archiveren

Gedichten

9023414683.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Een kleine 900 pagina’s met de Verzamelde gedichten van Lucebert vond ik geen kleinigheid om te lezen. Ik gaf het al aan in de biografie over Lucebert; er valt soms geen touw aan vast te knopen en dat klopt in het overgrote deel van de gevallen. Ben ik er dan positief over? Ja, onverdeeld positief. Ik hoef ze namelijk niet te begrijpen. Ik wil ze beleven en dat kan op meerdere fronten. Lucebert geeft zelf al een voorzetje in een brief aan Nico ter linden;

‘En wat u vooral niet moet doen is een gedicht zien als een fraaie rebus waarvoor maar één oplossing mogelijk is. Het geheim en de kracht liggen voor een groot deel in haar onbestemdheid, haar veelzijdigheid en haar tegenstrijdigheid. In dit opzicht is de poëzie zeer verwant aan onze dromen in de slaap…U denkt toch niet dat een gedicht een stuk onhandig proza is waarvan de inhoud in gewoon proza uitgedrukt zou kunnen worden?’

Waar praten we dan over, dat het zo lastig zou zijn, als het toch allemaal Nederlandse woorden zijn? Een voorbeeld dan, van een redelijk bekend gedicht, het eerste deel;

De oude meepse barg ligt
nimmermeer in drab
maar voorgoed op zachte kussens onder – uitgerekend – 
de weelderigste boom Ons rest
slechts een schaduw dun als een dasspeld
om af te koelen lesbia
sinds je moeder goede zaken maakt
met de montage van haar 
Geldzucht en jouw schaamteloos lichaam
zijn je lippen – nu als in steeds
modieuzer gewaden gehuld zo
gewaagder lijkend dan ooit – mij toch
armelijk mager geworden

Meepse barg? Je kan er overheen lezen natuurlijk maar het zijn bestaande woorden. Het is een ‘ziekelijk mannetjeszwijn’. Lucebert had een omvangrijke bibliotheek en het was bekend dat hij die bibliotheek gebruikte om er allerlei woorden in op te zoeken om ze in zijn gedichten te gebruiken. Het wordt prachtig toegelicht in een lezing van Marc van Oostendorp, die tevens het eerste hoofdstuk vormt van het boek De lezende Lucebert. De lezing én het boek zijn aanraders voor wie meer over de poëzie van Lucebert wil weten.

Er zijn ook talloze gedichten waar je goed de strekking van kan volgen en die bij mij een bepaald gevoel oproepen. Het gaat te ver om ze allen te citeren, maar ik houd van zinnen als ‘er is een grote norse neger in mij neergedaald’, ‘op de vlinderachtige pols van het morgenrood’, ‘aan het hemeldak snirst een bevroren luidspreker’ (ja, ook snirsen betekent iets), ‘mijn oog is een onverzadigbare spin aan het rag van mijn dromen dwalend’ en ‘er is een bokser die de wind weghamert van dorp tot dorp.’

Snap ik de gedichten beter nu ik wat over Lucebert heb gelezen? Welnee. Maar dat hoeft dus voor mij niet. Ik vind het ontzagwekkend wat iemand allemaal met taal kan doen, in al die gedichten valt hij heel weinig in herhaling en het blijkt dat hij heel goed nadacht over welk woord hij waar wilde plaatsen. Ook voor een gedicht als:

tellby toech tarra
inna nip
inna nip
tarra toech tellby

heeft Lucebert een (voor hem) eenvoudige verklaring (waarin hij in brieven aangeeft dat in het eerste typoscript een fout stond, namelijk ‘terra’ in plaats van ‘tarra’). Het gaat over boekhouden en rekenen. Lees zijn biografie, het wordt er helemaal uitgelegd.

Ik weet zeker dat ik zijn gedichten blijf lezen en herlezen, want ze spreken mij aan. Misschien moeten we de dichter zelf maar aan het woord laten. Lucebert droeg zelf af en toe zijn gedichten voor en had er succes mee. Luister hieronder maar eens naar zijn zangerige stem

Lucebert draagt zijn gedichten voor

Advertenties

9403104708.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In 2009 kocht ik het boek De lezende Lucebert, samengesteld door Lisa Kuitert. Dat is een boek over de uitgebreide bibliotheek van dichter/schilder Lucebert, overleden in 1994. Het ging over de mogelijke invloed van die boeken op zijn werk. Nu was ik toen niet bekend met dat werk en ik trachtte mij erin te verdiepen. Dat viel nog niet mee. Gedichten (daar was ik toen praktisch niet mee bezig) waar ik geen touw aan vast kon knopen en schilderijen en tekeningen die mij nog minder zeiden.

Toch ben ik Lucebert niet vergeten en heb in de loop der jaren echt wel gedichten van hem gelezen en leren waarderen, evenals zijn schilderijen en tekeningen. Toen Lucebert de biografie van Wim Hazeu verscheen, moest die dan ook zo snel mogelijk aangeschaft én gelezen worden. Zo geschiedde en ik weet nu al dat ik er de rest van mijn leven mee vooruit kan. Kom ik op terug.

Allereerst ging de publicatie met wat ophef gepaard, want die publicatie moest een jaar uitgesteld worden. De biograaf kreeg namelijk, toen het manuscript af was, brieven in handen die een nieuw licht wierpen op Lucebert in oorlogstijd. Waar hij altijd had gezegd dat hij in Duitsland tewerkgesteld was, lag dat toch iets anders. Hij had zichzelf aangemeld. Is hij daarmee een ‘foute Nederlander’? Ook dat ligt genuanceerd en dat geeft Hazeu prima weer. Lucebert was hevig geïnteresseerd in de Duitse cultuur en was ervan overtuigd dat het bolsjewisme bestreden moest worden. Hij viel voor het Duitse charme-offensief en die factoren leidden ertoe dat hij zich aanmeldde. Toen bleek met wat voor regime hij uiteindelijk in zee was gegaan schaamde hij zich ervoor en heeft hij er nooit meer over verteld.

Dan zijn kunst. Lucebert heeft de ulo afgemaakt maar is verder autodidact in dicht- en schilderkunst. Als je zijn immense poëzie-oeuvre bekijkt en leest (ik ben er nu in bezig) dan ga je beseffen wat een groot kunstenaar dit is. Het is waar, ogenschijnlijk is er soms niets te begrijpen van die gedichten, maar Lucebert wist precies wat hij opschreef. Gelukkig bevind ik mij in goed gezelschap, want Simon Vinkenoog zei over zijn poëzie;

‘Ontzettend indrukwekkend, soms beangstigend waren zijn mystieke gedichten, waar ik niks van begreep maar die ergens op een heel hoog niveau ontroering teweeg brachten’.

Ik kom bij het volgende boek terug op zijn gedichten, even terug naar de mens Lucebert zelf. Hij werd woordvoerder van de Vijftigers, een literaire beweging die zich afzette tegen de kunst van hun voorgangers. Hij werd bevriend met de Duitse toneelschrijver Bertold Brecht en volgde hem met zijn gezin naar Oost-Berlijn. Later ging hij in het Noord-Hollandse Bergen wonen én in het Spaanse Jávea. Hij was geen ‘socializer’. Premières en feestjes meed hij het liefst, hij werkte. Onvermoeibaar en altijd. Hij was altijd in zijn atelier te vinden, bezig met een nieuw schilderij, een tekening, een ets of gouache. Hij krijgt uiteindelijk succes en sluit een contract af met een Engelse kunstgalerij. Later volgen er meer exposities over de hele wereld, die hij overigens niet bijwoont vanwege zijn vliegangst.

Over zijn schilder- en tekenkunst is ook genoeg te zeggen. Allereerst was Lucebert kleurenblind, opmerkelijk voor een schilder natuurlijk. Ten tweede zijn de voorstellingen niet altijd even duidelijk, wat stelt het eigenlijk voor? Lucebert zelf zegt daarover;

‘Alles wat me maar invalt schilder ik, ik schilder en teken van alles op alles, alle opvattingen waardeer ik gelijkelijk, tussen motieven maak ik geen keuze en ik streef niet naar syntheses, tegenstellingen blijven bij mij rustig aangesteld en terwijl ze elkaar weerstreven, pleeg ik geen verzet, blijf ik buiten schot en beleef de vrijheid die alleen zij mij aanreiken, mijn schilderijen, mijn gedichten…Niet zweer ik dus bij magere en niet bij vette schilderijen, geen voorkeur heb ik voor bepaalde paletten, vandaag vlucht ik in boombruin, morgen verdrink ik lachend in dauwblauw.’

Als een schilderij af was dan werd de titel erbij verzonnen. Vaak wist hij die al tijdens het schilderen, maar hij gebruikte ook zijn boekenkast daarvoor als inspiratie.

Een andere constante is de muziek. Lucebert was gek van jazzmuziek en dat luisterde hij vaak met vrienden. Toch waren ook zijn gedichten een bron van inspiratie voor componisten. Zo heeft hij meegewerkt aan het surrealistische schouwspel Poppetgom. Componist Bruno Maderna componeerde de muziek hiervoor en Lucebert verzorgde de teksten, waarvan het Vietnamlied ‘Soldatenmoeder’ gezongen werd door de Zangeres zonder Naam. Ik heb dat singeltje voor een paar euro op de kop getikt, dat vind ik leuk om erbij te hebben, al is het een wat vreemde eend in mijn collectiebijt…. Zijn gedicht ‘het laatste avondmaal’ inspireerde Louis Andriessen tot zijn compositie ‘Trilogie van de laatste dag’ en Xander Hunfeld schreef zijn compositie ‘oktober’ ook op basis van zijn gedichten.

Als rechtgeaard hypochonder kwam Lucebert niet bij artsen over de vloer, tot bleek dat hij de ziekte van non-hodgkin had. Hij werkte tot het einde door, zoveel hij kon en liet een indrukwekkend oeuvre na. Waarom blijf ik daar dan de rest van mijn leven mee bezig? Omdat ik inmiddels liefhebber van zijn werk ben. Ik zal al zijn gedichten lezen en erover blijven lezen, net als ik zijn schilderijen zal blijven opzoeken. Niet de makkelijkste werken, maar des te interessanter. Het mooie is dat Lucebert zijn werk prima kan duiden. Hij kan je zeggen waarom er wat op een schilderij staat en wat hij met een gedicht bedoelt. Over dat laatste meer in de volgende bespreking, maar het is fascinerend om te lezen. Hij deed niet zomaar wat, was autodidact (zeer belezen in verschillende talen) en hij gebruikte niet alleen taal, hij vond het ook uit. Hazeu legt het allemaal helder uit in een vlot leesbare biografie van zo’n kleine 800 pagina’s die ik zeer de moeite waard vond.

9028208119.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Door Geert van Oorschot ben ik de Verzamelde gedichten van Chr. J. van Geel gaan lezen. Hoewel ik er een aantal opgezocht had op internet, blijft zoiets een beetje een gok, maar die pakte goed uit. Ik had al gelezen dat Van Geel een natuurdichter was en ik had er een paar voorbeelden van gezien, maar dat heeft hij meer dan waar gemaakt. Op meer dan 760 pagina’s maak je kennis met zijn scherpe blik op de natuur. Ik weet niet hoe vaak er bomen, zee, zwanen, sprinkhanen, padden en eenden in voor komen, maar in het merendeel van zijn werk.

In zijn eerste bundel Spinroc (een omkering van de achternaam van zijn toenmalige vrouw, de vertaalster Thérèse Cornips) zijn nog invloeden te zien van Van Geel’s surrealistische verleden (hij was van oorsprong beeldend kunstenaar) maar geleidelijk aan begint hij zijn eigen taal te vinden in zijn gedichten. Die gedichten heb ik bijna altijd twee keer gelezen, om ze goed tot mij door te laten dringen. Ze staan meestal niet mooi op rijm, zinnen worden vaak afgebroken dus je moet er even je hoofd bijhouden, maar Van Geel heeft een heel eigen manier van observeren en beschrijven. Zo ook met het gedicht Bij;

De bij, een engel die gesard zich wreekt, volstrekt, tot in de dood, het fronsen van de aarde over het met aarde bedolven graf, het fronsen van wolken over de aarde, de doodval van een op een aambeeld in duizenden vonken vervaardigd angelversierd juweel, één noot op zijn zang, één toon van blijvende toorn die zingt wat hij dacht toen hij door mokers en schroeiende lucht gemaakt wist, dit begeleidt tot het eind een gonzende, brommende bij.

Dit lees ik met aandacht. Beginnen en eindigen met de “bij”, een “angelversierd juweel”, “één noot op zijn zang”, het is zonde om dit gedachteloos tot je te nemen. Ik heb er te veel aangekruist om te citeren, maar deze twee wil ik u niet onthouden, gewoon, omdat ik ze mooi vind;

Gotisch

De bomen schragen mist,
vertakte zuilen.
Het regent in het schip,
nevel hangt aan het hout
en regen tikt.
Je hoort de koster sluipen,
op zandmanvoeten graaft
hij kuilen voor de mist.

Dood van een wielrenner

Het najaar viel augustus binnen,
In de verlichte oven van de maan
zit hij rechtop, buigt hij voorover, trekken
sprinters met licht op ronden, komt hij drijfnat
van zweet en welkom op de eindstreep aan.

Uiteraard is alles subjectief en moet het je aanspreken maar voor mij werkt het. Ik wil zinsneden onthouden als “in lange strepen woeien de ogen van de plassen dicht“. Met zoveel gedichten frons ik natuurlijk ook af en toe mijn wenkbrauwen, ik kan niet overal mee uit de voeten. Waar in hetzelfde gedicht eerst merels zich dood staan te talmen op een dak, bouwen ze doodleuk twee regels verder fel aan hun voortbestaan, maar goed.

Waar ik ook minder goed mee uit de voeten kan, zijn de stukken van het laatste deel, teksten die bestemd zijn voor het tijdschrift Barbarber. Dit periodiek was bedoeld voor lichter dichtwerk, gevonden teksten en grapjes en dat is soms aardig, maar niet meer dan dat. Ik ben echter zo enthousiast over zijn gedichten, dat ik inmiddels ook de bundel Onverzamelde gedichten van Van Geel heb aangeschaft, met gedichten die buiten de samenstellingseis van deze bundel vielen. Wordt ergens vervolgd dus.

img22707
Een acrostichon is een gedicht waarvan bepaalde, meestal de eerste, letters van iedere regel of strofe, achter elkaar gelezen zelf ook een woord of zin vormen. Uiteraard kan dat ook met namen. Gerrit Komrij heeft in 1984 ooit twee acrostichons op zijn eigen naam met de titel Lichaam en Geest laten inbinden door Uitgeverij Exponent te Bedum.

Het is een gelimiteerde oplage van 100 exemplaren waarvan ik onlangs nummer 6 voor een aardige prijs aanschafte. Het eerste acrostichon;

Lichaam

Gewrichtsneurose, gonorroe, gesnik.
Eczeem, echolalie, eelt, etterwond.
Rotkreupel, rugverweking, rauwe pik.
Roos, rectumfistel, reuma, rode hond.

Infarct, infectieslijm, inheemse sjanker.
Trombose, tropenkolder, trauma, tic.
Kou, kerkhofhoest, kniewater, knokkelkanker.
Oorsuizing, oogvuil, onverhoedse hik.

Moeraskoorts, maagzweer, monomane blik.
Rachitis, rolberoerte, ruimtevrees.
Irisverdoffing, impotentie, ik.
Jichtknobbels, jubeltenen, jeukend vlees.

Groot formaat, 20x29cm en met de hand ingenaaid is het een mooi exemplaar. Het Colophon;

IMG_3964

9460043232.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Naar aanleiding van het lezen van de biografie van Willem Kloos, vond ik het tijd om zijn Verzen te gaan lezen. Zijn debuutbundel publiceerde Kloos in 1894. Die bundel bestaat uit 93 lyrische verzen, aangevuld met drie langere fragmenten in versvorm, Rhodopis, Okeanos en Sappho. Daarna komen de zogenaamde ‘scheldsonnetten’, die hij in 1892 ‘aus einem guss’ op papier zette om meedogenloos af te rekenen met voormalige vrienden en/of anderen die hem op enigerlei manier hadden tegengewerkt.

Nu geldt Kloos als één van de grootste dichters die Nederland heeft gekend, maar ik bepaal zoiets altijd graag voor mijzelf. Dat viel mij nog niet mee, eerlijk gezegd. De meeste verzen zijn opgetekend in de vorm van een sonnet, een rijmend gedicht van 14 regels en het liefst nog met een wending ook. Dat zijn dus al geen sinterklaasgedichten en voeg daarbij het taalgebruik uit zijn tijd en enige vorm van concentratie is dan echt geboden.

Maar…dan volgen er inderdaad onnavolgbaar prachtige verhalen, die wat mij betreft voornamelijk te vinden zijn in zijn lyrische verzen, maar ook in zijn langere fragmenten met Griekse verhaalstof. Beroemd is natuurlijk vers V, wat nogal veel stof deed opwaaien als zou het godslasterlijk zijn. Dat begint zo;

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en ’t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, –

Godslastering was niet wat Kloos in gedachten had. De regel stond precies waar Kloos zelf voor stond en is daarom zo belangrijk; hij bedoelde dat de dichter, of kunstenaar in het algemeen, de autonome schepper is van zijn verzen of kunstwerk. Met de lyrische sonnetten zette Kloos zich bewust af tegen de heersende huiskamerpoëzie die toen in zwang was. Met lyrisch is ook niets teveel gezegd. Ik kende al de zinsneden De boomen dorren in het laat seizoen en Ik ween om bloemen in den knop gebroken en zo zijn er nog talloze voorbeelden op te noemen. Toch wil ik ook de aandacht even vestigen op de langere, Griekse fragmenten. Daar is ook veel moois in te ontdekken namelijk, zoals in Rhodopis, waar het volk een protesterende priester dwingt tot een wilde dans;

Zij storten den zondaar in gistenden gloed,
Zij slepen hem mede met warlenden spoed,
Zij zwaaien en gieren, en draaien en zwieren,
En doen hem de feesten der goden meè vieren!

Lees het via de link vooral eens helemaal, ik moest denken aan Bach’s passage uit de Matthäus Passion Sind Blitze sind Donner en aan stukken uit Gluck’s opera Orfeo ed Euridice. Ook Okeanos kent prachtige fragmenten, met name in het tweede vers. Je waant je in Arcadië als je dat leest en ik hoor er de muziek van Alessandro Scarlatti bij. Herders in het veld met hun kuddes, de fluitspelende god Pan erbij, het kan allemaal niet op.

De scheldsonnetten zijn een verhaal apart. Het ging niet goed met de gezondheid van Kloos en hij maakte nogal wat ruzie. Nu kon hij een aardig potje dichten dus rekende hij met oude vrienden meedogenloos af in sonnetvorm;

O kereltje in uw regen-jassen-trots,
Waarmee ge, als een barbaarsche potentaat,
Durft fiertjes stappen door de Kalverstraat,
Met houten nek en gelaat, bruut als rots

Valt bovenstaande nog mee, hij begon zijn sonnetten ook met O Gij, verkrachter van veel vrouwenzielen (Frederik van Eeden) of noemde het beestje gewoon bij naam, Albert Verwey, gij musculeus poëetken. Er zijn zelfs nog niet gepubliceerde scheldsonnetten die nog verder gaan, zoals hier te lezen is.

Zijn er geen kanttekeningen? Jawel, hoewel die zeer goed bij mijn eigen onkunde kunnen liggen. Uit onderzoek is gebleken dat Kloos veel aandacht besteedde aan metrum en rijm, maar ik ben weinig bekend met de sonnetvorm (hoewel ik ze van Shakespeare allemaal doorgeakkerd heb en die zeer goed leesbaar vond). Deze sonnetten vond ik lang niet allemaal zo leesbaar. Een zin als Dat heel zoo anders is als al wat ’s nachts was vind ik een draak met al die ‘a’s’ erin. Dat geldt ook voor een zin als Diepst Zelf zijns-zelfs, als maar niet schandlijk sjachlend. Spreek die maar eens tien keer snel uit, het is niet te doen.

Dan de uitgave van het boekje zelf, daar is ook wel iets over te zeggen. Er is een informatief nawoord, maar een toelichting op de Duitse en Franse sonnetten die er in staan zou welkom zijn. Verder constateerde ik dat de sonnetten L (blz. 31) en XCII (blz. 54) in tekst gelijk zijn en alleen op wat leestekens afwijken. Was dit zo bedoeld of mis ik een sonnet? Ik heb de vraag bij de uitgeverij uitstaan, het wordt hopelijk vervolgd. Het vervolg; ik kreeg keurig antwoord van de uitgeverij en ik had over de toelichting achter in het boek heen gelezen. Deze twee sonnetten worden inderdaad herhaald met minimale aanpassingen, er mist gelukkig niets.

Afrondend was het zeer de moeite waard om de tijd te nemen voor de verzen van Willem Kloos. Zoals het hier altijd gaat, ik lees ze te snel, maar pak het altijd weer uit de kast om ze af en toe weer tot mij te nemen.

2931d7e7490ffef59706c5a6c77444341587343
Willem Wilmink is alweer sinds 2003 overleden en was, naast Neerlandicus, vooral ook dichter, schrijver en zanger. Zijn belangrijkste werk is gebundeld in dit ruim 1300 pagina’s tellende boek Verzamelde liedjes en gedichten.

Nu kende ik wel iets van Wilmink’s werk, maar dat beperkte zich een beetje tot zijn werk voor De Film van Ome Willem, Het Klokhuis, Sesamstraat enz. Omdat hij ook veel kinderboeken heeft geschreven bracht ik zijn naam onbewust toch vaak in verband met het lichtere genre, terwijl ik stiekem wel wist dat ik de man daarmee onrecht aandeed. Daarom schafte ik dit boek aan om eens grondig kennis van zijn werk te nemen.

Wilmink zelf zette het raamwerk op voor dit boek en de inhoud, maar gaf de samensteller W.P Gerritsen de vrijheid om hiervan naar believen af te wijken (wat hij overigens nauwelijks heeft gedaan). De periode van de werken loopt van 1966 tot in het jaar van zijn overlijden, 2003 en geven, dus ook volgens Wilmink zelf, een mooie dwarsdoorsnede van zijn oeuvre.

Als je zo veel gedichten en liedjes leest zit er uiteraard van alles tussen. Werken die mij raken, die mij vermaken of waar ik niets mee kan of heb (gedichten in Twents dialect, wat hij ook sprak, vind ik ronduit vermoeiend om te lezen). Wat mij heeft verrast is de veelheid aan thema’s en onderwerpen die voorbij komen.

Zo schrijft hij over de opgroeiende jeugd in gedichten over pesten, voortrekken in de klas, broekplassen, verliefd zijn, beginnende borsten bij meisjes, de pubertijd, het scheiden van ouders, het overlijden van je eerste oma, een jeugdzwangerschap, vader als hulplijn bij huiswerk (ik ken het zelf). De ene keer op lichte toon, de andere keer op zeer wrange toon en soms komen ze zelfs samen in één gedicht, zoals bij de kinderverkrachter die zo prachtig vogels na mag doen bij Willem Duys.

Actueel zijn de gedichten nog steeds. Hij schrijft over Turkse moeders en de problematiek van gastarbeiders. Hij schrijft dan vanuit de gastarbeider zelf;

Men wil in dit land dat we heel anders leven,
ook al zijn we hier soms nog maar kort.
Maar mijn oom in Marokko heeft laatst nog geschreven
dat ik veel te Nederlands wordt.

Je komt langs bekende teksten van televisie (Deze vuist op deze vuist), of het lied Hilversum III dat door Herman van Veen bekend werd. Wilmink had echter ook een zeer erudiete kant en kende zijn klassiekers. Gustav Mahler bewerkte een gedicht van Li Tai Po tot Das Trinklied vom Jammer der Erde, maar Wilmink doet dat op geheel eigen wijze ook in De drinker in de lente. Ook bewerkt hij Goethe’s gedicht Erlkönig voor kleuters en zo wordt het wasgoed aan de lijn omgetoverd tot spoken en geesten. Verder gebruikt Wilmink uitgebreid de Carmina Burana en het Hooglied als inspiratie voor zijn werk, maar ook de toen actuele gebeurtenissen als de aanslagen van 11 september of de vuurwerkramp in Enschede.

Het is haast ondoenlijk om iets te kiezen om te citeren in zo’n bespreking, veel gedichten zijn toch wat langer en komen alleen in volle omvang tot hun recht. Ik doe er toch één, als teaser en omdat ik hem prachtig vind. De rest moet u echt zelf gaan lezen, en lezen, en lezen, en herlezen, en herlezen, en herlezen enzovoort.

Talent

Hij was een schilder en zij leerde weven,
en toen die twee met elkaar gingen leven,
hadden ze samen nog bijna geen cent,
maar dat donderde niks, want ze hadden talent.

Toen er een kind in haar buik ging bewegen,
streelde hij haar ietwat steels en verlegen,
en dacht-ie op menig gelukkig moment
aan dat kleine latente toekomstig talent.

En toen het meisje dan echt werd geboren,
was het talentvol van acht’ren en voren,
en alle vrienden aanbaden fervent
die paarduizend gram aan toekomstig talent.

Plaatsten de ouders hun vrouw’lijke godje
teer en voorzichtig op ’t kleurige potje,
dan deed ze ook daar, wat men reeds was gewend:
die vorm en die kleur: onmiskenbaar talent.

Ze was nog geen vijf, toen de kunst’naarselite,
gezellig bijeen op verjaardagsvisite,
haar gaven al definitief had erkend:
zo klein als ze is – het is één brok talent.

Ze ging naar een school toe die aan was bevolen,
bijzonderste school der bijzondere scholen,
alwaar het de leerkrachten in werd geprent:
dat meisje: talent, ja talent, ja talent.

Maar na al die raad en adviezen en wenken,
toen kwam de tijd dat ze zelf leerde denken,
en kocht ze een schopje voor zeventig cent,
en toen groef ze een kuil, en begroef haar talent.

cb23cdabfe8dbb6596e45656c77444341587343
Door een stuk van medeblogger Perkamentus werd ik gewezen op een bijzondere dichtbundel, namelijk de bundel Jeugdige dichtproeven van Johanna Constantia Cleve.

Ik vond het bijzonder, omdat het een bundel is uit 1813 én omdat voorin gedrukt staat dat de dichteres “oud elf jaren” is. De oplage waarin haar gedichten zijn verschenen is niet bekend maar zal niet heel groot geweest zijn. Zij erkende namelijk iedere uitgave door de boekjes persoonlijk te signeren. De gedichten zijn gemaakt tussen 1810 en 1812, met uitzondering van het gedicht “Aan een roosje”. Dat schreef ze in het jaar dat ze acht werd.

Nu ben ik niet heel bekend met gedichten uit die tijd, laat staan met gedichten geschreven door kinderen, maar ik werd toch geboeid door het geheel. Hoewel vaak kinderlijk van toon kwam het af en toe verrassend volwassen over. Er zijn gedichten bij over de seizoenen, zoals “Lof der lente”“De zomer”, “De herfst” en “De winter”. 

Er staan gedichten in aan haar vriendinnen, een fabel, maar ook twee dankgedichten aan het dichtlievende genootschap “Kunstliefde spaart geen vlijt”. Zij kreeg van dit genootschap twee maal een prijs toegekend voor haar werk. Ook staat er een gedicht in dat is opgedragen aan haar leermeester, de Haagse dichter Thomas van Limburg.

Ik werd door de gedichten niet van mijn stoel geblazen, maar dat was ook geenszins de verwachting. Het zijn beleefde, soms moraliserende gedichten, de seizoensgedichten doen idyllisch, soms zelfs arcadisch aan. De woordkeus is van die tijd en doet af en toe komisch aan (de wereld als “rampwoestijn” aanmerken of een gedicht op het “afsterven” van een weduwe). Toch, ga er maar aan staan om als elfjarige een gedicht te schrijven aan twee treurende ouders die rouwen om de dood van een kind;

o Droevige ouders! wilt niet klagen,
o Wilt niet treuren om uw kind!
Wilt toch getroost die smarte dragen,
Daar ge uitzigt in de toekomst vindt.

Het was Gods wil die ’t u wou geven,
Het is zijn wil die ’t u ontrooft:
Wilt dan Gods wil niet tegenstreven,
Zijn’ naam zij eeuwiglijk geloofd.

Ja, al die lieve aanminnigheden,
Die lachjes liggen nu in’t graf:
Maar ’t zieltje is ook toch wel te vreden
Bij God, die ’t hier het leven gaf.

En dan nog vijf coupletten door. Wat opvalt is dat ze vaak haar kind-zijn benadrukt in haar gedichten, zoals in het gedicht als dankzegging aan haar leermeester Van Limburg, voor de geschonken werken van de dichter Poot;

o Gij, beschaver van mijn’ vruchten,
De vruchten mijner Poëzij,
Hoor deze doffe kindertoonen,
Schoon, nietsbeduidend van waardij!
Gij schonkt me de overschoone werken
Van den beroemden dichter Poot!
Hoe vloeijend rollen zijn gezangen!
Zijn naam blijft steeds onsterflijk groot!
Hoe schoon is ook ’t bevallig versje,
Hoe zeer verëerend voor een kind!
‘k ben van verrukking opgetogen,
Daar ‘k nooit een einde aan ’t danken vind.

Het zijn in totaal negenentwintig gedichten en Johanna Cleve mocht zelfs nog een dichtbundel uitbrengen, ook onder intekening, genaamd “Lentebloemen”. Wellicht schaf ik die nog eens aan. Oud is ze niet geworden, ze stierf op de leeftijd van tweeëntwintig jaar.

Cleve