archiveren

Duitse literatuur

1001004002416832
Aart J. Leemhuis bezorgde dit mooi uitgevoerde boek met een keuze uit de briefwisseling tussen Goethe en Schiller. Het bleek een mooie invulling op mijn laatst gelezen boek over hun vriendschap. Daar werd de verhouding tussen beide mannen beschreven en hier geven ze daar in hun brieven persoonlijk invulling aan.

Goethe en Schiller komen uit hun brieven in verschillende hoedanigheden naar voren. We zien Goethe bijvoorbeeld als provinciaal te midden van de grote-stedelingen in Frankfurt en als wetenschapper aan de universiteiten van Jena en Tübingen. Hij analyseert kunstwerken en profileert zich als onderzoeker van mineralen, insecten, planten en het licht. Schiller zien we vaak als kluizenaar tegen wil en dank. Zijn steeds slechter wordende gezondheid is een issue en hij is veel thuis, maar dat levert wel een aantal zeer uitgebreide brieven op waarin hij werk van Goethe analyseert en becommentarieert.

Zo geeft Schiller een uitgebreid commentaar op Goethe’s Wilhelm Meisters Lehrjahre, zoals over het in zijn ogen vreemde gedrag van de hoofdpersoon na de dood van Mignon;

Ook al zou de natuur u in dat geval geheel gelijk geven ik twijfel er aan of u dat ook zult behouden tegenover de gevoelvolle eisen van de lezer, en daarom zou ik u willen aanraden, om de opname van een op zich zo prachtig voorbereide en uitgevoerde gebeurtenis bij de lezer door niets te verstoren – daar enigszins rekening mee te houden.

Overigens vind ik dit geen mooi lopende zin, maar zo staat het vertaald. Goethe zou Schiller’s commentaar vaak ter harte nemen. Overigens helpt het wel als je een beetje op de hoogte bent van de werken van beide heren. Het is geen must, maar de herkenning is des te groter natuurlijk.

De polemische Xenien komen uitgebreid aan bod, waarin vooral ‘de keeshond van Giebichenstein’ het moet ontgelden. Dat gaat dan om de componist Johann Friedrich Reichardt;

De keeshond van Giebichenstein moeten wij nu een tijdje laten blaffen, totdat wij hem er weer eens goed van langs geven.

De brieven geven een aardig inzicht in belangrijke werken van Goethe en Schiller. Zo ken ik de prachtige ballade van Schiller Die Kraniche des Ibykus ofwel De Kraanvogels van IbykusIn een brief geeft Goethe suggesties voor deze ballade en ook die vinden deels navolging;

Die Kraniche des Ibykus vind ik zeer goed gelukt…enkele opmerkingen: 1. De kraanvogels zouden als trekvogels één zwerm moeten vormen die zowel over Ibykus als over het theater vliegen, zij komen als een natuurverschijnsel en plaatsen zich zo naast de zon…2. Dan zou ik na het 14e vers waarin de Erinnyen zich hebben teruggetrokken, nog een vers inlassen om de gemoedsgesteldheid van het volk te schetsen…

Het is informatie uit de eerste hand en daar houd ik erg van. Dat gezegd hebben is dit een boek waar je wel de tijd voor dient te nemen. De 390 pagina’s vallen wel mee, maar er zit een zeer uitgebreid notenapparaat achter waardoor je voortdurend aan het bladeren bent. Dat loont wel de moeite, want de noten voegen veel toe. Goethe zegt bijvoorbeeld in een brief;

Zodra ik uit Jena wegga zal ik meteen in beslag genomen worden door een andere polariteit die mij dan weer enige tijd in de ban houdt. 

Dat kan je voor kennisgeving aannemen maar in de noten staat toegelicht dat “polariteit”  een toespeling is op de magnetische experimenten die zij hadden uitgevoerd, én slaat op de polariteit in hun karakters. Zo staan de brieven vol verwijzingen naar zaken die wij niet per se kunnen weten maar die allemaal worden toegelicht.

Als je je een beetje verdiept in de werken en levens van beide heren is dit een boek waar alles samenkomt. Hun werken vooral, maar ook hun huiselijke beslommeringen, hun gezondheid en de onvermijdelijk menselijke trekjes die ons dichter bij zulke grootheden brengen. Goethe had zichzelf als wetenschapper bijvoorbeeld erg hoog zitten en was trots op zijn Farbenlehre, zijn studie over kleur, waarin hij tegen de (tegenwoordig geaccepteerde) leer van Isaac Newton in ging. Hij kan het niet laten om een venijnig epigram over Newton en de rooms-katholieke kerk te schrijven (waar hij ook weinig mee op had) en zo dalen de groten der aarde gelukkig ook af en toe neer;

Wat een verheven gedachte! De onsterfelijke meester leert ons de straal die wij slechts als een geheel kennen, kunstmatig splijten. Dat is een paapse inval! want de kerk splijt haar God al lang in drieën, zoals gij het licht in zevenen.

Vertaling; Aart J. Leemhuis

904501677X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Goethe en Schiller, het verhaal van een vriendschap kon door niemand anders geschreven zijn dan door Rüdiger Safranski, de biograaf van beide heren. Hoewel dit boek van 311 pagina’s veel biografische elementen bevat en ik het voor het gemak als zodanig rubriceer, ís het geen biografie. Het gaat om de vriendschap tussen Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich von Schiller en hun relatie tot elkaar.

Goethe was tien jaar ouder dan Schiller en aanvankelijk waren ze concurrenten. Goethe voelde zich in het nauw gedreven door de roem van Schiller en Schiller op zijn beurt zag in Goethe een ‘trotse preutse dame, bij wie je een kind moest maken om haar tegenover de wereld deemoed bij te brengen.’ Toch zullen ze goede vrienden worden en die vriendschap zal duren van 1794 tot aan Schillers dood in 1805. Dit boek gaat met name over de temperamenten en karaktertrekken van de mannen en hoe deze bij beiden resulteerde in een toename van hun creatieve krachten.

Goethe was dus al een fenomeen. Hij had zijn Werther geschreven, zijn toneelstuk Götz von Berlichingen en ook als wetenschapper timmerde hij aan de weg door zijn ontdekking van het tussenkaaksbeen. Schiller was een aanstormend talent die furore maakte met zijn toneelwerk Die Räuber. Hij is zeer productief in de jaren 1785-1787, waarin hij de Philosophische Briefe schrijft, het toneelstuk Don Karlos én het beroemde gedicht ‘Ode an die Freude’, wat Beethoven zou gebruiken in de finale van zijn negende symfonie. Na een valse start gaan Schiller en Goethe elkaar ontmoeten en ze waarderen elkaars talent. Zo schreef Goethe wel eens wat voor Die Horen, het tijdschriftproject van Schiller, maar Schiller wilde hem er nauwer bij betrekken en zei tegen zijn uitgever;

‘Een man als Goethe. Die hoogstens eens in de paar honderd jaar leeft, is een te kostbare acquisitie om daar niet de prijs, hoe hoog ook, voor te betalen.’

Waarom werkte het nu zo goed tussen Goethe en Schiller? Dat wordt uitgebreid uitgelegd door Safranski aan de hand van geschriften en ik merkte dat ik hier toch echt mijn aandacht wel even bij moest houden. Je leest er niet even snel doorheen, maar het is de moeite waard. Zo schrijft Schiller aan zijn vriend de jurist Christian Gottfried Körner;

‘Op het eerste gezicht lijkt er weliswaar geen grotere tegenstelling te kunnen bestaan dan die tussen de speculatieve geest, die van de eenheid, en de intuïtieve geest, die van de verscheidenheid uitgaat. Maar als de eerste met zuivere en trouwe bedoelingen de ervaring zoekt, en de laatste met zelfwerkzame vrije denkkracht de wet, dan kan het haast niet uitblijven of ze zullen elkaar ergens halverwege ontmoeten.’ Maar daaraan moet dan wel worden toegevoegd dat eenieder zijn werk op ‘geniale’ wijze moet doen, de een als gevoels-, de ander als begripsmens.

Goethe laat zich dus door intuïtie leiden en Schiller speculeert, gaat uit van algemene begrippen en ideeën voordat hij tot de kern komt. Vraagstukken worden zo vanuit verschillende richtingen benaderd waardoor hun beider kennis toeneemt en versterkt wordt. Goethe gaat zelfs zover dat ‘hij opmerkt dat Schiller hem van de al te strikte waarneming heeft afgehaald en hem geleerd heeft de veelzijdigheid van de innerlijke mens eerlijker gade te slaan,’ waardoor hij hem een tweede jeugd heeft bezorgd en weer een dichter van hem heeft gemaakt.

Het boek staat wel vol met zinsneden als de voorgaande en dat noopt wel tot aandachtig lezen. Maar dat loont en daardoor heb ik talloze aantekeningen gemaakt. Zo is het leuk om te lezen dat deze literaire grootheden vlak bij elkaar in Weimar kwamen te wonen en dus ook gewoon hun huiselijke beslommeringen hadden. Ze kwamen vaak bij elkaar over de vloer en namen geschenken voor elkaar of voor hun kinderen mee. Goethe moest er bij een bezoek aan Schiller altijd even in komen. Hij begon wat stilletjes, pakte een boek of tekende wat, maar speelde af en toe ook met de kinderen als die om hem heen hingen. Vroeg of laat komen de gesprekken dan op gang en gaat het over hen werk. Ze startten ook samen een werk op, een polemiek onder de titel Xenien. Op het hoogtepunt van de Xenien-strijd werken ze beiden ook aan eigen werken. Goethe aan zijn grote gedicht Hermann und Dorothea en Schiller aan zijn drama-trilogie Wallenstein. Vooral Goethe vordert gestaag en Schiller schrijft daarover aan schilder en kunstschrijver Johann Heinrich Meyer ;

‘Terwijl wij…dingen moeizaam moeten verzamelen en uitproberen om stukje bij beetje iets vrij behoorlijks voor elkaar te krijgen, hoeft hij alleen maar zachtjes aan de boom te schudden en de mooiste vruchten, rijp en zwaar, vallen hem in de schoot.’

Zo veranderde hun relatie af en toe wel, vaak gevoed door een creatieve impasse bij een van de twee, maar ergens vond iemand altijd de vonk weer terug en hun vriendschap bleef overeind. Schiller worstelde vaak met zijn gezondheid maar hij blijft zo goed als hij kan schrijven én Goethe van advies voorzien. Zo vraagt Goethe hem om gericht advies over hoe om te gaan met alexandrijnen, de versmaat van de klassieke Franse tragedie;

‘De eigenschap van de alexandrijn,’ schrijft Schiller, ‘om in twee gelijke helften uiteen te vallen en de aard van het rijm om uit twee alexandrijnen een couplet te maken, zijn niet alleen allesbepalend voor de taal, maar ook voor de diepere geest van de stukken, voor de karakters, de mentaliteit en het gedrag van de personages…’

Hij legt het nog verder uit, maar het zijn lessen uit de eerste hand. Het is frappant om te lezen dat Schiller zich heel bewust was van hun vriendschap en dat deze niet alleen een ‘gelukkige’ maar ook een ‘publieke’ gebeurtenis was, waar men toen in de intellectuele wereld aan deelnam en dat hij zelfs vermoedde dat zij geschiedenis zou maken.

Dat laatste klopte. Goethe zou zijn vriend met zo’n 27 jaar overleven, maar er wordt nog steeds over hen geschreven, ze hebben een gezamenlijk standbeeld dat op de voorkant van dit boek staat en ook hun briefwisseling is beschikbaar. Daar ga ik mij nu in verdiepen want dit boek is dermate interessant (en dat vond ik van de Goethe-biografie van Safranski ook) dat ik graag nog even in die wereld verblijf.

Vertaling; Mark Wildschut

666767699
Gesprekken met Goethe is het beroemde boek dat Johann Peter Eckermann schreef over de gesprekken die hij voerde met de Duitse schrijver, dichter, wetenschapper en staatsman Johann Wolfgang von Goethe. In 1821 stuurde Eckermann zijn poëziedebuut al eens naar Goethe, maar daar vernam hij niks op. Twee jaar later lukte het hem wel om contact te leggen en dat beviel blijkbaar zo goed dat hij over de vloer bij Goethe mocht blijven komen en vele gesprekken met hem voerde. Die zijn in dit boek opgetekend.

Als Eckermann op bezoek gaat bij Goethe bewijzen de programma’s van Boudewijn Büch (die ook het nawoord in dit boek verzorgde) hun waarde. Ik kan mij een goede voorstelling van het huis en de verschillende vertrekken maken en dat leest prettig. Eckermann is groot fan van Goethe en dat laat hij ook blijken;

Ik voel dat ik door Goethe’s woorden een paar jaar verstandiger ben geworden en verder ben gekomen en ik bespeur diep in mijn ziel welk geluk het betekent en wat het wil zeggen als men een ware meester ontmoet.

Ik was even bang dat het een dweepziek boek zou worden zo, maar dat viel reuze mee, ik kom er op terug. Het fascinerende aan dit boek vind ik de directe toegang tot Goethe; wat de man dacht en hoe hij te werk ging. Zo licht hij toe hoe hij te werk ging bij Faust, één van zijn grote werken;

‘Wanneer ik me niet mijn leven lang met de beeldende kunst had bezig gehouden,’ zei Goethe, ‘zou het me niet mogelijk zijn geweest. Het was echter wel lastig me tegenover zo’n overvloed te matigen en alle figuren erbuiten te houden die niet bij mijn opzet pasten. Zo heb ik bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van de minotaurus, van de harpijen en van enkele andere monsters.’

Zo zien we Goethe de schrijver en dichter maar maken we ook kennis met hem als wetenschapper. Hij heeft het met Eckermann over zijn kleurenleer, die hij zelf zag als zijn grootste verdienste. Hoewel er op die leer genoeg valt af te dingen (Goethe zette zijn leer tegenover de theorie van Isaac Newton) was Goethe erg overtuigd van zijn gelijk. Hij vertelt dan ook onomwonden;

‘Om een nieuw tijdperk te kunnen inluiden…zijn er zoals bekend twee dingen nodig: ten eerste dat je een knappe kop bent en ten tweede dat je een grote erfenis krijgt. Napoleon erfde de Franse Revolutie, Frederik de Grote de Silezische Oorlog, Luther de duisternis van het papendom en mij is de dwaalleer van Newton ten deel gevallen.’

Last van valse bescheidenheid had hij in ieder geval niet. Eckermann is gelukkig niet alleen fan maar ook voldoende kritisch, want hij voert wat experimenten uit met Goethe’s leer en komt zowaar soms tot andere conclusies. Als hij het waagt die voor te leggen is Goethe daar niet onverdeeld blij mee en wijst het zelfs in eerste instantie zonder veel reden af;

‘…dat ik in mijn eeuw in de moeilijke wetenschap van de kleurenleer de enige ben die weet wat juist is, daar laat ik me op voorstaan en ik ben me bewust dat ik daarin superieur ben aan vele anderen.’

Daar kan Eckermann het even mee doen. Toch komt Goethe hier later op terug en stelt Eckermann in het gelijk. Zo laat dit boek ook een menselijke Goethe zien.

Temeer omdat Goethe soms wonderlijke uitspraken doet. Hij was zelf actief op talloze vlakken, maar verkondigt toch dat het voor een mens de grootste kunst is om zich te beperken. Ook debiteert hij ergens dat het mogelijk is om louter door wilskracht je de vliegende koorts van het lijf te houden. Ook hield Goethe zich bezig met de achterhaalde theorie van zijn vriend Lavater, de fysionomie, waarbij men de persoonlijkheid van iemand aan zijn uiterlijk wil aflezen.

Die merkwaardigheden daargelaten, is het een feest om dit boek te lezen. Het valt op dat Goethe vaak opgewekt en goed geluimd is en keer op keer met kopergravures, boeken en schilderijen komt die worden besproken. Als de heren een ritje in het rijtuig maken volgen er boeiende beschouwingen over het weer. Goethe laat ook van alles bij hem thuis afleveren en dat gaat er dan zo aan toe;

Intussen had de bediende Friedrich een grote kist uitgepakt die uit Parijs was aangekomen. Het was een zending van de beeldhouwer David, gipsafdrukken van portretten, bas-reliëfs, van zevenenvijftig beroemde personen. Friedrich bracht de afdrukken in verschillende schuifladen binnen en het was een zeer onderhoudende bezigheid, al die interessante persoonlijkheden te bekijken.

Verder waren er nog boeken en dichtbundels meegestuurd, waarbij de gedichten van Emile Deschamps weer aanleiding geven tot een gesprek over de invloed van Goethe op de jonge dichters in zijn tijd.

Eckermann gaat nog op reis met August von Goethe, Goethe’s zoon, naar Italië. August zou daar komen te overlijden. Eckermann keert terug en hervat zijn ontmoetingen en komt uiteindelijk overeen met Goethe dat hij hun gesprekken, na Goethe’s dood, op schrijft zou stellen. Dat deed hij uiteindelijk in drie delen, waarvan dit boek van een kleine 500 pagina’s de eerste twee delen integraal bevat.

Het boek leest geweldig door, hoewel er vaak naar de noten achterin gebladerd moet worden. Er staan wat foutjes in, waarvan drie fouten in drie zinnen op pagina 263 het meest storend waren. Verder is dit een absolute must voor iedereen die iets meer over Goethe wil weten.

Vertaling; Gerda Meijerink

873275a2abefe31597438426a67444341587343
Over De Goethe industrie van Boudewijn Büch kan ik eigenlijk vrij kort zijn. Het is een uitbreiding van zijn boek Goethe en geen einde, dat ik hiervoor besprak. Is het daarmee dan een overbodig boek? Niet echt. Büch schrijft dit boek niet in plaats van het vorige boek maar als uitbreiding. Hij verwijst er ook naar. Dat neemt niet weg dat er een aantal doublures in staan, maar er staat genoeg nieuwe stof in. Een voorbeeld, waar Büch eerder melding maakte dat er een kookboek bestaat in relatie tot Goethe, krijgt u nu een hele rij kookboeken voor de kiezen. Je kan er maar om verlegen zitten.

Er staan ook meer interessante feiten in het boek, zoals het feit dat onze staatsman Johan Rudolf Thorbecke Goethe gekend heeft én liefhebber van zijn werk was. Toeval bestaat niet, de biografieën van Goethe en Thorbecke staan in mijn kast gebroederlijk naast elkaar. Als ik in het personenregister van die van Thorbecke kijk (deze heb ik nog niet gelezen) komt Goethe er inderdaad veelvuldig in voor.

Het gaat ook over het oeuvre va Goethe zelf. Dat is zeer omvangrijk en Büch had het compleet op een vrij kostbare cd-rom, de Chadwyck-Healy-editie. Hij geeft wel aan dat Goethe’s oeuvre begin 2000 nog steeds uitermate verspreid uitgegeven wordt en dat er nog steeds geen integraal, laat staan wetenschappelijk verantwoord, volledig werk is uitgegeven.  Ik ben zelf ook wel eens op zoek gegaan naar zijn volledige werk, maar zeker in het Nederlands ken ik nog steeds geen integrale uitgave van Goethe’s werk.

Vooruit; nog even een voorbeeld van de eindeloze stroom wonderlijke boeken die in relatie tot Goethe worden uitgegeven, dat blijft de kern van dit boek. Wat dacht u van een boek met de titel Hier war Goethe nicht. Biographische Einzelheiten zu Goethes Abwesenheit. Zo is er ook een boek dat heet Jefferson und Goethe. Jefferson als in Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten. Kenden zij elkaar dan? Welnee, ze waren slechts synchrone tijdgenoten, maar ene Ekkehart Krippendorff zag kans er een boek vol over te schrijven.

Het helpt overigens wel als u de Duitse taal een beetje machtig bent, want er wordt ruimhartig door Büch geciteerd, soms tot hele krantenberichten aan toe, en dat wordt nergens vertaald. Het is mooi om te lezen dat Büch, in zijn enthousiasme, ook niet schroomt om Goethe even terecht te wijzen. Dat gebeurt als Goethe hoog opgeeft over de kathedraal van Straatsburg als “het grootste meesterwerk van de Duitse bouwkunst”. Büch;

Het is al vaker opgemerkt: hier slaat Goethe door, want toen men in 1015 met de bouw begon, was er nog helemaal geen sprake van de Duitse ‘bouwkunst’ maar van ‘gotisch’.

De auteur gaat in dit boek ook verder met de in het vorige boek geponeerde stelling dat Goethe voor allerlei karretjes gespannen werd. Zo ook door de voormalig leider van de DDR, Erich Honecker. Toen deze voorzitter was van de Freie Deutsche Jugend (FDJ), schreef hij een rede waarin Goethe vrijelijk gebruikt dan wel misbruikt werd;

Goethe was een voorstander van ‘de vooruitgang’ en hij ageerde tegen ‘volkerenhaat’,  Goethes invloed zou onafscheidelijk verbonden zijn met het ‘nationale bewustzijn’ en de Duitse jeugd zou er het beste aan doen voor Goethes ‘Geistergrösse’ te buigen. Kortom: platte retoriek.

Gevaarlijker is het als men hem voor de nationaal-socialistische kar wenst te spannen. Goethe was een kind van zijn tijd en hij heeft, dat valt niet te ontkennen, welzeker uitspraken gedaan die als antisemitisch te classificeren zijn. Hitler kende zijn Goethe en heeft daar meermalen gebruik van gemaakt.

Büch kende zijn Goethe volgens eigen zeggen ook en dat levert dan weer vermakelijke lectuur op, als hij in een archief manuscripten niet mag inzien omdat de Goethe die daarin zou voorkomen niet zou stroken met de ideeën van de toenmalige arbeiders- en boerenstaat-Goethe. Büch daarover;

Het werd mij weliswaar niet met déze woorden meegedeeld, maar toch; ik ken mijn Goethe en ik ken zijn archiefhouders.

Er staat nog veel meer in het boek. Het gerommel met de grafkist van Goethe, waarom werd het ding opengemaakt? Büch maakt een uitstapje naar Mussolini, die zich ook van Goethe bediende en hij verhaalt over hoe Holland een foute Goethe kreeg. Alles op zijn Büch’s en ik vind dat zeer onderhoudend. Voor de geïnteresseerden levert Büch in aparte katernen nog uitgebreide leeslijsten mee. Veelal buitenlandse uitgaven, dat wel.

068e18143fc3f2d596c36556a51444341587343
Goethe en geen einde van Boudewijn Büch heeft niet veel om het lijf. Toch wilde ik het lezen. Sterker, ik had het al gelezen en wilde het hebben én weer lezen. Büch heeft mij namelijk op het pad van Goethe gebracht. Ik was en ben fan van zijn televisie-uitzendingen, ik heb ze ook allemaal op dvd, en ik heb dus ook zijn enthousiasme ooit gezien voor Goethe. Toen ben ik Goethe gaan lezen en het is de enige schrijver die ik meerdere malen herlezen heb.

Dit boek gaat over Büch en zijn relatie tot Goethe. Hij was een verzamelaar van alles wat los en vast zat over de man en dit gaat met name over zijn verwondering over wat er allemaal over Goethe is geschreven. Dat levert soms hilarisch materiaal op, soms is de teneur wat serieuzer. Büch;

Nadat hij overleed in 1832 werd hij voor allerlei karren gespannen, zelfs voor de Albanees-stalinistische Hoxha-kar, ja zelfs voor de kar van Mao…en uiteraard ook voor allerlei andere denkvehikels als de antroposofie en de extreem-rechtse ecologische beweging…

Er komen in dit boek dus talloze haakjes voorbij waar Goethe aangehaakt kan worden. Büch geeft aan dat het niet alleen een onzin-boek is, maar vooral ook een proeve van bibliografische zoekzucht, van letterkundig plezier en de eindeloosheid van literatuur.

Dus daar gaan we. Ik lees over de uitgave van Edwin Redslob, ‘Mein Fest’: Goethes Geburtstage als Stufen seines Lebens, waarin men zich serieus bezig houdt met de psychologie van de personen die Goethe met zijn verjaardag feliciteren. Ik lees dat er een specialist is op het gebied van Goethe en Panama, de heer L. Fränkel. Die heeft stukken geschreven over Goethe’s mening over een Panama-kanaal. Er wordt stilgestaan bij Goethe’s tanden, had hij een kunstgebit of niet? Er is uiteraard een proefschrift over geschreven, Goethes Zahnleiden und Zahnärtze. Er bestaat een boek dat heet Das Kochbuch von Goethes Grossmutter, eenvoudigweg omdat Goethe in 1765 in Leipzig studeerde, hij bij zijn grootouders daar in en uit liep en dus geproefd kán hebben van de recepten die in dat boek staan.

Als Büch in een Amerikaanse atlas de naam Goethe aantreft gaat hij los. Hoe komt dat daar? Wellicht met een paar obscure neven van de schrijver? Hij komt erachter dat er een Goethe township is geweest met een postkantoorvestiging en als Büch Google Maps had gehad dan had hij zo kunnen opzoeken dat er nu een UPS vestiging aan de Goethe Hill Road ligt, maar hoe de naam Goethe er komt? Büch is ook niet vies van losse eindjes in zijn boek, maar ik vind dat wel leuk om te lezen;

De vraag blijft: waar werd het obscure Goaties Mill, de Goethe-township en het opgeheven postkantoor Goethe naar genoemd? In ieder geval niet naar de familie van Johann Wolfgang von Goethe. Maar naar wie dan wel? De goetheologie weet het niet, laat staan dat ik het zal weten.

Ik ben dus zelf ook druk met zo’n boek. Ik zoek bovenstaande op Google Maps op, als Büch zegt dat Hitler in Mijn Kamp Goethe aanhaalt dan zoek ik dat op in mijn versie (in Büch’s vertaling op blz. 353, in die van mij, de eerste druk uit 1982 op blz. 370). De Mozart-biograaf Hildesheimer noemt Goethe op talloze plaatsen in zijn boek en Büch fileert de beste man over zijn Goethe-kennis, maar ik pak dan ook mijn Hildesheimer erbij om het even aan te tekenen. Het werd een interactief geheel zo.

Toch staan er ook serieuzere zaken in. Büch heeft het over het belang van Goethe als wetenschapper, ondanks het feit dat zijn Farbenlere een miskleun bleek. Het gaat over zijn neurotisch gedrag ten opzichte van de dood, terwijl hij toch enige dagen de schedel van zijn goede vriend de dichter Schiller op zijn kamer had (wat overigens later niet zijn schedel bleek te zijn).

Fascinerend is ook de verbinding die gelegd wordt tussen Willem Bilderdijk en Goethe. Goethe bezat een handschrift van Bilderdijk, maar de claim van Albert Verwey dat Goethe in de buurt van Brunswijk de naam van Bilderdijk opgeschreven zou hebben, lijkt in dit boek ontzenuwd te worden.

Verder wordt er onderzoek gedaan naar de herkomst van de naam Werther, uit de gelijknamige roman van Goethe, Die Leiden des jungen Werthers, al komt Büch hier ook niet helemaal uit;

Dus blijf ik met de prangende vraag zitten waarom de ‘Werther’ die naam droeg en geen andere. Er moet natuurlijk ooit iemand iets over geschreven hebben, want na bestudering van artikelen als ‘Het symbool van de metaalsmelterij in Goethes werk’ (1937) en ‘Het beeld van het paard en de koetsier in Goethes poëzie’ (1945) sluit ik het uit dat nog nooit iemand zich over die vraag gebogen zou hebben. Ik kan dat bewuste artikeltje gewoon niet vinden.

En dat is wat dit boek is. Een voortdurende zoektocht naar meer over Goethe. Dat Büch er nog niet klaar mee was bewijst het boek waar ik nu mee bezig ben, iets meer van hetzelfde, maar nog wat uitgebreider. Laat het boek niets te wensen over? Nou ja, Büch maakt er zich soms makkelijk van af door geen bibliografie op te nemen, omdat hij dit boek al een soort bibliografie vindt. Hij heeft het over een essay dat hij schreef over Goethe en zijn filosemitische uitspraken maar nu ‘even niet vinden kan’. Ook moet de lezer hem maar geloven – want hij ziet namelijk af van het geven van precieze bewijsplaatsen – dat Goethe zich in zijn dichtwerk nagenoeg uitsluitend negatief heeft uitgelaten over het fenomeen ‘verveling’. Büch komt er wat mij betreft mee weg omdat ik er lol in heb en toch ook de smaak weer te pakken heb wat Goethe betreft. Dat is toch wat hij weer voor elkaar krijgt.

f80b6c852da937c5975365a7467444341587343
In zijn boek De emigrés schept W.G. Sebald een aantal portretten van zogenaamde “Ausgewanderten”. Dat is de originele titel van het boek en het slaat op de levens van vier (half)joden die Duitsland verlieten om zich te vestigen in Zwitserland, Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten.

Het is geen dik boek, 254 pagina’s, maar het is prachtige literatuur. Het eerste portret grijpt mij al direct als de schrijver, in zijn zoektocht naar een onderkomen in Norwich, stuit op een chirurg in ruste, dr. Henry Selwyn. Deze was ooit gelukkig met zijn vrouw maar zorgt nu alleen voor de tuin achter het grote, leegstaande appartementencomplex. De mannen spreken elkaar vaker en zo wordt de achtergrond van dr. Selwyn langzaam aan duidelijk. Dr. Selwyn leidt de schrijver rond in de tuin;

Door het struikgewas aan de zuidkant van het gazon leidde een pad naar een met hazelaars omzoomde gang. In de takken, die zich boven ons sloten tot een dak, waren grijze eekhoorns in de weer. De grond was dik bezaaid met de doppen van de opengebroken noten, en honderden herfsttijlozen vingen het spaarzame licht op dat binnendrong door de reeds droog ritselende bladeren. De hazelaarsgang eindigde bij een tennisveld, waar een witgekalkte bakstenen muur langs liep. Tennis, zei dr. Selwyn, used to be my great passion. But now the court has fallen into disrepair, like so much else around here.

Een tuinbeschrijving is één ding, maar Sebald vult dat aan met een in vervalling geraakt tennisveld, een stukje in het Engels én ondersteunt dit nog met een niet eens zo heel duidelijke foto (zie hieronder); dat maakt de vertelling erg sterk.

IMG_7013 (002)
Ook het verhaal van zijn oude schoolmeester, die hij op het spoor komt door een overlijdensadvertentie, is prachtig. Het langste verhaal in het boek gaat over zijn oudoom Ambros Adelwarth. Die heeft een avontuurlijk leven achter de rug en de schrijver gaat dit na, deels door informatie uit een oude agenda van zijn oom, die ook afgebeeld staat in het boek. Hierin speelt hij ook met fictie en werkelijkheid, als hij denkt zijn oudoom Ambros met zijn reisgezel Cosmo denkt te zien;

Soms dacht ik dat ik hen door een deur of in een lift zag verdwijnen of een straathoek zag omslaan. Dan weer zag ik hen werkelijk, zittend aan de thee buiten op de binnenplaats of in de hal, bladerend in de nieuwe kranten waarmee de chauffeur Gabriel elke ochtend vroeg in een halsbrekende rit van Parijs naar Deauville kwam aanrijden. Ze waren, zoals de doden meestal zijn wanneer ze in onze dromen opduiken, stom en leken enigzins bedroefd en gedeprimeerd…Als ik hen naderde, losten ze voor mijn ogen op, niets anders achterlatend dan de lege plek die ze zojuist nog hadden ingenomen.

Het laatste verhaal, over de naar Manchester uitgeweken kunstschilder Ferber vind ik het mooist. De auteur ontmoet hem in zijn atelier in Manchester. Een stad waar de treurigheid vanaf druipt en ook dat wordt fraai weergegeven. Nog mooier is de beschrijving van het atelier van de schilder, waarin stof belangrijk is;

Het was voor hem altijd van het grootste belang geweest, zei Ferber eens terloops, dat er niets in zijn werkruimte veranderde, dat alles bleef zoals het geweest was, zoals hij het had ingericht, zoals het nu was, en dat er niets anders bij kwam dan het afval dat bij het vervaardigen van de tekeningen en schilderijen ontstond, en dat het stof dat onafgebroken neerdaalde en dat hem, zoals hij langzaam leerde begrijpen, vrijwel het dierbaarste ter wereld was. Stof, zei hij, stond hem veel nader dan licht, lucht en water. Niets was voor hem zo onverdraaglijk als een huis waar stof werd afgenomen, en nergens voelde hij zich prettiger dan daar waar de dingen ongestoord en gedempt mochten blijven liggen onder de grijsfluwelen sinter die ontstaat als de materie, ademtocht na ademtocht, tot niets vergaat.

Het zijn soms best lange zinnen, maar in mijn vorige bespreking gaf ik al aan dat dit boeken zijn voor trage lezers. Dat geldt ook hier, hoewel ik er toch vlot doorheen las. Het leent zich echter wel voor herlezing, al was het maar om subtiliteiten niet te missen van de vlindervanger die, hoewel het gaat om verschillende verhalen in verschillende situaties, toch door het hele boek weer opduikt. Dat wil je niet missen.

Vertaling; Ria van Hengel

c5445462db6a15d5976655a7467444341587343
Ik ben soms een hopeloos opportunistische boekenkoper, maar soms leidt dat tot mooie ontdekkingen. Ik kwam overal de nieuwe uitgaven van W.G. Sebald tegen en dus ook commentaren op zijn werk. Sebald zou de schrijver zijn die een Nobelprijs was misgelopen. Ik had wel eens van hem gehoord maar nooit iets van hem gelezen dus verdiepte mij in zijn werk, ik werd geïntrigeerd en schafte de nieuwe vertalingen aan. Dit is zijn debuutroman, Duizelingen, die eerder werd uitgegeven als Melancholische dwaalwegen.

Eerst iets over de auteur zelf. Hij werd in Duitsland, Beieren, in 1944 geboren als Winfried Georg Maximilian Sebald. Hij studeerde literatuurwetenschap en vestigde zich vanaf 1970 in Norwich in Groot-Brittannië. Hij werd professor in de Europese Letterkunde aan de Universiteit van East Anglia en begon te schrijven. Hij overleed aan de gevolgen van een auto-ongeluk in 2001.

Hoe ga je nu een boek als dit toelichten? Navertellen heeft weinig zin, het is geen boek dat toewerkt naar een plot. Het is een boek over geschiedenis, reizen, herinneringen, observaties en overpeinzingen. Toch start het ergens en wel met het verhaal van Henri Beyle die met Napoleon over de Alpen naar Italië trekt. Of het helpt dat je weet dat Beyle het pseudoniem is van de schrijver Stendhal, geen idee. Volgens mij niet. De reis die Beyle maakt, zien we later deels terug in de reis die de auteur als verteller maakt.

Die verteller bevindt zich bijvoorbeeld in Wenen om te ontsnappen aan een moeilijke tijd in Engeland. In prachtige zinnen vertelt hij hoe hij toch contact zoekt;

Er ontstaat een bijzonder soort leegte wanneer je in een vreemde stad tevergeefs telefoonnummers staat te draaien. Als er niemand opneemt, is dat een teleurstelling met een enorme betekenis, alsof het bij dit cijferspel werkelijk om leven en dood gaat. Als ik dan de munten die uit het toestel rinkelden weer in mijn zak had gestopt, restte mij dus niets anders dan weer doelloos tot diep in de nacht buiten te blijven rondlopen.

Nu heeft u wellicht de indruk dat dit één roman is, maar het boek (ruim 200 pagina’s) bestaat uit vier verhalen. In al die verhalen wordt er gereisd door de verteller, door Duitsland, Oostenrijk en Italië. In Verona volgt hij het spoor van Kafka, waarna een hilarisch fragment volgt als hij in een bus twee jongens ziet die sprekend op de schrijver lijken. Hij wil graag een foto van ze hebben maar hun ouders verbieden dat waar hij zich maar bij neerlegt om niet als een Engelse pederast weggezet te worden.

Venetië wordt onder meer het decor van de geschiedenis van Casanova en in Riva wordt er gekuurd. In de haven daar legt een schip aan en Sebald beschrijft dat als volgt;

Het duurt drie volle jaren voordat het schip, alsof het over het water wordt gedragen, zachtjes de kleine haven van Riva binnen zweeft. In de vroege ochtenduren legt het aan. Een man in blauwe overall stapt aan land en haalt de trossen door de ringen. Twee andere mannen in donkere jassen met zilveren knopen dragen een baar achter de bootsman aan, waarop onder een grote gebloemde doek duidelijk een mens ligt. Het is Gracchus de jager.

Die baar en die jager komen we later in Tirol weer tegen en dat is het vernuftige aan dit boek. Er zijn ontmoetingen met open eindes, maar ook namen en gebeurtenissen die in andere verhalen terug komen. Soms zit de verwijzing in een naam, soms in een beeld zoals het golvende riet, dat ik voorin en achterin het boek tegenkom.

Het boek is een mengeling van feiten en fictie en speelt met herinneringen en het vergeten daarvan. Kenmerkend zijn ook de foto’s die hij gebruikt en die echt onderdeel van het verhaal zijn.

Geen navertelling van het verhaal dus maar hopelijk geef ik zo een impressie van wat het boek te bieden heeft. Ik geniet van zinnen als

Ze was rijzig, had een breed, open gezicht met watergrijze ogen en een dikke bos vlaskleurig haar als van een halflingerpaardje.

Of wanneer een sfeer als volgt wordt neergezet;

Op de geoliede plankenvloer lagen plassen bier en sneeuwwater, en de rook, die in dichte wolken door de gelagkamer trok en uiteindelijk naar de gammele ventilator toe dreef, vermengde zich met de zure stank van nat leer en loden jassen en gemorste gentiaan.

Als ik er zo van kan genieten is dit meteen een compliment aan de vertaalster. Ik las ergens dat het geen boek is voor luie lezers maar wel voor trage lezers. Ik legde het soms even opzij om het te laten bezinken en dat beviel goed. Het is een boek om te herlezen en ik kijk uit naar zijn andere werk.

Vertaling; Ria van Hengel

0e1de3d2008956859374d335777444341587343
Mijn leven is de boeiende autobiografie van de literatuurcriticus voor Die Zeit en de Frankfurter Algemeine, Marcel Reich-Ranicki. Het is zelfs meer dan dat, het is een geschiedenisboek met een tijdsbeeld van de 20e eeuw en een gids door het Duitse culturele landschap van die tijd.

De auteur werd in Polen geboren maar verhuisde al op jonge leeftijd naar Berlijn met zijn ouders. Hij was een fervent lezer en daardoor een beetje een buitenbeentje. Hoewel het schrijven nog niet machtig mag hij al een klas overslaan. Reich-Ranicki is een groot cultuurliefhebber en bezoekt zo vaak mogelijk toneelvoorstellingen en concerten. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog wordt hij gedeporteerd naar Warschau en moet daar in een getto wonen met zijn ouders en broer. Dat is meteen één van de aangrijpendste delen van het boek, de verschrikkingen zijn er groot;

Bij het straatbeeld in het getto hoorde een ontelbaar aantal bedelaars, die, tegen een huismuur geleund, op de hoek van de straat zaten en luid jammerend om wat brood smeekten; hun toestand deed vermoeden dat ze spoedig niet meer zouden zitten, maar liggen – bedekt met kranten.

De beelden zijn er nog. Dagelijks worden er mensen aangewezen, achteloos, met een rijzweepje door een Duits officier, om op transport te worden gesteld naar Treblinka. Rechtstreeks naar de gaskamers. Dat gebeurt ook met zijn ouders. Zijn broer wordt doodgeschoten. Reich-Ranicki en zijn vrouw Tosia weten lange tijd de dans te ontspringen omdat hij als vertaler werkt voor de Joodse Raad in het getto. Uiteindelijk worden ze aangewezen. Ze rennen weg uit de rij en weten te ontsnappen. Na even ondergedoken te hebben ontsnappen ze uit het getto en vinden onderdak voor de rest van de oorlog bij een zetter, Bolek. Die doet één van de mooiste uitspraken in het boek, één die ik de auteur in latere interviews heb horen herhalen;

‘Adolf Hitler, Europa’s machtigste man, heeft besloten: deze twee mensen hier moeten sterven. En ik, een kleine zetter uit Warschau, heb besloten: ze blijven leven. Nu zullen we eens zien wie er wint.’

Ze overleven en de auteur wordt instructeur bij de Poolse geheime dienst en later even consul in Engeland. Uiteindelijk keert hij, na een flirt met het communisme, terug naar Polen. Later naar de Bondsrepubliek. Dat klinkt makkelijker dan het was, er werd voor gewaakt dat hij naar het buitenland zou vluchten. Het lukt en hij komt zonder bezittingen aan in de Bondsrepubliek.

Hier begint het tweede deel van het boek eigenlijk en we zien hoe hij zich ontwikkelt tot de bekendste literatuurcriticus van, uiteindelijk, Duitsland. Hij ontmoet schrijvers als Heinrich Böll, Günter Grass en Ulla Hahn, hij wordt geïnterviewd door een jonge Ulrike Meinhof en heeft een pijnlijke ontmoeting met Albert Speer, de tweede man van Hitler. We lezen over het trieste verhaal van de dichteres Ingeborg Bachmann en zijn vermeende relaties met andere vrouwen.

Dat laatste is, zoals vaak, het minpunt van een autobiografie. Ik had wel meer willen weten over zijn verhouding met zijn vrouw. Hij ontmoette haar op een vreemd moment, toen haar vader zelfmoord pleegde in het getto. Hij ontfermde zich over haar, ze trouwden in het getto omdat echtgenotes eerder werden vrijgesteld van deportatie en zijn altijd bij elkaar gebleven. De auteur laat echter weinig los over zijn andere relaties.

Hij ontwikkelt een reputatie als meedogenloos criticus. Als hij een boek aanbeveelt wordt het goed verkocht, raadt hij het af, dan kan een auteur wel inpakken. Voor televisie werd een programma om hem heen gebouwd, Das literarische Quartett, waarin hij gedurende een uur of langer zijn mening kon ventileren over dat wat hem na aan het hart lag. Onderstaand een video met wat hoogtepunten, ik vind het mooi om te zien.

Uiteindelijk is het een boek over overleven, over geluk en over liefde. Liefde voor de literatuur en (Duitse) kunst in het algemeen en de liefde voor een vrouw. Geluk en overleven worden mooi samengevat in het gesprek wat hij na de oorlog met actrice Angelika Hurwicz had. Ze waren elkaar in het getto al tegengekomen en hadden hun dromen toen al uitgesproken;

‘Midden in het Derde Rijk hebben wij, twee halfvolwassen joden in een wanhopige, hopeloze situatie, over een toekomst gesproken waaraan we geen moment werkelijk konden geloven. Hoe had destijds een jodin toneelspeelster en een jood criticus kunnen worden? Maar die luxe hebben wij ons toch gepermitteerd…En het is bijna niet te geloven: onze dromen zijn werkelijk in vervulling gegaan. Terwijl onze mensen werden vermoord, zijn wij gespaard gebleven: wij werden niet doodgeslagen, niet vermoord, niet uitgeroeid, niet vergast. We hebben het overleefd, zonder het verdiend te hebben. We hebben het alleen aan het toeval te danken. We zijn om onbegrijpelijke redenen uitverkoren kinderen van de verschrikking. We zijn getekenden, en we zullen het blijven tot het eind onzer dagen. Ben je je daarvan bewust, weet je dat?’ – ‘Ja,’ zei ik, ‘daarvan ben ik me bewust.’

Vertaling; Gerda Meijerink

 

9045026848.01._SX175_SCLZZZZZZZ_
Ik heb het nodige van Goethe gelezen, maar een goede biografie over de man zelf ontbrak nog. Rüdiger Safranski heeft met Goethe, Kunstwerk van het leven ruimschoots hierin voorzien. Nu is er al het nodige over Goethe geschreven, dus het lijkt een haast onmogelijke opgave om hieruit een biografie te destilleren. Safranski heeft dit opgelost door met name te putten uit de primaire bronnen, namelijk het werk van Goethe zelf.

Dat pakt erg goed uit. We krijgen een chronologisch verhaal voorgeschoteld met talloze citaten uit alle grote werken van de meester, keurig cursief afgedrukt. Het notenapparaat licht toe waar dat nodig is en zo ben je in een bestek van 650 pagina’s helemaal bijgepraat over één van de grootste alleskunners van de 18e eeuw.

Want dat was hij wel. Voorbestemd als jurist toog hij vanuit Frankfurt naar Straatsburg om zijn studie aan te vangen. Die voltooide hij ook en hij heeft daadwerkelijk als advocaat gewerkt, maar hij schreef vooral. Het toneelstuk Götz von Berlichingen was een groot succes, en zijn roman Het lijden van de jonge Werther een nog veel daverender succes. Zijn naam was definitief gevestigd. Hij werd door hertog Karel-August naar Weimar geroepen en daar zou hij zijn leven lang blijven.

Goethe was een veelkunner. Naast schrijver en dichter werd hij in Weimar belast met tal van zaken. Hij beheerde de financiën, de weg- en mijnbouw, het krijgswezen en het hoftheater. Hij reisde, onder meer naar Italië en Zwitserland, en was een fervent natuurobservator. Hij bestudeerde de Vesuvius, dacht de oerplant gevonden te hebben en publiceerde een wetenschappelijk werk over de kleurenleer. Een werk dat overigens door de wetenschap niet als zodanig serieus genomen werd.

Bovenstaande is natuurlijk terug te vinden op een willekeurige Wikipedia-pagina en dat is ook niet de verdienste van dit boek. Dat is dat het mij nader tot Goethe heeft gebracht. Waar Boudewijn Büch al een geslaagde poging heeft gedaan door zijn programma’s over Goethe, maakt Safranski het af met zijn beschrijvingen van de man.

Goethe was namelijk niet de makkelijkste. Hij was scherp, erudiet, sloot makkelijk vriendschappen maar verbrak ze ook weer als iets hem niet aanstond. Mensen waren in de regel onder de indruk van de rijzige man en hij was zich daarvan bewust. Safranski beschrijft een mooi incident als Goethe een redevoering houdt:

Er had tijdens Goethes redevoering een wonderlijk incident plaatsgevonden, dat een oor- en ooggetuige zich bijna vijftig jaar later nog duidelijk herinnerde: ‘Hij [Goethe] leek zijn redevoering goed in zijn hoofd te hebben, want hij sprak een tijdlang zonder enige aarzeling en volkomen voor de vuist weg. Maar opeens leek hij helemaal door zijn goede geest verlaten, alsof hij de draad van zijn betoog kwijt was en het overzicht over wat hij verder nog moest zeggen volledig had verloren. Dit zou ieder ander in grote verlegenheid hebben gebracht, maar hem allerminst. Integendeel, hij keek minstens tien minuten lang met vaste blik en rustig rond in de kring van zijn talrijke toehoorders, die door de macht van zijn persoonlijkheid betoverd leken, zodat gedurende de zeer lange, ja bijna lachwekkend lange pauze iedereen volkomen rustig bleef.

Zo staan er talloze beschrijvingen in het boek waardoor de man gaat leven. Zijn vriendschappen en ontmoetingen met Herder, Napoleon, Lavater, Klopstock, Beethoven, Schiller (hij zou zijn vermeende schedel een jaar lang in zijn studeerkamer bewaren!) zijn allemaal de moeite waard. Zijn ontmoeting met Schopenhauer is helemaal een mooie. De gearriveerde Goethe is apetrots op zijn kleurenleer, maar daar denkt de jonge Schopenhauer ietsje anders over:

Zelfbewust tot op het randje van onbeleefdheid, en tegelijk uiterst respectvol, treedt hij degene tegemoet die hij als zijn aartsvader had uitverkoren. Hij maakt een kniebuiging voor hem en uit tegelijkertijd onomwonden stevige kritiek op Goethes ‘kleurenleer’. Goethe…moest zich door Schopenhauer laten gezeggen dat hij alleen maar voortreffelijke observaties had verzameld, maar er nog geen goede theorie bij had geleverd.

Dat is een buts in het grote ego van Goethe, hoewel hij hier overigens geen scène van maakt, er blijft respect voor de leerling. Ik heb talloze aantekeningen gemaakt voor prachtige citaten, maar het zou een te lang verhaal worden. Wil je meer weten over Goethe, dan kan je niet om dit werk heen.

Vertaling: Mark Wildschut

80e2ef5f050383959786f6f53674141414d6741
De blikken trommel van Günter Grass staat al zo’n vier jaar in mijn kast. Ik hikte altijd een beetje tegen die 500 pagina’s aan. Ten onrechte, zo bleek. De reden voor dat uitstel was de surrealistische schrijfwijze die Grass hanteert in dit boek. Soms is dat even wennen, som levert het ook prachtige beelden op (vissen op palingen met een paardenhoofd, bijvoorbeeld).

Het verhaal wordt verteld door de vroegwijze Oskar Matzerath. Het is de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Oskar is een jongen uit het Poolse Dantzig die op zijn derde besluit om te stoppen met groeien. Wat hij wel doet is trommelen, de hele dag door. Pakken ze hem zijn trommel af, dan gilt Oskar zo hard dat er glazen voorwerpen kapot springen. Glazen of ruiten, hij kan zijn stem sturen naar wat kapot moet. Hij weet niet precies wie zijn vader is, Bronski of Matzerath. Zijn moeder sterft jong en zijn vader Matzerath neemt Maria in huis om te helpen in de kruidenierszaak. Maria raakt zwanger en Oskar denkt dat hij de vader is. Toch trouwt Maria met Matzerath.

Oskar blijft trommelen, het is zijn manier om te communiceren en om te verwerken. Hij sluit zich aan bij een varieté-gezelschap van dwergen die de Duitse troepen vermaken. Bij dit gezelschap ontmoet hij zijn liefde Roswitha. Bij de Atlantikwall verliest hij haar:

Roswitha vroeg mij haar een beker koffie te halen omdat zij nog geen ontbijt had gehad. Een beetje nerveus en bezorgd, dat ik de vrachtauto zou mislopen, weigerde ik en was ook een beetje grof tegen haar. Toen sprong zij zelf van de auto, liep met het keukengerei op haar hoge hakjes naar de veldkeuken toe en bereikte de hete morgenkoffie tegelijkertijd met de daar inslaande scheepsgranaat.

Oskar keert terug naar Dantzig. Bronski en Matzerath sterven en hij vertrekt met Maria en haar zoon naar Düsseldorf. Hij stopt met trommelen en besluit weer wat te groeien. Werkt in de zwarte handel, beitelt grafzerken, speelt in een jazz-orkest, werkt als model en wordt verdacht van moord. Het is een bonte stoet aan gebeurtenissen die aan je oog voorbij trekt.

Het boek is verdeeld in drie delen. De eerste twee geven een tijdsbeeld van Dantzig (het latere Gdansk) van voor en in de oorlog. Behoorlijk cynisch af en toe;

Daarna kwam…maarschalk Rokossowski. Die herinnerde zich bij de aanblik van de ongeschonden stad zijn grote internationale voorgangers en schoot eerst even alles in brand, opdat degenen, die na hem kwamen, hun overtollige energie in de wederopbouw konden uitleven.

op dezelfde pagina;

Maria…liet meneer Fajngold onze Matzerath zien, die al drie dagen onder een stuk canvas in de kelder lag, omdat wij hem niet konden begraven door de vele Russen, die op straat overal fietsen, naaimachines en vrouwen uitprobeerden. 

Matzerath, die stikt in een communistisch partijspeldje, waarna de kogels het afmaken. Het derde deel speelt zich af in Düsseldorf, ten tijde van het herstel van de oorlog. Het boek is rauw, cynisch en surrealistisch, maar erg de moeite waard.

Vertaling: Koos Schuur