archiveren

Gedichten

Dit zal de eerste keer zijn dat ik een bespreking plaats van een boek dat ik niet uit heb gelezen, nooit uit zal lezen en waarover ik toch erg enthousiast ben. Dat heeft een goede reden. Het boek in kwestie is het franstalige Cent mille milliards de poèmes van de Franse schrijver, dichter en wiskundige Raymond Queneau.

Even voor de vertaling, de titel wil zeggen honderdduizendmiljard gedichten. Dat lijkt een ambitieus geroepen getal door uw kleine neefje op de vraag hoeveel sinterklaasgedichten hij wil hebben, maar het is een serieus aantal, terwijl het boek niet overmatig dik is. Het zit zo.

In Frankrijk werd in 1960 een club opgericht door een aantal schrijvers en wiskundigen met de naam Oulipo. Dat staat voor Ouvroir de littérature potentielle, ofwel een soort werkplaats voor potentiële literatuur. Het doel van Oulipo was om literatuur te schrijven die gebaseerd is op precieze beperkingen, soms van wiskundige aard. Raymond Queneau was één van de oprichters en schreef een boek met, in potentie, honderdduizendmiljard gedichten.

Dat deed hij als volgt. Hij begon met het schrijven van tien sonnetten. Dat is een dichtvorm die standaard uit veertien regels bestaat en een vast rijmschema heeft. Queneau volgde het rijmschema abab abab ccd eed. Dat wil zeggen dat de eerste, derde, vijfde en zevende regel op elkaar rijmen, de tweede, vierde, zesde en achtste regel rijmen op elkaar, de negende regel rijmt op de tiende, de twaalfde op de dertiende en de elfde op de veertiende regel.

Maar daar houdt het niet op. Queneau zorgde ervoor dat de eerste regel van het eerste sonnet rijmt op de eerste regel van het tweede sonnet, op de eerste regel van het derde sonnet enzovoort. De tweede regel van het eerste sonnet rijmt op de tweede regel van het tweede sonnet, op de tweede regel van het derde sonnet enzovoort. De derde regel van het eerste sonnet…afijn; u begrijpt het procédé.

Nu is het bijzondere van dit boek dat alle regels losgeknipt zijn van elkaar. Niet helemaal, aan de linkerkant zitten ze vast, dus ik kan naar believen de eerste losse regel omslaan, of de eerste twee, of alleen de tweede regel, of de tweede twee regels, of drie…De wiskundigen onder ons snappen dat je aardig door kunt combineren zo. Voor de eerste regel zijn er 10 mogelijkheden, want er zijn 10 sonnetten. Ook voor de tweede regel, tot en met regel 14. Dat maakt dus 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 x 10 = 1014 ofwel 100.000.000.000.000 ofwel honderdduizendmiljard sonnetten, waarvan het rijmschema dus ook nog eens klopt. Stel je leest ruim een minuut over een sonnet en je leest 24 uur per dag (je hebt iets over voor de poëzie) dan ben je ruim 200 miljoen jaar bezig. U snapt dat ik hem nog niet helemaal uit heb.

Levert dat dan ook mooie poëzie op? Dat is de vraag en de Nederlandse schrijver en vertaler uit de Franse literatuur Martin de Haan schreef daar een mooi artikel over dat u hier kunt lezen. Hij geeft ook een toelichting op het eerste sonnet dat ik hieronder weer zal geven en dus niet ga vertalen, dat laat ik over aan de vakman. Er valt dus best iets af te dingen op het idee van Queneau maar dat laat onverlet dat ik het een hoogst origineel boek vind en er direct mee aan de slag ben gegaan. Ik word niet gehinderd door enige poëtische expertise dus ik kan de meest fraaie sonnetten samenstellen. Voor mijn Frans kan het geen kwaad. Het eerste sonnet luidt als volgt;

Le roi de la pampa retourne sa chemise
pour mettre à sécher aux cornes des taureaux
le cornédbif en boîte empeste la remise
et fermentent de même et les cuirs et les peaux

Je me souviens encor de cette heure exeuquise
les gauchos dans la plaine agitaient leurs drapeaux
nous avions aussi froid que nus sur la banquise
lorsque pour nous distraire y plantions nos tréteaux

Du pôle à Rosario fait une belle trotte
aventures on eut qui s’y pique s’y frotte
lorsqu’on boit du maté l’on devient argentin


L’Amérique du Sud séduit les équivoques
exaltent l‘espagnol les oreilles baroques
si la cloche se tait et son terlintintin

In deze bundel Gedichte gedachten zijn een aantal gedichten van oud-politicus en schrijver Jan Terlouw bij elkaar gebracht. Terlouw schrijft zijn hele leven al gedichten en dat doet hij met een reden;

Het overkomt me, als ik een lezing voorbereid, dat ik zin heb om het onderwerp te concentreren in enkele rijmende regels. Dat helpt me om mijn gedchten te ordenen en tot de kern terug te brengen.

Soms dicht hij om geen andere reden dan om een eenvoudig levenslied te schrijven, soms dicht hij op uitnodiging. Zo staan er twee gedichten in die hij schreef op verzoek van Liesbeth List, maar die helaas nooit op muziek en dus ook nooit uitgevoerd zijn. Enkele teksten zijn wel op muziek gezet, onder andere door pianist Leonard Leutscher voor het Orion Ensemble.

Terlouw laat zichzelf niet omschrijven als dichter, de gedichten dienen andere doelen en dat lijkt me prima. Als poëzie was ik er niet van onder de indruk. Het is een sympathieke man en de gedichten zijn dat evenzeer. Het metrum is vaak aangenaam maar daar bleef het voor mij bij. Er zijn een aantal onderwerpen waarover Terlouw dicht, de natuur, politiek, leven en liefde, leed, stad en land en cabaret.

Een voorbeeld dan uit de sectie natuur, met de titel Waddenzee:

In eeuw’ge aarzeling tussen zee en land,
afwisselend zand en slib, ligt onontgonnen,
als woongebied van kokkels en van nonnen,
Het Wad, Europa’s zoute waterkant.

Hier groeit het fraaie duizendguldenkruid.
Hier voedt de blauwe kiekendief zijn kuiken,
te midden van miljoenen alikruiken.
Hier zont de zeehond met zijn jonge bruid.

Het is aan u of dit uitnodigt hier een bundel van te lezen. Maar er is wel degelijk een reden waarom ik deze bundel aanschafte, en dat is het gedicht Elgar, dat ik in zijn geheel weergeef;

Er zijn duizendmiljard sterren
in het heelal.
Maar vanaf de dag dat jouw leven begon
was je voor mij het dartele, stoeiende
doelgericht naar volwassenheid groeiende
lichtpunt.
Mijn stralende zon.

Er zijn duizendmiljard sterren
in het heelal.
Sommige waarneembaar, maar terwijl je ze ziet
voel je de gapend blauwe, onvruchtbare
en voor eeuwig onoverbrugbare
afstand.
Ze zijn en zijn niet.

Je hebt je gevoegd bij de
duizendmiljard sterren
in het heelal.

Ik sta bij het open, nachtelijke raam,
niet begrijpend, starend in de donkere
mysterieus en afstandelijk flonkerende
verte.
En ik zeg je naam.

Terlouw schreef het ter nagedachtenis aan zijn neef Elgar, die op 22-jarige leeftijd omkwam bij een stom verkeersongeluk in Frankrijk. Elgar, die mijn vriend was op de MEAO en die hier een monumentje verdient.

9038806116.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de man zit nog een jongen. Die titel gaf Elsbeth Etty mee aan haar biografie van dichter en schrijver Willem Wilmink. In mijn bespreking van Wilmink’s Verzamelde liedjes en gedichten noemde ik hem ook nog een zanger, maar je leert bij uit een biografie. Hij zong zijn liedjes, zeker, maar echt een zanger was hij ook weer niet.

Etty heeft een prettig leesbare biografie geschreven van ruim 470 pagina’s. Ik ben een liefhebber van het werk van Wilmink en of dat meteen inhoudt dat ik alles over zijn leven wil weten, nou nee; niet meteen. Toch houd ik van dit soort boeken. Natuurlijk is het aardig om de man wat beter te leren kennen maar ik vind het leuker om de tijd en het milieu te leren kennen waarin iemand zijn werk schreef en om te zien met welke personen hij in aanraking kwam of welke gebeurtenissen zijn werk hebben beïnvloed.

Ik hoef zijn levensloop hier niet te herhalen, leest u daar het boek zelf maar voor, maar een kleine spoiler is wel op zijn plaats. Bent u lyrisch over zijn werk en dweept u met Wilmink, dan misschien dit boek maar niet ter hand nemen, want er kunnen u een paar schellen van de ogen vallen. Wilmink was wel een man met een gebruiksaanwijzing, ‘to put it mildly.’

Zijn talent voor het aanleveren van gedichten en liedteksten werd al snel onderkend en hij werd bijvoorbeeld door Hedy d’Ancona gevraagd om teksten aan te leveren voor de cabaretgroep La Pie qui chante. Pianist, componist en latere presentator Han Reizger zette zijn teksten op muziek. Wilmink is nog een blauwe maandag leraar geweest, wat geen onverdeeld succes was overigens. Frits Barend en Erwin Rutte, die later nauw met Wilmink zou samenwerken voor De Film van Ome Willem, waren leerlingen van hem.

Op het amoureuze vlak verging het Wilmink aanvankelijk niet best. Hij grossierde in blauwtjes die hij liep, maar trouwde uiteindelijk met Noor. Hij kreeg twee zoons, maar het huwelijk was geen succes. De belangrijkste reden waren zijn driftbuien. Die waren voor Noor een volkomen onbekend fenomeen;

Hij ontplofte om niets. Ik kon me niet voorstellen dat iemand zich in ernst zo aanstelde, maar hij had gewoon een cholerisch karakter. Hij geneerde zich nergens voor. Hij was vaak razend op mij of op het leven, en hij probeerde nooit zijn woede een beetje te temperen. Integendeel. Het werd steeds erger. Vaak met een flinke slok op.

Wilmink wordt wetenschapper en zal uiteindelijk zelfs promoveren, maar dat had behoorlijk wat voeten in aarde. De rode draad is hier de erkenning waar Wilmink zijn hele leven naar zocht. Hij wilde voor iedereen begrijpelijk schrijven en ontkende dat hij voor kinderen schreef, hij schreef voor iedereen. Zelfs zijn proefschrift was voor jong en oud leesbaar. Toch bleef hij altijd het gevoel hebben dat er op zijn kunst neergekeken werd.

Aan verzoeken om teksten lag het niet. Hij kon uiteindelijk leven van zijn werk. Hij schreef teksten voor Cabaret Don Quishocking, ging publiceren, werkte voor De Stratemakeropzeeshow, De Film van Ome Willem, Sesamstraat, Het Klokhuis en hij bleef onafgebroken gedichten schrijven. Het mooie van die gedichten, ga ze vooral lezen, is dat hij ze voor iedereen schreef. Hij omarmde ieder ras en geloof, daar is zijn werk van doortrokken.

Zijn tweede vrouw, Wobke, kon wel zijn gebruiksaanwijzing hanteren. Hij verhuisde met haar onder meer naar Zeist, voor ze in zijn gebooteplaats Enschede neerstreken. Wilmink had wel steeds meer last van verschillende dwangneuroses en angsten. Dat leidde soms tot voor veel mensen onbegrijpelijke keuzes. Hij was bijvoorbeeld niet op de bruiloft van zijn zoon of bij de uitvaart van zijn goede vriend, de componist Harry Bannink. Het was geen desinteresse, hij kon het niet, zo legt zijn goede vriend Herman Finkers uit aan Etty. Overigens heeft Wilmink wel een prachtige anekdote over Bannink, die niet in hel en hemel geloofde;

Kort na diens dood droomde hij dat hij Bannink belde met de vraag waar hij zich bevond. ‘In Paleis Het Loo,’ luidde het antwoord. Zo eigenwijs was hij dus, concludeerde Wilmink. ‘Nou zit-ie in de hemel en gelooft-ie het nog niet.’

Na een herseninfarct en een aantal tia’s gaat de gezondheid van Wilmink achteruit en uiteindelijk houdt hij zelf de regie over zijn leven. Het is een mooi boek over een man die niet makkelijk was voor zichzelf en voor anderen, maar die uiteindelijk de erkenning kreeg waar hij zo naar zocht. Misschien had ik wat meer willen lezen over het proces van schrijven. Ik lees steeds dat het hem makkelijk af ging en dat hij maar zelden een opdracht afwees maar het blijft een beetje ongrijpbaar. Wellicht is er ook niet meer over te vertellen en speelde dat proces zich uitsluitend in zijn hoofd af.

Je kon er wel mee spelen, zoals Joost Prinsen deed. Die wilde een gedicht over de Joodse goochelaar Ben Ali Libi hebben. Wilmink zegde dat wel toe maar het duurde erg lang. Toen schreef Prinsen het maar zelf en stuurde het op naar Wilmink. En dan kom je op zijn terrein…Wilmink:

‘Je kan misschien een beetje toneelspeel’n, maar denk nou niet dat je ook kan tekstschrijv’n’

Wilmink stuurde per kerende post zijn versie terug en het is één van zijn bekendste werken geworden.

 

9023428293.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Made in Rotterdam bevat de verzamelde gedichten van Cornelis Bastiaan Vaandrager. Het boek is samengesteld door zijn vrienden Hans Sleutelaar en Martin Bril. Of die daarmee goed werk hebben verricht, daar kom ik nog op terug.

Het boek van ruim vierhonderd pagina’s geeft in ieder geval een mooi beeld van de dichtkunst van Vaandrager. Hij behoorde tot ‘de zestigers’, wat inhoudt dat hij zijn inspiratie uit de werkelijkheid haalt, uit de wereld om hem heen met al zijn indrukken. Dat kan de stad zijn (vaak Rotterdam uiteraard), maar dat kunnen ook reclame-uitingen zijn, filmfragmenten of zelfs kassabonnetjes.

Vaandrager speelt met taal en dat zie je in alles terug. Zo gebruikt hij ‘readymades’. Dat zijn fragmenten die al bestaan en die niet als gedicht bedoeld zijn, maar die het worden door ze uit hun context te halen. Een voorbeeld uit deze bundel;

Meneer Dinges
weet niet wat swing is.

De tekst komt uit een refrein van een liedje van het duo Johnny en Jones. Het is zelfs als straatkunst gebruikt op een veegwagen van de Rotterdamse reinigingsdienst. Vaandrager, die het Algemeen Beschaafd Nederlands perfect beheerste, volgde meer en meer zijn eigen regels. Hij paste zijn spelling stelselmatig toe als dichterlijk uitdrukkingsmiddel, zoals in het gedicht Tegel;

God sgiep
land
water
en lug.
maar Zijn mees kreatieve wens
was tog
Rotterdamse mens.

Vaandrager gebruikte zijn ervaringen, zoals zijn opnames in de kliniek, in zijn werk en zo kan het voorkomen dat verpleger Arend zijn plek in de Nederlandse literatuur krijgt. Ook heeft hij het over Jules Deelder, met wie hij het niet goed kon vinden (naar verluidt duwde hij hem zelfs van de trap). Die onmin werd echter door de heren wel gecultiveerd, want toen Herman Brood eens als vredestichter wilde optreden vond hij de heren ineens gezamenlijk tegenover zich.

De dichtbundel Martin, waarom hebbe de giraffe…is ook een pareltje. De gedichten hieruit lijken voor kinderen maar de lovende kritieken zeggen het al; alles wordt hierin teruggebracht tot de essentie van taal. Zo bevat het gedicht Citroen associaties en synoniemen;

Appel, appelsien, sinaasappel,
zure appel, noot, kers, manderijn,
peer, perzik, tomaat.
Eieren, eitje, paaseieren, spiegelei.
Er al heel ver van af: zure bom.

Waar ik u ook Paddestoel uit dezelfde bundel niet wil onthouden:

Kebouters. Kebouterpale, – stoele.
Waar kebouters op zitte, wat
onder kebouters zit.
Kersmis. Bloeme van Kersemis, om
in kersboom te hange, stoeltjes
voor Kersmannetjes.
Nie kwaad: bloemparaplu.
Schemerlampe! Bromtolle!
Vergiftige dinge.
Kappe, lampe, sgilpadde, stokke, tafel.
Bloeme, bloemetjes, bloemestoeltje (!),
bome.

Het is een feest om te lezen en zo gaat het maar door. Opmerkelijk is het gedicht Het verhaal van een ooggetuige met een ecologisch visioen in een tijd dat het milieu nauwelijks een rol speelde. Kleine woordspelingen als (handwasje) achter een Duitse uitdrukking schon gut plaatsen, ik geniet daarvan. Ook het grotere gebaar wordt niet geschuwd, zoals in zijn gedicht over de dichteres Anna Blaman;

Ze was altijd ontzettend hartelijk.
Ik vond haar ontzettend lelijk en ontzettend aardig.
Maar laten we eerlijk zijn:
schrijven kon ze niet.

Dat werd hem uiteraard niet in dank afgenomen en hij ontving de Anna Blamanprijs pas toen haar erven het niet meer tegen konden houden.

Dan de samenstellers, Sleutelaar en Bril. Zij verantwoorden hun keuzes deels achterin dit boek, maar zij hebben behoorlijk in het werk geschrapt. Biograaf Menno Schenke zegt over de bundel Sampleton:

Een aanzienlijk aantal gedichten is door de bezorgers Hans Sleutelaar en Martin Bril verminkt, een ander woord is er niet voor. Uit Vaandragers summiere nalatenschap blijkt dat beide tekstbezorgers rigoureus het rode potlood hanteerden en dat Vaandrager te makkelijk met versies van Sleutelaar en Bril akkoord is gegaan.

Gelukkig vult de biografie ontbrekende delen weer aan. In die biografie staat trouwens veel informatie over de gedichten waardoor het meteen een klein feest van herkenning was tijdens het lezen. Ik ben dus enthousiast over het werk van Vaandrager, al was het maar om zoiets eenvoudigs maar ook zoiets bekends, opgenomen in een muurschildering van Klaas Gubbels in de restaurantzaal van Hotel New York op de Wilhelminapier in Rotterdam;

De kroketten in het restaurant
zijn aan de kleine kant.

 

9403199709.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik was zeer te spreken over het debuut van de jonge dichter Yahya Hassan. Rauwe, eerlijke verhalen in kapitalen opgetekend, over zijn leven en jeugd in een Palestijns vluchtelingenkamp. Over het opgroeien in een achterstandswijk in het Deense Aarhus, over de criminaliteit en drugswereld en de internaten waarin hij terecht kwam.

In zijn tweede en laatste bundel, Gedichten 2, is die magie voor mij toch een beetje uitgewerkt. Het is zijn laatste bundel omdat Hassan op 29 april 2020 overleed, 24 jaar jong. Deze bundel gaat verder waar deel 1 ophield en gaat over zijn succes als dichter, maar ook over de politiebeveiliging, over achtervolgingen en vechtpartijen, over zijn tijd in de gevangenis en zijn opname in een kliniek.

Hij kon zijn oude leven niet opgeven maar bleef wel dichten en deze bundel verscheen eind 2019. Ook deze gedichten staan allemaal in hoofdletters en zijn rauw en onverbloemd, maar ik had meer gevoel bij zijn debuutbundel. Eerlijk gezegd vond ik dit meer van hetzelfde.

Dat neemt niet weg dat er wel mooie passages instaan. Als u nog even kijkt naar de video bij mijn vorige bespreking en zijn monotone voordracht voor de geest haalt, dan werkt dit het beste in zijn langere gedichten. Maar ook in de kortere werken zitten mooie stukken, zoals in het gedicht GEVANGENISSLEUR;

ALS ZE ZEGGEN DAT IK BEZOEK HEB
ZEG IK DAT IK MIJN VISITE NIET KAN ONTVANGEN
ALS ZE ZEGGEN DAT MIJN VISITE OP MIJ WACHT IN DE BEZOEKRUIMTE
ZEG IK DAT IK NIEMAND HEB UITGENODIGD
ALS ZE ZEGGEN DAT IK POST HEB GEKREGEN
ZEG IK DAT IK VOOR DAT SOORT DINGEN EEN SECRETARESSE HEB

En dat gaat zo nog even door. Hij beschijft hoe hij zijn tijd door komt in de gevangenis en het een beetje draaglijk houdt voor zichzelf. Ook in deze bundel is hij ongenadig hard voor de Islam, wat leidde tot persoonsbeveiliging. Dat beschrijft hij onder meer in het hoofdstuk KNUFFELALLOCHTOON;

IK FLANEER DOOR EUROPA
MET EEN DICHTBUNDEL IN MIJN BINNENZAK
LIJFWACHTEN CORRIGEREN MIJ EN LAVEREN MIJ
DIE ARME MANNEN HEBBEN HET BETER IN MIJN LEVEN
DAN IKZELF
ZE WEKKEN MIJ MET EEN POLITIEPENNING
ALS IK TE LANG SLAAP
EN BEGELEIDEN MIJ ALS DE KONINGIN
EN MOPPEREN ALS IK JOINTJES ROOK

Uiteindelijk kon Hassan waarschijnlijk het leven niet aan. Hij bleef verwikkeld in vechtpartijen, werd uiteindelijk opgenomen en stierf op jonge leeftijd. Wat overblijft zijn de twee bundels, waarin hij het nog één keer heeft kunnen uitschreeuwen;

RECENT HEB IK EEN KWADE LACH GEJAMMERGRIJNSD
EN IETS UITGESCHREEUWD
IN EN UIT GEVANGENISSEN EN GEKKENHUIZEN
RECENTELIJK BEN IK GEK GEWEEST
HEB IK EN PLEIN PUBLIC RONDGEREND
IN EEN KOGELVRIJ VEST EN EEN ROZE G-STRING
EN MENSEN MET TWEE WAPENS GESLAGEN
IN SOLIDARITEIT MET PUSSY RIOT
BITCH I’M TIRED

Vertaling; Lammie Post-oostenbrink

 

5dbc2c0b2a7b095592f53385967444341587343_v5
Van Nijlens poëzie is slechts genietbaar voor hen die zijn ‘voorname weemoed om het voorbijgaan der dingen delen’, aldus Menno ter Braak in de krant Het Vaderland. Na het lezen van De Verzamelde Gedichten 1903-1964 van Jan van Nijlen deel ik deze mening zeker, maar ook niet altijd. Het helpt wel om de biografie van Jan van Nijlen te lezen voor men aan zijn gedichten begint, dat maakt duidelijker waar zijn weemoed vandaan komt.

De gedichten die in deze bundel zijn opgenomen zijn bezorgd in 1964 door de goede vriend en kenner van Van Nijlens werk Clem Bittremieux, een jaar voor het overlijden van de dichter. In een kleine 400 pagina’s is er een keuze gemaakt uit twaalf bundels, samen met nog wat losse gedichten die opgedragen zijn aan vrienden.

Een keuze is natuurlijk altijd arbitrair en soms miste ik gedichten die in de biografie uitgebreid werden besproken. De eerste bundel wilde Van Nijlen aanvankelijk niet opnemen omdat de gedichten eigenlijk een relaas zijn van zijn persoonlijke crisis. Als er dan maar 11 van de 68 gedichten zijn opgenomen ben ik benieuwd naar de rest, zeker als je leest dat aan het eind de zomer een beetje doorbreekt maar dat in de bundel vooralsnog niet blijkt.

Die weemoed waar Ter Braak het over heeft zit er vaak in, maar ik werd af en toe gegrepen door een deel waar ik geen weemoed voor nodig heb. Hoe mooi kan je de herfst vatten in zinnen als

O volle lach van ’t leven dat voor ’t laatst
in kleur zich uitviert als een late avondzon
die stervensmoe in ’t water zich weerkaatst!

Vergankelijkheid, de diepe herfstkleuren en dat nog vermenigvuldigd ook, in een gedicht dat Levensvreugd is genoemd.

Het aangezicht der aarde wordt als Van Nijlens eerste belangrijke bundel gezien na zijn jeugdwerk. Toegegeven, de critici hadden het destijds over ‘een bundel gedichten van statige voornaamheid, die vaak zoo aandoenlijk wegsmelt tot teederen weemoed.’  Of dat nu nog als aanbeveling geldt weet ik niet, maar ga die gedichten eens onbevangen lezen. Wel met aandacht. Ik heb veel gedichten vaker gelezen omdat je in een onbewaakt ogenblik over de prachtigste dingen heen kan lezen, zoals dit deel uit Gedroomde reis;

Aleer de dageraad uit goudbeslagen deuren
treedt van den horizon, en eer de blauwe rust
der nacht in licht zich oplost, ruikt hij reeds de geuren
van vreemde bloesems bloeiend aan nog vreemder kust.

De natuur, verre horizonten en bespiegelingen zijn thema’s die vaak terugkomen in Van Nijlens poëzie. Het wemelt van druive- en kastanjelaren, er roepen en koeren ik weet niet hoeveel merels en duiven en de omgeving van zijn jeugd is een dankbare bron van inspiratie. Het interessante is dat de levensloop van Van Nijlen deels uit zijn gedichten is te herleiden. De bundel De vogel Phoenix laat de plattelandsidylle meer los en het decor wordt stedelijker. We zien een worsteling met het wereldbeeld en er zijn zelfs momenten van crisis, waardoor sommige gedichten een pijnlijke toets krijgen;

De trouwe sterren in den nacht,
pianospel in duistre straat…
Mijn God, wie had het ooit gedacht
dat ’t schone leven zó vergaat

Ik vond het fijn om de biografie erbij te hebben om per bundel te lezen hoe deze werd ontvangen en vaak werd ik gewezen op bepaalde gedichten en de reden waarom ze werden geschreven. Maar het is geen must. Van Nijlen schrijft in een prettige cadans en zijn gedichten lezen dus fijn weg, maar echt, lees ze niet te snel want ik heb bij het terugkijken vaak bemerkt dat ik toch prachtige delen gedachteloos weg heb zitten lezen. Tot slot zijn gedicht Onrust, waar hij zijn thema’s mixt met een vleugje humor in een bundel die zeer de moeite waard is;

Waarom zingt midden in den nacht
die vogel plots het lied
dat, naar de wet, hij wordt geacht
te zingen als in ’t weiflend uur
de daagraad wordt geboren?
– En jij dan, waarom slaap je niet?
Dan zou je hem niet horen.

 

7c3ec7bc211c7c2597251776951444341587343_v5
Waarom zou je een biografie over de Vlaamse dichter Jan van Nijlen (1884-1965) gaan lezen? Ik ben benieuwd hoeveel mensen hem überhaupt kennen. Toch was ik erg benieuwd naar De wereld is zoo schoon waarvan wij droomen door Stefan van den Bossche.

Ik kwam Jan van Nijlen tegen in de boeken over Jan Greshoff en Geert van Oorschot en zijdelings in die van Jeroen Brouwers. Mijn interesse in de Nederlandstalige literatuurwereld en poezië deed de rest. Het is een prima leesbare biografie van 670 pagina’s en dat was geen makkelijke opgave, want Jan van Nijlen heeft zijn leven lang zijn best gedaan om weinig tot niets over zijn privé-leven prijs te geven.

Nu is ‘prima leesbaar’ wellicht geen jubelende kwalificatie en dat heeft te maken met de gebiografeerde zelf én de auteur. Heel eerlijk gezegd; er gebeurt ook weing in het leven van Jan van Nijlen. In ieder geval weinig dat hijzelf initieert. Hij is honkvast en reist weinig tot niet, hij schrijft gedichten en kritieken over (met name Franse) literatuur en hij is ambtenaar met een smetteloze carrière op een vertaalbureau van het Ministerie van Justitie, waar hij het schopt tot directeur. Ook trouwt hij en krijgt twee kinderen. Als ik het dan over ‘prima leesbaar’ heb, geeft dat aan dat Van den Bossche een voor mij interessant boek heeft geschreven die weliswaar Jan van Nijlen als vertrekpunt heeft, maar evenzeer een beeld geeft van de Nederlandstalige literaire wereld in die tijd.

Zijn jonge jaren leveren nog wat turbulentie op door een vlucht naar Parijs en een verblijf in een Arnhems sanatorium. In de Eerste Wereldoorlog vlucht Van Nijlen met zijn vrouw ook naar Nederland waar ze opgevangen worden door Jan Greshoff. Na de oorlog keert hij terug naar België waar hij zich stort op zijn bijdragen voor allerlei literatuurtijdschriften, zijn gedichten en zijn werk bij de vertaaldienst. Zo bescheiden als hij is als persoon, zo stevig kunnen toch de kritieken zijn die hij schrijft. Hij ziet er geen been in om af te rekenen met het letterkundig leven van die tijd;

Ook gebeurt het wel eens dat men in de boeken en tijdschrift-bijdragen van dit zestig man sterke leger van Vlaamse letterkundigen een goede brok proza aantreft of een lief vers. Dit is echter zeldzaam, en het zou dan ook heel verwonderlijk zijn dat na jaren stiel, zelfs de minst bevoordeelde, niet eene toevallige vaardigheid verkreeg. Men voelt zich wee worden van al dat geliteratuur waar zoo weinig menschelijkheid in steekt en zoo bitter weinig leven!

Voilà, daar kunnen ze het mee doen. In de Tweede Wereldoorlog maakt Van Nijlen een persoonlijk drama mee als hij zijn zoon verliest. Charles overlijdt aan dysenterie in een kamp nadat hij is gearresteerd voor verzetswerk. Hij blijft wel dichten en put vaak uit zijn herinneringen maar ook uit ontmoetingen of alledaagse dingen. Hij breekt door als dichter en Greshoff zorgt voor een hulde-nummer voor Jan van Nijlen van zijn eigen tijdschrift De Witte Mier. Simon Vestdijk verwoordt het weer in het tijdschrift Groot Nederland als volgt;

Men maakt kennis met een vers van Van Nijlen, men kent het al, men heeft het altijd al gekend, het lijkt een ietwat vervelend, een wat mat en onbeduidend vers. Totdat men merkt, dat enkel Van Nijlen dit vers had kunnen schrijven, en wat meer zegt, dat het, in plaats van vervelend, alleen maar niet briljant is. Deze verzen zijn mat en dof op de goede wijze…; en leest men er tien, of twintig van, dan zullen ze elkanders schaduw ondersteunen, zoals bladeren, die hun picturale waarde ontlenen aan het gezamelijk gevormde lommer.

Van Nijlen ziet zijn vakmanschap bevestigd in verschillende prijzen. Toch blijft hij zijn teruggetrokken zelf. Op zijn gemak bij vrienden, maar hij blijft waar hij is. De vriendschap met Eddy du Perron is erg belangrijk en over hem zal hij zijn herinneringen te boek stellen. Die bespreking volgt nog. Ook maakt hij nog mee dat zijn zus, die in een klooster zit, vastgezet wordt vanwege financiële malversaties. Het zijn de weinige privé-gebeurtenissen die wel naar buiten komen, of het moet de getuigenis zijn van mevrouw Greshoff, die uit de doeken doet dat Jan van Nijlen, toen hij te diep in het bierglas gekeken had, in het bed van zijn dochter in slaap was gevallen. Zijn vrouw voer daarop verschrikkelijk tegen hem uit (’Jan van Nijlen, ge zijt een zot!’).

Natuurlijk wordt de biografie gelardeerd met foto’s en delen uit zijn gedichten. Die laat ik even voor wat ze zijn, zijn gedichten ga ik nog bespreken. Hoewel, voor als niemand Jan van Nijlen denkt te kennen; zijn gedicht “Bericht aan de reizigers” staat al sinds 2011 op het Centraal Station Antwerpen aangebracht. Het begin daarvan luidt;

Bericht aan de reizigers

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen,

dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.

9023485955.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het zijn geen vrolijke verhalen in de bundel Gedichten van Yahya Hassan. Hassan was een Deens-Palestijnse dichter, zoon van Palestijnse ouders die via een Libanees vluchtelingenkamp naar Denemarken kwamen. Was, want hij overleed dit jaar op 24-jarige leeftijd. Hassan groeide op in een groot gezin in een achterstandswijk in Aarhus. Zoals zovelen daar was hij een probleemjongere. Hij kwam in aanraking met drugs en criminaliteit en bracht veel tijd door in jeugdinternaten.

Hij zette zich af tegen het geloof en de mores die hem werden opgelegd vanuit dat geloof. Omdat hij merkte dat hij over schrijftalent beschikte, schreef hij gedichten waarin hij zijn leven van zich afschreef, in hoofdletters:

ALS JE NIET OPHOUDT JE BROERTJES EN ZUSJES TE PLAGEN
VERBRAND IK JE
ZEI MOEDER MET VADERS AANSTEKER IN DE LUCHT

En dat was moeder nog maar. Vader was nog een slag erger. Hij was wreed in naam van zijn geloof en dat geloof is verstikkend. Hassan vertelt onverbloemd hoe het is;

DE MAN MET DE LANGSTE BAARD
BEGINT HET GEBED MET ALLAHU AKBAR
EN ZO SCHIJT IK IN MIJN BROEK IN NAAM VAN GOD

Fanatieke moslims, die hij steevast ‘theedoeken’ noemt, sturen hem doodsbedreigingen door dit soort teksten en hij wordt streng beveiligd. Hassan was auteur, maar bleef onder invloed van drugs en geweld. Zijn tweede bundel verscheen eind 2019 (en zal ergens in september in de Nederlandse vertaling verschijnen), maar toen zat hij al weer in een psychiatrische kliniek.

Zijn aanvaringen met de politie, het opkomen voor zijn broers en neven, de haat tegen zijn ouders, het komt in sneltreinvaart voorbij. Ook de nieuwe vrouw van zijn vader ontkomt niet aan zijn pen;

ZE KEEK TV EN ROOKTE LANGE SIGARETTEN
EN BESPUWDE MIJN MOEDER IN DE SUPERMARKT
OP EEN DAG LAG ZE DAAR MET ZIJN INSULINESPUIT IN HAAR NEK
IK GAF HAAR EEN TRAP EN BELDE DE EIGENAAR

Waar zijn taal meestal hard en direct is, komen soms mooie zinnen om de hoek kijken;

IK WILDE JULLIE GELUK IN DE BOMEN HANGEN
MAAR IK HING HET IN DE STROP IK SLIKTE DE SINTELS IN

Zo heeft Hassan twee kanten in zich en was hij zich daar ook van bewust. In zijn laatste gedicht in deze bundel, MEGAGEDICHT, komt alles uit zijn vorige gedichten samen. Het is dan ook een gedicht van ruim 30 pagina’s, waarin hij fulmineert tegen alles en iedereen, maar waar hij begint met die dubbele persoonlijkheid van hem;

DE ENE DAG
IK BEN EEN GEZONDE EN GOEDGEÏNTEGREERDE DICHTER
MIJ IK SCHRIJF EEN MAIL NAAR LARS SKINNEBACH
NAAR PABLO LLAMBIAS NAAR SIMON PASTERNAK
DE VOLGENDE DAG IK MOET VOORKOMEN VOOR AUTODIEFSTAL
VOOR STRAATROOF VOOR INBRAAK

Bij sommige dichters helpt het als je ze een keer hebt horen voordragen. Dat vind ik belangrijk bij Jules Deelder (hoewel van een heel andere orde) maar dat vind ik ook bij Yahya Hassan. Hij draagt zijn werk monotoon, bijna bezwerend voor en daarom voeg ik onderstaand filmpje toe van zijn optreden in Nederland in 2014. Bekijk het eens voordat u aan deze indrukwekkende bundel begint. Ik heb geen officiële doodsoorzaak kunnen vinden, maar waarschijnlijk heeft Hassan hierin zelf zijn keuze gemaakt. Een oneindig triest verhaal natuurlijk.

Vertaling; Lammie Post-Oostenbrink

9200000107384454
Je kon de afgelopen tijd niet om de Verzamelde Gedichten van Menno Wigman (1966 – 2018) heen. Hoog opgestapeld in de winkel en zowaar boek van de maand bij een populair televisieprogramma. Ik had het boek direct na publicatie al in huis gehaald dus ik was de hype net voor. Ik had mij eerder al geërgerd aan oneigenlijk gebruik van Wigman’s gedichten door een politicus in de Tweede Kamer en ik vond het hoog tijd zijn werk zelf maar eens goed door te nemen.

Wat een feest was dat. Talloze aantekeningen heb ik gemaakt, de ene zinsnede nog mooier dan de ander. Nu ben ik een vrij opportunistische poëzie-liefhebber. Ik heb weinig verstand van de techniek dus ik zal niet uitweiden over binnenrijmen en vijfvoetige jambes, maar ik kan wel aangeven wat ik mooi vind. Ik lees de gedichten ook achter elkaar door. Dat wordt niet altijd aangeraden, maar dat bevalt mij omdat ik dan in het idioom blijf en eventuele overlappingen of andere zaken mij eerder opvallen.

Wigman staat er om bekend dat de dood prominent aanwezig is in zijn werk en daar kom ik op terug. Er zijn nog wel meer thema’s die opvallen namelijk. Sympathiek aan de man vond ik dat hij nauw betrokken was bij het project Eenzame uitvaart, waarbij dichters een vers voorlezen aan het graf van een verder door iedereen verlaten dode. Het gedicht Eindafschrift is daar een voorbeeld van, waarvan hier een gedeelte;

…en onbevangen tot het duister treedt.
Straks stuurt de ING een eindafschrift.
Uw diepste angsten zijn allang gewist.

De ING in een gedicht. Wigman was, wat je zou kunnen noemen, een dichter van de stad. Geen natuurlijke overpeinzingen voor hem. Als hij het al over de natuur heeft, dan steekt hij kevers dood en noemt zich de Mengele van machteloze mieren. Elders schrijft hij “O sleep me uit dit groene braaksel weg.”

Wigman is dus van de bebouwde kom. Hij heeft het over de Burger King, de V&D, de H&M, bibliotheken, zebrapaden, winkelstraten, vinexwijken en, wat mooi, de droefenis van copyrettes. Dat is dus een thema bij hem. Nu staan er 188 gedichten in dit boek en ik heb eens gelet op welke thema’s er vaak voor komen. Ik heb dus wat geturfd. De dood, zoals gezegd, is belangrijk en komt als woord, aanverwant woord (graf) of onderwerp minstens 68 maal voor. Een goede tweede is de kroeg of aan drank verwante woorden (zoals wijn, bier, katers, drinken en zuipen); maar liefst 46 maal. Daarna hartstocht en sex; 28 maal. Opvallend vond ik het gebruik van spiegels, ramen en ruiten in zijn gedichten, dat kom ik 16 maal tegen. Ook vervoermiddelen als metro, tram, auto en taxi spelen een belangrijke rol. Om een voorbeeld van dat laatste te geven, ik vind het begin van Ondergrondse, één van de mooiste openingszinnen die ik ken, dan heb je mij meteen;

De metro ramt de voorkant van de dag.
Ochtendvrees en gangpadvee. Een man
hoest of zijn ziel vol gaten zit.
Herfst in zijn broek. Het diepe door,
de onderzee van blauw verlichte schimmen.

Als we op zijn gedichten moeten afgaan was Wigman geen groot vriend van zichzelf. De samenstellers van de bundel, Neeltje Maria Min en Rob Schouten, menen dat we inderdaad op zijn werk mogen afgaan. Het was geen pose. Zij hebben recht van spreken want zij waren goede vrienden van de jong gestorven Wigman en kenners van zijn werk. Ook de poëzie biedt niet altijd uitkomst, getuige het gedicht Misverstand;

Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

Een bijzonder gedicht is het werk met de titel Harba lori fa. Ook Cees Noteboom heeft een gedicht met die titel geschreven en de term komt uit een minnelied van Jan I, hertog van Brabant (1253 – 1294). Het is niet bekend wat het precies betekent maar Wigman gebruikt het als volgt;

Ik hoorde van twee dichters die, jawel,
een botsing kregen – zaten ze te spreken,
geld, vrouwen, Elba, god mag weten, bloed

Tegen de voorruit maar hun voorhoofd heel.
Zo moest het gaan. Zo moeten daar
harba lori fa drie vrouwen hebben gestaan.

Er valt veel te zeggen over zijn gedichten. De vijf gedichten gedichten bij oude politiefoto’s zijn erg mooi, met Sluipwesp als uitschieter voor mij. Veel mooie zinnen als Hij zat zijn dood te voeden in de kroeg of ik wil in zestigduizend hoofden ruisen gaan vaak vooraf aan een fijne twist zoals

Voor ik de weg van alle boeken ga
en roemloos bij De Slegte sta

Menno Wigman besteedde veel aandacht aan zijn werk, aan de cadans en het ritme. Dat blijkt ook. Ik heb de gedichten meerdere malen gelezen inmiddels, soms hardop, en het leest vloeiend. Zoals dat gaat met poëzie hier, het boek zal regelmatig nog uit de kast worden gehaald.

9038884486.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Vorige week zag ik de dichter Lévi Weemoedt op tv en bedacht ik mij dat ik nog een bundel Verzamelde gedichten van hem in de kast had staan, met de titel Vanaf de dag dat ik mensen zag.

Ik had zin om die bundel te lezen want wat ik op tv hoorde beviel mij en ik vind het een sympathieke vent ook. Deze bundel van goed 260 pagina’s was snel gelezen…en viel mij een beetje tegen. Ik vertel zo waarom.

Weemoedt beoefent de stiel van de zogenaamde ‘light verse’, althans het ligt er vaak dicht tegenaan. Andere exponenten van dit genre zijn Drs. P en Driek van Wissen. Zijn gedichten kennen vaak een droevige ondertoon (zoals bij Hans Dorrestijn) en spelen zich niet zelden af in Vlaardingen.

Waarom viel het mij wat tegen? Misschien verliet ik mij teveel op wat ik op tv hoorde en wat ik ooit in de bespreking van Erik las. Korte grappige gedichtjes, vaak met een twist. Ze zijn er wel, maar niet te veel, of ik vind ze niet grappig (wat dus meer over mijn gevoel voor humor zegt dan over de kwaliteit van de bundel). Deze vond ik okay:

RENDEZ-VOUS

‘k Sta voor
jouw flat

Ik wacht
en rook

De maan
is vol

De maat
ook

Het gedicht Vrees voor de oude tierelier lijkt geïnspireerd door het slotlied van Schubert’s Winterreise en is aardig, maar ik heb ze liever kort en light met die licht droeve ondertoon;

IN AS

’t Was uit, maar hoeveel jaar nog zou ik staren
– terwijl mijn hart van holheid oversloeg –
naar zwartverkoolde plukjes van een panty
die kleefden aan de knalpijp van mijn Puch!

Er staan weinig gedichten in die ik ‘mooi’ zou noemen. Dat deert de maker overigens niet, hij beschouwt ze als vermaak en om een glimlach op je gezicht te toveren. Deze komt voor mij het dichtst in de buurt bij een ‘mooi’ gedicht:

RIJK VERLEDEN

Ik was dronken toen ik je ontmoette.
Ik was dronken toen ik je verloor.
Wat kan er toch veel gebeuren
tussen twee dronkenschappen door.

Gemengde gevoelens dus bij deze bundel. Een aantal aardige gedichten maar ook gedichten waar ik niets mee kan of die ik gezocht grappig vind (De lucht is blauw/ik hou van jou/ik blijf je trouw/dus teken ik gauw/een girocheque voor jou). Het maakt ook niet uit. Bekijk hier het televisiefragment want er is weer hernieuwde belangstelling voor de man en ik zal zijn bundel echt nog wel eens pakken. Zo gaat dat hier.