archiveren

Boeken

9910d0b249c597f5974776d7041444341587343
Een boek van 379 pagina’s over één boekhandel, is dat interessant? Ja. Er is ontzettend veel over te vertellen en nog meer te laten zien. Shakespeare and Company van samenstelster Krista Halverson kan worden gezien als de autobiografie van de beroemde boekhandel in Parijs, aan de Rue de la Bûcherie, uitkijkend op de Notre Dame.

Het begint allemaal in 1919, als Sylvia Beach haar boekwinkel Shakespeare and Company opent aan de Rue Dupuytren in Parijs. Door de oorlog gedwongen moest ze haar winkel sluiten. Na de oorlog kwam de Amerikaan George Whitman naar Parijs en opende zijn boekhandel Le Mistral aan de Rue de la Bûcherie. Zijn winkel was een voormalig klooster uit de 17e eeuw. Na verloop van tijd en met toestemming van Sylvia Beach wijzigde hij de naam naar Shakespeare and Company.

George had een aparte filosofie. Hij verzamelde enorm veel boeken om zich heen. Omdat hij op zijn reizen overal welkom was geweest, was iedereen welkom bij hem. Beneden werd een winkel ingericht, boven een bibliotheek. Boeken werden verkocht, uitgeleend of ter plekke gelezen. Er werden bedden geïnstalleerd en men was welkom om te blijven slapen. George noemde zijn gasten ‘Tumbleweeds’, naar de tuimelende prairieplanten die zich van hun wortels hebben losgemaakt. Hij stelde een paar eisen aan de overnachting; een paar uur meehelpen in de winkel, een autobiografie schrijven met foto en een boek per dag lezen.

En gasten kwamen er, maar ook schrijvers, dichters en muzikanten. Er werden bijeenkomsten georganiseerd waar werd voorgedragen, gemusiceerd en gefilosofeerd. Whitman was daarbij de spil. Hij kookte voor zijn gasten en kwam en ging zoals het hem goeddunkte. Hij kon gerust een gast vragen ‘even’ op de winkel te letten en een paar dagen later terugkeren. Geld interesseerde hem niet, alleen om zijn winkel uit te breiden.

Hij werd op late leeftijd vader van een dochter Sylvia (inderdaad vernoemd naar Sylvia Beach) die na zijn overlijden in 2011 de winkel zou voortzetten.

Tot zover in vogelvlucht het verhaal van de winkel, maar rechtvaardigt dat zo’n lijvig boek? Jazeker. Het boek biedt een schat aan informatie over al diegenen die de winkel hebben bezocht en wat er over de winkel is geschreven. Ook geeft het een inkijkje in het Parijs van die tijd. Tijdens de grote studentenprotesten was de winkel een toevluchtsoord bijvoorbeeld. In het boek staan veel foto’s van gasten, prominent of niet, autobiografieën van de Tumbleweeds, strips, schilderijen en tekeningen van de winkel, brieven van George (onder meer aan Gorbatsjov over het oprichten van een varende universiteit) en werk van dichters die de winkel bezochten, zoals Alan Ginsberg, Jim Morrison, Anaïs Nin enzovoort. Het is een rijk en gevarieerd boek.

Maar het meest staat toch de eigenaar bij, George Whitman. Een citaat uit het verhaal van een Tumbleweed, Overty Darren Peter, die hem aansprak in de winkel;

“Excuse me, are you the owner? Yes? Oh. Do you by chance need any staff?”
“Sure we do, boy! Can ya work twenty-five hours a day? Do ya like scrubbing floors? Can ya go without sleep for three weeks? Do ya love books? Do you know how not to run a bookstore? You do? Then what are you waiting for? Take over!

Een man met het hart op de juiste plaats maar die hangt aan zijn eigen gewoontes en systemen. Als zijn dochter Sylvia in de winkel komt helpen en langzaam wat verbeteringen en moderniseringen doorvoert, sluipt George ’s nachts naar beneden om ze weer ongedaan te maken, tot het laten verdwijnen van de computer aan toe. Zo staan er talloze verhalen en anekdotes in het boek. De altijd aanwezige kat heet altijd Kitty, naar de beste vriendin van Anne Frank (er staat overigens een prachtige brief van George aan Anne Frank in het boek), de hond heet naar de schrijfster Colette. George die zijn haren ‘knipt’ met de vlam van een kaars (foto in het boek), het bezoek van voormalig president Clinton waar George te verlegen voor is maar waarmee hij uiteindelijk in zijn pyjama mee op de foto gaat (ook deze staat in het boek). De nukken en grillen van George, terwijl hij uiteindelijk alleen maar wil dat mensen lezen en genieten, desnoods door ze maanden achtereen te laten blijven (favoriet citaat van George “I’m tired of people saying they don’t have time to read. I don’t have time for anything else!”)

Voor iedereen die er geweest is en zeker als je de winkel nog wil bezoeken is het boek een aanrader. Als ik er weer kom bekijk ik de winkel met heel andere ogen. Ik laat nog even de huidige eigenaresse aan het woord, Sylvia Whitman, over haar vader;

George believed that the books we read form an essential part of our identities, the books signify freedom, and that books connect us. In building his shop, he expressed these convictions in every corner. A bookstore – or, in this case, a “socialist utopia masquerading as a bookstore” – is a place of possibility, where ideas and curiosity permeate the millions of pages lining the walls.

Sylvia Whitman wilde de boeken van haar vader op alfabet zetten in de winkel. George geloofde daar niet in. De boeken stonden door elkaar, zodat interessante verbindingen en relaties ontstonden. Hij ligt begraven op Père-Lachaise, tussen Jim Morrison en Héloïse en Abelard in, nu zelf zo’n interessante verbinding vormend als de boeken in zijn winkel.

 

Advertenties

IMG_4045
Als je dan toch in Parijs bent met je lief, dan mag een bezoek aan de meest beroemde boekhandel niet ontbreken, dus wij togen naar Shakespeare and Company, aan de Rue de la Bûcherie, met uitzicht op de Notre Dame. De geschiedenis van deze winkel heb ik al eens beschreven in mijn bericht over Jeremy Mercer’s boek, Een bed tussen de boeken, dus lees dat vooral terug. Ik vroeg me vooral af of het gevoel klopte. Iedereen praat erover als het boekenparadijs op aarde, de boekhandel der boekhandels.

Het gevoel was prima, kan ik u vertellen. Ik zal niet vervallen in overdreven lyriek, daar ben ik te nuchter voor, maar het is leuk om een boekhandel te zien met een inrichting zoals deze. Boeken overal waar je kijkt. Kruip door, sluip door. Bukken, pas op je hoofd. Schuine trap, dan schuine planken, daar kunnen ook boeken op staan.

IMG_4049
Als je die trap op loopt, zie je die mooie quote die de oorspronkelijke eigenaar George Whitman heeft aangebracht; Be not inhospitable to strangers lest they be angels in disguise. Whitman dacht dat hij deze van de Ierse dichter Yeats leende, maar het staat gewoon in de Bijbel, Hebreeuwen 13:2.

Maar het gevoel klopt. Er staan nog steeds bedden, waar schrijvers kunnen overnachten, in ruil voor wat werk in de winkel én, de enige eis, een korte autobiografie. Het wachten is nog op de bundeling van al die autobiografieën door al die jaren heen…

IMG_4050
Bedden dus, een bibliotheek, ernaast een café waar je je gekochte of geleende boek kan lezen. Er staat een piano waar iedereen op mag spelen en er loopt een kat. Een apart bord met de tekst; De kat heeft de hele nacht gelezen, ontzie hem een beetje (vrije vertaling). Relaxt beest, net als de sfeer.

IMG_4048
Het is een druk bezochte winkel maar niet te druk, op één of andere manier. Zoals gezegd, het gevoel klopt. Koop je dan een boek, omdat je daar toch een boek moet kopen? Ik ben dus nuchter en heb echt boeken terug gelegd, maar onder dit boek kon ik toch niet uit. Als je er toch bent en de winkel ervaart, dan is een boek over de geschiedenis ervan, met talloze foto’s een absolute must. Ik ben er al in bezig….

9910d0b249c597f5974776d7041444341587343

9035131290.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het boek Goud en koper in de boekenwereld van Frans A. Janssen brengt 19 opstellen bij elkaar in 233 pagina’s. Opstellen over de boekdrukkunst, typografie, drukkerijen, bibliotheken en wat meer specialistische verhandelingen over de Gutenbergbijbel, Copernicus, Vesalius en de verzamelaars Popper en Abrams.

Die opstellen vond ik lang niet allemaal de moeite waard. Ik ben niet zeer geïnteresseerd in typografie dus verhandelingen over de rechthoek van de zetspiegel en de vrije regelval konden mij maar matig boeien. Maar, er valt zeker ook veel te genieten. Toelichtingen op de boekdrukkunst zelf interesseren mij wel. Hoewel het een uitvinding van jewelste was waren er ook verklaarde tegenstanders van gedrukt werk, daar had ik nooit zo bij stilgestaan;

Een andere bestrijder van de boekdrukkunst was monnik en kopiist Filippo da Strada…, die er in 1473-1474 over klaagt dat de Venetiaanse drukkers (van Duitse afkomst) zich rijk drukken aan zondige lectuur als Ovidius, en daarmee vooral jongeren van het rechte pad brengen: de drukkunst, roept hij uit, is een prostituee, de schrijfkunst een maagd.

Ook boeiend is het verhaal over dat beroemde boek, de Gutenbergbijbel. Er zijn er ongeveer 180 van gedrukt en er zijn er nog 48 over. Janssen geeft aan hoe die exemplaren op hun huidige plaats terecht zijn gekomen. Er zijn er nog 2 in particuliere handen, de overige exemplaren bevinden zich bij instanties als bibliotheken.

Een apart verhaal gaat over alcohol in de drukkerij. Hij duikt hiervoor in de Plantijnse archieven van Antwerpen en haalt er allerlei gegevens uit over arbeidstijden, schafttijden en arbeidsverhoudingen. Zo ook over het gebruik van alcohol;

Niemant wie hy si, en sal hem moghen vervoorderen [proberen] Wijn oft Sterck Bier te halen, oft te doen halen, op eenighen werchdach, oft elders gaen drincken tot schade van den wercke, meer dan een pinte voor noen, voor elck hooft, ende na noen, also [even] vele, (sonder expres consent van den Meester).

Voor wie terugverlangt naar die goede oude tijd, men zat wel op stukloon, er werd niets verdiend onder het drinken…

Een boek dus wat lekker doorleest met over het algemeen interessante opstellen. De auteur ontkomt niet aan een kleine mate van zelfingenomenheid. Waar hij drukker Johannes Enschedé en lettersnijder Johann Fleischmann beticht van onbescheidenheid, vertelt hij op dezelfde pagina dat het handschrift, waarin Fleischmann zichzelf roemt, na omzwervingen zich thans in het bezit van de auteur zelf bevindt. Dat vind ik dan weer leuk.

d4f42c96d9ec4bf592f72675241444341587343
Ik weet niet helemaal goed wat ik moet denken van Vergeten boeken van Ed Schilders. Het heeft als ondertitel Literaire curiosa en rariora, boekenvrienden en bibliomanen. Nu houd ik van boeken over boeken en ook de informatie op de achterflap beloofde veel goeds:

…een lange, gedetailleerde reis langs enige van de zeer schaars verlichte uithoeken van de literatuurgeschiedenis…Bestaan er vierkante cirkels? Of boeken, gebonden in mensenhuid? Wie schreven de teksten voor het enige erotische marionettentheater? Waarom is het verboden in een kerk een vlo te doden?…

Het zijn achtentwintig essays die in eerste instantie zijn verschenen in De Volkskrant, Vrij Nederland en Maatstaf. De gestelde vragen worden keurig beantwoord, hoewel ik boeken in mensenhuid al eens was tegengekomen in Boekenwurmen & ander ongedierte. Toch zit ik mij af te vragen waarom ik dit niet zo’n geweldig boek vond. Het feit dat het in 1986 uit kwam zou niet uit moeten maken, want boeken over boeken kunnen altijd boeien. Er staan ook echt wel leuke verhalen in en er zijn genoeg quotes uit te halen ( “Werd de dood uitgevonden opdat er poëzie zou zijn? Als dat zo is, dan is de dood, uiteindelijk, toch niet zo’n onzinnige regeling”) maar als ik geen aantekeningen had gemaakt had het allemaal niet zo bijgebleven.

Vooruit, dit is toch wel een mooie. Waar moderne bibliotheken een geldboete opleggen voor ongewenst leesgedrag of te laat terugbrengen (hoewel men daar al van terugkomt), ging men daar vroeger anders mee om, zoals blijkt uit een Missaal van Robert de Jumièges (16e eeuw);

‘Indien iemand op welke wijze dan ook dit boek van zijn plaats ontvreemdt, moge zijn ziel lijden als boetedoening voor wat hij misdaan heeft, en moge zijn naam uit het Boek der Levenden geschrapt worden en niet worden opgenomen onder de Zaligen’

Ik vrees dat het nu weinig indruk meer zou maken….Verder wordt er grote aandacht geschonken in dit boek aan scabreuze literatuur, zoals in de vorm van de geschriften van Pietro Aretino. Obscene sonnetten die hij voegde bij de prenten van Giulio Romano, die samen het eerste expliciet seksuele (en alleen daarom obsceen genoemde) voorlichtingsboek uit de moderne Europese zedengeschiedenis vormden. Aardige verhalen maar niet meer dan dat.

Wat ik wel weer interessant vond zijn de fictieve bibliotheken en boeken. Jawel, ze bestaan. Bibliotheken vol Fortsasiana, waarbij een fortsasianum een boek is dat alleen fictief bestaat. Afgeleid van de Belgische Comte de Fortsas, wiens kleine maar unieke bibliotheek na zijn dood geveild zou worden;

De catalogus van de collectie werd in 1840 uitgebracht…Comte de Fortsas…was…op de eerste september 1839 overleden op zijn kasteel in de omgeving van Binche; zijn unica zouden op 10 augustus 1840 om elf uur des ochtends onder de hamer van de veilingmeester komen. Op dat beslissende moment kan echter niets anders dan desillusie en verontwaardiging verkocht zijn. De Graaf was niet dood want hij had nooit bestaan; alle unieke exemplaren waren door de samensteller van de catalogus, Rénier Hubert Ghislain Chalon, een bekende numismaat…zelf verzonnen.

Aardige verhalen dus met een karrenvracht aan boekentitels die niemand meer iets zegt naar mijn mening. Heb ik het mis dan hoor ik het graag, maar ik had geen aandrang ze allemaal op te zoeken. Verder veel buitenlandse citaten die soms wel, soms niet vertaald werden, dus dat stoorde mij wel. Een vermakelijk boek en het mag blijven, maar niet meer dan dat.

9088030537.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het geheim van Penumbra’s boekwinkel van Robert Sloan is een roman van 300 pagina’s. Het gaat over oude boeken en nieuwe technologie, op de achterkant staat dat Oude Kennis en nieuwe Kennis gecombineerd worden. Het intrigeerde mij en boeken over boeken hebben altijd een streepje voor hier.

Het bleek een aangename leeservaring. Clay Jannon verliest zijn baan als webdesigner en vindt werk in de boekwinkel van Penumbra. De winkel is dag en nacht open en kent een vreemd interieur;

Stel je de vorm en omvang voor van een normale boekwinkel die op zijn kant is gezet. De ruimte was absurd smal en duizelingwekkend hoog en alle boekenkasten reikten tot aan het plafond. Drie verdiepingen met boeken, en misschien nog wel meer. Ik legde mijn hoofd in mijn nek…en zag de planken langzaam in de schaduwen verdwijnen alsof ze eindeloos ver doorliepen.

Er worden boeken verkocht, maar niet veel. Gangbare titels staan voorin de winkel, achterin staan heel oude boeken. Daar komt een speciaal publiek voor. Niet om ze te kopen, om ze te lenen. Het blijken gecodeerde boeken en de belangstellenden trachten fanatiek een puzzel op te lossen. Het is Clay verboden om in de boeken te kijken. Hij moet wel een logboek bijhouden, wie wat koopt of leent, hoe die persoon eruit zag, hoe de sfeer of het weer was, alles.

Clay heeft weinig te doen en maakt in zijn computer een visualisatie van de winkel. Wat blijkt, hij kan de puzzel oplossen. Als hij de punten van de plekken van alle uitgeleende boeken met elkaar verbindt, ontstaat er een gezicht. Het gezicht van de oprichter van een genootschap, die zoekt naar het geheim van onsterfelijkheid.

Clay wordt hierbij geholpen door Kat, een slimme meid die bij Google werkt. Zij zet nieuwe technologie in bij hun speurtocht en zo komen ze bij het hoofdkantoor van het genootschap in New York. Daar draait alles om één boek, de Codex Vitae ofwel het levensboek van ene Aldus Manutius. Een gecodeerd boek met de sleutel tot het eeuwig leven. Manutius gaf de sleutel maar aan één iemand door, zijn vriend en partner Griffo Gerritszoon. Die laatste was de uitvinder van een lettertype, dat alom tegenwoordig is als standaardlettertype of font, zowel in print als op de computer (let wel, in de roman).

Het is fascinerend om te lezen hoe een enorme hoeveelheid computers verbonden wordt om de sleutel te kraken;

Een geheim genootschap van geleerden werkt hier al vijf eeuwen aan. Nu zetten we het voor een vrijdagochtend in de agenda.

Het is nog spannend om te lezen ook en het is of je er bij bent;

De schermen komen tot leven in een blizkrieg van datavisualisaties en dataonderzoek. Het woord MANVTIVS knippert fel en onregelmatig in de hoekige letters van de programmeertaal en het bedieningspaneel….Spreidings- en staafdiagrammen verschijnen op de schermen. Op Kats bevel kraken en herkraken de Google-apparaten de data op negenhonderd verschillende manieren. Negenduizend. Nog geen resultaat.

Ik ga niet alles weggeven en er zit natuurlijk een twist aan het verhaal. De auteur heeft knap feiten met fictie vermengd. Het font van Gerritszoon bestaat niet, Manutius bestaat wel. Er wordt verhaald over een Accession Table waarin alle voorwerpen uit alle musea ter wereld gedocumenteerd staan. Er bestaat een research tool voor wetenschappers die zo heet, maar alle voorwerpen gedocumenteerd? Ze zouden het willen. Dat maakt het voor mij een erg aantrekkelijk boek. Oude boeken en een snuif mysterie gecombineerd met moderne technieken, ik houd ervan.

Lees ook de besprekingen van Anna en Bettina vooral.

Vertaling; Jacques Meerman

art-654_boudewijn
Boud, het verzameld leven van Boudewijn Büch is de biografie van Eva Rovers over dichter, schrijver, televisiemaker en fenomeen Boudewijn Büch. Ik keek er al even naar uit en dat heeft te maken met die laatste kwalificatie, fenomeen. Ik kom er op terug.

Boudewijn en ik gaan al even terug. Ik zag zijn boekprogramma op televisie en ik ben met hem meegereisd naar alle uithoeken van de wereld. Al die afleveringen van “De wereld van Boudewijn Büch” heb ik op dvd én ik bekijk ze nog. Ja, hij heeft mij ook aan Goethe gekregen, ik heb een rijtje in de kast staan. Ik mocht hem dus graag zien en horen en was bedroefd toen hij in 2002 overleed. Nu heb ik ook een rijtje Büch in de kast staan en dat is allemaal non-fictie. Daar begint de ellende al.

Büch, zo blijkt uit dit boek, wilde gedichten schrijven en eigenlijk een meesterwerk. Die gedichten schreef hij ook en hij schreef romans, waaronder enkele succesvolle ook. Maar, hij wist dat hij geen meesterwerk à la Goethe ging schrijven. Hij bouwde een leven om zich heen, gevoed uit een tragische jeugd en waar nodig liet hij feiten en fictie in het dagelijks leven door elkaar heen lopen. Na zijn overlijden kreeg Büch bakken kritiek over zich heen voor dat laatste. Hij was een fantast, leugenaar en een egocentrisch persoon. Rovers probeert met dit boek hier nuance in te brengen en slaagt daar in. Kom ik ook op terug. Het helpt dat zij als eerste toegang kreeg tot de archieven van Büch om gedurende vijf jaar haar onderzoek te doen.

Geen meesterwerk dus, maar schrijven kon hij wel. Lezen en feiten verzamelen ook. Hij schreef talloze columns over de meest uiteenlopende onderwerpen. Hij gebruikte zijn eigen leven als dankbare bron. Hoewel hij verschillende vriendinnen had gaf hij aan homo te zijn en koketteerde met pedofilie. Niet zozeer uit overtuiging, wel om opschudding te veroorzaken. Büch beweerde dat hij een zoon had én en dat deze was overleden en veinsde dat hij kanker had. Als iemand te dichtbij kwam en te lastige vragen stelde, verbrak hij rigoureus de vriendschap. Je was voor of tegen hem.

Ondertussen werd hij bekender en verschoof langzaam het accent van de literatuur naar de bibliofilie. Büch kocht grote aantallen boeken, vaak op rekening, en maalde niet echt om betaling ervan. Belastingaangifte deed hij ook niet, wat uiteindelijk tot een faillissement leidde. Gelukkig stegen zijn inkomsten door het televisiewerk dat hij kreeg, zodat zijn faillissement opgeheven werd en hij uiteindelijk behoorlijk ging verdienen. Om er uiteindelijk nog meer boeken en parafernalia van te kopen.

Wat ik hierbij zo mooi vind, is dat hij hierin volkomen zijn eigen weg ging. Zijn bibliotheek was een werkbibliotheek. Hij had wel zeldzame boeken, maar het gros van zijn aankopen werd gedreven door interesse voor het onderwerp. Hij hing posters naast dure zeefdrukken. De buste van Elvis Presley stond gebroederlijk naast die van Goethe. Al dat moois leidde wel tot een chronisch ruimtegebrek. Boudewijn Büch;

‘Ik word hier dus volstrekt, helemaal getikt van. En waar gaat het om? Om vijftienduizend boeken, waarvan er honderdvijftig echt bibliofiel zijn. De rest van die boeken is alleen maar om aan te tonen dat die honderdvijftig bibliofiel zijn. Dus je hebt een enorme hoop ellende aan je kop om te weten dat je honderdvijftig mooie boeken hebt.’

Gedreven in zijn werk, populair overal waar hij kwam, maar uiteindelijk werd zijn leven steeds lastiger om te leiden. Hij had zoveel verzonnen over zijn leven en zijn afkomst dat het moeilijk werd om alles vol te houden.

Omdat hij de büchiaanse komedie met evenveel verve voor vrienden en familie opvoerde, verdween hij ook in zijn persoonlijke leven steeds meer in de rol die hij speelde. Dat vervreemdde hem van zijn omgeving, en zorgde er tegelijkertijd voor dat zijn eenzaamheid steeds reëler en dieper werd, wat zijn treurige personage alleen maar geloofwaardiger maakte.

Hij trok zich terug in zijn huis waar hij uiteindelijk op 53-jarige leeftijd aan een hartstilstand overleed. Er kwamen een man of twintig op zijn begrafenis.

Dus, hebben we te maken met een dichter, een schrijver, een presentator, een fantast, een leugenaar? Met allemaal natuurlijk. Büch heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt door alles wat hij verzonnen heeft, maar heeft het wel tot het uiterste toe doorgevoerd. Rovers laat zien waar hij uit de bocht vloog met de waarheid, maar geeft ook aan dat hijzelf de eerste was om dit toe te geven. Meerdere malen heeft Büch aangegeven dat hij zaken verzon, meerdere malen deed hij geloven dat alles autobiografisch was. De nuance is er dus en ik deel de kritiek niet van Maarten ’t Hart als zou er een boek naast geschreven dienen te worden, waaróm Büch alles verzon en zijn vrienden bedroog;

Bij Barend & Van Dorp sprak ex-vriendin Loan Son haar verbazing uit over de nadruk die werd gelegd op de waarheid. Dat was volgens haar sowieso iets subjectiefs, maar mensen zagen bovendien over het hoofd dat Büch bewust met de waarheid speelde. ‘Bij Boudewijn liepen waarheid en niet-waarheid gewoon door elkaar heen,’ zei ze met een spottende blik die verried dat ze niet begreep waar iedereen zo moeilijk over deed. ‘Dat zei hij ook heel nadrukkelijk. Dat heeft hij ook aan mij geschreven,’ waarop zij een brief pakte en voorlas: ‘Ik heb er een hele roman over geschreven om jou te zeggen dat ik een man ben van emballage, verpakkingen en instanties & dat daarachter de literatuur – die niet anders dan werkelijk is – ligt. Zo ik iets ben, ben ik letterkunde.’

Dit is voor mij reden genoeg, hoewel ik vraagtekens zet bij de manier waarop hij met goede vrienden omging. Hij was volgens eigen zeggen letterkunde en daar ligt zijn tragiek. Ik was en ben nog steeds niet geneigd om zijn romans te lezen. Des te meer zijn non-fictie. Ik laat mij graag geselen door een spervuur aan feiten over eilanden, Goethe, dodo’s, pinguïns, de coelacanth, de Rolling Stones en Napoleon. Die tragiek, gecombineerd met een verzonnen leven en een niet-aflatend enthousiasme over zijn interesses en passies, maken de man voor mij tot een fenomeen waarover ik met veel plezier dit boek las.

Het is een vlot geschreven autobiografie met een uitgebreid notenapparaat. Omdat de noten vaak wat toevoegen moet je wel vaak achter in het boek bijlezen, ik heb ze liever onder de tekst staan, dat leest makkelijker door. Büch was een absolute muziekfreak, dus de auteur heeft een muzieklijst samengesteld met nummers die belangrijk voor hem waren. Een mooie meerwaarde in een heerlijk boek.

cc91be6cf28e85b597a6f7a5841444341587343
Ik mag graag iets van Boudewijn Büch lezen, maar Bibliotheken blijft niet bij als een hoogtepunt. Daar kan de beste man niet veel aan doen, ik lees het gewoon te laat. De inhoud van het boek wordt bepaald door zijn reisgedrag in 1982 en is daarom nu onvermijdelijk gedateerd. Het zijn verslagen van diverse bibliotheken die hij bezoekt, onder meer in Weimar, Leiden, Praag, Auckland, Malta en Fiji.

Büch begint met een algemene verhandeling over waar het woord ‘bibliotheek’ (letterlijk, boekenbewaarplaats) vandaan komt en gaat over op boekenliefde en boekenhaat. Dat is dan wel leuk om te lezen, want sommige verzamelaars vertonen ronduit extreem gedrag;

Ik interviewde eens…de dampublikatieverzamelaar Philip de Schaap…Hij verzamelt alles over dammen: damtijdschriftjes uit Senegal, programma’s van derderangs damwedstrijden, et cetera. Zelfs knipt hij foto’s uit, waarop toevallig een dambord staat afgebeeld. Toen ik De Schaap vroeg of hij ook boeken verzamelt van een schrijver die Van Dam heet en die over theoretische natuurkunde schrijft, antwoordde hij: ‘Nee, dat gaat mij te ver, maar die mensen bestáán wel.’

De verslagen over de bibliotheken die hij bezoekt zijn aardig om te lezen, maar de collecties zoals hij ze beschrijft zullen er in veel gevallen anders bij staan en zo niet, dan  neem ik het voor kennisgeving aan. Leuker vind ik zijn persoonlijke bespiegelingen over boeken en bibliotheken, dat is zoals ik hem ken uit andere boeken en van zijn programma’s en wat hij al uitdraagt sinds zijn jeugd (‘ik vind boeken en bibliotheken mooier dan meisjes’). Dat is eigenlijk waar het in zo’n 180 pagina’s over gaat;

Iedere bibliotheek fascineert mij, ook al valt hij ogenschijnlijk volstrekt buiten mijn aandachtsgebied.Wat boekerijen namelijk gemeenschappelijk hebben, is een vreemde lichtval, een uitzonderlijke rust en een dubbele geschiedenis: de historie van een boekverzameling en de geschiedenis van ieder boek apart.