archiveren

Geschiedenis

9045016990.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Hoe moet je het boek Hoogtij langs de Seine van Diederik Stevens nu eigenlijk noemen? Een kunstgids, een stadsgids, een geschiedenisboek? Het heeft van alles wat. De ondertitel luidt Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs, waarbij we dan blijkbaar vaststellen dat een schrijver geen kunstenaar is.

Maar zo begint het ook. Het boek telt 470 pagina’s en de eerste 250 daarvan zijn gereserveerd voor korte biografieën van Nederlandse kunstenaars, zoals Simon Vinkenoog, Karel Appel, Corneille, Hugo Claus, Jan Wolkers etc. De overige pagina’s zoemen in op de locaties waar al die kunstenaars kwamen. De hotels, de academies, de ateliers en galeries, de boekhandels, bioscopen en bars, de brasseries en clubs die ze bezochten.

In dat tweede deel lijkt de schrijver op twee gedachten te hinken, want ging het niet om Nederlandse kunstenaars? Die voeren hier niet de boventoon. We lezen over Ernest Hemingway, Kiki de Montparnasse, Juliette Gréco, Pablo Picasso en al die anderen die Parijs bevolkten in de vorige eeuw.

Die twee gedachten stoorden mij overigens niet want laat ik het maar zeggen, het is één van de leukste boeken die ik ooit las. Nu niet meteen naar de boekhandel rennen, want dat kan goed aan mijn persoonlijke voorkeur liggen voor de stad Parijs in combinatie met de bohémiens die daar vertoefden. Je moet er wel van houden.

Zo leer je uit dit boek dat het beeld van de arme kunstenaar geenszins overdreven was. Het was moeilijk om aan woon- en werkruimte te komen. Appel en Corneille konden aan ateliers komen in een groot gebouw waar een vreselijke stank heerste van de huiden van een leerlooierij die daar lagen te drogen. Schrijvers en dichters zaten vaak een hele dag op één consumptie in een brasserie, omdat ze daar enigszins warm konden werken;

In korte tijd verrijst Appels provisorische atelier. Werktafels maakt hij van oude deuren…Appel schildert energiek maar wegens geldgebrek met weinig verf, en vooral op jute, in plaats van op duur linnen. Hard werken blijkt trouwens de enige remedie om warm te blijven, want het geïnstalleerde stookkacheltje heeft bij lange na niet genoeg kracht om het tochthol op temperatuur te krijgen.

Het is prachtig om van de avonturen van die Nederlandse kolonie in Parijs te lezen. Ik wist bijvoorbeeld niet dat Simon Vinkenoog zo’n verbindende factor was in die club. Maar het wordt eigenlijk nog leuker als al die locaties worden beschreven. Vanaf de ontstaansgeschiedenis tot aan heden. Je leest over al die beroemde gelegenheden als La Rotonde, Café Le Dôme, Les Deux Magots en La Coupole en vooral over wie er kwamen. De Amerikaanse schrijver James Baldwin zei:

The moment I began living in French hotels I understood the necessity of French cafés.

De Academies waar ook de Nederlanders les kregen of poseerden spelen een grote rol. De opkomst van de jazz-kelders in Parijs en alle grote sterren die er optraden, het staat er in. In het boek zijn kaartjes opgenomen met de arrondissementen die beschreven worden en alle plaatsen die worden beschreven staan aangegeven. Prachtig om een keer mee door Parijs te lopen lijkt mij.

Wat beklijft zijn de vele mooie verhalen in dit boek. Over The English Bookshop waar de flamboyante eigenaresse Gaït Frogé haar acrobatiek boven bedreef met welke schrijver dan ook. Over Victor Libion, de eigenaar van La Rotonde;

Uit de mémoires van Kiki de Montparnasse….blijkt dat de bedrijfsleiding van La Rotonde bijna dagelijks servies, bestek en glaswerk moet aanvullen omdat sommige financieel krabbende schilders de café-eigendommen onder hun trui of in hun jassen stoppen…Modigliani heeft die gewoonte alweer een tijd lang afgeworpen wanneer hij op een avond een feest in zijn atelier geeft waarbij ook Libion als gast aanwezig is. Tot zijn verrassing wordt de Rotonde-eigenaar geserveerd op hem overbekend servies. Ook blijkt de kroegbaas in de spijzen te prikken met zijn eigen tafelzilver, terwijl er evenmin onduidelijkheid bestaat over de herkomst van de wijnglazen. Libion vertrekt geen spier, staat op en vertrekt naar zijn café om wijnflessen te halen. Bij terugkomst zegt hij: ‘Alleen de wijn op tafel was nog niet van mij.’

En dat een heel boek lang. Ik ben er druk mee geweest en heb veel opgezocht over mij onbekende kunstenaars en artiesten, of om mijn geheugen weer even op te frissen. Zo weet ik nu dat het kunstwerk de knoop op winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht, waar ik honderden keren langs gelopen ben, van Shinkichi Tajiri is, een Nederlands-Amerikaanse beeldhouwer van Japanse afkomst, uiteraard ook actief in Parijs. Een boek dat ik zeker nog eens uit de kast trek.

9088030537.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het geheim van Penumbra’s boekwinkel van Robert Sloan is een roman van 300 pagina’s. Het gaat over oude boeken en nieuwe technologie, op de achterkant staat dat Oude Kennis en nieuwe Kennis gecombineerd worden. Het intrigeerde mij en boeken over boeken hebben altijd een streepje voor hier.

Het bleek een aangename leeservaring. Clay Jannon verliest zijn baan als webdesigner en vindt werk in de boekwinkel van Penumbra. De winkel is dag en nacht open en kent een vreemd interieur;

Stel je de vorm en omvang voor van een normale boekwinkel die op zijn kant is gezet. De ruimte was absurd smal en duizelingwekkend hoog en alle boekenkasten reikten tot aan het plafond. Drie verdiepingen met boeken, en misschien nog wel meer. Ik legde mijn hoofd in mijn nek…en zag de planken langzaam in de schaduwen verdwijnen alsof ze eindeloos ver doorliepen.

Er worden boeken verkocht, maar niet veel. Gangbare titels staan voorin de winkel, achterin staan heel oude boeken. Daar komt een speciaal publiek voor. Niet om ze te kopen, om ze te lenen. Het blijken gecodeerde boeken en de belangstellenden trachten fanatiek een puzzel op te lossen. Het is Clay verboden om in de boeken te kijken. Hij moet wel een logboek bijhouden, wie wat koopt of leent, hoe die persoon eruit zag, hoe de sfeer of het weer was, alles.

Clay heeft weinig te doen en maakt in zijn computer een visualisatie van de winkel. Wat blijkt, hij kan de puzzel oplossen. Als hij de punten van de plekken van alle uitgeleende boeken met elkaar verbindt, ontstaat er een gezicht. Het gezicht van de oprichter van een genootschap, die zoekt naar het geheim van onsterfelijkheid.

Clay wordt hierbij geholpen door Kat, een slimme meid die bij Google werkt. Zij zet nieuwe technologie in bij hun speurtocht en zo komen ze bij het hoofdkantoor van het genootschap in New York. Daar draait alles om één boek, de Codex Vitae ofwel het levensboek van ene Aldus Manutius. Een gecodeerd boek met de sleutel tot het eeuwig leven. Manutius gaf de sleutel maar aan één iemand door, zijn vriend en partner Griffo Gerritszoon. Die laatste was de uitvinder van een lettertype, dat alom tegenwoordig is als standaardlettertype of font, zowel in print als op de computer (let wel, in de roman).

Het is fascinerend om te lezen hoe een enorme hoeveelheid computers verbonden wordt om de sleutel te kraken;

Een geheim genootschap van geleerden werkt hier al vijf eeuwen aan. Nu zetten we het voor een vrijdagochtend in de agenda.

Het is nog spannend om te lezen ook en het is of je er bij bent;

De schermen komen tot leven in een blizkrieg van datavisualisaties en dataonderzoek. Het woord MANVTIVS knippert fel en onregelmatig in de hoekige letters van de programmeertaal en het bedieningspaneel….Spreidings- en staafdiagrammen verschijnen op de schermen. Op Kats bevel kraken en herkraken de Google-apparaten de data op negenhonderd verschillende manieren. Negenduizend. Nog geen resultaat.

Ik ga niet alles weggeven en er zit natuurlijk een twist aan het verhaal. De auteur heeft knap feiten met fictie vermengd. Het font van Gerritszoon bestaat niet, Manutius bestaat wel. Er wordt verhaald over een Accession Table waarin alle voorwerpen uit alle musea ter wereld gedocumenteerd staan. Er bestaat een research tool voor wetenschappers die zo heet, maar alle voorwerpen gedocumenteerd? Ze zouden het willen. Dat maakt het voor mij een erg aantrekkelijk boek. Oude boeken en een snuif mysterie gecombineerd met moderne technieken, ik houd ervan.

Lees ook de besprekingen van Anna en Bettina vooral.

Vertaling; Jacques Meerman

9200000051759408
Aan de Amstel in Amsterdam staat een familiehuis. Die staan er meer in de hoofdstad, maar dit is het familiehuis van de familie Six. Een familie, die al vanaf de 16e eeuw met Amsterdam is verbonden, tot aan de dag van vandaag. In dat huis ligt een enorme verzameling aan materiaal opgeslagen over de geschiedenis van deze familie. Schrijver Geert Mak had gedurende drie jaar onbeperkt toegang en dat leidde tot het boek De levens van Jan Six. De ondertitel is Een familiegeschiedenis en dat klopt, maar het is evenzeer een geschiedenis van Amsterdam en Nederland door de eeuwen heen.

Dat is meteen de grote kracht van dit boek. We volgen de opeenvolgende Jannen Six door de eeuwen heen maar net zo interessant is de tijd waarin zij leefden. Die wordt door de auteur in talloze eindeloos interessante details weergegeven. Omdat er zo’n ontzettend groot archief is, zou dit een ontzettend dikke pil kunnen zijn, maar Mak houdt het in ruim 400 pagina’s zeer overzichtelijk en uitstekend leesbaar. Geen minpunten? Wel iets, maar niets schokkends, ik kom er nog op terug.

Het verhaal begint bij Charles Six, die in de 16e eeuw vanuit Saint-Omer in Vlaanderen naar Amsterdam trekt. De familie is in goeden doen door de lakenhandel en neemt al snel een prominente plaats in. Het verhaal van de Jannen begint met Jan Six I (1618-1700). Dit is de Jan waar in het boek steeds op wordt teruggegrepen en het is de Jan wiens portret door Rembrandt is geschilderd. Het hangt nog steeds in het huis aan de Amstel. Naast Rembrandt was Vondel een huisvriend en was de beroemde art Nicolaas Tulp de vader van zijn vrouw. Dat geeft een prachtige inkijk in onze vaderlandse geschiedenis. Mak vertelt uitgebreid over Jan Six I en zijn illustere vrienden en dat is meteen het minpuntje, de andere Jannen passeren veel sneller de revue, soms ook omdat ze minder interessant zijn of omdat er minder materiaal voorhanden is, dat wel. Overigens is achter in het boek een handige tijdlijn opgenomen met de verschillende “Jannen”, die bovendien een bijnaam hebben gekregen als ‘de rentenierende Jan’ of als ‘de professor’, zodat je altijd weet met welke Jan je van doen hebt.

Terug naar het verhaal. Ik ga geen chronologie weergeven van de inhoud, lees daar vooral het boek voor, maar ik tracht weer te geven waarom ik bleef lezen in dit boek. Dat zijn vooral de details en feiten die Mak geeft, zoals wanneer hij de inboedel van het huis aan de Amstel beschrijft;

Er staat Venetiaans glaswerk en sommige smalle drinkglazen van de 17e-eeuwse voorouders zijn er ook nog, dun en hoog om de enorme kanten kragen te ontzien. Er hangt een pomander, een fraai bewerkt korfje met amber dat deftige dames vroeger aan een kettinkje tussen de plooien van hun rokken hingen om luizen en schaamlucht te weren.

Je leert in rap tempo bij zo. Het leukst vind ik misschien wel de zijpaadjes die Mak bewandelt. Zo is er een Haagse tak die hij links laat liggen, maar waar wel snel vermeld wordt dat een achterachterkleinzoon van die tak in Tolstoj’s Oorlog en Vrede opduikt als Hollandse ambassadeur.

Jan Six II is heer van Hillegom, waar hij veel land heeft opgekocht. Dat land wordt veelal begrensd met grenspalen, die nog steeds her en der zijn terug te vinden (zie de foto hieronder). De familie blijft in goede doen en verzamelt enorm veel kunst door de eeuwen heen. Er is zoveel geld, dat Jan Six III, geheel conform de mores van zijn tijd, zelfgenoegzaam rentenierend het leven doorgaat. Dat staat synoniem voor de staat van het land. volgens sommige historici:

Johan Huizinga schilderde…de periode als een ‘grote inzinking op bijna het gehele veld van de beschaving’: ‘In de plaats van de 17e eeuw, vol leven en gedruis, schuift zich het beeld naar een 18e eeuw waarin ons land in de late middagzon van een lange zomerdag lijkt te sluimeren.’ dat beeld is, terecht, omstreden. Maar het stemt wel overeen met de bevindingen van onderzoekers naar vergelijkbare elitefamilies uit die tijd…De ondernemingslust was verdwenen, het politieke leven was gestold, maar dat was niet het enige. De mensen zelf waren veranderd.

En dat laatste is iets wat mooi wordt aangetoond in het boek. Tijden veranderen, de maatschappij verandert en een grote familie als de familie Six tracht hierin mee te gaan, terwijl ze eigenlijk vast zit in een ijzeren korset van mores en tradities. Een enkeling in de familie breekt hieruit, zoals de aangetrouwde Lucretia van Merken die een groot dichteres zou worden, of Henriette Six, die het bestond om er met een burgerman vandoor te gaan.

Wat lang in stand bleef was de immense kunstcollectie van de familie. Op enig moment hingen er honderden schilderijen in het huis, waaronder ettelijke werken van Rembrandt (waaronder Maerten en Oopjen, onlangs samen met Het Louvre teruggekocht door het Rijksmuseum), Vermeer (Het Melkmeisje en Het Straatje van Vermeer), Hals, Van Ruysdael enzovoort. Daarbij nog serviezen, glaswerk, munten, kostuums en manuscripten. Het is een geluk dat de contacten met het Rijksmuseum altijd prima waren.

Aparte vermelding verdient nog Pieter Jacob Six, zoon van Jan Six VII. Ogenschijnlijk een op zijn landgoed rondscharrelend heerschap, maar in werkelijkheid het hoofd van de Ordedienst, een op militaire leest geschoeide verzetsbeweging in de Tweede Wereldoorlog. Voor zijn daden is hij beloond met de Militaire Willems-orde en je zou een apart boek aan hem alleen kunnen wijden.

Bovenstaande geeft al aan, er is eindeloos meer te vertellen en Geert Mak doet dat een stuk meer coherent dan ik hier. Er is nog zoveel meer, de Arabische sjeik die met een Six een goed heenkomen zoekt in de V&D, het gedwongen dansje van de Hillegomse burgervader Jan Six na de Franse aftocht en waarom Lucretia pas begraven mocht worden ‘tot zij begon te rieken.’

Prachtige verhalen allemaal, maar wat ik het meest interessant vind is dat je een verhaal leest over een familie die op veel vlakken erg verstrengeld is met onze geschiedenis en waar nog talloze tastbare herinneringen van zijn overgebleven, zoals de huizen in Amsterdam, de kunstcollectie, gedichten van Vondel, hun kostuums, de grenspalen van hun landerijen of het stadhuis in Hillegom. De collectie in het huis aan de Amstel 2018 is nog steeds te bezichtigen op afspraak, maar de site leert ons wel dat, door dit boek, alles al wel volgeboekt zit tot in oktober 2017.

Lees vooral ook de besprekingen van Joke en Bettina

DSCN4425.JPG
Grenspaal landgoed Jan Six

9000315700-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Met het boek De Zijderoutes van Peter Frankopan wilde ik de lezende meute nu eens voor zijn. Ik had het boek al tijden zien liggen en het sprak mij aan. Ik wachtte alleen tot er een boekenbon kwam aanwaaien. Even later werd het laaiend enthousiast besproken in DWDD én bleek het het boek van het jaar 2015 te zijn en ik wist, daar gaat mijn primeur.

Dat maakt natuurlijk niet uit. Ik houd van geschiedenis en via een vluchtige blik op de achterkant, de prachtige (gewoon in een studio in elkaar gefabriekte) omslag én de titel deed mij uitkijken naar een boek vol zwoegende kamelen door de Taklamakan woestijn en uitgebreide bespiegelingen over Marco Polo. Niet dus. Nou ja, ten dele. Het boek is gelukkig veel meer dan dat.

Het is een prachtig opgebouwd verhaal in ruim 600 pagina’s, beginnend in de 6e eeuw voor Christus. Welke koninkrijken en volken huisden er in Centraal-Azië en hoe kwamen de eerste zijderoutes tot stand. Dat levert direct al een beeld op wat de actualiteit in een schril contrast zet. Zo schrijft een 7e-eeuwse Chinese tekst over Syrië:

Syrië…was een land dat ‘vuurbestendig weefsel, levensherstellende wierook, schitterende maanparels en nacht-glanzende edelstenen vervaardigt. Rovers en bandieten kennen ze er niet, de mensen zijn gelukkig en vreedzaam. Er zijn alleen hoogstaande wetten; louter deugdzame mensen worden tot de hoogste macht geroepen’.

Het boek werkt in heldere hoofdstukken de geschiedenis door en neemt het begrip “Zijderoutes” als metafoor voor wereldwijde handelsbewegingen. Zo leer ik dat de Vikingen afzakten door Rusland tot aan de Zwarte Zee en zelfs als de vaders van Rusland kunnen worden gezien. Zo zorgden zij ook voor een zijderoute naar het Westen, er is zijde uit China gevonden in Scandinavische graven uit die tijd.

De inval van de Hunnen in Europa, de expansie van de Islam, de Mongoolse veldtochten, de ontdekkingsreizen van Marco Polo en Columbus, slavernij en de bloedige verovering van de Amerika’s, het zorgt allemaal voor ongekende handelsstromen . Zo maakt de auteur mooi inzichtelijk dat een prachtig gebouw als de Taj Mahal in India het gevolg kon zijn van het goud en zilver dat aan de Amerika’s werd onttrokken en zijn weg naar Azië vond. Ironisch dat de welvaart van de door Columbus gezochte Indiërs betaald werd door het leed van de door hem gevonden Indianen…

Even dacht ik dat de Engelse auteur een Nederlander was, omdat de Nederlandse handel en heerschappij vrij uitgebreid aan bod komt. Uiteindelijk is het fascinerend om te lezen hoe, na het vinden van de grote olievoorraden en de landen die er aan verdienen, het zwaartepunt van de handel weer verschuift. Er worden oorlogen uitgevochten en we krijgen onthutsende inkijkjes en opfrissers over hoe het ook al weer werkt op deze aarde. Jawel, na de Iraakse inval werd Iran ruimschoots bevoorraad door Israël, een Iraakse nederlaag was strategisch nadelig voor de Verenigde Staten, welke bewust een oogje toeknepen bij Saddam’s gebruik van gifgassen tegen de Koerden.

Osama bin Laden plant zijn aanslagen en er volgen nog meer oorlogen in Afghanistan en in Irak. De auteur laat pijnlijk duidelijk zien op welke magere gronden die conflicten worden aangegaan. Uiteindelijk komen er, juist in de gebieden van de oude zijderoutes, weer nieuwe economieën en machtsblokken op. China zoekt toenadering en er ontstaan weer nieuwe verbindingen:

Er komen ook nieuwe markten tot stand die onderling verbonden worden, wat weer leidt tot een nauwe samenwerking tussen Afghanistan, Pakistan en India, waarvan de belangen duidelijk parallel lopen als het gaat om een aansluiting op overvloedigere en goedkopere energie via een nieuwe pijpleiding…Het traject – langs de grote weg vanaf de gasvelden van Turkmenistan naar Herat, Kandahar en vervolgens naar Quetta en Multan – zou de Sogdische kooplieden die tweeduizend jaar geleden actief waren, net zo vertrouwd zijn geweest als de 17e-eeuwse paardenhandelaren, en net zo herkenbaar voor Britse spoorwegplanners en strategen in de Victoriaanse tijd als voor dichters die onderweg waren naar het middeleeuwse hof der Ghaznaviden.

Dat is ook de mooie afsluiting van dit fascinerende boek. Terwijl de westerse wereld zich afvraagt waar het gevaar nu weer vandaan komt, komen er ‘op de rug van Azië’ allerlei nieuwe netwerken en verbindingen tot stand of worden ze hersteld. De zijderoutes komen gewoon weer op.

Vertaling; George Pape

2b0d806007808d9597633506e41444341587343
De biografie Juliana, vorstin in een mannenwereld van Jolande Withuis is een prettig leesbaar boek van zo’n 750 pagina’s. Ik heb Juliana nog een tijdje meegemaakt als koningin en weet nog van de defilé’s op paleis Soestdijk. Van de Hofmans-affaire had ik ook gehoord, maar daar hield mijn kennis wel zo’n beetje op.

Dat is goed gekomen. Het beeld van de moederlijke vorstin is aardig bijgesteld en ik snap dat het boek veel stof heeft doen opwaaien, niet in het minst bij de koninklijke familie zelf, want niemand wordt gespaard.

Eigenlijk stuiter je van de ene verbazing in de andere. Het schoolklasje dat rondom Juliana werd geformeerd zodat ze ‘gewoon’ les kreeg, de studieperiode met een erepromotie, de zoektocht naar een geschikte man waar Bernhard uit kwam rollen, de zelfbewuste vrouw die tijdens de oorlog overal innemende speeches hield, de ontvankelijkheid voor gebedsgenezeres Hofmans (nota bene door Bernhard geïntroduceerd), de vuile was die in het Duitse blad Der Spiegel buiten wordt gehangen, de scheiding die ze niet doorzet en ga zo maar door.

Juliana was een vrouw met meerdere gezichten. Wars van regels en protocollen kwam zij notoir te laat. Ze nam haar taak als vorstin echter zeer serieus en bereidde zich altijd goed voor. Aan de andere kant liet ze zich het liederlijke en botte gedrag van Bernhard welgevallen. Ze bracht de monarchie tot aan het randje van de afgrond maar draagt uiteindelijk het instituut over aan haar dochter Beatrix. Het is verhelderend om de perikelen rondom Greet Hofmans, Lockheed, de huwelijken en religie van haar dochters uitgebreid beschreven te zien. Juliana had een roeriger leven dan ik had gedacht en haar optreden is vaak ronduit verrassend. Treffend is haar opstelling bij de gratieverlening van oorlogsmisdadiger Lages. Ze zag er geen been in om Willem Drees voor het blok te zetten;

Koningin en kabinet stonden dus recht tegenover elkaar. Het kabinet hield vast aan executie, Juliana aan haar weigering…Haar oplossing was doodeenvoudig: ‘Maar mijnheer Drees’, zei ze. ‘Dan ga ík toch weg.’

Soms daadkrachtig, soms besluiteloos. Dat wordt pijnlijk duidelijk door haar huwelijk met Bernhard. Ze was zo gelukkig toen ze trouwden, maar later hield ze vooral de illusie van geluk in stand. Hij bedroog haar en zij bleek eigenlijk niet meer dan de reden waardoor hij zijn luxe leven kon leiden. Zelfs toen hij veroordeeld werd voor steekpenningen hield zij hem de hand boven het hoofd. Meerdere gezichten dus en een fascinerende levenswandel. Niet voor niets staat dit stuk als citaat voor in het boek, van een jonge Juliana:

Juliana:
‘Maar professor, is het niet mogelijk dat je twee levenspaden hebt, en de ene dag eens op het ene, en de andere dag op het andere pad loopt?’
De dominee, zichtbaar geschrokken:
‘Maar Prinses, dat kán toch niet; men kiest zijn levensweg en richting, en daar moet men aan vasthouden. Natuurlijk kan men geen twee levenspaden bewandelen.’
Juliana:
‘Nou, ik gerust hoor!’

De auteur heeft voor dit boek uitvoerig de correspondentie bestudeerd van Juliana met allerlei mensen, heeft gesprekken gevoerd met direct betrokkenen, maar kreeg voor dit boek geen inzage in de archieven van het Koninklijk Huis. Of dit de definitieve biografie over Juliana is valt dus te bezien, maar een uitgebreide en prettig leesbare biografie is het zeker.

9021446480.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De Afvallige van Jan van Aken is een historische roman van zo’n 600 pagina’s over het Europa en Midden-Oosten van de 4e eeuw. De afvallige is in dit geval keizer Julianus, die een afkeer had van het christendom en die probeerde om het geloof in de heidense goden weer nieuw leven in te blazen.

Rondom dit gegeven weeft de auteur een groots verhaal. Dat begint op een mistige morgen als de Romeinse schildwachten zien dat er duizenden Goten zich hebben verzameld aan de Donau. Er is een grote volksverhuizing op gang gekomen vanwege de invallen van de nietsontziende Hunnen.

In Damascus worden we geconfronteerd met Swintharik, een pilaarheilige. Hij zit de hele dag devoot te wezen op zijn pilaar, maar ’s avonds blijkt hij een fuifnummer in de lokale kroegen. Dat is nodig, want hij is naar eigen zeggen gebeten door de dipsaslang, die hem een onlesbare dorst bezorgt. Uiteraard is deze dorst niet te lessen met water, gelukkig wel met wijn. Bovendien afficheert Swintharik zich als de moordenaar van Julianus en is hij er van overtuigd dat men achter hem aanzit vanwege dit feit.

Alêtis, een jonge natuurgenezeres heeft Swintharik door en vergezelt hem op zijn reis. Het is een vreemd gezelschap, want de derde metgezel is de podeoon, een enorme geitenbok zonder kop, getransformeerd tot wijnzak;

De hele kolonie liep uit, de mannen lachten, vrouwen wezen en joelden en de kinderen dansten achter de kleine karavaan aan. Alêtis begreep het niet, tot ze achter zich keek en de muilezelin zag, op wier rug de podeoon was vastgezet, met de stompjes aan weerszijden van de rug. Het was alsof een krankzinnig monster de ezelin had besprongen in een bizarre poging tot een ongelijksoortige paring.

Belangrijk in het verhaal is ook Dido, de ijlbode. Hij is ooit door Vitalis, een bisschop bij verdienste, opgenomen in zijn huishouden. Ook Swintharik, Lucifer en Axylus behoren tot zijn vertrouwelingen, maar vervullen gaandeweg allemaal een andere rol in het verhaal.

Dat verhaal gaat in de eerste paar honderd pagina’s eigenlijk nergens heen. Er wordt vooral door Europa gereisd en langzamerhand wordt duidelijk wat de achtergrond is van de personages. Hiervoor springt de auteur aardig heen en weer door de tijd, dus enige aandacht is wel vereist. Langzamerhand wordt duidelijk waarom Julianus vermoord moest worden en wie hier bij betrokken waren.

Het verhaal gaat nooit heel diep maar wordt vol vaart en humor verteld en dat is de grote verdienste van het boek. Van Aken schetst een mij onbekende wereld aan de hand van een scala aan gebeurtenissen. Soms gruwelijk, soms alledaags. Zo wordt het schijthuis ineens klein-Europa in een hilarisch fragment;

Ze lieten de paarden achter op de daarvoor bestemde plaats en liepen het publieke schijthuis in waar groepjes mannen en een enkele vrouw bijeenzaten op de gemakken. Een van de zitters wenkte hen en hij riep: ‘U daar, met de mantel. Bent u van de Niceense belijdenis?’ Vitalis trok zijn wenkbrauwen op. ‘Als u een van ons bent, komt u hier zitten,’ging de man verder. ‘Dit is de hoek van de homoousiërs, de katholieken. Daar…’ Hij wees naar een andere hoek. ‘In de zuidhoek zitten de homoïers en in het westen de smerige anomoërs – hun aarzen spreken verstandiger dan hun monden – en daar, in het noorden schijten de homoiousïers, die ezels.’

Uiteindelijk komen de meeste verhaallijnen en karakters mooi bij elkaar. Soms door wat al te toevallige ontmoetingen maar het doet geen afbreuk aan het verhaal. Van Aken heeft een erg onderhoudend boek geschreven dat ik in een paar avonden uit had.

9085425735.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Aan de rand van de wereld van historicus Michael Pye heeft als ondertitel Hoe de Noordzee ons vormde. Het is een boek over zo’n 1000 jaar geschiedenis van de landen in het Noordzeegebied, ruwweg in de periode van het jaar 700-1700. Als geïnteresseerde in geschiedenis boeit mij dat, omdat het gaat over de plek waar ik woon en omdat ik de ‘duistere middeleeuwen’ graag wat minder duister laat maken. Pye geeft het al aan;

Als we spreken over de ‘duistere middeleeuwen’ denken we aan oorlogen, invasies, invallen en veroveringen, zelfs aan genocide; maar dat alles hebben we ook nu, in onze eigen tijd, en toch leiden we gewoon ons leven.

Dat gebeurde toen dus ook en Pye beschrijft dat met een veelheid aan thema’s, waarin de handelsroute en commercie de rode draad vormen van het boek. Zo valt hij direct met de deur in huis door aan te geven dat niemand minder dan de Friezen het gebruik van geld geherintroduceerd hebben. Uiteraard was geld al bekend bij de oude Romeinen maar sinds hun vertrek in onbruik geraakt. Ze maakten gebruik van het begrip ‘waarde’ en men begon de wereld in wiskundige termen te bekijken. Iets wat eeuwen later door de wiskundige Simon Stevin veel verder uitgewerkt zou worden.

Pye laat zien dat de beruchte Vikingen niet voor niets berucht waren, maar ook veel meer dan dat. Het waren ontdekkingsreizigers, die hun voetsporen nalieten van Noord-Amerika tot aan Byzantium in het huidige Turkije én tot aan de grenzen van het Chinese rijk. Zij konden als enig zeevarend volk laveren en waren dus niet afhankelijk van een goede windrichting.

Stap voor stap neemt Pye ons mee door de geschiedenis van de landen rondom de Noordzee. Hij laat zien hoe het geschreven woord steeds belangrijker werd. Er kwamen wetten en daarmee vormde zich een beroepsgroep die zich met de uitleg hiervan bezig hield, de advocatuur. Er ontstonden commerciële facties tussen steden die de naties overstegen, zo ontstonden de Hanzesteden.

Ook de strijd met de natuur wordt niet vergeten. De Nederlanden liggen laag en we zien hoe de strijd aangegaan wordt met het water. Molens worden gebruikt om stukken land droog te leggen maar ook voor tal van andere toepassingen. Ook hier wordt weer wetgeving voor opgesteld. De pest doet zijn intrede en dat heeft een enorme impact op de handel en de beschikbaarheid van mankracht. Pye legt het allemaal uit.

Hij baseert zijn verhaal op een groot arsenaal aan geschriften, variërend van de beroemde Engelse historicus Beda (672/673-735) tot aan de Vlaamse wiskundige, natuurkundige en ingenieur Simon Stevin (1548-1620). Deze laatste beijverde zich voor gelijke reken- en maateenheden in Europa en voegde woorden aan onze taal toe als driehoek, evenredig, langwerpig, loodrecht, middelpunt etc.

Ik heb in recensies wel gelezen dat de makke van dit boek de veelheid aan informatie is, het sluit allemaal niet even mooi aan (bron hier). Mij stoorde het niet. Pye’s vertelkunst lost het voor mij op. Ik wil weten waarom er bij een Zweedse boerderij een boeddha is gevonden, ik wil weten waarom de stokvis een pijler van politieke macht is, waarom kloosters experts waren in valsheid in geschrifte en ik houd van deze details die Pye vrijgeeft, als hij het heeft over waar de Friezen zich allemaal hebben gevestigd;

Ze vestigden zich zelfs aan de buitengrenzen van hun handelswereld. Er was een Fries huis in Kaupang aan de monding van de Oslofjord in het zuiden van Noorwegen…De glazen bekers die hier zijn aangetroffen, lijken op die van de Franken en de Friezen, wat wijst op zuidelijke drinkgewoonten, en ze hadden dubbele kledinghaakjes, die nutteloos waren voor de plaatselijke dracht, maar die iedere Friese vrouw nodig had.

Zo staat het boek vol met wetenswaardigheden, in zo’n 380 pagina’s prima behapbaar. Een feest voor iedere geschiedenisliefhebber.

Vertaling; Arthur de Smet, Pon Ruiter en Frits van der Waa