archiveren

Duitse literatuur

0e1de3d2008956859374d335777444341587343

Mijn leven is de boeiende autobiografie van de literatuurcriticus voor Die Zeit en de Frankfurter Algemeine, Marcel Reich-Ranicki. Het is zelfs meer dan dat, het is een geschiedenisboek met een tijdsbeeld van de 20e eeuw en een gids door het Duitse culturele landschap van die tijd.

De auteur werd in Polen geboren maar verhuisde al op jonge leeftijd naar Berlijn met zijn ouders. Hij was een fervent lezer en daardoor een beetje een buitenbeentje. Hoewel het schrijven nog niet machtig mag hij al een klas overslaan. Reich-Ranicki is een groot cultuurliefhebber en bezoekt zo vaak mogelijk toneelvoorstellingen en concerten. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog wordt hij gedeporteerd naar Warschau en moet daar in een getto wonen met zijn ouders en broer. Dat is meteen één van de aangrijpendste delen van het boek, de verschrikkingen zijn er groot;

Bij het straatbeeld in het getto hoorde een ontelbaar aantal bedelaars, die, tegen een huismuur geleund, op de hoek van de straat zaten en luid jammerend om wat brood smeekten; hun toestand deed vermoeden dat ze spoedig niet meer zouden zitten, maar liggen – bedekt met kranten.

De beelden zijn er nog. Dagelijks worden er mensen aangewezen, achteloos, met een rijzweepje door een Duits officier, om op transport te worden gesteld naar Treblinka. Rechtstreeks naar de gaskamers. Dat gebeurt ook met zijn ouders. Zijn broer wordt doodgeschoten. Reich-Ranicki en zijn vrouw Tosia weten lange tijd de dans te ontspringen omdat hij als vertaler werkt voor de Joodse Raad in het getto. Uiteindelijk worden ze aangewezen. Ze rennen weg uit de rij en weten te ontsnappen. Na even ondergedoken te hebben ontsnappen ze uit het getto en vinden onderdak voor de rest van de oorlog bij een zetter, Bolek. Die doet één van de mooiste uitspraken in het boek, één die ik de auteur in latere interviews heb horen herhalen;

‘Adolf Hitler, Europa’s machtigste man, heeft besloten: deze twee mensen hier moeten sterven. En ik, een kleine zetter uit Warschau, heb besloten: ze blijven leven. Nu zullen we eens zien wie er wint.’

Ze overleven en de auteur wordt instructeur bij de Poolse geheime dienst en later even consul in Engeland. Uiteindelijk keert hij, na een flirt met het communisme, terug naar Polen. Later naar de Bondsrepubliek. Dat klinkt makkelijker dan het was, er werd voor gewaakt dat hij naar het buitenland zou vluchten. Het lukt en hij komt zonder bezittingen aan in de Bondsrepubliek.

Hier begint het tweede deel van het boek eigenlijk en we zien hoe hij zich ontwikkelt tot de bekendste literatuurcriticus van, uiteindelijk, Duitsland. Hij ontmoet schrijvers als Heinrich Böll, Günter Grass en Ulla Hahn, hij wordt geïnterviewd door een jonge Ulrike Meinhof en heeft een pijnlijke ontmoeting met Albert Speer, de tweede man van Hitler. We lezen over het trieste verhaal van de dichteres Ingeborg Bachmann en zijn vermeende relaties met andere vrouwen.

Dat laatste is, zoals vaak, het minpunt van een autobiografie. Ik had wel meer willen weten over zijn verhouding met zijn vrouw. Hij ontmoette haar op een vreemd moment, toen haar vader zelfmoord pleegde in het getto. Hij ontfermde zich over haar, ze trouwden in het getto omdat echtgenotes eerder werden vrijgesteld van deportatie en zijn altijd bij elkaar gebleven. De auteur laat echter weinig los over zijn andere relaties.

Hij ontwikkelt een reputatie als meedogenloos criticus. Als hij een boek aanbeveelt wordt het goed verkocht, raadt hij het af, dan kan een auteur wel inpakken. Voor televisie werd een programma om hem heen gebouwd, Das literarische Quartett, waarin hij gedurende een uur of langer zijn mening kon ventileren over dat wat hem na aan het hart lag. Onderstaand een video met wat hoogtepunten, ik vind het mooi om te zien.

Uiteindelijk is het een boek over overleven, over geluk en over liefde. Liefde voor de literatuur en (Duitse) kunst in het algemeen en de liefde voor een vrouw. Geluk en overleven worden mooi samengevat in het gesprek wat hij na de oorlog met actrice Angelika Hurwicz had. Ze waren elkaar in het getto al tegengekomen en hadden hun dromen toen al uitgesproken;

‘Midden in het Derde Rijk hebben wij, twee halfvolwassen joden in een wanhopige, hopeloze situatie, over een toekomst gesproken waaraan we geen moment werkelijk konden geloven. Hoe had destijds een jodin toneelspeelster en een jood criticus kunnen worden? Maar die luxe hebben wij ons toch gepermitteerd…En het is bijna niet te geloven: onze dromen zijn werkelijk in vervulling gegaan. Terwijl onze mensen werden vermoord, zijn wij gespaard gebleven: wij werden niet doodgeslagen, niet vermoord, niet uitgeroeid, niet vergast. We hebben het overleefd, zonder het verdiend te hebben. We hebben het alleen aan het toeval te danken. We zijn om onbegrijpelijke redenen uitverkoren kinderen van de verschrikking. We zijn getekenden, en we zullen het blijven tot het eind onzer dagen. Ben je je daarvan bewust, weet je dat?’ – ‘Ja,’ zei ik, ‘daarvan ben ik me bewust.’

Vertaling; Gerda Meijerink

 

9045026848.01._SX175_SCLZZZZZZZ_
I
k heb het nodige van Goethe gelezen, maar een goede biografie over de man zelf ontbrak nog. Rüdiger Safranski heeft met Goethe, Kunstwerk van het leven ruimschoots hierin voorzien. Nu is er al het nodige over Goethe geschreven, dus het lijkt een haast onmogelijke opgave om hieruit een biografie te destilleren. Safranski heeft dit opgelost door met name te putten uit de primaire bronnen, namelijk het werk van Goethe zelf.

Dat pakt erg goed uit. We krijgen een chronologisch verhaal voorgeschoteld met talloze citaten uit alle grote werken van de meester, keurig cursief afgedrukt. Het notenapparaat licht toe waar dat nodig is en zo ben je in een bestek van 650 pagina’s helemaal bijgepraat over één van de grootste alleskunners van de 18e eeuw.

Want dat was hij wel. Voorbestemd als jurist toog hij vanuit Frankfurt naar Straatsburg om zijn studie aan te vangen. Die voltooide hij ook en hij heeft daadwerkelijk als advocaat gewerkt, maar hij schreef vooral. Het toneelstuk Götz von Berlichingen was een groot succes, en zijn roman Het lijden van de jonge Werther een nog veel daverender succes. Zijn naam was definitief gevestigd. Hij werd door hertog Karel-August naar Weimar geroepen en daar zou hij zijn leven lang blijven.

Goethe was een veelkunner. Naast schrijver en dichter werd hij in Weimar belast met tal van zaken. Hij beheerde de financiën, de weg- en mijnbouw, het krijgswezen en het hoftheater. Hij reisde, onder meer naar Italië en Zwitserland, en was een fervent natuurobservator. Hij bestudeerde de Vesuvius, dacht de oerplant gevonden te hebben en publiceerde een wetenschappelijk werk over de kleurenleer. Een werk dat overigens door de wetenschap niet als zodanig serieus genomen werd.

Bovenstaande is natuurlijk terug te vinden op een willekeurige Wikipedia-pagina en dat is ook niet de verdienste van dit boek. Dat is dat het mij nader tot Goethe heeft gebracht. Waar Boudewijn Büch al een geslaagde poging heeft gedaan door zijn programma’s over Goethe, maakt Safranski het af met zijn beschrijvingen van de man.

Goethe was namelijk niet de makkelijkste. Hij was scherp, erudiet, sloot makkelijk vriendschappen maar verbrak ze ook weer als iets hem niet aanstond. Mensen waren in de regel onder de indruk van de rijzige man en hij was zich daarvan bewust. Safranski beschrijft een mooi incident als Goethe een redevoering houdt:

Er had tijdens Goethes redevoering een wonderlijk incident plaatsgevonden, dat een oor- en ooggetuige zich bijna vijftig jaar later nog duidelijk herinnerde: ‘Hij [Goethe] leek zijn redevoering goed in zijn hoofd te hebben, want hij sprak een tijdlang zonder enige aarzeling en volkomen voor de vuist weg. Maar opeens leek hij helemaal door zijn goede geest verlaten, alsof hij de draad van zijn betoog kwijt was en het overzicht over wat hij verder nog moest zeggen volledig had verloren. Dit zou ieder ander in grote verlegenheid hebben gebracht, maar hem allerminst. Integendeel, hij keek minstens tien minuten lang met vaste blik en rustig rond in de kring van zijn talrijke toehoorders, die door de macht van zijn persoonlijkheid betoverd leken, zodat gedurende de zeer lange, ja bijna lachwekkend lange pauze iedereen volkomen rustig bleef.

Zo staan er talloze beschrijvingen in het boek waardoor de man gaat leven. Zijn vriendschappen en ontmoetingen met Herder, Napoleon, Lavater, Klopstock, Beethoven, Schiller (hij zou zijn vermeende schedel een jaar lang in zijn studeerkamer bewaren!) zijn allemaal de moeite waard. Zijn ontmoeting met Schopenhauer is helemaal een mooie. De gearriveerde Goethe is apetrots op zijn kleurenleer, maar daar denkt de jonge Schopenhauer ietsje anders over:

Zelfbewust tot op het randje van onbeleefdheid, en tegelijk uiterst respectvol, treedt hij degene tegemoet die hij als zijn aartsvader had uitverkoren. Hij maakt een kniebuiging voor hem en uit tegelijkertijd onomwonden stevige kritiek op Goethes ‘kleurenleer’. Goethe…moest zich door Schopenhauer laten gezeggen dat hij alleen maar voortreffelijke observaties had verzameld, maar er nog geen goede theorie bij had geleverd.

Dat is een buts in het grote ego van Goethe, hoewel hij hier overigens geen scène van maakt, er blijft respect voor de leerling. Ik heb talloze aantekeningen gemaakt voor prachtige citaten, maar het zou een te lang verhaal worden. Wil je meer weten over Goethe, dan kan je niet om dit werk heen.

Vertaling: Mark Wildschut

80e2ef5f050383959786f6f53674141414d6741
De blikken trommel van Günter Grass staat al zo’n vier jaar in mijn kast. Ik hikte altijd een beetje tegen die 500 pagina’s aan. Ten onrechte, zo bleek. De reden voor dat uitstel was de surrealistische schrijfwijze die Grass hanteert in dit boek. Soms is dat even wennen, som levert het ook prachtige beelden op (vissen op palingen met een paardenhoofd, bijvoorbeeld).

Het verhaal wordt verteld door de vroegwijze Oskar Matzerath. Het is de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Oskar is een jongen uit het Poolse Dantzig die op zijn derde besluit om te stoppen met groeien. Wat hij wel doet is trommelen, de hele dag door. Pakken ze hem zijn trommel af, dan gilt Oskar zo hard dat er glazen voorwerpen kapot springen. Glazen of ruiten, hij kan zijn stem sturen naar wat kapot moet. Hij weet niet precies wie zijn vader is, Bronski of Matzerath. Zijn moeder sterft jong en zijn vader Matzerath neemt Maria in huis om te helpen in de kruidenierszaak. Maria raakt zwanger en Oskar denkt dat hij de vader is. Toch trouwt Maria met Matzerath.

Oskar blijft trommelen, het is zijn manier om te communiceren en om te verwerken. Hij sluit zich aan bij een varieté-gezelschap van dwergen die de Duitse troepen vermaken. Bij dit gezelschap ontmoet hij zijn liefde Roswitha. Bij de Atlantikwall verliest hij haar:

Roswitha vroeg mij haar een beker koffie te halen omdat zij nog geen ontbijt had gehad. Een beetje nerveus en bezorgd, dat ik de vrachtauto zou mislopen, weigerde ik en was ook een beetje grof tegen haar. Toen sprong zij zelf van de auto, liep met het keukengerei op haar hoge hakjes naar de veldkeuken toe en bereikte de hete morgenkoffie tegelijkertijd met de daar inslaande scheepsgranaat.

Oskar keert terug naar Dantzig. Bronski en Matzerath sterven en hij vertrekt met Maria en haar zoon naar Düsseldorf. Hij stopt met trommelen en besluit weer wat te groeien. Werkt in de zwarte handel, beitelt grafzerken, speelt in een jazz-orkest, werkt als model en wordt verdacht van moord. Het is een bonte stoet aan gebeurtenissen die aan je oog voorbij trekt.

Het boek is verdeeld in drie delen. De eerste twee geven een tijdsbeeld van Dantzig (het latere Gdansk) van voor en in de oorlog. Behoorlijk cynisch af en toe;

Daarna kwam…maarschalk Rokossowski. Die herinnerde zich bij de aanblik van de ongeschonden stad zijn grote internationale voorgangers en schoot eerst even alles in brand, opdat degenen, die na hem kwamen, hun overtollige energie in de wederopbouw konden uitleven.

op dezelfde pagina;

Maria…liet meneer Fajngold onze Matzerath zien, die al drie dagen onder een stuk canvas in de kelder lag, omdat wij hem niet konden begraven door de vele Russen, die op straat overal fietsen, naaimachines en vrouwen uitprobeerden. 

Matzerath, die stikt in een communistisch partijspeldje, waarna de kogels het afmaken. Het derde deel speelt zich af in Düsseldorf, ten tijde van het herstel van de oorlog. Het boek is rauw, cynisch en surrealistisch, maar erg de moeite waard.

Vertaling: Koos Schuur

4957a95bda79038593372555977437641414141

Ik heb de Reistaferelen van Heinrich Heine in een ver verleden al eens gelezen, maar had ze zelf niet in mijn bezit. Nu wel, dus dan herlees ik ze. Het was een ander boek dan ik mij herinnerde, maar evengoed erg de moeite waard.

Hoezo anders? Ik dacht dat het meer ging om reisbeschrijvingen, landschappen enzovoort. Dus niet. Het boek is keurig verdeeld in hoofdstukken met titels als “De Harzreis”, “De Noordzee”, “Reis van München naar Genua”, “De stad Lucca” enzovoort. Dat lijkt op een reisverslag zoals Goethe’s Italiaanse Reis, maar dat is het niet. Heine heeft Goethe ontmoet, bewonderde hem ook, maar brak juist met de traditionele reisbeschrijving van Goethe. Het gaat Heine om maatschappijkritiek. Niet eens kritiek op het land waar hij toevallig verblijft, hij kan rustig uitweiden over Duitsland als hij in Italië verblijft. Waar het Goethe meer ging om de klassieke oudheid op zijn reizen, zijn Heine’s reizen bestemd voor het hier-en-nu.

Dat hier-en-nu is al weer een tijd geleden en je kan je afvragen of dat nu nog wat toevoegt of überhaupt interessant is. Eigenlijk maakt het niet uit, het boek is van alle tijden en ik heb er van genoten. Heine neemt de Duitse burgerij op de hak, maar ook de universiteiten, het ambtenarenapparaat, de censuur en vooral het katholicisme;

Als ik zo’n processie zie waarbij onder een imposant militair escorte de geestelijken zo mistroostig en deerniswekkend voortschrijden, doet het me altijd weer pijn en heb ik het gevoel alsof ik onze Heiland zelf, omringd door lansdragers, naar het galgenveld zie afvoeren.

Er wordt gereisd door Heine en soms vertelt hij over de plaatsen waar hij is, maar feitelijk doen ze er niet toe. Er volgen essays over de betekenis van Napoleon (hij heeft hem gezien), over Goethe of Sir Walter Scott. Heine becommentarieert als het ware de tijd waarin hij leeft en dat valt lang niet altijd goed. Zo heeft hij te maken met censuur en ook daar rekent hij mee af op klassieke wijze. Hoofdstuk 12 van Het boek Le Grand bestaat uit vier woorden. De eerste drie zijn: ‘De Duitse censoren’. Daarna volgen de door Heine zelf aangebrachte censuurstreepjes, zes regels lang. De rest van het hoofdstuk bestaat uit dezelfde streepjes, en slechts één woord: ‘domkoppen’. Schitterend.

Veel beschouwingen dus over zijn tijd en soms erg to-the-point over wat hij meemaakt, zoals bij zijn Londense kapper die iets tegen de “Duke of Wellington” had, die Napoleon bij Waterloo had verslagen;

Mijn kapper in Londen was een radicaal, mister White geheten, een arme kleine man in een sjofel zwart pak waarop een witte weerschijn lag…Maar tegen de Duke of Wellington kookte zijn radicale toorn altijd het hevigst, hij spuwde gif en gal zodra hij over deze kwam te spreken, en wanneer hij mij onderwijl inzeepte, gebeurde dat met schuimende woede. Eén keer werd ik flink bang toen zijn mes rakelings langs mijn nek scheerde terwijl hij zo heftig tegen Wellington tekeer ging en daarbij voortduren mompelde: ‘Had ik hemzelf maar onder het mes, ik zou hem de moeite besparen om zichzelf de keel door te snijden…God damn him.”

Geen letterlijke beschrijving dus van zijn reizen, maar wel een boeiende reis door de beschouwingen van een schrijver die het werk van Goethe, en dan met name de Italiaanse Reis, een niveau verder brengt.

Vertaling: Wilfred Oranje

Image

Het eiland van het tweede gezicht van Albert Vigoleis Thelen wordt de hemel in geprezen door niemand minder dan Maarten ’t Hart en door Thomas Mann. Dan moet het wat zijn toch?

In deze roman worden de avonturen van Vigoleis en Beatrice beschreven op het eiland Mallorca in de periode 1931-1936. Aanleiding is een bericht van de broer van Beatrice dat hij op sterven ligt. Dat geldt ook voor de moeder van Beatrice, maar de keus valt op broer die op Mallorca woont. Niets is minder waar, hij is springlevend en woont in bij een prostituée. Albert en Beatrice trekken even bij hen in maar daarna volgt een trektocht over het eiland. Ze wonen in bordelen, paleizen, armzalige pensionnetjes en verdienen de kost als reisleider of vertaler. Er komt een onwaarschijnlijke stoet van mensen langs; hoeren, filosofen, toeristen, generaals, schrijvers en handwerkslieden. Ze krijgen allemaal hun plaats in de “toegepaste herinneringen” van Vigoleis. Een handigheidje om je eigen verhaal te gebruiken, welke op punten toch best zou kunnen afwijken van de waarheid.

Dat maakt allemaal niet uit. Ook de talloze uitweidingen van de schrijver neem ik graag voor lief. Het is een ononderbroken stroom van vertellingen in een barokke schrijfstijl. Vind je het even niet zo interessant, geen nood, even verderop gaat het alweer over iets anders. Ik heb er van genoten. Een voorbeeld van de schrijfstijl in het volgende stukje, als de familie met de kleine dopeling Albert aan de haal gaat:

De enige die aandacht verdient is mijn peetoom, die zoals alle broers van de fles hield, maar verder boekbinder was, zonder de werken die hij inbond al te veel in te zien…Die vrolijke binder hield me ten doop, waarbij hij zijn naam aan me overdeed. Albert, dat betekent de van geslacht schitterende. Helaas heb ik van die schittering nooit iets bespeurd…Toen ik tot Gods kinderschare behoorde…vonden de doopgangers het hoog tijd worden dat de zegen ook over hen neerdaalde…Ze legden de dopeling op de tapkast en dronken.

Dat gaat zo nog even door tot het zwikje thuiskomt zonder de gekerstende, die lag nog ergens op een toog. Hilarisch zijn ook de verhalen over zijn reisleiderschap. Hij fantaseert er lustig op los en hoopt dat er niemand met meer kennis in de buurt is. Dat is ook wel het beeld dat bijblijft. De Duitse, soms stuntelige intellectueel, die het hoofd op Mallorca boven water tracht te houden. In zijn eigen woorden:

Bij mij was het wel jong geleerd, maar helaas altijd op het verkeerde moment gedaan

Dat levert uiteindelijk wel een prachtboek op, dat echt gelezen dient te worden. Iemand die een paraplu “Unkulunkulu” doopt, naar een Zoeloekoning en daar vervolgens nog een mooi verhaal van weet te maken is voor mij een topauteur.

Vertaling: Wil Boesten

9029080779.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Het heeft even geduurd voordat ik Berlijn Alexanderplatz van Alfred Döblin uithad. Dat heeft niets met de kwaliteit van het verhaal te maken. Die is prima. Soms moet de aandacht wel eens even ergens anders zijn dan bij de wereldliteratuur, zo gaat dat soms.

 

Het verhaal dan. Het mooie is dat daar eigenlijk weinig woorden aan vuil gemaakt hoeven te worden. Het is eenvoudig. Franz Biberkopf komt vrij uit het gevang waar hij vast heeft gezeten omdat hij zijn vriendin heeft doodgeslagen. Hij is vast van plan een fatsoenlijk leven te gaan leiden. Als dat gaat lukken heb je geen roman, dus gelukkig mislukt dat. Zo ontstond Berlijn Alexanderplatz.

 

Biberkopf ontmoet in en om de Alexanderplatz allerlei schimmige figuren. Hij wordt geholpen door Joden, komt in contact met dames van lichte maar sympathieke zeden en laat zich in met dieven en souteneurs. Franz doet zijn best om fatsoenlijk te zijn, maar het is duidelijk dat dit niet gaat lukken. Er volgt een neerwaartse spiraal waar hij niet ongeschonden uitkomt.

 

Wat blijft er dan over? Veel. Een soort filmisch portret van Berlijn en de Alexanderplatz in het bijzonder. Dat gaat soms met flitsen, advertentieteksten, beschrijvingen van voorbijgangers, nieuwsberichten enzovoort. Het bruist aan alle kanten. Een kleine proeve van de schrijfstijl:

 

Lijn 68 gaat over de Rosenthalerplatz, Wittenau, Nord-bahnhof, Heilanstalt, Weddingplatz…Limonades en bessesap tegen engros-prijzen, dr. Bergell, advocaat en procureur. Lukutate, het Indische verjongingsmiddel, Fromms akt, de beste gummispons, waarvoor hebben de mensen eigenlijk zoveel gummisponsen nodig.
Gisterenmorgen hebben in een der donkere zijstraten van het Stettiner Bahnhof in een der vele kleine hotels een man en een vrouw zelfmoord gepleegd…Daar is het grote restaurant van Achinger waar men voor weinig geld eten kan en het bier goedkoop is.

 

Het gaat over Franz Biberkopf, zijn vriendinnen en zijn kompanen in het kwaad, maar het gaat eigenlijk om Berlijn zelf. De sfeer wordt prachtig neergezet. Niks grandeur, maar een milieu van arbeiders, nietsnutten, hoertjes en pooiers. Biberkopf zwerft ertussen en tracht het hoofd boven water te houden. Döblin geeft dat soms prachtig weer, zoals wanneer het hoertje Mieze vermist blijkt en Franz en Eva het hier over hebben:

 

‘Eva, wat zou er dan toch met Mieze gebeurt zijn? Snap je dat nou? Dood. Iemand heeft haar doodgemaakt, nu weten we het, ze is dus helemaal niet van me weggelopen…’
Franz denkt aan Mieze, wordt ineens bang, krijgt een doodsschrik, daar is het weer, een machtig maaier is de Dood, met bijlen en palen komt hij, hij pijpt op een fluitje, doet dan zijn kaken uit elkaar, heel wijd uit elkaar, neemt een bazuin en blaast er op, later zal hij pauken nemen en er mee slaan en dan zal de zwarte donkere stormram komen, roem, roem, iedere keer weer opnieuw, roem, roem.

 

Een machtige maaier is de Dood. Die frase loopt als een lithanie door het boek heen en geeft aan waar het naar toe gaat. Alsof Schubert’s Winterreise in een nieuw jasje gestoken is. Machtig is het stuk waar Franz zijn gevecht met de Maaier voert, een gevecht dat hij alleen beleeft. Ga het vooral lezen.

Nog even speciale aandacht voor de vertaling. Er is gekozen voor de vertaling van Nico Rost. Hij heeft Döblin persoonlijk gekend en de schrijver, die de Nederlandse taal voldoende beheerste, was een bewonderaar van deze vertaling. Dat is bijzonder, want de vertaling is bijna een bewerking. Rost heeft zich vrijheden veroorloofd, heeft soms zelfs zinsnedes of een alinea laten vervallen, maar heeft een dermate vloeiend verhaal afgeleverd dat de sfeer van de cultuurmetropool prachtig is weergegeven.

Vertaling: Nico Rost  

27393a5f62a176259384f425277444341587343

Het Martyrium van Elias Canetti is geen boek om in een verloren uurtje eens aan te beginnen. Canetti heeft een boek geschreven dat surrealistisch, confronterend, verontrustend maar ook grappig is.

 

Hoofdpersoon is de kamergeleerde en sinoloog Peter Kien. Hij heeft de grootste bibliotheek van de stad en sluit zich er dagelijks in op. Hier schrijft hij zijn werken en levert hij zijn commentaren, alom geacht in de academische wereld.

 

Hij neemt een huishoudster, Therese, in dienst, een vrouw die voornamelijk bestaat uit blauw gesteven rok. Hij merkt haar toewijding aan zijn boeken op als hij haar eens een boek uitleent en vraagt haar ten huwelijk. Dat was niet slim en meteen het begin van het einde.

 

Therese eist tijd en ruimte voor zichzelf en gaat het leven van Kien beheersen en controleren. Kien merkt dat en vormt met zijn boeken een front tegen zijn vrouw, Jawel, de waanzin slaat al toe als hij een gloedvolle toespraak houdt, gericht aan de boeken in zijn bibliotheek:

 

‘Tot dusver is geen letter van uw bladzijden gedeerd…Nooit zou ik het mijzelf vergeven wanneer iemand mij ook maar de geringste nalatigheid in mijn verzorgingsplicht tegenover u ten laste zou kunnen leggen. Indien iemand klachten heeft, dat hij spreke.’
Kien zweeg en blikte uitdagend en tegelijk dreigend om zich heen. De boeken zwegen eveneens, niet één stapte naar voren
.

 

Therese is op geld uit en zoekt zijn chequeboek. Uiteindelijk wordt hij door haar op straat gezet, waar hij overtuigd is van het feit dat juist hij haar heeft ingesloten. Zijn chequeboek heeft hij op zak…

 

In de buitenwereld ontmoet hij de gemene, gebochelde dwerg Fischerle. Deze is er van overtuigd dat hij wereldkampioen schaak kan worden en heeft visioenen van luxueuze schaakpaleizen in Amerika. Dat kost geld en Fischerle haakt aan bij Kien, die hij vast wat geld afhandig kan maken. Ze overnachten in hotels en Fischerle helpt hem met de bibliotheek die Kien nu in gedachte met zich meedraagt. Dit geeft meteen een mooi voorbeeld van Canetti’s surrealisme:

 

‘Wilt u me dan maar helpen bij het uitpakken van de boeken!’ zei Kien voor de vuist weg en verbaasde zich over zijn eigen stoutmoedigheid. Om eventuele lastige vragen de pas af te snijden nam hij het pakket uit zijn hoofd en reikt het het mannetje aan. Die ving het handig op met zijn lange armen en zei: ‘Zoveel! Waar moet ik ze laten?’

 

Ze posten in de lommerd waar Kien het volk onderschept dat daar boeken komt verpanden. Kien koopt de boeken en geeft zo zijn geld uit. Fischerle weet hier met wat handlangers handig gebruik van te maken. Ondertussen is de huisbewaarder van Kien, de met nazistische trekjes behepte Benedikt Pfaff bij Therese ingetrokken. Zij komen Kien ook tegen in de lommerd als ze zijn bibliotheek te gelde willen maken. De vechtpartijen zijn niet van de lucht en het spul wordt gearresteerd.

 

Uiteindelijk loopt het verhaal naar een voorspelbare climax toe. Kien is als de dood dat zijn bibliotheek in vlammen opgaat en uiteindelijk kraait de rode haan en gaat hij met zijn levenswerk te onder.

 

Het is een absurd verhaal waarin veel aannames worden gedaan door de hoofdpersonen. Halve woorden worden in een theorie veranderd of voor waarheid aangenomen. Zo denkt Therese dat Kien erg veel geld achter houdt en denkt Kien dat Therese een miljoen heeft geërfd.

 

‘Wonderlijke coïncidentie! Juist in mijn huis komt deze rijke erfgename als huishoudster terecht! Acht jaar lang vervult ze rustig haar plicht, opeens, net voor ze een miljoen erft, trouw ik met haar’.

 

Daar staat het boek vol mee. Absurd soms, maar ook confronterend. Het boek maakt duidelijk dat alle wijsheid van de wereld opgeslagen kan worden maar nergens toe leidt als het niet toegepast kan worden. Verontrustend ook, je wilt niet dat er mensen als Benedikt Pfaff bestaan, die zijn dochter hogelijk waardeert omdat hij er zijn vuisten zo prima op kan gebruiken. Grappig toch ook, omdat de schelm Fischerle zich in allerlei bochten wringt om zijn droom te bereiken en uiteindelijk niets bereikt.

 

Wonderlijk is overigens dat Fischerle zich in zijn dagdromen als wereldkampioen schaak Fischer laat noemen. Canetti wist nog niet toen hij dit schreef dat er later een wereldkampioen schaak met de naam Bobby Fischer zou opstaan.