archiveren

Maandelijks archief: september 2010

36391f3670c9ec9593171475141444341587343

Ik kende George Sand als de onafhankelijke metgezel van de componist Chopin. Vrijgevochten, zich hullend in mannelijke outfits en sigarenrokend, was ze toch één van de belangrijke schrijfsters van de 19e eeuw. Dat maakte me nieuwsgierig naar haar boeken, dus ik kocht onlangs haar roman Mauprat.

Dat heb ik in één adem uitgelezen. Mauprat is het verhaal van Bernard Mauprat, die zijn levensverhaal uit de doeken doet. Hij groeide op op het kasteel La Roche- Mauprat. Nadat zijn ouders overleden waren werd hij meegenomen door zijn tirannieke oom Tristan Mauprat. Die voerde met zijn zoons een schrikbewind onder de bevolking en leidde en losbandig en liederlijk bestaan. Het plan was om Bernard hierin op te nemen, maar de jongen had een te goede inborst om volledig voor de verleiding te bezwijken. Toch ontkomt hij niet aan het plegen van wandaden, onder druk van zijn familie. Dat zorgt voor de nodige innerlijke conflicten bij hem.

In de buurt van het kasteel staat een verlaten toren waar de kluizenaar en heksenmeester Patience woont. Hij staat aanvankelijk vijandig tegenover Bernard Mauprat, maar zal later een belangrijke rol in zijn leven gaan spelen. Ook de mollenvanger Marcasse en een gevallen pater spelen een grote rol in het verhaal.

Op een avond wordt Edmée de Mauprat binnengebracht in het kasteel. Ze is verdwaald en heeft geen idee in wat voor gevaar ze verkeert. Het is de achternicht van Bernard en aanvankelijk wil hij zich aan haar opdringen. Na een trouwbelofte redt hij haar tijdens een aanval van de gendarmes op het kasteel. Een aantal ooms komen om, twee vluchten er en het kasteel wordt deels verwoest. Bernard en Edmée komen terecht bij Patience in de verlaten toren. Edmée komt met haar trouwbelofte in een lastig parket want ze is al verloofd met De La Marche. Uiteindelijk gaan ze allen op het kasteel wonen van de vader van Edmée. Zij trouwt noch met de één, noch met de ander. Bernard wordt verscheurd door twijfel en de emoties laaien af en toe hoog op.

Uiteindelijk vertrekt Bernard naar Amerika om deel te nemen aan de Onafhankelijkheidsoorlog. Hij ontmoet daar Arthur en dat wordt een boezemvriend. Ook Marcasse voegt zich bij hen en hij wordt de trouwe sergeant die Bernard overal zal volgen. Eenmaal weer terug in Frankrijk keert Bernard terug naar Edmée. Zij is nog steeds niet met De La Marche getrouwd en blijft volhouden dat zij zich aan haar belofte ten opzichte van Bernard zal houden. Zelfs haar vader snapt niets van haar gedrag:

‘God bewaar me, u bent nu al zeven jaar bezig dat alles af te wegen,’ zei de ridder, ‘u zou nu wel eens moeten weten waar u zich wat uw neef betreft aan te houden hebt. Als u met hem wilt trouwen, trouw dan met hem, maar als u het niet wilt, zeg het dan om godswil en laat een ander zich aandienen.’ ‘Vader,’ antwoordde Edmée koeltjes, ‘ik zal alleen met hem trouwen.’

En dat houdt mevrouw nog wel even vol. Bernard wordt heen en weer geslingerd tussen liefde en wanhoop en verwoordt dit uiteindelijk in een hartstochtelijke brief:

Ach, als u wist hoe ongelukkig ik ben! Er zijn twee mannen in mij die elkaar onophoudelijk op leven en dood bestrijden. Laten we hopen dat de bandiet het onderspit delft, maar hij verzet zich tot het uiterste en brult omdat hij voelt dat hij, overdekt met wonden, dodelijk getroffen is…Edmée, zie toch hoe ziek mijn geest is en heb medelijden met me. Heb geduld, sta me toe verdrietig te zijn, twijfel nooit aan mijn toewijding. Ik ben vaak gek, maar ik heb u nog altijd teder lief.

Tijdens een jachtpartij gaat het mis. Edmée wordt neergeschoten en Bernard krijgt hiervan de schuld. Er volgt een proces waarin hij alle schijn tegen heeft en hij wordt veroordeeld. Ik zal de afloop hier niet verklappen, ga het vooral zelf lezen.

Ik wist niet zo goed wat ik moest verwachten van dit boek maar heb het zoals gezegd in één adem uitgelezen. Sand schrijft in heldere taal en als een kind van haar tijd. De schrijfstijl deed me denken aan die van de zusjes Brönte, maar dan in een Frans decor. Naast de hoofdfiguren van Bernard en Edmée spelen er een aantal sterke karakters mee zoals Patience en Marcasse. Veel emotie, drama en wanhoop maar ook liefde, geluk en trouw passeren de revue in een mooi 19e-eeuws Frans decor. Een prachtboek en een uitnodiging om meer van George Sand te lezen.

   litsand3[1]

George Sand

9059116550.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Ik heb Boudewijn Büch altijd graag gemogen. Ik heb altijd genoten van zijn boeken- en reisprogramma’s, evenals van zijn bijdragen aan het programma Barend & Van Dorp. Na zijn dood is er een stortvloed van kritiek over de beste man neergedaald. Hij was een kluizenaar, een pathologisch leugenaar, een boekenstapelaar en een moeilijk mens in de omgang.

Ik draai het graag om. Hij vertelde graag mooie verhalen, sloeg hierin gerust door en maakte het zichzelf daardoor niet altijd makkelijk. Hij was een fanatiek verzamelaar en enthousiast verteller en sloeg ook daarin wel eens door. Dat resulteerde in een ontzagwekkende bibliotheek. Frans Mouws doet in De bibliotheek van Boudewijn Büch uit de doeken hoe die bibliotheek tot stand kwam en waar Büch zijn boeken vandaan haalde.

Büch was altijd aan het verzamelen. Op al zijn reizen kocht hij boeken en hij wilde vooral bezitten. Hij las veel en snel, maar, zeker later in zijn carrière, was hij meer bezig met verzamelen dan met lezen. Büch zelf zei hierover:

Een boekenverzamelaar met bibliofiele of bibliomane trekken, leest niet graag…Als hij nog leest, dan bestudeert hij veilingcatalogi, antiquariaatsaanbiedingen en werken over de geschiedenis van boekverzamelen…Ik merk de laatste jaren aan mijzelf deze neiging ook.

Hij kon intens tevreden zijn met de aankoop van een boek. Dat hoefde geen duur of bijzonder boek te zijn, het ging hem om de inhoud. Die ene seconde van besef dat het boek van jou is, daar ging het hem om. Hij ging daarin behoorlijk ver. Büch:

…wat heb ik geleden onder én voor het boek. Arrestaties aan de Tsjechisch-Oostduitse grens (vermeende uitvoer van antieke boeken), opengescheurde plastic tassen op de luchthaven van Frankfurt, een verrekte pols op Hawaï, bijbetaling wegens overgewicht op wel twintig luchthavens, met het verkeerde boek thuiskomen (bleek het werkje al te bezitten)…En is dat alles leuk, het boek uiteindelijk waard? Ik behoor, volgens de lijn van deze verhandeling een hartstochtelijk nee! Uit te roepen. Maar mijn antwoord is: ja. Ik lijd om het boek, mijn hele bestaan verpietert erdoor en ik kan in mijn huis niet gaan of staan, maar het is de moeite waard. Ik zou die ene seconde niet willen missen.

En dat is Büch ten voeten uit. Een beetje aandikken maar de hartstocht straalt er van af. Die hartstocht moest wel leiden tot een grote bibliotheek. Dat begint met een ontmoeting met Pieter van der Zwan met Büch, via een producer van de VARA. Er ontwikkelt zich een vriendschap en dat levert een aantal mooie verhalen op, zoals de ontmoeting van oorlogsheldin Miep Gies met zangeres Dusty Springfield. Van der Zwan maakte ontwerpen voor de bibliotheek van Büch en begeleidde de bouw. Dat was een behoorlijke klus. Boeken wegen nogal wat dus werden er berekeningen gemaakt van het te torsen gewicht en werd nauwkeurig gekeken naar de beschikbare ruimte. Het was een kostbare onderneming, dus in een aantal gevallen is gekozen voor goedkoop materiaal. De vloer is bijvoorbeeld betegeld met tegels uit de goedkoopste tegelhandel in Amsterdam, alleen zijn ze wel diagonaal neergelegd in een zeventiende-eeuws patroon.

Mouws heeft ook gesprekken met een aantal antiquaren waar Büch veel heeft gekocht. Vaak zie je hetzelfde patroon. Büch komt vaak en koopt veel. Hij doet nooit moeilijk over de prijs en heeft vaak een open rekening, waarvan hij later een deel weer voldoet. Hij is een trouwe betaler maar kan ook antiquaren helemaal gek zeuren net zo lang tot ze hem een boek cadeau doen. Soms ontwikkelen zich vriendschappen, die hij evengoed weer kan verbreken als mensen te dichtbij komen.

Na zijn dood bleek dat Büch geen testament had nagelaten. Uiteindelijk werd besloten zijn bezit via vier veilinghuizen te verkopen. Ik heb zelf de catalogi van het veilinghuis Bubb Kuyper in huis en daaruit blijkt hoe divers zijn collectie was. Veilingmeester Jeffrey Bosch heeft een groot deel van de collectie in zijn handen gehad. Hij geeft aan dat het geen topcollectie is in de zin van een uitgebalanceerde verzameling topstukken en dat geloof ik best. Daar ging het Büch ook niet om. Het is een gigantische verzameling boeken over een veelheid van onderwerpen die hem interesseerden. Hij had liever een klein boek met gekke feitjes over Cook dan een duur topstuk dat de waarde van zijn collectie zou opvijzelen. Het was een gebruiksbibliotheek en dat hoorde bij Büch. Dat komt dan ook prima naar voren in dit boek.

943e5433af9c786593142325251444341587343

Boekenwurmen & ander ongedierte van Ed van Eeden gaat over ons. Het gaat over boekenliefhebbers, maar ook over boekenhaters. Het gaat over boekeneters, boekenverbranders, boekenhandelaars en boekenmishandelaars. Het gaat over alles wat we wel en niet met boeken doen en dat in een bestek van zo’n 70 pagina’s.

Geen dik boek dus en het graaft niet erg diep maar het geeft in vogelvlucht een aantal thema’s weer. Te beginnen bij de liefde voor boeken, een logische lijkt me. Zo zijn er de liefhebbers, de bibliofielen maar zijn er ook boekengekken, de bibliomanen. Waar de eerste een mate van zelfbeheersing heeft en weloverwogen zijn boeken aanschaft, wordt de bibliomaan gedreven door hebzucht. Hij koopt om het bezit en gunt zich amper de tijd om zijn bezit te lezen. Johann Georg Tinius, een 19e eeuwse Saksische predikant, was een bibliomaan in extremis. Hij pleegde roofmoorden om aan geld voor boeken te komen. Zijn bibliotheek werd uiteindelijk in 1821 te Leipzig geveild.

Het boek gaat ook over verzamelen. Zo zijn er verzamelaars van bijzondere bijbeluitgaven, uitgaven waarin zetfouten zijn opgetreden. Er is bijvoorbeeld een Duitse Bijbelvertaling die in Genesis 3:16 in plaats van Herr het woord Narr heeft. Er is een Oxfordse ‘azijnbijbel’, die in het parabel van de vineyard uit Lucas 20 het woord vinegar heeft. De mooiste is de ‘overspelbijbel’ die op Exodus 20:14 heeft staan “Thou shalt commit adultery”.

Een aparte groep boekenminnaars zijn de bibliopegisten die ambachtelijk bindwerk bestuderen en verzamelen. Van Eeden vertelt:

Bij een veiling in New York werd in 1978 een 21-delige serie boeken over dieren…verkocht. Een saillante bijzonderheid was dat de auteur ieder afzonderlijk deel had laten binden in de huid van het dier dat er het onderwerp van was. Een van de boekdelen ging over de mens. Over het bindwerk van dat betreffende deel werd geen nadere uitleg gegeven. Dit geval staat niet op zichzelf: korte tijd na de Franse Revolutie bracht een Franse uitgever met een vreemd gevoel voor humor een editie van Rousseaus Contrat Social uit die gebonden was in de huid van onder de guillotine gestorven aristocraten.

Een apart hoofdstukje is gewijd aan de mishandeling van boeken. De mens is nog altijd de grootste vijand van het boek. Er wordt smakelijk verhaald over wat we zoal kunnen tegenkomen in een teruggebracht bibliotheekboek. Uit verontwaardiging over ernstige vormen van boekmishandeling publiceerde de geheimzinnige Society for the Prevention of Cruelty to Books een lijst met aanbevelingen en goede adviezen. Lees hiervoor vooral het boek zelf.

Een stap verder gaat de vernietiging van boeken. Kevers, zilvervisjes, schimmels, vocht en vuur, het zijn niet de beste vrinden van het boek. Maar ook overijverige monniken die kostbare teksten schrapten ten faveure van vrome psalmen, dictators met grootheidswaan en oorlogen hebben talloze waardevolle boeken en teksten vernietigd.

De mens blijft op zoek naar middelen om boeken beter te kunnen bewaren. Verzuring is een groot probleem waardoor bibliotheken zich al genoodzaakt zien een deel van hun 19e eeuwse boekenbezit niet meer uit te lenen. Een oplossing voor nieuwe boeken is pH-neutraal papier, ofwel zuurvrij papier, waardoor hierop gedrukte teksten wat meer eeuwigheidswaarde krijgen. Of dit boekje die eeuwigheidswaarde verdient weet ik niet maar ik heb me er prima mee vermaakt.

9026321597.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

In het boek Stad van woorden onderzoekt Alberto Manguel het fenomeen van de opkomende intolerantie in de westerse maatschappij. Hij doet dat aan de hand van een aantal essays waarin hij onderzoekt wat andere schrijvers en dichters te zeggen hebben over dit fenomeen. Het gaat over de consequenties, de gevaren en de verantwoordelijkheden van het leven in een samenleving.

Het essay De stem van Cassandra gaat bijvoorbeeld over het vertellen van verhalen. Manguel trekt hier een parallel tussen Cassandra, de priesteres wiens profetieën altijd uitkwamen maar door niemand werden geloofd, en andere ware makers als schrijvers en dichters. De taal die zij gebruiken is vaak voorbeschikt om niet gehoord te worden. Toch is taal datgene wat wij mensen gemeen hebben. We gebruiken het in verhalen waarin we optekenen hoe we de wereld, onszelf en anderen ervaren.

Al die verhalen beginnen bij de kleitabletten van Gilgamesj. Deze man is een tiran in de stad Oeroek waar hij te maken krijgt met een sterke tegenstander, Enkidoe. Enkidoe is het prototype van de gespiegelde hoofdfiguur, zoals daar ook zijn Adam en Eva, Eros en Psyche, Kaïn en Abel, Faust en Mefistofeles, Sherlock Holmes en Watson etc. Manguel trekt het breder en heeft het over spiegelbeelden, waarmee de vermeende tegenstellingen aan het licht komen tussen bijvoorbeeld Ierland en Groot-Britannië en het Westen en Midden-Oosten. In beide gevallen is er sprake van elementen van overheersing en conflict. We zien dat in deze gevallen de eigen identiteit wordt benadrukt en de tegenstander buiten wordt gehouden. Manguel zegt over de toenmalige Prime Minister van Groot-Britannië:

De poging van Brown om een nationale identiteit te definiëren is nagevolgd in verscheidene andere landen, met name in Frankrijk, waar Nicolas Sarkozy, toen nog presidentskandidaat, op 8 maart 2007 voorstelde een Ministerie van Immigratie en Nationale Identiteit in het leven te roepen, waar keurig binnen één instantie zou worden bepaald wat binnen de muren viel en wat erbuiten.

Hoe actueel dit is weten de Roma die in Frankrijk wonen. De tegenstander of groepering die niet aan de norm voldoet wordt buiten de deur, de stad of het land gezet.

Het essay over de boeken van Don Quichot vertelt over de strijd tussen de beoefenaars van de letteren en de wapenen. Don Quichot is een exponent van beide. Als fervent lezer van ridderromans neemt hij de wapenen op om ten strijde te trekken tegen het onrecht. De dichter Anchises zei al dat politiek en macht voor de kunsten gaan. In Middeleeuws Spanje werd dit duidelijk door het verdict waarbij alle Joden en Arabieren Spanje uit werden gezet. Hiermee ging een groot deel aan geleerdheid en kunstzinnig talent verloren. Er volgt nog een mooie uiteenzetting van een aantal gevonden loden boeken die zouden moeten aantonen dat één van de Spaanse heiligen, Sint Cecilius, van Moorse afkomst was. De huidige paus Ratzinger heeft ervoor gezorgd dat deze boeken in Granada worden tentoongesteld, als voorbeeld van de kracht van een verhaal. Manguel:

Zoals ook Don Quichot wist, verlenen verhalen een samenleving haar identiteit, maar dat kunnen niet ‘zomaar’ verhalen zijn: ze moeten inspelen op een gedeelde werkelijkheid die de samenleving zelf vormt uit haar ontelbare gebeurtenissen, geworteld in tijd en plaats en toch altijd veranderlijk. Het kunnen geen gefingeerde inventies zijn in de zin van vervalsing of onjuiste voorstelling van zaken…ze moeten, in een diepgewortelde, literaire zin, de ‘klinklare’, de zuivere waarheid zijn.

Het is wat lastig uitleggen, maar dit fragment vat voor mij wel samen waar het bij Manguel om draait. Vanuit zijn expertise, de literaire canon maakt hij een vertaling naar de samenleving van alledag. Het eerder genoemde fragment is actueel waar het de Roma betreft en zijn algemeenheid laat Manguel zien dat taal, boeken en verhalen een onlosmakelijk onderdeel vormen van onze samenleving. Het zorgt voor verbondenheid en voor verdeeldheid.

Uiteindelijk, stelt Manguel, zoeken we naar een betere wereld, vooral voor onszelf. Het kwade willen we weren en daar hebben we structuren voor. De nationalisten die in 1919 de Ierse Republiek uitriepen noemden zich niet voor niets Sinn Féin, ‘Wij zelf”.

Maar hoe definiëren we een samenleving waarvan we vinden dat we erbij horen? Aan de hand waarvan vormen wij ons een beeld van onszelf op de plek die we ‘thuis’ noemen? Antwoorden hierop liggen uiteindelijk besloten in verhalen. Verhalen kunnen ons niet behoeden voor misstappen en misdragingen, maar ze kunnen er ons wel op wijzen, en dat moet volgens Manguel de les zijn. Ik vind het een mooi betoog.

23d5ab4bdc076915930766a5867444341587343

Hoe wordt ik de slimste mens ter wereld? In het boek Ik weet alles! doet schrijver A.J. Jacobs een moedige poging door de gehele Encyclopedia Britannica van A tot Z te gaan lezen. Hij worstelt zich door 33.000 pagina’s en 44 miljoen woorden en vertelt aan de hand van allerlei triviale feiten over zijn huwelijk, de pogingen om zwanger te worden, de relatie met zijn vader en zijn deelname aan de spelshow Who wants to be a Millionaire.

Nu hou ik zelf wel van triviale feiten (ik weet al jaren dat Antananarivo de hoofdstad van Madagascar is) en werd nog meer getriggerd door het feit dat het zou gaan om (weliswaar hilarische) memoires. Wellicht verwachte ik hierdoor wat diepgang.

Welnu, die diepgang ontbreekt. Misschien is dat niet erg maar het bleef voor mij allemaal wel erg aan de oppervlakte. We wandelen keurig aan de hand van het alfabet door de encyclopedie heen en worden vergast op trivialiteiten:

Chaucer, Geoffry

De schrijver van de Canterbury Tales blijkt beboet te zijn omdat hij in een Londense straat een franciscaner monnik had geslagen. Alweer zo’n temperamentvolle kunstenaar.

Het zijn met name die zinnetjes op het eind die me storen. Vaak zijn ze te flauw voor woorden en ze komen door het hele boek voor. Leuk om te lezen dat het lichtgevende deel van de bliksem niet van boven naar beneden, maar van beneden naar boven gaat. Dat druist in tegen de intuïtie van de auteur en hij vraagt zich af:

Welke andere verkeerde ideeën heb ik? Is de zon koud? De hemel oranje? Keanu Reeves een briljant acteur?

Je moet er van houden, deze stijl ligt mij in ieder geval niet. Jacobs vertelt tussendoor over het reilen en zeilen in zijn gezin, de verlangde zwangerschap, zijn erudiete vader met zijn practical jokes en zijn halfslachtige pogingen om zijn zoektocht naar intelligentie cachet te geven. Zo gaat hij op bezoek bij de vijfvoudig winnaar van Jeopardy, bezoekt hij het hoofdkantoor van de Encyclopedia Britannica in de Verenigde Staten en gaat langs bij een gezaghebbend expert op het gebied van intelligentie. Jammer voor hem is er niemand die zijn odyssee een zinvolle onderneming vindt.

Stiekem weet hij dit natuurlijk zelf ook en het wordt toegelicht aan de hand van de uiteenzetting van Yale-professor Sternberg. Hij heeft het over ‘uitgekristalliseerde’ intelligentie ofwel de opeenhoping van kennis. Dit is waar Jacobs zich op toelegt. Sternberg slaat dit echter minder hoog aan dan ‘plooibare’ intelligentie ofwel het menselijk vermogen om zich aan te passen aan een situatie en bij het redeneren en de probleemoplossing flexibel te blijven.

De auteur zal ongetwijfeld alles gelezen hebben maar mij bekroop het gevoel dat zo’n boek snel in elkaar gedraaid kan worden door ad random de encyclopedie open te slaan. Hij maakt wel eens een verwijzing naar een eerder artikel dus hij krijgt het voordeel van de twijfel. Ik mis echter de grote samenhang en daardoor blijft het niet meer dan een aardig boek voor tussendoor.

Toch komt Jacobs uiteindelijk met een soort conclusie: door alles wat hij gelezen heeft vertrouwt hij erop dat de mens uiteindelijk een tamelijk goede soort is. Maar leuker vind ik om te weten dat de beruchte outlaw Jesse James omkwam toen hij werd neergeschoten tijdens het recht hangen van een schilderijtje…

c38e236dc598930593356495551444341587343

Ik wist wel dat Geert Mak een begenadigd verteller was. In Europa had ik al gelezen van hem. Maar of het boek Hoe God verdween uit Jorwerd iets voor mij zou zijn, dat viel te bezien. Verhalen van Het Friese platteland, je moet er van houden, ik ben toch een stadsmens.

Alle schroom kan overboord, het is een fantastisch boek. Mak doet in zo’n 330 pagina’s uit de doeken hoe een Fries dorp zich heeft ontwikkeld door de tijd heen en lardeert dat met prachtige beschrijvingen:

In Jorwerd, zelfs in het moderne Jorwerd, bestond nog veel van wat de stad verloren had. Het rook er naar gras, rook, zaagsel, hooi, mest en aarde. De nachten waren er zwart, en de lucht stond nog vol sterren…Een storm was hier een avontuur, zoals je dat in de stad niet meer meemaakte. Een paar dagen na Peets begrafenis begon de wind over de vlakte te razen, de schapen gingen plat, de kont in de wind, en op sommige plaatsen kon je bijna niet meer lopen. Wolken joegen over de hemel als rook uit een fabrieksschoorsteen. Bomen en boerderijen stonden scherp gestoken tegen de donkergrijze lucht. In het dorp ratelden de dakpannen, bomen en lantarenpalen floten, plastic biobakken rolden over de weg. De lucht was vol onrust, en toen de kinderen uit school kwamen rende ze juichend over straat, de jassen halfopen, als bladeren lieten ze zich op de vlagen voortzeilen.

Mak verhaalt over de eerste boeren in het gebied, over de koeien die ze hielden (geel van kleur, de rood- en zwartbonten volgden veel later) en over de leegte en weidsheid van het land. Hij geeft aan dat tot het eind van de 18e eeuw het boerenbestaan erg traditioneel was. Boeren gebruikten in essentie nog dezelfde middelen als aan het begin van de jaartelling; ploeg, mest, irrigatie en de trekkracht van paarden en ossen. Daarna kwam er verandering. Dat had vooral te maken met de bevolkingsgroei. In de 19e eeuw nam het aantal Nederlanders toe van twee miljoen tot tien miljoen. Die moeten gevoed worden en dat had nogal wat gevolgen voor de landbouw. Een tweede verandering was het transport. Spoorwegen en transatlantisch transport werd fors uitgebreid en de Nederlandse runderexport vertwintigvoudigde ineens. Een andere factor van belang was de mechanisatie. Er volgde een keur aan machines waardoor boeren sneller en efficiënter konden werken, van welke de dorsmachine wel één van de belangrijkste was en later de melkmachine. Die bespaarden de boeren tijd én mankracht.

Mak schenkt ook veel aandacht aan de problemen van het boerenbestaan. Hij beschrijft de crisisjaren aan het eind van de 19e eeuw waarin veel boeren naar de stad trekken om niet meer terug te keren. Door alle machines wordt het stiller en stiller op het erf en in de stallen. De vroegere bedrijvigheid van familieleden die meehielpen en de broodnodige arbeiders en melkers verdween voor een stille efficiëntie. Rond de jaren vijftig van de twintigste eeuw was er zelfs sprake van De Grote Neergang. Notarissen begeleiden meer een meer boelgoeden en steeds meer boerenbedrijven verdwijnen. Er is sprake van schaalvergroting en er komen nieuwe standaarden voor wat grote en kleine bedrijven zijn. De koe blijkt onderhevig aan inflatie en boeren worden gedwongen tot grote investeringen, onder meer omdat de melkbussen verdwijnen en er daarom koeltanks voor de melk aangeschaft moeten worden. Kapitaal wordt steeds belangrijker en door alle efficiëntie ontstaat er overproductie; de bekende melkplas en boterberg. De ellende wordt groter en groter. Superheffingen, mestoverschotten en melkquota volgen, evenals een levendige handel in die quota. De mestoverschotten dienen opgeslagen te worden in mestsilo’s, de zoveelste investering.

De titel van het boek slaat op de ontkerkelijking van het platteland. Geloof heeft altijd een belangrijke rol gespeeld op het platteland. Een boer leeft met en in de natuur, maar is vaak overgeleverd aan de grillen ervan. Noodweer, droogte, muizenplagen, de boer moet het allemaal over zich heen laten komen. In de kerk kon steun worden gezocht in barre tijden of konden betere tijden afgesmeekt worden. Met de komst van kunstmest en allerhande bestrijdingsmiddelen kon de natuur voor een deel in toom worden gehouden en daarop volgde een stuk verlies van ontzag voor het hogere. De kerk werd minder bezocht.

Interessant is dat, ondanks de moeilijkheden en de voortschrijdende technieken, de Jorwerter boeren aan het eind van de twintigste eeuw nog steeds verhaalden over hun band met het land, de regen en het vee. Dat zijn gevoelens die niet enkel te verklaren zijn in termen van ‘overleven’ en ‘geld’ maar worden misschien het best verwoord door de uitspraak van de oude Tiennon, een negentiende-eeuwse Franse boer:

Als ik zag hoe mijn weiden weer groen werden; als ik geboeid de groei van mijn granen en mijn aardappels op de voet volgde; als ik zag dat mijn varkens groeiden, mijn schapen rond werden en mijn koeien gezonde kalveren kregen; als ik zag dat mijn vaarzen zich goed ontwikkelden en mooi werden, mijn ossen zich ondanks hun harde werken goed hielden, dat ze schoon waren, goed geknipt, de staart gekamd hadden zodat ik trots op ze kon zijn als ik met de andere pachters karrevrachten naar het kasteel bracht, dat de dieren die ik wilde verkopen goed in het vlees zaten: dan was ik gelukkig.

Je zou je zowat om laten scholen tot boer en spoorslags naar Jorwert vertrekken. Maar…het dorpse leven heeft zijn voors en tegens. Er is een grote mate van saamhorigheid, maar de sociale controle is moordend. Iedereen weet alles van elkaar, privacy is lastig, anonimiteit ontbreekt. Het scheelt ook of je Jorwerter bent of zogenaamde import. Je kan er jarenlang wonen, je bent nooit ‘van hier’. Ook dit wordt door Mak beschreven. De excentriekeling die rust zoekt, de yuppen met hun tweede huis en de goedwillenden die lid worden van iedere vereniging en die hard vechten voor hun plaatsje in de Jorwerter gemeenschap.

Het boek maakt duidelijk dat de tijd niet stil staat en dat ook een dorp als Jorwert hier in mee moet. Supermarkten verschijnen in naburige steden, openbaar vervoer verbetert en winkels verdwijnen. De moordende regelgeving maakt het steeds moeilijker voor boeren om het hoofd boven water te houden. Opvolging voor het bedrijf is er vaak wel, maar overname is geen vanzelfsprekendheid meer. Bedrijven die honderden jaren en door hele generaties in stand werden gehouden eindigen in het hier en nu. Toch houden velen vast aan hun tradties, zoals Lamkje die het met haar slagerij ook niet vol kon houden:

Het was datzelfde gevoel van eigenwaarde dat Lamkje dreef om haar lege slagerij nog altijd even netjes bij te houden als vroeger; de toonbank keurig schoon, daarop de rode weegschaal, daarachter de grote snijmachine en de gehaktmolen. Ze waren blijven staan, rood en statig in de wit betegelde ruimte, als een tribuut aan de overleden slager, een verzet tegen de tijd.

Wat mooi naar voren komt in dit boek is de dualiteit van het boerenbestaan en het leven in een dorp als Jorwert. Volop in de natuur, tussen gewas en levende have, eigen baas in eigen tijd, maar tegelijkertijd keihard werken op het land en tegen Europese regelgeving. Er is de rust en geborgenheid van het dorp, bij moeilijkheden worden er moeiteloos sociale vangnetten gespannen om elkaar te helpen maar tegelijkertijd is er de druk van de omgeving en zijn sociale controle. Mak heeft een mooie balans gevonden tussen persoonlijke verhalen van Jorwerters en het groter verband; hij zet hun belevenissen in een breder perspectief door ze af te zetten tegen de stadse moraal, tegen collega-boeren in het buitenland en tegen de Europese wet- en regelgeving. Het boek is een behoorlijke aanrader voor al diegeen die niet verder kijkt dan het stadse terras.