archiveren

Maandelijks archief: februari 2017

9029505656-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Een boek van Maarten ‘t Hart lezen is altijd een beetje thuis komen. Dat was ook zo met
De moeder van Ikabod & andere verhalen. Achttien verhalen in tweehonderdrieëntachtig pagina’s, dan weet je dat het lekker doorleest. Ik heb het grootste deel van zijn oeuvre gelezen, vandaar dat ook deze verhalen vertrouwd aandoen. Zijn stokpaardjes komen er allemaal in voor; zijn Bijbelkennis (hoewel zelf een afvallige gelovige), kennis van de natuur en van de klassieke muziek, het heeft allemaal weer een plaats.

Zo weet ik uit eerdere verhalen dat ’t Hart een platenclub heeft, waarin vrienden een klassiek werk opzetten en waarin werk en componist geraden moeten worden. Die platen haalden ze onder meer bij ambassades vandaan, zo ook de Russische. Prompt kwam er een nieuw lid de club binnen;

Blijkbaar vond de BVD het zo verdacht dat wij de ambassades uit landen aan gene zijde van het IJzeren Gordijn frequenteerden, dat ze het gewenst achtten ons met een infiltrant op te schepen…Maar hij wist niets, raadde nooit iets, doch bleef trouw komen, en nodigde ons ook gul bij hem thuis uit…Dus de infiltrant hebben wij goedmoedig geduld, en van zijn wijn hebben wij genoten.

Er staan dit keer ook wat verhalen in met wat zwaardere ondertoon, zoals het verhaal waarin hij wordt verdacht van de aanranding van een bakkersdochter, of waarin hij wordt gedwongen door een groep jongens een slager te overvallen. Dat kende ik eigenlijk niet van hem (of ben het vergeten, ik las zijn werk ongeveer twaalf jaar terug). Toch, de vrolijke en lichte toon overheerst.

Zo moet hij een Duitse filmploeg uitleggen hoe hij het spek op zijn spekpannenkoek wil hebben. Van een scharrelvarken dus, maar maak het maar eens duidelijk;

‘Het spek,’ zei ik, ‘moet dan wel afkomstig zijn van…’ En toen raakte ik in de moeilijkheden, want wat is ‘scharrelvarken’ in het Duits? Het Duitse woord voor een meisje met wie je scharrelt is Flittchen, maar was het dan Flittchen-färkelchen?

Ik hoor het hem zeggen en dat geldt ook voor de discussies die hij heeft met de voorgangster in de kerk in Warmond, die natuurlijk Ilonka de Priester heet. Hij valt in als organist op een snikhete dag en wat gebeurt er; er komt geen ziel opdagen voor de dienst. Maarten is er, de voorgangster en twee dames van de kerk. Houden we nu wel of geen dienst? De gesprekken die hij voert zijn ’t Hart ten voeten uit;

‘De dienst kan toch gewoon doorgaan,’ zei ik, ‘er zijn twee gemeenteleden en één dominee, en Jezus zegt: waar twee of drie in mijn naam vergaderd zijn, ben ik in hun midden.’…”Er is,’ zei ik jolig, ‘zo’n mooie gelijkenis van Jezus over het bruiloftsmaal, Mattheüs 22 geloof ik, er daagt niemand op bij die maaltijd en dan zegt de koning: ga naar de kruispunten en sleep iedereen vandaar naar binnen. Wat let ons om dat ook te doen’…

Een heel prettig boek om te lezen en als klassiek muziekliefhebber doe ik weer een paar mooie tips op.

twee-verwoeste-levens
Twee verwoeste levens van Jeroen Brouwers is een dun boekje van 100 pagina’s. De ondertitel “De levensloop en de dubbelzelfmoord van Elize Baart en Bastiaan Korteweg” belooft niet direct een lading leesplezier, maar ik was wel geïntrigeerd. In zijn essaybundel De laatste deur, over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren, wijdt Brouwers namelijk maar een halve zin aan deze casus maar dat maakt hij hier ruimschoots goed.

Elize Baart werd in 1854 geboren en was actrice en schrijfster. Hierin was zij geenszins een hoogvlieger, maar ze heeft wat opmerkelijke wapenfeiten op haar conto. Zo was zij waarschijnlijk de eerste vrouw die openlijk het gebruik van voorbehoedsmiddelen propageerde. Zij verwerkte haar feministische stellingen vaak in vanillezoete romans zonder enige literaire kwaliteit. Toch kwamen deze onder de aandacht voor de in die tijd feministe pur sang, Mina Krüseman (waaraan de latere Dolle Mina’s hun naam zouden ontlenen). Elize werd een protegé van Mina en kwam zowaar in aanraking met Multatuli. Mina had namelijk geregeld dat zij beiden in een toneelvoorstelling van hem zouden optreden, Vorstenschool. Waar Elize ‘niets verknoeide’, kreeg Mina er van Multatuli ongenadig van langs toen hij de repetities bezocht.

Als auteur gooit Elize dus geen hoge ogen. Brouwers vertelt;

Hoe ook bekeken, het ontbrak de prille schrijfster aan levensinzicht en mensenkennis. Haar verhaalspersonages hebben de contouren van slordig uitgeknipte papieren poppetjes en de kleur van verbleekte waterverf. Mannen zijn onbetrouwbare ijdeltuiten, vrouwen zijn het slachtoffer van mannelijke listen, de maatschappij, het lot, of alles tegelijk. Het huwelijk is de ‘grootste slaverny, die de beschaving uit kon denken’.

Tot ze Bastiaan Korteweg leert kennen. Aanvankelijk een uitblinker in de marine en later daar als burger werkzaam als leraar wiskunde. Hij was echter ook een vrijdenker en pacifist. Hij bedacht dat hij zijn ideeën daarover best in zijn klassen naar voren kon brengen. Daar dachten de bevelhebbers toch wat anders over en hij verloor zijn betrekking. Bastiaan en Elize vinden elkaar en trouwen, ondanks de boude uitspraken van Elize in haar geschriften.

Krüseman (Brouwers; “Ze moet als onder een kruis (‘krüse’) gebukt zijn gegaan onder het feit dat ze ‘man’ in haar naam droeg”) en Multatuli in mindere mate blijven in contact met het koppel en  uiteindelijk vestigen Elize en Bastiaan zich in Groningen.

Daar gaat het gruwelijk mis. Er zijn misschien wat aanleidingen, maar het blijft bij giswerk;

De heer B.P. Korteweg, zo meldde het Algemeen Handelsblad van 16 October 1879, leed in de laatste dagen aan ‘vlagen van zwaarmoedigheid, die dikwijls in de vreeselijkste drift ontaardden’. Er was een ‘zeer gespannen verhouding’ ontstaan tussen hem en zijn compagnon Broese, en deze had ‘reeds eenige malen aanleiding tot heftige tooneelen gegeven’…Op de ochtend van Maandag 13 October culmineerde het conflict tussen Korteweg en Broese in ‘dadelijkheden’.  Gingen de compagnons met elkaar op de vuist?

Hoe dan ook, het echtpaar besloot om samen eruit te stappen. Er was een afscheidsbrief maar die is verloren gegaan, hoewel hij uit commentaren gedeeltelijk te reconstrueren is. Opvallend is dat ze hierin verwijzen naar de leer van Boeddha en samen het nirwana willen opzoeken. Brouwers biedt het de lezer aan met het grootst mogelijke voorbehoud.

Een kort, maar erg intrigerend verhaal. Waar ik van houd bij Brouwers is dat hij zo veel mogelijk informatie opdiept over zo’n casus, maar het zeer feitelijk vertelt. Ik citeer hier uit een bespreking van Harry Fleurke maar onderschrijf het volledig, de monografie blinkt uit door de terughoudende toon van de schrijver: een toon waarop hij op bewonderenswaardige wijze de vaak tragische feiten en gebeurtenissen van de levensverhalen zonder opsmuk en zonder iets te verdoezelen paart aan een groot gevoel van mededogen: ‘mijn toon is die van solidariteit’.

Zoals Brouwers aangeeft; Twee verwoeste levens, van toepassing op Elize en Bastiaan zelf. Die titel verzint Brouwers niet zelf, het is de titel van een melodramatische schets van Elize Baart zelf, die voorkomt in haar boekje Drie Novellen. Brouwers geeft aan dat dit boekje verloren is gegaan, maar ik tracht het op dit moment te bestellen via Marktplaats. Wie weet wordt het vervolgd…

En het wordt vervolgd: ik heb de Drie Novellen van Elize Baart in huis en wat blijkt, Twee verwoeste levens komt er  als titel vooralsnog niet in voor. De titels van de novellen zijn 1. Lucien, Graaf de Lomonde, 2. Als Kinderen en als Menschen en 3. Mariëtte. Nu kon Brouwers dit niet weten. Op het moment van schrijven was er niet één exemplaar van dit boekje terug te vinden. Brouwers;

Het enige bewijs dat het heeft bestaan is een bespreking ervan door H.C. Berckenhoff in de Nederlandsche Spectator…Zoals uit Berckenhoffs overzicht is op te maken, stond in Drie Novellen ook de melodramatische schets Twee verwoeste levens, die eerder in 1878 in De Tolk van den Vooruitgang had gestaan.

Brouwers borduurt wel voort op het eerste verhaal, dus misschien verwijst dit naar de titel. Ik ga de Drie Novellen nog lezen, wellicht komt de titel toch terug in één van de verhalen, dan kom ik er zeker op terug. Zo niet, dan zal ik dat ook vermelden. Het blijft werk in uitvoering.

In de eerste novelle is er inderdaad sprake van twee verwoeste levens, maar de term komt als zodanig niet voor. Op pagina 20 staat de zin “Het was de oude kwaal der De Lomondes, die reeds zooveel kwaad had gesticht, en zooveel levensgeluk had verwoest!“. Verder staat op pagina 57 de zin “Beiden waren slachtoffers geweest van den hartstocht, die al zoolang menschenlevens helpt te verwoesten“. Twee verwijzingen dus maar de titel Twee verwoeste levens komt in geen van de drie novellen voor. Wellicht moeten we de verwarring op het conto van H.C. Berkenhoff schrijven.

8vmfk3d1zhd7qhefc1ns
Het is al even geleden dat ik fictie las en Zonsopgangen boven zee van Jeroen Brouwers leek me een goede reden om dit weer op te pakken. Dat beviel zeer goed, hoewel ik ook snap dat dit boek niet ieder’s kop thee is.

Verwacht geen spannende roman met wendingen en plots. Het verhaal is namelijk vrij snel verteld. Een oudere man bevindt zich met veel jongere vriendin in een lift en die lift blijft steken, tussen de derde en vierde verdieping. Tas met kerstversiering, drank en hapjes mee om het gezellig te maken, maar dat loopt anders af.

Wat volgt is een minutieuze beschrijving van het claustrofobische gevoel dat de ruimte oproept. Niet alleen de ruimte, het leven van de man voelt net zo benauwend aan. Hij voelt zich mislukt in alle opzichten;

Met een schok die zich meedeelt aan mijn kruis en waarvan ik juist mijn evenwicht nog niet verlies, houdt de lift op met stijgen…Wat uit mij wil, is schreeuwen, angstschreeuw, paniekschreeuw, maar eerder zal ik stikken. Ik ruik mijn voeten. Alsof mijn voeten in derrie zijn vastgezogen, zo nat en broeierigwarm zijn mijn sokken en de binnenkanten van mijn schoenen en is de stank die er van opstijgt.

Nu is dit fragment goed te volgen, maar Brouwers gaat veel verder. Er komt een maalstroom van herinneringen op gang die hij met zijn gevoel verbindt en dat zich constant herhaalt. Zijn kostschoolverleden, de geboorte van zijn zoontje, zijn huwelijk, alles wordt onverbloemd en tot in detail verweven met de onmachtige situatie in de lift. Het gevoel van de kostschoolstropdas, de benauwdheid van de geboorte en de lift, het is maar een detail uit dit rijke boek;

….bij het aantrekken van de stropdas tegen mijn keel brak de bril in twee stukken. Met de zuignap aan zijn kruin hing dat enorme, bolvormige kind ondersteboven tussen de rode rubberhanden in de ruimte in het licht. Om de keel van het kind gekneld, als een dichtgetrokken lasso, zat de navelstreng. Slaat op de gong. Wij zijn getuige van een verijdeld zelfmoordpoginkje.

Het boek heeft meerdere lagen. Het helpt hier als je op de hoogte bent van het leven van de auteur, dan weet je waar fragmenten vandaan komen. De kracht van de herhaling en uitwerking van thema’s zoals de stropdas en de kerstbal werkt voor mij. Brouwers zelf zegt hierover in een interview;

‘Zonsopgangen is een verhaal zonder begin en zonder einde. Het gaat over opgeslotenheid, uitzichtloosheid, doodgelopendheid, levensclaustrofobie’

Hij gebruikt hiervoor het symbool van een acht, ‘een cijfer zonder begin en zonder eind.’ Je zou op een willekeurige plaats kunnen beginnen te lezen in het boek, of in willekeurige brokken. Brouwers heeft zelfs met het idee gespeeld om de tekst, in een doos bijvoorbeeld, in afzonderlijke stukken te laten uitgeven. Dat cijfer acht laat hij terugkomen in het boek. Zo woont hij boven het café De Krakeling en beschrijft hij haar draaiende achterwerk in de lijn van een liggende acht. Zo zijn er nog talloze voorbeelden te geven. Het loont zeer de moeite om je te verdiepen in de auteur en zijn werk wat mij betreft.

9045028808-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Jeroen Brouwers, Het verhaal van een oeuvre van Johan Vandenbroucke verscheen oorspronkelijk als biografie in een reeks schrijversportretten, maar werd in 2015 geactualiseerd voor de vijfenzeventigste verjaardag van de schrijver.

Ik ben van plan meer Brouwers te gaan lezen, dus dit leek mij een aardige introductie tot het werk van hem dat ik nog niet ken. Dat is gelukt, want ik heb inmiddels al weer wat aankopen gedaan.

Natuurlijk is het aardig iemand beter te leren kennen door zijn levensloop te lezen, maar wat ik interessanter vind is hoe dat leven van invloed is geweest op zijn werk. Dat is nu de verdienste van dit boek. Dat begint keurig in Indië, waar Brouwers is geboren, en eindigt in 2015. Daartussen al die gebeurtenissen die vroeg of laat terug te vinden zijn in zijn werk. Kostscholen, het verraad van zijn ouders, zijn jaren bij de uitgeverij, zijn huwelijken en kinderen, zijn werk, zijn drankzucht, zijn huizen en zijn inkomen. Alles verwerkt hij tot romans, waar hij soms jaren over doet. Tussendoor schrijft hij essays, portretten en polemieken.

Die laatste vindt hij zeker zo belangrijk als zijn romans. Hij is vaak fel en de tegengeluiden zijn er, maar wat hem steekt is dat die altijd op de persoon gericht zijn, zelden inhoudelijk. Hij legt uit;

‘Een polemiek moet knallen, sissen, spuiten. Er moeten grappen in en beeldspraak’. Je moet de polemiek ‘ademloos lezen, ook al interesseert het je niet, ook al handelt het over niks’. Zijn polemieken schrijft hij altijd vanuit een persoonlijk standpunt…’Het gaat over mij: ik ben kwaad’. Of hij dan écht kwaad is? vraagt een interviewer in 1984: ‘Ben je gek! Ik ben eigenlijk nooit woedend. Het is een manier van schrijven, een stijl zoals een roman weer een andere stijl vereist. Polemiek is vermaak….Maar precies daarom worden polemieken ook vaak verkeerd begrepen.’

Het mooie van het oeuvre van Brouwers is, dat het zich prima rechttoe, rechtaan laat lezen. Hij weet zijn essays en polemieken inderdaad zo te schrijven dat ik er in de regel door geboeid ben, ook al raakt het onderwerp mij niet. Zijn romans zijn afzonderlijk te lezen, maar overal in zijn werk vind je dubbele lagen of verwijzingen. Ik heb de Indië-romans al twee maal gelezen en ook Datumloze dagen, maar dit boek zorgt er eigenlijk voor dat ik ze opnieuw wil lezen. Je leert veel over zijn werk. Brouwers zelf vindt dat werken maar een opgave. Hij kan uren of een dag doen over een paar zinnen, om ze vervolgens weg te gooien. Maar hij weet waar hij het voor doet;

‘Het leven gaat voorbij, als een bliksemschicht en ik wil niet hebben bestaan zonder dat er later nog iets van mij is terug te vinden. Dat is mijn zin van het leven: al voortgaande laat i sporen achter op mijn weg. Dáárom schrijf ik. Dus ik schrijf voor de eeuwigheid – let wel, ik zeg niet dat ik onsterfelijke werken maak – maar het feit dat ik geschreven heb, dat er boeken van mij zullen zijn te vinden, dat mijn naam “ergens” geboekstaafd is gebleven…dat is belangrijk.’

Hij heeft al gezegd in het harnas te willen sterven. Hij had verwacht 62 jaar te worden, de leeftijd waarop zij van Brouwers plegen te overlijden, maar hij is er nog. En altijd groeit er wel iets in zijn hoofd, dus wij wachten geduldig af…

2e261ab3e44704c596f67476d77444341587343
Jaren terug heb ik deel 1 van Kroniek van een karakter gelezen van Jeroen Brouwers, alleen bleef deel 2 1982-1986 de oude Faust om onduidelijke redenen ongelezen in mijn kast staan. Dat is bij deze goed gemaakt en heeft het mij direct doen besluiten tot een paar nieuwe Brouwers-aankopen.

Waarom dan? Nieuwsgierigheid, eigenlijk. Ik was al fan van Brouwers en dan voornamelijk van zijn polemieken en essays. Ik heb met name genoten van zijn essaybundel De laatste deur. Kroniek van een karakter bevat een groot aantal brieven van Brouwers aan collega’s en vrienden, zoals Maarten ’t Hart, Jaap Goedegebuure, Angèle Manteau, Julien Weverbergh en Gerrit Komrij. Daarin vertelt hij over zijn worsteling met zijn grote boek De Zondvloed en over de biografische schets die hij over de dichteres Hélène Swarth wil gaan schrijven. Omdat internet nog niet bestond wordt duidelijk hoe lastig het is om feitenmateriaal te verzamelen. Een snipper hier, een fragment daar, alles dubbel controleren. Boeken schrijven gestoeld op feitenmateriaal is een proces van jaren.

Wat door het hele boek heenloopt is de gemoedstoestand van Brouwers. Bang voor mensen, zichzelf afzonderend, vaak grijpend naar de borrel en toch zijn status quo koesterend in zijn huwelijk met Josefien. Aan Angèle Manteau schrijft hij;

Hier thuis gaat alles goed. Geen oorlogen, geen beledigingen – we ‘ontzien’ elkaar en respecteren elkaar op basis van beleefdheid. Het kind is de volmaakte trait d’union. Ik voel mij oud. Ter Braak, Du Perron, Slauerhoff en Marsman waren al dood voordat ze mijn huidige leeftijd hadden bereikt, – en hebben het daardoor gemakkelijker gehad dan alle schrijvers die ook nà hun veertigste nog moesten schrijven…

Brouwers ten voeten uit. Hij koketteert zelfs met zijn gemoedstoestand door een citaat van Albert Camus te gebruiken, ‘Soms wil ik wel dood, maar vervolgens denk ik: kom, laat ik nog een kopje koffie nemen’. 

Berucht zijn Brouwers’ meningen over de Nederlandse letterkunde, die hij altijd goed weet te onderbouwen. Ook in zijn brieven neemt hij geen blad voor de mond;

Nescio?…Dat was een melancholische kantoorbediende die…vond dat hij zijn grote gevoelens tot zo klein mogelijke balletjes moest draaien om toch maar vooral niet ‘aanstellerig’ te worden gevonden…Het oeuvre van Nescio heb je in drie kwartier uit, en in diezelfde tijd heb je ook nog even boodschappen gedaan, een telefoongesprekje gevoerd, de tuin gemaaid en een neuknummer gemaakt. Het oeuvre van Boon, of van Multatuli…krijgt nooit iemand uitgelezen.

Ik houd van dit soort uitspraken en ze maken zijn boeken nog steeds erg lezenswaard voor mij. Ik ga ook snel weer aan zijn romans beginnen, waarvan ik Datumloze dagen als laatste las.

9000315700-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Met het boek De Zijderoutes van Peter Frankopan wilde ik de lezende meute nu eens voor zijn. Ik had het boek al tijden zien liggen en het sprak mij aan. Ik wachtte alleen tot er een boekenbon kwam aanwaaien. Even later werd het laaiend enthousiast besproken in DWDD én bleek het het boek van het jaar 2015 te zijn en ik wist, daar gaat mijn primeur.

Dat maakt natuurlijk niet uit. Ik houd van geschiedenis en via een vluchtige blik op de achterkant, de prachtige (gewoon in een studio in elkaar gefabriekte) omslag én de titel deed mij uitkijken naar een boek vol zwoegende kamelen door de Taklamakan woestijn en uitgebreide bespiegelingen over Marco Polo. Niet dus. Nou ja, ten dele. Het boek is gelukkig veel meer dan dat.

Het is een prachtig opgebouwd verhaal in ruim 600 pagina’s, beginnend in de 6e eeuw voor Christus. Welke koninkrijken en volken huisden er in Centraal-Azië en hoe kwamen de eerste zijderoutes tot stand. Dat levert direct al een beeld op wat de actualiteit in een schril contrast zet. Zo schrijft een 7e-eeuwse Chinese tekst over Syrië:

Syrië…was een land dat ‘vuurbestendig weefsel, levensherstellende wierook, schitterende maanparels en nacht-glanzende edelstenen vervaardigt. Rovers en bandieten kennen ze er niet, de mensen zijn gelukkig en vreedzaam. Er zijn alleen hoogstaande wetten; louter deugdzame mensen worden tot de hoogste macht geroepen’.

Het boek werkt in heldere hoofdstukken de geschiedenis door en neemt het begrip “Zijderoutes” als metafoor voor wereldwijde handelsbewegingen. Zo leer ik dat de Vikingen afzakten door Rusland tot aan de Zwarte Zee en zelfs als de vaders van Rusland kunnen worden gezien. Zo zorgden zij ook voor een zijderoute naar het Westen, er is zijde uit China gevonden in Scandinavische graven uit die tijd.

De inval van de Hunnen in Europa, de expansie van de Islam, de Mongoolse veldtochten, de ontdekkingsreizen van Marco Polo en Columbus, slavernij en de bloedige verovering van de Amerika’s, het zorgt allemaal voor ongekende handelsstromen . Zo maakt de auteur mooi inzichtelijk dat een prachtig gebouw als de Taj Mahal in India het gevolg kon zijn van het goud en zilver dat aan de Amerika’s werd onttrokken en zijn weg naar Azië vond. Ironisch dat de welvaart van de door Columbus gezochte Indiërs betaald werd door het leed van de door hem gevonden Indianen…

Even dacht ik dat de Engelse auteur een Nederlander was, omdat de Nederlandse handel en heerschappij vrij uitgebreid aan bod komt. Uiteindelijk is het fascinerend om te lezen hoe, na het vinden van de grote olievoorraden en de landen die er aan verdienen, het zwaartepunt van de handel weer verschuift. Er worden oorlogen uitgevochten en we krijgen onthutsende inkijkjes en opfrissers over hoe het ook al weer werkt op deze aarde. Jawel, na de Iraakse inval werd Iran ruimschoots bevoorraad door Israël, een Iraakse nederlaag was strategisch nadelig voor de Verenigde Staten, welke bewust een oogje toeknepen bij Saddam’s gebruik van gifgassen tegen de Koerden.

Osama bin Laden plant zijn aanslagen en er volgen nog meer oorlogen in Afghanistan en in Irak. De auteur laat pijnlijk duidelijk zien op welke magere gronden die conflicten worden aangegaan. Uiteindelijk komen er, juist in de gebieden van de oude zijderoutes, weer nieuwe economieën en machtsblokken op. China zoekt toenadering en er ontstaan weer nieuwe verbindingen:

Er komen ook nieuwe markten tot stand die onderling verbonden worden, wat weer leidt tot een nauwe samenwerking tussen Afghanistan, Pakistan en India, waarvan de belangen duidelijk parallel lopen als het gaat om een aansluiting op overvloedigere en goedkopere energie via een nieuwe pijpleiding…Het traject – langs de grote weg vanaf de gasvelden van Turkmenistan naar Herat, Kandahar en vervolgens naar Quetta en Multan – zou de Sogdische kooplieden die tweeduizend jaar geleden actief waren, net zo vertrouwd zijn geweest als de 17e-eeuwse paardenhandelaren, en net zo herkenbaar voor Britse spoorwegplanners en strategen in de Victoriaanse tijd als voor dichters die onderweg waren naar het middeleeuwse hof der Ghaznaviden.

Dat is ook de mooie afsluiting van dit fascinerende boek. Terwijl de westerse wereld zich afvraagt waar het gevaar nu weer vandaan komt, komen er ‘op de rug van Azië’ allerlei nieuwe netwerken en verbindingen tot stand of worden ze hersteld. De zijderoutes komen gewoon weer op.

Vertaling; George Pape