archiveren

Gedichten

img22707
Een acrostichon is een gedicht waarvan bepaalde, meestal de eerste, letters van iedere regel of strofe, achter elkaar gelezen zelf ook een woord of zin vormen. Uiteraard kan dat ook met namen. Gerrit Komrij heeft in 1984 ooit twee acrostichons op zijn eigen naam met de titel Lichaam en Geest laten inbinden door Uitgeverij Exponent te Bedum.

Het is een gelimiteerde oplage van 100 exemplaren waarvan ik onlangs nummer 6 voor een aardige prijs aanschafte. Het eerste acrostichon;

Lichaam

Gewrichtsneurose, gonorroe, gesnik.
Eczeem, echolalie, eelt, etterwond.
Rotkreupel, rugverweking, rauwe pik.
Roos, rectumfistel, reuma, rode hond.

Infarct, infectieslijm, inheemse sjanker.
Trombose, tropenkolder, trauma, tic.
Kou, kerkhofhoest, kniewater, knokkelkanker.
Oorsuizing, oogvuil, onverhoedse hik.

Moeraskoorts, maagzweer, monomane blik.
Rachitis, rolberoerte, ruimtevrees.
Irisverdoffing, impotentie, ik.
Jichtknobbels, jubeltenen, jeukend vlees.

Groot formaat, 20x29cm en met de hand ingenaaid is het een mooi exemplaar. Het Colophon;

IMG_3964

Advertenties

9460043232.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Naar aanleiding van het lezen van de biografie van Willem Kloos, vond ik het tijd om zijn Verzen te gaan lezen. Zijn debuutbundel publiceerde Kloos in 1894. Die bundel bestaat uit 93 lyrische verzen, aangevuld met drie langere fragmenten in versvorm, Rhodopis, Okeanos en Sappho. Daarna komen de zogenaamde ‘scheldsonnetten’, die hij in 1892 ‘aus einem guss’ op papier zette om meedogenloos af te rekenen met voormalige vrienden en/of anderen die hem op enigerlei manier hadden tegengewerkt.

Nu geldt Kloos als één van de grootste dichters die Nederland heeft gekend, maar ik bepaal zoiets altijd graag voor mijzelf. Dat viel mij nog niet mee, eerlijk gezegd. De meeste verzen zijn opgetekend in de vorm van een sonnet, een rijmend gedicht van 14 regels en het liefst nog met een wending ook. Dat zijn dus al geen sinterklaasgedichten en voeg daarbij het taalgebruik uit zijn tijd en enige vorm van concentratie is dan echt geboden.

Maar…dan volgen er inderdaad onnavolgbaar prachtige verhalen, die wat mij betreft voornamelijk te vinden zijn in zijn lyrische verzen, maar ook in zijn langere fragmenten met Griekse verhaalstof. Beroemd is natuurlijk vers V, wat nogal veel stof deed opwaaien als zou het godslasterlijk zijn. Dat begint zo;

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en ’t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, –

Godslastering was niet wat Kloos in gedachten had. De regel stond precies waar Kloos zelf voor stond en is daarom zo belangrijk; hij bedoelde dat de dichter, of kunstenaar in het algemeen, de autonome schepper is van zijn verzen of kunstwerk. Met de lyrische sonnetten zette Kloos zich bewust af tegen de heersende huiskamerpoëzie die toen in zwang was. Met lyrisch is ook niets teveel gezegd. Ik kende al de zinsneden De boomen dorren in het laat seizoen en Ik ween om bloemen in den knop gebroken en zo zijn er nog talloze voorbeelden op te noemen. Toch wil ik ook de aandacht even vestigen op de langere, Griekse fragmenten. Daar is ook veel moois in te ontdekken namelijk, zoals in Rhodopis, waar het volk een protesterende priester dwingt tot een wilde dans;

Zij storten den zondaar in gistenden gloed,
Zij slepen hem mede met warlenden spoed,
Zij zwaaien en gieren, en draaien en zwieren,
En doen hem de feesten der goden meè vieren!

Lees het via de link vooral eens helemaal, ik moest denken aan Bach’s passage uit de Matthäus Passion Sind Blitze sind Donner en aan stukken uit Gluck’s opera Orfeo ed Euridice. Ook Okeanos kent prachtige fragmenten, met name in het tweede vers. Je waant je in Arcadië als je dat leest en ik hoor er de muziek van Alessandro Scarlatti bij. Herders in het veld met hun kuddes, de fluitspelende god Pan erbij, het kan allemaal niet op.

De scheldsonnetten zijn een verhaal apart. Het ging niet goed met de gezondheid van Kloos en hij maakte nogal wat ruzie. Nu kon hij een aardig potje dichten dus rekende hij met oude vrienden meedogenloos af in sonnetvorm;

O kereltje in uw regen-jassen-trots,
Waarmee ge, als een barbaarsche potentaat,
Durft fiertjes stappen door de Kalverstraat,
Met houten nek en gelaat, bruut als rots

Valt bovenstaande nog mee, hij begon zijn sonnetten ook met O Gij, verkrachter van veel vrouwenzielen (Frederik van Eeden) of noemde het beestje gewoon bij naam, Albert Verwey, gij musculeus poëetken. Er zijn zelfs nog niet gepubliceerde scheldsonnetten die nog verder gaan, zoals hier te lezen is.

Zijn er geen kanttekeningen? Jawel, hoewel die zeer goed bij mijn eigen onkunde kunnen liggen. Uit onderzoek is gebleken dat Kloos veel aandacht besteedde aan metrum en rijm, maar ik ben weinig bekend met de sonnetvorm (hoewel ik ze van Shakespeare allemaal doorgeakkerd heb en die zeer goed leesbaar vond). Deze sonnetten vond ik lang niet allemaal zo leesbaar. Een zin als Dat heel zoo anders is als al wat ’s nachts was vind ik een draak met al die ‘a’s’ erin. Dat geldt ook voor een zin als Diepst Zelf zijns-zelfs, als maar niet schandlijk sjachlend. Spreek die maar eens tien keer snel uit, het is niet te doen.

Dan de uitgave van het boekje zelf, daar is ook wel iets over te zeggen. Er is een informatief nawoord, maar een toelichting op de Duitse en Franse sonnetten die er in staan zou welkom zijn. Verder constateerde ik dat de sonnetten L (blz. 31) en XCII (blz. 54) in tekst gelijk zijn en alleen op wat leestekens afwijken. Was dit zo bedoeld of mis ik een sonnet? Ik heb de vraag bij de uitgeverij uitstaan, het wordt hopelijk vervolgd. Het vervolg; ik kreeg keurig antwoord van de uitgeverij en ik had over de toelichting achter in het boek heen gelezen. Deze twee sonnetten worden inderdaad herhaald met minimale aanpassingen, er mist gelukkig niets.

Afrondend was het zeer de moeite waard om de tijd te nemen voor de verzen van Willem Kloos. Zoals het hier altijd gaat, ik lees ze te snel, maar pak het altijd weer uit de kast om ze af en toe weer tot mij te nemen.

2931d7e7490ffef59706c5a6c77444341587343
Willem Wilmink is alweer sinds 2003 overleden en was, naast Neerlandicus, vooral ook dichter, schrijver en zanger. Zijn belangrijkste werk is gebundeld in dit ruim 1300 pagina’s tellende boek Verzamelde liedjes en gedichten.

Nu kende ik wel iets van Wilmink’s werk, maar dat beperkte zich een beetje tot zijn werk voor De Film van Ome Willem, Het Klokhuis, Sesamstraat enz. Omdat hij ook veel kinderboeken heeft geschreven bracht ik zijn naam onbewust toch vaak in verband met het lichtere genre, terwijl ik stiekem wel wist dat ik de man daarmee onrecht aandeed. Daarom schafte ik dit boek aan om eens grondig kennis van zijn werk te nemen.

Wilmink zelf zette het raamwerk op voor dit boek en de inhoud, maar gaf de samensteller W.P Gerritsen de vrijheid om hiervan naar believen af te wijken (wat hij overigens nauwelijks heeft gedaan). De periode van de werken loopt van 1966 tot in het jaar van zijn overlijden, 2003 en geven, dus ook volgens Wilmink zelf, een mooie dwarsdoorsnede van zijn oeuvre.

Als je zo veel gedichten en liedjes leest zit er uiteraard van alles tussen. Werken die mij raken, die mij vermaken of waar ik niets mee kan of heb (gedichten in Twents dialect, wat hij ook sprak, vind ik ronduit vermoeiend om te lezen). Wat mij heeft verrast is de veelheid aan thema’s en onderwerpen die voorbij komen.

Zo schrijft hij over de opgroeiende jeugd in gedichten over pesten, voortrekken in de klas, broekplassen, verliefd zijn, beginnende borsten bij meisjes, de pubertijd, het scheiden van ouders, het overlijden van je eerste oma, een jeugdzwangerschap, vader als hulplijn bij huiswerk (ik ken het zelf). De ene keer op lichte toon, de andere keer op zeer wrange toon en soms komen ze zelfs samen in één gedicht, zoals bij de kinderverkrachter die zo prachtig vogels na mag doen bij Willem Duys.

Actueel zijn de gedichten nog steeds. Hij schrijft over Turkse moeders en de problematiek van gastarbeiders. Hij schrijft dan vanuit de gastarbeider zelf;

Men wil in dit land dat we heel anders leven,
ook al zijn we hier soms nog maar kort.
Maar mijn oom in Marokko heeft laatst nog geschreven
dat ik veel te Nederlands wordt.

Je komt langs bekende teksten van televisie (Deze vuist op deze vuist), of het lied Hilversum III dat door Herman van Veen bekend werd. Wilmink had echter ook een zeer erudiete kant en kende zijn klassiekers. Gustav Mahler bewerkte een gedicht van Li Tai Po tot Das Trinklied vom Jammer der Erde, maar Wilmink doet dat op geheel eigen wijze ook in De drinker in de lente. Ook bewerkt hij Goethe’s gedicht Erlkönig voor kleuters en zo wordt het wasgoed aan de lijn omgetoverd tot spoken en geesten. Verder gebruikt Wilmink uitgebreid de Carmina Burana en het Hooglied als inspiratie voor zijn werk, maar ook de toen actuele gebeurtenissen als de aanslagen van 11 september of de vuurwerkramp in Enschede.

Het is haast ondoenlijk om iets te kiezen om te citeren in zo’n bespreking, veel gedichten zijn toch wat langer en komen alleen in volle omvang tot hun recht. Ik doe er toch één, als teaser en omdat ik hem prachtig vind. De rest moet u echt zelf gaan lezen, en lezen, en lezen, en herlezen, en herlezen, en herlezen enzovoort.

Talent

Hij was een schilder en zij leerde weven,
en toen die twee met elkaar gingen leven,
hadden ze samen nog bijna geen cent,
maar dat donderde niks, want ze hadden talent.

Toen er een kind in haar buik ging bewegen,
streelde hij haar ietwat steels en verlegen,
en dacht-ie op menig gelukkig moment
aan dat kleine latente toekomstig talent.

En toen het meisje dan echt werd geboren,
was het talentvol van acht’ren en voren,
en alle vrienden aanbaden fervent
die paarduizend gram aan toekomstig talent.

Plaatsten de ouders hun vrouw’lijke godje
teer en voorzichtig op ’t kleurige potje,
dan deed ze ook daar, wat men reeds was gewend:
die vorm en die kleur: onmiskenbaar talent.

Ze was nog geen vijf, toen de kunst’naarselite,
gezellig bijeen op verjaardagsvisite,
haar gaven al definitief had erkend:
zo klein als ze is – het is één brok talent.

Ze ging naar een school toe die aan was bevolen,
bijzonderste school der bijzondere scholen,
alwaar het de leerkrachten in werd geprent:
dat meisje: talent, ja talent, ja talent.

Maar na al die raad en adviezen en wenken,
toen kwam de tijd dat ze zelf leerde denken,
en kocht ze een schopje voor zeventig cent,
en toen groef ze een kuil, en begroef haar talent.

cb23cdabfe8dbb6596e45656c77444341587343
Door een stuk van medeblogger Perkamentus werd ik gewezen op een bijzondere dichtbundel, namelijk de bundel Jeugdige dichtproeven van Johanna Constantia Cleve.

Ik vond het bijzonder, omdat het een bundel is uit 1813 én omdat voorin gedrukt staat dat de dichteres “oud elf jaren” is. De oplage waarin haar gedichten zijn verschenen is niet bekend maar zal niet heel groot geweest zijn. Zij erkende namelijk iedere uitgave door de boekjes persoonlijk te signeren. De gedichten zijn gemaakt tussen 1810 en 1812, met uitzondering van het gedicht “Aan een roosje”. Dat schreef ze in het jaar dat ze acht werd.

Nu ben ik niet heel bekend met gedichten uit die tijd, laat staan met gedichten geschreven door kinderen, maar ik werd toch geboeid door het geheel. Hoewel vaak kinderlijk van toon kwam het af en toe verrassend volwassen over. Er zijn gedichten bij over de seizoenen, zoals “Lof der lente”“De zomer”, “De herfst” en “De winter”. 

Er staan gedichten in aan haar vriendinnen, een fabel, maar ook twee dankgedichten aan het dichtlievende genootschap “Kunstliefde spaart geen vlijt”. Zij kreeg van dit genootschap twee maal een prijs toegekend voor haar werk. Ook staat er een gedicht in dat is opgedragen aan haar leermeester, de Haagse dichter Thomas van Limburg.

Ik werd door de gedichten niet van mijn stoel geblazen, maar dat was ook geenszins de verwachting. Het zijn beleefde, soms moraliserende gedichten, de seizoensgedichten doen idyllisch, soms zelfs arcadisch aan. De woordkeus is van die tijd en doet af en toe komisch aan (de wereld als “rampwoestijn” aanmerken of een gedicht op het “afsterven” van een weduwe). Toch, ga er maar aan staan om als elfjarige een gedicht te schrijven aan twee treurende ouders die rouwen om de dood van een kind;

o Droevige ouders! wilt niet klagen,
o Wilt niet treuren om uw kind!
Wilt toch getroost die smarte dragen,
Daar ge uitzigt in de toekomst vindt.

Het was Gods wil die ’t u wou geven,
Het is zijn wil die ’t u ontrooft:
Wilt dan Gods wil niet tegenstreven,
Zijn’ naam zij eeuwiglijk geloofd.

Ja, al die lieve aanminnigheden,
Die lachjes liggen nu in’t graf:
Maar ’t zieltje is ook toch wel te vreden
Bij God, die ’t hier het leven gaf.

En dan nog vijf coupletten door. Wat opvalt is dat ze vaak haar kind-zijn benadrukt in haar gedichten, zoals in het gedicht als dankzegging aan haar leermeester Van Limburg, voor de geschonken werken van de dichter Poot;

o Gij, beschaver van mijn’ vruchten,
De vruchten mijner Poëzij,
Hoor deze doffe kindertoonen,
Schoon, nietsbeduidend van waardij!
Gij schonkt me de overschoone werken
Van den beroemden dichter Poot!
Hoe vloeijend rollen zijn gezangen!
Zijn naam blijft steeds onsterflijk groot!
Hoe schoon is ook ’t bevallig versje,
Hoe zeer verëerend voor een kind!
‘k ben van verrukking opgetogen,
Daar ‘k nooit een einde aan ’t danken vind.

Het zijn in totaal negenentwintig gedichten en Johanna Cleve mocht zelfs nog een dichtbundel uitbrengen, ook onder intekening, genaamd “Lentebloemen”. Wellicht schaf ik die nog eens aan. Oud is ze niet geworden, ze stierf op de leeftijd van tweeëntwintig jaar.

Cleve

9048817447.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Gisèle van Susan Smit  is een roman over de glazenierster en schilderes Gisèle en speelt zich af rondom de Tweede Wereldoorlog. Zij is in de leer bij Joep Nicolas, met wie zij een verhouding krijgt. Joep’s vrouw Suzanne is gelukkig open-minded en staat dat niet in de weg. Gisèle ontmoet ook Joep’s vriend, de dichter Adriaan Roland Holst, ofwel Jany. Dat is nogal een versierder en ook Gisèle valt voor hem. Jany heeft echter één echte muze, de actrice Mies Peters. Deze laatste klimt langzaam op van bijrolletjes tot wat grotere rollen, maar zal nooit de echte top bereiken.

Dit driemanschap, Gisèle, Jany en Mies, vormt de basis voor een makkelijk en vlot leesbare roman over het kunstenaarsmilieu voor en na, maar vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is namelijk ook een roman over keuzes. Iedere kunstenaar moet zich in de oorlog inschrijven in de Kultuurkamer, wil hij of zij het vak blijven uitoefenen. Die Kultuurkamer bepaalt wat er wel en niet getoond mag worden, je ligt aan des nazi’s leiband. Gisèle is duidelijk, nooit zal ze tekenen, ze legt liever haar kunst neer;

Tijdens een bezoek aan Bergen bracht ze het onderwerp bij haar vader ter sprake. Zodra ze het woord ‘cultuurkamer’ uitsprak, verstrakte het gezicht van haar vader. ‘Ik heb daar vaker over gehoord,’ zei hij. ‘Ik zou me daar nooit bij kunnen aansluiten,’ zei Gisèle, als aanloop naar een betoog waarin ze haar beslissing zou verdedigen. ‘Het zou me hoogst verbazen als je dat wel zou doen,’ onderbrak hij haar en ze voelde zich warm worden van dankbaarheid.

Jany voelt er ook niets voor. Hij schrijft zich uiteindelijk wel in maar met een dermate brutale brief, dat hij toch moet onderduiken. Mies heeft minder scrupules. Zij zet haar toneelcarrière op de eerste plaats, legt het aan met een Duitse officier en tekent. Haar ex-man is vertrokken om voor Duitsland aan het Oostfront te vechten en haar dochter Joyce heeft ze gestald bij een paar strenge tantes. Mies kan haar gang gaan. Haar verhouding met Jany is een lastige. Zij hebben allebei meerdere affaires maar blijven elkaar opzoeken.

Gisèle betrekt een pand aan de Herengracht in Amsterdam, waarin ze onderduikers huisvest, een Duitse schrijver en een Joodse jongen. Het is één grote familie en samen maken ze er het beste van. Gisèle gaat een relatie aan met de Joodse Buri. Bij razzia’s zijn er in het pand allerlei schuilplaatsen gemaakt, tot in de pianola aan toe.

Ondertussen neemt Jany grote risico’s terwijl hij onderduikt. Hij kan het nalaten om toch naar Amsterdam te reizen om Mies op te zoeken. Hij komt er mee weg. Uiteindelijk, aan het eind van de oorlog, wordt het tijd om de balans op te maken van de keuzes die gemaakt zijn.

Zoals gezegd is het een makkelijk leesbaar verhaal, maar dat is ook een beetje de makke. Het mist voor mij wat sfeer. Alles wordt opgeschreven zoals het is, maar soms zie ik liever een sfeer gecreëerd door de dingen die niet worden benoemd. Weglaten, of zaken beschrijven die niet direct met de handeling te maken hebben. Dat is ook de reden dat ik niet goed wist of en zo ja welk fragment ik moest citeren. Verder heet het boek Gisèle, maar zijn de hoofdstukken evenwichtig verdeeld over Gisèle, Jany en Mies. Het had ook Jany kunnen heten.

Het neemt niet weg dat ik de persoon van Gisèle erg interessant vindt. Alle personages hebben bestaan en er wordt keurig toegelicht wat er van ze geworden is. Ondanks mijn lichte bezwaren heb ik er dan ook best van genoten. Onderstaand een interview met Gisèle.

Lees ook de bespreking van Bettina

Afbeelding
Ik heb zo links en rechts al wat gedichten gelezen, maar de Verzamelde gedichten van Federico García Lorca vormen een klasse apart. Ze beslaan meer dan 700 pagina’s en nemen je mee op een trip die bol staat van de hartstocht, verlangen en kwellingen. Zo moet het natuurlijk ook, een beetje dichter gaat door de mangel.

Zo ook Lorca. Als homoseksueel was hij niet in het meest handige land geboren, het van machismo overlopende Spanje. Daarbij leed hij regelmatig aan een fikse depressie en brak er ook nog eens een Burgeroorlog uit die hem uiteindelijk fataal zou worden; hij werd door de troepen van Franco op 38-jarige leeftijd geëxecuteerd. Toch wist hij zich in dat korte leven op te werken tot één van de belangrijkste figuren van de 20ste-eeuwse Spaanse literatuur.

Uiteraard heb ik zijn gedichten veel te snel achter elkaar uitgelezen. Dat geeft niet, bundels als deze pak ik terug en ik herlees gedichten. Het voordeel was wel dat ik helemaal werd meegenomen in de verteltrant van de schrijver. Een vroeg gedicht (ik zit pas op pagina 11) over Ontmoetingen van een avontuurlijke slak verzekerde Lorca van mijn eeuwige sympathie. Maar dan het echte werk. Lorca heeft volgens mij het oergedicht over de regen geschreven. Een deel:

De liefde ontwaakt in het grijze regenritme,
Onze innerlijke hemel heeft een zege van bloed,
Maar ons optimisme verandert in droefheid
Als we de dode druppels op de ruiten aanschouwen.

En het zijn de druppels: ogen eindeloos die kijken
Naar het eindeloze wit dat hun moeder was.

Iedere regendruppel trilt op de troebele ruit
En laat er goddelijke wonden van diamant op achter.
Het zijn waterdichters die wat de menigte van
De rivieren niet kent, hebben gezien en aanschouwd.

Ik heb talloze aantekeningen gemaakt van strofes en hele gedichten, maar dat is onmogelijk, het zijn er teveel. Zijn Zigeunerliedboek is monumentaal, hij bezocht de zigeuners in hun grotten, hij reisde door Andalusië en schreef zijn gedichten. Ook zijn reis naar New York is besloten in de bundel Dichter in New York. De mythische wereld van het Gedicht van de Cante Jondo, het is genieten. Een klein gedicht als voorbeeld, Prieel:

Op de onbeweeglijke fontein
slaapt een grote, dode vogel.

De twee gelieven kussen elkaar
tussen koele droomkristallen.

‘De ring, geef me de ring!’
‘Ik weet niet waar mijn vingers zijn.’
‘Omhels je me niet?”Ik liet mijn armen
gekruist en kil achter in mijn bed.’

Tussen de bladeren sleepte zich
een straal van oude maan voort.

De vertaling van de gedichten moet een monsterklus zijn geweest. Gelukkig heeft de vertaler, Bart Vonck, een keuze gemaakt voor onberijmde vertaling waardoor er veel meer nuance aan te brengen is. Schitterend gedaan. Ik kan nog tijden blij worden van een zin als omdat alleen het piepkleine banket van de spin volstaat om het evenwicht van de hele hemel te breken. Of over zoiets:

maar toen kwam de maan haastig over de trappen omlaag
en bedolf de steden onder hemels zeildoek en gevoelig talkpoeder,
ze vulde de bochtloze vlakte met marmeren voeten
en ze vergat, onder de stoelen, piepkleine katoenen schaterlachjes.

Overigens bevat het boek een prachtig nawoord met uitgebreide toelichtingen op de dichtbundels én een tijdtafel waarin het leven van de dichter in kort bestek voorbij trekt. Enig minpuntje waren een paar fouten in het uitgebreide notenapparaat. Verder, niks dan moois.

Vertaling: Bart Vonck

Afbeelding

Gerrit Komrij heb ik hoog zitten als het gaat om zijn bloemlezingen en duiding van gedichten, dus ik was benieuwd naar de poezië van de man zelf. Aldus werd Alle gedichten tot gisteren aangeschaft.

Dat viel soms wat tegen en ik zal uitleggen waarom. Ik heb vooral geen verstand van dichtkunst en haar vormen en al helemaal niet waaraan een dichtvorm als bijvoorbeeld een Villanelle moet voldoen, ik ga af op mijn gevoel.

Dat gevoel liep een beetje mank bij de heer Komrij. Het rijmt allemaal keurig en daar wringt het bij mij een beetje. Ik vond het (o, vloeken in de kerk) af en toe neigen naar rijmelarij. Op het gevaar af dat ik alle kenners van de meester over mij heen krijg, een voorbeeld:

Bij donker weder is die oom gestorven,
Hij zakte langzaam in elkaar, op straat.

Daar lag hij lange tijd, als een bedorven
En achteloos vertrapte karbonaad.

Karbonaad? Dat is het? Of wordt hier de anti-climax nagejaagd? Mijn gevoel wil iets met aristocraat, frontsoldaat, paringsdaad, maakt mij het uit, maar karbonaad? Kortom, ik moest er even inkomen. Dat lukte natuurlijk wel en gelukkig valt er ook veel te genieten. Zijn gedichten over Zizi Maelstrom, de gevallen tragédienne, mogen er zijn;

Zizi Maelstrom – de grote tragédienne
Van vroeger – speelde elke avond nog.
Ze had aan het idee niet kunnen wennen
Om met haar papegaai, haar Deense dog,

Haar drie konijnen in haar huis te klitten.
Maar óók wanneer ze, opgaand in haar rol,
Gewoon eens iemand in de zaal zag zitten,
Werd ze van achtervolgingswaanzin dol.

Zo was het nooit goed. Wil je haar eens zien,
Neem dan de tram, ga tot de halte mee
Waar niemand uitstapt, negen op de tien
Is daar de schouwburg waar zij speelt voor twee.

Komrij’s verzameling over de stoelgang en alles wat daar omheen hangt was beroemd. Hier ontbreekt dan ook het Banaal Alfabet niet. Een mooi werk, hoewel (ik kan het niet helpen) ik toch aan de dichtkunst van Driek van Wissen moest denken toen ik het las. Daar is niets mis mee, maar het gaat dan meer over light verse en misschien had ik dat bij Komrij niet verwacht. Ik moet nog veel leren.