archiveren

Maandelijks archief: december 2018

9462970807.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik heb nog nooit overwogen om een boek van Mart Smeets te kopen. Iets met vooroordelen van journalisten die snel wat boeken op de markt gooien voor de bijverdienste of zo. Ik had echter over zijn boek Mijn Amerika goede verhalen gehoord dus schafte het toch aan en daar heb ik geen moment spijt van gehad.

Smeets heeft de Verenigde Staten talloze malen bezocht, privé én voor zijn werk en heeft op een paar na alle staten gezien ook. Daar weet hij aanstekelijk over te vertellen. Het begon al razend interessant over het ontstaan van het Amerikaanse volkslied en de vlag. Zo werd het eerste exemplaar van de vlag gemaakt van witte overhemden van een paar soldaten, van rode petticoats van officiersvrouwen en het blauw kwam van het uniform van de van oorsprong Nederlandse kapitein Abraham Swartwout. Met dit soort weetjes heb je me hoor.

Smeets laat van alles voorbij komen en ik zocht veel op. Over de enige president van Nederlandse oorsprong bijvoorbeeld, Martin van Buren. Maar ook over de zanger Dion, die op onnavolgbare wijze aan Van Buren gelinkt wordt (via de namen van diens zonen en de titel van een lied, ga het vooral lezen). Musea bezoekt hij ook en ik leer in vogelvlucht wat bij over de foto’s van Harry Callahan, het beroemde schilderij American Gothic van Grant Wood en over Nighthawks van Hopper en zijn pendant Boulevard of broken dreams van Helnwein.

De cola-oorlog, generaal Sherman en de burgeroorlog, het drankje SoCo (Southern Comfort) en wat het met Janis Joplin deed, de Summer of Love in San Francisco (Smeets helpt de mythe van die zomer fijntjes om zeep), Black Friday, het wordt allemaal geduid. Smeets is op zijn best als de verhalen persoonlijk worden, zoals die keer dat hij in een muziekzaak stond en door zijn werkgever gebeld werd om commentaar te leveren op het overlijden van Gerrie Knetemann;

Een half uur later stond ik midden in Waterloo, met al een flink stapeltje nieuwe cd’s in mijn mandje, toen er weer gebeld werd. Dione de Graaff aan de lijn vanuit Hilversum. Ze vroeg of zij mocht toepraten naar een impromptu over de dood van ‘De Kneet’. Ik zette mijn mandje neer, haalde diep adem, bedacht van alles, maar kwam tot niets en riep tegen Dione: ‘Begin maar’.

Natuurlijk komen zijn stokpaardjes de sport en muziek ruim aan de orde en dat levert prachtige verhalen op over keeper Jan van Beveren en het Neil Diamond-nummer ‘Sweet Caroline’. Dat nummer wordt altijd in het midden van de achtste inning gespeeld bij de honkballers van de Boston Red Sox. Ook daar moet en zal Smeets dan naar toe en hij vertelt er prachtig over;

Een donkere mannenstem kondigde ‘Sweet Caroline’ aan en de eerste tonen werden hoorbaar…Als ik hier toch was , dan deed ik volle bak mee…Mensen pakten elkaar vast; sloegen armen rond schouders, handen in elkaar en iedereen, ja, iedereen zong. Ik voelde geen tranen opkomen, maar wel een donkere rilling over mijn rug trekken; een heel erg speciaal gevoel zette zich in mijn lijf en geest vast, en ik merkte dat ik mijn arm om Karen heen legde. Ze keek me aan met iets van ‘ouwe gek’ in haar blik en ze had gelijk. Ik zong, ik schaamde me nergens voor en ik genoot. Niemand, maar dan ook helemaal niemand, kon mij de gevoelens van dit moment afpakken. Ik had het zo graag willen meemaken, en nu stond ik hier en deed wat ik deed. Alles klopte.

Verder had ik nooit over Frederick Douglass en William Edward Burghardt Du Bois gehoord, maar over die belangrijke congresman en mensenrechtenactivist worden we ook bijgepraat. Bijna 380 pagina’s vol met informatie en je komt wat dichter bij Smeets zelf ook. Heeft hij nog iets te wensen? Natuurlijk;

Zo reis ik dus door de USA. Ik zoek naar gekke dingen, leuke namen, musea, universiteiten, springschansen, watervallen, malls, grote bossen, stadions, vervallen dorpjes en plaatsen met Nederlandse namen. Ik wil ook wel naar Harlingen, Texas en Harlingen, New Jersey. Is het een tic? Jawel, maar ik kan er prima mee leven en ik val er ook niemand mee lastig.

Dat laatste gelukkig wel een beetje in de vorm van een erg informatief en leesbaar boek.

1780334834.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Op de site van Boekensneuper kwam ik een leuk stuk tegen over de nachtmerrie van het hebben van een antiquariaat. Hij heeft het daar over een aantal boeken die het wel en wee beschrijven van een verkoper in een antiquariaat. Ook het boekje Weird things customers say in bookshops van Jen Campbell komt voorbij.

Het is een verzameling van uitspraken van klanten in twee winkels uit Edinburgh en Londen en een kleine verzameling uitspraken van klanten elders op deze aardbol.

Leuk? Ja, erg vermakelijk. Goed honderd pagina’s leesvoer dus je bent er zo doorheen, maar leuk voor tussendoor. Wat voorbeelden;

Customer: I read a book in the sixties. I don’t remember the author, or the title. But it was green, and it made me laugh. Do you know which one I mean?

Customer: Where’s your poetry section?
Bookseller: It’s just over here.
Customer: Great. Do you know who wrote the poem ‘Happy Birthday to you, you live in a zoo, you look like a monkey, and you smell like one too’?
Bookseller: …
Customer: Do they have their own collection?

Customer (peering over): Do you have brown eyes?
Bookseller: Yes, I do.
Customer: My mother told me never to trust anyone with brown eyes.
Bookseller: …You have brown eyes.
Customer: …

Okay, ik vind het humor. Ook een “elderlady lady” met een “Dutch accent” ontbreekt niet en ik vraag me af of er niet nodig een Nederlandse editie moet komen. Er zijn overigens prachtige boeken met verhalen over het antiquariaat, denk aan de winkeldagboeken van het Utrechtse antiquariaat Hinderickx en Winderickx, maar die zijn van een iets andere orde. Daar zit wat meer verhaal in dan in dit boekje. Ik houd van beide.

e6fb78041f6f5695968676a7251444341587343
Ik zal de naam Jan Greshoff vast in een boek al eens tegen zijn gekomen, maar eerlijk gezegd wist ik niet precies wie de man was. Toen ik de achterkant van dit boek las, wist ik dat Moralist van de ontrouw van Annemiek Recourt onverwijld gelezen diende te worden.

Ik ben geïnteresseerd in geschiedenis én in Nederlandse literatuur en dan kan je niet om Greshoff heen. Hij stond bekend, zeker in het interbellum, als aanjager van menig literaire carrière, én was zelf ook actief als dichter en schrijver. Het verbaasde mij ook dat ik niet meer over hem wist, maar dat is met dit boek aardig goed gekomen.

Greshoff maakte geen opleiding af maar voelde zich dichter. Na school verzamelde hij al snel een ‘culturele’ kring om zich heen en bleef dat gedurende de rest van zijn leven doen. Hij was al jong fan van Albert Verwey en probeerde om zijn gedichten gepubliceerd te krijgen in diens tijdschrift De Beweging. Daar begon zijn tragiek eigenlijk al een beetje. Zijn vrienden Jacques Bloem en Piet van Eyck lukte het wel. Zijn tragiek, maar ook zijn dynamiek. Greshoff blijkt namelijk een onvermoeibaar aanjager van de verspreiding van kennis over literatuur en de literatuur zelf. Zo richt hij met De Zilverdistel de eerste ‘private press’ op. Ook begint hij zijn eigen tijdschrift, De Witte Mier. Dat blad oogst veel sympathie, behalve bij volksschrijver A.M. de Jong, die hem van kopie-gedrag beticht. Greshoff is niet onder de indruk:

‘Ineens is daar uit de dikke duisternissen der onbekendheid een grove figuur op mij toegestoven. Hoewel ik maar een bleek en mager jongentje ben en heelemaal geen held, ben ik van déze literaire struikroover niet geschrokken.’

Greshoff trouwt, reist veel en schrijft kritieken en krijgt gaandeweg een steeds grotere waarde voor de literatuur. Het accent verschuift van zijn eigen werk naar het begeleiden van jong talent. Voor de Tweede Wereldoorlog verhuist hij naar Zuid-Afrika omdat de sfeer in Europa hem benauwt. Toch kan hij ook daar moeilijk aarden. Hij verblijft enige tijd in Nederlands-Indië en werkt in New York en overal is het patroon gelijk. Hij zoekt culturele kringen en moet zorgen dat hij aan het werk blijft, maar is nergens echt thuis.

Zij vrienden E. du Perron, Hendrik Marsman en Menno ter Braak overlijden kort na elkaar aan het begin van de oorlog en Greshoff heeft het daar moeilijk mee. Uiteindelijk merkt hij dat zijn invloed als literair zwaargewicht in Nederland tanende is. Dat weet hij zelf ook. Hij ziet niets in de nieuwe garde als Hermans, Reve en Lucebert. Zijn afkeuring is voor hen een aanbeveling geworden. Greshoff schrijft hier zelf het ironische maar toch zo serieuze gedicht over;

Tot wat ik nooit heb willen zijn
Ben ik tenslotte toch verworden
Een van die deftige verdorden
Eertijds verfoeid op ’t Velperplein

Ik wenschte mij, ver van de horden,
Een doelloos leven zonder lijn;-
Nu ben ik echter, braaf en klein,
Een moralist met ridderorden.

Soms voel ik nog een sterke drang
Iets geks te doen en los te breken,
Helaas te zelden en nooit lang.

Ik heb de plooien glad gestreken
En met dit zweempje zwanenzang
Is het geheel afdoend bekeken.

Een onvermoeibare aanjager van literair Nederland, schrijver en dichter, maar uiteindelijk vooral herinnerd om dat wat hij naast dat schrijver- en dichterschap deed.

Ik heb het boek, ruim 670 pagina’s, met meer dan gewone belangstelling gelezen. Dat komt door bovengenoemde interesse, maar ook door de hoofdpersoon zelf. Recourt zet hem neer als een mens, soms zelfverzekerd en eigenwijs maar soms ook vol twijfel. Hij onderneemt steeds weer initiatieven om de literatuur op een hoger plan te brengen. Het boeide mij zo dat ik zelfs de eerste twee jaargangen van zijn tijdschrift De Witte Mier aanschafte. Het is geweldig om daar in te grasduinen en de stukken van Jan en zijn vrouw Aty te lezen. Zo neemt Greshoff in hummer 1 van jaargang 1913/1914 afstand van een stuk van één van zijn medewerkers;

Aan de lezers. De Witte Mier is ontrouw geworden aan een van de principe, welke van af de oprichting van het tijdschrift bij de redactie hebben voorgezeten: in nummer twaalf van den eersten jaargang staat n.l. een kritisch opstel over binnenlandsche literatuur. Nu zou ten slotte deze uitzondering niet zóó belangrijk zijn, dat ik er hier nog eens de aandacht op vestigen moet, indien niet dit artikel een vrij streng, in ieder geval verwèrpend oordeel inhield over een schrijver, die juist mijn gehééle liefde en bewondering heeft. Mijn gewaardeerde medewerker Pauwels natuurlijk alle oordeelsvrijheid gunnende, de eerlijkheid van zijn uiting eerbiedigende, zal hij het mij zeker niet ten kwade duiden als ik hier verklaar dat mijn oordeel over J.J. de Stoppelaars werk zoo gehéél het tegenovergestelde is van het zijne, dat ik het betreuren moet dat dit laatste in mijn tijdschrift is verschenen.

En zo heb je de literatuurgeschiedenis in huis gehaald en dat is wat mij betreft de verdienste van dit boek.

IMG_5611
Uitgaven van De Witte Mier

9046824500.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In 2014 had ik van culinair recensent Johannes van Dam zijn standaardwerk al gelezen, DeDikkeVanDam, maar zijn biografie liet nog even op zich wachten. Dit jaar verscheen hij, geschreven door Jeroen Thijssen.

Het is geen dikke pil, 300 pagina’s, en je vliegt er doorheen. Het begint met het auto-ongeluk waarbij zijn vader om het leven komt en waarbij Johannes en zijn zusje gered worden. Of waarbij Johannes, volgens eigen zeggen, zijn zusje redt. Daar wordt de toon ook een beetje gezet, want Johannes is zeer stellig in zijn uitspraken, zijn leven lang.

De vroege verhalen zijn direct al ‘larger than life’. Zijn eerste vriendinnetje is de latere mevrouw Haitink. Anti-sportief als hij is, heeft hij Jan Mulder uitgevangen met kastie-bal (Mulder herinnert zich niets). Voor het verhaal geeft het niet, je komt er lekker in zo. Als hij in Amsterdam studeert (hij maakt geen studie af) staat hij vooraan als de rookbommen bij het huwelijk van Beatrix en Claus gegooid worden.

Wat wel duidelijk wordt in die tijd is zijn liefde voor koken en eten. Bij de studentenvereniging zat hij in de kookcommissie en in de commune waar hij enige tijd woonde verzorgde hij ook alle maaltijden.

Naast liefde voor eten was er de liefde voor boeken. Hij ging werken op het Spui in boekhandel Athenaeum. Hij lijdt aan depressies en tracht deze te ontvluchten door enige tijd in de Pyreneeën te gaan wonen. Dat helpt hem niet, maar hij vindt er wel het mes dat hij later theatraal uit de vestzak zal pakken bij al zijn proeverijen;

Ooit kwam er een groepje boeren uit de omgeving mee-eten. Tot mijn verbazing zag ik hoe voor hen zonder mes werd gedekt…trots toonden ze me wat ze uit hun zak tevoorschijn haalden: hun Laguiole…Een Laguiole heeft een elegant gebogen heft van hoorn…Daar eet een boer zijn middagmaal mee. En vilt hij een konijn. En snijdt hij een dooie tak van zijn kwee. Haalt een braamstruik weg. Haalt de aarde onder zijn nagels vandaan. Maakt een fles wijn open. Ent een perzikboom. Wipt een slak uit zijn huisje. Maakt een fles wijn open…

Terug in Nederland werkt hij als redacteur en in een kookboekenwinkel. Die laatste zal hij ook overnemen maar het wordt een chaos. Hij heeft geen idee wat hij omzet. Heeft liever ook geen klanten in de winkel, of ze moeten verstand van zaken hebben en dat vindt hij meestal van niet. Hij kan op het botte af reageren en verklaart dat door te zeggen dat hij aan Asperger lijdt. Wat overigens nooit officieel vastgesteld wordt.

De winkel wordt overgenomen en de tweedehands boeken neemt hij mee. Dat zal de basis vormen voor zijn latere, omvangrijke verzameling boeken en geschriften. Hij begint dan met zijn culinaire recensies en pakt direct het gerenommeerde Rotterdamse restaurant Parkheuvel aan. Ook de bistro van Hotel Krasnapolsky krijgt er ongenadig van langs. Deze recensie krijgt als titel ‘EEN MOORDAANSLAG?’ en doet uit de doeken dat de lever die geserveerd werd volkomen bedorven was.

Hij wordt meer en meer bekend (of berucht) en er zijn restaurants met Johannes-protocollen. Wat te doen als hij binnenkomt (niet vragen of het gesmaakt heeft). Zelf geeft hij een inkijkje in zijn werkwijze;

Hij heeft een methode, die hij ‘bijna wetenschappelijk’ noemt. Daarvoor maakt hij gebruik van zijn ‘omvangrijke wetenschappelijke bibliotheek’…In het restaurant bestudeert hij het menu op compositie en kiest dan acht representatieve gerechten, waarvan een deel nog bereid moet worden, een ander deel mag vooraf klaar zijn gemaakt; patés bijvoorbeeld.
‘Ik onderscheid het idee en de uitvoering van elkaar,’ zegt hij. ‘Een kok kan immers ook een slechte dag hebben. Daar houd ik rekening mee. Ik bedrijf geen incidentenjournalistiek.’

Het is boeiend om te lezen en de voors en tegens van zijn methode komen uitgebreid aan bod. Hij is ontegenzeggelijk een betweter maar heeft ook vaak gelijk. Aan de andere kant, hij komt op weinig plaatsen, dus heeft nooit een champignonkwekerij of zalmvisser van dichtbij gezien, hij haalt alles uit zijn boeken. Waar anderen anoniem proeven zal hij altijd het beste bord eten voor zijn neus krijgen (Ja, maar ze kunnen de patat voor mij niet ineens anders zijn gaan bakken).

Zijn huis aan het Spui wordt meer en meer ontoegankelijk door alles wat hij verzamelt en uiteindelijk besluit hij met twee medeverzamelaars, Bart Cuperus en Joop Witteveen, om de gezamenlijke collectie na te laten aan de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Dan wordt ook duidelijk hoe bijzonder de verzameling van Van Dam is. Oude drukken en zeldzame uitgaven, die hebben ze al lang in de bibliotheek, maar bij Van Dam kan je terecht voor alle hedendaagse kookboeken maar, en dat laat zijn passie zien, ook het eerste magnetronkookboek, de kookboeken van alle fornuisleveranciers, de foldertjes van “Melk, de witte motor” en ga zo maar door.

Qua gezondheid gaat het steeds slechter. Hij heeft overgewicht, had al diabetes en op een gegeven moment kan zijn hart het niet meer aan. Het boek eindigt mooi met de betekenis van Johannes van Dam voor de culinaire wereld. De prijs die naar hem is vernoemd. Zijn invloed op recensenten en chefs, zijn verzameling keukengerei in Museum van Loon, maar bovenal zijn boeken en zijn immense bibliotheek die nog altijd veel wordt geraadpleegd.

Zoals gezegd leest het boek vlot door en mis ik weinig dingen, of het moet de meester in de keuken zelf zijn. Bijna nergens lees ik hoe hij zelf aan de slag gaat met potten en pannen om al die kennis in de praktijk toe te passen, los van de aardappelpuree waar hij zo verzot op was. Verder, een mooi monumentje voor een markante man.

9200000099598008
Arjan Visser interviewt al twintig jaar voor het dagblad Trouw dichters, schrijvers en andere personen aan de hand van de Bijbelse Tien Geboden. In 2018 is deze bloemlezing verschenen, waarin ruim honderd interviews met schrijvers zijn opgenomen. Het resultaat: 1 interviewer, 10 geboden, 100 en enige schrijvers.

Voor in het boek zijn de geboden uiteraard opgenomen, in zowel de protestantse als de katholieke variant. Iedereen krijgt de protestantse versie voor de kiezen, of de wortels moeten in het katholicisme liggen, dan wordt deze variant gekozen en soms wordt er een Vlaamse rijmvorm gebruikt.

Nu is het geen dun boek, ruim 800 pagina’s en levert dat dan leuke leesstof op? Dat is een volmondig ja. Ik kon het boek eenvoudigweg niet opzij leggen. Het is ook een sterke formule. We komen van een goed deel van het Nederlandstalige schrijverspantheon te weten hoe zij tegenover godsdienst staan. Wat zij denken over kunst, wat hun verhouding met hun ouders was, hoe zij in hun eigen relatie staan, wat zij denken van stelen (letterlijk of het zich toe-eigenen van ideeën) en ga zo maar door. Dat levert boeiend materiaal op.

Zo bedenkt misdaadauteur René Appel zich bij het gebod Gij zult niet doodslaan het volgende;

Mijn vrouw zei ooit, nadat ze een kort verhaal van mij had gelezen: ‘Ik begrijp het niet. Je brengt je zoon naar bed, je leest hem een verhaaltje voor, je zingt een liedje. Je bent de allerliefste pappa. Dan kom je naar beneden, je neemt een kop koffie, gaat achter de tekstverwerker zitten en je bedenkt zulke verschrikkelijke dingen!’….Eh…ja, ik weet nog steeds niet wat ik daarop moet zeggen.

De interviews maken ook veel los bij de auteurs. Als Conny Braam vertelt over haar woede-uitbarsting op school, waar haar vader én de politie bij werden gehaald schiet ze vol (Zijn dochter. Van wie hij zoveel had verwacht…Het deed zo’n pijn om hem te zien…).

Als je zo achter elkaar doorleest (de schrijvers staan op alfabetische volgorde) dan komen tegenstellingen ook mooi naar voren. Jeroen Brouwers kan dagen boetseren op één zin. Veelschrijver Herman Brusselmans heeft daar niet zo veel mee:

Al die schrijvers die om de drie jaar met een flutromannetje van 128 pagina’s komen – ik begrijp dat niet. Die schrijven een zin per dag, moeten daar achttien uur van bekomen om zich vervolgens vier weken af te vragen waar ze in godsnaam mee bezig zijn…Ik zeg: rammen op die machine!

Er zitten ongemeen prachtige interviews tussen. Met Arthur Japin, die aangeeft hoe moeilijk hij het in zijn jeugd heeft gehad. Met de psychiater en romancier Hans Keilson als hij de honderd al gepasseerd is (wat een ontroerend stuk over zijn ouders), maar ook met Harry Mulisch, onnavolgbaar bij het gebod Gij zult niet stelen:

‘Waarom zou ik van andere schrijvers stelen? Ik weet het zelf veel beter.’

Soms zijn de verhalen echt schrijnend. Omdat het zo’n lange periode beslaat, staan er ook interviews in van personen die er al niet meer zijn. Een ervan is met de schrijver en illustrator Sieb Posthuma. Als hij praat over zijn achtergrond zegt hij, in 2012;

Sinds een jaar ben ik er pas goed van doordrongen dat ik mijn talent niet meer nodig heb om gezien te worden. Ik heb die redenen verwerkt; ik ben er en wat ik doe, doe ik voor mijn plezier…Niet boos of verbitterd zijn. Niet blijven steken in verlangens. Het is mij gelukt.

Twee jaar later zou hij zelfmoord plegen. Ook het hoofdstuk over Joost Zwagerman hoeft denk ik geen nadere toelichting met de kennis van vandaag.

Er staan een paar schoonheidsfoutjes in het boek (Désanne van Brederode was de dochter van een jezuïet en priester, ze was het niet zelf) maar dat zij vergeven. Je komt talloze prachtige uitspraken tegen (Koos van Zomeren – Volgens mij is diefstal van stilte de meest voorkomende vorm van kleine criminaliteit) of ronduit grappige (Midas Dekkers – Overigens geloof ik dat vloeken wèl helpt. Ik zou niet weten hoe ik anders een Lundia-kast in elkaar zou moeten zetten). In ieder geval heb ik echt heel wat auteurs een stukje beter leren kennen.