archiveren

Essays

873275a2abefe31597438426a67444341587343
Over De Goethe industrie van Boudewijn Büch kan ik eigenlijk vrij kort zijn. Het is een uitbreiding van zijn boek Goethe en geen einde, dat ik hiervoor besprak. Is het daarmee dan een overbodig boek? Niet echt. Büch schrijft dit boek niet in plaats van het vorige boek maar als uitbreiding. Hij verwijst er ook naar. Dat neemt niet weg dat er een aantal doublures in staan, maar er staat genoeg nieuwe stof in. Een voorbeeld, waar Büch eerder melding maakte dat er een kookboek bestaat in relatie tot Goethe, krijgt u nu een hele rij kookboeken voor de kiezen. Je kan er maar om verlegen zitten.

Er staan ook meer interessante feiten in het boek, zoals het feit dat onze staatsman Johan Rudolf Thorbecke Goethe gekend heeft én liefhebber van zijn werk was. Toeval bestaat niet, de biografieën van Goethe en Thorbecke staan in mijn kast gebroederlijk naast elkaar. Als ik in het personenregister van die van Thorbecke kijk (deze heb ik nog niet gelezen) komt Goethe er inderdaad veelvuldig in voor.

Het gaat ook over het oeuvre va Goethe zelf. Dat is zeer omvangrijk en Büch had het compleet op een vrij kostbare cd-rom, de Chadwyck-Healy-editie. Hij geeft wel aan dat Goethe’s oeuvre begin 2000 nog steeds uitermate verspreid uitgegeven wordt en dat er nog steeds geen integraal, laat staan wetenschappelijk verantwoord, volledig werk is uitgegeven.  Ik ben zelf ook wel eens op zoek gegaan naar zijn volledige werk, maar zeker in het Nederlands ken ik nog steeds geen integrale uitgave van Goethe’s werk.

Vooruit; nog even een voorbeeld van de eindeloze stroom wonderlijke boeken die in relatie tot Goethe worden uitgegeven, dat blijft de kern van dit boek. Wat dacht u van een boek met de titel Hier war Goethe nicht. Biographische Einzelheiten zu Goethes Abwesenheit. Zo is er ook een boek dat heet Jefferson und Goethe. Jefferson als in Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten. Kenden zij elkaar dan? Welnee, ze waren slechts synchrone tijdgenoten, maar ene Ekkehart Krippendorff zag kans er een boek vol over te schrijven.

Het helpt overigens wel als u de Duitse taal een beetje machtig bent, want er wordt ruimhartig door Büch geciteerd, soms tot hele krantenberichten aan toe, en dat wordt nergens vertaald. Het is mooi om te lezen dat Büch, in zijn enthousiasme, ook niet schroomt om Goethe even terecht te wijzen. Dat gebeurt als Goethe hoog opgeeft over de kathedraal van Straatsburg als “het grootste meesterwerk van de Duitse bouwkunst”. Büch;

Het is al vaker opgemerkt: hier slaat Goethe door, want toen men in 1015 met de bouw begon, was er nog helemaal geen sprake van de Duitse ‘bouwkunst’ maar van ‘gotisch’.

De auteur gaat in dit boek ook verder met de in het vorige boek geponeerde stelling dat Goethe voor allerlei karretjes gespannen werd. Zo ook door de voormalig leider van de DDR, Erich Honecker. Toen deze voorzitter was van de Freie Deutsche Jugend (FDJ), schreef hij een rede waarin Goethe vrijelijk gebruikt dan wel misbruikt werd;

Goethe was een voorstander van ‘de vooruitgang’ en hij ageerde tegen ‘volkerenhaat’,  Goethes invloed zou onafscheidelijk verbonden zijn met het ‘nationale bewustzijn’ en de Duitse jeugd zou er het beste aan doen voor Goethes ‘Geistergrösse’ te buigen. Kortom: platte retoriek.

Gevaarlijker is het als men hem voor de nationaal-socialistische kar wenst te spannen. Goethe was een kind van zijn tijd en hij heeft, dat valt niet te ontkennen, welzeker uitspraken gedaan die als antisemitisch te classificeren zijn. Hitler kende zijn Goethe en heeft daar meermalen gebruik van gemaakt.

Büch kende zijn Goethe volgens eigen zeggen ook en dat levert dan weer vermakelijke lectuur op, als hij in een archief manuscripten niet mag inzien omdat de Goethe die daarin zou voorkomen niet zou stroken met de ideeën van de toenmalige arbeiders- en boerenstaat-Goethe. Büch daarover;

Het werd mij weliswaar niet met déze woorden meegedeeld, maar toch; ik ken mijn Goethe en ik ken zijn archiefhouders.

Er staat nog veel meer in het boek. Het gerommel met de grafkist van Goethe, waarom werd het ding opengemaakt? Büch maakt een uitstapje naar Mussolini, die zich ook van Goethe bediende en hij verhaalt over hoe Holland een foute Goethe kreeg. Alles op zijn Büch’s en ik vind dat zeer onderhoudend. Voor de geïnteresseerden levert Büch in aparte katernen nog uitgebreide leeslijsten mee. Veelal buitenlandse uitgaven, dat wel.

068e18143fc3f2d596c36556a51444341587343
Goethe en geen einde van Boudewijn Büch heeft niet veel om het lijf. Toch wilde ik het lezen. Sterker, ik had het al gelezen en wilde het hebben én weer lezen. Büch heeft mij namelijk op het pad van Goethe gebracht. Ik was en ben fan van zijn televisie-uitzendingen, ik heb ze ook allemaal op dvd, en ik heb dus ook zijn enthousiasme ooit gezien voor Goethe. Toen ben ik Goethe gaan lezen en het is de enige schrijver die ik meerdere malen herlezen heb.

Dit boek gaat over Büch en zijn relatie tot Goethe. Hij was een verzamelaar van alles wat los en vast zat over de man en dit gaat met name over zijn verwondering over wat er allemaal over Goethe is geschreven. Dat levert soms hilarisch materiaal op, soms is de teneur wat serieuzer. Büch;

Nadat hij overleed in 1832 werd hij voor allerlei karren gespannen, zelfs voor de Albanees-stalinistische Hoxha-kar, ja zelfs voor de kar van Mao…en uiteraard ook voor allerlei andere denkvehikels als de antroposofie en de extreem-rechtse ecologische beweging…

Er komen in dit boek dus talloze haakjes voorbij waar Goethe aangehaakt kan worden. Büch geeft aan dat het niet alleen een onzin-boek is, maar vooral ook een proeve van bibliografische zoekzucht, van letterkundig plezier en de eindeloosheid van literatuur.

Dus daar gaan we. Ik lees over de uitgave van Edwin Redslob, ‘Mein Fest’: Goethes Geburtstage als Stufen seines Lebens, waarin men zich serieus bezig houdt met de psychologie van de personen die Goethe met zijn verjaardag feliciteren. Ik lees dat er een specialist is op het gebied van Goethe en Panama, de heer L. Fränkel. Die heeft stukken geschreven over Goethe’s mening over een Panama-kanaal. Er wordt stilgestaan bij Goethe’s tanden, had hij een kunstgebit of niet? Er is uiteraard een proefschrift over geschreven, Goethes Zahnleiden und Zahnärtze. Er bestaat een boek dat heet Das Kochbuch von Goethes Grossmutter, eenvoudigweg omdat Goethe in 1765 in Leipzig studeerde, hij bij zijn grootouders daar in en uit liep en dus geproefd kán hebben van de recepten die in dat boek staan.

Als Büch in een Amerikaanse atlas de naam Goethe aantreft gaat hij los. Hoe komt dat daar? Wellicht met een paar obscure neven van de schrijver? Hij komt erachter dat er een Goethe township is geweest met een postkantoorvestiging en als Büch Google Maps had gehad dan had hij zo kunnen opzoeken dat er nu een UPS vestiging aan de Goethe Hill Road ligt, maar hoe de naam Goethe er komt? Büch is ook niet vies van losse eindjes in zijn boek, maar ik vind dat wel leuk om te lezen;

De vraag blijft: waar werd het obscure Goaties Mill, de Goethe-township en het opgeheven postkantoor Goethe naar genoemd? In ieder geval niet naar de familie van Johann Wolfgang von Goethe. Maar naar wie dan wel? De goetheologie weet het niet, laat staan dat ik het zal weten.

Ik ben dus zelf ook druk met zo’n boek. Ik zoek bovenstaande op Google Maps op, als Büch zegt dat Hitler in Mijn Kamp Goethe aanhaalt dan zoek ik dat op in mijn versie (in Büch’s vertaling op blz. 353, in die van mij, de eerste druk uit 1982 op blz. 370). De Mozart-biograaf Hildesheimer noemt Goethe op talloze plaatsen in zijn boek en Büch fileert de beste man over zijn Goethe-kennis, maar ik pak dan ook mijn Hildesheimer erbij om het even aan te tekenen. Het werd een interactief geheel zo.

Toch staan er ook serieuzere zaken in. Büch heeft het over het belang van Goethe als wetenschapper, ondanks het feit dat zijn Farbenlere een miskleun bleek. Het gaat over zijn neurotisch gedrag ten opzichte van de dood, terwijl hij toch enige dagen de schedel van zijn goede vriend de dichter Schiller op zijn kamer had (wat overigens later niet zijn schedel bleek te zijn).

Fascinerend is ook de verbinding die gelegd wordt tussen Willem Bilderdijk en Goethe. Goethe bezat een handschrift van Bilderdijk, maar de claim van Albert Verwey dat Goethe in de buurt van Brunswijk de naam van Bilderdijk opgeschreven zou hebben, lijkt in dit boek ontzenuwd te worden.

Verder wordt er onderzoek gedaan naar de herkomst van de naam Werther, uit de gelijknamige roman van Goethe, Die Leiden des jungen Werthers, al komt Büch hier ook niet helemaal uit;

Dus blijf ik met de prangende vraag zitten waarom de ‘Werther’ die naam droeg en geen andere. Er moet natuurlijk ooit iemand iets over geschreven hebben, want na bestudering van artikelen als ‘Het symbool van de metaalsmelterij in Goethes werk’ (1937) en ‘Het beeld van het paard en de koetsier in Goethes poëzie’ (1945) sluit ik het uit dat nog nooit iemand zich over die vraag gebogen zou hebben. Ik kan dat bewuste artikeltje gewoon niet vinden.

En dat is wat dit boek is. Een voortdurende zoektocht naar meer over Goethe. Dat Büch er nog niet klaar mee was bewijst het boek waar ik nu mee bezig ben, iets meer van hetzelfde, maar nog wat uitgebreider. Laat het boek niets te wensen over? Nou ja, Büch maakt er zich soms makkelijk van af door geen bibliografie op te nemen, omdat hij dit boek al een soort bibliografie vindt. Hij heeft het over een essay dat hij schreef over Goethe en zijn filosemitische uitspraken maar nu ‘even niet vinden kan’. Ook moet de lezer hem maar geloven – want hij ziet namelijk af van het geven van precieze bewijsplaatsen – dat Goethe zich in zijn dichtwerk nagenoeg uitsluitend negatief heeft uitgelaten over het fenomeen ‘verveling’. Büch komt er wat mij betreft mee weg omdat ik er lol in heb en toch ook de smaak weer te pakken heb wat Goethe betreft. Dat is toch wat hij weer voor elkaar krijgt.

3a782b3066474a85932436a5551444341587343
Ongewenste zeereis is een bundeling van een aantal essays van Maarten ’t Hart. De meeste artikelen verschenen in het NRC Handelsblad en zijn nog eens bewerkt voor dit in 1979 verschenen boek.

Nu ben ik een liefhebber van het werk van Maarten ’t Hart en zeker van zijn essays, maar dit vond ik toch niet zijn sterkste bundel. De essays zijn verdeeld over vier onderwerpen, te weten vrouwen & discriminatie, biologie, schrijvers & dichters en reizen.

Het onderwerp vrouwen & discriminatie leende zich blijkbaar voor een aantal essays en ’t Hart pakt een aantal clichés bij de kop die volgens de schrijfster Andreas Burnier steeds terugkeren in de top-wereldliteratuur. Zo is er het cliché van de vrouw als held, ‘ondanks dat zij een vrouw is’. Ik moet altijd mild glimlachen als ’t Hart hier zijn belezenheid laat zien;

Bij Dostojewski, bij Ljeskov, bij Gontsjarow en bij Toergenjev vinden we respectievelijk Marja Sjatowa uit De demonen, Lady Macbeth …, de grootmoeder uit De steile helling, en de grootmoeder uit Poenin en Baboerin – vier vrouwen die elke man in heldhaftigheid en grootheid overtreffen. Zelfs meisjes worden vaak voorgesteld als dapperder dan jongens, denk maar eens aan de meisjes uit Other voices, other rooms van Truman Capote…

Ik dacht daar helemaal niet aan en dat weet ’t Hart, maar hij dus wel en ook uit dit boek blijkt weer dat de man een fenomenale kennis heeft van allerlei schrijvers en hun werk. Die sectie vind ik ook verreweg het meest interessant om te lezen. De ontwikkeling van Italo Svevo van pessimist naar optimist, de schrijver Anthony Trollope als inspiratie voor Tolstoj, de rol van de wind in het werk van Joseph Conrad, de classificatie van de romans van Vestdijk, het zijn stuk voor stuk lezenswaardige essays. Het stuk over Leopardi heeft mij direct zijn Canti doen bestellen en wat een geluk dat ik het exemplaar van de overleden dichter Menno Wigman kon bemachtigen.

Omdat ’t Hart van huis uit bioloog is, was ik ook benieuwd naar zijn stukken over dit onderwerp. Dat viel wat tegen. Het zijn maar vijf essays en ik ben nu eenmaal niet heel benieuwd naar het wel en wee van de wimperspitsmuis. We betrappen de auteur, ochtendmens als hij is, wel op een mooi stukje lyriek over de vroege morgen;

Nooit heb ik mooier zonsopgangen gezien dan in die jaren, nooit ook beter beseft dat de mooiste tijd van de zomerdag de heel vroege morgen is. Als van alle sloten en vlieten trage nevels opstijgen en de zon in duizenden dauwdruppels in weilanden wordt weerkaatst terwijl rustige reigers traag over de landerijen vliegen en de lucht nog schoon en fris is, moet je door een polder fietsen om even de illusie te hebben dat je vat kunt krijgen op doel en bestemming van het leven.

Om even later dan weer te keer te gaan tegen de discriminatie van de dauwtrapper. De vroege vogel kan ’s morgens immers geen film of voorstelling bezoeken. De stukjes over het onderwerp reizen boeiden mij maar matig, behalve degene waarin hij op de fiets stapt met Maarten Biesheuvel. Dat had van mij dan weer eindeloos lang mogen doorgaan.

2bcd41b6bd91c3e597458526e41444341587343
Musicoloog Emanuel Overbeeke heeft met zijn boek Een meester zonder hamer een biografisch essay geschreven over componist, schrijver en dirigent Pierre Boulez (1925-2016).

Ik heb een aantal cd’s met werken van Boulez in de kast staan en ik ben dus bekend met zijn muziek, maar dat ging niet vanzelf. Het gaat hier namelijk om seriële muziek. Dat is muziek waarin een rij of serie van muzikale parameters (zoals toonhoogte, dynamiek, toonduur en toonkleur) de grondslag vormt om een muziekstuk te schrijven. Het serialisme borduurde voort op de ook al niet toegankelijke muziek van componisten als Schönberg en Webern.

Nu ben ik helemaal geen musicoloog en ik luister, niet gehinderd door enige kennis van zaken, naar deze muziek. Ik houd er wel van, ik laat mij graag verrassen door de dynamiek, de tomeloze energie of verstilling die er in zit. Daar heb ik zelfs een boek als dit niet voor nodig. Ik zag dit overigens bevestigd door de auteur zelf;

Men begrijpt muziek, elke muziek niet door te weten hoe die in elkaar zit…, maar door affiniteit, emotionele binding en openheid voor de esthetische lading…Analyse van melodieën, ritmen en klanken komt na de emotionele verovering, niet ervoor…

Maar zo’n boek helpt wel. Overbeeke heeft een toegankelijk werk geschreven van ruim 230 pagina’s, waarin er aandacht is voor de verschillende kanten van Boulez. Er zijn hoofdstukken over Boulez als componist, als dirigent, als schrijver, als programmeur en over zijn betekenis voor de muziek.

Die betekenis was enorm groot en daar heb ik als leek wel enige duiding nodig. Overbeeke maakt duidelijk dat wat Boulez deed, niets minder was dan de bestaande muzikale traditie radicaal overboord gooien. Serialisme was op zich niet  nieuw, maar dat was meer het middel dat Boulez gebruikte om dit te doen. Hij gebruikte bouwstenen als melodie, ritme en metrum, gooide alles door elkaar om vervolgens een heel eigen klankwereld op te zetten. Dat wordt dan gelardeerd met voorbeelden uit zijn werken, waardoor je stukken steeds weer opnieuw draait om dingen terug te horen. Er staan ook talloze linkjes in het boek naar verschillende geluidsfragmenten op internet overigens.

Als publicist was Boulez ook iemand van formaat. Hij schreef veel en vaak en was vaak niet mals in zijn kritieken;

…schaamteloos, hoewel op beleefde toon, worden kwaliteitsoordelen geveld en diverse componisten, onder wie Ives en Satie, gediskwalificeerd als niet van het hoogste niveau, interessanter vanwege hun ideeën dan de vormgeving ervan in muziek.

Daar kunnen de heren het mee doen. Ook als dirigent is Boulez een fenomeen. Hij is wars van sentimentaliteit, de volkswijsjes van Mahler en Kodály in hun werken kunnen hem gestolen worden. Van de eerste zal hij dan ook vaker zijn latere symfonieën dirigeren. Hij is zo goed dat hij de orkesten, en vaak de programmering ook, voor het uitzoeken heeft. Zijn eigenzinnigheid komt mooi naar voren als hij bij een instituut als de Wiener Philharmoniker gaat dirigeren;

…hij aarzelt dan ook niet hardhandig te breken met speelwijzen die musici en luisteraars dierbaar zijn. Bij zijn uitvoering van Mahlers Tweede symfonie met de Wiener Philharmoniker negeert hij bewust allerlei dramatische gebaren die niet in de partituur staan, maar die het orkest graag wil spelen omdat het deze ervaart en waardeert als typisch Weens.

Boulez komt naar voren als iemand die zeer goed weet wat hij wil, zowel op compositorisch vlak, als in zijn dirigeren en in zijn programmeringen. Hij was ook de drijvende kracht en directeur van het Institut de Recherche et Coordination Acoustique/Musique (IRCAM), een instituut op het gebied van nieuwe (al dan niet elektronische) muziek, gevestigd naast het Centre Georges Pompidou in Parijs.

Veel van Boulez’ werken worden uiteraard toegelicht en ben je nieuwsgierig naar zijn muziek, dan is het boek zeker aan te bevelen. Gelukkig komen er niet teveel muziektechnische termen in voor en staan er genoeg anekdotes in om het verhaal de nodige vaart te geven.

07eac51f0a9874559326c685251444341587343
Het feuilleton Satans Potlood van Jeroen Brouwers is het vervolg op het laatste feuilleton, Extra Edietzie. Het is geen dik boek, 146 pagina’s maar vintage Brouwers.

Het boek begint met een aantal losse verhalen zoals een beschouwing over de ‘pil van Drion’ en een aantal uitspraken van schrijvers die aangeven dat de mens maar beter voortijdig kan sterven.

Gerard Reve; ‘mensen van boven de zestig en zeker van boven de vijf en zestig die moeten weg. Ze werken niet meer maar leggen wel een zware tol op de samenleving, ook financieel.’

Hugo Brandt Corstius concludeerde ook dat rationeel gezien vijfendertig de beste leeftijd zou zijn om maar eens met leven op te houden. De voordelen zijn enorm; geen werkloosheid, nauwelijks ziekenhuizen, geen familieruzies, geen scheidingen. De wereldvrede is verzekerd.

Laat het maar aan Brouwers over om hier nog even op door te gaan. Dan is hij meteen bij één van zijn favoriete thema’s; de dood (eventueel door middel van zelfmoord). Het gaat over de schrijver Jan Hanlo, die in Zuid-Limburg tussen de familieleden ligt van een autochtone Limburger, over Heinrich von Kleist die een privé-begraafplaats geniet en Brouwers schrijft een mooi verhaal over de acteur Max Linder (1883-1925). Deze acteur in stomme films en inspirator van Charlie Chaplin verkoos samen met zijn vrouw de dood. Ik kende het verhaal eigenlijk niet en op Youtube staat een mooi fragment waarin Linder en Chaplin elkaar ontmoeten.

Brouwers bezoekt ook de graven van de fraters waarbij hij vroeger op kostschool heeft gezeten. Hij loopt er rond met de plaatselijke graftuinier en heeft het over de fraters;

Hij prees mij om mijn sterke, visuele geheugen. Geen wonder, – en ik liep daar op de goudmijn van mijn schrijverij: een ongelukkige, volledig verpeste jeugd. Hoe dikwijls is het pensionaat de locatie geweest in mijn romans en andere geschrevenheden?

Zo heeft hij het ook over de dood van frater Adalbertus. Hij hoort van de graftuinier dat deze door zelfmoord om het leven is gekomen. Toen men hem vond, vond men ook wat boekjes met ontuchtig drukwerk die allerminst in overeenstemming waren met de heilige gelofte van kuisheid die hij bij zijn professie had afgelegd. Satans potlood was blijkbaar maar al te duchtig ter hand genomen.

Er staan ook luchtiger verhalen in, zoals over de, toen nog, kroonprins Willem-Alexander. De strekking daarvan is dat de koninklijke kroonkurk wel de volledige werken van welke Nederlandse schrijver dan ook in ontvangst neemt, plechtig belooft deze te lezen en te verwerken in zijn toespraken, maar dat de auteur Brouwers daar geen jota van gelooft.

Brouwers heeft dan de smaak te pakken en pakt door met een hoofdstuk over plagiaat. Daar moeten professor doctor René Diekstra en schrijver Adriaan van Dis het ontgelden;

Niet hoefde Dis, zoals Diekstra, een prijs terug te geven. Integendeel, hij ontving er een. Werd Diekstra zijn baan aan de universiteit van Leiden afgenomen, Dis mocht er gastcolleges komen geven…En op het tijdstip dat ik dit schrijf, lees ik in de krant, echt waar, zo beroemd, gevierd en gerespecteerd is hij, zijn plagiaatje is allang dichtgegroeid tot een nog nauwelijks meer zichtbaar littekentje zonder blaam, dat hij gastcolleges gaat geven aan de, wat zegt u?, aan de Sorbonne. In Parijs…En…ik kan nog vermelden, dat het tijdens de ‘lintjesregen’ 1997 Beatrix heeft behaagd Dis zo’n regenlint op zijn jasje te doen spelden en te benoemen tot Soldaat van Oranje. Pleeg plagiaat. Je brengt het er ver mee.

Er komt ook een follow-up over het onderwerp van het vorige feuilleton, dat ging over Ronald Dietz. Dat heeft natuurlijk reacties opgeroepen, zoals die van de Vlaamse auteur Guido van Heulendonk. Brouwers wast vervolgens Van Heulendonk op zijn kenmerkende wijze de oren;

‘Welk polemisch beestje? De mug Dietz? De beunhaas Dietz? Of bedoelt Van Heulendonk zichzelf als Vlaams schaapje met Dietz in zijn wollen krullenvachtje?’

Een volgend hoofdstuk pakt Brouwers de voetbalclub Ajax aan en dan met name vraagt hij zich af wie het heeft bedacht om de Griekse Ajax als boegbeeld te kiezen. Hij zoekt haarfijn uit wat Ajax zoal heeft bereikt en dat blijkt weinig heroïsch. In de Ilias van Homerus staat dat de Trojaan Hektor het Griekse spul uitdaagde voor een duel en dat iedereen fluitend de andere kant opkeek. Uiteindelijk wees het lot Ajax aan. Het duel was bij zonsondergang onbeslist en de strijders hielden toen gewoon op met vechten. Niet verloren dus, maar ook niet de sterkste. Zo gaat Brouwers nog even door. Als de directie van Ajax dit leest kiezen ze terstond een andere held….

Brouwers keert even later weer terug naar het thema zelfmoord en wel bij de illustrator Tinus van Doorn. Die zou tekeningen maken bij een aantal gedichten van Jan van Nijlen, maar pleegde ook samen met zijn vrouw zelfmoord toen de Duitsers binnenvielen.

Tenslotte wijdt hij nog een prachtig hoofdstuk aan de schrijver Lodewijk Henri Wiener (1945). Weinig bekend maar Brouwers roemt het oeuvre van deze melancholicus. Hij doet dat naar aanleiding van zijn achtste boek Wegens mensenkennis gesloten. Een prachttitel en ik ga mij er zeker nog eens in verdiepen, het hoofdstuk over Wiener maakt mij erg nieuwsgierig.

Een redelijk lange bespreking over een toch kort boekje maar ik vind de schrijfsels van Brouwers, hoewel onvermijdelijk soms ingehaald door de tijd nu, onverminderd interessant.

3c24e7a1c22fe9a596f33657067444341587343
Ik kan slecht weerstand bieden tegen boekomslagen waar bibliotheken op staan. De titel Struinen, lezen en denken én de subtitel Notities van een liefhebber maakten mij ook nieuwsgierig en als de auteur dan ook nog Theodore Dalrymple heet, wat ik poëzie in een notendop vind, dan schaf ik zo’n boek aan.

De naam Dalrymple klonk vaag bekend en de man blijkt naast arts ook een bekend cultuurcriticus met aardig wat vertaalde Nederlandse publicaties. Dit boek gaat vooral over de boeken die hij verzamelt en zijn belevenissen daaromtrent.

Geen dik boek, 236 pagina’s en het zijn vrij korte essays maar…ik moest er wel even in komen. Dat had denk ik te maken met de onderwerpen uit zijn eerste verhalen. Een relaas over een antiquaar en Hoxha-adept (u weet wel, de oud-dictator van Albanië) en de uitweiding over obscure Russische uitgaven boeiden mij niet direct, maar gelukkig kwam daar al snel de onderkoelde humor om de hoek kijken van deze auteur;

Het is vermoedelijk overbodig om daaraan toe te voegen dat het verlengen van de menselijke levensspanne indertijd nou niet echt tot Stalins meest dwingende preoccupaties behoorde.

De auteur wordt gefascineerd door (ooit) verboden uitgaven en door zaken die hij in boeken aantreft. Brieven, opdrachten én aantekeningen. Hij combineert dat vaak met zijn beroep (hij getuigde vaak in moordprocessen als getuige-deskundige) en dus heeft hij het over een gedicht dat men (ditmaal vergeefs) uit de handel trachtte te nemen over een huisarts die zijn patiënten vergiftigde. Zo heeft hij ook een opbeurend rijtje boeken over mensen die voortijdig begraven zijn en wilde hij ooit een boek over arsenicum in de 19e eeuw schrijven, waartoe hij ook een verzameling aanlegde. Het boek kwam er overigens niet.

Leuk om te lezen zijn de ontmoetingen met boekverkopers. Zo wilde Dalrymple ooit een boek afrekenen bij een verkoper die zijn boeken verre prefereerde boven zijn klanten:

Ik bracht het naar de toonbank waar hij achter stond om af te rekenen.
‘Waar hebt u het voor nodig?’ vroeg hij.
Uit het veld geslagen door zijn hooghartige toon antwoordde ik zwakjes: ‘Ik schrijf een boek over Liberia.’
‘Een wetenschappelijk boek?’
‘Nee. Een reisboek.’
‘Dan denk ik niet dat u dit nodig heeft.’
Hij schoof het boek onder de toonbank, om het te bewaren voor een waardiger koper, die het boek voor een zinvoller onderneming zou gebruiken.

Interessant is het essay over de leescultuur in Engeland en Frankrijk. Frankrijk, waar je een redelijk vaste boekenprijs hebt en Engeland, waar deze vaste prijs is losgelaten en boeken veel goedkoper aangeboden kunnen worden, resulterend in een paar levensgrote aanbieders, waar in Frankrijk meer diversiteit in aanbod is. Het leuke van dit boek is dat, na zo’n hoofdstuk, hij weer verder gaat met zijn eigen bibliotheek, zoals met een boek over mensen die zichzelf hebben verhangen (u snapt, beroepsmatige interesse).

Ik houd wel van die mijmeringen. Een beetje struinen in het antiquariaat en kijken wat je tegenkomt. Dalrymple doet het vaak en veel;

Ik perste mezelf in de smalle ruimtes tussen stapels boeken op de vloer en in de rekken en trok een boek tevoorschijn, inmiddels tachtig jaar oud…Het was een van die boeken die antiquaren zeldzaam plegen te noemen, iets wat dan niet alleen in hun catalogi wordt vermeld maar ook in microscopisch kleine potloodletters aan de binnenkant van het omslag wordt genoteerd. Om voor de hand liggende redenen wijzen ze er nooit op dat de mensen die het boek werkelijk zouden kopen nog zeldzamer zijn.

Zijn eigen bibliotheek omschrijft hij desondanks als een ratjetoe en hij moet er niet aan denken wat er mee gebeurt als hij overlijdt. Waarschijnlijk een verkoop per strekkende meter. Tot die tijd blijft hij verzamelen en schrijven, tot hij vliegwaarts neigt (lees dat vooral zelf op pagina 204).

Vertaling; Jabik Veenbaas

e9afa7b340e9ae45935676a5767444341587343 (3)
Giacomo Leopardi (1798-1837) was het beste jongetje van de klas. Voor zijn achttiende had hij al een aantal literaire en wetenschappelijke werken op zijn naam staan. Hij was verder geleerde, dichter en filosoof. Die veelzijdigheid komen het best tot uiting in zijn Zibaldone, een intellectueel dagboek dat hij bijhield van 1817 tot 1832.

Het is een immens werk van in totaal 4526 schriftvellen en dit boek is een bloemlezing daaruit. Nu houd ik van dagboeken en essays dus ik was benieuwd naar de gedachtesprongen van deze alleskunner. De inhoud gaat over van alles; schrijvers en literatuur, filosofie, psychologische observaties, onvoltooide proza- en poëziefragmenten enzovoort.

Dat viel me dus nog niet mee. Het is geen dik boek, zo’n 248 pagina’s, de hoofdstukken over verschillende onderwerpen zijn niet lang maar ik vond het niet lekker weglezen. Een willekeurig voorbeeld van het begin van een nieuw hoofdstuk;

De uitspraak dat de mensen in alle tijden en landen steeds hetzelfde zijn, is alleen maar waar in deze zin. De perioden die de mens (en ook ieder volk) doorloopt, vertonen, evenals de tijdsperioden onderling, globaal gezien steeds een duidelijke gelijkenis en overeenkomst; maar de diverse tijdvakken waaruit deze grotere perioden bestaan, zijn onderling zeer verschillend, en datzelfde geldt voor de mensen van het ene tijdvak ten opzichte van die van het andere, en voor een volk dat zich op dit moment in het ene tijdvak bevindt tegenover een volk dat zich momenteel in het andere bevindt.

Bent u er nog? De zinnen zijn vaak erg lang. Op pagina 134 staan 4 volledige zinnen. Als zin 5 gelezen is zitten we halverwege pagina 135. Dat hielp ook niet mee. Is er ook iets positiefs te melden? Natuurlijk. Als je je even concentreert zijn er mooie quotes op te halen;

Wie op deze wereld een beroep wil uitoefenen, en daaruit ook nog enig rendement wil halen, kan alleen maar dat van oplichter kiezen, welk terrein hij ook betreedt.

Ik werk in de verzekeringsbranche maar heb hier vooralsnog geen conclusie aan verbonden. Leopardi stelt ook dat als ongeletterden een beroemd auteur lezen, ze hier geen genoegen aan beleven, omdat ze een onmogelijk genot verwachten, een niveau van perfectie waartoe de menselijke geest niet in staat is. Daarom lachen ze om die auteur of minachten hem zelfs. Dat laatste doe ik zeker niet, maar misschien verwachtte ik toch een wat hoger genot dan dit boek mij verschafte. Wat natuurlijk ook aan mijn geletterdheid kan liggen.

Het was wel leuk om de naam van Bilderdijk tegen te komen in Leopardi’s werk en ik blijf onverminderd benieuwd naar zijn Canti, ofwel gedichten. Dat zijn er niet veel maar zouden van een ongehoorde schoonheid zijn. Leopardi zelf? Hij had een zwakke gezondheid en was ook niet direct het zonnetje in huis. In zijn Zibaldone is de natuur aanvankelijk nog ‘de enige bron van het schone, het grote, het leven en de afwisseling’ maar allengs wordt zijn toon donkerder en pessimistischer. Uiteindelijk is de natuur ‘een valse stiefmoeder die haar kinderen alleen maar wil zien lijden’. Jammer dat hij er niet langer van mocht genieten.

Vertaling; Frans van Dooren