archiveren

Geschiedenis

9000365287.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In De muzikale mens gaat musicoloog en hoogleraar Muziek aan de Universiteit van Liverpool Michael Spitzer op zoek naar de oorsprong van de muziek. Het moet maar liefst een wereldgeschiedenis van muziek worden en dat in 490 pagina’s.

Ik moet zeggen, hij komt een heel eind maar aan het eind van het boek duizelt het je wel van de feiten. Eerst maar even de opzet van het boek. Het boek bestaat uit drie delen, waarin drie tijdbalken naast elkaar geplaatst worden. De eerste bestrijkt de duur van een mensenleven. Spitzer verkent de verschillende manieren waarop muziek is verbonden aan het leven, vanaf geluiden in de baarmoeder tot op hoge leeftijd. De tweede tijdbalk betreft muziek in de wereldgeschiedenis en de derde gaat over de evolutie van muziek.

Werkt dat? Ja, voor een groot deel wel want het is handig om een soort leidraad te hebben. Aan de andere kant was ik ook wel eens kwijt waar ik ook alweer precies zat, want Spitzer gaat alle kanten op af en toe. Toch is dat geen probleem, want de schrijftrant is levendig en ik heb mij geen moment verveeld. Als hij met de duur van een leven begint schrijft hij het volgende;

Dit hoofdstuk werpt licht op het verloop van ons muzikale leven van de zwangerschap en jeugd via puberteit en volwassenheid tot de dood, van amateurs en professionals. Onderweg komen we boeiende vragen tegen…Wat heeft het laten hobbelen van een baby op je knie te maken met polygamie? Of dronken om middernacht tegen de wijzers van de klok in een Afrikaanse dans te dansen op een binnenplaats in Oxford?

Dat nodigt wat mij betreft uit tot verder lezen. Het mooie is dat Spitzer er daadwerkelijk een wereldgeschiedenis er van maakt. Hij lardeert zijn verhaal met voorbeelden van Australië en Nieuw-Guinea, van India en Turkije, van China, Rusland en Japan tot aan het Westen en Latijns-Amerika. Het gaat over de muziek die we met de Voyager de ruimte in stuurden, de sea-shanty’s van zeelieden, de muziek die opera-liefhebber generaal Noriega tot overgave dwong, het Songfestival en zo’n beetje alle denkbare muziek waar we mee te maken krijgen in de soundtrack van ons leven.

In de geschiedenis gaat Spitzer in op het belang van instrumenten, inclusief de menselijke stem en de evolutie ervan. Hoe klonk het toen de eerste mensen rondliepen. Spraken ze, zongen ze, konden ze dat überhaupt en wanneer kwam iemand op het idee om van een vogelbot een fluit te maken. Wat was de eerste begeleiding, een resonerende stalagtiet misschien of werden er keien tegen elkaar geklapt? Wanneer begonnen we de muziek te noteren? Daarover volgt een mooi verhaal over een oud fragment van de Griekse dichter Euripides. We hebben een idee hoe zijn smartelijke openingskoor van zijn tragedie Oresteia geklonken moet hebben;

Dit is verbijsterend. We hebben er eeuwen op gewacht dat de oude muziek zich zou prijsgeven. Benen fluiten zijn slechts stukjes been. Mesopotamische partituren zijn onleesbaar. Dan trekken we eindelijk de lakens af van de Griekse muziek, kijken ernaar en wat vinden we…ons eigen spiegelbeeld dat naar ons terug staart over een afstand van tweeënhalfduizend jaar…We zijn nog steeds Grieken.

De treurnis van die Grieken klonk namelijk niet veel anders dan die van Mozart of van popzangeres Adele. Dat is een leuke eye-opener en zo zitten er veel meer in het boek. Spitzer neemt u mee de natuur in en heeft het over het gezang van de bultruggen of de fenomenale imitatiekunst van de liervogel. Zoekt u even op Youtube op ‘Attenborough’ en ‘lyre bird’ en hoor hoe die vogel kettingzagen en fototoestellen feilloos nabootst.

In de evolutie van muziek gaat het over dieren, mensen en machines. Die laatste is een niet te onderschatten factor. Muziek is overal en altijd oproepbaar. Streamingdiensten als Spotify hebben gezorgd voor een andere manier van componeren. Waar vroeger een nummer werd opgebouwd moet nu veel sneller de aandacht getrokken én vastgehouden worden van de luisteraar. Verder vinden we het niet meer vreemd om naar een concert te gaan waar hologrammen optreden, zoals de ABBA-concerten of die van de ‘verzonnen’ Japanse popster Hatsune Miku, een dansend en zingend hologram van een Japans anime-tienermeisje. Machines kunnen al muziek componeren in de stijl van Chopin of Mozart en kunstmatige intelligentie rukt op. Spitzer;

Tijdens de lunch op dinsdag, 6 maart 2018 ging computerwetenschapper Nick Collins er eens goed voor zitten en genereerde in een uur een miljard melodietjes van zesendertig noten met behulp van de computertaal SuperCollider…

Of dat hoogstaande muziek is dat is een ander verhaal maar de mogelijkheden worden steeds groter en Spitzer beschrijft goed hoe de focus in de loop van de tijd is verschoven van deelnemend aan muziek tot het consumeren van muziek. Dat doet hij met humor, ironie, kennis van zaken en heel veel feiten, maar zoals gezegd, het heeft mij geen moment verveeld.

Vertaling; Rob de Ridder

9403113014.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Wildevrouw van Jeroen Olyslaegers speelt in het zestiende-eeuwse Antwerpen en sluit dus mooi aan op het boek Antwerpen van Michael Pye dat ik hiervoor las. Als auteur wil je de grote gebeurtenissen van die tijd in een geloofwaardig verhaal vatten en volgens mij is Olyslaegers daar volledig in geslaagd.

Ogenschijnlijk is de verhaallijn snel verteld maar er is ontzettend veel aan de hand in dit boek en dat maakt het uitermate boeiend. Eerst de verhaallijn dan.

Beer heeft een herberg in Amsterdam in de Warmoesstraat maar blikt terug op zijn leven in Antwerpen. Daar had hij ook een goedlopende herberg, maar hij kende een groot verdriet. Drie vrouwen heeft hij in het kraambed verloren, alleen de laatste liet hem een zoon na. Die herberg is een gouden vondst van Olyslaegers. Het is de plaats waar mensen samen komen om handel te drijven, ruzie te maken en nieuws uit te wisselen. Daar maken we kennis met het geheime genootschap ‘De Familie der Liefde’ die er bijeenkomsten houdt. De bekende cartograaf Abraham Ortelius en de kunstenaars Joris Hoefnagel en Pieter Bruegel maken er deel van uit en figureren dus in het verhaal.

Er worden in zijn herberg plannen gemaakt om met schepen een doorgang te vinden naar China via het noorden. De rijke Gillis Hooftman zal hiertoe een aantal schepen uitrusten. Zo’n risico moet verzekerd worden en ineens is daar Jan Grauwels, een zogenaamde verzekeringsexpert, die zich zal ontpoppen tot een genadeloze inquisiteur van de Spaanse bezetter.

De schepen vertrekken en slagen niet in hun missie. Slechts één komt er terug, vol met pelsen en slagtanden van walrussen en met, zo gaat het gerucht, een monster in een kooi. Een monster is het niet, Beer krijgt te maken met een wildevrouw en haar dochter, die een belangrijke rol in zijn leven gaan spelen. Gaat u dat vooral zelf lezen.

Dat is het hele verhaal maar daar begint het pas. Er is zoveel meer dan dat. Alle kaders die in het boek van Pye geschetst zijn worden door Olyslaegers prachtig ingekleurd. Allereerst door de taal die een feest is om te lezen. Het boek begint zo;

Wanneer een vent drie vrouwen aan de aarde heeft moeten toevertrouwen, de een na de ander, en twee van hen ook nog eens deze wereld hebben verlaten met een bijna voldragen kind in hun buik, dan acht hij zijn zaad vervloekt. De laatste stierf vlak nadat ze een zoon ter wereld had gebracht. De eerste twee kwamen zelfs niet aan baren toe. Beladen als een schip vol toekomst zonken ze weg in de diepte van de dood, nog voor ze met hun vracht wisten aan te meren. De eerste voelde zich geminacht en had schrik van mijn manieren, de tweede piste op mij vanop grote hoogte en deed alsof ik een ware stier was in bed, de derde keek in het zwart van mijn ogen en wist genoeg.

Wat een begin van een verhaal. Een ander sterk punt zijn alle figuren. De bekende historische figuren worden mooi ingekleurd, maar ook de sterke vroedvrouw Margreet die Beer terzijde blijft staan, zijn zoon Ward die hagepreker wordt, de blinde Jeroom en De Schrale, met wie Beer een wildeman speelt tijdens de opvoering van een landjuweel.

Je voelt de koude als Olyslaegers de extreme winter in Antwerpen beschrijft. Je voelt de gruwelen als goudsmid Samson Wolboort aan Beer vertelt over de Spaanse Furie toen Antwerpen geplunderd werd en haar bevolking werd afgeslacht.

Historische gebeurtenissen en figuren die steeds weer bij elkaar komen in de herberg van Beer. Zelfs de Prins van Oranje en zijn vrouw Anna van Saksen maken hun opwachting in het verhaal en de auteur schuwt ook de humor niet. Ik heb Anna van Saksen nooit zo beschreven zien worden;

Iets aan haar klopte niet. Ze leek ooit van een of andere trap te zijn gedonderd of misschien van een paard gesmeten in volle galop en vervolgens verkeerd in elkaar gestoken.

Uiteindelijk draait het om de wildevrouw en haar dochter en ook dat is gebaseerd op een ware gebeurtenis. Als u het boek heeft gelezen kijk dan vooral op de website www.wildevrouw.be waar allerlei achtergronden staan over dit wervelende verhaal, de historische gebeurtenissen en de hoofdpersonen.

9403134216.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Omdat ik zeer te spreken was over zijn vorige boek, Aan de rand van de wereld, was ik ook benieuwd naar het laatste boek van historicus Michael Pye. Dat gaat over de gloriejaren van de stad Antwerpen en dan hebben we het eerste vraagstuk al te pakken. Wat zijn die gloriejaren? Voor de één zijn dat misschien de eerste zestig jaar van de vorige eeuw waarin de vier landstitels van FC Antwerp behaald werden, maar Pye kijkt er iets anders tegenaan;

Mijn boek begint met de komst van de Portugese schepen met specerijen en eindigt met de beeldenstorm en de lange naweeën daarvan. Voor mij is glorie de tijd waarin de stad haar eigen karakter en individualiteit kon uitdragen, en meer was dan de zoveelste stip op de kaarten die Karel V graag liet maken om te laten zien tot waar zijn heerschappij zich uitstrekte.

Pye schrijft in 300 pagina’s een aantal hoofdstukken die verschillende facetten belichten van een stad in de zestiende eeuw. Begonnen als een plaats aan een rivierhaven, groeide Antwerpen uit tot de noordelijke pendant van Venetië, een grootmacht op een kruispunt van handelsroutes. Er werden veel talen van over de hele wereld gesproken en de plaatselijke arts Jan van Gorp besloot daar eens in te duiken;

Hij probeert na te gaan welke taal Adam en Eva ooit hebben gesproken, waarna hij die taal probeert te vinden te midden van alle talen die op de wereld gesproken worden. Uiteraard is het de taal met de eenvoudigste, kortste woorden, en dan blijkt, niet geheel tot onze verrassing, dat de gehele mensheid ooit de taal van Brabant heeft gesproken.

Dit is wel exemplarisch voor de schrijfwijze van Pye. Met voorbeelden van bestaande mensen een beeld schetsen van verschillende facetten van de stad en haar bewoners. Hij pakt een schilderij van Pieter Aertsen, De Vleesstal, om de stad Antwerpen te beschrijven en de monopoliepositie van de vleeshouwers. De muziekindustrie licht hij toe door componist en uitgever Tielman Susato. Over uitgevers gesproken, die werken nauw samen met drukkers en Christoffel Plantijn is misschien wel de beroemdste drukker, ook actief in Antwerpen. Zijn verhaal staat in dit boek.

Als je leest over hoe de pest heeft huisgehouden dan vallen de overeenkomsten met het huidige Corona-tijdperk meteen op. Gelukkig is de wetenschap nu meer ontwikkeld en hoeven wij de slechte lucht niet met rozenwater te zuiveren of jeneverbes in onze huizen te branden. Kunst en handel is een ander interessant verhaal. Er werd kunst op bestelling gemaakt in plaats van uit roeping en Joos van Cleve zag hier handel in;

Van Cleve tekende de afbeelding in de sterke lijnen van een houtsnede. Vaak stond aangegeven welke kleur waar gebruikt moest worden, een soort schilderen op nummer avant la lettre.

Wie handel zegt, zegt geld en dat maakt een groot deel uit van dit boek. De beurs om te beginnen. Er werd een nieuw beursgebouw neergezet en dat diende tot voorbeeld voor andere landen. Het was zaak om als handelaar gezien te worden op die beurs, gewapend en wel. Ontbrak je, dan kon het wel eens slecht met je gaan. Onder het luiden van de klok gingen de handelaren in optocht naar de beurs toe. Ook het concept geld kreeg een andere lading. Muntstukken waren er al lang natuurlijk, maar nu was geld niet langer fysiek aanwezig. Bankier en koopman Erasmus Schetz probeerde het aan de grote filosoof Desiderius Erasmus uit te leggen, maar het lukte hem niet;

Schetz moest Erasmus vertellen dat er geld in munten bestond en geld op papier, en dat de waarde van beide kon veranderen, dat andere mensen het verschil tussen de geldmarkten konden ‘aanwenden tot hun eigen voordeel en uw nadeel.’

Vervolgens gaat Pye verder met het verhaal van Gaspar Ducci, die zich dat nieuwe concept heel goed eigen maakte, maar toch vervelend aan zijn einde kwam. Zo laveert Pye door de stad en zijn geschiedenis en dat leest best lekker door. Er is nog veel meer te vertellen, want Antwerpen is belegerd, kende zijn eigen inquisitie en beeldenstorm en raakte uiteindelijk in rustiger vaarwater, zoals diplomaat Sir Dudley Carleton in 1616 bemerkte. Het zag er allemaal prima onderhouden uit maar;

Hij vond het er wel stil, zelfs op werkdagen, zag het gras dat in de straten groeide, schooljongens die met hun jezuïtische leraar in het oude Engelse handelshuis zaten. Het statige Hanzehoofdkwartier stond leeg. ‘In de hele tijd dat we daar waren, heb ik nooit meer dan veertig personen tegelijk in een hele straat gezien…’

Ik was niet lang geleden in Antwerpen maar stil is het niet meer. Dit boek lijkt me een prima opmaat naar de roman van Jeroen Olyslaegers, Wildevrouw, die ook het Antwerpen uit de zestiende eeuw als decor heeft.

Vertaling; Pon Ruiter en Annemie de Vries

8e44f7c109e2d36597643456b77444341587343_v5
Ik kocht het boek van de fotograaf Brassaï, The secret Paris of the 30’s, naar aanleiding van een hoofdstuk in het boek van Dirk Velghe, De ziel van Parijs.

Brassaï is het pseudoniem van Gyula Hálasz (1899-1984), een Franse fotograaf van Hongaarse afkomst. Hij kwam al op driejarige leeftijd naar Parijs en ontwikkelde een fascinatie voor fotografie, met name voor het Parijse nachtleven in de jaren dertig van de vorige eeuw. Dat heeft hij vastgelegd in dit boek, samen met persoonlijke verhalen over het maken van de foto’s en de personen die hij tegenkwam.

Dat ging niet zomaar. De titel is niet voor niets gekozen, want Brassaï zocht graag juist die locaties op die niet voor het grote publiek toegankelijk waren. Dat konden bordelen zijn, besloten clubs waar de onderwereld actief was, travestie-cafés en opiumkitten, maar hij fotografeerde ook de prostituees op straat.

Om te beginnen neemt hij ons mee in zijn manier van werken. Mensen zijn nog niet erg gewend aan fotografen en zeker niet in de nacht. Hij was brutaal genoeg om ’s nachts bij mensen aan te kloppen als hij dacht dat een nachtelijke foto prima vanuit iemands raam genomen kon worden;

My intrusion frightened the inhabitants as much as my purpose: in those days, no one heard of night photography. But oddly enough, doors were almost always opened to me, and I never got shot at, as might have happened, for disturbing a nocturnal household.

Toch is hij wel eens door de politie gearresteerd, om even zeker te stellen dat hij onder een brug aan de Seine echt foto’s aan het maken is in het holst van de nacht en niet een lijk aan het verdonkeremanen is.

Zo wil hij foto’s nemen van nachtelijk Parijs en haalt hij de conciërge van de Notre-Dame over hem ’s nachts de torens te laten beklimmen van de kathedraal. Hij fotografeert kermissen met hun waarzegsters, dansers en artiesten, zoals de menselijke gorilla. Die laatste levert een prachtige foto op van een man in een levensgroot apenpak met zijn kleine zoontje.

Brassaï schuift aan bij de clochards onder de bruggen en bij de schoonmakers van de beerputten die ’s nachts op pad gaan. Zij hebben smerig en soms gevaarlijk werk en de anonieme werkers krijgen gezichten als hij ze fotografeert tijdens hun pauze;

I learned that this was a bar reserved especially for cesspool cleaners, it was their “Maxim’s”. Every night, these virtuosi of the pump would break off their labors to come here to eat! And suddenly, the anonymous black-hooded and booted devils I had seen working away in the dark, hoisting up lead and stone covers from cesspools and shoving down the hose, regained their human aspect.

Zoals gezegd kwam Brassaï graag in bars. In de Rue de Lappe waren veel danslokalen ofwel ‘Bals-Musettes’. Mannen met hun pet vastgegroeid op het hoofd, dames met zogenaamde ‘kiss-curls’ op het voorhoofd, Brassaï maakt er prachtige foto’s. Hij verstaat de kunst om op te gaan in de menigte en ongezien zijn foto’s te maken, gezien het stel dat duidelijk in een onenigheid is beland.

Zonder gevaar is het niet. Hij is wel eens eens beroofd van al zijn foto’s en is eens met de dood bedreigd toen toch een foto van een onderwereldfiguur gepubliceerd werd met een verzonnen tekst door de uitgever.

De mooiste verhalen zijn die over illustere figuren zoals ‘La Môme Bijou’. Een dame die hij ’s nachts in een bar tegekomt. Ze zit alleen aan een tafeltje, drinkt rode wijn en is behangen met allerlei juwelen. Het verhaal gaat dat zij ooit rijk was en zich in het Bois de Boulonge rond liet rijden. Brassaï gaat achter het verhaal aan, maar komt er niet achter. De foto’s moeten het doen.

Andere beroemdheden zijn de koningin van het artiestenbal, Madeleine Lequeux, ofwel ‘la panthère’. Zij trouwde met de Japanse kunstenaar Tsuguharu Foujita. Ook kreeg hij Kiki de Montparnasse voor de lens, ook een model van Foujita. De travestie-cafés, bordelen en opium-kits zijn de meest besloten gelegenheden waar hij fotografeerde. Toch lukt het hem om contacten te leggen en ook hier foto’s te maken, tot en met de klanten aan toe. Zo fotografeert hij ook Violetta Morris, die ik tegenkwam in het boek van Velghe, hoewel hij haar naam niet noemt bij de foto’s. Dat vrouwen met vrouwen dansen werd redelijk geaccepteerd. Mannen die met mannen dansen was een ander verhaal, dat werd meer verborgen gehouden, laat staan als het hier om ging;

One piquant note: once in a while one would see butchers from the neighborhood – rather common in appearance, but with hearts full of feminine longings – forming surprising couples. They would hold hands – thick, calloused hands – like timid children, and would waltz solemnly together, their eyes downcast, blushing wildly.

Nu misschien niet meer zo schokkend, in het Parijs van de jaren dertig was dat een ander verhaal en Brassaï legde ook dit vast in een bijzonder boek.

Vertaling; Richard Miller

 

9463887857.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Dirk Velghe is oprichter van een groot mediabedrijf en koestert zijn leven lang al een passie voor Parijs. Nu weet ik onderhand dat er over die stad boekenkasten vol geschreven zijn, dus wat kan het net uitgebrachte De ziel van Parijs daar nog aan toevoegen? Wat mij betreft best veel, ik vond het een schot in de roos.

Het is een dik boek van 500 pagina’s en Velghe heeft een groot aantal verhalen bij elkaar gebracht over mensen, plekken en gebeurtenissen die zich in Parijs afspelen. Hij bouwt het boek op in hoofdstukken die zich afspelen op de Rechterover West en Oost, de Linkeroever West en Oost en Monceau en Batignolles. Door de plattegronden in het boek kan je ook routes uitstippelen door Parijs om de verhalen na te lopen. Ik deed dat om te beginnen met Google Streetview en dat was al een hele mooie start. Door die geografische indeling is er geen chronologie qua geschiedenis in de verhalen maar dat leest wel prettig, je wordt steeds verrast door een heel nieuw verhaal. Voor in het boek staat wel een tijdlijn over de periode van de Franse Revolutie tot en met het presidentschap van Emmanuel Macron.

Waar het boek van Hussey een beetje tegenviel op het gebied van het onbekende en duistere Parijs voldoet dit boek daar veel beter aan, hoewel het zich daar niet per se op voorstaat. Ieder hoofdstuk wordt ingeleid door een kort verhaal dat vaak pakkend geschreven is, zoals de geschiedenis van Coco Chanel, haar beroemde parfum en haar investeerders, de broers Wertheimer;

Roos, sandelhout en jasmijn zijn de toonaangevende aroma’s van het iconische parfum Chanel N0 5. Maar in het succesvolste flesje ter wereld zitten ook minder florissante toetsen zoals afgunst, hebzucht en een vleug collaboratie.

Het aantrekkelijke van dit boek is de vaak verrassende insteek van de verhalen. Niet de bouw van de Eiffeltoren, maar een verhaal over de man die de Eiffeltoren verkocht aan een schroothandelaar. Niet de belegering van Parijs door Pruisen, maar welke dieren uit de dierentuin er op het menu van de rijken stonden en hoe ballonvaarders hulp zochten en afdreven tot in Nederland en Noorwegen.

De Eerste en Tweede Wereldoorlog spelen uiteraard een rol, maar het gaat om persoonlijke verhalen. Over de Joodse gevechtsvlieger Nissim de Camondo, gestorven voor Frankrijk. Over Rose Valland, die talloze door de Duitse geroofde kunstschatten terugbracht naar Frankrijk. Ook is er een uitgebreid verhaal over operatie Lentebries, over de decimering van de Joodse bevolking in Parijs.

Andere verhalen zijn die over de Grandes Horizontales. Dames die relaties aangingen met welgestelde heren en vaak rücksichtlos fortuinen vergaarden. Willem Frederik Hermans schreef al over Cléo de Merode en Liane de Pougy en ik las van de laatste haar dagboeken. Het gaat over de mecenas van de impressionisten Paul Durand-Ruel en over het laatste duel dat in 1967 door twee politici werd uitgevochten. Het gaat over Sylvia Beach, de grondlegster van de beroemde boekhandel Shakespeare and Company in Parijs, over de nulmeridiaan voordat die van Greenwich belangrijker werd en over de moord op de socialistische voorman Jean Jaurès.

Misdaad en geweld komen vaak voor in het boek maar leveren mooie verhalen op. Wat te denken van de beroepscrimineel François Vidocq die het schopt tot politiechef? Of van de gifmengster Marie-Madeleine die niet kan wachten op de erfenis en haar vader snel naar een andere wereld helpt. Wat overigens weinig hielp omdat het grootste deel naar haar broers en zussen ging:

Niet getreurd, denkt ze, “je les ferai prendre un bon bouillon!”. Eerst komt Antoine aan de beurt. Hij sterft in maart 1670 aan hevige pijnen en laat zijn hebben en houden na aan zijn weduwe. Die komt ook op het giflijstje.

Wellicht merkt u dat de schrijfstijl van Velghe redelijk ongedwongen is, soms doorspekt met (niet altijd vertaalde) Franse zinnen, maar dat leest prima door.

Nog een kleine greep uit de verhalen dan, want het zijn er veel en het zijn geen lange hoofdstukken. Het gaat over de bouw van het Vrijheidsbeeld voor het Amerikaanse volk, over de plannen van Hausmann voor de straten van Parijs, maar ook over de schaduwstraten onder de grond inclusief naambordjes en opgestapelde beenderen van geruimde kerkhoven. Het gaat over de vermeende hyena van de Gestapo, Violetta Morris. Een groot sportvrouw, zij kleedt en gedraagt zich als een man en wordt meedogenloos vermoord door het verzet, waarbij ook twee kinderen omkwamen. Het gaat over de onwaarschijnlijke loopbaan van François Mittterand, over de bomaanslagen van de anarchisten en over de eerste overval met een auto door de bende van Jules Bonnot. Prachtig is het verhaal over de fotograaf Bassaï die het verborgen Parijs fotografeert. Ik ben bang dat ik alweer een fotoboek heb besteld…Interessant is het verhaal over de beuls-dynastiën in Parijs. De familie Sanson werd geholpen door de nieuwe uitvinding van de arts Joseph-Ignace Guillotin;

“Het mest suist, het hoofd valt, het bloed gutst. Met mijn machine haal ik in een oogwenk uw hoofden eraf en het enige wat u voelt, is een lichte frisheid in de nek.”

Omdat er per hoofd betaald wordt en er nog andere voordelen (wees gerust, ook genoeg nadelen) aan dit ambacht vastzitten, kunnen ze er lange tijd goed van rondkomen.

Een kleine slordigheid is dat van één hoofdstuk het hele notenapparaat ontbreekt en in een ander geval nog twee noten. Jammer, want die voegen in veel gevallen iets toe met achtergrondinformatie. Verder is dit boek een must voor iedere Parijs-liefhebber, het is niet anders.

De schrijver en historicus Andrew Hussey belooft ons in Parijs, de verborgen geschiedenis het onbekende en duistere Parijs te laten zien. Hij wil het verhaal van Parijs vertellen vanuit het oogpunt van de ‘gevaarlijke klassen’. Dat is een term die Franse historici gebruiken ter aanduiding van de subversieve elementen in een stad, zoals daar zijn opstandelingen, vagebonden, immigranten, seksuele randfiguren en criminelen.

Daar is hij wat mij betreft niet helemaal in geslaagd, of ik had er gewoon een andere voorstelling bij. Dat ga ik zo toelichten. Hussey geeft aan dat het boek geen definitieve geschiedenis is van de stad Parijs, maar we beginnen wel een tijd terug. In de prehistorie om precies te zijn. Vervolgens gaan we toch met zevenmijlslaarzen de tijd door, want van recentere geschiedenis is meer overgeleverd en kan je meer vertellen. Toch is het tot die tijd wat mij betreft vooral de geschiedenis van Parijs. Soms komt er dan even iets tevoorschijn waarvan ik hoopte dat ik het vaker zou lezen, zoals wanneer het over de Tempeliers gaat, de ridderorde als hoeders van geheime kennis;

Er zijn tegenwoordig in Parijs tal van mensen die dit nog steeds geloven. De Parijse ontmoetingsplaats van deze groepen is vandaag de dag Bar-Tabac des Tempeliers op Rue de Rivoli 35, een gore tent waar je overdag op paarden kunt wedden.

Geschiedenis naar het heden gehaald en obscure groepen die zich daar nog mee bezig houden. Maar dat las ik te weinig in dit boek. Een geschiedenis van Parijs is volgens mij onlosmakelijk verbonden met opstandelingen, vagebonden en criminelen, alleen het toneel verschilt door de eeuwen heen. Dat onbekende en duistere viel voor mij dus wat weg, maar dat neemt niet weg dat ik het boek met plezier gelezen heb. Zoals over het Middeleeuwse Parijs waar Victor Hugo zo mooi over heeft geschreven. Vagebonden genoeg daar. Bedelaars, die overdag hun geld bij elkaar haalden en ’s avonds te vinden waren op de Cours des Miracles. Daar genazen ze op wonderbaarlijke wijze van al hun kwalen. De beruchtste cour, bij de huidige Place du Caire, dateerde uit de dertiende eeuw en was alleen te bereiken via een wirwar van steegjes. De zeventiende-eeuwse historicus Henri de Sauval durfde het aan met een gids;

Onderweg erheen moet je smerige straatjes door die alle kanten op draaien en kronkelen, om op de binnenhof te komen moet je een erg lange en oneffen helling af lopen. Ik zag er een half afgebrande woning van leem, ontzettend oud en vervallen, van niet meer dan vijftig vierkante meter, maar waarin vijftig vrouwen huisden die een ontelbaar aantal naakte en half geklede kinderen onder hun hoede hadden.

Een geschiedenisboek dus maar ook met talloze weetjes. ‘Chauvinisme’ komt van Nicolas Chauvin, een napoleontische ex-soldaat en felle patriot. Dat soort dingen moet ik weten vind ik. Een ander pluspunt van dit boek is dat vaak wordt verwezen naar de huidige locatie van een gebeurtenis. Achter in de index staan ook alle straatnamen die zijn beschreven dus je zou er zelfs mee door Parijs kunnen lopen, hoewel het wel slepen is met een kleine 500 pagina’s.

Hussey woont al jaren in Parijs en ik had gehoopt wat meer eigen ervaringen te lezen in dit boek, zoals wanneer hij het over de klassenstrijd heeft en de kloof tussen de arbeidersklasse in het oosten van de stad en de bourgeoisstand in de beaux quartiers in het westen. Hij merkt dat die kloof er nog steeds is;

Ik heb korte tijd in Ménilmontant gewoond, en wanneer ik me, maar al te vaak met een kater, naar de metro haastte…viel mijn oog regelmatig op de alcoholist van het quartier, die om 6.48 uur in de ochtend met een fatterige nonchalance zijn plastic literfles rouge aan zijn mond zette, en wiens woeste baard en agressieve blik recht uit de bladzijden van Le Père Peinard hadden kunnen komen, een bloeddorstig anarchistisch propagandablaadje uit de jaren 1880. Het quartier was van hem, niet van mij.

Als we bij de vorige eeuw aankomen gaat het ook over de massale immigratiegolf na de Eerste Wereldoorlog. Daar had ik nooit zo bij stilgestaan, maar die zorgde toen al voor een wezenlijke demografische verschuiving in de samenstelling van de Parijse bevolking. Dat is uiteraard niet minder geworden en waar Parijs in wezen een Middeleeuwse kern (niet het uiterlijk) heeft behouden, begrensd door de rondweg, barst het daarbuiten in de banlieues uit haar voegen. Daar woont het gros van de métèques, een algemene benaming voor in Frankrijk levende ‘vreemdelingen’ (en waar Georges Moustaki zo’n mooi nummer over schreef).

Hussey schreef dit boek al in 2007, maar deze druk is aangevuld met een nawoord over de aanslagen in Parijs in 2015. Zeker een leuk boek om te lezen maar wat minder onbekend en duister dan ik verwachtte.

Vertaling: Jan Braks

Ik zit de laatste tijd wat met mijn hoofd in Frankrijk. Door de boeken die ik lees, maar ook door het televisieprogramma Chansons! Waarin Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps in Parijs op zoek gaan naar het Franse lied. Dat bevalt mij allemaal prima dus daarom was het hoog tijd voor het boek Chanson van Bart van Loo.

Hierin vertelt Van Loo de geschiedenis van Frankrijk aan de hand van bekende en minder bekende Franse liedjes. Daarmee is het dus geen geschiedenisboek, hoewel achterin het boek keurig een korte chronologie van de Franse geschiedenis is opgenomen. Het is, en vandaar de titel, een boek over het Franse chanson met de geschiedenis als kapstok.

Om meteen mijn enige punt van kritiek te uiten; ik weet niet of die kapstok nu zo nodig was. Af en toe bekruipt mij het gevoel dat de geschiedenis bij de liedjes is gezocht. Andersom levert de geschiedenis, waarover toevallig een liedje is geschreven niet per se de beste nummers op. Zo heeft Karel de Grote een grote rol in de geschiedenis en zingt France Gall een liedje over hem, ‘Sacré Charlemagne’, maar er zijn boeiender nummers van haar waar over te schrijven valt.

Van Loo had dus ook ‘De geschiedenis van het chanson’ kunnen kiezen als titel, waar je gerust wat Franse geschiedenis doorheen kan weven, maar dat misschien meer ruimte had gelaten aan de verhalen rondom de liedjes en de componisten. Het blijkt uit dit boek dat er onnoemelijk veel te vertellen is.

Daar houdt de kritiek dan ook op, want er valt veel te genieten. Allereerst zijn er de nieuwsgierig makende inleidingen boven ieder hoofdstuk;

Van constipatie tot guillotine
Of hoe de fistel van Lodewijk XIV mee aan de wieg staat van het Britse volkslied, de constipatie van Lodewijk XV doorwerkt tot in het chanson van de twintigste eeuw, maar ook hoe Serge Gainsbourg voor een uitgespuwde reggaeversie van de Marseillaise tekent en Claude François het merkwaardigste discobal uit de geschiedenis opent. Met belangrijke rollen voor Gilbert Bécaud, Bourvil, Julien Clerc, Rouget de Lisle, Jacques Dutronc, Jean-Baptiste Lully, Michel Sardou, Mireille Mathieu en Franky Vincent. Ook opvallende verschijningen van The Beatles, Catherine Deneuve, Django Reinhardt en Yannick Noah.

Zoiets maakt mij onbedaarlijk nieuwsgierig en zo gaat het met ieder hoofdstuk. Bekende en minder bekende namen en Youtube en Spotify draaien overuren hier. Ik laat de geschiedenis in deze bespreking een beetje voor wat het is, maar sta stil bij de muziek. De streek die Gainsbourg uithaalt met France Gall door haar over Les sucettes, ofwel anijslollies, te laten zingen. Nauwelijks voorstelbaar, maar de dubbele bodem ontgaat Gall volledig. De muzikale strijd van Michel Sardou en Julien Clerc die liedjes schrijven voor (Je suis pour) en tegen (L’assassin assassiné) de doodstraf.

Van Loo schrijft over het onwaarschijnlijke verhaal van de populaire Claude François. Een van de populairste zangers van Frankrijk, een slimme en rijke zakenman bovendien en tragisch omgekomen door elektrocutie, terwijl men in een liveshow op televisie op hem wachtte. Daar kwam het bericht van zijn overlijden, het is terug te vinden op Youtube. Zijn video’s ook en hij mag toen populair geweest zijn; zo’n nummer als Alexandrie, Alexandra, ik trek dat maar slecht. Maar wie ben ik, kijk naar de commentaren; geen slecht woord over te vinden. Frankrijk kent de nummers van buiten.

Natuurlijk komen er veel liedjes voorbij die wel over geschiedenis gaan en er zitten soms juweeltjes bij. Le temps des cerises is een lied van de Commune, de opstandelingen in Parijs die allemaal werden vermoord. Juliette Gréco besloot haar optredens met dit lied en Van Loo verrast door ons te wijzen op een andere prachtige uitvoering door…Bobbejaan Schoepen. Je verwacht het niet, maar hij is zeer de moeite waard.

Ook de moeite waard is de oudere garde, zoals Maurice Chevalier. Zoek Prosper van hem maar eens op en je loopt de hele dag met Yop la boum in je hoofd. Fréhel, de zangeres die een piepjonge Gainsbourg meeneemt naar het café en Patachou, die een bloednerveuze jonge Georges Brassens zelfvertrouwen geeft. Toch stopt ze zijn eerste optreden even;

Patachou kucht. ‘Ik laat u stoppen omdat u sterft van de plankenkoorts en ik u moed wil geven. Dit is een zeer goed nummer. Als het even goed eindigt als het begint, zing ik het vanaf morgen. Begin opnieuw en wees niet bang. Over een half jaar zult u bekender zijn dan ik.’

Ik kende Brassens al wel maar heb talloze liedjes van hem weer beluisterd. Tip van mij; pak echt zijn teksten erbij en zet het niet zomaar op. Die teksten, en dat geldt voor heel veel chansons, zijn erg belangrijk. Brassens wordt wel de tedere anarchist genoemd. Geen zin om op te staan bij het volkslied, verheerlijking van dieven, hoertjes en zwervers of hij komt met een aanklacht tegen het kaalscheren van dames wegens horizontale collaboratie in La tondue. Hij schildert zichzelf af als ‘de deugniet van het lied’ in Le pornographe, wat weer komt door zijn lied Le gorille, waarin een ontsnapte en hitsige gorilla zich afvraagt of hij het met een oude dame of een rechter moet doen.

Ook bij Jacques Brel zijn de teksten heel belangrijk. Ik had al veel beluisterd van hem na het lezen van zijn biografie, maar Orly, Jojo en Vesoul waren weggezakt en moet je af en toe tot je nemen. Wat een muziek.

Het boek is dus een mix van geschiedenis en muziek maar met de nadruk op de muziek. U leert waar die rare zin vandaan komt in dat sensuele nummer van Gainsbourg en Birkin, Je t’aime…moi non plus, dus ‘ik hou van je…ik ook niet’. U moet echt even lezen hoe Christophe aan zijn hitsingle Aline kwam (‘et j’ai crié! Crié!), u kunt opzoeken hoe de geëngageerde en vroeggestorven zanger Daniel Balavoine helemaal leegloopt tegen president Mitterand (het staat ook op Youtube) en zoek het surrealistische nummer eens op over stripalbums van Serge Gainsbourg en Brigitte Bardot, Comic strip, waarin Bardot vol overgave haar onomatopeeën vertolkt als: Clip! Crap! Bang! Vlop! Shebam! Pow! Blop! Wizz!. Ik ben echt nog lang niet klaar met dit boek.

Wellicht weet u dat ik wel vaker iets lees over Parijs en de kunstenaars die het aantrekt. Hier, hier en hier leest u daar meer over. Gare du Nord van Eric Min is een boek dat daat goed op aansluit en deels overlapt. Het gaat over Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs in de periode 1850-1950.

De titel slaat uiteraard op het treinstation in Parijs waar die noordelingen arriveerden. Hendrik Marsman was één van hen en hij beschreef in zijn autobiografische mijmering Drijfzand al Gare du Nord als lieu de passage;

‘Ik had het gevoel alsof ik mijn stroeve nordieke natuur had afgegeven aan het bagagedepot van de Gare du Nord alsof ik uit de onderwereld, het souterrain van mijzelf, opdook in mijn eigen stad. Ik stak het plein over en slenterde door die verrukkelijke St. André des Arts in de richting van de Boulevard St. Germain, neuriënd.’

Nu zit Marsman aan het eind van het verhaal zoals Min het vertelt, er waren er tallozen voor hem. Die hadden allemaal zo hun redenen om naar Parijs te komen. Een rode draad hierin is het volgen of voltooien van een opleiding in de kunsten, maar ook het leggen van contacten, de liefde of juist de sfeer en cultuur zijn vaak belangrijk.

De Belgische schilder Antoine Wiertz (1806-1865) ging naar Parijs om zijn kunst te verfijnen. Hij deed zijn best om te mogen exposeren in de Parijse Salon maar dat mislukte. Dat zinde hem niet en prompt stuurde hij een jaar later een echte Rubens in uit de collectie van een vriend, waarbij hij de signatuur van Rubens met zijn eigen handtekening overschilderde. Overigens vind ik het werk van Wiertz zeer de moeite waard.

De Belgische graficus, karikaturist en schilder Félicien Rops (1833-1898) was een onbekende voor mij en die maakte niet direct een esthetische keuze om naar Parijs te komen. Die kon niet wachten tot hij de gezusters Duluc het hof kon maken. Dat de jongsten toen zestien en negentien waren…#MeToo was nog niet geboren zullen we maar zeggen. Rops had met zijn tekeningen wel veel succes met zijn satanistisch en licht pornografisch werk. Zozeer zelfs dat hij de beeldhouwer Rodin betichtte van plagiaat; hij vond dat Rodin in 3D namaakte wat hij in 2D creëerde.

Het verhaal van Vincent van Gogh 91853-1890) zal wat bekender zijn en die ontbreekt uiteraard niet, maar artiesten zoals de art-nouveau-schilder Privat Livemont (1861-1936) of de componist Guillaume Lekeu (1870-1894) zijn wellicht minder bekend. De Belgische schilder Henri Evenepoel (1872-1899) kwam ook naar Parijs om er zijn opleiding tot schilder af te ronden. Hij richtte een atelier in op zeshoog onder de Parijse dakpannen. Een ezel, een modeltafel, gordijnen voor het hoge raam en een kachel, zo is hij trouw aan de stereotypen van het milieu;

‘Om een echte artiste peintre te zijn moet ik alleen nog een brede slappe hoed kopen, een stevige en knoestige wandelstok en een wijde kapmantel. Een vies pijpje roken en op afgetrapte schoenen lopen. En vooral niet vergeten schulden te maken.’

In de beschreven periode veranderde de wereld en dus ook Parijs en dat is terug te zien in de kunst. Er kwamen schilderijen waarin ineens het licht anders was. Geen kaars- of gaslicht maar electriciteit. Industrialisatie en automatisch vervoer bepaalden meer en meer het straatbeeld en de kunst groeide daarin mee.

Niet iedereen vond het geluk in Parijs natuurlijk. De jonge Antwerpse schilder Jules Schmalzigaug (1882-1917) kon er slecht aarden en vetrok naar Venetië (Het eten is daar zoveel lekkerder, en Parijs werkt hem op de zenuwen). Daar had de excentrieke schilder en beeldhouwer Henry de Groux (1866-1930) geen last van. Leest u vooral het verhaal van deze figuur en dan volgt er later in het boek een nog vreemder verhaal van de Vlaamse schrijver André Baillon (1875-1932). Dat ga ik hier niet weergeven maar deze uitspraak van de auteur maakt u wellicht nieuwsgierig;

André is, met permissie gezegd, knettergek.

Niets is minder waar en ik heb zelfs zijn biografie besteld om er eens wat dieper in te duiken. Overigens schrijft Eric Min in zeer prettige stijl met hier en daar een verwijzing naar voren (‘dat verhaal komt er verderop in het boek nog aan’ of ‘hij staat ons verderop nog op te wachten’).

Er staan nog talloze artiesten in het boek die ik niet heb genoemd, zoals de schrijvers Georges Simenon (1903-1989), Hugo Claus (1929-2008), Jan van Nijlen (1884-1965) en Simon Vinkenoog (1928-2009), kunstschilders Piet Mondriaan (1872-1944), Léon Spilliaert (1881-1946) en Rik Wouters (1882-1916) en dan nog ben ik niet compleet. Het is een overvloed aan informatie en een plezier om te lezen. Allemaal verenigd door die gemene deler, Parijs, waarover de schrijver Paul Kenis (1885-1934) schreef aan zijn redacteur André de Ridder;

In zijn brieven aan De Ridder zucht Kenis dat er voor hem een ton poëzie schuilt in namen als Montparnasse, Montmartre en de Boul’ Miche. De stad zelf heeft hij lief ‘lijk een koket wijfje dat u bedriegt en u doet lijden en op den hoop toe nog uitlacht…maar u toch niet los laat. Zoo’n echte cocotte…heel Parijs!’

Commandant van Auschwitz is het autobiografische verhaal van Rudolf Höss. Hij was 3,5 jaar kampcommandant van het vernietigingskamp Auschwitz in de jaren 1940 tot 1945 en daarmee verantwoordelijk voor de dood van talloze mensen.

Na de oorlog werd Höss opgepakt en tijdens zijn gevangenschap in Krakau maakte hij omvangrijke aantekeningen, waarvan de belangrijkste in dit boek zijn gepubliceerd. De ene helft van de aantekeningen vormen een samenhangend geheel van zo’n 114 pagina’s, de autobiografie, die Höss de titel meegaf ‘Meine Psyche, Werden, Leben und Erleben’. De andere helft worden gevormd door 34 afzonderlijke aantekeningen, die qua omvang nogal verschillen. Voor het grootste deel gaan ze over leidende SS-ers zoals Himmler en Eichmann. Daarnaast zijn er nog wat aantekeningen over bepaalde procedures , zoals de vernietiging van Joden in Auschwitz, de tewerkstelling van gevangenen, de kampindeling enz. Voor dit boek is een selectie van die aantekeningen gemaakt en erin opgenomen.

Ik weet niet goed wat ik van dit boek moet denken, daar kom ik zo op terug. Het is ook niet bekend waarom Höss dit alles op verzoek heeft opgeschreven. Hij is naar eigen zeggen zo volledig mogelijk geweest en veel van wat hij heeft vermeld wordt uit andere bronnen ondersteund. In die zin is het een uniek document. Aan de andere kant laat zijn geheugen hem ook in de steek of schrijft hij soms aperte onwaarheden op. Dat wordt toegelicht in een uitgebreid notenapparaat. Het is soms ontluisterend om te lezen, dat wel.

Höss was door zijn familie voorbestemd om priester te worden maar daar dacht hij zelf anders over. Hij meldde zich aan als oorlogsvrijwilliger en kwam tijden de Eerste Wereldoorlog terecht in Turkije en Palestina. Daarna ging hij met het vrijwilliges-corps naar de Baltische staten om de orde te bewaken. Zijn betrokkenheid bij een moordpartij zorgde ervoor dat hij tot 10 jaar tuchthuis werd veroordeeld.

Na vijf jaar werd hij vrijgelaten, maar hij had dus opsluiting van nabij meegemaakt. Als hij Himmler leert kennen sluit hij zich aan bij de SS, het elitekorps van Hitler. Na een leidende functie in het kamp Dachau werd hij commandant van het concentratiekamp Auschwitz in Polen. Van Himmler kreeg hij de opdracht er een vernietigingskamp van te maken;

Toen hij mij in de zomer van 1941 persoonlijk opdracht gaf, in Auschwitz een plaats van massale vernietigingen voor te bereiden en deze vernietigingen te verrichten kon ik mij niet de geringste voorstelling maken van de omvang en de uitwerking daarvan. Wel was dit bevel iets ongewoons, iets onbekends. Doch door de motivering dacht ik, dat deze vernietiging juist was. Ik dacht er toen niet verder over na – ik had het bevel gekregen en moest het opvolgen.

Dit zou hij tot zijn dood toe aan volhouden. Achteraf gaf hij in verhoren toe dat de massavernietiging verkeerd was, maar hij was niet meer dan een trouwe soldaat. Deze redenering, samen met zijn uitspraken over wat hij in Auschwitz heeft gedaan en gezien, maken de persoon Höss tot een niet te begrijpen fenomeen. Hij ging aan de slag om de vernietiging zo efficiënt mogelijk te organiseren. Hij maakte het tot een organisatorisch probleem. Tegelijk verwonderde hij zich over de rol van de Joden die de Duitsers hielpen bij het uitkleden en naar binnen leiden van de mensen in de gaskamers. Hij noemde de zigeuners die hij ombracht ‘mijn liefste gevangenen’.

Het is surrealistisch om te lezen dat hij het zelf ook allemaal niet makkelijk vond. Niet om de vernietiging organisatorisch voor elkaar te krijgen met weinig middelen, maar ook niet om om te gaan met de gevolgen daarvan;

Ik mocht mij niet eens afwenden, wanneer al te menselijke gevoelens in mij opstegen. Moest koud blijven toekijken als de moeders met hun lachende of schreiende kinderen de gaskamers ingingen.

Hij beschrijft hoe een Joodse man, die hielp bij het ruimen van de lijken, zijn vrouw tussen de doden ontdekte en er ogenschijnlijk geen reactie op gaf, hij beschrijft hoe sommigen door hadden wat hen te wachten stond en hem dat ook toebeten, om vervolgens te eindigen met een larmoyante gevoelsuitstorting;

In het voorjaar van 1942 gingen honderden bloeiende mensen onder de bloeiende vruchtbomen van de boerenhofstede, meestal niets vermoedend, in de gaskamers, in de dood.

Daarom weet ik niet zo goed wat ik van dit boek moet denken, of misschien wel van de mens Rudolf Höss. Natuurlijk is het een document wat uitgegeven dient te worden en de noten verhelderen veel. Het is een soort autobiografie, het is een kijk op en in de geschiedenis, maar het is wel de visie van iemand die twee totaal verschillende kanten in zich heeft. Hij is, in zijn eigen kamp Auschwitz, opgehangen op 16 april 1947.

Vertaling; W. Wielek-Berg

Een nieuw vaderland voor de muzen is deel vier van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Het is geschreven door Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt en behandelt de periode 1560-1700.

Het is een dik boek van 886 pagina’s en het lijdt een beetje aan hetzelfde euvel als deel drie uit deze serie. Het is vrij academisch van toon en je moet liefhebber van de materie zijn om dit allemaal door te willen lezen. Ik heb mij er prima mee vermaakt, maar de gemiddelde leesclub gaat er niet blij van worden.

Er staat namelijk een stortvloed aan informatie in het boek. Onderverdeeld in kleinere tijdvakken staan de auteurs stil bij de literatuur uit de verschillende Nederlandstalige streken of genres. Zo kan het dat u vaker de titel ‘De literatuur in Brabant en Vlaanderen’ tegenkomt, u zit alleen in een ander tijdvak. Rederijkers, dat zijn amateurdichters en voordrachtskunstenaars in verenigingsverband, waren belangrijk voor de literatuur en u zult het weten; iedere vereniging en al wat zij hebben gedaan wordt beschreven. Alle toneelspelen en drama’s die zij organiseerden passeren de revue.

Op zich interessant, maar ik genoot het meest van die grote namen die zelf hun stempel op de literatuurgeschiedenis hebben gedrukt. Dirck Volckertsz. Coornhert die zich beijverde voor de zuiverheid van de taal of Hendrik Laurensz. Spiegel die het genre van de Stedenlof beoefende, zoals zijn jubelzang op Amsterdam;

O rijcke Korenschuer van’t volckrijck Nederland;
Met starck verbanden hout, ghy hooghe huysen spant;
Niet vast ghegrond in Zand, maer op gehayde palen:
Waer de grond om ghekeert men soud int Bosch verdwalen.

Via Spiegel komen we bij nog grotere literaire kanonnen terecht als Pieter Cornelisz. Hooft, Joost van den Vondel, Jacob Cats en Constantijn Huygens. Ook beroemde dames als Katharina Lescailje, Titia Brongersma en Anna Roemers krijgen hun plaats, zij het dat de laatste door Vondel nog wel even weggezet werd als man…vrouwen met poëtische talenten moest men nog even aan wennen zeg maar.

Met deze dichters komen we tot de grotere drama’s uit de literatuur waarbij Vondel natuurlijk erg veel aandacht krijgt. Hij fungeerde zo’n beetje als het morele kompas van Nederland en hij was niet bang om stelling te nemen zoals bij de executie van raadspensionaris Johan van Oldebarnevelt. Toch was er ook kritiek, Huygens was namelijk helemaal niet zo te spreken over de stijl van Vondel. Die was namelijk nogal rechtlijnig in de leer en hield niet van grammaticale vrijheden of volkstalige vormen;

Huygens reageerde in een weerlegging vrij minachtend op dit onbegrip voor subtiel taalspel en ook volgens Hooft zocht Vondel nogal eens ‘knorven in de biezen’ (knopen in rietstengels).

Titanen tegenover elkaar, maar die titanen hadden wel iets nodig om over te schrijven en ook die aanleidingen tot poëzie worden uitgebreid toegelicht. Het geloof is een heel belangrijke. Joannes Stalpart van der Wiele was een tekstschrijver voor liederen van de Hollandse zending bijvoorbeeld. Camerata Trajectina heeft een prachtige cd gemaakt met de titel Zingende Zwanen, waarin sommige van zijn teksten ten gehore worden gebracht.

Andere aanleidingen waren grote gebeurtenissen zoals de ramp met de Batavia bij Australië of de oorlogsverrichtingen in Europa. Uiteraard was Michiel de Ruyter een dankbare inspiratiebron. Ook een eenvoudig gegeven als het buitenleven zorgde voor veel gedichten, zoals de hofdichten waarin men bijvoorbeeld de superioriteit van het zuivere landleven boven dat in de stad beschreef. Een voorbeeld is het gedicht over Hofwyck, waarin Huygens zijn buiten aan de Vliet in Voorburg bezong. Zijn buiten ligt al lang niet meer buiten en als hij wist hoe dat er nu bij lag zou hij het wellicht wat moeten herschrijven…

Nu lijkt het alsof er alleen maar gedicht werd in die tijd en dat werd er ook veel. Buitenstaanders viel het zelfs op dat de vers- en liedkunst erg goed ontwikkeld was in Nederland, waar verder de muziekcultuur niet op het allerhoogste niveau stond Europees gezien. Maar voor iedere gelegenheid was er een lied en dus tekst. Toneel was echter ook belangrijk en ook daarvoor werd er geschreven. De embleemboeken wil ik nog even apart noemen. Die waren erg populair en bestonden uit boeken met emblemata ofwel houtsnedes of gravures, begeleid met een spreuk of korte tekst. Vaak bevatte die tekst dan een morele les. Ook hiervan staan veel voorbeelden in het boek met mooie illustraties. Ook het fenomeen drempeldichten kwam ik overal tegen en dat zijn dan weer gedichten die ter inleiding dienen tot een groter (dicht)werk.

Interessante materie en ik kan er uren over doorlezen, maar de aparte verhalen blijven toch het mooiste, zoals die excentrieke edelman Everhart Meyster, die op zijn landgoed uitsluitend groenblijvende bomen en struiken had geplant en het landgoed Nimmer-dor noemde. Hij schreef er een hofdicht over;

In elke vierde regel van zijn ruim achthonderd verzen tellende gedicht herhaalde hij: ‘’t is nimmerdor rontsom, van boven en ter zijden.’ Zelfs het boek was groen: met groene letters gedrukt op groen papier.