archiveren

Scheepvaart

Afbeelding
Paddeltje, Pieter Straat, De Drie Matrozen van Michiel de Ruyter, De scheepsjongens van Bontekoe, ik heb ze in mijn jeugd allemaal verslonden. Daarom moest ik natuurlijk De ondergang van de Batavia van Mike Dash lezen. Michaël Zeeman zei het al, dit is het definitieve jongensboek voor volwassenen. Hij noemt het ook een ontluistering. Daar ben ik het niet mee eens, ik kom er op terug. Het is het beroemde en zeker de zwartste bladzijde in de geschiedenis van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie.

De Batavia gaat op reis naar Indië om winsten te maken voor de Heren Zeventien. Aan het hoofd staat Francisco Pelsaert, de opperkoopman, met als tweede man Jeronimus Cornelisz, een gefailleerde apotheker. Bij West-Australië lijden ze schipbreuk op het koraalrif van de Houtman Albrohos, de huidige Wallabi-riffen. De overlevenden kwamen aan land op kleine eilandjes met weinig tot geen beschutting en dito voorraden. Pelsaert ging water zoeken met zo’n veertig man maar voer door naar Batavia. De tweede man, Cornelisz nam de leiding over de achterblijvers. Daar begon ook de nachtmerrie.

Nu was Jeronimus Cornelisz al bij vertrek geen fris heerschap. Hij was een aanhanger van Jan van Batenburg. Dat wil zeggen dat hij de overtuiging aanhing dat het kwaad niet bestaat en dat alle handelen met instemming van God gebeurt. Dat idee gaf hem nogal wat vrijheid. Aan boord probeerde hij al een muiterij voor elkaar te krijgen De schipbreuk voorkwam dat, maar het idee bleef. Zodra hij gered zou worden, zou hij het schip kapen, buit maken op andere schepen en zich ooit in weelde ergens terugtrekken.

Voorlopig zat hij met veel monden die gevoed moesten worden en weinig voorraad. Dus moest hij van mensen af. Hij stuurde Wiebbe Hayes met wat manschappen naar een nabijgelegen eiland om bronnen te zoeken. Met het idee hen te laten verhongeren. Alleen, Hayes vond bronnen en verwonderde zich dat, na het ontsteken van zijn bakens, hij niet werd opgehaald.

Onder de achtergeblevenen ging Cornelisz meedogenloos tekeer. Hij verzamelde medestanders die een eed van trouw aan hem moesten afleggen. Een aantal vrouwen werden apart gehouden ‘ter algemene beschikking’, vele anderen liet hij afslachten. Zieken, nuttelozen, kinderen en vrouwen, ze werden verdronken of doodgeslagen.

Uiteindelijk kwam Pelsaert vanuit Batavia terug. Wiebbe Hayes heeft Cornelisz inmiddels gevangen genomen, waardoor er recht gesproken kan worden.

Een gruwelijk verhaal en ik zal de details niet citeren. Lees daarvoor het boek maar. Dat kan, omdat er uitgebreide verhoren zijn geweest en alles tot in detail is opgeschreven en bewaard gebleven. Dat vind ik ook de grote kracht van dit boek. Naast de verklaringen heeft Dash een zeer uitgebreid bronnenonderzoek gedaan en is op reis gegaan naar de plaatsen waar het gebeurde. Hij schetst niet alleen het verhaal, hij zet het neer in het tijdsbeeld. Zo leer je over het apothekerswezen in Nederland, zie je 17-eeuws Haarlem tot leven komen, wordt er precies uitgelegd hoe zo’n schip in elkaar steekt en wat de ontberingen waren en ga zo maar door. Dat is wat Zeeman bedoelde met ‘ontluisterend’. Hij noemt het een schoolmeester die urenlang door kan praten voor een oude kaart. Ik houd daar van. Dash gaat na wat er van wie is geworden. Hij doet ook aannames en veronderstellingen, maar benoemt en onderbouwt ze in de zeer uitgebreide toelichtingen achterin het boek.

Als je zo ver gaat om zelfs de hypotheekboeken van Tietjerksteradeel na te pluizen (Cornelisz kwam uit Friesland), of het verband nagaat tussen ontbindende lichamen en de toenemende plantengroei op de riffen (een massa van vergane wortels en 1% menselijk vet) dan ga je heel ver. En leer ik dus heel veel bij.

Er valt onnoemelijk veel meer te vertellen. Zoals over de schedel van één van de slachtoffers, vermoedelijk Hendrick Denys, die nu in het Western Australian Museum ligt, een deel van het schip dat is gereconstrueerd in datzelfde museum en het project in Lelystad om een replica van de Batavia na te bouwen. Het komt allemaal voorbij in één van de meest fascinerende boeken die ik ken.

Vertaling: Tinke Davids

Advertenties

f93f94c50f505c4592b44705377444341587343

Scheepsberichten van E. Annie Proulx is een boek over de zee. Het is een boek over de ruige kust van Newfoundland en haar bewoners. Stoere vissers, getaande en geharde mensen. Niet direct het decor waar de hoofdpersoon in lijkt te passen, maar hij heeft er een verleden.

Quoyle is een wat onhandige man met zeer overspelige vrouw. Ze hebben twee dochters, Bunny en Sunshine waar moeder niet naar omkijkt. Als Quoyle’s vrouw omkomt gaat hij terug naar zijn roots, naar Newfoundland. Zijn voorvaderen hebben daar als piraten huisgehouden op de eilanden en er staat nog een familiehuis. Dat schijnt de woeste familie eens over het ijs naar de kust te hebben gesleept. Hij gaat er samen met een tante naar toe, die daar iets wil opzetten in de stoffering van scheepsinterieurs.

Quoyle is journalist en maakt niet echt een carrièresprong als hij voor het lokale suffertje de Gammy Bird de scheepsberichten en lokale auto-ongelukken mag verslaan. Met zijn collega’s kan hij redelijk goed opschieten en hij ontmoet een dame, Wavey Prowse, waarmee iets van een voorzichtige romance ontstaat. Gebeurt er nog wat spannends in die uithoek? Niet echt. Er komt een Hollandse botter aan, voormalig eigendom van Hitler. De eigenaar wordt later dood gevonden door Quoyle. Zijn dochter Bunny wordt geplaagd door nachtmerries en weet zeker dat er een witte hond op haar loert. Het familiehuis wordt opgeknapt en tante wordt opgelicht in een bekledingsklus.

Het meest enerverend is nog als Quoyle zelf omslaat in zijn aangeschafte boot en als het voorouderlijk huis een storm het hoofd moet bieden. Ook het uit de hand gelopen feestje bij een collega hakt erin. Maar veel meer dan dat gebeurt er niet. Dat hoeft ook niet. Het is een mooi verhaal waarin de sfeer van Newfoundland goed tot zijn recht komt:

In januari was het altijd al winter geweest, leek wel. De lucht vloeide onmerkbaar over in het kleurloze ijs, dat de oceaan bedekte, langs de kust compact, vijftig mijl buitengaats schotsen die als puzzelstukken in elkaar schoven en meedeinden met de golven. Iedere dag viel er sneeuw, soms in trage vlokken, alsof ze tussen de stormen door even uitrustten Steeds hoger steeg de sneeuw, een, twee, vier meter hoog…en om de tien dagen of zo, volgens Quoyles schatting, een nieuwe storm.

Het heeft af en toe de zoutwatersfeer van Moby Dick hoewel het verhaal minder enerverend is. Het schijnt ook geschreven te zijn als oefening voor een happy end. Dat is gelukt, want zelfs de verdrinkingsdood van Quoyles baas is niet wat het lijkt. Punten van kritiek? Ja, toch wel. Ik wist af en toe niet waar het verhaal naar toe ging. Quoyle vindt een lijk en het lijkt ineens een thriller te worden. Niets van dat. De nachtmerries van Bunny en haar angsten zullen iets te maken hebben met de dood van haar moeder maar het komt er niet helemaal uit. Verder iets te veel van:

– een lichaam als een groot en vochtig brood
– een gezicht als een ongeschoren kadetje
een snor als een streepjescode
– knipoogde als een kalkoen met bindvliesontsteking
– praatte zo snel als een nietpistool

Maar soit, het verhaal loopt goed, de hoofdstukken worden voorafgegaan door illustraties en uitleg van steeds ingewikkelder knopen uit Het Knopenboek van Ashley. Newfoundland? Ik weet nu dat ik er niet wil wonen, maar dat ik het graag eens zou bezoeken.

Vertaling: Regina Willemse