archiveren

Essays

6916a4a52c225e559366c465251444341587343
Jeroen Brouwers bedacht ooit dat er te weinig literaire tijdschriften waren en besloot toen om er zelf maar één op te richten. Dat werd Feuilletons, uitsluitend bedoeld voor nieuw werk van eigen hand. Er werd een uitgeverij bedacht, ‘Noli me tangere’ in Zutendaal, zijn toenmalige woonplaats en het eerste deel werd gevuld met aantekeningen, polemieken en een paar artikelen.

Ruim honderd pagina’s, maar je bent er zo doorheen, alleen al omdat de eerste 50 pagina’s “Journalen” gezet zijn in een absurd groot lettertype. Die Journalen vond ik meteen het minst boeiend. Wat gedachten over hoe Utopia eruit ziet (hij komt toch uit op zes planken) en een dagboekfragment met een aardig verhaal over de vergeten schrijver en journalist Henri van Wermeskerken.

Het tweede deel is interessanter. Hier gaat Brouwers in op Willem Elsschot en zijn biograaf, de Belg Jean Surmont. Deze laatste krijgt het aardig uitgemeten van Brouwers;

Het als ‘biografie’ gepresenteerde werk…had ook de ondertitel ‘Tussen lulkoek en larie’ kunnen meekrijgen…Het werkstuk van Surmont kon niet lamlendiger, kon niet slordiger, kon niet slechter. Qua Elsschotkunde vertegenwoordigt het zoveel als wind die door dorre bladeren woelt: er staat in het boek niet één mededeling die iedere Elsschotofiel niet al jaren eerder heeft gehoord…

Daar kan Surmont het mee doen. Brouwers gaat ook in op de aparte nationalistische trekjes van Willem Elsschot. Waarom schreef hij een gedicht op de foute en gefusilleerde August Borms? Ook Louis Paul Boon kwam er niet uit. Verder krijgt ook Rudy Kousbroek er van langs in dit tijdschrift. Brouwers is getergd en staat duidelijk niet boven de materie, maar goed, anders hebben we ook geen polemiek natuurlijk.

Ik was geboeid door het verhaal van de mij onbekende Uruguayaanse schrijver en zelfmoordenaar Horacio Quiroga. Die heeft in zijn leven behoorlijk wat voor zijn kiezen gekregen maar schijnt desondanks prachtige verhalen geschreven te hebben met als terugkerend thema de bedreiging van het menselijk bestaan door de natuur. Een voorbeeld;

Een naïeve accountant uit de grote stad Salto, ‘een vreedzame, mollige, blozende jongeman’, trekt opgewekt het oerwoud in, vindt in een boomstam wilde honing en doet zich daar gulzig te goed aan. Het blijkt een moorddadige lekkernij te zijn, die verlamming veroorzaakt. Machteloos neergestort, ziet hij in ‘ultieme angst’ hoe er over de grond iets massaals en zwarts op hem toestroomt…’Om hem heen kleurde de allesverslindende strafexpeditie de grond donker, en de accountant voelde de stroom vleesetende mieren onder zijn lange onderbroek omhoogkruipen.’

Ik heb die verhalen maar besteld en ben benieuwd. Brouwers sluit Feuilletons af met een pleidooi voor het roken en tegen de hypocriete tabakshaat in met name de Verenigde Staten. Van wisselende kwaliteit dus dit éénmanstijdschrift, maar nog altijd boeiend genoeg.

Advertenties

90f23787ad0a076597a4e555767444341587343
Ik vond het tijd worden om eens wat van Rudy Kousbroek te lezen en aangezien ik van essays houd, leken de Anathema’s I een logisch begin. De vragen op de achterkant maakten mij ook nieuwsgierig naar de inhoud: Waarom praten toneelspelers met teveel lucht? Leeft een oude steen langzaam? Is er een relatie tussen het eten van exotische gerechten en het begrijpen van cartoonhumor? Heeft Picasso echt bestaan? Was Swift de uitvinder van de computer?

Bijkomend voordeel is dat deze vragen niet per se tijdgebonden zijn, omdat essays uit de jaren zestig en zeventig gedateerd kunnen zijn en je moet van goede huize komen (Jeroen Brouwers en W.F.H. kunnen dat) willen die nu nog boeien.

Zesentwintig hoofdstukken in 174 pagina’s wisten mij inderdaad te vermaken. Ik moest de betekenis van de titel eerlijk gezegd opzoeken. Een anathema is een aanduiding van een artefact dat in de oudheid door een bezoeker van een heiligdom aan een godheid werd geschonken. Het zal hier meer met de christelijke context te maken hebben; tot zegening of tot vloek.

De essays zelf lezen vlot weg en er worden zowaar antwoorden geformuleerd op bovenstaande vragen, soms het humoristische aanvullingen van commentaren op de essay. Het langzaam leven van die steen gaat over een gedicht van Vasalis (Ik droomde dat ik langzaam leefde…), waar Kousbroek geen liefhebber van is. Hij laat zijn gedachten spelen over tijd, bezien vanuit een steen, een eendagsvlieg en voegt een uitgebreid aanhangsel toe met reacties op zijn essay.

Zij Picasso-verhaal is ook onnavolgbaar. Hij legt de paradoxen bloot van de Picasso-mythe, waarbij de tweede luidt;

…in dezelfde gangbare visie heet kunst te worden geboren uit leed. Het in onze cultuur gangbare model van de kunstenaar…is dat van iemand die aan de rand van waanzin leeft (dichter bij de rand naarmate hij een genialer kunstenaar is), en in de diepste vertwijfeling ‘schoonheid schept.’
Prototype: Vincent van Gogh….
Maar nu komt het: Picasso is geniaal zonder ooit de prijs te hebben betaald die de samenleving daarop heeft gesteld…Als hij nu nog op jeugdige leeftijd en in bittere armoede was gestorven, maar hij is al 85 en zijn fortuin is niet te becijferen.

Tragikomisch is ook het verhaal van de schilder Henri Rousseau. Hij kreeg vaak kritiek op zijn naïeve, kinderlijke zo u wilt, schilderstijl maar had ook bewonderaars in Picasso en Apollinaire. Toch moest hij zich veel laten welgevallen;

Gauguin stuurde Rousseau een vervalste uitnodiging van de president van Frankrijk. Rousseau toog diep getroffen naar het Elysée. Toen hij terugkwam vertelde hij aan Gauguin dat de President zelf had opengedaan, en gezegd had: ‘Jammer dat je in een gewoon pak bent gekomen, Rousseau. Iedereen is hier namelijk in rok, zie je, en ik kan je dus moeilijk binnenlaten. Maar een andere keer graag.’
Om dergelijke reacties was het iedereen te doen…Op een ‘te zijner ere’ aangericht feest werd Rousseau genadeloos voor de gek gehouden en tenslotte in een lege zaal alleengelaten.

Genoeg verhalen dus met een hoog Frans gehalte. Dat is wat mij betreft een aanbeveling en ik heb nog een aantal delen met Anathema’s in het vooruitzicht.

9025435874.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De geheugenhut van Tony Judt is het persoonlijke verhaal van een man die te horen krijgt dat hij lijdt aan de ongeneeslijke neurologische aandoening amyotrofische laterale sclerose (ALS). Het zijn autobiografische bespiegelingen, bijeengebracht en geordend tijdens de lange nachten waarin hij niet kan bewegen, maar wel kan nadenken. 

Waar een geheugenspecialist als Yates met zijn essays een heel geheugenpaleis bouwt, gaat Judt bescheidener te werk. Hij heeft prima herinneringen aan een houten hotel in Zwitserland en brengt zijn persoonlijke verhalen wat hem betreft liever onder in een geheugenhut.

Tony Judt (1948-2010) was een kind van een Belgische vader en Russische moeder. Hij groeide op in Londen en werkte later als docent in Amerika. De essays die hij in dit boek bijeen heeft gebracht, lopen vanaf zijn vroege jeugd tot vlak voor zijn dood. Het zijn stuk voor stuk prachtige, korte verhalen.

Het mooie is dat zijn ziekte geen vehikel is waaraan de verhalen zijn opgehangen, ALS wordt maar sporadisch genoemd. Het is voor Judt vaak een ‘trip down memory lane’, voor mij een blik op een vaak onbekende wereld;

Oost west, thuis best, zeggen ze. Nou, ik weet dat niet zo zeker. Ik heb in het oosten en in het westen gewoond en geen enkele plek laat zich zo makkelijk als de beste bestempelen…Toch is er onder mijn ontwortelde verledens één plek die zich enigszins boven de overige verheft…Van 1952 tot 1958 woonde ons gezin in Putney, een wijk in het zuidwesten van Londen, en ik denk daar met warme gevoelens aan terug.

Op die toer dus en ik heb niet zo veel met Londen, laat staan met Putney, ik heb er toch maar mooi enige tijd met plezier vertoefd. De auto’s van zijn vader (Citroën was favoriet), de Green Line Bus, De Lord Warden waarmee naar het Continent werd gevaren, de Kibboets waar hij werkte, het komt ’s nachts allemaal bij hem terug en hij ordent ze in zijn geheugenhut.

Zo had ik nog nooit van een ‘Bedder’ gehoord, tot nu;

In lijn met een lange traditie hadden de universiteiten van zowel Oxford als Cambridge personeel in dienst met geen andere opdracht dan voor de jonge mannen te zorgen. In Oxford heetten deze mensen ‘scouts’, in Cambridge ‘bedders’.

Een leuk weetje, maar Judt schrijft er een prachtig essay omheen waarin generaties, toekomstperspectief en verschuivende normen en waarden een rol spelen. Zo zijn al zijn essays te lezen. Een reis naar zijn verleden, onbekende oorden voor mij, maar veel meer lagen dan dat; er wordt een tijdsbeeld neergezet.

De jaren zestig, zijn Oost-Europese komaf, zijn werk (variërend van de steenbakkerij tot universitair docent), zijn Joodse geloof tot en met begrippen als de ‘midlifecrisis’ en ‘woorden’ (Ik ben grootgebracht op woorden. Ze vielen van de keukentafel op de grond waar ik zat) worden allemaal samengebald in dit boek van toch maar 223 pagina’s. Dat is knap en Judt hecht zelf ook aan heldere communicatie;

Culturele onzekerheid brengt zijn taalkundige evenknie voort. Hetzelfde geldt voor technische vooruitgang. In een wereld vol Facebook, MySpace en Twitter (om van sms’en nog maar te zwijgen) nemen kernachtige zinswendingen de plaats in van uiteenzettingen. Waar internet ooit een mogelijkheid voor onbeperkte communicatie leek, brengt de steeds nadrukkelijker commerciële inslag van het medium…de eigen verarming voort.

De spijker op zijn kop wat mij betreft. Hij eindigt zijn herinneringen door terug te grijpen op een essay over het reizen per trein en sluit een bijzonder boekje zo op prachtige wijze af.

Vertaling; Wybrand Scheffer

a43d8d7772bcb9b593730615851437641414141
Ik ben een onverbeterlijke liefhebber van literatuur, essays en autobiografisch werk. Eén van onze grootste schrijvers op dat vlak is Karel van het Reve. Toen ik zijn verzameld werk voor een vriendenprijsje kon aanschaffen twijfelde ik niet en begon direct aan Verzameld werk I. Dit deel is een bundeling van jeugdwerk, autobiografische stukken, diverse artikelen uit de periode 1932-1958, de studie Sovjet-annexatie der klassieken en een autobiografische schets van de auteur door zijn vriend Robert van Amerongen.

Een kleine 800 pagina’s aan leeswerk en ik heb mij geen moment verveeld. Zijn jeugdwerk is fris en verrassend goed geschreven. Het gaat om artikelen voor de kinderkrant De Tribune of over zijn jeugd in Betondorp. Het geeft al een aardig kijkje op de jonge communist die Karel op dat moment is;

In vele opzichten leek de Brigade op een Russische kindergroep. Zij ontleende niet alleen haar naam, maar ook veel van haar repertoire, haar muziek, haar tendens, aan de Russische kinderbeweging…Het bestaan van een kindertheater alleen al -het enige in West-Europa waarschijnlijk- was iets Russisch. Er heerste een democratische sfeer, die ik vergeefs in andere kinderorganisaties gezocht heb.

Daar werd al de kiem gelegd voor zijn latere interesse voor Rusland, de Russische literatuur en de taal. Dat gaat als een rode draad door het boek heen. Erg lezenswaardig is zijn studie Sovjet-annexatie der klassieken. In het kort gaat dat over de houding die het marxisme volgens zijn aanhangers dient aan te nemen tegen de kunst van het verleden. Daar is genoeg over te vertellen en Reve doet dat in een goede 130 pagina’s.

Toch heb ik het meest genoten van de kortere essays en besprekingen. De complete Russische literatuur komt voorbij, van Gorki en Oblomov tot Gogol en Tsjechov. Vergelijkingen tussen Heinrich Heine en Poesjkin, Thomas Mann over Tsjechov, Leskov afgezet tegen Tolstoj. Over die laatste zegt Reve bijvoorbeeld;

Leskov treedt zichzelf terug, en laat de Rus spreken. Het resultaat daarvan is voor ieder die Russisch leest, een openbaring. Het lijkt wel of men bij Leskov voor het eerst kennis maakt met de Russische taal; men beseft plotseling dat Poesjkin, Toergenjev en Tolstoj in een soort gerussificeerd Frans schreven. Zij schreven glashelder, geniaal, meeslepend, maar zij schreven geen Russisch.

Om maar even een statement te maken. Reve heeft zelf ook vertaald voor Uitgeverij Van Oorschot en ook daar heeft hij uiteraard een mening over;

Hebt u wel eens een boek van zevenhonderd bladzijden uit het Russisch in het Nederlands vertaald? Ja? Dan hoeven wij elkaar niets te vertellen. Nee? Dan moet ik u ten sterkste afraden er ooit aan te beginnen…Het is moeilijk. U denkt misschien dat u Russisch kent. Dat dacht ik vroeger ook. Maar zelfs als het waar is, hebt u daar niet veel aan. Al begrijpt u wat er staat, daarom kunt u er nog geen Hollands van maken. Een paar bekende voorbeelden: u weet misschien hoe uw grootmoeder u over haar brilleglazen aankijkt? Neem haar die bril nu eens af. Hoe zoudt u die manier van kijken nu noemen? De Russen hebben er een woord voor, wij niet. Zij noemen het ‘van-onder-voorhoofd’. Hoe wilt u dat vertalen?

Tenslotte zijn er nog de essays en toelichtingen over het marxisme, communisme, Lenin, Stalin en het hele politieke spectrum in de Oostelijke regio. Reve geeft een fascinerende inkijk in de politieke arena van die tijd.

Het zijn mooie verhalen in een prachtige, zevendelige editie. Het gaat om Verzameld Werk en niet het complete werk; gedichten ontbreken bijvoorbeeld omdat dit niet Reve’s forte was. Doublures zijn er ook uitgelaten evenals enkele onvoltooide teksten. Er is een uitgebreid notenapparaat en de uitgaven zien er zeer verzorgd uit. Deel II volgt vanzelf een keer.

 

 

65961ee4cfb4eb85976486f6a77437641414141
T
oen ik bij mede-blogger Bibliofilos het boek Afgronden, Verontrustende literatuur uit de Romantiek van Anton Haakman tegenkwam, was ik direct geïntrigeerd. Het is een combinatie van een aantal essays en een bloemlezing over zogenaamde ‘fantastische’ literatuur uit de Romantiek. Niet te verwarren met sprookjes dus. Dit gaat over de gothic novel, ‘mooie gruwelen’, zwarte kunst en het fenomeen van de dubbelganger of ‘bleke metgezel’. Als ik dan de namen op de kaft zie prijken van Poe, Verne, Hoffmann en Dickens, dan weet ik het al; het boek moet gelezen.

Dat was een feestje. In de essays wordt keurig geduid waar de stijlen hun oorsprong vinden en wordt gezocht naar een definitie van de ‘fantastische’ literatuur. Dat blijkt nog niet zo makkelijk. Waar de Franse auteur Roger Caillois doodleuk zegt dat zijn persoonlijke smaak die definitie bepaalt, komt de auteur tot een nadere definitie, die mij zinvoller lijkt;

In engere, vooral negentiende-eeuwse zin gaat het om een fictie van het onverklaarbare of onverklaarde die realistisch aandoet, op de rand van de geloofwaardigheid balanceert en de volwassen, min of meer kritische lezer op zijn zwakste punt wil treffen – zijn angsten.

Met deze definitie worden in één klap de grote boze wolven en peperkoeken huisjes gediskwalificeerd en kunnen we ons met een gerust hart overgeven aan duivels, vampieren en geesten. Daar ontbreekt het dan ook niet aan in dit boek. Leef mee met zeeman Elis die zijn einde vindt in de mijnen van Falun, een verhaal van de Duitse E.T.A. Hoffmann. Jules Verne schreef over Zacharias de Klokkenmaker, die mee moet maken dat al zijn klokken stil blijven staan, behalve die ene, waarnaar hij op zoek gaat. Wat een prachtverhaal. Of reis mee met Peter Rugg, die als een soort Vliegende Hollander rusteloos met zijn sjees over de Amerikaanse wegen rijdt, altijd met zijn dochtertje op zoek naar Boston. Ook een prachtverhaal, van William Austin. Klassiek is natuurlijk het huis waar het spookt. Edward Bulwer Lytton schreef er een verhaal over, De Bezoekers. Een nuchter heerschap wil wel eens een nacht doorbrengen in een huis waar niemand het meer dan twee nachten uit heeft gehouden. Hij meent dit wel aan te kunnen en heeft een theorie;

Welnu, mijn theorie is, dat het Bovennatuurlijke het Onmogelijke is, en dat wat wij bovennatuurlijk noemen, slechts iets in de natuurwetten is waar wij tot nu toe onkundig van zijn. Als er dus een geest voor mij verschijnt, heb ik niet het recht om te zeggen:’Het bovennatuurlijke bestaat dus’, maar veeleer: ‘In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen valt de verschijning van een geest dus binnen de natuurwetten, dat wil zeggen, is niet bovennatuurlijk.’

Het nuchtere heertje krijgt meer dan zijn portie thuis, maar ik vind het een prachtredenatie. Zelfs Montaigne had het hier al over in zijn essays (vraag even niet welke…); wellicht is er veel meer om ons heen dan wij überhaupt kunnen waarnemen. De wind, elektriciteit, straling, we zien het allemaal niet maar het is er wel, dan kan dit net zo goed opgaan voor geesten, nietwaar?

Wat hebben al die verhalen gemeen in dit boek? Overal manifesteren zich machten uit de onderwereld of uit een schimmenrijk. Fantastische literatuur is de literatuur van de schaduw, van de keerzijde. In de verhalen krijgen onze oerangsten gestalte. Het gaat over ongrijpbare tegenstanders die we niet begrijpen. Als ik terugdenk aan dit boek en de verhalen de revue laat passeren blijft de Seinwachter van Charles Dickens hangen. De plichtsgetrouwe man die de signalen van de donkere figuur niet begreep op de berg. Natuurlijk loopt dat slecht af. Dat hoort zo in dit boek.

9025367836.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De essays van Michel de Montaigne. Dan heb je ze ineens alle 107 gelezen, 1377 pagina’s achter elkaar. Waarvan wordt gezegd dat je ze niet allemaal achter elkaar moet lezen. Wat ik natuurlijk wel heb gedaan. Wat mij overigens uitstekend is bevallen, ik heb mij geen moment verveeld.

Montaigne trok zich in 1570 terug uit het openbare leven om de “Klassieken” te gaan bestuderen en om zijn gedachten op papier te zetten. Aanvankelijk in korte geschriften, later in veel langere betogen. De onderwerpen gaan vaak over persoonlijke ervaringen en algemeen bekende gemoedstoestanden, zoals de titels laten zien; ‘Over droefheid’, ‘Over de ijdelheid’ en ‘Over de vriendschap’ zijn wat voorbeelden. Hij geeft zelf aan hoe hij te werk gaat:

Hoe grote nonsens ik ook te berde breng, ik ben niet van plan die te verbergen…Want ook wat ik nu schrijf zijn míjn gevoelens en meningen. Ik breng ze naar voren als wat ík geloof, niet als wat men geloven moet. Het gaat er mij alleen om hier mijn eigen ik te ontdekken, dat er morgen misschien anders uitziet, als ik verander met het nieuwe dat ik leer.

Als ik nadenk over waarom mij dit boek zo goed is bevallen, dan is dat ten eerste omdat het een prachtige inkijk in de 16e eeuw verschaft. Amerika is net ontdekt en de gruwelen van de ‘conquistadores’ in Zuid- en Midden-Amerika zijn dan al doorgedrongen tot Europa. De ‘Decamerone’ wordt gezien als moderne literatuur en Copernicus en Galileï poneren boude stellingen over de plaats van de aarde in het heelal. Er gebeuren dingen. Ten tweede is het de vertelwijze. Alsof hij je een persoonlijk verhaal zit te vertellen en feitelijk doet hij dat ook. Hij geeft het zelfs aan in zijn voorwoord, het boek is bestemd voor vrienden en verwanten. Voilà, ik behoor ineens tot zijn ‘inner circle’.

Verder is hij redelijk no-nonsense en ook dat bevalt. Hij hekelt de heksenprocessen van zijn tijd met woorden zoals wij er nu tegenaan kijken;

wat is er met het verstand van een rechter aan de hand dat hij op grond van andermans verklaringen gelooft dat iemand in staat is op een bezemsteel uit de schoorsteenpijp weg te vliegen?

Geen alcohol schenken aan kinderen voor hun zestiende of achttiende levensjaar, geeft hij aan. We hebben het er in onze tijd nog over. Waarom worden de dingen door wijsgeren met opzet zo moeilijk gezegd? Meer cachet geven aan loze materie, vertelt hij. Als hij voor zijn nierstenen rattenkeutels voorgeschreven krijgt schuift hij dit terzijde.  Hij gaat voor degelijke wetenschap en anders niets. Ook zijn eigen tekortkomingen schuwt hij niet;

Ik persoonlijk vind elk antwoord uitstekend, als het maar ter zake is. Maar als de discussie warrig en ordeloos verloopt, verlies ik de draad en klamp mij nurks en ongenuanceerd vast aan de uiterlijke vorm en begin schamper en verbeten te disputeren, zó bedillerig dat ik er later het schaamrood van op mijn kaken krijg.

Het zijn 107 essays met een veelheid aan onderwerpen. Wel gelardeerd met een niet-aflatende stroom aan voorbeelden en anekdotes. Uit zijn eigen leven, maar vaak ontleend aan de “Klassieken”. Het leest geweldig en de vertaler heeft hier ook de hand in. Ik weet niet wat er in het origineel heeft gestaan, maar ik kom woorden tegen als “moeders pappot”, “hineininterpretiert’, “zielenpiet” en “haastje-repje” en het lijken de enige juiste woorden.

Vertaling; Hans van Pinxteren

9461640412.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik had de Essays van Montaigne al een tijd in de kast liggen, maar het leek me goed eerst wat over de man zelf te lezen voor ik mij op zijn werk stort. Daarvoor is het boek van Sarah Bakewell uitstekend geschikt. Hoe te leven is een biografie van Michel Eyquem de Montaigne (1533-1592). Aan de hand van die ene vraag Hoe te leven? wordt in twintig pogingen tot een antwoord het leven van Montaigne geschetst. Dat is een originele manier en voorkomt een droge opsomming van feitenmateriaal.

Even in vogelvlucht. Montaigne komt na zijn studie (waarschijnlijk rechten) te werken bij het parlement van Bordeaux. Hij trouwt met Françoise de la Chassaigne. Als zijn vader sterft erft hij een groot landgoed, hij was niet onbemiddeld. Uiteindelijk legt hij zijn werk in Bordeaux neer om zich terug te trekken op zijn landgoed. Hier ontstaan de eerste essays. Hij gaat op reis door Europa maar wordt teruggeroepen om burgemeester van Bordeaux te worden. Hij en zijn vrouw krijgen een aantal kinderen van wie maar één dochter blijft leven. De pest heerst en gedurende zijn leven woeden er verschillende burgeroorlogen. Uiteindelijk sterft hij aan de complicaties van nierstenen, waarschijnlijk door verstikking vanwege een keelinfectie.

Terug naar de vraag Hoe te leven? Die vraag staat centraal en luidt nadrukkelijk niet Hoe horen we te leven? In zijn honderdzeven essays stelt Montaigne zich talloze vragen en houdt zich bezig met wat mensen doen en wat hij ziet. Niet met wat men hoort te doen of wat men beter na kan laten. Hij observeert, mijmert en bespiegelt.

Het eerste hoofdstuk trapt al lekker af met de titel Maak je geen zorgen om de dood. Omdat Montaigne door een ongeluk zelf bijna het leven liet, is hij ervaringsdeskundige en dat heeft hij ook beschreven in zijn werk. De titel is meteen het meest fundamentele antwoord op de vraag hoe te leven. Leef en laat het je overkomen. Hij maakt hierbij gebruik van wat trucs uit de filosofische stromen van het stoïcisme, het epicurisme en het scepticisme. Vooral van die laatste werden zijn critici nogal eens horendol. Uitgangspunt is dat je niets zeker weet en dat laat hij onbekommerd doorschemeren in zijn essays;

…het scepticisme leidde hem bij zijn werk, zijn huiselijke leven en zijn schrijven. De Essays zijn ervan doordrenkt: de bladzijden staan vol van woorden als ‘misschien’, ‘enigszins’, ‘ik geloof’, ‘het komt me voor’ enzovoort – woorden die, zoals Montaigne zelf zei, ‘de boudheid van onze beweringen temperen en verzachten’ en die belichamen wat de criticus Hugo Friedrich zijn filosofie van ‘pretentieloosheid’ heeft genoemd.

De Essays zijn populair in zijn tijd maar de wereld is in beweging en ze komen op de zwarte lijst. Waar Montaigne altijd trouw is gebleven aan het katholieke geloof, daar vond de kerk dat er toch wat teveel vragen werden gesteld en teveel werd getwijfeld, dus zijn geschriften gingen in de ban.

Het redactiewerk is ook een punt van aandacht. Montaigne had een soort van aangenomen “literaire” dochter, Marie de Gournay. Zij redigeerde zijn essays na zijn dood en die golden driehonderd jaar lang als de standaard. Tot er in Bordeaux een ander exemplaar opdook die behoorlijk afweek van wat Marie produceerde. Of Marie is niet zo’n goede redactrice, of zij heeft een ander exemplaar van Montaigne gehad en de versie uit Bordeaux is verouderd. Hier is het laatste nog niet over gezegd, zoals de auteur zegt;

Wat er ook gebeurt, dit is waarschijnlijk niet het einde van het verhaal. Discussies zullen worden voortgezet, al is het maar over de plaatsing van de komma’s…In feite zullen we van de Essays nooit kunnen zeggen wanneer ze echt voltooid zijn. De man Montaigne mag zijn laarzen hebben opgeborgen en zijn ganzenveer hebben neergelegd, maar zolang zijn lezers en redacteuren nog bekvechten over zijn werk, heeft de auteur Montaigne de laatste punt achter de laatste bladzijde nog steeds niet gezet.

Het is een haast onmisbaar boek voor wie aan de Essays wil beginnen. Ik vind het prettig om te weten dat de titels de lading niet altijd dekken, dat hij onbekommerd zijn gedachten alle kanten uit laat waaieren, terwijl hij zelf altijd het onderwerp zegt vast te houden. De achtergrond van het opschorten van een oordeel, wat bij anderen wrevel kan opwekken, is nu bekend. Verder komt de kerel nog sympathiek over ook, dus ik heb er verdorie zin in!

Lees hier de bespreking van Anna en van Joke

Vertaling; Dick Lagrand en Marjolijn Stoltenkamp