archiveren

Geschiedenis

8e44f7c109e2d36597643456b77444341587343_v5
Ik kocht het boek van de fotograaf Brassaï, The secret Paris of the 30’s, naar aanleiding van een hoofdstuk in het boek van Dirk Velghe, De ziel van Parijs.

Brassaï is het pseudoniem van Gyula Hálasz (1899-1984), een Franse fotograaf van Hongaarse afkomst. Hij kwam al op driejarige leeftijd naar Parijs en ontwikkelde een fascinatie voor fotografie, met name voor het Parijse nachtleven in de jaren dertig van de vorige eeuw. Dat heeft hij vastgelegd in dit boek, samen met persoonlijke verhalen over het maken van de foto’s en de personen die hij tegenkwam.

Dat ging niet zomaar. De titel is niet voor niets gekozen, want Brassaï zocht graag juist die locaties op die niet voor het grote publiek toegankelijk waren. Dat konden bordelen zijn, besloten clubs waar de onderwereld actief was, travestie-cafés en opiumkitten, maar hij fotografeerde ook de prostituees op straat.

Om te beginnen neemt hij ons mee in zijn manier van werken. Mensen zijn nog niet erg gewend aan fotografen en zeker niet in de nacht. Hij was brutaal genoeg om ’s nachts bij mensen aan te kloppen als hij dacht dat een nachtelijke foto prima vanuit iemands raam genomen kon worden;

My intrusion frightened the inhabitants as much as my purpose: in those days, no one heard of night photography. But oddly enough, doors were almost always opened to me, and I never got shot at, as might have happened, for disturbing a nocturnal household.

Toch is hij wel eens door de politie gearresteerd, om even zeker te stellen dat hij onder een brug aan de Seine echt foto’s aan het maken is in het holst van de nacht en niet een lijk aan het verdonkeremanen is.

Zo wil hij foto’s nemen van nachtelijk Parijs en haalt hij de conciërge van de Notre-Dame over hem ’s nachts de torens te laten beklimmen van de kathedraal. Hij fotografeert kermissen met hun waarzegsters, dansers en artiesten, zoals de menselijke gorilla. Die laatste levert een prachtige foto op van een man in een levensgroot apenpak met zijn kleine zoontje.

Brassaï schuift aan bij de clochards onder de bruggen en bij de schoonmakers van de beerputten die ’s nachts op pad gaan. Zij hebben smerig en soms gevaarlijk werk en de anonieme werkers krijgen gezichten als hij ze fotografeert tijdens hun pauze;

I learned that this was a bar reserved especially for cesspool cleaners, it was their “Maxim’s”. Every night, these virtuosi of the pump would break off their labors to come here to eat! And suddenly, the anonymous black-hooded and booted devils I had seen working away in the dark, hoisting up lead and stone covers from cesspools and shoving down the hose, regained their human aspect.

Zoals gezegd kwam Brassaï graag in bars. In de Rue de Lappe waren veel danslokalen ofwel ‘Bals-Musettes’. Mannen met hun pet vastgegroeid op het hoofd, dames met zogenaamde ‘kiss-curls’ op het voorhoofd, Brassaï maakt er prachtige foto’s. Hij verstaat de kunst om op te gaan in de menigte en ongezien zijn foto’s te maken, gezien het stel dat duidelijk in een onenigheid is beland.

Zonder gevaar is het niet. Hij is wel eens eens beroofd van al zijn foto’s en is eens met de dood bedreigd toen toch een foto van een onderwereldfiguur gepubliceerd werd met een verzonnen tekst door de uitgever.

De mooiste verhalen zijn die over illustere figuren zoals ‘La Môme Bijou’. Een dame die hij ’s nachts in een bar tegekomt. Ze zit alleen aan een tafeltje, drinkt rode wijn en is behangen met allerlei juwelen. Het verhaal gaat dat zij ooit rijk was en zich in het Bois de Boulonge rond liet rijden. Brassaï gaat achter het verhaal aan, maar komt er niet achter. De foto’s moeten het doen.

Andere beroemdheden zijn de koningin van het artiestenbal, Madeleine Lequeux, ofwel ‘la panthère’. Zij trouwde met de Japanse kunstenaar Tsuguharu Foujita. Ook kreeg hij Kiki de Montparnasse voor de lens, ook een model van Foujita. De travestie-cafés, bordelen en opium-kits zijn de meest besloten gelegenheden waar hij fotografeerde. Toch lukt het hem om contacten te leggen en ook hier foto’s te maken, tot en met de klanten aan toe. Zo fotografeert hij ook Violetta Morris, die ik tegenkwam in het boek van Velghe, hoewel hij haar naam niet noemt bij de foto’s. Dat vrouwen met vrouwen dansen werd redelijk geaccepteerd. Mannen die met mannen dansen was een ander verhaal, dat werd meer verborgen gehouden, laat staan als het hier om ging;

One piquant note: once in a while one would see butchers from the neighborhood – rather common in appearance, but with hearts full of feminine longings – forming surprising couples. They would hold hands – thick, calloused hands – like timid children, and would waltz solemnly together, their eyes downcast, blushing wildly.

Nu misschien niet meer zo schokkend, in het Parijs van de jaren dertig was dat een ander verhaal en Brassaï legde ook dit vast in een bijzonder boek.

Vertaling; Richard Miller

 

9463887857.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Dirk Velghe is oprichter van een groot mediabedrijf en koestert zijn leven lang al een passie voor Parijs. Nu weet ik onderhand dat er over die stad boekenkasten vol geschreven zijn, dus wat kan het net uitgebrachte De ziel van Parijs daar nog aan toevoegen? Wat mij betreft best veel, ik vond het een schot in de roos.

Het is een dik boek van 500 pagina’s en Velghe heeft een groot aantal verhalen bij elkaar gebracht over mensen, plekken en gebeurtenissen die zich in Parijs afspelen. Hij bouwt het boek op in hoofdstukken die zich afspelen op de Rechterover West en Oost, de Linkeroever West en Oost en Monceau en Batignolles. Door de plattegronden in het boek kan je ook routes uitstippelen door Parijs om de verhalen na te lopen. Ik deed dat om te beginnen met Google Streetview en dat was al een hele mooie start. Door die geografische indeling is er geen chronologie qua geschiedenis in de verhalen maar dat leest wel prettig, je wordt steeds verrast door een heel nieuw verhaal. Voor in het boek staat wel een tijdlijn over de periode van de Franse Revolutie tot en met het presidentschap van Emmanuel Macron.

Waar het boek van Hussey een beetje tegenviel op het gebied van het onbekende en duistere Parijs voldoet dit boek daar veel beter aan, hoewel het zich daar niet per se op voorstaat. Ieder hoofdstuk wordt ingeleid door een kort verhaal dat vaak pakkend geschreven is, zoals de geschiedenis van Coco Chanel, haar beroemde parfum en haar investeerders, de broers Wertheimer;

Roos, sandelhout en jasmijn zijn de toonaangevende aroma’s van het iconische parfum Chanel N0 5. Maar in het succesvolste flesje ter wereld zitten ook minder florissante toetsen zoals afgunst, hebzucht en een vleug collaboratie.

Het aantrekkelijke van dit boek is de vaak verrassende insteek van de verhalen. Niet de bouw van de Eiffeltoren, maar een verhaal over de man die de Eiffeltoren verkocht aan een schroothandelaar. Niet de belegering van Parijs door Pruisen, maar welke dieren uit de dierentuin er op het menu van de rijken stonden en hoe ballonvaarders hulp zochten en afdreven tot in Nederland en Noorwegen.

De Eerste en Tweede Wereldoorlog spelen uiteraard een rol, maar het gaat om persoonlijke verhalen. Over de Joodse gevechtsvlieger Nissim de Camondo, gestorven voor Frankrijk. Over Rose Valland, die talloze door de Duitse geroofde kunstschatten terugbracht naar Frankrijk. Ook is er een uitgebreid verhaal over operatie Lentebries, over de decimering van de Joodse bevolking in Parijs.

Andere verhalen zijn die over de Grandes Horizontales. Dames die relaties aangingen met welgestelde heren en vaak rücksichtlos fortuinen vergaarden. Willem Frederik Hermans schreef al over Cléo de Merode en Liane de Pougy en ik las van de laatste haar dagboeken. Het gaat over de mecenas van de impressionisten Paul Durand-Ruel en over het laatste duel dat in 1967 door twee politici werd uitgevochten. Het gaat over Sylvia Beach, de grondlegster van de beroemde boekhandel Shakespeare and Company in Parijs, over de nulmeridiaan voordat die van Greenwich belangrijker werd en over de moord op de socialistische voorman Jean Jaurès.

Misdaad en geweld komen vaak voor in het boek maar leveren mooie verhalen op. Wat te denken van de beroepscrimineel François Vidocq die het schopt tot politiechef? Of van de gifmengster Marie-Madeleine die niet kan wachten op de erfenis en haar vader snel naar een andere wereld helpt. Wat overigens weinig hielp omdat het grootste deel naar haar broers en zussen ging:

Niet getreurd, denkt ze, “je les ferai prendre un bon bouillon!”. Eerst komt Antoine aan de beurt. Hij sterft in maart 1670 aan hevige pijnen en laat zijn hebben en houden na aan zijn weduwe. Die komt ook op het giflijstje.

Wellicht merkt u dat de schrijfstijl van Velghe redelijk ongedwongen is, soms doorspekt met (niet altijd vertaalde) Franse zinnen, maar dat leest prima door.

Nog een kleine greep uit de verhalen dan, want het zijn er veel en het zijn geen lange hoofdstukken. Het gaat over de bouw van het Vrijheidsbeeld voor het Amerikaanse volk, over de plannen van Hausmann voor de straten van Parijs, maar ook over de schaduwstraten onder de grond inclusief naambordjes en opgestapelde beenderen van geruimde kerkhoven. Het gaat over de vermeende hyena van de Gestapo, Violetta Morris. Een groot sportvrouw, zij kleedt en gedraagt zich als een man en wordt meedogenloos vermoord door het verzet, waarbij ook twee kinderen omkwamen. Het gaat over de onwaarschijnlijke loopbaan van François Mittterand, over de bomaanslagen van de anarchisten en over de eerste overval met een auto door de bende van Jules Bonnot. Prachtig is het verhaal over de fotograaf Bassaï die het verborgen Parijs fotografeert. Ik ben bang dat ik alweer een fotoboek heb besteld…Interessant is het verhaal over de beuls-dynastiën in Parijs. De familie Sanson werd geholpen door de nieuwe uitvinding van de arts Joseph-Ignace Guillotin;

“Het mest suist, het hoofd valt, het bloed gutst. Met mijn machine haal ik in een oogwenk uw hoofden eraf en het enige wat u voelt, is een lichte frisheid in de nek.”

Omdat er per hoofd betaald wordt en er nog andere voordelen (wees gerust, ook genoeg nadelen) aan dit ambacht vastzitten, kunnen ze er lange tijd goed van rondkomen.

Een kleine slordigheid is dat van één hoofdstuk het hele notenapparaat ontbreekt en in een ander geval nog twee noten. Jammer, want die voegen in veel gevallen iets toe met achtergrondinformatie. Verder is dit boek een must voor iedere Parijs-liefhebber, het is niet anders.

De schrijver en historicus Andrew Hussey belooft ons in Parijs, de verborgen geschiedenis het onbekende en duistere Parijs te laten zien. Hij wil het verhaal van Parijs vertellen vanuit het oogpunt van de ‘gevaarlijke klassen’. Dat is een term die Franse historici gebruiken ter aanduiding van de subversieve elementen in een stad, zoals daar zijn opstandelingen, vagebonden, immigranten, seksuele randfiguren en criminelen.

Daar is hij wat mij betreft niet helemaal in geslaagd, of ik had er gewoon een andere voorstelling bij. Dat ga ik zo toelichten. Hussey geeft aan dat het boek geen definitieve geschiedenis is van de stad Parijs, maar we beginnen wel een tijd terug. In de prehistorie om precies te zijn. Vervolgens gaan we toch met zevenmijlslaarzen de tijd door, want van recentere geschiedenis is meer overgeleverd en kan je meer vertellen. Toch is het tot die tijd wat mij betreft vooral de geschiedenis van Parijs. Soms komt er dan even iets tevoorschijn waarvan ik hoopte dat ik het vaker zou lezen, zoals wanneer het over de Tempeliers gaat, de ridderorde als hoeders van geheime kennis;

Er zijn tegenwoordig in Parijs tal van mensen die dit nog steeds geloven. De Parijse ontmoetingsplaats van deze groepen is vandaag de dag Bar-Tabac des Tempeliers op Rue de Rivoli 35, een gore tent waar je overdag op paarden kunt wedden.

Geschiedenis naar het heden gehaald en obscure groepen die zich daar nog mee bezig houden. Maar dat las ik te weinig in dit boek. Een geschiedenis van Parijs is volgens mij onlosmakelijk verbonden met opstandelingen, vagebonden en criminelen, alleen het toneel verschilt door de eeuwen heen. Dat onbekende en duistere viel voor mij dus wat weg, maar dat neemt niet weg dat ik het boek met plezier gelezen heb. Zoals over het Middeleeuwse Parijs waar Victor Hugo zo mooi over heeft geschreven. Vagebonden genoeg daar. Bedelaars, die overdag hun geld bij elkaar haalden en ’s avonds te vinden waren op de Cours des Miracles. Daar genazen ze op wonderbaarlijke wijze van al hun kwalen. De beruchtste cour, bij de huidige Place du Caire, dateerde uit de dertiende eeuw en was alleen te bereiken via een wirwar van steegjes. De zeventiende-eeuwse historicus Henri de Sauval durfde het aan met een gids;

Onderweg erheen moet je smerige straatjes door die alle kanten op draaien en kronkelen, om op de binnenhof te komen moet je een erg lange en oneffen helling af lopen. Ik zag er een half afgebrande woning van leem, ontzettend oud en vervallen, van niet meer dan vijftig vierkante meter, maar waarin vijftig vrouwen huisden die een ontelbaar aantal naakte en half geklede kinderen onder hun hoede hadden.

Een geschiedenisboek dus maar ook met talloze weetjes. ‘Chauvinisme’ komt van Nicolas Chauvin, een napoleontische ex-soldaat en felle patriot. Dat soort dingen moet ik weten vind ik. Een ander pluspunt van dit boek is dat vaak wordt verwezen naar de huidige locatie van een gebeurtenis. Achter in de index staan ook alle straatnamen die zijn beschreven dus je zou er zelfs mee door Parijs kunnen lopen, hoewel het wel slepen is met een kleine 500 pagina’s.

Hussey woont al jaren in Parijs en ik had gehoopt wat meer eigen ervaringen te lezen in dit boek, zoals wanneer hij het over de klassenstrijd heeft en de kloof tussen de arbeidersklasse in het oosten van de stad en de bourgeoisstand in de beaux quartiers in het westen. Hij merkt dat die kloof er nog steeds is;

Ik heb korte tijd in Ménilmontant gewoond, en wanneer ik me, maar al te vaak met een kater, naar de metro haastte…viel mijn oog regelmatig op de alcoholist van het quartier, die om 6.48 uur in de ochtend met een fatterige nonchalance zijn plastic literfles rouge aan zijn mond zette, en wiens woeste baard en agressieve blik recht uit de bladzijden van Le Père Peinard hadden kunnen komen, een bloeddorstig anarchistisch propagandablaadje uit de jaren 1880. Het quartier was van hem, niet van mij.

Als we bij de vorige eeuw aankomen gaat het ook over de massale immigratiegolf na de Eerste Wereldoorlog. Daar had ik nooit zo bij stilgestaan, maar die zorgde toen al voor een wezenlijke demografische verschuiving in de samenstelling van de Parijse bevolking. Dat is uiteraard niet minder geworden en waar Parijs in wezen een Middeleeuwse kern (niet het uiterlijk) heeft behouden, begrensd door de rondweg, barst het daarbuiten in de banlieues uit haar voegen. Daar woont het gros van de métèques, een algemene benaming voor in Frankrijk levende ‘vreemdelingen’ (en waar Georges Moustaki zo’n mooi nummer over schreef).

Hussey schreef dit boek al in 2007, maar deze druk is aangevuld met een nawoord over de aanslagen in Parijs in 2015. Zeker een leuk boek om te lezen maar wat minder onbekend en duister dan ik verwachtte.

Vertaling: Jan Braks

Ik zit de laatste tijd wat met mijn hoofd in Frankrijk. Door de boeken die ik lees, maar ook door het televisieprogramma Chansons! Waarin Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps in Parijs op zoek gaan naar het Franse lied. Dat bevalt mij allemaal prima dus daarom was het hoog tijd voor het boek Chanson van Bart van Loo.

Hierin vertelt Van Loo de geschiedenis van Frankrijk aan de hand van bekende en minder bekende Franse liedjes. Daarmee is het dus geen geschiedenisboek, hoewel achterin het boek keurig een korte chronologie van de Franse geschiedenis is opgenomen. Het is, en vandaar de titel, een boek over het Franse chanson met de geschiedenis als kapstok.

Om meteen mijn enige punt van kritiek te uiten; ik weet niet of die kapstok nu zo nodig was. Af en toe bekruipt mij het gevoel dat de geschiedenis bij de liedjes is gezocht. Andersom levert de geschiedenis, waarover toevallig een liedje is geschreven niet per se de beste nummers op. Zo heeft Karel de Grote een grote rol in de geschiedenis en zingt France Gall een liedje over hem, ‘Sacré Charlemagne’, maar er zijn boeiender nummers van haar waar over te schrijven valt.

Van Loo had dus ook ‘De geschiedenis van het chanson’ kunnen kiezen als titel, waar je gerust wat Franse geschiedenis doorheen kan weven, maar dat misschien meer ruimte had gelaten aan de verhalen rondom de liedjes en de componisten. Het blijkt uit dit boek dat er onnoemelijk veel te vertellen is.

Daar houdt de kritiek dan ook op, want er valt veel te genieten. Allereerst zijn er de nieuwsgierig makende inleidingen boven ieder hoofdstuk;

Van constipatie tot guillotine
Of hoe de fistel van Lodewijk XIV mee aan de wieg staat van het Britse volkslied, de constipatie van Lodewijk XV doorwerkt tot in het chanson van de twintigste eeuw, maar ook hoe Serge Gainsbourg voor een uitgespuwde reggaeversie van de Marseillaise tekent en Claude François het merkwaardigste discobal uit de geschiedenis opent. Met belangrijke rollen voor Gilbert Bécaud, Bourvil, Julien Clerc, Rouget de Lisle, Jacques Dutronc, Jean-Baptiste Lully, Michel Sardou, Mireille Mathieu en Franky Vincent. Ook opvallende verschijningen van The Beatles, Catherine Deneuve, Django Reinhardt en Yannick Noah.

Zoiets maakt mij onbedaarlijk nieuwsgierig en zo gaat het met ieder hoofdstuk. Bekende en minder bekende namen en Youtube en Spotify draaien overuren hier. Ik laat de geschiedenis in deze bespreking een beetje voor wat het is, maar sta stil bij de muziek. De streek die Gainsbourg uithaalt met France Gall door haar over Les sucettes, ofwel anijslollies, te laten zingen. Nauwelijks voorstelbaar, maar de dubbele bodem ontgaat Gall volledig. De muzikale strijd van Michel Sardou en Julien Clerc die liedjes schrijven voor (Je suis pour) en tegen (L’assassin assassiné) de doodstraf.

Van Loo schrijft over het onwaarschijnlijke verhaal van de populaire Claude François. Een van de populairste zangers van Frankrijk, een slimme en rijke zakenman bovendien en tragisch omgekomen door elektrocutie, terwijl men in een liveshow op televisie op hem wachtte. Daar kwam het bericht van zijn overlijden, het is terug te vinden op Youtube. Zijn video’s ook en hij mag toen populair geweest zijn; zo’n nummer als Alexandrie, Alexandra, ik trek dat maar slecht. Maar wie ben ik, kijk naar de commentaren; geen slecht woord over te vinden. Frankrijk kent de nummers van buiten.

Natuurlijk komen er veel liedjes voorbij die wel over geschiedenis gaan en er zitten soms juweeltjes bij. Le temps des cerises is een lied van de Commune, de opstandelingen in Parijs die allemaal werden vermoord. Juliette Gréco besloot haar optredens met dit lied en Van Loo verrast door ons te wijzen op een andere prachtige uitvoering door…Bobbejaan Schoepen. Je verwacht het niet, maar hij is zeer de moeite waard.

Ook de moeite waard is de oudere garde, zoals Maurice Chevalier. Zoek Prosper van hem maar eens op en je loopt de hele dag met Yop la boum in je hoofd. Fréhel, de zangeres die een piepjonge Gainsbourg meeneemt naar het café en Patachou, die een bloednerveuze jonge George Brassens zelfvertrouwen geeft. Toch stopt ze zijn eerste optreden even;

Patachou kucht. ‘Ik laat u stoppen omdat u sterft van de plankenkoorts en ik u moed wil geven. Dit is een zeer goed nummer. Als het even goed eindigt als het begint, zing ik het vanaf morgen. Begin opnieuw en wees niet bang. Over een half jaar zult u bekender zijn dan ik.’

Ik kende Brassens al wel maar heb talloze liedjes van hem weer beluisterd. Tip van mij; pak echt zijn teksten erbij en zet het niet zomaar op. Die teksten, en dat geldt voor heel veel chansons, zijn erg belangrijk. Brassens wordt wel de tedere anarchist genoemd. Geen zin om op te staan bij het volkslied, verheerlijking van dieven, hoertjes en zwervers of hij komt met een aanklacht tegen het kaalscheren van dames wegens horizontale collaboratie in La tondue. Hij schildert zichzelf af als ‘de deugniet van het lied’ in Le pornographe, wat weer komt door zijn lied Le gorille, waarin een ontsnapte en hitsige gorilla zich afvraagt of hij het met een oude dame of een rechter moet doen.

Ook bij Jacques Brel zijn de teksten heel belangrijk. Ik had al veel beluisterd van hem na het lezen van zijn biografie, maar Orly, Jojo en Vesoul waren weggezakt en moet je af en toe tot je nemen. Wat een muziek.

Het boek is dus een mix van geschiedenis en muziek maar met de nadruk op de muziek. U leert waar die rare zin vandaan komt in dat sensuele nummer van Gainsbourg en Birkin, Je t’aime…moi non plus, dus ‘ik hou van je…ik ook niet’. U moet echt even lezen hoe Christophe aan zijn hitsingle Aline kwam (‘et j’ai crié! Crié!), u kunt opzoeken hoe de geëngageerde en vroeggestorven zanger Daniel Balavoine helemaal leegloopt tegen president Mitterand (het staat ook op Youtube) en zoek het surrealistische nummer eens op over stripalbums van Serge Gainsbourg en Brigitte Bardot, Comic strip, waarin Bardot vol overgave haar onomatopeeën vertolkt als: Clip! Crap! Bang! Vlop! Shebam! Pow! Blop! Wizz!. Ik ben echt nog lang niet klaar met dit boek.

Wellicht weet u dat ik wel vaker iets lees over Parijs en de kunstenaars die het aantrekt. Hier, hier en hier leest u daar meer over. Gare du Nord van Eric Min is een boek dat daat goed op aansluit en deels overlapt. Het gaat over Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs in de periode 1850-1950.

De titel slaat uiteraard op het treinstation in Parijs waar die noordelingen arriveerden. Hendrik Marsman was één van hen en hij beschreef in zijn autobiografische mijmering Drijfzand al Gare du Nord als lieu de passage;

‘Ik had het gevoel alsof ik mijn stroeve nordieke natuur had afgegeven aan het bagagedepot van de Gare du Nord alsof ik uit de onderwereld, het souterrain van mijzelf, opdook in mijn eigen stad. Ik stak het plein over en slenterde door die verrukkelijke St. André des Arts in de richting van de Boulevard St. Germain, neuriënd.’

Nu zit Marsman aan het eind van het verhaal zoals Min het vertelt, er waren er tallozen voor hem. Die hadden allemaal zo hun redenen om naar Parijs te komen. Een rode draad hierin is het volgen of voltooien van een opleiding in de kunsten, maar ook het leggen van contacten, de liefde of juist de sfeer en cultuur zijn vaak belangrijk.

De Belgische schilder Antoine Wiertz (1806-1865) ging naar Parijs om zijn kunst te verfijnen. Hij deed zijn best om te mogen exposeren in de Parijse Salon maar dat mislukte. Dat zinde hem niet en prompt stuurde hij een jaar later een echte Rubens in uit de collectie van een vriend, waarbij hij de signatuur van Rubens met zijn eigen handtekening overschilderde. Overigens vind ik het werk van Wiertz zeer de moeite waard.

De Belgische graficus, karikaturist en schilder Félicien Rops (1833-1898) was een onbekende voor mij en die maakte niet direct een esthetische keuze om naar Parijs te komen. Die kon niet wachten tot hij de gezusters Duluc het hof kon maken. Dat de jongsten toen zestien en negentien waren…#MeToo was nog niet geboren zullen we maar zeggen. Rops had met zijn tekeningen wel veel succes met zijn satanistisch en licht pornografisch werk. Zozeer zelfs dat hij de beeldhouwer Rodin betichtte van plagiaat; hij vond dat Rodin in 3D namaakte wat hij in 2D creëerde.

Het verhaal van Vincent van Gogh 91853-1890) zal wat bekender zijn en die ontbreekt uiteraard niet, maar artiesten zoals de art-nouveau-schilder Privat Livemont (1861-1936) of de componist Guillaume Lekeu (1870-1894) zijn wellicht minder bekend. De Belgische schilder Henri Evenepoel (1872-1899) kwam ook naar Parijs om er zijn opleiding tot schilder af te ronden. Hij richtte een atelier in op zeshoog onder de Parijse dakpannen. Een ezel, een modeltafel, gordijnen voor het hoge raam en een kachel, zo is hij trouw aan de stereotypen van het milieu;

‘Om een echte artiste peintre te zijn moet ik alleen nog een brede slappe hoed kopen, een stevige en knoestige wandelstok en een wijde kapmantel. Een vies pijpje roken en op afgetrapte schoenen lopen. En vooral niet vergeten schulden te maken.’

In de beschreven periode veranderde de wereld en dus ook Parijs en dat is terug te zien in de kunst. Er kwamen schilderijen waarin ineens het licht anders was. Geen kaars- of gaslicht maar electriciteit. Industrialisatie en automatisch vervoer bepaalden meer en meer het straatbeeld en de kunst groeide daarin mee.

Niet iedereen vond het geluk in Parijs natuurlijk. De jonge Antwerpse schilder Jules Schmalzigaug (1882-1917) kon er slecht aarden en vetrok naar Venetië (Het eten is daar zoveel lekkerder, en Parijs werkt hem op de zenuwen). Daar had de excentrieke schilder en beeldhouwer Henry de Groux (1866-1930) geen last van. Leest u vooral het verhaal van deze figuur en dan volgt er later in het boek een nog vreemder verhaal van de Vlaamse schrijver André Baillon (1875-1932). Dat ga ik hier niet weergeven maar deze uitspraak van de auteur maakt u wellicht nieuwsgierig;

André is, met permissie gezegd, knettergek.

Niets is minder waar en ik heb zelfs zijn biografie besteld om er eens wat dieper in te duiken. Overigens schrijft Eric Min in zeer prettige stijl met hier en daar een verwijzing naar voren (‘dat verhaal komt er verderop in het boek nog aan’ of ‘hij staat ons verderop nog op te wachten’).

Er staan nog talloze artiesten in het boek die ik niet heb genoemd, zoals de schrijvers Georges Simenon (1903-1989), Hugo Claus (1929-2008), Jan van Nijlen (1884-1965) en Simon Vinkenoog (1928-2009), kunstschilders Piet Mondriaan (1872-1944), Léon Spilliaert (1881-1946) en Rik Wouters (1882-1916) en dan nog ben ik niet compleet. Het is een overvloed aan informatie en een plezier om te lezen. Allemaal verenigd door die gemene deler, Parijs, waarover de schrijver Paul Kenis (1885-1934) schreef aan zijn redacteur André de Ridder;

In zijn brieven aan De Ridder zucht Kenis dat er voor hem een ton poëzie schuilt in namen als Montparnasse, Montmartre en de Boul’ Miche. De stad zelf heeft hij lief ‘lijk een koket wijfje dat u bedriegt en u doet lijden en op den hoop toe nog uitlacht…maar u toch niet los laat. Zoo’n echte cocotte…heel Parijs!’

Commandant van Auschwitz is het autobiografische verhaal van Rudolf Höss. Hij was 3,5 jaar kampcommandant van het vernietigingskamp Auschwitz in de jaren 1940 tot 1945 en daarmee verantwoordelijk voor de dood van talloze mensen.

Na de oorlog werd Höss opgepakt en tijdens zijn gevangenschap in Krakau maakte hij omvangrijke aantekeningen, waarvan de belangrijkste in dit boek zijn gepubliceerd. De ene helft van de aantekeningen vormen een samenhangend geheel van zo’n 114 pagina’s, de autobiografie, die Höss de titel meegaf ‘Meine Psyche, Werden, Leben und Erleben’. De andere helft worden gevormd door 34 afzonderlijke aantekeningen, die qua omvang nogal verschillen. Voor het grootste deel gaan ze over leidende SS-ers zoals Himmler en Eichmann. Daarnaast zijn er nog wat aantekeningen over bepaalde procedures , zoals de vernietiging van Joden in Auschwitz, de tewerkstelling van gevangenen, de kampindeling enz. Voor dit boek is een selectie van die aantekeningen gemaakt en erin opgenomen.

Ik weet niet goed wat ik van dit boek moet denken, daar kom ik zo op terug. Het is ook niet bekend waarom Höss dit alles op verzoek heeft opgeschreven. Hij is naar eigen zeggen zo volledig mogelijk geweest en veel van wat hij heeft vermeld wordt uit andere bronnen ondersteund. In die zin is het een uniek document. Aan de andere kant laat zijn geheugen hem ook in de steek of schrijft hij soms aperte onwaarheden op. Dat wordt toegelicht in een uitgebreid notenapparaat. Het is soms ontluisterend om te lezen, dat wel.

Höss was door zijn familie voorbestemd om priester te worden maar daar dacht hij zelf anders over. Hij meldde zich aan als oorlogsvrijwilliger en kwam tijden de Eerste Wereldoorlog terecht in Turkije en Palestina. Daarna ging hij met het vrijwilliges-corps naar de Baltische staten om de orde te bewaken. Zijn betrokkenheid bij een moordpartij zorgde ervoor dat hij tot 10 jaar tuchthuis werd veroordeeld.

Na vijf jaar werd hij vrijgelaten, maar hij had dus opsluiting van nabij meegemaakt. Als hij Himmler leert kennen sluit hij zich aan bij de SS, het elitekorps van Hitler. Na een leidende functie in het kamp Dachau werd hij commandant van het concentratiekamp Auschwitz in Polen. Van Himmler kreeg hij de opdracht er een vernietigingskamp van te maken;

Toen hij mij in de zomer van 1941 persoonlijk opdracht gaf, in Auschwitz een plaats van massale vernietigingen voor te bereiden en deze vernietigingen te verrichten kon ik mij niet de geringste voorstelling maken van de omvang en de uitwerking daarvan. Wel was dit bevel iets ongewoons, iets onbekends. Doch door de motivering dacht ik, dat deze vernietiging juist was. Ik dacht er toen niet verder over na – ik had het bevel gekregen en moest het opvolgen.

Dit zou hij tot zijn dood toe aan volhouden. Achteraf gaf hij in verhoren toe dat de massavernietiging verkeerd was, maar hij was niet meer dan een trouwe soldaat. Deze redenering, samen met zijn uitspraken over wat hij in Auschwitz heeft gedaan en gezien, maken de persoon Höss tot een niet te begrijpen fenomeen. Hij ging aan de slag om de vernietiging zo efficiënt mogelijk te organiseren. Hij maakte het tot een organisatorisch probleem. Tegelijk verwonderde hij zich over de rol van de Joden die de Duitsers hielpen bij het uitkleden en naar binnen leiden van de mensen in de gaskamers. Hij noemde de zigeuners die hij ombracht ‘mijn liefste gevangenen’.

Het is surrealistisch om te lezen dat hij het zelf ook allemaal niet makkelijk vond. Niet om de vernietiging organisatorisch voor elkaar te krijgen met weinig middelen, maar ook niet om om te gaan met de gevolgen daarvan;

Ik mocht mij niet eens afwenden, wanneer al te menselijke gevoelens in mij opstegen. Moest koud blijven toekijken als de moeders met hun lachende of schreiende kinderen de gaskamers ingingen.

Hij beschrijft hoe een Joodse man, die hielp bij het ruimen van de lijken, zijn vrouw tussen de doden ontdekte en er ogenschijnlijk geen reactie op gaf, hij beschrijft hoe sommigen door hadden wat hen te wachten stond en hem dat ook toebeten, om vervolgens te eindigen met een larmoyante gevoelsuitstorting;

In het voorjaar van 1942 gingen honderden bloeiende mensen onder de bloeiende vruchtbomen van de boerenhofstede, meestal niets vermoedend, in de gaskamers, in de dood.

Daarom weet ik niet zo goed wat ik van dit boek moet denken, of misschien wel van de mens Rudolf Höss. Natuurlijk is het een document wat uitgegeven dient te worden en de noten verhelderen veel. Het is een soort autobiografie, het is een kijk op en in de geschiedenis, maar het is wel de visie van iemand die twee totaal verschillende kanten in zich heeft. Hij is, in zijn eigen kamp Auschwitz, opgehangen op 16 april 1947.

Vertaling; W. Wielek-Berg

Een nieuw vaderland voor de muzen is deel vier van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Het is geschreven door Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt en behandelt de periode 1560-1700.

Het is een dik boek van 886 pagina’s en het lijdt een beetje aan hetzelfde euvel als deel drie uit deze serie. Het is vrij academisch van toon en je moet liefhebber van de materie zijn om dit allemaal door te willen lezen. Ik heb mij er prima mee vermaakt, maar de gemiddelde leesclub gaat er niet blij van worden.

Er staat namelijk een stortvloed aan informatie in het boek. Onderverdeeld in kleinere tijdvakken staan de auteurs stil bij de literatuur uit de verschillende Nederlandstalige streken of genres. Zo kan het dat u vaker de titel ‘De literatuur in Brabant en Vlaanderen’ tegenkomt, u zit alleen in een ander tijdvak. Rederijkers, dat zijn amateurdichters en voordrachtskunstenaars in verenigingsverband, waren belangrijk voor de literatuur en u zult het weten; iedere vereniging en al wat zij hebben gedaan wordt beschreven. Alle toneelspelen en drama’s die zij organiseerden passeren de revue.

Op zich interessant, maar ik genoot het meest van die grote namen die zelf hun stempel op de literatuurgeschiedenis hebben gedrukt. Dirck Volckertsz. Coornhert die zich beijverde voor de zuiverheid van de taal of Hendrik Laurensz. Spiegel die het genre van de Stedenlof beoefende, zoals zijn jubelzang op Amsterdam;

O rijcke Korenschuer van’t volckrijck Nederland;
Met starck verbanden hout, ghy hooghe huysen spant;
Niet vast ghegrond in Zand, maer op gehayde palen:
Waer de grond om ghekeert men soud int Bosch verdwalen.

Via Spiegel komen we bij nog grotere literaire kanonnen terecht als Pieter Cornelisz. Hooft, Joost van den Vondel, Jacob Cats en Constantijn Huygens. Ook beroemde dames als Katharina Lescailje, Titia Brongersma en Anna Roemers krijgen hun plaats, zij het dat de laatste door Vondel nog wel even weggezet werd als man…vrouwen met poëtische talenten moest men nog even aan wennen zeg maar.

Met deze dichters komen we tot de grotere drama’s uit de literatuur waarbij Vondel natuurlijk erg veel aandacht krijgt. Hij fungeerde zo’n beetje als het morele kompas van Nederland en hij was niet bang om stelling te nemen zoals bij de executie van raadspensionaris Johan van Oldebarnevelt. Toch was er ook kritiek, Huygens was namelijk helemaal niet zo te spreken over de stijl van Vondel. Die was namelijk nogal rechtlijnig in de leer en hield niet van grammaticale vrijheden of volkstalige vormen;

Huygens reageerde in een weerlegging vrij minachtend op dit onbegrip voor subtiel taalspel en ook volgens Hooft zocht Vondel nogal eens ‘knorven in de biezen’ (knopen in rietstengels).

Titanen tegenover elkaar, maar die titanen hadden wel iets nodig om over te schrijven en ook die aanleidingen tot poëzie worden uitgebreid toegelicht. Het geloof is een heel belangrijke. Joannes Stalpart van der Wiele was een tekstschrijver voor liederen van de Hollandse zending bijvoorbeeld. Camerata Trajectina heeft een prachtige cd gemaakt met de titel Zingende Zwanen, waarin sommige van zijn teksten ten gehore worden gebracht.

Andere aanleidingen waren grote gebeurtenissen zoals de ramp met de Batavia bij Australië of de oorlogsverrichtingen in Europa. Uiteraard was Michiel de Ruyter een dankbare inspiratiebron. Ook een eenvoudig gegeven als het buitenleven zorgde voor veel gedichten, zoals de hofdichten waarin men bijvoorbeeld de superioriteit van het zuivere landleven boven dat in de stad beschreef. Een voorbeeld is het gedicht over Hofwyck, waarin Huygens zijn buiten aan de Vliet in Voorburg bezong. Zijn buiten ligt al lang niet meer buiten en als hij wist hoe dat er nu bij lag zou hij het wellicht wat moeten herschrijven…

Nu lijkt het alsof er alleen maar gedicht werd in die tijd en dat werd er ook veel. Buitenstaanders viel het zelfs op dat de vers- en liedkunst erg goed ontwikkeld was in Nederland, waar verder de muziekcultuur niet op het allerhoogste niveau stond Europees gezien. Maar voor iedere gelegenheid was er een lied en dus tekst. Toneel was echter ook belangrijk en ook daarvoor werd er geschreven. De embleemboeken wil ik nog even apart noemen. Die waren erg populair en bestonden uit boeken met emblemata ofwel houtsnedes of gravures, begeleid met een spreuk of korte tekst. Vaak bevatte die tekst dan een morele les. Ook hiervan staan veel voorbeelden in het boek met mooie illustraties. Ook het fenomeen drempeldichten kwam ik overal tegen en dat zijn dan weer gedichten die ter inleiding dienen tot een groter (dicht)werk.

Interessante materie en ik kan er uren over doorlezen, maar de aparte verhalen blijven toch het mooiste, zoals die excentrieke edelman Everhart Meyster, die op zijn landgoed uitsluitend groenblijvende bomen en struiken had geplant en het landgoed Nimmer-dor noemde. Hij schreef er een hofdicht over;

In elke vierde regel van zijn ruim achthonderd verzen tellende gedicht herhaalde hij: ‘’t is nimmerdor rontsom, van boven en ter zijden.’ Zelfs het boek was groen: met groene letters gedrukt op groen papier.

db779f10a35e5fb59724d676b77444341587343_v5
Napoleon en De schaduw van de Revolutie. Met deze twee titels brengt Bart van Loo twee verhalen bijeen in een portret van de beroemdste persoon uit de Franse geschiedenis en de meest tot de verbeelding sprekende gebeurtenis; de Franse Revolutie. Omdat ik mij toch in Frankrijk bevond leek mij dit een prima gelegenheid voor een nadere kennismaking met Napoleon en zijn tijd.

Er zijn boekenkasten vol geschreven over Napoleon dus je moet van goede huize komen om er één aan toe te voegen. Van Loo gebruikt hiervoor de Franse Revolutie als uitgangspunt en wil uitzoeken hoe de wisselwerking tussen Napoleon en de Revolutie was om te begrijpen wie Bonaparte geworden is. Hoe slaagde hij erin de Franse bevolking te overtuigen dat hij de man was op wie ze zaten te wachten.

Als de Revolutie uitbreekt is Napoleon, de geboren Corsicaan, al in Parijs. Koning Lodewijk XIV en zijn vrouw Marie-Antoinette vluchten maar worden opgepakt en eindigen onder de guillotine. Napoleon is getuige van de bestorming van het Paleis bij de Tuilerieën en kijkt met afgrijzen naar het bloedvergieten. Toen nog wel;

Napoleon Buonaparte, die op 10 augustus 1792 onwel wordt bij het zien van enkele honderden doden, zal een model zijn voor dictators die hun jonge mannelijke bevolking gebruiken als kanonnenvoer. Zijn Grande Armée zal onophoudelijk blijven putten uit het gespuis, het rapaille, het door de jonge Buonaparte zo gehate gepeupel.

Een kleine doorkijk naar de toekomst maar zover is het nog niet. Napoleon maakt snel carrière in het leger. We zien kopstukken uit de oude adel als Talleyrand en Fouché naar voren komen en die zullen een rol blijven spelen, ook als vertrouwelingen van Napoleon. Robespierre is een ander verhaal. Die komt juist niet uit de oude adel maar zal toch veel macht krijgen en uiteindelijk zijn hand overspelen. Ook hij eindigt op het schavot.

Als Napoleon een overwinning behaalt op de Royalisten wordt hij opperbevelhebber van de binnenlandse strijdkrachten. Hij trouwt met Joséphine de Beauharnais en behaalt nieuwe overwinningen in Noord-Italië. Hij weet inmiddels dat hij onmisbaar is geworden voor de gevestigde macht in Parijs.

Uiteindelijk vertrekt hij met een leger naar Egypte en daar blijkt dat zijn scrupules al een stuk minder zijn geworden. Toen hij optrok naar Akko (nu in het noorden van Israël) liet hij 3000 mannen fusilleren die zich al aan hem hadden overgegeven. Toen hem berichten bereikten dat de tijd rijp was om zelf de macht in Parijs te grijpen zag hij er ook geen been in om zijn leger in Egypte aan haar lot over te laten en alleen terug naar Frankrijk te vertrekken.

Daar grijpt hij de macht en creëert een nieuw staatsbestel. Voor het gemak worden er zestig van de drieënzeventig kranten verboden; stabiliteit is even belangrijker dan democratie. Ook gaat hij weer op veldtocht, ditmaal over de Alpen. Niet op een heroïsch wit strijdros zoals u wellicht kent van het schilderij van Jacques-Louis David, maar koukleumend op een ezel, zoals te zien op het schilderij van Paul Delaroche. Het doel van die tocht was om in Italië de Franse troepen te versterken en gebied te heroveren. Hij zou bij Marengo een beslissende overwinning behalen.

Als hij zichzelf uiteindelijk tot keizer kroont begint zijn queeste naar Europese almacht. Bij Austerlitz (in het tegenwoordige Tsjechië) verslaat hij de Oostenrijkse en Russische legers. Voor de bulletins krikte hij de slachtofferaantallen aardig op, in zijn brieven aan Joséphine gebruikte hij gewonemensentaal;

‘Gisteren heb ik de Russen en Oostenrijkers verslagen. Ik ben redelijk moe. Ik heb een week lang buiten geslapen, en de nachten waren redelijk koud.’

Napoleon blijkt een man van vele gezichten maar bovenal valt op dat zijn ambitie boven alles gaat. Hij boezemt zijn manschappen vertrouwen in maar is nooit oprecht bezorgd. Ze moeten zo goed mogelijk het gevecht in geleid worden. Aanvallen is altijd belangrijker dan verzorgen, winnen belangrijker dan zijn mannen sparen.

Uiteindelijk zal hij zelfs de Russische tsaar de oorlog verklaren. Die veldtocht loopt uit op een totale mislukking en de ooggetuigenverklaringen zijn schrijnend. Soldaat Henri Ductor schrijft;

‘Hoe vaak heb ik me niet op mijn buik op de grond geworpen om uit de sporen van paardenhoeven water van een gelige kleur te drinken.’

Zijn leger verdwijnt in het niets en niet eens zozeer door verloren veldslagen, wel door alle ontberingen. Ook hier laat Napoleon iedereen in de steek want hij dreigt zijn macht te verliezen in Frankrijk. Dat gebeurt ook en hij moet abdiceren. Hij vertrekt in ballingschap naar het eiland Elba.

Dat verblijf duurt echter maar tien maanden en dan vertoont hij zich weer met een snelgroeiend leger van aanhangers in de hoofdstad. In Parijs heerste namelijk grote onvrede over het Verdrag van Parijs waarmee de oorlog tegen Frankrijk beëindigd was. Napoleon wist dat en kwam om orde op zaken te stellen.

Koning Lodwijk XVIII, die inmiddels aan de macht was, vluchtte naar Gent. De hertog van Wellington formeert zijn troepen en zal Napoleon treffen bij het plaatsje Waterloo in de Zuidelijke Nederlanden. Napoleon wordt er verslagen en dat betekent zijn einde. Hij wordt definitief verbannen naar een eilandje in het zuiden van de Atlantische Oceaan, Sint-Helena. Daar zal hij ook overlijden.

Bart van Loo heeft een prachtig boek geschreven dat constant de aandacht weet vast te houden. De handige chronologie achter in het boek zet je altijd op het goede spoor als je de weg kwijt bent, maar het is zelden nodig. De houding van de Fransen ten opzichte van Napoleon is interessant; in de verkiezingen voor de grootste Fransman aller tijden staat hij steevast samen met De Gaulle bovenaan, hoeveel doden hij ook op zijn geweten heeft. De Slag bij Austerlitz wordt dan weer niet gevierd, maar een veroordeling van zijn oorlogsmisdaden is er ook nooit gekomen. Waarschijnlijk heeft Napoleon zelf dit al voorvoeld, getuige zijn uitspraak;

‘Elke dag verdampt de herinnering aan mijn tirannie een beetje meer.’

9048813107.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De leeuw van Toscane is het verhaal van de legendarische Italiaanse wielrenner Gino Bartali, opgetekend door Aili & Andres McConnon. Legendarisch, omdat hij zijn wedstrijden reed net voor en na de Tweede Wereldoorlog en een nog steeds ongeëvenaarde prestatie neerzette. Hij is tot nu toe de enige wielrenner die de zwaarste wielerwedstrijd, de Tour de France, met een tussentijd van 10 jaar wist te winnen; in 1938 en opnieuw in 1948. Daar waren redenen voor en er zat een hele lading achter, wat dan weer de aanleiding is voor dit boek.

Het is geen dik boek, ruim 260 pagina’s, en daarmee geen uitputtende biografie van Bartali. Toch begint het verhaal in zijn vroege jeugd waarin al vroeg bleek dat Gino talent had voor de fiets;

Al snel werd duidelijk dat Gino de sterkste van de groep was. Maar pas toen hij zijn kwaliteiten kon gaan bewijzen tegenover echte renners, besefte hij dat hij anders was, bijzonder zelfs….’Hoewel zij perfecte fietsen hadden, wonnen ze niet altijd, ook al leken onze fietsen nog het meest op hotsende paardenkarretjes. Bij een klim tegen mij verloren ze zelfs vaak,’ vertelde Gino.

Tegen de wil van zijn ouders in gingen Gino en zijn broer wielrennen. Hoewel zijn broer dat met de dood moest bekopen ging Gino door en boekte succes. Ondanks, zou je haast zeggen, de trainings- en voedingsadviezen van die tijd. Die stamden nog deels uit midden 19e eeuw;

In 1869 adviseerde een Franse arts zelfs aan wielrenners…om tijdens de race om de twintig à vijfentwintig kilometer af te stappen om wat te eten en te drinken, liefst een biefstuk met wat glazen madeira of zoete witte wijn erbij.

Bartali ontwikkelde een wat onorthodoxe stijl van wielrennen, waarbij hij om de haverklap in de aanval ging om zijn tegenstanders volledig uit te putten. Toch werkte dat voor hem en de overwinningen werden groter en talrijker.

Uiteindelijk won hij de Giro d’Italia en werd er druk op hem uitgeoefend om, ondanks de longontsteking die hij daarbij opliep, ook de Tour De France te gaan rijden. Hij liet zich overhalen maar zou hem niet uitrijden door een val in een rivier. Hij wilde wel, maar moest zich van overheidswege terugtrekken want Italië brengt natuurlijk louter winnaars voort.

Dat laatste kwam uit de koker van Mussolini die inmiddels aan de macht was. Die machthebbers gingen zijn wielerkalender bepalen en ondanks zijn droom om als eerste de Giro en de Tour in één jaar te winnen mocht hij het daaropvolgende jaar in 1938 alleen met de Tour de France meedoen. En er werd verwacht dat hij hem won ook. Winnen deed hij en de manier waarop dit beschreven wordt vind ik één van de grote charmes van dit boek én van het wielrennen uit die tijd.

Uiteraard waren er geen strakke asfaltwegen maar was het afzien in ontzettend lange etappes. Na zijn winst weigerde hij om die winst ten gunste van het fascistische regime aan te wenden en daarom kreeg hij geen groots onthaal in Italië.

De oorlog brak uit. Bartali was inmiddels getrouwd en had een zoon en ging in dienst werken als fietskoerier. Zo kon hij zijn vorm een beetje behouden, maar hij ging tevens als koerier werken voor de Joodse gemeenschap. Weinige dingen waren in de oorlog belangrijker als identiteitsbewijzen en de papieren daarvoor vervoerde Bartali in het frame van zijn fiets. Met gevaar voor eigen leven, want bij ontdekking was executie een reële mogelijkheid.

Na de oorlog pakte hij het wielrennen weer op maar in Italië is het onrustig. De christendemocraten winnen de verkiezingen van de communisten en er wordt een aanslag gepleegd op een communistenleider. Totale chaos dreigt.

Bartali heeft zijn zinnen gezet op de Tour de France uit 1948. Zijn grootste rivaal, uit die tijd, Fausto Coppi, doet niet mee maar hij zal moeten afrekenen met een contingent jonge en sterke Franse wielrenners. Bovendien kreeg hij een belangrijk telefoontje van de Italiaanse premier De Gasperi;

‘Denk je dat je de Tour wint? ‘
‘Nou ja, we moeten nog een week. Maar ik ben voor negentig procent zeker dat ik morgen de etappe win.’…
‘Je hebt gelijk. Jullie moeten nog een week. Maar doe je uiterste best. Dat zou voor iedereen hier heel erg belangrijk zijn.’
‘Hoezo?’
‘Omdat de situatie hier behoorlijk chaotisch is,’ zei De Gasperi.

Alsof het lot van het land op de schouders van de oude Bartali wordt gelegd. Maar hij gaat er vol voor en opent de jacht op zijn Franse concurrent Robic;

Gino’s benen gingen als zuigers op en neer en hij liep op hem in…Jakkerend over de door het naar beneden komende water vernielde weg passeerde Gino hem. Robic was nu zo opgebrand dat hij er niets meer tegen in kon brengen. Integendeel, hij keek Gino aan met een blik die weet dat zijn lot bezegeld is.

U merkt, de schrijfstijl is ook niet vrij van enige dramatiek maar dat past prima bij dit boek. Bartali zou inderdaad de Tour winnen en het voert te ver om te zeggen dat hij daarmee alle spanning in Italië uit de lucht haalde, maar het zorgde voor enige verlichting. De schrijvers van dit boek geven aan talloze interviews voor dit boek te hebben gehouden en uitgebreid bronnenonderzoek te hebben gedaan en staan in voor de uitspraken zoals ze in dit boek staan. Dat moeten we dan maar aannemen want er staat geen literatuurlijst in, maar het zorgt in ieder geval voor een prima leesbaar en heroïsch verhaal over een bijzonder mens.

Lees ook de prima bespreking van Bettina hier.

Vertaling; Pon Ruiter, Jevgenia Lodewijks en Paul Heijman

54b9a753c6baa765976325a7467444341587343_v5
Katholiek in de Republiek is de pakkende titel van dit boek van jurist en historicus Carolina Lenarduzzi. Zij promoveerde in 2018 aan de universiteit Leiden op een historisch proefschrift over de katholieke subcultuur in de Republiek en dit boek is de prima leesbare versie daarvan voor een wat breder publiek.

Wellicht mag de grondslag bekend zijn. Na de Nederlandse Opstand tegen hun landsheer Filips II werd in het noorden de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gevormd. Vanaf het jaar 1580 werden daarmee een aantal anti-katholieke edicten uitgevaardigd die de grondvesten onder het bestaan van overtuigde katholieken deed schudden. Ze mochten hun geloof niet meer in het openbaar belijden en moesten toezien hoe hun belangrijke rituelen en symbolen als ‘paapsche superstitien ende affgoderie’ werden geweerd en hoe hun heilige objecten het mikpunt van spotternij en vandalisme werden.

De aanleiding voor de studie en dus voor dit boek was het paradoxale samengaan van het verbod op de uitoefening van het katholieke geloof en het bestaan van een bloeiende katholieke gemeenschap. Lenarduzzi wil beschrijven wat een inwoner van de Republiek tot een katholiek maakte en dat doet ze aan de hand van een aantal egodocumenten, variërend van particuliere kronieken en dagboeken tot poëzie en liederen.

Het boek is verdeeld in drie delen. Het eerste deel, Van mainstream naar marginale cultuur, onderzoekt de marges waarin katholieken nog zichzelf konden zijn. Hun kerken en kloosters kregen andere bestemmingen maar er verschenen bijvoorbeeld schuilkerken. Katholieke bestuurders werden verbannen en anderen, zoals de priester Franciscus Dusseldorpius (1567-1630) emigreerden zelf. Dusseldorpius liet een aantal jaarboeken na waaruit vaak geciteerd wordt. Hij beschrijft het bestaan van glippers, de katholieken die liever in ballingschap gingen dan onder het juk van de ‘ketters’ te moeten leven. Ook worden in dit deel de katholieke herinneringsculturen beschreven en hoe die nog steeds een rol speelden in het dagelijks leven. Het gaat dat om de verbeelding van het verleden, processies en bedevaarten die nog steeds plaatsvonden en de religieuze objecten die nog overal werden verborgen.

Het tweede gaat dieper in op De katholieke gedragscode. Hoe kijken de katholieken naar de wereld en hoe bewegen ze zich hier in? Alle vanzelfsprekende rituelen moesten immers heroverwogen worden. Een priester kon niet zomaar over straat;

De vanuit Gouda naar Amsterdam gevluchte broeder Wouter Jacobz noteerde in 1572 in zijn dagboek, dat priesters zieken bezochten ‘in vrouwencleeder […] om tselfde den guesen te verduysteren.’

Lenarduzzi gebruikt veel van dergelijke voorbeelden en dat maakt het tot een levendig boek. Er staan ook langere fragmenten in en dan moet u zich even concentreren op het taalgebruik, er wordt geen vertaling bijgegeven. In dit deel merken we ook hoe belangrijk de muziek is in het katholieke geloof. De liturgische gezangen verloren hun gebruikelijke setting en veel expertise ging verloren. Dat was van belang, want kosteres Tryn Oly (1585-1651), uit wiens geschriften ook vaak wordt geciteerd, gaf aan dat muziek belangrijk was voor de aanwas van nieuwe katholieken;

Weyntgen Hendriks, bijvoorbeeld, besloot haar wereldlijke leven vaarwel te zeggen toen de ‘soeticheyt des gesank’ en de ‘lieffelicheit der spelende instrumenten’ van de Haarlemse maagden haar ziel raakten.

Het derde deel tenslotte heet Dynamiek en gaat over het feit dat de katholieke gemeenschap en haar gedragscode geen statische maar dynamische grootheden zijn. Ze zijn onderhevig aan beweging en verandering, zowel intern als extern. Een voorbeeld hiervan is het schisma dat ontstond tussen rooms-katholieken en jansenisten. Ben je al een onderdrukte groep, moet je nog uitmaken of je wel in de juiste onderdrukte groep zit. Dat onderdrukte gevoel kwam er ook wel eens uit en katholiek geweld kwam dan ook voor. De Kroniek van het Sint Geertruyklooster beschreef tot in detail hoe de Bossche stadhouder Martinus Achterdijck in 1673 aan katholiek geweld ten prooi viel. Er overkwam hem van alles

Maer oock verschijnde slaegen, soo binnen als buijten de deure bij hem ontfangen, hem noch geïnfligeert was een seer periculeuse wonden int hooft, penetrerende tot in het pericranium, ende alnoch een diepe steeck met een moortpriem int dick van sijn lijff;

U heeft meteen een idee van al die fragmenten en hoe ze te lezen. Aparte vermelding verdienen de prachtige illustraties in het boek, soms over twee pagina’s. Het is een zeer interessante inkijk in de belevingswereld van een religieuze minderheid die zich toch behoorlijk liet gelden.