archiveren

Natuurwetenschap

a61142a7034224359326b695551437641414141
De roman Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq maakte nogal wat reacties los bij het verschijnen ervan. De auteur werd beschuldigd van vrouwenhaat, racisme, pornografie en homofobie. Als je dat met goed 300 pagina’s voor elkaar krijgt heb je in ieder geval wat bereikt.

Het is het verhaal van de halfbroers Michel en Bruno. Michel is slim en wordt een briljant moleculair bioloog. Bruno is een losbol en ontwikkelt zich tot een aan sex verslaafde genotzoeker. Michel zou succes bij de dames kunnen hebben maar toont geen belangstelling. Bruno wil graag succes bij de dames maar is veroordeeld tot peepshows en prostituees. Zijn leven in een notendop:

Terwijl hij zijn screwdriver opdronk, merkte Bruno dat Karim erin was geslaagd de rozenkruiserin op een helling in het gras te krijgen…’Ze doet toch mooi wel haar beentjes wijd, die nazi-snol…’ dacht hij, terwijl hij bij de dansers wegliep. Net voordat hij de lichtcirkel verliet, zag hij in een flits hoe het katholieke meisje haar kont liet betasten door een soort van skileraar. Hij had in zijn tent nog een blik ravioli staan.

De taal en de sex in het boek zijn onverbloemd. Aan de kant van Michel wordt een andere taal gesproken. Hier worden de teksten gelardeerd met kleine biologische colleges die laten zien dat Houellebecq zijn huiswerk heeft gedaan (hij is zelf afgestudeerd landbouwingenieur). Michel houdt zich bezig met de bouwstenen van het leven en hoe die naar zijn hand te zetten. Hij schrijft er een belangrijk werk over waar andere geleerden verder mee kunnen. Michel verdwijnt uiteindelijk spoorloos, Bruno eindigt in een inrichting.

Dat werk van Michel, dat heeft te maken met de visie van Houellebecq op de mensheid (althans, in deze roman). Eigenlijk deugt daar niets van. Hij bouwt voort op het boek Brave new world van Aldous Huxley, waarin verschillende typen mensen in reageerbuizen worden gekweekt. In Houellebecq’s roman moet de mensheid eigenlijk verdwijnen. – Spoileralert! – Dat komt ook uit, want aan het eind van het verhaal blijkt er sprake van een alwetende verteller die een kloon is van het soort, bedacht door Michel. Het is een mooie passage in het boek:

Er bestaat nog altijd een aantal mensen van het oude ras…Hun vruchtbaarheidscijfer daalt echter elk jaar, en het lijkt nu onvermijdelijk dat ze zullen uitsterven. Tegen alle pessimistische verwachtingen geschiedt die uitsterving heel rustig…Het is zelfs verbazingwekkend te zien hoe kalm, gelaten, en heimelijk misschien wel opgelucht, de mensen hebben ingestemd met hun eigen verdwijning.

Het is geen vrolijk verhaal, zelfs pessimistisch. Toch heb ik wel genoten van die mix van rauwe wellust enerzijds en kille wetenschap anderzijds, met zijn beklemmende einde. Het leest als een aanklacht tegen de hedendaagse maatschappij met zijn consumentisme en het kan nooit kwaad de boel eens flink op te schudden. Brave new world ga ik herlezen.

Vertaling: Martin de Haan

Advertenties

9025442420.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Orfeo van Richard Powers gaat over de gepensioneerde avant-garde componist Peter Els. Jarenlang heeft hij getracht zijn composities aan de man te brengen, zonder veel succes. Op latere leeftijd, als men al klanken aan DNA heeft weten te onttrekken, gaat Els op zoek naar het omgekeerde. Hij wil melodieën in het DNA vervlechten. Daarvoor schaft hij zich een privé-laboratorium aan en gaat experimenteren.

Maar…Els leeft in de Verenigde Staten van na 9/11 en vindt al snel de Homeland Security op zijn stoep. Die houden niet van mensen die hobbyen met bacterieculturen. Zo ontstaat een fascinerende roadmovie van een componist op leeftijd, op de vlucht voor justitie. Dit verhaal wordt gelardeerd met flashbacks over het leven van Els. Zijn jeugd, waarin hij zich bezighield met muziek en scheikunde, een vroege vriendin, zijn eerste werken en vriendschap met de maniakale kunstenaar Richard Bonner. Met de laatste zou hij enig succes oogsten door een opera voor hem te schrijven. Zijn huwelijk, zijn dochter en zijn scheiding. Het leven van een einzelgänger die stoïcijns zijn lastige muziek blijft schrijven.

Het lijkt niet erg opzienbarend, maar ik vond het een prachtig boek. Powers schijnt een voorliefde te hebben om in zijn romans muziek met wetenschap te combineren en dat is hier voortreffelijk gelukt. Hij schrijft het allemaal in een erg mooie stijl op ook. Over zijn worsteling met de modernere muziek:

Heimelijk keerde hij terug naar het uitgeputte vocabulaire van de oude meesters. Hij zocht naar gemiste aanwijzingen en probeerde uit te vinden hoe ze het ooit hadden klaargespeeld de ingewanden samen te knijpen en de menselijke ziel, of wat daarvoor doorging, te laten volstromen. Ergens geloofde hij nog steeds dat de betovering alleen maar kon worden hersteld door achteruit de toekomst binnen te wandelen.

Het verhaal beschrijft uitgebreid klassieke stukken van bijvoorbeeld Mahler, Shostakovich en Harry Partch. Je zoekt de muziek er automatisch bij, ik heb weer veel bijgeleerd. Ik heb veel aantekeningen gemaakt van mooie zinsnedes of vondsten. Zoals de terugkerende mantra van Bonner “je moet ziggen als ze denken dat je gaat zaggen”. Het “componeren voor niemand”, omdat hij geen succes heeft én omdat zijn muziek misschien wel voor altijd onhoorbaar in het DNA besloten blijft. Er zit een prettig soort logica in.

Hij twittert hoe hij zijn muziek de ruimte gaf. Over hoe ze zich overal verspreidt, in de lucht om je heen, in de voegen tussen je badkamertegels. Misschien adem je het op dit moment wel in, een lied dat je nooit zal kunnen horen.

Hoewel er soms wat muziektechnische termen in staan die niet iedereen direct zal kunnen plaatsen, zorgt de mix van wetenschap, muziek en de vlucht van Els gewoon voor een erg mooi boek.

Vertaling: Rob van Essen

Dit stuk speelt een rol in het boek en wordt uitgebreid beschreven, evenals het instrumentarium

9046803252.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Laat ik er maar voor uitkomen. Ik houd van vogels. Toen ik het boek Vogels van formaat van Reinjan Mulder tegenkwam moest het gelezen. Het gaat over het duurste boek ter wereld, met handgetekende vogels. Ik heb al honderd jaar het onvolprezen Zien is kennen in de kast staan, ook met handgetekende vogels, maar da’s toch anders.

Het boek telt maar 57 pagina’s en veel foto’s en toch is er veel over te vertellen. Het begint allemaal in het Teylers Museum in Haarlem, in 1833. Martinus van Marum, directeur, krijgt bezoek van de zoon van John James Audubon. Zoon is op zoek naar intekenaars voor een projectje van zijn vader, namelijk om alle vogels van Noordelijk Amerika op ware grootte weer te geven in een aantal boeken. Van Marum is enthousiast en is niet bang om een groot deel van zijn budget uit te geven als hij dat nodig acht. Dat doet hij en dat blijkt uiterst zinvol.

Audubon werd geboren op Haïti uit een Frans dienstmeisje en een gegoede Fransman. In Amerika kwam hij een vogelkenner tegen en als tekenaar zag hij mogelijkheden. Het project was geboren. Hij reist het hele land door om zoveel mogelijk vogels af te kunnen beelden. Dat is niet te onderschatten, want er waren in die tijd delen waar nog geen blanke was geweest. Hij voelde zich dan ook woudloper en Amerikaan pur sang.

Zijn kunst dan. Anders dan zijn voorgangers beeldde Audubon zijn vogels af in hun natuurlijke omgeving, in plaats van tegen een neutrale achtergrond. De tekeningen zitten dan ook vol details, zoals de langpootmug die opgejaagd wordt, de bessen die worden verschalkt enzovoort. Ik zat mij net te bedenken dat ik de tekeningen af en toe wat dik aangezet vond, toen dat direct bevestigd werd door Audubon zelf:

‘De posities’ schrijft Audubon, ‘waarin ik vogels afbeeld, lijken soms misschien een beetje overdreven, maar daar kan alleen iemand over vallen die niet vertrouwd is met de gevederde stammen, want geloof me, niets kan veranderlijker zijn dan de houding en posities van vogels. De reiger die zichzelf opwarmt in de zon, kan zijn vleugels soms een heel stuk laten zakken, alsof ze los zitten.’

Ik zeeg gerustgesteld weer achterover, want eigenlijk vind ik de tekeningen schitterend. Nog een klein stukje dan:

Wanneer Audubon twee mezen afbeeldt, is dat niet zomaar een mannetjesmees en een vrouwtjesmees, nee, hij laat een echtpaar zien, een man en zijn vrouw, met hun getut en al het lief en leed dat zij samen delen. Niets menselijks is zijn vogels vreemd.

Toch werd het boek weinig verkocht. Mensen haakten af, moesten lang wachten of vonden het te duur. Naast het Teylers Museum was er in die tijd nog maar één Europese intekenaar, een Italiaanse groothertog. Door die kleine oplage wordt het boek duur. Er zijn 28 exemplaren uit elkaar gehaald, 11 verbrand of vernietigd door oorlog en 14 exemplaren in het niets verdwenen (hier vestig ik al mijn hoop op). In 1973 waren er nog 134 volledige exemplaren bekend, 94 in de V.S. en 17 in Engeland. Inmiddels wordt het aantal complete sets op 119 geschat. Die zeldzaamheid heeft zijn prijs, er is begin 2012 een boek geveild voor bijna $ 8 miljoen.

Was Audubon nog van belang als wetenschapper? De meningen zijn verdeeld. In de V.S. werd hij gezien als een poseur. Zo werd hij tijdens een presentatie fijntjes gewezen op het feit dat een ratelslang, mooi weergegeven door hem, niet in bomen klimt. In Engeland kreeg hij wel erkenning. Toch heeft de man niet veel nieuwe vogels ontdekt. Er staan vogels in het boek die hij nooit in Amerika heeft gezien, maar die hij uit Britse musea heeft nagetekend. Hij heeft vrij veel vogels, die ook nu nog voorkomen in Amerika, over het hoofd gezien. Van de ongeveer duizend soorten heeft hij de helft niet weergegeven. Dat is vrij veel voor iemand met zijn pretenties. Aan de andere kant, er zijn argumenten dat hij van groot belang is geweest voor Darwin en zijn theorie. Het wordt keurig uiteengezet in het boek.

Tegenwoordig bestaat er een National Audubon Society, met meer dan 70 natuurreservaten door Amerika. Dat levert een mooie tegenstrijdigheid op, want bedenk dat Audubon iedere vogel die hij heeft weergegeven eerst geschoten en opgezet heeft, ook de zeldzame soorten als de trompetkraanvogel. Hij heeft eens duizenden goudplevieren op een dag gedood en hij schiet meeuwen:

Het mannetje wordt meteen dodelijk door hem geraakt en stort neer, maar het vrouwtje ontkomt nipt aan de dood. Treurend hipt zij om zijn kwijnende lichaampje heen. Met een tweede schot schiet Audubon dan ook haar maar neer. Vredig naast elkaar geven zij de geest. Vol authentiek aandoende deernis, als een beul die over het lot van zijn gehangenen treurt, schrijft Audubon: ‘Daar, zij aan zij, zoals in het leven zo ook in de dood, daar zweefden de verrukkelijke vogeltjes.’

Het kan verkeren. Op 16 juni 1838 zijn alle delen van het boek verschenen: 435 platen met 1065 vogels. Martinus van Marum heeft het laatste deel niet meer binnen zien komen, maar heeft Nederland een prachtwerk bezorgd.

Een belachelijk lange bespreking eigenlijk. Maar ja. Ik houd van vogels.

audubon1

De vogels op ware grootte

AUD028 John Audubon Plate 102 Blue Jay

De blauwe gaai

c9d15c397532362592f68535341444341587343

De vergankelijkheid is het eerste boek dat ik las van Midas Dekkers. Ik ken deze bioloog van radio en televisie en daar weet hij mij regelmatig te boeien met zijn eigen kijk op de natuur. Ik was benieuwd naar dit boek en heb mij er enorm mee vermaakt..

De Vergankelijkheid gaat natuurlijk over verval. In onze maatschappij draait alles om jong, nieuw en mooi. Op de achterkant staat het mooi omschreven:

Oude mensen doen zich jong voor. Want iedereen wil oud worden, niemand wil het zijn. Na het gelukwensen van de honderdjarige wast de burgemeester zijn handen. Liever opent hij een nieuwbouwwijk…Toch lonkt het verval. Afwaarts is een berg ook mooi. Schilders schilderen ruïnes, toeristen fotograferen tandeloze vissers, Fellini begreep dat de nadagen de mooiste dagen van het oude Rome zijn.

Daar gaat dit boek over. Het is een loflied op het verval. Dekkers neemt ons in 10 hoofdstukken mee langs alle mogelijke soorten van vergangelijkheid. Hij schildert de levensloop van de mens, op weg naar het einde. Hij pleit voor het in stand houden van ruïnes. Niks restaureren, bouw maar nieuw en laat maar weer vervallen. Een restauratie is niet meer gelijk aan het origineel, een ruïne of vergeeld doek wel. Een restauratie is wat wij denken wat het origineel was.

Dekkers voert ons langs de zeven wereldwonderen (allen vervallen op de pyramides na), bespreekt mummies en veenlijken en geeft aan hoe ons lichaam direct na de geboorte begint te vervallen. Hij vertelt onsmakelijk over ons voedsel en wat daarin te vinden is aan micro-organismen. Zo weten wij nu dat wij nooit vers vlees eten, het is al aan het rotten. Als het vlees vers is, is het nog warm, net na de dood. Daarna verstijft het, zij het ook nog redelijk vers. Als wij het eten is de verrotting al lang in gezet. Leeuwen zijn vleeseters, mensen zijn aaseters. Wij zijn weer op onze plek gezet.

Daar staat dit boek vol van. We kijken net weer even anders naar de zaken om ons heen. Zo is iedereen dol op de lente. Een nieuw begin, nieuw leven, niets mooiers dan dat. Dekkers laat ons er even anders naar kijken:

Ieder jaar is het weer hetzelfde liedje: het voorjaar breekt uit…De hele natuur wordt weer van voren af aan opgebouwd. Net een strandtent…De vraag is of dat leuk is. Wie staat er graag op? Een normaal mens draait zich liever nog eens om. Moeder Natuur is een normaal mens. Niet dan met tegezin zet ze zich weer aan het werk…Als een vogel het zelf voor het zeggen had, begon hij er niet aan…Geen veer op hun hoofd vermoedt dat ze over een paar weken als brave huisvaders zullen sloven voor het zelfgemaakte nageslacht…Ben je net uit Afrika terug, beginnen je hormonen op te spelen. Niks rustig even bijkomen. Meteen aan de slag. Shit. Wat wij lente noemen, is niets anders dan de natuur haar ochtendhumeur.

Een onnavolgbaar betoog. Hij strooit met mooie one-liners die het boek vaart geven, zoals ‘De meeste mensen veranderen meer van een halve liter jenever dan van vijftigduizend jaar evolutie” of “In de meeste kerken zitten meer vleermuizen dan gelovigen“.

Het boek is met foto’s geïllusteerd maar er blijft genoeg te lezen over. Dekkers komt af en toe op eerder behandelde thema’s terug in andere bewoordingen, maar met zo’n vlot geschreven boek stoort dat eigenlijk niet. Ik ga vast meer van hem lezen.

7c9b05c6a8e820f5931666a5867444341587343

In zijn voorwoord bij het boek De Naakte Mens vertelt Desmond Morris dat dit boek gaat over het plezier waarmee je naar de wereld kan kijken. Het is een autobiografisch boek wat niet over hemzelf gaat maar wat gaat over zijn observaties. Dat laatste is ten dele waar. Het gaat over alles wat hij observeert, maar het gaat ook wel degelijk over hemzelf.

Te beginnen met zijn jeugd waarin hij onvervaard het veld in trekt om in beekjes, riviertjes, weilanden en bossen allerhande flora en fauna te verzamelen om die te bestuderen. Dat wordt voortgezet in zijn studietijd. Hij mag gaan studeren bij de Nederlandse etholoog Niko Tinbergen en komt in aanraking met de legendarische zoöloog en ornitholoog Konrad Lenz. In vervolg op zijn studie wordt hij gevraagd voor de presentatie van een televisieprogramma over dieren, Zoo Time en wordt daarna hoofd van de Afdeling Zoogdieren in de London Zoo. In die tijd schreef hij zijn beroemde boek The Naked Ape, over het menselijk gedrag, gezien vanuit zoölogisch standpunt.

Dat boek verkocht goed en het stelde Morris in staat om zich met zijn vrouw op Malta te vestigen. Daar wijdde hij zich aan zijn andere passies, schrijven en schilderen. Uiteindelijk keert hij weer terug naar Oxford om wetenschappelijk onderzoek te doen naar het menselijk gedrag in al zijn facetten, variërend van lichaamstaal tot supportersgedrag bij voetbalwedstrijden.

Het bijna 700 pagina’s tellende boek is een aaneenschakeling van (soms hilarische) gebeurtenissen en ontmoetingen in het kader van zijn onderzoekingen en de reizen die hij daarvoor maakt. Om een kleine greep te doen:

– de Japanse troonpretendent Akihito komt bij hem op bezoek in Oxford en staart geïnteresseerd naar het enige lege aquarium in het laboratorium. Of Morris e.e.a. wil toelichten..

– hilarische taferelen bij Zoo Time, variërend van in de lens urinerende leeuwen, en een ontsnapte reuzenschildpad tot een opstandige hagedis en dito python en een bijtende kikker

– Congo, de schilderende chimpansee die het zou schoppen tot goed verkopende artiest

– Een walvis in de rivier en gesteggel over de eigendomsrechten van zijn karkas

– Ontsnapte beren en een tijgerbetaster in de London Zoo

– Ontmoetingen met de paus, Yoko Ono, Sir David Attenborough en Marlon Brando

– Speurtochten naar de zeldzame Filfla-hagedis en de beroemde muurschildering van de vroegst bekende slangenafbeelding in een Franse grot

– Boekencensuur op Malta, onverklaarbare vuurlopers op Fiji, flaters in Japan, onderzoek naar straatbendes in Los Angeles, toast maken boven een vulkaan en ga zo maar door.

Het is een duizelingwekkend aantal gebeurtenissen en ze worden met smaak opgedist. Wat het boek een extra lading geeft, en dit had wel wat meer gemogen naar mijn mening, zijn de observaties en conclusies die eruit worden getrokken. Een voorbeeld is de reactie van de schilderende chimpansee Congo die straf kreeg nadat hij een secretaresse in haar schouder beet:

Michael zag het bloed op Annes schouder, ging naar de kooi, opende de deur en gaf hem een ferme, bestraffende tik op zijn kop. Zijn reactie was uniek. Hij perste zijn lippen op elkaar en negeerde Michael. Michael gaf hem nog een ferme tik, maar hij weigerde koppig om de afstraffing te erkennen…Het was lastig voor mij om zulk gedrag in simpele ethologische termen te verklaren. Strategieën, bedrog, het aanvaarden van straf – dat waren patronen die ik goed genoeg kende uit de menselijke context, maar die ik nooit was tegengekomen in mijn studie van andere dieren…Ik besefte ineens dat er een dier was dat ik op een nieuwe manier kon bestuderen, en ik besloot vanaf dat moment een serieuzere poging te wagen om de werking van apenhersenen te doorgronden.

Een ander fascinerend terrein dat hij onderzocht is de lichaamstaal. Hij begint met de beschrijving van alle gebaren die een mens kan maken en gaat deze vervolgens classificeren. Hij doet wereldwijd onderzoek en laat met voorbeelden zien hoe gebaren anders vertaald kunnen worden. Het “ga weg”-gebaar uit Noord-Europa (handpalm naar beneden, vingers naar voor en naar achter) betekent juist “kom hier” in andere regionen. Dat werd pijnlijk duidelijk toen twee Scandinaviërs tijdens een zwemtocht bij een militaire installatie kwamen op een eiland. De schilwacht wenkte ze dichterbij om wat vragen te stellen met een gebaar dat zij interpreteerden als “ga weg”. Zij zwommen weg en werden doodgeschoten. Een klein verschil in lichaamstaal met grote gevolgen.

Een andere conclusie is dat iedereen leek te denken dat het eigen repertoire aan gebaren alom werd begrepen. Morris:

We kwamen hier een klassiek geval van tegen in Midden-Frankrijk, waar twee lokale vissers naast elkaar op een oever zaten. De vissen beten niet en ze wilden best onze vragen beantwoorden. Toen we ze naar de betekenis van het “ringgebaar” vroegen, waarbij één hand wordt opgestoken en de puntjes van duim en wijsvinger elkaar raken om een rondje te vormen, antwoordden beide vissers zonder enige aarzeling. Tegelijkertijd zei de ene “oké” en de andere “nul”. Ze waren oude vrienden en ze keken elkaar verbijsterd aan. Hoe konden ze zo’n verschillend antwoord geven? Ze begonnen een verhit debat en het was duidelijk dat ze geen van beiden wilden toegeven…Zonder het te beseffen leefden de twee Franse vissers in een ‘overlapzone’, waar één gebaar twee verschillende betekenissen heeft.

Kijk, dat interesseert mij en daar had ik graag wat meer van gezien in dit boek. Waarschijnlijk moet ik daarvoor zijn meer gespecialiseerde boeken induiken en dat zal er nog wel eens van komen. Voor de rest leest dit als een lekkere autobiografische avonturenroman met licht wetenschappelijke toets en daar is niets mis mee.

    congobluepainting[1]

Schilderij van Congo de chimpansee (1957)