend dat hij zo over zichzelf schreef. Nogmaals, hij wist precies waarom hij wat opschreef en dat geldt ook hier. Die brug is een sterk staaltje, maar het diende om een veel minder sterk staaltje te maskeren. Zoveel deed hij namelijk niet over de Rijn. Hij verbleef er maar kort en boekte er geen grote overwinningen. Zo staan er ook hoofdstukken tussen met mooie en interessante beschrijvingen over de zeden en gewoonten van Galliërs en Germanen. Niet omdat Caesar zo’n enthousiast etnograaf was, maar die hoofdstukken zijn geplaatst na minder geslaagde operaties van zijn kant.

Dat laat onverlet dat het prachtig is om te lezen hoe hij een zeeslag aangaat met het kustvolk de Veneti en hoe hij de oversteek waagt naar Brittannië. Hij wint er wat gevechten maar zou het eiland niet bezetten, dat zou pas later gebeuren.

En dan die beroemde slag, de overwinning op de grote Gallische leider Vercingetorix die zijn nederlaag bij Alesia leed. Dan denk ik maar aan één ding, de lange tenen van de Galliërs in de strip Asterix en Obelix, die op de vraag naar Alesia keihard roepen; ‘Alesia? Ik weet niet waar Alesia ligt!!’ Natuurlijk is het een verzonnen strip, maar daarin zijn altijd historische feiten verweven en die pijnlijke nederlaag is er één van. Ook de druïden, ook bekend uit de strip, worden toegelicht door Caesar in zijn verhalen.

Oorlog in Gallië is dus een document dat zich makkelijk laat lezen als een boek vol veldslagen, maar altijd met in het achterhoofd door wie het is geschreven en waarom. Uiteindelijk is het een propaganda-epistel waarin Caesar er prima uitkomt, en waar de talloze slachtoffers en onmetelijke zelfverrijking maar een terloopse of geen rol spelen. Dat Caesar een prima stilist en schrijver is blijkt uit het feit dat het boek lang in Latijnse lessen is gebruikt. Ik gebruik het als een zeer boeiend verhaal, waarbij mij vagelijk bekende geschiedenissen een hoop betekenis krijgen. Voor achtergronden over de slag bij Alesia verwijs ik graag naar de weblog van historicus Jona Lendering, die hier een paar prima achtegrondartikelen over schreef.

Vertaling; Vincent Hunink

 

9403196203.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De Donau is de op één na langste rivier van Europa die ontstaat in het Zwarte Woud in Duitsland en die via de Donaudelta uitmondt in de Zwarte Zee. De Italiaanse schrijver, vertaler en filosoof Claudio Magris heeft, volgens de beschrijving, een moderne odyssee langs het kloppend hart van Centraal-Europa geschreven. Hij volgt de loop van de rivier, van Duitsland via Oostenrijk en Hongarije, de Balkan, Roemenië en Bulgarije en zoekt uiteindelijk naar de definitieve monding in de Zwarte Zee.

Het is geen reisbeschrijving alleen, het is een ontmoeting met plaatsen, mensen, gebeurtenissen en verhalen die hij tegenkomt. Soms dingen die Magris meemaakt onderweg, soms puttend uit zijn kennis. Hij begint echter met een staaltje aardrijkskunde, want waar ontspringt de Donau nu precies? Daar begint het gedonder al, want dat is nog niet zo makkelijk. Twee plaatsen maken er aanspraak op en er is zelfs een verhaal dat de rivier doodgewoon bij een kraan begint die men niet dicht krijgt.

Vervolgens gaat Magris op pad en komt bij Ulm in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg. Hier wordt de Donau bevaarbaar, maar Magris staat vooral stil bij de overgave aan Napoleon van de Oostenrijkse generaal Mack. ‘De ongelukkige Mack’, over wie Tolstoj schrijft in Oorlog en vrede. Als dan ook de Oostenrijkse schrijver Grillparzer wordt opgevoerd met zijn opmerkingen over Napoleon (hij was fel aanhanger) heeft u een indruk van hoe Magris te werk gaat in dit boek. Personen worden niet aangekondigd, u weet maar wie Grillparzer is of u zoekt hem op.

Toch houd ik daar van. Het doet mij inderdaad veel opzoeken en ik raak dan wel bij zo’n boek betrokken. Als ik lees dat in Passau drie rivieren samenkomen, waaronder de Donau uiteraard, zoek ik Passau op en wil weten hoe die stad er bij ligt. Magris legt uit waarom de rivier daar verder gaat als Donau, terwijl de rivier de Inn daar breder, dieper en rijker aan water is dan de Donau en bovendien een langer traject achter de rug heeft.

Ik leer aardig wat bij van zo’n boek. In Linz aangekomen lees ik dat volgens de overlevering daar het geboortehuis van ‘Marianne Willemer geboren Jung, ofwel Goethes Suleika’ zich daar bevindt. Lezers van mijn blog weten dat ik een warme belangstelling voor Goethe heb en Suleika is mij bekend, maar waar ik nooit bij stil heb gestaan (over overheen heb gelezen, kan ook), is dat deze Marianne een paar gedichten heeft geschreven die Goethe heeft opgenomen in zijn dichtbundel Westöstlicher Divan.

Wenen komt uitgebreid aan bod natuurlijk. Omdat een componist ooit iets heeft geschreven over een mooie, blauwe Donau (die allesbehalve blauw is), maar ook vanwege de veel leukere verhalen over het beeld van de dichter Altenberg die al jaren aan een tafeltje in het Café Central zit, de tragische dood van barones Maria Vetsera en haar aartshertog Rudolf van Habsburg en de herinneringen aan het beleg van de Turken voor Wenen. Soms gaat alle eruditie even overboord en gaat Magris mee met de heer Baumgartner, om op de Centrale Begraafplaats van Wenen te jagen op konijnen en ander klein wild die alle boeketten maar wat graag tot zich nemen.

Eén van de mooiste portretten in het boek is niet van een dichter of veldheer, maar van oma Anka, een tachtigjarige vrouw uit Bela Crkva in Servië. Ze overleefde vier echtgenoten (van twee heeft ze veel gehouden, de twee anderen heeft ze geduldig verdragen) en zorgt op haar oude dag voor een zieke vriendin;

Wanneer oma Anka in Bela Crkva is, brengt ze de nachten wakend bij haar door, kennelijk zonder moe te worden, ze praat urenlang met haar, streelt haar, veegt het speeksel van haar kin…het komt niet bij haar op dat ze, zoals dat heet, goed werk verricht, dat is een begrip dat voor haar niet bestaat, ze doet het en daarmee uit.

Zo slingeren de gedachten en beschrijvingen van Magris prachtig met de Donau mee. Van de geschiedenis van Timişoara meandert hij naar een prachtig stuk over de poëzie van de in Roemenië geboren Paul Celan. Hij vertelt over de lastige positie van de Turken in Bulgarije (deze zijn er niet, het zijn tot de Islam bekeerde Bulgaren) maar geeft de andere kant weer van vijfhonderd jaar van Ottomaanse onderdrukking. Vergeten volkeren (althans, door mij) als de Bogomielen worden onder het stof vandaan gehaald om vervolgens weer een verhaal te beginnen met Manuscripten in de Donau;

In Vidin viel Petko Slavejkov, de eerste echt moderne Bulgaarse dichter, in het water van het riviertje de Cibar, en daarbij raakte hij een paar manuscripten kwijt; andere dichterlijke papieren werden hem op noodlottige wijze door de Donau ontrukt, de rivier waaraan je…elk boek over de rivier zou behoren te offeren, van Neweklowsky’s Opus Danubiale tot al die werken van zijn navolgers.

Dan zoek ik Vidin, Slavejkov en Neweklowsky op want ik ken ze niet. Zo laat Magris regelmatig een naam vallen waarvan je maar moet weten wat hij bedoelt, zoals wanneer hij zegt dat het portret van Midhat Pasja (wordt ook niet toegelicht maar is een Ottomaans grootvizier) een bril droeg als Cavour. Cavour? Het blijkt Camillo Benso di Cavour, een Italiaans staatsman (Magris is Italiaans) met kenmerkende ziekenfondsbril.

Ik had opgeschreven dat een kaartje van de Donau met de loop en de beschreven plaatsen niet had misstaan in dit boek. Daar kom ik van terug. Het was prima om interactief bezig te zijn met dit boek. Plaatsen, personen en de loop van de rivier zelf, ik heb het uitgebreid meebeleefd.

Vertaling; Anton Haakman

 

cd43e3244ef148d597651487741444341587343_v5
Ik las voor het eerst over Hotel Schiller van Marjolein Bierens in de lovende recensie van Bettina Grissen. De voorkant van het boek sprak mij aan, maar de ondertitel nog meer, want die belooft een geschiedenis van een hotel tijdens de interbellumjaren. Dat is een periode die mijn warme belangstelling heeft. Bovendien heb ik in Amsterdam gestudeerd en ben ik bekend met het aanzicht van dit hotel op het Rembrandtplein.

Op dat plein begon het allemaal niet. Na een kort overzicht van de geschiedenis van het hotel neemt de auteur je meteen mee in het verhaal;

Om het verhaal over het hotel vanaf zijn oprichting mee te kunnen maken…moeten we nog verder terug dan het jaar van oprichting in 1913.
Halverwege de negentiende eeuw streek een altijd dorstige Duitse emigrant neer aan het Damrak, waar hij een drinklokaal pachtte dat De Kuil van Schiller heette.

Die vader was Georg en hij was degene die zijn café naar het Rembrandtplein verhuisde. Zoals dat gaat werden panden opgekocht in de buurt en kwam er ruimte voor een groot hotel. Georg maakte dat niet meer mee, zijn zonen Frits en Hein en later dochter Elsa zouden het hotel gaan runnen.

In 1913 opende het hotel haar deuren en in het boek is dat het startsein voor een niet aflatende stroom verhalen over het hotel, haar bewoners en bezoekers en het Rembrandtplein zelf. Het is een feest om te lezen. Eén van die vaste bewoners is Nap de la Mar met zijn dochter Fientje. Twee theatervedetten met een bekende naam, maar een boek als dit brengt hen tot leven, wat in het geval van Fien trouwens niet altijd onverdeeld positief uitvalt. Hetzelfde geldt voor de door mij bewonderde zanger Louis Davids, die een frequente gast was.

Er wordt een apart hoofdstuk gewijd aan het society-drama van het jaar, de moord op zanger en cabaretier Jean-Louis Pisuisse en zijn vrouw Jenny Gilliams net nadat zij Hotel Schiller hadden verlaten. Spannend om te lezen, maar nog mooier zijn de portretten van figuren als de schoenpoetser Joseph, de aapjeskoetsier De Taaie die met zijn koets Europa door ging en de zwerver Hadjememaar die het tot lijsttrekker zou schoppen van de Rapaillepartij.

Over portretten gesproken, Frits Schiller was naast hotelier ook kunstschilder. Hij heeft vele gasten geportretteerd en droeg de kunsten en kunstenaars een warm hart toe. Niet zelden liet hij rekeningen zitten, tot ongenoegen van zijn broer Hein die over de financiën ging. Bierens gebruikt die schilderijen ook door het boek heen om de verhalen te vertellen en er staan er verschillende paginagroot in het boek afgedrukt. Overigens hangen er in het huidige hotel Schiller nog steeds veel schilderijen van Frits.

Hotel Schiller heeft ook te maken met de tijdsgeest dus breken er ook stakingen uit. Het volgende citaat laat zien hoe Bierens het verhaal vertelt in dit boek;

Het wegblijven van het personeel was niet eens het ergste, maar die leegte, die absolute stilte die in het hotel hing…Hij had nog tegen Hein gezegd: ze moesten het niet persoonlijk nemen. Het was gewoon de tijd van leven. Dit was waar zijn geliefde bohemiens over schreven en hun liederen over zongen.

De auteur vult het één en ander in om er een goed lopend verhaal van te maken en dat werkt echt prima. Je wordt zo door de jaren heen meegenomen tot na de Tweede Wereldoorlog. Zo volgen we het wel en wee van al die bezoekers door de jaren heen. Eerst de artiesten, kunstenaars en bohemiens. Daarna de intellectuelen en kunstenaars die wegvluchtten uit nazi-Duitsland. Daarna de Duitsers zelf en in mei 1945 de bevrijders, de Canadezen. Hoe wrang dat het hotel onder die laatsten nog het meest te lijden had. Daarna kwamen de Binnenlandse Strijdkrachten nog en het is mooi af te sluiten met hoe het boek eigenlijk begint, want na dit stuk werd de grote sprong achteruit in de tijd gemaakt om alles van voor af aan te vertellen in een meeslepend verhaal;

En toen was het hotel moe. Stemming en emoties waren in de muren getrokken en hadden de kalk doen verkleuren en de verf doen bladderen…In 1950 werd er gerenoveerd. De jaren van het interbellum werden van de muren geschraapt, afgeschuurde vloeren werden toegedekt met een nieuw tapijt. Pas toen alles schoon was, naar nieuwheid rook en gedroogde verf, werd duidelijk wat verloren was gegaan. Een hele tijdsperiode was weg.

9401907560.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als liefhebber van geschiedenis is het ook wel eens leuk om wat dichter bij huis te blijven. Daarom las ik Strijd om West-Frisia van Kees Nieuwenhuijsen. Dat beschrijft de ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland in de periode 900 – 1100.

West-Frisia was een gebied dat zich uitstrekte van Texel tot Zeeland. Dat gebied werd in de tiende eeuw geteisterd door aanvallen van Vikingen. Godfried de Deen was één van hen, maar hij maakte een afspraak met Karel de Dikke, de keizer van het Frankische Rijk. Als de Vikingen hun plunderingen zouden staken, zou hij militair opperbevelhebber worden van heel Frisia, van het kustgebied vanaf het Zwin tot aan de Eemsmond plus de Betuwe. Er kwam weinig van terecht en Godfried werd vermoord. Die moord was het begin van het tijdperk der Gerulfingen. Stamvader Gerulf greep de macht.

Die macht van de Gerulfingen zou ruwweg de periode 900 -1100 beslaan en het zou wat ver voeren al zijn opvolgers hier te noemen. Nieuwenhuijsen doet dat chronologisch in zijn boek van ruim 220 pagina’s. Gerulf werd in ieder geval door de Frankische vorsten aardig in het zadel geholpen door grote schenkingen van stukken land.

Met die groei stichtten zij ook een abdij in Egmond en ook in Vlaanderen verworven ze een machtspositie. Conflicten waren er uiteraard ook genoeg. Met de eigen inwoners, maar ook met het bisdom Utrecht waren er voortdurend spanningen. De bisschoppen wilden land hebben in West-Frisia, dat in die tijd op grote schaal ontgonnen werd. Hiervoor werden verschillende veldslagen uitgevochten, en zo krijgen we beschrijvingen van de Slag bij Andernach, de Slag bij Vlaardingen, de Slag bij Bodegraven, de Slag bij Kassel en de Slag bij IJsselmonde.

Er zijn niet heel veel bronnen die terugvoeren op deze periode, hoewel de literatuurlijst achter in het boek vrij indrukwekkend is. Nieuwenhuijsen geeft aan dat er vaak meerdere versies van één verhaal zijn en die worden in aparte kaders ook weergegeven. Dat leest erg prettig en de auteur geeft ook meteen aan welk verhaal waarom het meest plausibel is. Zo vertelt hij over het beleg van Alkmaar;

Het beleg van Alkmaar in 1072 werd pas op het eind van de vijftiende eeuw voor het eerst door geschiedschrijvers vermeld. Johannes van Leiden († 1504) en Johan Veldenaer (circa 1480) vertelden dat Godfried met de Bult tijdens zijn veroveringstocht in de stad Alkmaar zijn hoofdkwartier had ingericht…De ontzettingsmacht kwam nadat het beleg al negen weken had geduurd…Er sneuvelden maar liefst 8000 Friezen en de gevangengenomen leiders werden onthoofd, als afschrikwekkend voorbeeld…Een belegering van negen weken is echter moeilijk voor te stellen, omdat Alkmaar in de elfde eeuw een eenvoudig dorp was en geen ommuurde stad. Pas in de dertiende eeuw werd er een burcht gesticht. Het aantal van 8000 doden is zeker niet realistisch, want dan zouden er in Frisia ulterior vrijwel geen weerbare mannen meer over zijn geweest.

Deze duiding werkt verhelderend en dat doen ook de vele kaartjes en stambomen in het boek. Die zijn ook wel nodig, want de grafen leefden niet allemaal even lang, de ene Dirk volgt de ander op, dus je moet je hoofd er af en toe wel even bij houden.

Naast de stamboom der Gerulfingen komen we ook veel te weten over het ontginnen van het land. West-Frisia was een veenrijk gebied en bewerking was nodig om het bewoon- en bebouwbaar te maken. Ook zijn er aparte hoofstukken gewijd aan de verschillende soorten burchten die werden gebouwd en over het godsdienstig leven in die tijd. Ik noemde de abdij van Egmond al, maar ik leerde zelfs bij over de mij zo bekende Domkerk in Utrecht; ik had geen idee van de twee keizersteentjes in die kerk, waar de ingewanden van Koenraad II onder werden begraven in 1039.

Van het geloof komen we ook op de Kruistochten; de grafen en bisschoppen werden verzocht om daar aan deel te nemen en in de bijlagen is een mooie lijst opgenomen van wie precies met hoeveel manschappen moest deelnemen.

Kortom; het is geen dik boek maar wel een boek met een hoop samengebalde kennis en feiten over een voor mij relatief onbekende periode in de Nederlandse geschiedenis. Het is bovendien een mooie opmaat voor het boek van Henk ’t Jong, die het verhaal voortzet in zijn boek De dageraad van Holland, over de geschiedenis van het graafschap in de periode 1100-1300.

9035130448.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het gevleugelde woord van Herman Pleij is deel drie van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur en gaat over de periode 1400-1560.

We duiken meteen de stad in en Pleij vertelt uitgebreid waar we woorden en teksten zoal tegenkomen, in het begin van de 15e eeuw. Er zijn straatdichters, klerken, wijkgezelschappen met een beginnend literair leven of de ‘chic’ met gevorderde literaire kringen. Wat dit boek veel heeft én ook nodig heeft, ik kom er op terug, zijn voorbeelden uit de praktijk. Pleij is al even met zijn verhandeling bezig als hij ineens over de Gentse Pieter Wicken begint, de klerk die het pachtboek van het plaatselijke Sint-Jacobshospitaal bijhoudt. Droge kost, maar Wicken wisselt ze af met meiliederen;

‘Laet ons de mey wat loven / met love heeft hy bestoven / die hove / nort ende suut / ghelyc die rosen sten in cruut / zo neemt hy huut / viertuut.’ Daarmee creëert hij een bedwelmende woordenstroom rond de drogerende effecten van de in mei ontwakende natuur, die hij met een laatste ademstoot opdraagt aan de natuurlijke scheppingskracht in het algemeen: ‘viertuut’. Daarna schrijft hij weer verder aan de ontvangen bedragen.

Waar schrijven en literatuur in de geestelijke wereld al gemeengoed is, dringt het woord steeds meer door tot de burger. Er komen schrijvers en dichters en Jan van Boendale (1280-ca. 1351), een Brabantse schepenklerk en schrijver, is de eerste grote naam die we tegenkomen. Anthonis de Roovere (1430-1482) en Anna Bijns (1493-1575) zijn ook bekende namen. De eerste was schrijver voor de rederijkerskamer De Heilige Geest in Brugge. Rederijkers waren amateurdichters en voordrachtskunstenaars en hun rol in de literaire wereld wordt uitgebreid toegelicht. Anna Bijns was een Antwerpse lerares en dichteres. Zij mocht als vrouw geen lid zijn van een rederijkerskamer maar het was duidelijk dat haar gave om te dichten ver boven iedereen uitstak. Haar werk wordt wel tot dat van de rederijkers gerekend en zij was een verdediger van de contra-reformatie en verklaard tegenstander van Maarten Luther. Pleij maakt een opmerkelijke vergelijking;

…in zekere opzichten is zij de Gerard Reve van haar tijd. Ook diens oeuvre hoort niet zozeer afgemeten te worden aan zijn extreem conservatieve standpunten in het spoor van de moederkerk, maar eerder aan de superieure verwoordingen van afwijkende levenshoudingen die hevig kunnen ontroeren, heftige tegenspraak plegen uit te lokken en evenmin de humor schuwen. En zo is het ook met Anna Bijns.

Verhelderend geschreven en dat geldt voor heel veel in dit boek. Blijde inkomsten, ommegangen, speeltoneel, poppentheater, mystiek en devoten; er komen nogal wat onderwerpen voorbij. Met name het toneel in al zijn facetten en de teksten die gedeclameerd worden krijgen veel aandacht. Pleij weet er veel van en daar ligt voor mij een beetje de makke van dit boek. Het helpt als je de eerste twee delen van deze serie gelezen hebt, erg geïnteresseerd bent in het onderwerp of er al veel van af weet. Die eerste twee zitten bij mij goed en voor mij was dit een prima boek, maar ik vraag mij af voor wie nog meer. De eerste twee delen van Frits van Oostrom lezen veel makkelijker dan dit deel. Dit is erg academisch geschreven en die praktijkvoorbeelden zijn dan ook broodnodig.

Dat neemt niet weg dat er erg veel moois in dit boek staat. Ik wil lezen over spotsermoenen en schijnheiligenlevens. Over Het Gilde van de Blauwe Schuit, de schelm Uilenspiegel, Mariken van Nieumeghen, de reizen van Jan van Mandeville en over Suster Bertken die zich liet inmetselen in een cel in de Utrechtse Buurkerk (ik liep er afgelopen weekend nog langs). Verder maakt Pleij mooi inzichtelijk hoe de boekdrukkunst in alle geledingen van de samenleving doordringt. Wijsheden, anekdoten en liederen kwamen voor iedereen beschikbaar en resulteerden in prachtige werken als het Antwerps liedboek. Er kwamen boeken voor in huis, hoewel privé lezen nog geen gemeengoed was. Het begon met kalenders, almanakken en rijmprenten en langzaamaan kwam er vermaaksliteratuur de huishoudens binnen. Zo schuiven we langzaam door de tijd op weg naar het volgende deel over de periode 1560-1700.

Voor mij was dit een mooie reis en ik ga de andere delen zeker nog lezen, maar die 768 pagina’s zijn niet voor iedereen weggelegd ben ik bang.

9025364039.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik weet niet of de titel De gang naar Canossa van Tom Holland nu zo’n wervende titel is voor een geschiedenisboek, of je moet het meteen kunnen plaatsen. De waanzinnige veertiende eeuw van Tuchman lokt misschien meer, maar dit boek is net zozeer de moeite waard.

De gang naar Canossa verwijst naar de boetetocht van keizer Hendrik IV, toen hij zich te voet door de Alpen naar de burcht Canossa sleepte, om vergeving te vragen aan Paus Gregorius VII voor zijn excommunicatie. Uiteraard was dat cruciaal voor zijn zieleheil en wilde hij graag van die ban af.

Dit gegeven grijpt Tom Holland aan voor een duizelingwekkende reis door Europa rondom de eeuwwisseling en daarvoor. In die zin is het interessant de oorspronkelijke titel van het boek erbij te halen, namelijk Millenium. Het boek gaat over de ‘investituurstrijd’, de strijd tussen de Katholieke Kerk en koningen om bisschoppen te benoemen. Koningen legden met hun legers de macht op aan bisdommen en Gregorius VII wilde de Kerk aan die macht onttrekken;

In zijn persoonlijke leven durfde Gregorius nog verder te gaan als hij zijn gedachten wilde ordenen over het lot waartoe God hem bestemd had. Aan een niet-gepubliceerd memorandum vertrouwde hij een reeks opzienbarende gedachten toe: ‘Dat alleen de paus van Rome het recht heeft op de benaming “universeel”; ‘dat alle vorsten alleen de voeten van de paus kussen’; dat hij de bevoegdheid heeft keizers af te zetten’. Beweringen die zo boud waren dat zelfs de schrijver ze niet hardop had durven uitspreken.

Dit alles kon niet los worden gezien van de Openbaring van Johannes, die had voorspeld dat over 1000 jaar na de geboorte van Jezus het einde der tijden zou aanbreken, voorafgegaan door de komst van de Antichrist. Dit beeld speelt constant door het panorama dat Holland neerlegt in de aanloop naar die gang naar Canossa in 1077. Frankrijk was een lappendeken van vorstendommetjes waar de kastelen als paddestoelen uit de grond rezen. Er staat een prachtig verhaal in over de voor mij volslagen onbekende graaf van Anjou, Fulk ‘Nerra’. Het gaat over de Noormannen die Europa teisteren en zich via Rusland een weg banen naar de Zwarte Zee, maar ook over de opkomst en dreiging van de Saracenen, die het dan nog christelijke Constantinopel belagen. Het gaat over de machtsstrijd in Engeland en over Spanje aan het begin van de herovering van dat gebied op de moslims. Interessant hier is de vergelijking van de Islam met het Christendom. De Islam kent immers geen scheiding tussen religie en staat en heeft volgens Holland ‘geen Canossa gekend’, wat voor mij het belang van de Nederlandse titel weergeeft.

Het is verrassend om te lezen hoeveel voortekenen er gezien werden in die tijd van de naderende apocalyps. Sommigen prima verklaarbaar in de ook nu nog bekende kometen, sommige verschijnselen traceerbaar door vergelijkbare waarnemingen, maar Holland noemt er ook die helemaal niet verklaard worden;

Binnen vijf maanden na het concilie van Clermont, terwijl de paus in hartje Frankrijk Pasen vierde, verscheen er inderdaad een mysterieus kruis aan de hemel. Net als vele eeuwen daarvoor tijdens het legendarische bewind van de eerste christelijke Romeinse keizer, vatten degenen die het zagen het op als een teken van zekere overwinning.

Geen noot ter verklaring of onderbouwing hier. Holland heeft verder wel een losse hand van schrijven die mij bevalt. Een millenium beschrijven binnen 400 pagina’s is geen kleine opgave en de hoofdstukken wijzen op grote stappen, maar hij schroomt niet om allerlei details te noemen, soms met de nodige humor en daar houd ik van;

…de Wenden, een volk dat nog steeds schaamteloos zijn afgoden vereerde, mensenoffers bracht, en beleidskwesties oploste door vragen te stellen aan een paard.

Het boek sluit voor mij mooi aan op het eerder genoemde boek van Tuchman. Ze geven samen een mooi beeld van het Europa in de Middeleeuwen en daarvoor en juist dit boek gaat over een periode die bij mij nogal onderbelicht was.

Vertaling; Christien Jonkheer

9200000079154757
Rauter, Himmlers vuist in Nederland is de omvangrijke biografie die Theo Gerritse heeft geschreven over de man die de taken van SS-leider Heinrich Himmler uitvoerde in Nederland. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ik nooit van Rauter had gehoord tot dit boek verscheen en Gerritse onderschrijft dit wel een beetje. Waar Mussert, Seyss-Inquart en Van Tonningen nog bekende namen zijn, is de naam Rauter zo’n beetje gewist uit ons nationale geheugen, geeft hij aan.

Dat wordt met dit dikke boek van ruim 600 pagina’s meer dan rechtgezet. Rauter was namelijk alomtegenwoordig. Zijn naam stond onder de aangeplakte bulletins waarin melding werd gemaakt van voltrokken doodvonnissen. Hij sloeg de Februaristaking van 1941 bloedig neer. Hij hield het toezicht op de ongestoorde deportatie van de Nederlandse joden en de jacht op verzetsmensen. Hij tekende het ‘dennenboompje’ waarmee hij het startsein gaf voor de sluipmoorden (Silbertanne) op vermeende ‘vijanden’ van het Duitse rijk. Een gevreesde, compromisloze man, door en door soldaat, een sober levend mens en tot alles bereid om zijn bevelen op te volgen.

Hij werd geboren in Oostenrijk en vocht in de Eerste Wereldoorlog mee. Daarna verhuisde hij naar Duitsland om daar dienst te nemen. Hij groeide op met het nationaal-socialistisch gedachtegoed en antisemitisme maakte daar een groot deel van uit. De ervaring van een verloren oorlog was bepalend voor de rest van zijn leven. De auteur geeft aan dat met de wapenstilstand of na de gesloten verdragen de oorlog voor Rauter niet ophield. Die ging gewoon door.

Dat doet zich voelen als hij in de Tweede Wereldoorlog in Nederland wordt gestationeerd, als hoogste SS-officier die aan Himmler moet rapporteren. Zoals gezegd volgde hij zijn orders nauwgezet, maar soms ging hij zelfs verder. Hij voldeed aan de quota van Joden die op transport moesten maar zorgde daarnaast ook voor sterilisatieprogramma’s. Joden over wiens lot nog niet was beslist konden kiezen; steriliseren of alsnog op transport. Hij kwam ook met de ‘Gegenterror’ onder de naam ‘Silbertanne’. Als er een aanslag werd gepleegd dan werden er een aantal aangewezen slachtoffers, van wie vermoed werd dat ze tegen de autoriteiten waren, vermoord.

Vreselijke daden, maar Rauter was er vast van overtuigd dat ze geoorloofd waren in een oorlogssituatie. Wat betreft de Jodenvervolging was hij duidelijk;

Ich will gerne mit meiner Seele im Himmel büssen vor dem was ich hier gegen die Juden verbrochen habe.

Hij was niet vies van dergelijke uitspraken en veel hoofdstukken beginnen er ook mee. Het laat wel zien hoe Rauter in zijn werkelijkheid stond;

Es (kommt) nicht so sehr darauf an, dasz der rechte Mann niedergeschossen wird. Auf der Strasze werden auch Unschuldige erschossen (…) Es kommt vielmehr darauf an, dasz im rechten Augenblick Tote fallen.

Rauter zou uiteindelijk ook neergeschoten worden bij een aanslag en heimelijk had hij gehoopt daar als echte Germaanse krijger bij om te komen. Dat gebeurde niet. Hij revalideerde en na de oorlog werd hij in Nederland berecht. Het is verbijsterend om te lezen hoe dat er aan toe ging. De rechtszaak was van Nederlandse kant slecht voorbereid, hoewel de uitkomst al vast stond, de doodstraf. Waar Rauter eerst niet wegliep voor zijn verantwoordelijkheid, soms zelfs zijn daden behoorlijk aandikte, probeerde hij alles voor de rechter te bagatelliseren. Hij loog er af en toe op los en probeerde zichzelf uiteindelijk zelfs als zoenoffer te geven.

Het maakte allemaal niet uit, de doodstraf stond al vast. Hij stond er wel op zonder blinddoek en niet geboeid voor het vuurpeloton te verschijnen. Naar verluid heeft hij zelfs “Vuur!” geroepen, waarna hij daadwerkelijk doodgeschoten werd.

Het is een uiterst boeiend en uitgebreid verhaal wat Gerritse heeft opgetekend. Er was heel veel bekend en gedocumenteerd over Rauter dus dat moet een enorme klus zijn geweest. Het is een dik boek met een groot notenapparaat, maar ik las het in één adem uit. Wat ik erg interessant vond is de duiding van hoe deze man tot zijn daden is gekomen. Het is makkelijk om iemand weg te zetten als verknipte persoon, maar er is veel meer over te zeggen en dat doet Gerritse. Een paar zinsneden daarover;

Hij was een Germaans krijger geweest. Maar Rauter was ook een SS-zendeling, die in de loopgraven aan het Isonzo-front…een specifiek idioom had ontwikkeld…Hij was in Nederland een Einzelgänger die niet rookte en nauwelijks dronk…Hij was een idealist die stond voor zijn zaak, wat de consequenties ook mochten zijn…Als het om Joden ging, kende Rauter geen scrupules en plichtplegingen…’Kämpfer’ en ‘Soldat’ met een ridderlijke inslag, zo zag Rauter zichzelf.

Daar valt dus veel over te vertellen en dat heeft Gerritse knap gedaan. Het is wel handig om een beetje Duits te kennen omdat er heel veel citaten in staan, hoewel er soms een lastig woord vertaald wordt door de auteur en de rest ook voor niet-Duitssprekenden in de regel uit de context of uit de Duitse tekst zelf is op te maken.

0e7b9bcfd511baa596967747551444341587343
Het was de afgelopen jaren wel eens behelpen met het boekenweekgeschenk maar Leon & Juliette van Annejet van der Zijl is een voltreffer. Het gaat over de liefdesgeschiedenis tussen Leon Herckenrath, telg uit een burgemeestersgeslacht uit het Westland, en Juliette, dochter van een slavin uit Charleston aan de Oostkust van de Verenigde Staten uit begin 19e eeuw.

Leon groeit op in het dorp Monster waar zijn vader burgemeester is, op het landgoed Geerbron. Waar zijn broers betrekkingen in Nederland vonden kon Leon zijn vleugels uitslaan om in de Verenigde Staten zijn geluk te beproeven. Hij bemachtigt de post van consul en vindt een gastadres bij ene James Magnan, een Franse koopman en plantagebezitter en vertrekt naar Charleston.

Charleston is een mondaine stad in South Carolina. De auteur beschrijft het als volgt;

Was Charleston een vrouw geweest, dan zouden adjectieven om haar te beschrijven tekortgeschoten zijn. Mooi was ze ongetwijfeld, en daardoor trots en ijdel. Ze was fabelachtig rijk, gewend aan het beste van het beste en verzot op plezier en luxe. In veel opzichten was ze fantastisch gezelschap: gul, gastvrij en vrolijk; cultureel onderlegd en kosmopolitisch, dol op muziek, theater en dansen. Maar achter al die schoonheid en dat savoir-vivre was ze wreed, en als het erop aankwam hypocriet en volstrekt gewetenloos.

Want wat direct opviel was de donkere bevolking. Meer dan de helft was van Afrikaanse afkomst en slavernij en de bijbehorende ellende en gruwelijkheden waren een geaccepteerd en onmisbaar fenomeen. Leon werd ziek en werd verpleegd door Juliette, de dochter van een slavin van Magnan. Hij overleeft, wat helemaal geen vanzelfsprekendheid was, en gaat weer aan het werk. Hij slaagt als zakenman en koopt Juliette om haar direct vrij te laten. Hij zou zelfs met haar trouwen en ook dat was geen eenvoudige zaak. Het werd eenvoudigweg niet geaccepteerd. Vreemdgaan met slavinnen gebeurde overal, maar je verbinden met een slavin was ongehoord. Leon moest dat ook verborgen houden voor zijn zakenpartners en hij ging wonen in Magazine Street, waar ook de gevangenis en het Work House waren gevestigd, een onderkomen waar ongehoorzame slaven afgeranseld werden. Hier konden Leon en Juliette relatief anoniem wonen.

Het paar krijgt veel kinderen maar komt wel in een lastig parket, want de wetten worden steeds strenger. Onderwijs wordt hen ontzegd en verhuizen naar New York of naar Nederland is vooralsnog geen optie. Uiteindelijk gebeurt dat toch. De kinderen, zeven op dat moment, worden één voor één naar landgoed Geerbron gesmokkeld. Dat was niet makkelijk, als je leest hoe Juliette zelf uiteindelijk de oversteek naar Nederland maakt met haar baby;

Nu was het haar beurt om met ingehouden adem het water tegen de houten buik van het schip te horen klotsen, met boven haar het geluid van de blote voeten van de matrozen die de kabels losgooiden, de zeilen hesen en het anker ratelend uit het water takelden. En nu was zij het die, de baby tegen zich aangedrukt – als ze maar niet ging huilen! -, de laarzen van de mannen van de slavenpatrouilles op de dekplanken hoorde, op zoek naar smokkelwaar als zij.

Juliette overleeft en komt in Monster aan. Daar moet zij haar draai vinden met haar kinderen, het is een totaal andere sfeer dan in het warme South Carolina. Ze merkt wel dat haar leven niet meer in gevaar is. Uiteindelijk komt ook Leon terug en wordt ook burgemeester van Monster, net als zijn vader. Hij laat een familiegraf bouwen in de duinen en helaas zal dat al snel nodig blijken te zijn. Laat ik veel meer maar niet weggeven, het boekje telt maar 95 pagina’s.

Het is een prima leesbaar verhaal en het lijkt de opmaat tot een uitgebreider boek, zo stelt de auteur in haar nawoord. Ik kijk er naar uit, want alleen dit verhaal deed mij al zoeken naar het schilderij van Leon Herckenrath van Jan Willem Pieneman en het familiegraf dat nog steeds te bezoeken is op Open Monumentendag maar dat nu een beetje verloren in een woonwijk staat. Kortom, genoeg materiaal om nog eens na te kijken in dit boeiende boekenweekgeschenk.