archiveren

Essays

Zijn vorige door mij besproken essaybundel vond ik geen hoogvlieger, maar Het eeuwige moment van Maarten ’t Hart heb ik weer met veel plezier gelezen. Dat zit hem in zijn manier van vertellen en het strooien met zijn kennis over onderwerpen waar ik niet direct aan zou denken maar die hij ineens interessant maakt door er zijn visie op te geven.

Dat eeuwige moment bijvoorbeeld. Die uitdrukking stamt van Proust en doet zich voor als Swann een vioolsonate hoort;

‘Misschien omdat hij de muziek niet kende, had deze zo’n overrompelende indruk op hem gemaakt, gevoelens in hem opgewekt, die ondanks de verwardheid ervan, misschien wel de enige zuiver muzikale, grenzeloze, volmaakt oorspronkelijke, niet tot een ander soort te herleiden gevoelens zijn. Een dergelijke ervaring is iets als “een eeuwig moment”.’

Ik herkende het direct en dacht terug aan mijn “eeuwige moment”. Dat was op een zaterdagmiddag in de Domkerk in Utrecht tijdens een wondermooie, mij onbekende, orgelpassage, toen het herfstlicht ineens tegelijk met die passage over de aanwezigen streek. ’t Hart begrijpt dit ook en gaat los met een bloemlezig vol “eeuwige momenten”, waarbij hij aangeeft dat er gewaakt moet worden voor routine en herkenning die de verassing uitsluit. Dit komt te vaak voor met concertprogrammeringen, die lang van tevoren zijn samengesteld en zelden zo’n “eeuwig moment’ zullen oproepen.

 ’t Hart gaat verder met een onderzoek naar het verband tussen poëzie en muziek. Er blijkt bar weinig gedicht over muziek maar een mooi voorbeeld is het gedicht van Vestdijk over de wals van Glazoenov. U kunt het op Youtube opzoeken, voorgelezen door Vestdijk zelf. De conclusie is wel dat de Nederlandse poëzie over muziek helemaal niets opheldert over de mysterieuze werking ervan. Dat wist ’t Hart allang en het doet er niet toe, het onderwerp is een kapstok voor hem om zijn kennis te etaleren en dat doet hij met verve.

Overigens is hij niet altijd even zorgvuldig, want als hij musicoloog Emanuel Overbeeke de les leest over Vestdijk en diens muziekverwijzingen, introduceert hij Overbeeke in het geheel niet en weten we dus niet dat hij musicoloog is en hij vermeldt ook niet waar Overbeeke zijn beweringen doet. Overigens, en dat moet je ’t Hart altijd nageven, zal Overbeeke van goede huize moeten komen om hem te weerleggen. Voor de goede orde, Overbeeke zou beweerd hebben dat men honderden verwijzingen naar muziek in het oeuvre van Vestdijk tegenkomt en ’t Hart is een kenner van dit oeuvre. Hij geeft haarfijn aan dat het maar om enkele verwijzingen gaat en om welke.

Na de muziek duikt ’t Hart de literatuur in en heeft het over de mathematische inslag van Emily Brönte. Hij roemt het boek Wuthering Heights, wijst ons op details en weerlegt Simon Vestdijk die Heathcliff ‘een ploert’ vindt omdat hij een hondje ophangt. Natuurlijk is dat niet sympathiek maar ’t Hart licht toe waarom dit gebeurt. Lastige hondjes tijdens een ontvoering zijn nu eenmaal niet handig.

Charles Dickens krijgt ook veel aandacht en je hebt direct zin om die boeken weer te gaan lezen. Met Kierkegaard had ik dat gevoel nooit zo, maar ’t Hart weet wel mijn interesse te wekken. Hij leerde zelfs Deens omdat hij zo graag diens dagboeken integraal wilde lezen. Dat lukt hem aardig en dan merkt hij dat de Nederlandse vertalingen, zoals van W.R. Scholtens, wel iets te wensen over laten;

Overigens heeft de manier waarop Scholtens pleegt te vertalen soms komische effecten. Zo treft de verbaasde lezer in Het ogenblik nr. 7 de volgende zinsnede aan: ‘En dit allertreurigste wat misschien van een mens gezegd kan worden is: dat hij niet meer omhoog te krijgen is.’ Dat staat er in het Deens dus niet.

Die dagboeken zijn in de Privé-Domeinserie deels uitgegeven, maar dat betreft maar een fractie. De integrale editie is inmiddels in het Engels vertaald, maar daarvoor dient u aardig in de buidel te tasten.

Nog zo’n voorbeeld van een haakje waaraan hij een nieuw hoofdstuk kan hangen; de overeenkomst tussen soortvorming in de evolutie, de kerkscheuring en het ontstaan van nieuwe literaire genres. Ik had er nog nooit bij stilgestaan, tot nu. Er valt ook genoeg op af te dingen of aan toe te voegen, maar het zorgt voor een vermakelijk hoofdstuk waarbij we eerst over het paargedrag van gorilla’s en chimpansees lezen en waar een paar regels verder de misdaadroman wordt verdedigd;

Edmund Wilson vond het zonde je tijd te verdoen met het lezen van misdaadromans terwijl er nog zoveel goede boeken waren. Misschien niet onwaar, maar anderzijds is het ook waar dat de meeste detectiveromans boeiender, interessanter zijn dan de bleekzuchtige kruimelwerken van Willem van Toorn of de modeprullen van Leon de Winter.

Zo kennen we ’t Hart weer. U wordt verder nog even bijgespijkerd over de auteurs Hjalmar Söderberg, Elias Canetti en Patricia Highsmith waarbij het steeds weer verbluffend is te merken hoe goed hij alle werken van die auteurs kent. Ik hoop dat ’t Hart nog niet uitgeschreven is.

523x840
Ik blijf nog maar even bij Jeroen Brouwers en zijn zelfmoord-essays, want dit boek, Adolf & Eva & de Dood is daar een afgeleide van. Dat zegt Brouwers althans zelf; zijn belangstelling voor Adolf Hitler en zijn vrouw Eva Braun komt voort uit zijn fascinatie voor de suïcidologie en hij wil ooit nog een boek schrijven over het verschijnsel dubbelzelfmoord (zo zei hij in de jaren negentig althans).

Dit boek kan als studie daarvoor dienen en het bevalt mij veel beter dan zijn vorige zelfmoord-boek, De versierde dood. Minder rommelig en uiteindelijk met een opbouw naar het welbekende einde van de dictator en zijn vrouw.

Brouwers begint zijn verhaal in de geboorteplaats van Hitler, in het Oostenrijkse grensstadje Braunau. Daar herinnert niets meer aan Hitler. Zijn geboortehuis staat er nog wel en ironisch genoeg was dat ten tijde van het bezoek van Brouwers een dagverblijf voor zwakbegaafde kinderen. Kinderen waarvoor geen plaats was in Hitler’s ideale samenleving. Brouwers kan het niet laten om vrijuit te speculeren over de betekenis van Braunau voor Hitler;

Zit hem soms daarin de schaamte van Braunau: des Führers voorkeur voor bruin, die hij misschien met de naam van zijn geboortedorp is blijven associëren? ‘Braunau’ zou kunnen worden vertaald als ‘Bruinoord’. Duizenden hebben het bruine Hitleruniform gedragen, de hoofdzetel van de Hitler-Partei te München heette ‘das braune Haus’, er hebben braune Bataillone over de wereld lopen stampen, en er is nog veel meer bruins in het leven en de carrière van Hitler aan te wijzen.

Jawel, zelfs zijn uiteindelijke bruid heette dus Braun, maar niemand heeft dit alles overtuigend aan Braunau kunnen relateren. Hij heeft er maar een paar jaar gewoond overigens.

Een boek van goed 160 pagina’s is natuurlijk geen biografie, het zijn meer bespiegelingen over het leven van Adolf en Eva en met een reuzensprong gaan we naar de auteur van Mein Kampf. Hij geniet enige bekendheid omdat hij heeft vastgezeten na een mislukte staatsgreep en cultiveert zijn naam. Adolf komt natuurlijk van het oostduitse ‘Athalwolf’ en het begrip wolf zal hij zijn leven lang koesteren. Zijn domicilies en hoofdkwartieren droegen namen als Wolfschanze, Werwolf en Wolfsschlucht. Overigens had Hitler bijna Schicklgruber geheten;

Het voorgeslacht van Adolf Hitler is te vergelijken met een pan spaghetti, waarvan de ene sliert met de andere is verstrengeld of verknoopt.

Door die vrij incestueuze toestand heette zijn vader later pas Hitler. Interessant leesvoer in ieder geval en het doet mij uitkijken naar de biografie van Hitler die ik nog in de kast heb staan om te lezen.

Ineens komen we terecht bij de lijffotograaf en vertrouweling van Hitler, Heinrich Hoffmann. Niet voor niets, want hij had een medewerkster waarvan Hitler zeer gecharmeerd raakte, Eva Braun. Door die fotograaf gaat het ineens over het uiterlijk van Hitler. Dat uiterlijk is bekend natuurlijk en ook vaak geregisseerd. Hij moest zo voordelig mogelijk in beeld worden gebracht en daarbij hielp een foto in lederhosen niet echt. Die was verboden door Hitler voor publicatie maar staat afgebeeld in dit boek;

Maar Hitlers mollige blote knieën en…Hitlers marsepeinblanke dijen – het is geen gezicht met dat streuvelgewas onder zijn neus en al helemaal niet met het grimmige ideeëngoed dat door het hakenkruis op zijn bovenarm wordt verzinnebeeld.

Hitler en vrouwen is een verhaal apart. Zijn grote liefde Geli Raubal pleegde zelfmoord. Vaak wordt dat aangegrepen voor het begin of de reden voor zijn meedogenloosheid, maar ook dat blijft speculeren. Hij had meerdere aanbidsters maar bleef Eva Braun trouw. Feit is wel dat alle dames die dicht bij hem kwamen, inclusief Eva, allemaal al dan niet geslaagde zelfmoordpogingen hebben ondernomen (om maar een beetje bij het hoofdonderwerp te blijven).

Toch was er uiteindelijk maar één echte bruid en dat is waar Brouwers naar toe werkt in dit boek. Dat is Duitsland. Of ze worden gelukkig samen, of ze gaan samen ten onder. Dat is niet louter dramatisch verzinsel, Hitler heeft er naar gehandeld. Hij gaf het zogenaamde Nero-bevel, om alle militaire, verkeers-, pers-, industrie- en verzorgingsinstallaties, evenals kapitaalgoederen binnen het rijksgebied waarvan de vijand gebruik zou kunnen maken te vernietigen. Toen Albert Speer bezwaren uitte sprak Hitler;

‘Het is niet nodig rekening te houden met de basisvoorwaarden die het Duitse volk nodig heeft om ook maar op de primitiefste manier verder te leven.’

Een ‘Liebestod’, ogenschijnlijk uitgevoerd samen met Eva Braun, maar uiteindelijk bedoeld voor zijn Duizendjarig Rijk.

12e05c60ae352bd592b53465841444341587343_v5
Sinds zijn boek De laatste deur, over zelfmoord door schrijvers in het Nederlandstalig gebied, is Jeroen Brouwers zo’n beetje de literaire expert op dit gebied. Hij zou nog meer boeken over dit onderwerp schrijven en De versierde dood is er één van. Volgens de schrijver is het ‘een dossier over zelfmoordclubs, zelfmoordsekten, Russische roulette en andere zelfmoordspelen, over de veronderstelde invloed van films, rockmuziek en strips op suïcidaal gedrag van jongeren, over de vraag of dieren zelfmoord begaan en over vele andere mysteries rondom de zelfverkozen dood’.

Dit alles binnen een bestek van 200 pagina’s en na lezing vind ik het een beetje een vreemd boek. De laatste deur was een goed doortimmerd boek waar de research van af droop. Brouwers heeft ook boekjes rondom het zelfmoord-thema geschreven als Twee verwoeste levens en De Zwarte Zon of Adolf & Eva & de Dood en die lijken me allemaal wat beter geschreven dan dit boek, hoewel ik de laatste twee nog moet lezen.

We gaan namelijk in een razend tempo door al die onderwerpen heen want ze komen allemaal aan bod. Zelfmoordclubs vinden we terug in de literatuur, zoals bij Robert Louis Stevenson die er zelfs een verhaal over schreef, The Suicide Club. Brouwers haalt wetenschappelijke werken aan over deze clubs en noemt bijvoorbeeld het Selbstmörderbuch van Emil Szittya, waarin over een Parijse ‘Vereniging van vrienden van de zelfmoord’ wordt geschreven met maar liefst twaalf leden. Daar kon je niet zomaar lid van worden. De statuten bepaalden dat ieder lid:

  • Een man van eer moest zijn;
  • Een ervaring achter de rug moest hebben van menselijke onrechtvaardigheid
  • Sedert jaren een onvervulbare zieleleegte moest hebben gevoeld, een onbehagen over alles wat met het leven te maken had.

Vervolgens, we zitten er nu toch lekker in, komen allerhande zelfmoordsekten voorbij, waarbij de bekendste waarschijnlijk de massale zelfmoord was van de People’s Temple-commune in Jonestown, waarbij zo’n 900 mensen omkwamen door het drinken van een giftige drank.

Via de zelfmoordsekten gaan we naar de zelfmoordpacten. De schrijver André Gide baseerde zijn roman De valsemunters deels op zo’n gegeven. Drie leerlingen hadden een ‘pact met de dood’ gesloten en zouden alle drie zelfmoord begaan, in de klas en in het bijzijn van andere leerlingen. Er komen meer voorbeelden voorbij waarbij het beroemde pact tussen aartshertog Rudolf van Oostenrijk en zijn maîtresse Marie von Vetsera dan weer ontbreekt.

Ook over de invloed van films en televisie is wel iets te zeggen. Natuurlijk zijn er wankele geesten die zich laten beïnvloeden maar die waren er in de tijd van Goethe en zijn Werther ook. De aanwijzingen dat Rambo, The Deer Hunter (met de beroemde Russische roulette-scène) of A Clockwork Orange voor golven van geweld hebben gezorgd zijn flinterdun of niet bestaand.

Over Russische roulette gesproken, Brouwers doet zijn best om te achterhalen waar die term vandaan komt en komt niet veel verder dan…Lucky Luke, het album De Grootvorst;

In dit verhaal stelt zijn keizerlijke hoogheid, de Russische grootvorst Leonid, op studiereis door het wilde Westen, in zekere situatie voor om in plaats van te pokeren een spelletje ‘roulette’ te doen.

Dat blijkt om die dodelijke variant van het spel te gaan, vijf jaar voordat het wereldberoemd werd door The Deer Hunter. Ook de popmuziek wordt onder de loep gelegd en in verband met zelfmoord gebracht. Niet zozeer door Brouwers zelf, maar hij schetst het schokkende verhaal van de Sex Pistols-zanger Sid Vicious die zijn vriendin Nancy Spungen vermoordde maar te laf was om de hand aan zichzelf te slaan. Vervolgens zijn er de verhalen van satanische teksten die te horen zouden zijn als platen achterstevoren worden afgespeeld. De jeugd zou er door worden aangezet zelfmoord te plegen en er zijn rechtszaken over gevoerd.

Brouwers zou Brouwers niet zijn als er niet af en toe iemand over de knie ging en in dit boek is dat de psycholoog of, volgens Brouwers, suïcidoloog René Diekstra;

In het Utrechts Nieuwsblad van 26 april 1988 schreef hij een artikeltje, dat in zijn tendentieusheid even helder is als een daarjuist gelapte glazen ruit: ‘Als je regelmatig in kranten of op televisie uitgebreid over zelfmoorden bericht, dan neemt het aantal zelfmoorden toe. Zo eenvoudig ligt dat.’
Dit is inderdaad zo eenvoudig als een glazen ruit helder is, die in geen jaren meer is gelapt.

Nog even door over bizarre uitdagingen door tegen het verkeer in te rijden, zo lang mogelijk voor treinen of auto’s te blijven staan of eenvoudigweg te parachutespringen, te bungee-jumpen of Houdini-acts op te voeren. Het staat soms gelijk aan…precies.

Doen dieren ook aan zelfmoord? U kent vast al die lemmingen wel die en masse over de rand van een klif hun dood tegemoet springen. Zelfmoord? Welnee, daar zijn prima verklaringen voor. Die zwaan dan, die doodstil langs de snelweg staat en niet met zijn ogen knippert als de auto’s rakelings langs hem scheren, om vervolgens rustig op te vliegen en zich morsdood te laten rijden door de grootste vrachtwagen die er is? Zelfmoord? Geen enkele aanwijzing daarvoor.

Het is een wat lange bespreking van een niet zo’n dik boek en er staan nog talloze andere voorbeelden in. Het is aardig om te lezen maar Brouwers kennende had hier veel meer in gezeten, dit lijkt me toch wat snel bij elkaar gesprokkeld.

51529b7ca968860596f7a636c77444341587343_v5
De stilte van het licht van Joost Zwagerman is een boek waar ik blij van word. Het gaat over kunst en ligt in het verlengde van zijn boek Alles is gekleurd. Op de achterkant staat dat dit boek een onderzoek is naar facetten van immense stilte en naar de vraag of stilte in de kunst wellicht een verlangen is om er niet te zijn. Voeg daaraan een ondertitel toe van Schoonheid en onbehagen in de kunst, en dan heeft Zwagerman een vrijbrief om alle facetten van de kunst voor het voetlicht te brengen.

En dat is goed, want ik hoor hem graag aan als hij het over kunst heeft. Hij heeft het vermogen om mij enthousiast te maken over kunstwerken waar ik niet eerder bij stilgestaan had en dat doet hij nu weer. Hij legt zichzelf wel een paar kaders op, door het boek te verdelen in Stilte, Schoonheid, Onbehagen en Verdwijnen, maar je kan hier uiteraard genoeg aan ophangen en dat doet hij dan ook.

In het voorwoord licht Zwagerman de keuze voor de besproken werken toe;

Die verknoping van schoonheid en onbehagen geldt voor veel andere werken van kunstenaars in De stilte van het licht: …Van Zurbaráns Stilleven met vier kruiken uit 1650 tot het…alom bewonderde (en ook alom bespotte) Zwart vierkant van Malevich. Die twee schilderijen zijn, dwars door de eeuwen heen, directe familie van elkaar.

Zoekt u ze maar eens op, die link had ik nooit gelegd en daarom is het een mooi boek. Zwagerman legt allerlei verbanden uit de kunst van het verleden met hedendaagse kunst, maar verbindt het net zo goed met literatuur of een song van Amy Winehouse.

Nu ben ik zelf een voorstander van het adagium ‘anything goes’ in de kunsten maar ik had toch wel weer een paar eye-openers te pakken. Ik had ooit gehoord van performance-kunstenaar Marina Abramović, die in het deel Stilte besproken wordt, maar had mij er nooit in verdiept. Zoekt u op Youtube haar indrukwekkende performance The Artist is Present eens op. Een adembenemende oefening in stilte, waarin Abramović gedurende drie maanden, zes dagen in de week, onbeweeglijk en zonder een woord te zeggen op een stoel zat. Om beurten konden bezoekers tegenover haar plaatsnemen.

Dat staat in schril contrast met een andere stilte, namelijk de stilte in de werken van J.H. Weissenbruch en Jan Mankes. Ook Mark Rothko komt voorbij met zijn kleurvlakken en hier verbindt Zwagerman zijn werk mooi met de poëzie van John Taggart. Ik voeg daar vanuit mijn kennis en smaak de muziek van Morton Feldman bij (overigens een vriend van Rothko) en je hebt zo een paar genoeglijke uren te pakken.

Maar er valt veel meer te zeggen over de stilte. Je vindt het in een uitvergrote theedoek, zakdoek of inpakpapier van Daan van Golden, in de foto’s van Hendrik Kerstens, die van een plastic zak een barok hoofddeksel maakt of in het filmfragment uit American Beauty, waar een plastic zakje in de wind de hoofdrol voor zichzelf opeist. En kende u de Cloud Appreciation Society al? Ik kwam het tegen bij het stuk over kunstenaar Berndnaut Smilde, die maakt en fotografeert wolken, maar dan binnenskamers.

Dan onbehagen, want onbehagen is ook leuk. Ik zei al, anything goes, maar ook het werk van shock artist Andres Serrano, die een crucifix onderdompelde in een bak urine om daar foto’s van te maken? Wat mij betreft wel, het levert prachtig werk op. Of kijk eens naar de studie van Francis Bacon naar een portret van Diego Velazquez van paus Innocentius X. Zo had de paus het nooit bedacht in ieder geval.

Verstikking en verstilling vinden we in het werk van Phineas Q. Eldridge met The Suffocation Rooms. Steeds hetzelfde interieur, beginnend bij een heel kleine, ijskoude kamer. Langzamerhand naar grotere kamers die steeds warmer worden tot een reuzeninterieur in een bloedhete ruimte. Prachtig beschreven, alleen…niet-bestaand. Wel bestaand is het werk van Levi van Veluw, The Collapse of cohesion, the Room. Een video van een spartaans ingerichte ruimte, waar op zeker moment ondefinieerbaar fijnstof naar binnen wordt geblazen. Even later wordt alles in de ruimte in een sureëel laag tempo weggeblazen.

Het laatste deel in het boek, Verdwijnen, geeft een heel letterlijk voorbeeld van dat begrip in het werk van Robert Rauschenberg, Erased de Kooning. De nog niet zo bekende kunstenaar Rauschenberg vroeg een kunstwerk aan de bekende artiest Willem de Kooning om het uit te kunnen gummen en het zo zijn kunstwerk te maken. De Kooning stemde in;

‘I don’t like it. But I realise what you’re doing’

Kunstbroeders onder elkaar dus. Een heel ander aspect van verdwijnen is het verdwijnen in een regenboog. Jan Andriesse kan dat. Eerst door een close-up te schilderen. Ik vind het één van de eye-openers van dit boek. Een schilderij met vervagende kleuren, het heet ook Arc-en-ciel, maar ik zou er in een tentoonstelling waarschijnlijk aan voorbij zijn gelopen. Dat geldt helemaal voor Caryatide, een ‘grijs vlak’. Tot je je realiseert dat hij hier de binnenkant van de regenboog lijkt te willen schilderen. Je hebt geen idee wat voor werk daar in zit;

Andriesse vertelde eens in een interview dat hij per dag één laag op een doek aanbracht. Sommige van zijn werken kosten hem als gezegd een jaar of meer werktijd. Dat betekent: meer dan driehonderd lagen op één doek. Door al die verflagen zijn de meeste van zijn werken letterlijk loodzwaar.

Dat plaatst de ‘dat-kan-mijn-neefje-van-dertien-ook’-doctrine ineens in een heel ander perspectief en dat geldt voor heel veel meer werken in dit boek. Een absolute aanrader voor kunstliefhebbers.

185d6a6da4532755970466c6677444341587343_v5
Het circus der eenzaamheid van Jeroen Brouwers is het vierde en laatste deel van de serie Kladboeken. Het is met 196 pagina’s een stuk dunner dan deel drie, Het vliegenboek en wat mij betreft minder boeiend.

Toch is een Brouwersboek nooit verloren tijd en haal ik er altijd wel iets uit. Zo ben ik benieuwd naar Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere. Dat komt goed uit want die is verschenen in de serie Privé-domein en die verzamel ik zo’n beetje. Vervolgens krijg ik besprekingen van werken van Benno Barnard, Leonard Nolens en Christine D’haen. Geen grote namen alhier en dat moest maar zo blijven lijkt mij. Als ik een plank mis sla, corrigeert u mij dan vooral.

Maar…als Brouwers het over Elsschot gaat hebben ben ik geïnteresseerd. Als Vlaams schrijver moest Elsschot af en toe zoeken naar Nederlandse woorden en hij kreeg daarbij hulp van ene Anna Christina van der Tak. Hij kende haar uit zijn Schiedamse periode en zij was aanjager van zijn debuut, Villa des Roses. Hij droeg het werk ook aan haar op. Curieus is dat Walter, die als zoontje van Alfons de Ridder (Elsschot was zijn schrijversnaam) een luxe-exemplaar van dat debuut naar Anna op de post deed, het vijftig jaar later weer te koop kreeg aangeboden. Overigens bleef de relatie niet zo goed want Anna was er niet over te spreken dat zij figureerde in Elsschot’s boek Kaas.

Nog mooier wordt het als Brouwers los gaat op het boek Het Ridderspoor van Johan Anthierens, waarin de laatste verklaart innig van Elsschot te houden en hem te beschouwen als ‘literaire vader’. Ik ga er eens goed voor zitten;

Het boek is een opeenstapeling van bric-à-brac, verzameld door iemand die van de glans van een koperen punaise zal beweren dat het het licht van een komeet is…En nog wat: toen Anthierens op dinsdag 23 juni 1992 te Antwerpen door de Verdussenstraat slenterde, de straat waar romanpersonage Laarmans woonde, was daar, neen maar, een straatwals bezig met de restauratie van het wegdek, precies zo’n straatwals als voorkomt in Elsschots novelle De leeuwentemmer! Dit alles is van groot gewicht voor de Elsschot-exegese…

Zo voel ik mij weer helemaal thuis bij Brouwers. Hij vindt het werk van Anthierens niets en vraagt zich af waar de definitieve biografie blijft. Deze is inmiddels door Vic van de Reijt geschreven, alleen heb ik Brouwers daar nog niet over gehoord eigenlijk; het zal vast ergens te vinden zijn.

Na deze Elsschot-wetenswaardigheden komt het hoofdstuk dat je wist dat zou komen; over uitgeefster en vroegere werkgever van Brouwers, Angèle Manteau. Gretha Segers heeft namelijk een boek over haar geschreven, Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau. Wellicht had ze dat beter niet kunnen doen want het vindt geen genade in de ogen van Brouwers. Hij onderbouwt dit uiteraard want hij zat in het oog van de storm en heeft dus de kennis over Manteau wel paraat.

De onderwerpen gaan een beetje van de hak op de tak. Hoofdstukken over André Baillon en Daniël Robberechts boeiden mij maar matig en een verhaal over Janis Joplin is zelfs een beetje vreemde eend in de bijt.

Maar dan komt het stokpaard van Brouwers de hoek om draven; zelfmoord in de literaire wereld. Het verhaal rondom Adriaan Venema is ronduit intrigerend en was bij mij al een beetje weggezakt. Venema was kunsthandelaar maar ook schrijver. Hij wist dat hij geen groot romancier zou worden en legde zich toe op zijn magnum opus, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie. Vijf delen die behoorlijk bekritiseerd zijn vanwege de vele slordigheden en fouten. Brouwers sprak hem wel eens, maar

Nooit heeft hij adequaat antwoord kunnen geven op de vraag wat hem dreef het oorlogsverleden van kunstenaars, schrijvers, uitgevers tot in de wortels uit te vezelen, niet terugschrikkend voor tendentieusheden, valse betichtingen, aantoonbare onwaarheden, om nog maar te zwijgen van de moraliserende praatjes waarmee hij de zaken nog extra orkestreerde.

Venema was alle kritiek zat en maakte een eind aan zijn leven. Brouwers gaat dieper in op gelijke gevallen. John Kennedy Toole en Alexander Ziegler pleegden ook zelfmoord na kritiek op hun werk. Brouwers is hier in zijn element, want expert op dit gebied, gezien zijn boek over dit onderwerp, De laatste deur. Zijn verhaal over Harry Mulisch en Klaus Mann mag er ook zijn. De zoon van de grote schrijver Thomas Mann zette een soort van familietraditie voort; ook hij benam zich het leven.

Brouwers maakt nog wat zijstapjes naar Adolf Hitler en zijn wegbereider Oswald Spengler en onderhoudt ons over een aantal vriendelijke Duitse seriemoordenaars om er met een knaller uit te gaan. Ik miste hem al; Rudy Kousbroek. Die moest het in Het vliegenboek al ontgelden maar Brouwers is nog niet klaar met hem;

‘Zonder er iets aan te veranderen,’ snottert Kousbroek nu verongelijkt in dat Maagpijn-opstelletje van hem. Zonder dat die Brouwers, dat lijk, ‘het fatsoen’ heeft gehad een en/of ander te ‘herroepen’, zo weeklaagt hij verontwaardigd. In snotteren en weeklagen, daar is hij goed in, Kousbroek. Staat altijd te stampvoeten in zijn eigen waterlanders.

Het ging er altijd pittig aan toe tussen de heren; toch mag ik ze beiden graag lezen. Van Brouwers heb ik nog genoeg boeken liggen, die blijft op gezette tijden gewoon voorbij komen.

 

9492020262.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Klinkenke alchemie is de titel van 98 verzamelde muziekessays van musicoloog Maarten Brandt. Het zijn stukken die eerder zijn verschenen in het muziektijdschrift Mens en melodie, op de door mij regelmatig geraadpleegde website www.opusklassiek.nl of die gebruikt zijn bij lezingen of programmatoelichtingen.

U kunt die stukken dus soms afzonderlijk opzoeken, maar dan doet u dit lijvige boek van 667 pagina’s tekort. De stukken zijn herschreven naar deze tijd en zorgvuldig in een bepaalde volgorde gepubliceerd. Dat heeft te maken met de rode draad in dit boek. Die gaat namelijk over composities, maar vooral over de uitgekiende combinaties van die composities, die samen een meerwaarde opleveren voor de luisteraar.

Dat is een kunst op zich en het boek is tevens een pleidooi voor eerherstel van de artistiek directeur bij de verschillende concerthuizen. Componist en musicoloog Marius Flothuis (1914-2001) was een meester in het samenstellen van dergelijke avontuurlijke programma’s en aan hem is dit boek dan ook opgedragen. Of dit al niet genoeg was; Brandt trekt het verhaal nog breder, het boek is bovenal bedoeld als signaal om een traditie in stand te houden die door zoveel factoren wordt bedreigd; de uitvoeringspraktijk van symfonische muziek in de ruimste zin van het begrip.

Voor de klassieke muziekliefhebber biedt dit boek een schat aan informatie. Ik geef direct maar een voorbeeld van die rode draad. Een orkest programmeerde een concert als volgt;

Stravinsky                          Scherzo à la Russe
Chopin                               Eerste pianoconcert in e, opus 11
——-
Stravinsky                          Symfonie in drie delen
Debussy                             Petite suite (instrumentatie: Henri Büsser)

Dat lijkt een mooi en afwisselend programma maar Brandt toont aan waarom dit niet werkt. Die symfonie van Stravinsky is van zodanige allure dat niemand op een mondain stuk Debussy daarna zit te wachten (hoe mooi het werk ook is). Brandt geeft vervolgens andere suggesties en onderbouwt deze ook. Zo leert u bijvoorbeeld ook waarom de componist Henze prima samengaat met Mozart. U heeft geen idee natuurlijk en het hangt af van welke compositie er op welk tijdstip gespeeld wordt, maar het zijn regelrechte eye-openers.

Zo staan er talloze voorbeelden in het boek. Brandt stelt zelfs zijn ideale seizoensprogramma samen en met behulp van de tegenwoordig beschikbare streamingdiensten of wellicht uw eigen collectie kunt u eindeloze programma’s beluisteren. Ik ben nog lang niet klaar met dit boek.

Naast programmatoelichtingen zijn er ook andere stukken als interviews, cd-besprekingen en overpeinzingen over het Nederlandse concertleven. Ik heb een lange luisterlijst samengesteld naar aanleiding van de besproken werken. Zo was de componist Rudi Martinus van Dijk met zijn Kreitens-Passion een ontdekking, net als het hoornconcert van Oliver Knussen, de werken van de Indiase componist Param Vir en de McGonegall-Lieder van Rob Zuidam. Het is wel handig om enige kennis te hebben van de wat modernere klassieke muziek, of hier tenmiste iets over te willen opzoeken, anders heeft u geen idee waarom hoofdstuk 33 met de titel Over vier minuut drieëndertig ruim vier blanco pagina’s telt.

Natuurlijk gaat het over de Mahler-traditie in dit land. Ongekend populair en het mag soms wat minder volgens de auteur. Dat geldt helemaal voor Sjostakovitsj. Die moet het door het hele boek ontgelden, dat viel wel op (niet zozeer omdat zijn muziek slecht zou zijn maar eerder doordat deze te vaak of onjuist geprogrammeerd wordt). Als er een zwaar bezette Mahler-symfonie (weer) wordt geprogrammeerd, gaat dat direct ten koste van het budget en dus van vaak minder gehoorde en nieuwere stukken die net zo belangrijk zijn of kunnen worden voor het muzikale landschap.

De interviews en artikelen over en met Pierre Boulez en Bernard Haitink zijn prachtig om te lezen. De laatste kon zeer goed overweg met Marius Flothuis en beiden zorgden voor prachtige programma’s bij het Concertgebouworkest met veel Nederlandse muziek. En passant wordt aangetoond dat de beruchte Notenkrakersactie voor een groot deel onterecht was. Die actie, een verstoring van een concert van Bernard Haitink, was een protest door een aantal componisten tegen de ondervertegenwoordiging van hun werken in de programmering.

Het pleidooi van een juiste programmering, waarbij ‘de klassieken’ gecombineerd worden met recentere werken, wordt mooi verwoord door de Hongaarse componist en dirigent Peter Eötvös;

“Je mag nooit zeggen ‘we spelen dit niet, omdat het publiek er niet van houdt’,” is zijn stellige overtuiging. “Er zijn weliswaar managers die dat beweren, maar dit klopt eenvoudig niet. Waar het om gaat is het uitstralen van visie en kwaliteit. De realiteit is dat het telkens binnen een andere programmatische context herhalen van een moeilijk stuk vruchten afwerpt…”

U kunt dat met dit boek in ruime mate zelf uitproberen, al is het maar met de bijgeleverde cd, waarop de goed in het gehoor liggende Serenade nr.10Gran Partita’ van Mozart wordt gevolgd door de Variationen für Orchester van Anton Webern en wordt afgesloten door het voor pianisten moeilijke maar prachtige Piano Concerto van Elliott Carter.

Ik ben een redelijk gevorderde liefhebber (doch musicologisch volslagen ongeschoold) en ik hoefde al niet enthousiast gemaakt te worden voor modernere muziek, maar dit boek heeft mij talloze tips opgeleverd voor nieuwe luisterervaringen en veel extra kennis opgeleverd. De bespreking zou te lang worden om dieper in te gaan op Cristina Deutekom die Varèse zingt, de start van de traditie van extra paukenslagen in Bruckner of de weelderige bewerking van De Matthäus-Passion door Robert Franz. Dan moet u het boek echt zelf lezen.

 

9f5fec959ae647f59384d615851444341587343_v5
Verzameld werk 2 van Karel van het Reve begint met twee romans, te weten Twee minuten stilte en Nacht op de kale berg. Daarna volgen zijn literatuuropstellen in Rusland voor beginners, zijn Siberisch dagboek en een grote verzameling ongebundeld werk over een groot aantal onderwerpen. Het zal niet verbazen dat het zwaartepunt van die onderwerpen bij Rusland en haar literatuur ligt.

De romans zijn vermakelijk om te lezen. In Twee minuten stilte komt de directeur van het Instituut voor Oost-Europese Cultuurgeschiedenis om het leven door een bomaanslag en gaat de hoofdpersoon op onderzoek uit. Later in zijn stukken vernemen we van de auteur dat in die directeur de Nederlandse vader aller Slavisten is geportretteerd, prof. dr. Bruno Becker;

In Twee minuten stilte heb ik hem het slachtoffer doen worden van een bomaanslag. Ook hierin heeft hij mij woensdag gecorrigeerd door een benijdenswaardige dood te sterven: herstellend van een korte ziekte, zittend in een stoel, zoals Goethe en Schopenhauer.

De tweede roman is een raamvertelling over een weddenschap tussen twee mannen en een jonge vrouw waarin men, volgens de originele stofomslag, krijgt;

Nuttige wenken voor kampeerders, een gedetailleerde handleiding voor het verwerven van een miljoen, een vergelijkende studie van protestantse en katholieke radiosprekers, levensbizonderheden…een onverwacht sterfgeval…een recept voor het maken van gloeiwijn, citaten uit andere bekende boeken.

Beide verhalen zijn met humor en vaart geschreven. Toch gaat mijn echte belangstelling uit naar het beschouwend werk van Van het Reve. Zijn opstellen zijn stuk voor stuk interessant om te lezen, zeker als je van Russische literatuur houdt (hoewel ik daar nog niet heel grote stappen in heb gezet eerlijk gezegd). Maar hij legt uit waar Toergenjev zijn roem aan dankt of hij beschrijft, en dat is nog mooier, de koele nuanceringen op diens werk door de Britse schrijver Somerset Maugham.

Van het Reve zet Poesjkin neer als de vader van de Russische literatuur en Tsjechov als detectiveschrijver. Ook zijn Siberisch dagboek is een plezier om te lezen. Van het Reve maakt een reis met de Transsiberië Express en doet verslag. Daarin maakt hij gerust uitstapjes naar herinneringen, zoals naar de anekdote die zijn vader hem vertelde over een rondleiding die de communist Louis de Visser genoot door een fabriek;

De Russische communist Karl Radek leidt hem rond…Vroeger, legt Radek uit, was hier een verlaten, tsaristische vlakte. Nu staat hier die geweldige socialistische fabriek. En die geweldige fabriek produceert niets anders dan email naamplaten! Louis de Visser is onder de indruk van zoveel specialisatie. Sterker nog, zegt Radek; al die naamplaten dragen hetzelfde opschrift! Wat dan? vraagt Louis. ‘Lift werkt niet’ zegt Radek.

Belevenissen onderweg, beschrijvingen van het Bajkalmeer (ontploffen vissen nu wel of niet als je ze van 1600 meter naar boven haalt?) en ontmoetingen maken het allemaal zeer lezenswaardig.

De ongebundelde stukken zijn een grote verzameling van kort werk en beslaan 300 van de in totaal 886 pagina’s. Uiteraard veel publicaties over Russische literatuur, zoals over Alexander Blok, Maxim Gorki, Ivan Boenin, Alexander Fadejev en Sergej Jesenin. Die laatste was een tragische figuur. Uiteindelijk gevierd als dichter maar al jong zelfmoord gepleegd na een turbulent leven. Hij had, net als iedere dichter en schrijver te maken met de censuur van de overheid, dus het is interessant om te lezen hoe schrijvers gebruik maken van ‘locomotieven’ in hun werk. Dat kan een gedicht of passage in hun werk zijn over een elektrische centrale of over de stuwdam bouwende jeugd, over de misdaden van de Amerikanen in Vietnam of over de deugden van het Cubaanse volk, bedoeld om een bundel of werk door de censuur heen te trekken.

Dat is toch de verdienste van Van het Reve. Ik ben niet direct thuis in de Russische literatuur, maar hij slaagt erin om het allemaal zo te beschrijven dat ik het met plezier lees. Het is niet alleen literatuur wat de klok slaat; ik wil nog steeds graag weten welk lid van het Koninklijk huis hij is tegengekomen die met de eerste elpee van Tom Lehrer onder de arm door Den Haag fietste.

9493169073.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Inventaris van enkele verliezen van Judith Schalansky is een bundeling van twaalf verhalen met als thema dingen die er niet meer zijn. Met 242 pagina’s is het geen dik boek en de verhalen zijn dus kort, maar ze zitten bomvol prachtige beschrijvingen.

Hoe ga je schrijven over dingen die er niet meer zijn en vooral waarom? Schalansky zegt daarover in het voorwoord;

Zoals alle boeken is ook het onderhavige boek aangedreven door de wens iets te laten overleven, iets wat voorbij is voor de geest te halen, wat vergeten is te bezweren, wat verstomd is aan het woord te laten komen en wat verzuimd is te betreuren.

Mooi gezegd, maar wat ze in een interview in Trouw van maart 2020 hierover zegt vind ik veel interessanter. Daarin zegt ze namelijk dat je alles kan projecteren op dat wat afwezig is. De leegte nodigt juist uit tot invulling en dat is wat ze met deze bundel doet en waar ze lezer ook toe aanzet. Bovendien schrijft ze haar verhalen in hooggeconcentreerde vorm, omdat ze volgens eigen zeggen eigenlijk een boek wilde schrijven waar de hele wereld in past.

Nu zijn er talloze dingen verloren gegaan in de geschiedenis, dus er moesten keuzes gemaakt worden. Het lijkt bij het eerste verhaal of we verder gaan in haar Pocketatlas van afgelegen eilanden, want daarin gaat het over een vermoedelijk in 1843 verzonken eiland. Ieder verhaal wordt ingeleid door een tekst met de onstaans- en verdwijningsgeschiedenis, waarna het verhaal volgt waarin Schalansky ons meeneemt in haar gedachtenstroom.

Prachtig is het verhaal over de Kaspische tijger. Het verhaal gaat over het oude Rome, waar deze tijgers in de arena moesten vechten tegen leeuwen. Schalansky beschrijft dit op onnavolgbare wijze;

De tijgerin komt overeind en opnieuw omcirkelt ze haar tegenstander. De in het nauw gedreven leeuw weert haar af, maar zijn slagen missen doel. De rode kat deinst achteruit en springt, vliegt door de lucht als een projectiel, landt op de rug van de leeuw. De massieve lijven rollen door de arena, met bloed besmeurd, bruin van het stof. De leeuw brult hees, schudt de tijgerin af, kucht, tuimelt, zakt door zijn poten. Over zijn rug heen lopen twee gapende wonden, uit diepe bijtsporen vloeit het bloed.

Bovenstaand citaat vat het niet eens goed samen want het gaat nog even zo door; je ziet het hele gevecht voor je en je zou denken dat ze dit echt heeft bijgewoond.

Verder gaat het over gebouwen die zijn verdwenen zoals de Villa Sacchetti, de liefdesliederen van Sappho waar maar bar weinig van is overgeleverd, een verloren gegane film of het schilderij Haven van Greifswald dat er niet meer is. Dat schilderij leidt tot een prachtig verhaal over een wandeling door de omgeving van haar jeugd (Schalansky is geboren in Greifswald) waarbij ze scherp observeert;

De starheid is verdwenen, de vorst is uit de grond, het land is rustig, bijna beschroomd, argeloos. Kraakwilgen en berken staan er nog naakt bij, het geraamte van hun takken enkel omhuld door een fijn bloesemwaas. De doornhagen hebben nog maar enkele nieuwe blaadjes. Met gelige rozetten krult het groen van de sleedoorn uit zijn loten. Hier en daar hangen in de takken nog de verdroogde besjes van de vorige zomer. In de zachte schaduw van de sleedoorn verschuilt zich klimop en staan tere, met licht dons begroeide brandnetels.

Argeloos land, zachte schaduw; ik houd er van. Ook dit gaat nog even zo door en de verleiding is groot het citaat veel langer te maken, maar lees het vooral zelf. Schalansky vult dus verhalen in of gebruikt, als voormalig DDR-ingezetene eigen herinneringen, bijvoorbeeld bij het verdwenen Palast der Republik, een van asbest vergeven kolos die inmiddels is afgebroken.

Nog even over de vormgeving van het boek. In het voorwoord geeft Schalansky aan dat in haar ogen het boek het volmaaktste is van alle media. Omdat ze naast schrijfster ook grafisch ontwerpster is heeft ze het boek ook zelf vorm gegeven. Ieder verhaal wordt voorafgegaan door een zwarte pagina  waarop heel subtiel een afbeelding staat, ook in het zwart, die met het daaropvolgende verhaal te maken heeft. Ook de cover is op verzoek van de Nederlandse uitgever speciaal door haar ontworpen. Kortom, naast de verhalen is ook de vormgeving dik in orde.

Vertaling; Goverdien Hauth-Grubben

 

9056725351.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In eerste instantie wist ik niet zo goed wat ik moest denken van dit boek. De Pocketatlas van Afgelegen Eilanden van Judith Schalansky geeft een opsomming van vijftig, vaak zeer afgelegen, eilanden. Dan gaat het niet om reisbeschrijvingen want de ondertitel geeft al aan dat de schrijfster er niet is geweest en er ook niet zal komen.

Wat is het dan wel? Het zijn korte verhaaltjes of kleine essays zo u wilt over eilanden. Over gebeurtenissen die er hebben plaatsgevonden, soms over het landschap. De inspiratie voor dit boek van zo’n 240 pagina’s ontstond in de kaartenzaal van de Berlijnse Staatsbibliotheek. Daar begon een ontdekkingsreis naar al die eilanden waaruit de teksten voortkwamen. De auteur zegt hierover;

De vraag naar het waarheidsgehalte van deze teksten is misleidend. Er bestaat geen eenduidig antwoord op. Ik heb niets verzonnen. Ik heb wel alles gevonden; deze geschiedenissen ontdekt en ze me net zo eigen gemaakt als de zeelui de door hen ontdekte kusten…Deze atlas is dan ook allereerst een poëtisch project. Als je de hele aardbol kunt bereizen, bestaat de echte uitdaging erin om thuis te blijven en de wereld daarvandaan te ontdekken.

Dan volgt er nog een beschouwing over dat het eiland zowel paradijselijk als de hel op aarde kan zijn en dat een over een landkaart reizende vinger ook heel goed als een erotisch gebaar uitgelegd kan worden en toen wist ik nog steeds niet goed wat ik van dit boek moest denken.

Tot ik bij de eilanden zelf kwam. Het boek is verdeeld in eilanden in de Noordelijke IJszee, de Atlantische Oceaan, de Indische Oceaan, de Grote Oceaan en de Zuidelijke Oceaan. Voor iedere beschrijving staat een afstandstabelletje en een tijdlijntje met een paar vermeldenswaardige gebeurtenissen, een kleine wereldbol met de aanduiding waar het eiland zich bevindt en een kaartje van het eiland zelf op helderblauw papier. Dat ziet er alvast verzorgd uit.

De verhaaltjes zijn niet meer dan 2 pagina’s lang. Even bekroop mij het gevoel, zoals bij het eiland Eenzaamheid in de Noordelijke IJszee, dat ik mij door vijftig verhaaltjes heen moest lezen met lofzangen op eenzaamheid en woeste natuur;

…het is er leeg en koud, en in de winter opgesloten in het pakijs: de gemiddelde jaartemperatuur is zestien graden onder nul…Er woont hier niemand.

Dat geloof ik allemaal best maar om dit soort teksten hoef ik zo’n boek niet aan te schaffen. Dat werd gelukkig snel beter. Ik werd ineens gegrepen door verhalen over de grote kindersterfte op Saint Kilda. Waarbij ik lees dat er helemaal geen heilige Kilda bestaat. Waarbij ik opzoek (want dat wordt niet toegelicht) waar die sterfte door wordt veroorzaakt (een endemische tetanus-uitbraak). Ik lees over Darwin die op de Cocos-eilanden rondscharrelt en over de oorlog tussen gele mieren en rode krabben op Christmas Island. Over de schande van de massale verbanning van de inwoners van Diego Garcia of over de schipbreukelingen uit 1760 die 15 jaar het vuur brandend houden op het eilandje Tromelin.

Soms begint een verhaal niet met een eiland maar bijvoorbeeld in de Vogezen. Daar woont een jongen die in zijn droom een taal leert die niemand begrijpt, hoewel hij de taal vloeiend spreekt. Taalprofessoren snappen het niet en uiteindelijk herkent iemand van de grote vaart de taal als Polynesisch. Hij weet nog een vrouw die mee is gekomen vanuit daar en die in een buitenwijk van Parijs woont. De (inmddels) man en die vrouw ontmoetten en verstaan elkaar en verhuizen naar het eiland Rapa Iti in de Grote Oceaan. Een wonderlijk verhaal en hier ook nog eens terug te lezen.

Zo zijn er talloze kleine verhaaltjes. Het eilandje dat vergeefs wachtte op de landing van Amalia Earhart waar ze zou bijtanken op de vlucht waarbij ze verdween. De adelborst Henry Eld die verrast was door de aggressieve pinguïns, de kernproeven op Fangataufa, het moordmysterie op Floreana, een deel van de Galapagos-eilanden. Eén van opvallendste verhalen is die van de kleurenblindheid van de inwoners van het eiland met de mooiste naam, Pingelap. Deze ‘Pingelapezen’ hebben deze aandoening vanwege een hongersnood een aantal eeuwen geleden, waarbij maar zo’n 20 mensen overleefden, waaronder de drager van een recessief gen dat zich door de nauwe bloedverwantschap al snel liet gelden.

Hoewel ik dus eerst niet goed wist wat ik moest met dit boek, kwam dat helemaal goed. Ik heb veel opgezocht aan achtergrondinformatie omdat ik nieuwsgierig was en heb ieder eiland van dichtbij bekeken op Google Earth. Is dit nu een boek met essays, een reisboek of toch poëzie? Voor het gemak rubriceer ik het maar onder reizen omdat ik een atlas daarmee associeer en vanwege het eerste citaat, maar ik laat nog even de auteur aan het woord;

Het wordt tijd dat de cartografie tot de poëtische genres wordt gerekend en de atlas zelf tot de schone letteren, tenslotte maakt hij zijn oorspronkelijke benaming Theatrum orbis terrarium – ‘theater van de wereld’ – meer dan waar.

Vertaling; Goverdien Hauth-Grubben

d72c6c8a2ac959e592f70635551433041414141_v5
Het is al even geleden dat ik het eerste deel van de Anathema’s van Rudy Kousbroek las. Dat geeft niet, want Anathema’s 2 gaat over het jaar 1969 dus er was geen urgentie om dit deel direct te lezen. Is het daarmee niet wat gedateerd en wel leuk om te lezen? Ja en ja. Kousbroek schrijft over een andere tijd maar doet dat toch op zodanige wijze dat zijn stukken mij niet vervelen. Dat komt door de manier waarop hij zijn onderwerpen benadert en zijn stijl van schrijven. Je kan er talloze citaten uithalen.

Het openingsverhaal gaat over de gefingeerde Jovinian Brown die de sexualiteit uitvond in 1869. Er waren vier jaar mee gemoeid en hij kon niet zonder zijn laboratorium, maar uiteindelijk;

‘Success! It all fits! Onze uitvinding is nog weliswaar primitief, maar er is geen twijfel meer mogelijk dat het werkt. Wij hebben de droom verwezenlijkt!’

Met licht ongeloof val je vervolgens in een verhaal over ratten en hun al of niet aangeleerde competentie tot het vervullen van de huwelijksplichten. Ratten opgegroeid in gemengd gezelschap blijken hier weinig competent;

Een dergelijke rat dribbelt geïntrigeerd om de meisjesrat heen, met veel plichtplegingen, knievallen en buigingen met de hand op het hart, maar hoe het dan verder moet weet hij niet. Minziek besnuffelt hij haar, streelt haar met zijn snorharen, en declameert gedichten (van Leopold).

We blijven nog even proefondervindelijk bezig want schrijfster Henriette Jelinek begint een etnografisch experiment met een Griek met vet glanzend haar en mollige vingers vol ringen. Zij geeft hem in alles zijn zin, maar houdt hem emotioneel op afstand. Ze spreekt alleen om te antwoorden. Uiteindelijk is het resultaat dat hij niets liever wil dan haar affectie en het resultaat is dat de lezer, wellicht tegen de bedoeling van de schrijfster in, medelijden met de Griek krijgt. Kousbroek prikt er fijnzinnig doorheen met zijn opmerking dat Jelinek wel weet wat zij doet, zij heeft psychologie gestudeerd.

Het boek van 143 pagina’s is verdeeld in een aantal onderwerpen waar dan steeds een paar hoofdstukken onder vallen. Het zijn onderwerpen als Onderdanen, Verdraagzaamheid, Verdwijningen, Media, Natuur of cultuur en Het dier met drie ruggen. Bij Verdwijningen gaat het onder meer om zaken die in de jaren zestig niet meer gezien werden, zoals trams met open balcons, speelgoed van hout en blik, negentiende-eeuwse liften op waterkracht en stoomlocomotieven. Hij vond een peignoir, maar als nieuw, nog in de verpakking. Iets van 75 jaar geleden maar dat niet de gedaante heeft van antiek. Dat leidt tot interessante gedachten;

…met een ongebruikt voorwerp in de oorspronkelijke, zij het enigzins verkleurde en stoffige, verpakking, is er helemaal geen kwestie van tijd die ergens gebleven is…Het voorwerp heeft letterlijk geen geschiedenis. De negentiende eeuw is een stap weg, om de hoek.

Als Kousbroek het over de media heeft ontkomt hij niet aan vergelijkingen met Frankrijk, waar hij jarenlang woonde. Vooral kinderprogramma’s moeten het daarbij ontgelden;

Aan kinderprogramma’s wordt hier tot mijn grote verbazing nog veel minder tijd besteed, en het bestaande  – bv. Pipo de Clown – overtreft niet alleen het Franse equivalent in imbeciliteit, het heeft daarbij ook nog een eigen specifieke erbarmelijkheid waar men niet met woede op reageert, maar met schaamte – iets als bij het zien van armoedige oude mensen in ondergoed.

Aan meningen nooit gebrek bij Kousbroek. Sommigen stukjes zouden wellicht in deze overgevoelige tijden niet meer zo geschreven kunnen worden, zoals zijn stuk over een zekere groep Austraalnegers (of de Tully River blacks) waarvan gedacht wordt dat deze groep in onwetendheid verkeert omtrent de relatie tussen copulatie en bevruchting. Iets dat nader onderzoek vereist natuurlijk.

Het laatste onderwerp Het dier met drie ruggen gaat over het bezoek van Kousbroek aan de eerste sex-beurs ter wereld, gehouden in Kopenhagen van 21 tot 26 oktober 1969. Uiteraard geeft hij hier zijn eigen draai aan en trekt de vergelijking met een jaarbeurs voor electriciteit;

Stekkers, in alle standen en formaten. Nooit geweten dat er zoveel verschillende modellen bestonden, grote en kleine, rechte en kromme, dikke en dunne, gladde en rimpelige. Close-ups van een stekker met stopcontact. Van twee stekkers met één stopcontact. Van drie met één stopcontact. Of met twee stopcontacten.

Zo kan je nog even doorgaan natuurlijk, maar gelukkig is er meer en doet Kousbroek zelf zijn waarnemingen. Hem viel iets op toen hij zijn hotelkamer binnenkwam en zijn oog viel op de deur-terugstoter. U weet wel, dat voorwerp, dat tot doel heeft om te beletten dat deur of muur beschadigd worden. Het had ongeveer de vorm van een zoutstrooier, met een rubberen knop aan het eind;

Ik zweer het, ik verzin het niet, gedurende enkele onderdelen van een seconde zag ik duidelijk aan de basis van dit voorwerp donker kroezend haar zitten. Een hallucinatie! Een van de uitwerkingen van de pornografie, dat is nu empirisch bewezen, is bewustzijnsverruiming!

Waarbij de citaten maar weer aangeven dat de stukken best gedateerd zijn maar stuk voor stuk nog vermakelijk om te lezen.