archiveren

Gedichten

Hemelse mevrouw Frederike van Maaike Meijer is de biografie van F. Harmsen van Beek [1927-2009]. Frederike, Fritzi voor intimi maar dat ligt gevoelig, was dichter, schrijver, journalist, kunstenaar en illustrator. Ze liet geen groot (geschreven) oeuvre na, maar wel een opmerkelijk oeuvre. Ik ga het u toelichten.

Frederike groeide op in Blaricum als kind van twee illustratoren in Blaricum. Haar vader tekende de beroemde Flipje-reeks en Frederike hielp vaak mee om deze in te kleuren. Ze woonde een paar jaar in Frankrijk en leerde daar Eric de Mareschal kennen waarmee ze zoon Gilles kreeg. Ze keerde alleen met Gilles terug naar Nederland en de vader verdween uit beeld. Ze kon terecht in een grote Blaricumse villa, Jagtlust, waar ze als huismeester werd aangesteld.

Die villa wordt het middelpunt van een ogenschijnlijk hedonistisch universum. Dat wordt gevoed door het boek Jagtlust van Annejet van der Zijl en geschriften van Gerard Reve. Biografe Maaike Meijer ontkent dit niet in dit boek maar brengt wel de nodige nuance aan. Feit is dat de villa wel een ontmoetingsplaats werd voor verschillende Nederlandse kunstenaars. Remco Campert kwam er en trouwde later met Frederike. Ook Cees Nooteboom, een schrijver van eenentwintig jaar, was present;

Het was daar op Jagtlust een fantastische chaos. Er waren altijd mensen, er was altijd gedoe en zij was het fascinerende middelpunt met die zichzelf opwindende stem waarmee zij niet zozeer praatte als wel sprak, zo, dat je het meteen wilde opschrijven. Ze had planeten om zich heen. In hoeverre dat affaires waren wist je niet precies.

Affaires waren er genoeg, gaat u dat vooral zelf lezen. Dat praten of spreken; ze schreef het zelf op. Frederike ging gedichten schrijven en deed dat zoals niemand dat nog had gedaan. Onderscheidend van de Vijftigers, niet per se brekend met een traditie zoals die Vijftigers dat deden, maar spelend met de traditie op een erudiete en barokke manier. Haar debuutbundel Geachte muizenpoot en achttien andere gedichten wordt uitgebreid door Meijer besproken;

Deze gedichten zijn een adembenemende achtbaan van mogelijkheden, geschreven door iemand met een zware vorm van linguïstische ADHD.

De gedichten zijn ook niet altijd makkelijk en er zijn er maar weinigen die ronduit hebben toegegeven dat dit debuut ondanks al zijn charme en brille soms haast niet te begrijpen is. Frederike had dit al voorzien in haar openingsgedichten: Twee raadselrijmen die samen een antwoord vormen dat bij nader inzien is zoekgeraakt.

Ik houd daarvan en daarom ga ik hierna haar oeuvre lezen. Persoonlijk gaat het Frederike niet altijd voor de wind. Haar zoon Gilles raakt verslaafd en brengt tijd in de gevangenis door. Ze moet Jagtlust verlaten en haar vrienden kopen een huisje voor haar in Garnwerd in Groningen. Dat is goed bedoeld maar zelf zit het haar niet lekker;

Het is zo, dat ik nu eigenlijk heel geen persoonlijke persoon meer ben. […] ik ben iemand die voortaan nu altijd (24 uur per etmaal) dankbaar (nou shitt!) maar, erger nog ‘gelukkig’ moet zijn.

Toch zou ze er langzaam wennen en ook lokaal actief zijn. Ze blijft er een keur aan relaties op na houden en vriendinnen komen haar daar bezoeken. Die vriendschappen zijn een verhaal apart. Frederike is een eigenzinnig persoon en ze kan jarenlange vriendschappen ineens beëindigen. Dat gebeurde met Charlotte Mutsaers maar ook met anderen. Ook de vader van haar zoon, haar broer Hein en zelfs haar zoon Gilles werden ‘bijgezet in het rijtje’ van personen over wie ze uiteindelijk nooit meer sprak. Het was tragisch dat ze haar zoon drie jaar zou overleven.

Frederike schrijft verhalen en gedichten maar niet veel. Haar oeuvre past in 500 pagina’s en daar zal ik nog op terugkomen als ik dat gelezen heb. Ze heeft ook illustraties gemaakt maar was eigenlijk een totaalkunstenaar. Alles kon ze gebruiken. Kleine voorwerpen of knipsels voor collages, miniatuurvoorstellingen in walnoten tot een complete installatie in een steendrukkerij met een nagebouwde versie van haar sprookjesachtige kinderkamer.

Toch ben ik gefascineerd door haar proza en gedichten waarvan Meijer veel voorbeelden geeft en die ze (soms tegen beter weten in) probeert te duiden. Frederike tart alle regels van woordkeuze, grammatica (een punt middenin een zin) en logica. De kritieken en het succes zijn er ook naar. Ze wordt vaak uitgenodigd voor congressen en bijeenkomsten maar verschijnt zelden. Als de bekende componist Joop Stokkermans haar gedichten op muziek wil zetten wordt hij afgepoeierd;

‘Ik heb gezegd dat hij eerst zijn studie maar af moest maken…Iedere zeehond kan wel zeggen dat hij componist is.’

Toch komt ze er mee weg en wordt ze als oorspronkelijke schrijver en dichter op handen gedragen en ik moet zeggen dat ik deze biografie met stijgende fascinatie heb gelezen. Voor de persoon, die mij vaag bekend was en het werk dat mij nog niet bekend was maar dat je wil gaan leren kennen na het lezen van de biografie. Laat ik afsluiten met de woorden van de biografe zelf over Frederike en die wat zegt over hoe Frederike werd gezien;

Ze wordt nu alom bemind vanwege haar bijzonderheid. Men is blij als ze zich – hoe weinig ook – vertoont. Het beeld van de ontremde bohemienne draait dus: Harmsen van Beek wordt ‘the darling of the forces.’ Men heeft besloten dat ze de wereld een klein maar blijvend betoverend oeuvre heeft geschonken, dat ze net zo eigenaardig mag zijn als ze wil, het is allemaal goed.

Zaterdag 4 april 2009 glijdt ze weg in de dood, eenentachtig jaar oud.

Op 4 juli van dit jaar overleed Remco Campert op een leeftijd van 92 jaar. In 2018 verscheen al Een knipperend ogenblik, een portret van Remco Campert geschreven door Mirjam van Hengel. Campert leefde dus nog en heeft zijn medewerking aan dit boek verleend. Daarvoor heeft de auteur twee jaar lang bezoeken afgelegd om met Campert te praten.

In die zin is het dus geen volledige biografie, maar een portret. Het is ook duidelijk dat niet alles wat Campert heeft verteld het boek heeft gehaald. Wat overblijft is niettemin een prachtig verteld verhaal over één van de grote schrijvers van ons land.

De auteur komt niet alleen naar Campert om verhalen aan te horen, ze doet ook haar research en brengt dus ook informatie mee. Zo informeert ze hem over de school waarop hij tijdens de oorlogsjaren zat. De joodse leerlingen moesten apart gehouden worden en men bedacht een oplossing door een muur in de school te bouwen. Joodse kinderen namen de achteringang, de andere kinderen de hoofdingang. Na enkele maanden merkten de kinderen aan de voorkant hoe stil het was geworden achter de muur. Van Hengel;

Terwijl ik over de school praat verandert Remco’s gezicht. Grote schrikogen die langzaam vollopen, bloed trekt naar zijn wangen. Radeloos kijkt hij me aan.
‘En die zijn uiteindelijk allemaal niet teruggekeerd. Gódverdomme.’ Ik zie voor het eerst de rafels van zijn oorlogsjaren.

De oorlog is belangrijk voor Campert, net als voor ‘de grote drie’. Zijn vader verliet zijn gezin toen Remco drie jaar was en zou uitgroeien tot een verzetsheld. Jan Campert zou in een concentratiekamp omkomen.

Campert vertelt dat hij pas in het gedicht ‘Januari 1943’ voor het eerst over zijn vader kon schrijven, maar Van Hengel komt erachter dat zijn vroegste bijdrage aan een schoolkrantje juist over zijn vader gaat. Naast bijdragen aan de schoolkrant gaat Campert gedichten schrijven en richt hij met zijn vriend Rudy Kousbroek het tijdschrift Braak op. Het is een platform voor experimentele dichters, waar ook Lucebert, Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar, Hugo Claus en Jan Elburg zich bij aansluiten. Ze zullen worden aangeduid als De Vijftigers.

Hij ontmoet ook zijn eerste vrouw Freddy en, na een kort avontuurtje met Andreas Burnier, trouwt met haar. Wellicht te snel, want hij laat haar in de steek op een vakantie in Mallorca. Hij stapte op zijn scooter om in Nederland geld te gaan halen en kwam doodleuk nooit meer terug. Op literair gebied zijn Ernest Hemingway, Scott Fitzgerald en Raymond Queneau voorbeelden. Van die laatste kijkt hij de spellingsgrappen af die hij bijvoorbeeld in Het leven is vurrukkulluk gebruikt. Ook de jazzmuziek, en met name de bebop, inspireert hem.

Zijn tweede huwelijk, met Fritzi Harmsen van Beek was ook geen lang leven beschoren. Met haar ging hij in haar grote huis Jagtlust in Blaricum wonen wat een hedonistische ontmoetingsplek zou worden voor schrijvers en dichters. De biografie over Fritzi kunt u nog een keer tegemoet zien op dit blog.

Van gedichten word je niet rijk dus Campert schreef ook columns ‘om den brode’ en werkte aan zijn eerste roman. Die roman, Het leven is vurrukkulluk, wordt welwillend ontvangen. Hij is inmiddels toe aan echtgenote drie, Lucia van den Berg met wie hij twee dochters krijgt. Dat vaderschap ligt hem niet zo en dat geldt ook voor de moeder. De kinderen worden vaak aan hun lot overgelaten of ondergebracht bij kindermeisjes.

Ook met Lucia houdt hij het niet lang vol, hij ontmoet galeriehoudster Deborah Wolf. Zij mag prinses Beatrix tot haar clientèle rekenen en er staat een hilarisch verhaal in dat Deborah eens een dronken vriend onder de tafel moest verstoppen toen Beatrix onverwacht langs kwam.

Het boek heeft mij wel nieuwsgieriger gemaakt naar het werk van Campert. Ik heb nog niet veel van hem gelezen en zijn gedichten kende ik niet maar wat ik wel heb gelezen bevalt me, zoals de lichte ironie in dit gedicht

Als Paul van Ostaijen
niet zo jong gestorven was
en nu nog leefde
dan was hij 69 geweest

daar moet je toch eigenlijk
ook niet aan denken  

Verder vind ik het erg leuk om te lezen over het Nederlandse literaire klimaat en er zijn verhalen te over in dit boek. Over zijn losbandige leven, hij heeft zijn leven lang gerookt en gedronken, maar ook over zijn vakmanschap. Zo had hij zijn ‘jawoord’ gegeven om een column met Jan Mulder te schrijven. Dat boezemde hem wat angst in;

Hij wist hoe gebrekkig zijn zelfdiscipline kon zijn. Maar na een paar maanden CaMu raakte hij eraan gewend. Overdag broedde hij, las zijn kranten, liep door de stad, keek uit het raam, om er aan het eind van de middag voor te gaan zitten. Stond de eerste zin er eenmaal, dan kon hij verder en was het meestal in een uur, anderhalf uur gepiept. Iedere keer lukte het. Tien jaar lang.

Over zijn einde had Campert ook al nagedacht. Hij heeft herhaaldelijk geschreven over hoe hij ervoor wil staan als het zover is: met zoveel mogelijk zaken voltooid. Hij zei:

‘Eigenlijk zou ik willen dat, als ik doodga, alles precies is opgelost, dat ik geen verleden meer heb…Als ik doodga wil ik niets meer hebben om over te tobben. En dat moet kunnen. Vroeger had je het Polygoon Cineac Journaal, waar op de titelrol een meneertje van krantenpapier geknipt te zien was. Op een gegeven moment rolde hij zichzelf op, tot een klein dingetje dat van het doek aftolde. Zoiets stel ik me voor.’

Een meneertje van krantenpapier dat zichzelf oprolt als het klaar is. Ik vond het een mooi beeld.

9460041671.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Met De Sleutel heeft Paul Claes Vijfentwintig gedichten van Noord en Zuid ontsloten, zo staat er op de voorkant. Noord en Zuid staat daarbij voor Nederlandse en Belgische gedichten en de sleutel of code, dat zijn er eigenlijk twee zo betoogt Claes;

De eerste code is de intertekstualiteit. Alle literaire teksten zijn verweven met elkaar. Zelfs de allermodernste dichters schrijven in een traditie…Ze verwijzen naar voorgangers, volgen hen na of bekritiseren hen.

Claes gebruikt deze sleutel door veelvuldig te verwijzen naar andere teksten of gedichten om zo de tekst van een gedicht te verklaren. Dat werkt vaak verhelderend. Maar er is nog een sleutel;

De tweede code is die van de poëtica. Poëzie is taal die tot het uiterste met betekenis is geladen en daarom afwijkt van het gewone taalgebruik…De boodschap wordt veeleer gesuggereerd dan direct weergegeven. De raadselachtige formulering kan alleen ontsloten worden door wie de poëtische regels kent.

Ik ging er eens goed voor zitten. Het gaat om gedichten van dichters die mij niet altijd even bekend zijn, maar goed, ik ken meer dichters en gedichten niet dan wel. Guido Gezelle, Herman Gorter, Slauerhoff, Lucebert, Chr. J. van Geel en Gerrit Achterberg kende ik natuurlijk wel. Prosper van Langendonck, Maurice Gilliams, Jos de Haes en Dirk van Bastelaere deden al minder bellen rinkelen.

Om maar met Gezelle en de eerste sleutel te beginnen, er staat een naamloos gedicht van Gezelle in dat hij onvoltooid liet. Claes gaat op zoek en meldt dat Gezelle rechtstreeks zijn inspiratie ontleende aan Shakespeare. Waar de Engelse bard de harmonie der sferen evoceerde, het melodieuze geluid van de kristallen hemelschijven, heeft Gezelle het over de hemelbollen die op en neer voor de voeten van de Heer rollen. Het is prettig zo’n uitleg te lezen want ik zou er geen idee bij hebben. Nu wel, al is het maar omdat ik het klassieke werk van componist Joep Franssens ken, getiteld ‘The Harmony of the Spheres’.

Herman Gorter is ook een bekende naam en één die niet altijd werd begrepen in zijn tijd. Zijn beroemde gedicht Mei werd goed ontvangen, zijn bundel Verzen uit 1890 wat minder. Nu schrikken we hier niet meer van;

De oogen in u die fonkelden jong-goude,
het bloed in u vloog wentel-roowiekend om,
de oogen der lucht die antwoordden zoo goude,
boven dreven ijsschuimwolken om.

Óf de dichter óf tal van beschaafde mensen in Nederland zijn krankzinning, was het commentaar in de vakbladen. Het valt mee, Claes legt het u geduldig uit wat hier achter te zoeken.

Zo verdedigt hij ook J.H. Leopold, die het waagt om een gedicht te beginnen met

Een sneeuw ligt in den morgen vroeg

‘Een’ sneeuw kan natuurlijk helemaal niet want sneeuw is niet-telbaar. We zeggen ook niet ‘een zand’. Mevrouw F. Balk-Smit Duyzentkunst, hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Amsterdamse universiteit meende door dit taalgebruik zelfs een existentiële crisis bij Leopold te bespeuren. Toch toont Claes met die eerste sleutel aan dat ‘een sneeuw’ veel vaker voorkwam en Leopold hierin geenszins alleen stond. Boeiende materie vind ik het.

Paul van Ostaijen brengt in zijn Polderlandse Arkadia het lieflijke Arcadië inderdaad naar onze contreien. Niks lammetjes weiden, hier loopt de zwijnenweider rond. Geen panfluiten maar okarino’s. De ontleningen en tekstverklaringen zijn niet aan te slepen hier.

Nu merkt u wellicht dat ik meer met de intertekstualiteit bezig ben dan met de tweede sleutel, de poëtica. Dat komt omdat de klank, het ritme of de stijl wat makkelijker tot mij komen en ik daar minder duiding nodig denk te hebben. Toch een voorbeeld dan; Claes wijst op het gebruik van de letter l in het Vierde gedicht voor Maria Magdalena van Paul Snoek en wijst op het vloeiende karakter van woorden als licht, lippen, ligt, luistert en lichaam. Toch vind ik verwijzingen naar andere werken dan net wat interessanter, zeker als de auteur zelf een ontdekking doet, zoals in het gedicht van Gerrit Achterberg, Eben Haëzer. Dat luidt;

Besloten zaterdagavond bij ons thuis.
Mistvoeten liepen sluipend langs de schuur.
Er was geen ziel meer buiten op dat uur;
de blauwe boerderij een dichte kluis.

Daar woonden wij bijeen met man en muis.
Door koestalraampjes viel een richel vuur
uit goudlampen op deel, eeuwig van duur
en stil van lijnkoeken en hooi in huis.

Mijn vader celebreerde er de mis:
de koeien voeren, plechtig bij de koppen.
Hun tong krult om zijn handen als een vis.

Een schim, diagonaal tot in de nokken.
Godsdienst hing zwaar aan de hanebalken.
Zijn aderen beginnen te verkalken.

De wereld van Jan Siebelink, Maarten ’t Hart en Jan Wolkers ten voeten uit, maar wat klopt er niet? De auteur kreeg van een correspondent te horen dat de negende regel voor de rechtgelovige protestant ronduit schokkend is. De Heilderbergse catechismus omschrijft de paapse mis als ‘een vervloekte afgoderij’. Kent u uw Bijbelteksten niet, dan had u er zo maar eens overheen kunnen lezen.

Het Egidiuslied, de Meepse Barg van Lucebert; er is nog veel meer te ontdekken en grappig is dat Claes de meesterduider der poëzie Gerrit Komrij toch een paar keer fijnzinning terecht wijst.

Dit zal de eerste keer zijn dat ik een bespreking plaats van een boek dat ik niet uit heb gelezen, nooit uit zal lezen en waarover ik toch erg enthousiast ben. Dat heeft een goede reden. Het boek in kwestie is het franstalige Cent mille milliards de poèmes van de Franse schrijver, dichter en wiskundige Raymond Queneau.

Even voor de vertaling, de titel wil zeggen honderdduizendmiljard gedichten. Dat lijkt een ambitieus geroepen getal door uw kleine neefje op de vraag hoeveel sinterklaasgedichten hij wil hebben, maar het is een serieus aantal, terwijl het boek niet overmatig dik is. Het zit zo.

In Frankrijk werd in 1960 een club opgericht door een aantal schrijvers en wiskundigen met de naam Oulipo. Dat staat voor Ouvroir de littérature potentielle, ofwel een soort werkplaats voor potentiële literatuur. Het doel van Oulipo was om literatuur te schrijven die gebaseerd is op precieze beperkingen, soms van wiskundige aard. Raymond Queneau was één van de oprichters en schreef een boek met, in potentie, honderdduizendmiljard gedichten.

Dat deed hij als volgt. Hij begon met het schrijven van tien sonnetten. Dat is een dichtvorm die standaard uit veertien regels bestaat en een vast rijmschema heeft. Queneau volgde het rijmschema abab abab ccd eed. Dat wil zeggen dat de eerste, derde, vijfde en zevende regel op elkaar rijmen, de tweede, vierde, zesde en achtste regel rijmen op elkaar, de negende regel rijmt op de tiende, de twaalfde op de dertiende en de elfde op de veertiende regel.

Maar daar houdt het niet op. Queneau zorgde ervoor dat de eerste regel van het eerste sonnet rijmt op de eerste regel van het tweede sonnet, op de eerste regel van het derde sonnet enzovoort. De tweede regel van het eerste sonnet rijmt op de tweede regel van het tweede sonnet, op de tweede regel van het derde sonnet enzovoort. De derde regel van het eerste sonnet…afijn; u begrijpt het procédé.

Nu is het bijzondere van dit boek dat alle regels losgeknipt zijn van elkaar. Niet helemaal, aan de linkerkant zitten ze vast, dus ik kan naar believen de eerste losse regel omslaan, of de eerste twee, of alleen de tweede regel, of de tweede twee regels, of drie…De wiskundigen onder ons snappen dat je aardig door kunt combineren zo. Voor de eerste regel zijn er 10 mogelijkheden, want er zijn 10 sonnetten. Ook voor de tweede regel, tot en met regel 14. Dat maakt dus 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 = 1014 ofwel 100.000.000.000.000 ofwel honderdduizendmiljard sonnetten, waarvan het rijmschema dus ook nog eens klopt. Stel je leest ruim een minuut over een sonnet en je leest 24 uur per dag (je hebt iets over voor de poëzie) dan ben je ruim 200 miljoen jaar bezig. U snapt dat ik hem nog niet helemaal uit heb.

Levert dat dan ook mooie poëzie op? Dat is de vraag en de Nederlandse schrijver en vertaler uit de Franse literatuur Martin de Haan schreef daar een mooi artikel over dat u hier kunt lezen. Hij geeft ook een toelichting op het eerste sonnet dat ik hieronder weer zal geven en dus niet ga vertalen, dat laat ik over aan de vakman. Er valt dus best iets af te dingen op het idee van Queneau maar dat laat onverlet dat ik het een hoogst origineel boek vind en er direct mee aan de slag ben gegaan. Ik word niet gehinderd door enige poëtische expertise dus ik kan de meest fraaie sonnetten samenstellen. Voor mijn Frans kan het geen kwaad. Het eerste sonnet luidt als volgt;

Le roi de la pampa retourne sa chemise
pour mettre à sécher aux cornes des taureaux
le cornédbif en boîte empeste la remise
et fermentent de même et les cuirs et les peaux

Je me souviens encor de cette heure exeuquise
les gauchos dans la plaine agitaient leurs drapeaux
nous avions aussi froid que nus sur la banquise
lorsque pour nous distraire y plantions nos tréteaux

Du pôle à Rosario fait une belle trotte
aventures on eut qui s’y pique s’y frotte
lorsqu’on boit du maté l’on devient argentin


L’Amérique du Sud séduit les équivoques
exaltent l‘espagnol les oreilles baroques
si la cloche se tait et son terlintintin

In deze bundel Gedichte gedachten zijn een aantal gedichten van oud-politicus en schrijver Jan Terlouw bij elkaar gebracht. Terlouw schrijft zijn hele leven al gedichten en dat doet hij met een reden;

Het overkomt me, als ik een lezing voorbereid, dat ik zin heb om het onderwerp te concentreren in enkele rijmende regels. Dat helpt me om mijn gedchten te ordenen en tot de kern terug te brengen.

Soms dicht hij om geen andere reden dan om een eenvoudig levenslied te schrijven, soms dicht hij op uitnodiging. Zo staan er twee gedichten in die hij schreef op verzoek van Liesbeth List, maar die helaas nooit op muziek en dus ook nooit uitgevoerd zijn. Enkele teksten zijn wel op muziek gezet, onder andere door pianist Leonard Leutscher voor het Orion Ensemble.

Terlouw laat zichzelf niet omschrijven als dichter, de gedichten dienen andere doelen en dat lijkt me prima. Als poëzie was ik er niet van onder de indruk. Het is een sympathieke man en de gedichten zijn dat evenzeer. Het metrum is vaak aangenaam maar daar bleef het voor mij bij. Er zijn een aantal onderwerpen waarover Terlouw dicht, de natuur, politiek, leven en liefde, leed, stad en land en cabaret.

Een voorbeeld dan uit de sectie natuur, met de titel Waddenzee:

In eeuw’ge aarzeling tussen zee en land,
afwisselend zand en slib, ligt onontgonnen,
als woongebied van kokkels en van nonnen,
Het Wad, Europa’s zoute waterkant.

Hier groeit het fraaie duizendguldenkruid.
Hier voedt de blauwe kiekendief zijn kuiken,
te midden van miljoenen alikruiken.
Hier zont de zeehond met zijn jonge bruid.

Het is aan u of dit uitnodigt hier een bundel van te lezen. Maar er is wel degelijk een reden waarom ik deze bundel aanschafte, en dat is het gedicht Elgar, dat ik in zijn geheel weergeef;

Er zijn duizendmiljard sterren
in het heelal.
Maar vanaf de dag dat jouw leven begon
was je voor mij het dartele, stoeiende
doelgericht naar volwassenheid groeiende
lichtpunt.
Mijn stralende zon.

Er zijn duizendmiljard sterren
in het heelal.
Sommige waarneembaar, maar terwijl je ze ziet
voel je de gapend blauwe, onvruchtbare
en voor eeuwig onoverbrugbare
afstand.
Ze zijn en zijn niet.

Je hebt je gevoegd bij de
duizendmiljard sterren
in het heelal.

Ik sta bij het open, nachtelijke raam,
niet begrijpend, starend in de donkere
mysterieus en afstandelijk flonkerende
verte.
En ik zeg je naam.

Terlouw schreef het ter nagedachtenis aan zijn neef Elgar, die op 22-jarige leeftijd omkwam bij een stom verkeersongeluk in Frankrijk. Elgar, die mijn vriend was op de MEAO en die hier een monumentje verdient.

9038806116.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de man zit nog een jongen. Die titel gaf Elsbeth Etty mee aan haar biografie van dichter en schrijver Willem Wilmink. In mijn bespreking van Wilmink’s Verzamelde liedjes en gedichten noemde ik hem ook nog een zanger, maar je leert bij uit een biografie. Hij zong zijn liedjes, zeker, maar echt een zanger was hij ook weer niet.

Etty heeft een prettig leesbare biografie geschreven van ruim 470 pagina’s. Ik ben een liefhebber van het werk van Wilmink en of dat meteen inhoudt dat ik alles over zijn leven wil weten, nou nee; niet meteen. Toch houd ik van dit soort boeken. Natuurlijk is het aardig om de man wat beter te leren kennen maar ik vind het leuker om de tijd en het milieu te leren kennen waarin iemand zijn werk schreef en om te zien met welke personen hij in aanraking kwam of welke gebeurtenissen zijn werk hebben beïnvloed.

Ik hoef zijn levensloop hier niet te herhalen, leest u daar het boek zelf maar voor, maar een kleine spoiler is wel op zijn plaats. Bent u lyrisch over zijn werk en dweept u met Wilmink, dan misschien dit boek maar niet ter hand nemen, want er kunnen u een paar schellen van de ogen vallen. Wilmink was wel een man met een gebruiksaanwijzing, ‘to put it mildly.’

Zijn talent voor het aanleveren van gedichten en liedteksten werd al snel onderkend en hij werd bijvoorbeeld door Hedy d’Ancona gevraagd om teksten aan te leveren voor de cabaretgroep La Pie qui chante. Pianist, componist en latere presentator Han Reizger zette zijn teksten op muziek. Wilmink is nog een blauwe maandag leraar geweest, wat geen onverdeeld succes was overigens. Frits Barend en Erwin Rutte, die later nauw met Wilmink zou samenwerken voor De Film van Ome Willem, waren leerlingen van hem.

Op het amoureuze vlak verging het Wilmink aanvankelijk niet best. Hij grossierde in blauwtjes die hij liep, maar trouwde uiteindelijk met Noor. Hij kreeg twee zoons, maar het huwelijk was geen succes. De belangrijkste reden waren zijn driftbuien. Die waren voor Noor een volkomen onbekend fenomeen;

Hij ontplofte om niets. Ik kon me niet voorstellen dat iemand zich in ernst zo aanstelde, maar hij had gewoon een cholerisch karakter. Hij geneerde zich nergens voor. Hij was vaak razend op mij of op het leven, en hij probeerde nooit zijn woede een beetje te temperen. Integendeel. Het werd steeds erger. Vaak met een flinke slok op.

Wilmink wordt wetenschapper en zal uiteindelijk zelfs promoveren, maar dat had behoorlijk wat voeten in aarde. De rode draad is hier de erkenning waar Wilmink zijn hele leven naar zocht. Hij wilde voor iedereen begrijpelijk schrijven en ontkende dat hij voor kinderen schreef, hij schreef voor iedereen. Zelfs zijn proefschrift was voor jong en oud leesbaar. Toch bleef hij altijd het gevoel hebben dat er op zijn kunst neergekeken werd.

Aan verzoeken om teksten lag het niet. Hij kon uiteindelijk leven van zijn werk. Hij schreef teksten voor Cabaret Don Quishocking, ging publiceren, werkte voor De Stratemakeropzeeshow, De Film van Ome Willem, Sesamstraat, Het Klokhuis en hij bleef onafgebroken gedichten schrijven. Het mooie van die gedichten, ga ze vooral lezen, is dat hij ze voor iedereen schreef. Hij omarmde ieder ras en geloof, daar is zijn werk van doortrokken.

Zijn tweede vrouw, Wobke, kon wel zijn gebruiksaanwijzing hanteren. Hij verhuisde met haar onder meer naar Zeist, voor ze in zijn gebooteplaats Enschede neerstreken. Wilmink had wel steeds meer last van verschillende dwangneuroses en angsten. Dat leidde soms tot voor veel mensen onbegrijpelijke keuzes. Hij was bijvoorbeeld niet op de bruiloft van zijn zoon of bij de uitvaart van zijn goede vriend, de componist Harry Bannink. Het was geen desinteresse, hij kon het niet, zo legt zijn goede vriend Herman Finkers uit aan Etty. Overigens heeft Wilmink wel een prachtige anekdote over Bannink, die niet in hel en hemel geloofde;

Kort na diens dood droomde hij dat hij Bannink belde met de vraag waar hij zich bevond. ‘In Paleis Het Loo,’ luidde het antwoord. Zo eigenwijs was hij dus, concludeerde Wilmink. ‘Nou zit-ie in de hemel en gelooft-ie het nog niet.’

Na een herseninfarct en een aantal tia’s gaat de gezondheid van Wilmink achteruit en uiteindelijk houdt hij zelf de regie over zijn leven. Het is een mooi boek over een man die niet makkelijk was voor zichzelf en voor anderen, maar die uiteindelijk de erkenning kreeg waar hij zo naar zocht. Misschien had ik wat meer willen lezen over het proces van schrijven. Ik lees steeds dat het hem makkelijk af ging en dat hij maar zelden een opdracht afwees maar het blijft een beetje ongrijpbaar. Wellicht is er ook niet meer over te vertellen en speelde dat proces zich uitsluitend in zijn hoofd af.

Je kon er wel mee spelen, zoals Joost Prinsen deed. Die wilde een gedicht over de Joodse goochelaar Ben Ali Libi hebben. Wilmink zegde dat wel toe maar het duurde erg lang. Toen schreef Prinsen het maar zelf en stuurde het op naar Wilmink. En dan kom je op zijn terrein…Wilmink:

‘Je kan misschien een beetje toneelspeel’n, maar denk nou niet dat je ook kan tekstschrijv’n’

Wilmink stuurde per kerende post zijn versie terug en het is één van zijn bekendste werken geworden.

 

9023428293.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Made in Rotterdam bevat de verzamelde gedichten van Cornelis Bastiaan Vaandrager. Het boek is samengesteld door zijn vrienden Hans Sleutelaar en Martin Bril. Of die daarmee goed werk hebben verricht, daar kom ik nog op terug.

Het boek van ruim vierhonderd pagina’s geeft in ieder geval een mooi beeld van de dichtkunst van Vaandrager. Hij behoorde tot ‘de zestigers’, wat inhoudt dat hij zijn inspiratie uit de werkelijkheid haalt, uit de wereld om hem heen met al zijn indrukken. Dat kan de stad zijn (vaak Rotterdam uiteraard), maar dat kunnen ook reclame-uitingen zijn, filmfragmenten of zelfs kassabonnetjes.

Vaandrager speelt met taal en dat zie je in alles terug. Zo gebruikt hij ‘readymades’. Dat zijn fragmenten die al bestaan en die niet als gedicht bedoeld zijn, maar die het worden door ze uit hun context te halen. Een voorbeeld uit deze bundel;

Meneer Dinges
weet niet wat swing is.

De tekst komt uit een refrein van een liedje van het duo Johnny en Jones. Het is zelfs als straatkunst gebruikt op een veegwagen van de Rotterdamse reinigingsdienst. Vaandrager, die het Algemeen Beschaafd Nederlands perfect beheerste, volgde meer en meer zijn eigen regels. Hij paste zijn spelling stelselmatig toe als dichterlijk uitdrukkingsmiddel, zoals in het gedicht Tegel;

God sgiep
land
water
en lug.
maar Zijn mees kreatieve wens
was tog
Rotterdamse mens.

Vaandrager gebruikte zijn ervaringen, zoals zijn opnames in de kliniek, in zijn werk en zo kan het voorkomen dat verpleger Arend zijn plek in de Nederlandse literatuur krijgt. Ook heeft hij het over Jules Deelder, met wie hij het niet goed kon vinden (naar verluidt duwde hij hem zelfs van de trap). Die onmin werd echter door de heren wel gecultiveerd, want toen Herman Brood eens als vredestichter wilde optreden vond hij de heren ineens gezamenlijk tegenover zich.

De dichtbundel Martin, waarom hebbe de giraffe…is ook een pareltje. De gedichten hieruit lijken voor kinderen maar de lovende kritieken zeggen het al; alles wordt hierin teruggebracht tot de essentie van taal. Zo bevat het gedicht Citroen associaties en synoniemen;

Appel, appelsien, sinaasappel,
zure appel, noot, kers, manderijn,
peer, perzik, tomaat.
Eieren, eitje, paaseieren, spiegelei.
Er al heel ver van af: zure bom.

Waar ik u ook Paddestoel uit dezelfde bundel niet wil onthouden:

Kebouters. Kebouterpale, – stoele.
Waar kebouters op zitte, wat
onder kebouters zit.
Kersmis. Bloeme van Kersemis, om
in kersboom te hange, stoeltjes
voor Kersmannetjes.
Nie kwaad: bloemparaplu.
Schemerlampe! Bromtolle!
Vergiftige dinge.
Kappe, lampe, sgilpadde, stokke, tafel.
Bloeme, bloemetjes, bloemestoeltje (!),
bome.

Het is een feest om te lezen en zo gaat het maar door. Opmerkelijk is het gedicht Het verhaal van een ooggetuige met een ecologisch visioen in een tijd dat het milieu nauwelijks een rol speelde. Kleine woordspelingen als (handwasje) achter een Duitse uitdrukking schon gut plaatsen, ik geniet daarvan. Ook het grotere gebaar wordt niet geschuwd, zoals in zijn gedicht over de dichteres Anna Blaman;

Ze was altijd ontzettend hartelijk.
Ik vond haar ontzettend lelijk en ontzettend aardig.
Maar laten we eerlijk zijn:
schrijven kon ze niet.

Dat werd hem uiteraard niet in dank afgenomen en hij ontving de Anna Blamanprijs pas toen haar erven het niet meer tegen konden houden.

Dan de samenstellers, Sleutelaar en Bril. Zij verantwoorden hun keuzes deels achterin dit boek, maar zij hebben behoorlijk in het werk geschrapt. Biograaf Menno Schenke zegt over de bundel Sampleton:

Een aanzienlijk aantal gedichten is door de bezorgers Hans Sleutelaar en Martin Bril verminkt, een ander woord is er niet voor. Uit Vaandragers summiere nalatenschap blijkt dat beide tekstbezorgers rigoureus het rode potlood hanteerden en dat Vaandrager te makkelijk met versies van Sleutelaar en Bril akkoord is gegaan.

Gelukkig vult de biografie ontbrekende delen weer aan. In die biografie staat trouwens veel informatie over de gedichten waardoor het meteen een klein feest van herkenning was tijdens het lezen. Ik ben dus enthousiast over het werk van Vaandrager, al was het maar om zoiets eenvoudigs maar ook zoiets bekends, opgenomen in een muurschildering van Klaas Gubbels in de restaurantzaal van Hotel New York op de Wilhelminapier in Rotterdam;

De kroketten in het restaurant
zijn aan de kleine kant.

 

9403199709.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik was zeer te spreken over het debuut van de jonge dichter Yahya Hassan. Rauwe, eerlijke verhalen in kapitalen opgetekend, over zijn leven en jeugd in een Palestijns vluchtelingenkamp. Over het opgroeien in een achterstandswijk in het Deense Aarhus, over de criminaliteit en drugswereld en de internaten waarin hij terecht kwam.

In zijn tweede en laatste bundel, Gedichten 2, is die magie voor mij toch een beetje uitgewerkt. Het is zijn laatste bundel omdat Hassan op 29 april 2020 overleed, 24 jaar jong. Deze bundel gaat verder waar deel 1 ophield en gaat over zijn succes als dichter, maar ook over de politiebeveiliging, over achtervolgingen en vechtpartijen, over zijn tijd in de gevangenis en zijn opname in een kliniek.

Hij kon zijn oude leven niet opgeven maar bleef wel dichten en deze bundel verscheen eind 2019. Ook deze gedichten staan allemaal in hoofdletters en zijn rauw en onverbloemd, maar ik had meer gevoel bij zijn debuutbundel. Eerlijk gezegd vond ik dit meer van hetzelfde.

Dat neemt niet weg dat er wel mooie passages instaan. Als u nog even kijkt naar de video bij mijn vorige bespreking en zijn monotone voordracht voor de geest haalt, dan werkt dit het beste in zijn langere gedichten. Maar ook in de kortere werken zitten mooie stukken, zoals in het gedicht GEVANGENISSLEUR;

ALS ZE ZEGGEN DAT IK BEZOEK HEB
ZEG IK DAT IK MIJN VISITE NIET KAN ONTVANGEN
ALS ZE ZEGGEN DAT MIJN VISITE OP MIJ WACHT IN DE BEZOEKRUIMTE
ZEG IK DAT IK NIEMAND HEB UITGENODIGD
ALS ZE ZEGGEN DAT IK POST HEB GEKREGEN
ZEG IK DAT IK VOOR DAT SOORT DINGEN EEN SECRETARESSE HEB

En dat gaat zo nog even door. Hij beschijft hoe hij zijn tijd door komt in de gevangenis en het een beetje draaglijk houdt voor zichzelf. Ook in deze bundel is hij ongenadig hard voor de Islam, wat leidde tot persoonsbeveiliging. Dat beschrijft hij onder meer in het hoofdstuk KNUFFELALLOCHTOON;

IK FLANEER DOOR EUROPA
MET EEN DICHTBUNDEL IN MIJN BINNENZAK
LIJFWACHTEN CORRIGEREN MIJ EN LAVEREN MIJ
DIE ARME MANNEN HEBBEN HET BETER IN MIJN LEVEN
DAN IKZELF
ZE WEKKEN MIJ MET EEN POLITIEPENNING
ALS IK TE LANG SLAAP
EN BEGELEIDEN MIJ ALS DE KONINGIN
EN MOPPEREN ALS IK JOINTJES ROOK

Uiteindelijk kon Hassan waarschijnlijk het leven niet aan. Hij bleef verwikkeld in vechtpartijen, werd uiteindelijk opgenomen en stierf op jonge leeftijd. Wat overblijft zijn de twee bundels, waarin hij het nog één keer heeft kunnen uitschreeuwen;

RECENT HEB IK EEN KWADE LACH GEJAMMERGRIJNSD
EN IETS UITGESCHREEUWD
IN EN UIT GEVANGENISSEN EN GEKKENHUIZEN
RECENTELIJK BEN IK GEK GEWEEST
HEB IK EN PLEIN PUBLIC RONDGEREND
IN EEN KOGELVRIJ VEST EN EEN ROZE G-STRING
EN MENSEN MET TWEE WAPENS GESLAGEN
IN SOLIDARITEIT MET PUSSY RIOT
BITCH I’M TIRED

Vertaling; Lammie Post-oostenbrink

 

5dbc2c0b2a7b095592f53385967444341587343_v5
Van Nijlens poëzie is slechts genietbaar voor hen die zijn ‘voorname weemoed om het voorbijgaan der dingen delen’, aldus Menno ter Braak in de krant Het Vaderland. Na het lezen van De Verzamelde Gedichten 1903-1964 van Jan van Nijlen deel ik deze mening zeker, maar ook niet altijd. Het helpt wel om de biografie van Jan van Nijlen te lezen voor men aan zijn gedichten begint, dat maakt duidelijker waar zijn weemoed vandaan komt.

De gedichten die in deze bundel zijn opgenomen zijn bezorgd in 1964 door de goede vriend en kenner van Van Nijlens werk Clem Bittremieux, een jaar voor het overlijden van de dichter. In een kleine 400 pagina’s is er een keuze gemaakt uit twaalf bundels, samen met nog wat losse gedichten die opgedragen zijn aan vrienden.

Een keuze is natuurlijk altijd arbitrair en soms miste ik gedichten die in de biografie uitgebreid werden besproken. De eerste bundel wilde Van Nijlen aanvankelijk niet opnemen omdat de gedichten eigenlijk een relaas zijn van zijn persoonlijke crisis. Als er dan maar 11 van de 68 gedichten zijn opgenomen ben ik benieuwd naar de rest, zeker als je leest dat aan het eind de zomer een beetje doorbreekt maar dat in de bundel vooralsnog niet blijkt.

Die weemoed waar Ter Braak het over heeft zit er vaak in, maar ik werd af en toe gegrepen door een deel waar ik geen weemoed voor nodig heb. Hoe mooi kan je de herfst vatten in zinnen als

O volle lach van ’t leven dat voor ’t laatst
in kleur zich uitviert als een late avondzon
die stervensmoe in ’t water zich weerkaatst!

Vergankelijkheid, de diepe herfstkleuren en dat nog vermenigvuldigd ook, in een gedicht dat Levensvreugd is genoemd.

Het aangezicht der aarde wordt als Van Nijlens eerste belangrijke bundel gezien na zijn jeugdwerk. Toegegeven, de critici hadden het destijds over ‘een bundel gedichten van statige voornaamheid, die vaak zoo aandoenlijk wegsmelt tot teederen weemoed.’  Of dat nu nog als aanbeveling geldt weet ik niet, maar ga die gedichten eens onbevangen lezen. Wel met aandacht. Ik heb veel gedichten vaker gelezen omdat je in een onbewaakt ogenblik over de prachtigste dingen heen kan lezen, zoals dit deel uit Gedroomde reis;

Aleer de dageraad uit goudbeslagen deuren
treedt van den horizon, en eer de blauwe rust
der nacht in licht zich oplost, ruikt hij reeds de geuren
van vreemde bloesems bloeiend aan nog vreemder kust.

De natuur, verre horizonten en bespiegelingen zijn thema’s die vaak terugkomen in Van Nijlens poëzie. Het wemelt van druive- en kastanjelaren, er roepen en koeren ik weet niet hoeveel merels en duiven en de omgeving van zijn jeugd is een dankbare bron van inspiratie. Het interessante is dat de levensloop van Van Nijlen deels uit zijn gedichten is te herleiden. De bundel De vogel Phoenix laat de plattelandsidylle meer los en het decor wordt stedelijker. We zien een worsteling met het wereldbeeld en er zijn zelfs momenten van crisis, waardoor sommige gedichten een pijnlijke toets krijgen;

De trouwe sterren in den nacht,
pianospel in duistre straat…
Mijn God, wie had het ooit gedacht
dat ’t schone leven zó vergaat

Ik vond het fijn om de biografie erbij te hebben om per bundel te lezen hoe deze werd ontvangen en vaak werd ik gewezen op bepaalde gedichten en de reden waarom ze werden geschreven. Maar het is geen must. Van Nijlen schrijft in een prettige cadans en zijn gedichten lezen dus fijn weg, maar echt, lees ze niet te snel want ik heb bij het terugkijken vaak bemerkt dat ik toch prachtige delen gedachteloos weg heb zitten lezen. Tot slot zijn gedicht Onrust, waar hij zijn thema’s mixt met een vleugje humor in een bundel die zeer de moeite waard is;

Waarom zingt midden in den nacht
die vogel plots het lied
dat, naar de wet, hij wordt geacht
te zingen als in ’t weiflend uur
de daagraad wordt geboren?
– En jij dan, waarom slaap je niet?
Dan zou je hem niet horen.

 

7c3ec7bc211c7c2597251776951444341587343_v5
Waarom zou je een biografie over de Vlaamse dichter Jan van Nijlen (1884-1965) gaan lezen? Ik ben benieuwd hoeveel mensen hem überhaupt kennen. Toch was ik erg benieuwd naar De wereld is zoo schoon waarvan wij droomen door Stefan van den Bossche.

Ik kwam Jan van Nijlen tegen in de boeken over Jan Greshoff en Geert van Oorschot en zijdelings in die van Jeroen Brouwers. Mijn interesse in de Nederlandstalige literatuurwereld en poezië deed de rest. Het is een prima leesbare biografie van 670 pagina’s en dat was geen makkelijke opgave, want Jan van Nijlen heeft zijn leven lang zijn best gedaan om weinig tot niets over zijn privé-leven prijs te geven.

Nu is ‘prima leesbaar’ wellicht geen jubelende kwalificatie en dat heeft te maken met de gebiografeerde zelf én de auteur. Heel eerlijk gezegd; er gebeurt ook weing in het leven van Jan van Nijlen. In ieder geval weinig dat hijzelf initieert. Hij is honkvast en reist weinig tot niet, hij schrijft gedichten en kritieken over (met name Franse) literatuur en hij is ambtenaar met een smetteloze carrière op een vertaalbureau van het Ministerie van Justitie, waar hij het schopt tot directeur. Ook trouwt hij en krijgt twee kinderen. Als ik het dan over ‘prima leesbaar’ heb, geeft dat aan dat Van den Bossche een voor mij interessant boek heeft geschreven die weliswaar Jan van Nijlen als vertrekpunt heeft, maar evenzeer een beeld geeft van de Nederlandstalige literaire wereld in die tijd.

Zijn jonge jaren leveren nog wat turbulentie op door een vlucht naar Parijs en een verblijf in een Arnhems sanatorium. In de Eerste Wereldoorlog vlucht Van Nijlen met zijn vrouw ook naar Nederland waar ze opgevangen worden door Jan Greshoff. Na de oorlog keert hij terug naar België waar hij zich stort op zijn bijdragen voor allerlei literatuurtijdschriften, zijn gedichten en zijn werk bij de vertaaldienst. Zo bescheiden als hij is als persoon, zo stevig kunnen toch de kritieken zijn die hij schrijft. Hij ziet er geen been in om af te rekenen met het letterkundig leven van die tijd;

Ook gebeurt het wel eens dat men in de boeken en tijdschrift-bijdragen van dit zestig man sterke leger van Vlaamse letterkundigen een goede brok proza aantreft of een lief vers. Dit is echter zeldzaam, en het zou dan ook heel verwonderlijk zijn dat na jaren stiel, zelfs de minst bevoordeelde, niet eene toevallige vaardigheid verkreeg. Men voelt zich wee worden van al dat geliteratuur waar zoo weinig menschelijkheid in steekt en zoo bitter weinig leven!

Voilà, daar kunnen ze het mee doen. In de Tweede Wereldoorlog maakt Van Nijlen een persoonlijk drama mee als hij zijn zoon verliest. Charles overlijdt aan dysenterie in een kamp nadat hij is gearresteerd voor verzetswerk. Hij blijft wel dichten en put vaak uit zijn herinneringen maar ook uit ontmoetingen of alledaagse dingen. Hij breekt door als dichter en Greshoff zorgt voor een hulde-nummer voor Jan van Nijlen van zijn eigen tijdschrift De Witte Mier. Simon Vestdijk verwoordt het weer in het tijdschrift Groot Nederland als volgt;

Men maakt kennis met een vers van Van Nijlen, men kent het al, men heeft het altijd al gekend, het lijkt een ietwat vervelend, een wat mat en onbeduidend vers. Totdat men merkt, dat enkel Van Nijlen dit vers had kunnen schrijven, en wat meer zegt, dat het, in plaats van vervelend, alleen maar niet briljant is. Deze verzen zijn mat en dof op de goede wijze…; en leest men er tien, of twintig van, dan zullen ze elkanders schaduw ondersteunen, zoals bladeren, die hun picturale waarde ontlenen aan het gezamelijk gevormde lommer.

Van Nijlen ziet zijn vakmanschap bevestigd in verschillende prijzen. Toch blijft hij zijn teruggetrokken zelf. Op zijn gemak bij vrienden, maar hij blijft waar hij is. De vriendschap met Eddy du Perron is erg belangrijk en over hem zal hij zijn herinneringen te boek stellen. Die bespreking volgt nog. Ook maakt hij nog mee dat zijn zus, die in een klooster zit, vastgezet wordt vanwege financiële malversaties. Het zijn de weinige privé-gebeurtenissen die wel naar buiten komen, of het moet de getuigenis zijn van mevrouw Greshoff, die uit de doeken doet dat Jan van Nijlen, toen hij te diep in het bierglas gekeken had, in het bed van zijn dochter in slaap was gevallen. Zijn vrouw voer daarop verschrikkelijk tegen hem uit (’Jan van Nijlen, ge zijt een zot!’).

Natuurlijk wordt de biografie gelardeerd met foto’s en delen uit zijn gedichten. Die laat ik even voor wat ze zijn, zijn gedichten ga ik nog bespreken. Hoewel, voor als niemand Jan van Nijlen denkt te kennen; zijn gedicht “Bericht aan de reizigers” staat al sinds 2011 op het Centraal Station Antwerpen aangebracht. Het begin daarvan luidt;

Bericht aan de reizigers

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen,

dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.