archiveren

Privé-Domein

666767699
Gesprekken met Goethe is het beroemde boek dat Johann Peter Eckermann schreef over de gesprekken die hij voerde met de Duitse schrijver, dichter, wetenschapper en staatsman Johann Wolfgang von Goethe. In 1821 stuurde Eckermann zijn poëziedebuut al eens naar Goethe, maar daar vernam hij niks op. Twee jaar later lukte het hem wel om contact te leggen en dat beviel blijkbaar zo goed dat hij over de vloer bij Goethe mocht blijven komen en vele gesprekken met hem voerde. Die zijn in dit boek opgetekend.

Als Eckermann op bezoek gaat bij Goethe bewijzen de programma’s van Boudewijn Büch (die ook het nawoord in dit boek verzorgde) hun waarde. Ik kan mij een goede voorstelling van het huis en de verschillende vertrekken maken en dat leest prettig. Eckermann is groot fan van Goethe en dat laat hij ook blijken;

Ik voel dat ik door Goethe’s woorden een paar jaar verstandiger ben geworden en verder ben gekomen en ik bespeur diep in mijn ziel welk geluk het betekent en wat het wil zeggen als men een ware meester ontmoet.

Ik was even bang dat het een dweepziek boek zou worden zo, maar dat viel reuze mee, ik kom er op terug. Het fascinerende aan dit boek vind ik de directe toegang tot Goethe; wat de man dacht en hoe hij te werk ging. Zo licht hij toe hoe hij te werk ging bij Faust, één van zijn grote werken;

‘Wanneer ik me niet mijn leven lang met de beeldende kunst had bezig gehouden,’ zei Goethe, ‘zou het me niet mogelijk zijn geweest. Het was echter wel lastig me tegenover zo’n overvloed te matigen en alle figuren erbuiten te houden die niet bij mijn opzet pasten. Zo heb ik bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van de minotaurus, van de harpijen en van enkele andere monsters.’

Zo zien we Goethe de schrijver en dichter maar maken we ook kennis met hem als wetenschapper. Hij heeft het met Eckermann over zijn kleurenleer, die hij zelf zag als zijn grootste verdienste. Hoewel er op die leer genoeg valt af te dingen (Goethe zette zijn leer tegenover de theorie van Isaac Newton) was Goethe erg overtuigd van zijn gelijk. Hij vertelt dan ook onomwonden;

‘Om een nieuw tijdperk te kunnen inluiden…zijn er zoals bekend twee dingen nodig: ten eerste dat je een knappe kop bent en ten tweede dat je een grote erfenis krijgt. Napoleon erfde de Franse Revolutie, Frederik de Grote de Silezische Oorlog, Luther de duisternis van het papendom en mij is de dwaalleer van Newton ten deel gevallen.’

Last van valse bescheidenheid had hij in ieder geval niet. Eckermann is gelukkig niet alleen fan maar ook voldoende kritisch, want hij voert wat experimenten uit met Goethe’s leer en komt zowaar soms tot andere conclusies. Als hij het waagt die voor te leggen is Goethe daar niet onverdeeld blij mee en wijst het zelfs in eerste instantie zonder veel reden af;

‘…dat ik in mijn eeuw in de moeilijke wetenschap van de kleurenleer de enige ben die weet wat juist is, daar laat ik me op voorstaan en ik ben me bewust dat ik daarin superieur ben aan vele anderen.’

Daar kan Eckermann het even mee doen. Toch komt Goethe hier later op terug en stelt Eckermann in het gelijk. Zo laat dit boek ook een menselijke Goethe zien.

Temeer omdat Goethe soms wonderlijke uitspraken doet. Hij was zelf actief op talloze vlakken, maar verkondigt toch dat het voor een mens de grootste kunst is om zich te beperken. Ook debiteert hij ergens dat het mogelijk is om louter door wilskracht je de vliegende koorts van het lijf te houden. Ook hield Goethe zich bezig met de achterhaalde theorie van zijn vriend Lavater, de fysionomie, waarbij men de persoonlijkheid van iemand aan zijn uiterlijk wil aflezen.

Die merkwaardigheden daargelaten, is het een feest om dit boek te lezen. Het valt op dat Goethe vaak opgewekt en goed geluimd is en keer op keer met kopergravures, boeken en schilderijen komt die worden besproken. Als de heren een ritje in het rijtuig maken volgen er boeiende beschouwingen over het weer. Goethe laat ook van alles bij hem thuis afleveren en dat gaat er dan zo aan toe;

Intussen had de bediende Friedrich een grote kist uitgepakt die uit Parijs was aangekomen. Het was een zending van de beeldhouwer David, gipsafdrukken van portretten, bas-reliëfs, van zevenenvijftig beroemde personen. Friedrich bracht de afdrukken in verschillende schuifladen binnen en het was een zeer onderhoudende bezigheid, al die interessante persoonlijkheden te bekijken.

Verder waren er nog boeken en dichtbundels meegestuurd, waarbij de gedichten van Emile Deschamps weer aanleiding geven tot een gesprek over de invloed van Goethe op de jonge dichters in zijn tijd.

Eckermann gaat nog op reis met August von Goethe, Goethe’s zoon, naar Italië. August zou daar komen te overlijden. Eckermann keert terug en hervat zijn ontmoetingen en komt uiteindelijk overeen met Goethe dat hij hun gesprekken, na Goethe’s dood, op schrijft zou stellen. Dat deed hij uiteindelijk in drie delen, waarvan dit boek van een kleine 500 pagina’s de eerste twee delen integraal bevat.

Het boek leest geweldig door, hoewel er vaak naar de noten achterin gebladerd moet worden. Er staan wat foutjes in, waarvan drie fouten in drie zinnen op pagina 263 het meest storend waren. Verder is dit een absolute must voor iedereen die iets meer over Goethe wil weten.

Vertaling; Gerda Meijerink

902956170X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Stefan Zweig (1881–1942) was een Oostenrijkse schrijver van Joodse komaf. In zijn autobiografie De wereld van gisteren vermengt hij zijn eigen geschiedenis met het tijdsbeeld van rond de eeuwwisseling tot vlak voor zijn zelfgekozen dood in 1942.

Zweig werd geboren in Wenen. Dat was een stad waar het goed toeven was aan het eind van de 19e eeuw en Zweig zingt de lof over zijn stad;

Gastvrij en met een bijzonder assimilatievermogen trok deze stad de meest ongelijksoortige krachten aan en ontspande ze, maakte ze los en bracht ze tot rust; het was een mild klimaat om in te leven, deze atmosfeer van geestelijke tolerantie, en onbewust werd elke burger van deze stad tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap opgevoed.

Iedere burger een wereldburger; dat is het gevoel wat Zweig zal vasthouden. Voorlopig vindt hij zijn weg in de stad, waar kunstenaars rondlopen als Brahms en Mahler en waar de joodse burgerij een voorname rol in speelde;

…negen tiende van wat de wereld als Weense cultuur van de negentiende eeuw bejubelde, was een door de joodse Weners gestimuleerde, gevoede of zelfs zelf gecreëerde cultuur.

Tock waren veranderingen onontkoombaar. Goede veranderingen, een verschuiving in de kunsten bijvoorbeeld. Jonge kunstenaars stonden op en Zweig en zijn vrienden zogen alles in zich op. Ze maakten kennis met Hugo von Hofmannsthal, een komeet van een schrijver en dichter én met Rainer Maria Rilke, een dichter die veel geleidelijker tot wasdom zou komen.

Minder goede veranderingen waren er ook. De eerste scheuren dienden zich aan in de maatschappij in de vorm van grof geweld in de politiek, terwijl Zweig en de zijnen daar nog weinig oog voor hadden. Zij schreven en bediscussieerden hun gedichten, maar

In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen.

Zweig studeert ondertussen onder meer filosofie in Wenen en Berlijn. Hij komt in aanraking met verschillende kunstvormen en ontmoet de door hem bewonderde dichter Emile Verhaeren in België. Hij zal zijn werk ook vertalen. In Parijs ontmoet hij de dichter Rilke en de beeldhouwer Rodin. Er volgt een mooi portret van deze Fransman als hij Zweig meeneemt naar zijn atelier, nog wat begint te schaven aan één van zijn beelden en vervolgens zo volledig in zijn werk opgaat dat hij Zweig vergeet.

Zweig reist ook naar Engeland waar een evenzeer mooi portret wordt gegeven van een vrouw bij wiens doop Goethe nog aanwezig is geweest. Hij reist zelfs naar India om zijn blik te verbreden, om van buitenaf eens Europa te beschouwen.

In dat Europa waait een nieuwe wind. Het was de tijd van uitvindingen en ontdekkingen, maar met die wind kwamen er ook donkere wolken mee. Er was trots en zelfvertrouwen, maar dat bracht ook expansiedrift met zich mee. Industrieën draaiden op volle toeren en dat gistende vat kwam ergens tot ontploffing. Zweig vertelt;

Als je je nu in alle rust afvraagt waarom Europa zich in 1914 in een oorlog stortte, vind je geen enkele zinnige reden en zelfs geen aanleiding. Het ging niet om ideeën, het ging niet werkelijk om de kleine grensgebieden; ik kan geen andere verklaring vinden dat dit overschot aan energie…

Toch komt die oorlog er en de beschrijving van de rekruten die zich opmaken om naar het front te gaan vind ik treffend. Of je er zelf bij bent. Gedurende de oorlog toont Zweig zich als de Europeaan die hij zich voelt. Hij probeert de contacten te onderhouden met zijn vrienden die nu tot ‘de vijand’ behoren en die vriendschap krijgt hij terug, bijvoorbeeld van de Franse dichter Romain Rolland.

Als de oorlog afgelopen is, heeft iedereen, logischerwijs, hoop op een goede toekomst. De kunsten gingen verder op de schop. Melodie in de muziek hoefde niet meer, er golden nu andere principes. Klassieke schilders gingen het depot in, kubisme deed zijn intrede, schrijvers en dichters vonden alles opnieuw uit, weg met de lidwoorden bijvoorbeeld. Ook Zweig was kritisch ten opzichte van zijn vroege werk en bedacht;

De tijd was voorbij waarin ik mijzelf had kunnen wijsmaken dat alles waar ik aan begon maar voorlopig was. Ik had het midden van mijn leven bereikt, de leeftijd van louter beloften was voorbij. Nu was het zaak het beloofde waar te maken, mijzelf te bewijzen of het definitief op te geven.

Opgeven hoeft niet, Zweig is zeer succesvol. Zijn werken worden in allerlei talen vertaald. Hij bezoekt vrienden door heel Europa en merkt dat het Europese gevoel nog springlevend is, ook bij de vroegere ‘vijand’. De propagandamachine was blijkbaar toch minder binnengekomen als gevreesd.

Toch, en dat beschrijft Zweig heel goed, komen er weer verschuivingen. Er zijn steeds kleine opstootjes en brandjes waar niemand veel aandacht aan schenkt. Ze komen op en verdwijnen weer. Er staat wel iemand met een grote mond te brallen in de Beierse bierhuizen, maar dat is plaatselijke amok. Tot deze figuur rijkskanselier wordt. Er verschijnen ineens goed getrainde ordetroepen op straat en de sfeer wordt grimmiger.

Zweig onderkent de gevaren en zal zijn woonplaats Salzburg verlaten. Hij laat alles achter, inclusief zijn immense verzameling handschriften, en vertrekt naar Engeland. Vanuit Londen ziet hij hoe Europa langzaam een nieuwe oorlog inglijdt en hij lijdt mee. Toen zijn moeder op sterven lag ging hij nog een laatste keer naar Wenen, voor een laatste afscheid van alles en iedereen;

Ik heb die laatste twee dagen in Wenen elke vertrouwde straat afzonderlijk, elke kerk, elke tuin, elk oud hoekje van de stad waar ik geboren ben, bekeken met een vertwijfeld, onuitgesproken ‘nooit meer’.

Zweig laat Europa achter zich en zou uiteindelijk met zijn vrouw in Brazilië zelfmoord plegen, gedesillusioneerd over de vernietiging van ‘zijn’ Europa.

Het is een boek van ruim 400 pagina’s en het geldt als een autobiografie, maar het is natuurlijk veel meer dan dat. Het laat Europa zien aan het eind van de negentiende eeuw en hoe dat continent twee oorlogen over zich heen kreeg. De hoop die ontstond in het interbellum, de ontzetting over hoe het toch weer fout ging. De onderkenning daarvan door hemzelf, de ontkenning van zoveel anderen, die daarvoor ook een hoge prijs zouden betalen. Prima lessen voor de toekomst, maar een levensgrote spiegel tegelijkertijd, want zoals het toen was is het nu; we zijn er zelf bij.

Vertaling; Willem van Toorn

hqdefault (2)
De namiddag van een schrijver van F. Scott Fitzgerald bestaat uit een aantal autobiografische schetsen die voor de serie Privé-domein bijeen gebracht zijn door Jan Donkers.

Ik heb in maart 2017 een aantal stukken geschreven over het echtpaar Fitzgerald, en deze ontbrak nog in het rijtje. F. Scott Fitzgerald was een zeer succesvolle schrijver in de roemruchte jaren twintig van de vorige eeuw en hij en zijn vrouw Zelda lieten het, vooral in Europa, breed hangen.

Dit boek gaat over de periode erna en is daarom zeer interessant. Zijn verdiensten drogen op en hij voelt (en men laat hem dat ook weten), dat hij er niet meer toe doet. Hij schrijft in die periode gedesillusioneerde stukken proza. Het is niet moeilijk om in het stel Nelson en Nicole Kelly de schrijver en zijn vrouw te herkennen;

…het Meer van Genève dat Nelson en Nicole aantroffen, was het treurige oord van sanatoria en rusthuizen…Nicole lag op het balkon van een hotel langzaam tot leven te komen na twee achtereenvolgende operaties, terwijl Nelson voor zijn leven vocht tegen de geelzucht, in een ziekenhuis twee mijl verderop…
‘Er zijn teveel mensen in ons leven geweest,’ zei Nelson. ‘We hebben nooit weerstand kunnen bieden aan mensen. We waren zo gelukkig het eerste jaar, toen er geen mensen waren.’

Zijn overmatig alcoholgebruik komt ook nu weer terug. Hij loopt in Parijs langs de vroeger zo drukke jazz-bars. Nu staan ze grotendeels leeg. In een ander verhaal probeert hij zijn dochtertje op te halen bij zijn schoonzus, met de plechtige belofte nog maar één drankje per dag te drinken. Dat is een beetje de sfeer van dit boek.

Om de lezer verder op te vrolijken loopt hij al zijn vrienden af die één voor één de dood vonden, uiteraard op veel te jonge leeftijd (zelf zou hij niet ouder dan 40 jaar worden). Soms hebben de autobiografische verhalen andere hoofdpersonen, andere verhalen staan in de ‘ik’-vorm, zoals het verhaal Honderd valse starts. Verhalen die hij ooit wilde schrijven, maar waar niets van terecht kwam. Fragmenten die hij zelf niet meer begrijpt.

De stukken over Hollywood zijn ook de moeite waard. Hij werkte daar als tekstschrijver en had een hekel aan de plaats. Schrijven voor een grijpstuiver, dat was het. Misschien wordt die periode nog het meest gekenmerkt door de volgende anekdote. Fitzgerald las in een krant dat in het Pasadena Playhouse een toneelbewerking zou worden opgevoerd van een van zijn verhalen, The Diamond as big as the Ritz. Hij besloot naar de opening te gaan en ging met zijn vriendin eerst dineren in passende avondkledij;

Toen ze bij het theater arriveerden, zagen ze tot hun verbazing dat er niemand naar binnen ging. De hal was verlaten en Fitzgerald dacht dat hij zich in de datum had vergist. Hij ging informeren en kwam terug met het bericht dat een groep studenten het stuk in een bovenzaaltje speelde…Boven bleek het kleine zaaltje, met vijftien houten banken, ook leeg, maar vlak voor het doek opging kwamen er een paar studenten binnen…

Hij bleef manmoedig zitten maar op de terugrit was hij stil en depressief. Gedempte misère noemt samensteller Jan Donkers dit in zijn nawoord. Verder is in dit boek opgenomen het beroemde interview dat Michael Mok met Fitzgerald had in 1936, tijdens één van diens diepste depressies. Volgens zijn biograaf deed hij een zelfmoordpoging na publicatie ervan. Tragisch, zeker door zijn alsnog voortijdige dood. Terwijl Gertrude Stein, de extraverte schrijfster, zo gelijk had toen ze, in het begin van de jaren dertig, had geschreven dat

‘Fitzgerald gelezen zal worden als veel van zijn beroemde tijdgenoten vergeten zullen zijn’

Dat mijn bescheiden bijdrage hiervan maar weer het bewijs mag leveren dan.

f89bec82d1121e1593837765241444341587343
Via August Willemsen ben ik dan beland bij Fernando Pessoa en zijn magnum opus, Het boek der rusteloosheid. Pessoa heeft het grootste deel van zijn leven aan dit boek gewerkt, zonder het ooit te voltooien. Na Pessoa’s dood in 1935 werden uit 27.000 vel manuscripten in totaal 520 fragmenten geselecteerd die naar alle waarschijnlijkheid deel hadden moeten uitmaken van Het boek der rusteloosheid. Toch zou het nog tot 1982 duren voor het tot een eerste uitgave komt.

Het boek der rusteloosheid is het dagboek van een hulpboekhouder in Lissabon, Bernardo Soares. Dit is geen heteroniem zoals beschreven in het essay van Willemsen, maar een semi-heteroniem. Pessoa zelf zegt daarover;

Het is een semi-heteroniem omdat het een ander is dan ik, maar een ander die niet zozeer verschillend is van mij, dan wel een verminking van mijn persoonlijkheid. Ik ben het, zonder het verstand en de affectiviteit.

Het is de reden dat ik het boek wel onder de autobiografieën zet in mijn overzicht. De overeenkomsten zijn ook legio. Pessoa en Soares leven alleen, op een kamer en hebben praktisch hetzelfde beroep. Beiden komen hun leven lang niet tot nauwelijks buiten Lissabon en zijn weinig sociaal. Overdag werken ze in hun monotone baan en ’s avonds schrijven ze. Daar begint de magie, want dit boek biedt een ongekende rijkdom aan ideeën, gedachten en gevoelens.

Ik geef toe, ik moest er even inkomen, maar ik werd al snel meegenomen in de mijmeringen en overpeinzingen van de hulpboekhouder;

De eentonigheid, de doffe gelijkheid van alle dagen…moge ik die altijd behouden, met een wakkere ziel om te genieten van de vlieg die mij verstrooit doordat ze toevallig voor mijn ogen langsvliegt, van de schaterlach die in golven opstijgt uit de vage straat, van de grootse bevrijding dat het kantoor dichtgaat, van de eindeloze rust van de vrije dag.

Je gaat ineens heel anders naar je werk. Die gave om de kleine dingen te waarderen komt overal weer terug. De hulpboekhouder (ik blijf maar even bij Soares die toch ook Pessoa is) wordt zowat poëtisch als hij betoogt dat het evenveel waard is liefde te geven aan de geringe verschijning van een inktpotje als aan de grote onverschilligheid van de sterren.

Toch worden er ook meer concrete zaken beschreven. Zo beschrijft hij de zelfmoord van de bediende uit de tabakszaak. Hij was hem nooit opgevallen, tot zijn dood. Daardoor gaat hij over hem nadenken;

Arme stakker, hij bestond dus toch! Dat waren wij allen vergeten, wij allen die hem hadden gekend op dezelfde manier als allen die hem niet hebben gekend…Maar hij had een ziel, welzeker, want hij pleegde zelfmoord. Hartstochten? Angsten? Ongetwijfeld…En ineens besef ik dat de kassier van de tabakszaak op een bepaalde manier, met zijn scheefhangende jas en alles, de gehele mensheid was.

In het boek komen, naarmate je vordert, steeds meer gedachten voorbij die naar poëzie gaan. Het helpt als je van dat genre houdt en het lijkt me een compliment aan de vertaler, want het is allemaal glashelder te volgen;

Sporen van beter uren, ergens beleefd in lanen…Uitgedraaide lamp wier goud in het donker glanst door de herinnering aan het gedoofde licht…Woorden gericht tot de grond en niet gesproken in de wind, door de gespreide vingers gegleden als dorre bladeren uit een onzichtbaar eindeloze boom…

Dat werk dus en ik kan nog talloze citaten opnoemen die ik heb aangetekend, na mijn eerste kennismaking met dit boek. Dit is namelijk een boek wat niet na één maal lezen opzij moet worden gelegd, het moet herlezen worden. Al is het maar om dit soort prachtige zinnen, waar ik er vast nog een paar van heb gemist:

Het houdt op met regenen en heel even dwarrelt er een atmosferische stof van kleine diamanten neer, alsof hoog boven een groot blauw tafelkleed wordt leeggeschud om het te ontdoen van die kruimeltjes.

Vertaling: Harrie Lemmens

ef68f89843b5754597969435277444341587343
Braziliaanse brieven is het vierde boek dat ik van August Willemsen las en het is veruit het beste boek. Hij beschrijft er in briefvorm de vier studiereizen die hij naar Brazilië maakte en doet dat uitermate treffend.

De eerste reis maakt hij met Mieke, zijn vrouw. Je hebt direct het gevoel dat je met ze meeloopt door het drukke São Paulo als ze op zoek zijn naar een huis:

We sjouwen een paar dagen door de stad, deze bloedhete, monsterachtig grote, te snel gegroeide, in opbouw en afbraak verkerende, krankzinnig drukke, smerige, stoffige, toeterende, verstopte stad met onbegaanbare trottoirs, we slepen ons door een labyrint van met despotische paperassenkoelies bevolkte makelaarskantoren, tot ons een gevoel van machteloosheid overvalt dat ik tot nu toe slechts kende uit nachtmerries…

De drukte, de sfeer en de eindeloze bureaucratie zijn thema’s die vaker terugkomen. Willemsen maakt het zo bont dat hij een dag lang op een douanebeambte gaat staan wachten tot deze het zelf zat wordt. Een prachtig verhaal.

De auteur is onder meer in Brazilië voor zijn studie Portugees en om onderzoek te doen naar schrijvers als Graciliano Ramos. Daarvoor reist hij de binnenlanden in en ook dat levert mooie verhaalstof op:

Bovendien blijft het natuurlijk altijd de vraag of het bezoeken van die plaatsen iets toevoegt aan wat Graciliano erover heeft geschreven, terwijl ik weet dat ik toch te schijterig en te hooghartig ben om oude overlevenden in de herfst van hun bestaan te komen lastigvallen met vragen over een twintig jaar geleden gestorven dorpsgenoot waar ze nog de pest aan hadden ook omdat hij altijd de beste van de klas was.

Hij schrijft af en toe lange zinnen maar dat stoorde mij niet. Hij gebruikt vaak bijzinnetjes die de zin lang maken maar ook luchtig, zoals de burenruzie die hij verwerkt in een verhaal in één van zijn brieven;

…over Lenie en Lia en het Belgische stel (boven beginnen ze weer, ik vang iets op over doodgaan en vermoorden, als het maar niet lekt)

Hij maakt nog vervolgreizen met Noor, zijn vriendin en met zijn dochter Roos. Ik zou talloze citaten kunnen geven maar ga vooral zelf het boek lezen. Het gaat over kolonialen met dienstmeiden waar hij een mening over heeft, tot hij zelf ineens in die positie komt. Het gaat over een hilarische kerstavond, over literaire bijeenkomsten, over al het ongedierte en het stof en om de drukte. Die alom aanwezige drukte, waardoor hij de Bijlmer als een oase van rust kan zien. Hij heeft een haat/liefde-verhouding met het land en hij vraagt het zichzelf af aan het eind van het boek;

Dus nogmaals: houd ik van Brazilië?…ik kom er steeds weer terug. En de vraag of ik dat ook zou doen als ik, er geen werk had, is helemaal geen moeilijke vraag: om er werk te hebben, heb ik kennelijk, en al lang geleden, dit land gekozen.

3c45b3d8db7723b596d6b4f6577444341587343
In de boeken die ik van August Willemsen las, bleek dat hij niet vies was van een stevige borrel. In De val wordt dit pijnlijk duidelijk.

Hij komt op 10 december 1990, op weg naar huis en met vier flessen wodka en anderhalve liter Fanta, ten val. In het AMC constateert men, behalve ernstige onderkoeling en ondervoeding, een gebroken linkerheup. Hij revalideert in Huize J., en De val is daarvan het relaas. Ook zijn dronkemansbrieven aan zijn goede vriend, filmer Kees Hin, zijn in het boek opgenomen.

Om maar met de deur in huis te vallen, die laatste zijn nog het meest interessant. Het is geen dik boek, 177 pagina’s, en een groot deel daarvan bestaat uit observaties die hij doet in de kliniek. Hij ergert zich aan de rooklucht en het constante lawaai van de televisie. De totale apathie van de medebewoners staat hem tegen en hij voelt zich een vreemde eend in de bijt:

Ik ben me in toenemende mate ervan bewust hier een eenling, zo niet een zonderling te zijn…er wordt stilzwijgend van uitgegaan dat je niets doet. Tv kijkt. En zo is het ook. De ‘gewone man’ doet niets. Kijkt tv. Huivering beving me bij de gedachte aan het systeem democratie: al die runderkoppen hebben stemrecht!

Zelf werkt hij af en toe wat en denkt na over zijn probleem, de alcohol. Hij is onmatig en weet dat. Hij ziet nu om zich heen wat de verwoestende uitwerking is. Bewoners die dertig jaar lang drie tot vier flessen jenever per dag dronken en nu door Korsakov geteisterd worden. Dan kom ik meteen op het manco van het boek. Willemsen observeert, maar veel dieper gaat het niet. Oorzaken van zijn eigen probleem, zelfreflectie, dat mis ik. Hij zegt wel iets over mogelijke oorzaken maar dat blijft summier;

Elk afwijkend gedrag, vaak ook ziekte…wordt bepaald door, als ik het goed zie, vier factoren: aanleg (de ‘genen van mijn vader’: hij en zijn kinderen ‘lustten hem wel’ – ofschoon niemand zo zelfvernietigend als ik); oorzaak of achtergrond (moeder…); aanleiding (het in huis halen van mijn moeder); en bedoeling (het mij van haar, van alles en iedereen losmaken).

Toch wordt het verval wel duidelijk. Eerst kan hij nog wel werken, maar al snel drinkt hij de hele dag door. Hij gaat afspraken missen en zijn werk blijft liggen. Zijn bezoek poedelnaakt met erectie tegemoet treden helpt ook niet echt en uiteindelijk moet hij de feiten onder ogen zien. Hij valt, is verslaafd en moet revalideren. Hij beseft ook terdege waarom hij en al die anderen in de kliniek zitten;

Hier is alles leuk wat je wel kunt. Thuis hindert alles wat je niet kunt – dat staat mij net zo goed te wachten. In de gewone wereld heb je agressie, afgunst, hebzucht, geldzucht, ijdelheid, drift, drukte, leegheid, onverschilligheid – hier zie ik van dat alles niets…Voor al die mensen geldt wat ik in mijn dranktijd eens schreef (zo gek was ik dus blijkbaar niet), dat Sartre ongelijk had: hun hel begint wanneer de anderen weg zijn en ze alleen overblijven, thuis.

Dan nog even die brieven aan Kees Hin. Geschreven in een alcoholroes, vaak op onmogelijke tijden en ik denk dat je daar dicht bij Willemsen komt zoals hij zich voelde voor die “Val”. Zo schrijft hij over zijn bezoek aan Marokko;

Ook heb ik een lift gegeven aan een man die opeens zei: “kom, we gaan kameel eten.” Ik ben op dat punt niet eenkennig, en ik dacht: in Mhamid heb ik op een kameel gezéten, nu kan ik hem ook wel éten…En kamelevlees is verrukkelijk, lijkt een beetje op schaap. Hoe kom ik ineens over Marokko te praten? Zo kan ik nog wel twintig bladzijden doorgaan. Angst om over mezelf te praten? Vlucht in een andere tijd? Het is nu trouwens weer een andere nacht geloof ik. Éven de klok waarnemen. Drie uur. Ik dacht al, wat is het stil. In het telefoonboek staan 10 personen met de naam De Liefde, en 9 mensen met de naam De Dood, waarbij ik maar even het huisnummer verzwijg van I. de Dood-Onrust in de Waalstraat.

Een boek dat je snel uit hebt en de moeite waard, maar ik verheug mij meer op de Braziliaanse brieven, waar ik goede recensies over heb gelezen en die mij hopelijk dichter bij zijn literaire helden brengen. Wordt vervolgd.

9029589795.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen van August Willemsen moest gelezen worden, omdat ik Vrienden, vreemden, vrouwen van hem had gelezen. De reden is dat daarin ene Marian voorkomt, waarmee Willemsen toch een wat eigenaardige relatie had. Ik kon althans weinig hoogte van haar krijgen, zeker met betrekking tot die vroege jaren van dat eerste boek.

Willemsen twijfelt zelf ook over zijn relatie tot haar maar ze zal een vriendin voor het leven blijken, want tot zijn dood voeren ze een correspondentie. Dit boek biedt volgens de informatie de volledige correspondentie, hoewel het mij dan niet veel lijkt over vijftig jaar. Met 300 pagina’s biedt het interessant leesvoer, maar heb ik niet het gevoel dat ik Marian Plug veel beter heb leren kennen.

Dat is deels het manco van een brievenboek. Ook al worden de brieven na verloop van tijd langer en langer en schuiven we op in de tijd, het blijft toch een beetje een fragmentarisch geheel. Wat het zeker wel biedt, is een completer beeld van het leven van beide auteurs dan ik al had. Er zijn brieven bij uit Brazilië en uit Australië van Willemsen en van Plug (1937) leer ik over haar werk als kunstschilder. Ik weet niet zeker of ze nog actief is, want haar website is op dit moment uit de lucht.

Dan die twijfel. Willemsen denkt soms verliefd op Marian te zijn, zeker in zijn jonge jaren, maar spreekt het ook tegen. Ze zoeken elkaar vaak op en gaan samen op vakantie. In de loop der jaren blijken beiden in hun vak harde werkers te zijn met een grote productie. Maarten Asscher zegt in zijn voorwoord;

Het is misschien wel die geconcentreerde toewijding, gekoppeld aan een wederzijdse trouw aan hun eerste gedeelde ervaringen op een ontvankelijke leeftijd in Frankrijk, Spanje en Portugal, die August Willemsen en Marian Plug in deze briefwisseling met elkaar verbindt.

Een aantal fragmenten komen bekend voor uit het vorige boek, maar als de brieven langer worden en later in de tijd, worden ze interessanter ook. Ook het stuk uit een literaire avond in Amersfoort is erg de moeite waard. Willemsen legt hierin uitgebreid uit waar hij tegenaan loopt bij de vertaling van een gedicht uit het Portugees van João Cabral de Melo Neto, compleet met voorbeelden. Een kijkje in de keuken van de meester;

Al na de eerste schets heb ik ‘zonnedraden’ veranderd in ‘zondraden’. ‘Fios de sol is draden van zon’, alsof het materiaal was. Had er gestaan ‘fios do sol’ dan was het ‘draden van de zon’ geweest. Dat is hier het verschil, naar mijn gevoel. Zonnedraden, als zonnestralen, zijn draden van ‘de’ zon. Moet je zo pietluttig zijn? Ja, dat moet.

Zo leer ik meer van Willemsen dan van Plug uit dit boek, maar de rode draad, en dat moet ook, is hun aparte relatie. Dat licht Willemsen nog eens toe in een verhaal in het literaire tijdschrift Maatstaf;

We waren, inderdaad, een beetje trots op onze ‘abnormale’ omgang; er kwám een beetje hoogmoed bij, een beetje Schöngeisterei. Veel later, als we er wel eens op terugkwamen, allebei gewassen door de wateren die over Gods akker lopen, verklaarde ook Marian dat ze niet begreep hoe ze dat toen had gekund en mij had kunnen ‘aandoen’.

Dat laatste verwijst weer naar een vreemd steekincident met een klein schaartje. Al met al staat er genoeg stof in het boek om uit te kijken naar wat meer werk. Ik ben al begonnen.