archiveren

Privé-Domein

95f578382a0409c593750365241437641414141
Ik heb de laatste tijd wat boeken over Parijs gelezen en de kunstenaars die daar hebben gewoond en Belicht geheugen van Man Ray heeft daar ook mee te maken. Het is de autobiografie van de Amerikaanse dadaïstische en surrealistische fotograaf, schilder en filmregisseur. Een groot deel van zijn leven heeft hij in Parijs gewoond en hij ligt er ook begraven.

Nu had ik wel van de man gehoord, kende wat van zijn foto’s maar daar bleef het bij. Ik wist eigenlijk niet dat hij ook schilderde. Sterker, daar begon en eindigde hij mee. Later kwam de fotografie erbij en de films. Hij heeft al dat werk in de geest van Dada gemaakt, die een afwijzing voorstaat van de traditionele kunst. Daarbij experimenteerde hij met nieuwe technieken, zoals zijn rayografieën;

…stuitte ik op het procédé van mijn rayografie, foto’s zonder camera. Een vel fotopapier kwam in de ontwikkelbak terecht – een onbelicht vel dat tussen de reeds door een negatief belichte vellen was geraakt; ik maakte eerst een aantal opnamen die ik later tegelijk ontwikkelde – en toen ik tevergeefs een paar minuten wachtte of er een beeld zou opdoemen, vol spijt over de verkwisting van het papier, zette ik gedachteloos een kleine glazen trechter, de maatbeker en de thermometer in de bak op het natte papier. Ik deed het licht aan; voor mijn ogen begon zich een beeld te vormen, niet het eenvoudige silhouet van de objecten zoals op een gewone foto, maar vervormd en gebroken waar het glas meer of minder contact met het papier had gemaakt…

En zo ben je live bij de ontwikkeling van fotografie en kunst.  Dat geldt ook voor de films die hij maakt. Hij noemt het geen experimenten maar zorgvuldig uitgedachte werken, waarin mensen onherkenbaar herkenbare dingen doen, door met een kous over het hoofd te gaan duiken, dobbelen of wat dan ook. De focus echter in dit boek ligt in de onafzienbare stoet aan beroemdheden waar Man Ray mee werkt. Marcel Duchamp, Salvador Dalí, Kiki de Montparnasse (zij zouden een zesjarige relatie hebben), Picasso, Erik Satie, Marcel Proust (hij zou zijn doodsbed vastleggen), Ava Gardner enzovoort. Het biedt fascinerende lectuur.

Dat geldt ook voor zijn ontmoeting met de avonturier William Seabrook en zijn vrouw. Een vreemd koppel dat Man Ray uitnodigde om op een vrouw te passen die zij hadden ingehuurd en aan de trap hadden vastgebonden. Je moet het even lezen om te geloven. Inherent aan al deze exotische personen is dat het niet altijd de diepte ingaat. Ik had graag meer willen lezen over de kunstenares Meret Oppenheim. Zij baarde opzien door haar met bont beklede kop en schotel, maar Man Ray maakte ook prachtige foto’s van haar. De Kunsthal weidde er ooit in 1997 een aparte tentoonstelling aan.

Man Ray komt uit dit boek naar voren als een veelzijdiger artiest dan ik had gedacht. Ik heb dan ook veel opgezocht. Hij liet zich leiden door zijn eigen instinct en wist altijd de aandacht op zich te vestigen, waar hij zich ook vestigde. Dat leidde tot veel lezingen, die hij niet altijd even goed voorbereidde overigens;

Toen ik op het podium stapte met een bundel papier in mijn hand, zag ik een gelaten blik op veel gezichten. Langzaam en plechtig las ik de eerste bladzijde en stopte toen, om naar mijn toehoorders te kijken…Toen ik aan de tweede bladzijde begon,ging ik vlugger lezen, bij de derde aangekomen las ik die bijna zonder adem te halen uit. Toen ik de volgende bladzijde opsloeg stopte ik weer, liet hem aan de toehoorders zien en zei: dit was het. De bladzijde was onbeschreven, net als de rest van de stapel. 

Man Ray, een verrassende man en een voor mij verrassend kunstenaar met prachtig werk. Overigens was ik zo gelukkig het exemplaar van Belicht geheugen te bemachtigen met een opdracht van de vertaalster aan Bernlef en zijn vrouw.

Vertaling; Erica Stigter

Advertenties

e31ffbfa7bc36325933726f5241444341587343
Ik ben een liefhebber van de serie Privé-Domein van De Arbeiderspers. Die blinken in de regel uit met prachtige portretten van schrijvers, schilders en/of andere kunstenaars. Koningin van de onderwereld van Zoe Progl is wat dat betreft een beetje een vreemde eend in de bijt.

Het is de autobiografie van een vrouw die furore maakte toen zij als enige vrouw in de Britse historie erin slaagde om in 1960 te ontsnappen uit de Britse Holloway-gevangenis. Heel het land was naar haar op zoek, ze werd ook weer opgepakt en keerde in 1964 de misdaad de rug toe.

Het is een rechttoe rechtaan verhaal over een leven dat in 1928 begon in een arme wijk in Limehouse, Londen, waar Zoe met vader, moeder en twee broers in een souterrain woonde. Niet de fijnste buurt om in op te groeien;

De miljoenen vochtdeeltjes van de rivier, die de nachtlucht zwaar maakten, trokken het vuil aan dat overdag van de drukke straten omhoog was gekomen en de ramen bedekten van huizen en winkels. ’s Nachts weerklonk er het schelle, harde lachen van de opgeschilderde hoeren, die zich aan de vreemde zeelui aanboden. Het gekrijs van vrouwen, die ineenkrompen onder de klappen van een dronken man, was zo gewoon dat het weinig of geen invloed uitoefende op de oren van de andere bewoners van Grenade Street.

Haar vader is vaste klant in de gevangenis en zelf zou ze ook niet veel anders opgroeien. Als ze opgroeit steelt ze meer en meer en zoekt haar heil in een beruchte plaatselijke kroeg, Maxie. Daar gaat ze deel uitmaken van de onderwereld. Eerst als animeermeisje, later als hulp bij overvallen om uiteindelijk zelf oplichtster en inbreekster te worden.

En passant trouwt ze met de eerlijke Joe Progl maar bedriegt hem met een junk. Daarvan raakt ze in verwachting. Ze zou uiteindelijk drie kinderen krijgen en zes abortussen ondergaan.

Ze wordt een aantal keren gepakt en moet aardig wat tijd opknappen in de Holloway-gevangenis. Als ze weet dat ze weer aan de beurt is, doet ze, als ze nog op vrije voeten is, uitgebreid onderzoek naar haar ontsnappingsmogelijkheden, iets dat haar ook zou lukken. Een uitgekookte dame dus.

Verder is het boek ook niet meer dan dat. Een opsomming van haar vergrijpen, ontmoetingen met figuren uit de onderwereld, de uitgebreide zuip- en snuiffestijnen en de mislukte relaties die ze aangaat. Dat neemt niet weg dat er een paar aardige verhalen in staan;

Om een uur of tien eiste ik op het bureau dat ik een advocaat wilde hebben. Ik wist er niet zo gauw een, dus belde ik een firma Piper & Piper op, wiens naam op een koperen bordje op het huis naast het onze stond.
Er kwam een meneer Piper aan de lijn en ik legde hem onze moeilijkheden uit en zei dat ik graag wilde dat hij ons zou verdedigen. Er volgde een korte stilte en toen zei hij: ‘Mijn beste jongedame, ik zou u dolgraag helpen maar ik ben bang dat als ik dat deed, dat ik dan iets zou doen dat in strijd is met de beroepseer, omdat ik hier persoonlijke belangen bij heb – het is namelijk mijn brandkast, die u gestolen hebt!’

Het is jammer dat op sommigen zaken niet dieper wordt ingegaan. Als de crimineel Tommy totaal in elkaar wordt geslagen, wordt hem door zijn belagers vervolgens vijfhonderd pond gestuurd om hem te helpen opnieuw te beginnen. Dat schrijft de mores blijkbaar voor maar er wordt niet op ingegaan verder. Zoe is de realiteit ook af en toe even kwijt als ze, tijdens haar ontsnapping, spreekt over het moederschap waarin ze even zorgeloos en gelukkig is, en wat haar lange tijd onthouden was. Wellicht had ze hier zelf in rol in? Maar goed, het is geen hogere literatuur, dat geeft niet want het is geen schrijfster, maar een aardig verhaal over een mij tot nu onbekende persoon uit de Britse geschiedenis.

Vertaling; Margreet Hirs

118ad671ca28e85593948795241444341587343
Waarom ik De dagboeken 1950-1962 van Sylvia Plath heb gelezen, leg ik uit in mijn blog over haar man, Ted Hughes. De dagboeken beschrijven wel een andere periode dan het brievenboek van Hughes. Het verhaal van Plath begint bij haar periode als beursstudente en eindigt een jaar voor haar zelfmoord in 1963, waar het brievenboek doorloopt tot 1998.

Ook de stijl is anders, een dagboek heeft nu eenmaal een andere toon dan een brief. Ik kan niet aangeven welk boek mij beter beviel, ik heb ze beiden (deze toch ook ruim 400 pagina’s) achter elkaar uitgelezen.

De dagboeken van Plath beginnen met studenten- en campusbelevenissen, zoals vriendjes die maar op één ding uit zijn, maar wat opvalt is dat Plath zich ook direct met grotere vragen bezig houdt;

Waarom zijn mensen geobsedeerd door vernietiging en moord? Wat zouden we moeten beginnen met Rusland als we hen tot ruïne bombarderen?

Ze houdt van schrijven en dichten en is erg bezig met jongens en mannen. Ze denkt zelfs al vroeg na over haar partnerkeuze en dan al, in haar studentenjaren duiken de eerste donkere gedachten bij haar op;

God, als ik ooit na aan zelfmoord toe was, is het nu wel, met dat versufte, slapeloze bloed dat zich door mijn aderen sleept…Ik wil mezelf doden om aan alle verantwoordelijkheid te ontsnappen, miserabel terug te kruipen in de baarmoeder.

In 1953 doet ze daadwerkelijk een poging maar dat mislukt. Dan ontmoet ze Ted Hughes en daar kan ze niet omheen. Die ontmoeting is te lang om te citeren maar wordt o zo prachtig beschreven. Het stel pendelt in de komende jaren tussen Engeland en de Verenigde Staten. Thema’s blijven geldzorgen, het produceren van gedichten, verhalen en romans en steeds maar weer de teleurstelling verwerken van afwijzingen. Plath loopt inmiddels bij een psychiater en haar stemmingen wisselen voortdurend. Zo moet ze af zien te rekenen met haar moederhaat;

Maar ik heb, vanaf mijn achtste, de liefde van een vader niet meer gekend, de liefde van een altijd aanwezige man met wie ik bloedbanden had. Mijn moeder vermoordde de enige man die mijn leven lang van me gehouden zou hebben: kwam op een ochtend binnen met nobele tranen in haar ogen en zei dat hij voorgoed was heengegaan. Daarom haat ik haar. Ik haat haar omdat zij niet van hem hield. Hij was een monster. Maar ik mis hem. Hij was oud, maar zij trouwde met een oude man die mijn vader moest worden. Het was haar schuld. Verdomme nog aan toe. (Haar vader overleed in 1940 ten gevolge van diabetes).

Uiteindelijk krijgen Plath en Hughes twee kinderen. Plath was er lange tijd niet aan toe omdat kinderen geld en tijd kosten, hun vrijheid en mogelijkheid om te schrijven zou er onder lijden. Plath draaide bij en had het later zelfs over een huis vol kinderen. Toch heeft ze haar demon uiteindelijk niet overwonnen en pleegde in 1963 zelfmoord. Zelf verwoordde ze het zo;

Ik heb een goed ik, een ik dat houdt van luchten, heuvels, ideeën, lekker eten en vrolijke kleuren. Mijn demon zou dat graag om zeep helpen door te eisen dat het een feilloos toonbeeld is, en te zeggen dat het weg moet rennen zodra het ook maar iets minder is. Ik zal onverdroten mijn best blijven doen en weten dat ik dat doe, wat anderen ook mogen zeggen.

Vertaling; Nelleke van Maaren

 

 

902958615X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ted Hughes is een Engelse dichter en schrijver van kinderboeken. Erg bekend in zijn eigen land, maar hier toch vooral bekend als de man van Sylvia Plath, de Amerikaanse dichter en schrijfster die zo tragisch aan haar einde kwam. Ik heb nog nooit iets van Hughes gelezen, dus waarom lees ik nu wel het boek Ik wil nooit vergeven worden?

Dat komt door Connie Palmen. Die heeft de roman Jij zegt het over dit echtpaar geschreven, dat enthousiaste kritieken kreeg en daar was ik benieuwd naar. Ik zag echter dat de serie Privé-domein bovenstaand boek én de dagboeken van Sylvia Plath had uitgegeven en dat leek mij mooie bagage voor ik het boek van Palmen ga lezen.

Dit is een boek van zo’n 530 pagina’s en ik heb mij geen moment verveeld. Omdat het een bloemlezing is uit duizenden brieven die hij schreef ontkom je er niet aan dat je met zevenmijlslaarzen door zijn leven heen gaat, maar dat houdt tegelijkertijd de vaart erin.

Het begint met zijn studietijd in Cambridge in 1951, waar hij Engelse literatuur en antropologie studeert. Al snel zitten we in 1956, het jaar waarin hij Sylvia Plath ontmoet én trouwt. Vermeldenswaard is de prachtig realistische beschrijving van een stierengevecht in dat jaar. Niet te citeren want veel te lang, maar iets om terug te lezen.

In deze periode kreeg ik een beetje de indruk dat Plath vooral een productief schrijfster was en dat Hughes nog zoekende was. Veel wilde ideeën om aan geld te komen (nertsen fokken bijvoorbeeld) maar er komt niets van de grond;

Sylvia geeft les. Ik doe op het moment niets – ik zit urenlang als een standbeeld van een man die schrijft, het lijkt sprekend, behalve dat na het derde of vierde uur een zweetdruppel over mijn slaap druipt. Nog nooit heb ik het zo moeilijk gevonden om te schrijven.

Toch schrijft hij en als ze naar de USA verhuizen in 1957 wint hij er zijn eerste prijs. Hughes gaat les geven aan de universiteit in Engelse literatuur en creatief schrijven. In 1960 verhuizen ze terug naar Engeland en wordt dochter Frieda geboren. Zijn werk is daar uitgegeven en hij blijkt er ineens beroemd te zijn. Daar heeft hij wel zijn bedenkingen bij;

Toetreden tot het ‘literaire leven’ betekent in feite binnengaan in een kleine, lege cel zonder ramen waarop een verblindend spotlicht is gericht, en vervolgens aan je lot worden overgelaten in de wetenschap dat miljoenen onzichtbare ogen door de muren naar je kijken. Het is namelijk helemaal geen ‘leven’.

Als in 1962 zoon Nicholas geboren wordt zijn er al spanningen in het huwelijk. Dat staat in de inleidende informatie die aan het begin van veel hoofdstukken staat en die is onontbeerlijk, want uit de brieven maak je dat niet op. Hughes leert Assia Wevill kennen en hij zou met haar een verhouding beginnen.

In 1963 pleegt Sylvia Plath zelfmoord door zich met het gas uit haar oven te verstikken. Ook hier is de informatie vooraf gewenst want als je de brieven van Hughes leest is het al gebeurd en schrijft hij het van zich af. Hij blijft Assia zien en voert ook veel correspondentie met de moeder van Sylvia. Fascinerend om te lezen hoe de verstandhouding met haar meer en meer bekoelt.

Hughes en Assia krijgen een dochter en hij krijgt een enorme dreun als Assia zich met haar dochter in 1969 op soortgelijke wijze als Sylvia Plath van het leven berooft. Toch trouwt hij in 1970 met een boerendochter, Carola, en dat huwelijk houdt stand tot zijn dood.

Hoewel hij relatief kort samen is geweest met Sylvia Plath zal dit hem zijn leven lang blijven achtervolgen. Hij wordt geconfronteerd met biografen en mensen die artikelen schrijven over haar dood. Waar hij altijd gematigd van toon is in zijn brieven, gaat hij los tegen A. Alvarez, die precies meende te weten hoe het zat met haar zelfmoord;

…ik begrijp niet hoe je op het idee bent gekomen dat dit relaas nodig was. Ik zou willen weten wat voor doel je ermee denkt te dienen…Voor jou is het iets dat je hebt geschreven…voor je lezers zijn het vijf interessante minuten, maar voor ons is het eeuwigdurend dynamiet…Je koos details uit om je academische publiek te fascineren & besefte niet dat je elektroden in de hersenen van haar kinderen stak. Hoe kun jij ooit iets zeggen over pijn?

Dat zijn passages die er uitspringen. Uiteraard gaat het veel over Plath en haar nalatenschap. De samensteller Nelleke van Maaren heeft echter een mooie selectie gemaakt van brieven, waardoor er meer kanten van zijn karakter naar voren komen. Zo was het een hartstochtelijke buitenman. Hij was graag in de natuur en bracht die liefde ook over op zijn zoon, die later bioloog zou worden in Alaska. Zijn ontmoetingen met de koningin zijn boeiend om te lezen evenals zijn brieven naar zijn kinderen, vrienden en collega’s.

Een dik boek dus maar zeer de moeite waard en ik voel mij inmiddels verplicht ooit wat van Ted Hughes te gaan lezen (ik doe nooit beloftes over de termijn). Eerst ga ik door met de dagboeken van Sylvia Plath. Overigens triest om te lezen dat de zoon van Ted Hughes in 2009 in Alaska zelfmoord pleegde als gevolg van een depressie. Zijn dochter is een succesvol dichter en schilder.

Vertaling; Nelleke van Maaren

359ab805510e795593059315741437641414141
I
k had in een ver verleden Een boekenkast op reis van Boudewijn Büch al eens gelezen, maar ik kon deze mooie eerste druk bemachtigen voor een vriendenprijs, dus dat was een mooie reden om het boek te herlezen. Met veel plezier, want de 270 pagina’s waren in ‘no time’ verslonden.

Het is een dagboek van het jaar 1998, het jaar waarin hij reist naar De Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland en Italië. Hij verdiept zich dat jaar weer bovenmatig in Goethe vanwege een televisieproject, verdiept zich altijd in Napoleon, de coelacant (de wat?, dit dus), de Boerenoorlog, Amerikaanse presidenten en ga zo maar door. Dat vind ik meteen het fascinerende aan de man. Hij wist en weet mij te enthousiasmeren (ik heb al zijn programma’s op dvd) voor zaken die anders aan mij voorbij gaan. Ik weet niet hoeveel mensen zich specifiek interesseren voor The Jameson Raid (de prelude tot de Tweede Boerenoorlog), maar Büch is er één van. Zulke dingen vind ik dus leuk en dat is waar dit boek over gaat. Een boek dat hij helemaal niet wilde beginnen. Hij schrijft op 1 januari 1998;

Ik hoor het vuurwerk – het is nu een halfuur in het nieuwe jaar – en ik haat het oude jaar en heb direct al een hekel aan het nieuwe…Hoewel ik al meer dan veertig jaar een dagboek schrijf, weet ik dat ik dit jaar voor een boekpublicatie zal pennen. Waarom ik uiteindelijk ja heb gezegd tegen het publiceren van een heel dagboek weet ik niet, maar ik heb er nu in elk geval al spijt van.

De auteur is natuurlijk een bibliomaan en verzamelt en koopt honderden boeken per reis voor astronomische bedragen. Het is een feest om te lezen welke titels hij zoal binnensleept. Een kleine proeve;

  • Bericht über die in höchsten Auftrage Seiner Königlichen Hoheit des Prinzen Carl von Preussen […] bewirkte Untersuchung einiger Theile des Mosquitolandes
  • Leaves from the battle-field of Gettysburg
  • Beyond the lines; or a Yankee prisoner loose in Dixie
  • Die berühmteste Radfahr-patrouille des Weltkrieges
  • Evita Perón e l’oro dei nazisti

Wellicht zijn de drie catalogi van Bubb Kuyper nog ergens te koop, daar staat Büch’s nalatenschap in en daarin zijn al die titels na te lezen. Veel van wat er in het boek staat is te zien in zijn programma’s. Wat daar niet in te zien is, zijn de meer persoonlijke gevoelens van Büch. Zo is hij niet tevreden over zijn team (cameravrouw, geluidsman en producer) in Zuid-Afrika. Hij moppert er vrijuit over en dat doet hij ook over de hotelkamers, het eten en de Nederlanders die hem overal aanspreken. Hij lijdt nogal eens aan zwaarmoedigheid en allerlei lichamelijke kwaaltjes en zo zucht en puft hij zich wel een beetje door het boek heen. Dat vind ik meteen de mindere kant van hem. Hij neemt zichzelf nooit eens bij de lurven om dat zelfopgelegde lijden wat te verlichten. Zo vind ik zijn verliefdheid voor de zesentwintigjarige producer Panda ook wat pathetisch overkomen. Dat gezegd hebbend voert zijn enthousiasme voor wat hem wel boeit gelukkig de boventoon en daarom mag ik zijn boeken graag lezen en blijf ik nog steeds naar zijn programma’s kijken.

2b720d6a95a4fe7592f32725777437641414141
De omgevallen boekenkast van Hans van Straten is het gevolg van een ingeving. De journalist en schrijver trok bij ingeving zijn boekenkast omver. zodat de boeken overal in zijn kamer verspreid lagen (zo’n ingeving heb ik overigens nooit, ik blijf het wat merkwaardig vinden). Uit die boeken kwamen allerhande papiertjes zetten met aantekeningen die hij in de loop der jaren had gemaakt. Anekdoten, herinneringen, droomverslagen, dagboekfragmenten en aforismen. Een bonte verzameling die hun weg vonden naar zes cahiers, die uiteindelijk in bovenstaand boek zijn uitgegeven. Ze vormen een soort zelfportret van de man en zijn tijd.

Het is een idee, maar werkt het? Voor mij wel. Het is af en toe van de hak op de tak, verbrokkeld ook maar het leest als een trein. De auteur staat midden in het literaire leven van de vorige eeuw en dat geeft mooie fragmenten:

Begrafenis van Nescio. Met ons drieën lopen we in de kleine stoet mee, Gerrit Borgers, Remco Campert en ik. ‘Heren,’ zeg ik, snuivend in de zomerwind, ‘ik geloof dat ik de begrafenisborrel al ruik.’ ‘Nee, dat ben ik,’ zegt Remco. ‘In de tram zeggen ze ook altijd dat ik zo stink.’

Als biograaf van Willem Frederik Hermans was hij niet bang om hem ook literair de oren te wassen. Hij geeft fijntjes aan dat WFH, die anderen genadeloos op onvolkomenheden in hun werk kon wijzen, zelf ook niet altijd even zorgvuldig was. Hetzelfde met de uitgeverij De Arbeiderspers, die ook dit boek heeft uitgegeven. Die uitgeverij heeft ook de dagboeken van Paul Léauteaud uitgegeven, maar Van Straten fileert de vertaler ervan;

Na zo iets zou ik erg rot willen doen tegen Matth. Kockelkoren, iemand die denkt dat hij Léautaud moet vertalen in het idioom van een dertienjarige mavoscholier. Een van de karakteristieke kanten van Léautaud was juist, dat de natuurlijkheid van zijn schrijftrant volledig samenviel met de traditie van Diderot en Chamfort. Wie dat niet doorheeft, heeft niets van hem begrepen.

Zo, dat is duidelijk. Er staan talloze anekdotes in het boek, over Slauerhoff die een hoed over zeven meter op een Jezusbeeld gooit, over schietoefeningen in het Rijksmuseum, over Mulisch die Bomans van impotentie beticht, over de Zangeres zonder Naam die Jan Wolkers haar benen laat zien, over de homoseksuele verwijzingen in Reinaert de Vos en ga zo maar door. Jammer dat het notenapparaat niet zo zorgvuldig is samengesteld, daar staan wat fouten in wat betreft de paginanummering.  Verder is het gewoon een leuk boek. Voor een mooi overzicht van de aforismen in het boek, lees het verslag van Erik.

b84105a5c543a945933487a5241444341587343

Ik begin rustig aan de Dierbare Herinneringen van Françoise Sagan zonder haar beroemde boek Bonjour Tristesse te hebben gelezen. Ik heb wel Houdt u van Brahms.. tot mij genomen en dat, samen met wat Wikipedia-kennis maakte mij voldoende nieuwsgierig naar dit luchtige Prive-domeindeel.

Toen ik het uit had vroeg ik mij af of dit een goed boek was, maar ik moest mij even herpakken. Ik nam wat aantekeningen erbij en wat mij toch het meest bijblijft aan dit boek zijn de portretten van de mensen die Sagan heeft ontmoet. Billie Holiday, Tennessee Wiliams, Rudolf Noerejev, Orson Welles, Jean-Paul Sartre, het zijn stuk voor stuk mooie beschrijvingen van karakters die Sagan ergens in haar hedonistische levensstijl heeft ontmoet.

En wild was het. Snelle auto’s (in 1957 sloeg ze met haar auto over de kop en bleef 36 uur bewusteloos), drank en drugs en gokken. Uren bracht ze door in casino’s en ze vertelt erover:

Ik moet eerlijk bekennen dat het heel aangenaam was. Engelsen zijn, zoals men weet, de beste spelers van de wereld, en ze lijken er werkelijk opgewekt van te worden…intussen verdween mijn ene stapeltje fiches na het andere onder algemene onverschilligheid, inclusief de mijne.

Sagan presteerde het om 80.000 pond te verliezen op een avond, grof in te zetten en de tent met 50 pond schuld te verlaten. Op het randje dus. Het komt verder ook allemaal op haar pad. In de Verenigde Staten wordt zij uitgenodigd door de schrijver en dramaturg Tennessee Williams. In zijn kielzog de schrijfster Carson McCullers. Nu zowat vergeten, maar haar “Ballade van het trieste café” staat inmiddels op mijn wensenlijst.

Dan is het Tennessee Williams, later is het Orson Welles. Ook zo’n markant figuur die zij niet kan weerstaan:

Ik ken geloof ik niemand die even sterk als hij een geniale indruk wekt, zozeer straalt hij iets mateloos uit, iets levends, iets fataals, iets onherroepelijks, iets van cynisme en gepassioneerdheid. Ik raakte alleen even in paniek toen hij ons plotseling voorstelde een uur later te vertrekken…naar Valparaiso. Dus liep ik naar de deur om mijn paspoort te halen (en voor de tweede maal een echtelijke woning in de steek te laten, met een kind, een hond en een kat…eenvoudigweg omdat Welles onweerstaanbaar was en het volkomen vanzelf sprak dat al zijn wensen dienden te worden vervuld).

Ontroerend is het portret van Jean-Paul Sartre en de ontmoetingen die zij met hem heeft. Hij is dan al blind en goeddeels verlamd. Sartre, die volgens zeggen al vijftig jaar lang tien uur per dag schreef, kon dat niet meer en dacht zelfs om er een einde aan te maken.

‘Maar uiteindelijk heb ik het niet eens geprobeerd. Ik was mijn leven lang zo gelukkig geweest…dus ben ik maar uit gewoonte gelukkig gebleven’

Wat fijn dat ik zijn biografie nog moet lezen. Sagan heeft mij een mooie opmaat gegeven.

Vertaling: Greetje van den Bergh