archiveren

Natuurwetenschap

9c69d57c0ca22775971315a7567444341587343
Ik ben niet meer bekend met het Insectenrijk dan óf een gerichte mep naar een irritante mug, óf wat ongecontroleerde bewegingen naar geel-zwart vliegend gespuis óf oprechte bewondering voor een mooie vlinder of libelle. Op jonge leeftijd had schrijfster Aglaia Bouma daar ook weinig mee, zeker niet nadat ze in het ziekenhuis belandde na door een hoornaar gestoken te zijn. Vanwege een allergische reactie overleefde ze dat maar net.

Toch wist ze haar fobie, want dat werd het, via gezonde nieuwsgierigheid om te zetten naar een passie voor die kleine wezentjes en dat is best knap. Ze heeft er ook een interessant en uiterst leesbaar boek over geschreven. Dat boek kent een logische opbouw in hoofdstukken die gaan over de flirt, liefde, bevruchting, groei, metamorfose en de ontpopping. Na ruim 230 pagina’s ben je ineens een stuk wijzer.

Want het is nogal wat. Het begint in de flirt al met die aantrekkingskracht en de ‘bruidsvlucht’ van de vliegende mieren. U weet wel, die beesten die het allemaal op dezelfde dag op hun heupen krijgen en je tuin bestormen. Feromonen spelen hier een rol en dat is ook zo bij die mierenpaadjes die u vast wel eens gezien hebt. Ieder hoofdstuk kent interessante zijpaadjes, Bouma geeft keurig aan als we daar op zitten, over de bouw van een insect of wie er nu precies steken of bloed drinken. U hoeft hier geen conclusies aan te verbinden, maar in dit rijk zijn de dames de gemeneriken.

Als u ook zo van krekelgeluiden houdt, of de herrie van de cicaden uit Zuid-Frankrijk u lief is, hierin staat hoe zij dit geluid precies maken. Wespen- en libellenogen zijn heel gevoelig voor beweging en meppen naar een wesp is dus de minst goede optie. Dat blijft wellicht een uitdaging want die had ik al eens geprobeerd; toen landde de wesp op mijn lip.

Om toch maar even bij de wesp te blijven, en dan zijn we al bij de liefde in het boek, daar neemt Bouma het tóch voor op;

‘Limonadewespen’ komen niet pas in augustus uit hun verder ongedefinieerde schuilplaatsen om ons te pesten terwijl we zoete jam op een broodje smeren of een slok bier nemen. Tegen die tijd zit hun leven, of vooral dat van hun kolonie, er juist al bijna op. Het zijn de laatste stuiptrekkingen van een stervende. Zo bezien zouden we ze juist liefdevol moeten vertroetelen. Ze hebben namelijk een zomer lang hard gewerkt, en daar plukken mensen de vruchten van. Letterlijk.

Er staan talloze verhalen in het boek en je valt van de ene verbazing in de andere. Wellicht had u wel eens gehoord bij kannibalisme onder bidsprinkhanen. Maar het gaat verder. De sabelsprinkhaan gaat over tot verkrachting. Maar het gaat verder. De mannelijke bedwants doet aan traumatische inseminatie. Leest u dat maar eens na; toch ook mannelijke gemeneriken in dit rijk. Het is maar een klein voorbeeld van de onvoorstelbare wereld die vaak zo onzichtbaar is maar toch zo dichtbij.

Het is de auteur gelukt mij bewondering bij te brengen voor de strontvlieg. Een vrouwtje paart met meerdere mannen en bewaart hun sperma in meerdere spermathecae (dit kunt u opzoeken in de handzame lijst achterin het boek). Vervolgens kiest ze het zaad van de meest geschikte partner en dus de hoogste kwaliteit. We hebben het nog steeds over een strontvlieg.

Ook de bladluis bekijkt u nooit meer hetzelfde. U weet wel, drommen van die zwarte beestjes op je goeie planten. Wordt het te druk en teveel dringen, dan ontwikkelen ze vleugels om weg te vliegen. Dat kan dus. Ze paren niet en leggen geen eieren, maar planten zich maagdelijk voort. Dat kan dus ook. Het jong dat gebaard wordt, is op haar beurt ook al weer zwanger. Ook dat kan. Bladluizen scheiden een voor mieren lekker goedje af, honingdauw. Mieren beschermen daardoor de bladluizen. Sterker, ze hoeden ze en houden ze bij elkaar. Nog sterker, ze bouwen overkappingen of een afdak voor ze. Je blijft lezen zo.

Het zijn veel verhalen maar de grote lijn van de in het begin beschreven cyclus wordt nergens uit het oog verloren. Bouma gebruikt wetenschappelijke termen maar die worden overal toegelicht of zijn achter in het boek weer terug te vinden. Af en toe neemt ze haar persoonlijke ervaringen in het verhaal mee om haar eigen transformatie kleur te geven, van fobie naar passie.

We weten natuurlijk wel dat er ontzagwekkend veel insecten zijn maar in kort bestek krijg je ineens heel veel mee van die diversiteit. Bouma licht toe hoe insecten onderverdeeld zijn in het dierenrijk en hoe ze gedetermineerd worden. Zo weten we dat bidsprinkhanen geen sprinkhanen zijn, vuurvliegjes geen vliegjes en bladvlooien geen vlooien. Het boek geeft informatie over de ‘muggenwolken’ die we allemaal in onze tuin wel eens zien dansen, over die verfoeide eikenprocessierups en zelfs over het ‘spuugbeestje’ waar Jan Wolkers zo aandoenlijk over vertelde.

Tot slot, ik had geen idee, een verbluffend verhaal over de bij, die ons toch redelijk bekend voorkomt;

Een bij die voedsel heeft gevonden, vliegt eerst een aantal keer heen en weer tussen de bron en het nest…Op een zeker moment besluit ze dat het tijd is om te gaan dansen…Als de voedselbron zich op grotere afstand bevindt, is in het wilde weg rondvliegen op zoek naar de juiste geur minder efficiënt. Dan wordt de waggeldans ingezet. Deze dans geeft een behoorlijk nauwkeurige indicatie van de richting en de afstand van het voedsel ten opzichte van het nest.

Bouma legt het nog verder en duidelijker uit en je kijkt nooit meer hetzelfde naar een bijenkast of -korf. Informatie over voortplanting, voedselinname, hemolymfe in plaats van bloed; er is veel onderzocht en ik bedenk me steeds op wat voor een schaal dit moet zijn gebeurd. Microscopisch klein soms en ik snap de fascinatie van de auteur voor een heel groot deel wel. Ik keek in de tuin ook om mij heen en wilde op internet opzoeken hoe tripsen eruit zagen; om daar te lezen dat er zo’n 7400 soorten bestaan. Een rijk rijk, dat insectenrijk.

9460039324.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als de term ‘wiskunde-‘ of ‘talenknobbel’ u bekend voorkomt, dan is de Duitse arts en hersenonderzoeker Franz Joseph Gall (1758 – 1828) gelukkig nog niet helemaal vergeten. Het zijn termen die voortleven uit zijn werk dat door neuropsycholoog Theo Mulder uitgebreid wordt beschreven in zijn boek De hersenverzamelaar.

Gall was een arts uit Duitsland die in Wenen praktijk hield als huisarts. Daar begon hij zich te verdiepen in de anatomie en werd hij gefascineerd door het grote verschil in aanleg en gedrag tussen mensen. Hij meende dat de oorzaken hiervan in de hersenen te vinden waren en begon met het verzamelen van schedels. Niet van de gemiddelde Wener, maar van genieën, kunstenaars, moordenaars en geesteszieken, kortom; de extremen.

Hij ontwikkelde een leer waarbij de vormverschillen van de hersenen leidend waren voor verschillen in de schedels van mensen. Al naar gelang hersenen veranderden, plooide de schedel zich daaromheen en waren verschillen te ‘bevoelen’ door uitstulpingen en putten in de schedels. Hij ging daarin best ver. Hij voerde mensen wel dronken en liet ruzies ontstaan en begon het gedrag te noteren en hoofden te bevoelen;

Hij aarzelde niet om interessante plekken op de hoofden met verf te markeren.

Langzamerhand ontstond zo zijn schedelleer waarbij men aan het hoofd van de mens het karakter kon aflezen. Met zijn assistent Spurzheim ging Gall lezingen geven die al snel razend populair werden. Niet in het minst omdat hij het show-element niet schuwde, maar ook omdat het behapbare materie was voor het publiek dat niet altijd uit geschoolde academici bestond. Zijn verzamelwoede omtrent schedels nam zulke vormen aan dat hofbibliothecaris Michael Denis expliciet in zijn testament liet opnemen dat zijn schedel niet in de handen van Gall mocht vallen na zijn overlijden; “Mein Kopf geht nicht nach Gall.”

Gall mocht uiteindelijk niet meer optreden in Wenen omdat zijn ideeën te materialistisch zouden zijn. Hij vertrekt naar Berlijn en later naar Amsterdam. Uiteindelijk zou hij in Parijs eindigen, waar hij ook begraven ligt. Uiteraard werd zijn eigen schedel ook onderzocht en die uitslag was opmerkelijk;

De aanwezige deskundigen waren teleurgesteld, want op basis van de hersen-schedelleer was er eigenlijk niet veel opvallends te zien en te voelen aan de schedel van de meester zelf. Het was allemaal wat gewoontjes.

Het boek, en dat is een verdienste, gaat na de dood van Gall nog zo’n 100 pagina’s door. Het behandelt namelijk ook de lotgevallen van zijn assistent Spurzheim, die zijn leer commercieel uitbuitte tot in Amerika aan toe, waar hij ook overleed. Het boek gaat nog verder en laat zien welke navolgers de schedelleer of frenologie kende en hoe dit doorwerkt tot in onze eeuw aan toe.

Maar het belangrijkste is toch Franz Joseph Gall en de duiding van zijn leer. Mulder geeft aan dat het makkelijk is om met de bril van nu hoofdschuddend achterom te kijken en ons af te vragen hoe men in zo’n leer heeft kunnen geloven. Hij zet het verhaal in zijn tijd en laat zien dat Gall als wetenschapper wel degelijk van belang is geweest. Hij was een voortreffelijk anatoom en feitelijk een vroege gedragswetenschapper. Hij beschreef het belang van zenuwbanen en zag als eerste dat hersenen ‘ontstonden’ uit het ruggenmerg. Hij legde het fundament voor de neurowetenschap. Tegelijk viel hij keihard in een methodologische valkuil. Hij was zo overtuigd van zijn eigen leer dat hij wist waarnaar hij zocht en het bijgevolg ook vond. Hij deed geen controleproeven en liet collega’s niet meekijken. Verder nam hij geen leerlingen aan en liet hij geen spoor op schrift achter.

Mulder laat dus prima zien hoe Gall tot zijn leer kwam, wat zijn verdiensten waren en waar hij de mist in ging. De erfenis in de vorm van zijn opvolgers komt ook uitgebreid aan bod, net als de voors en tegens van zijn leer. Zo lezen we over recruteringsbureaus gebaseerd op de frenologie. Er werd serieus gedacht dat mensen op uiterlijke kenmerken geselecteerd konden worden voor bepaalde functies. Op een ander niveau waren er ook schaduwkanten. Er sloop een racistisch wereldbeeld en een westerse superioriteitsgedachte de ideeën over schoonheid en de perfecte schedel binnen.

Het boek is geen dikke biografie, het telt 288 pagina’s. Dat heeft te maken met het feit dat Gall weinig tot niets opgeschreven heeft over zijn persoonlijk leven. Hij was getrouwd en had een zoon, maar leefde gescheiden van hen. Hij schreef wel brieven maar in de regel als hij iets nodig had van iemand. Daarom valt het te prijzen dat zijn biografie is uitgebreid met een goede beschrijving van de tijd waarin hij werkte én de invloed van zijn leer op de wetenschap die na hem kwam.

9045000571.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De wereld zonder ons van journalist Alan Weisman gaat over het volgende;

…stel dat het ergste is gebeurd. De mens is definitief uitgestorven…Kijk om u heen, kijk naar de wereld van nu. Uw huis, uw stad. Het land eromheen, het plaveisel onder uw voeten en de grond eronder. Laat het allemaal daar, maar haal de mensen weg. Hoe zou de rest van de natuur reageren als ze ineens werd verlost van de genadeloze druk die we op haar en op onze medeorganismen uitoefenen? Hoe lang zou het duren voordat het klimaat zou terugkeren naar het punt waar het gebleven was, voordat wij al onze motoren startten?

Intrigerende vragen en er zijn er meer. Zouden er nooit mensen zijn ontstaan, hoe zou het de planeet dan zijn vergaan, of was het onvermijdelijk dat wij ontstonden? Als we verdwenen, zouden wij, of iets dat even complex is, dan opnieuw ontstaan? Dit zijn vragen die mij uitnodigen tot verder lezen en ik vond dit boek een redelijke eye-opener. Goed 300 pagina’s razend interessant leesvoer.

Allereerst begint het redelijk dicht bij huis. Wat gebeurt er met een huis, een gebouw. Het zet uiteen, krimpt en onder de weersinvloeden komen er lekken. Vocht en schimmel zullen het gebouw uiteindelijk onderuit halen. Er kan natuurlijk bliksem inslaan waarbij branden uitbreken. Ik wist niet dat structuren als de grote bruggen in de Verenigde Staten waarschijnlijk heel lang mee zullen gaan wegens de gigantische overconstructie. Die zijn zo degelijk gebouwd dat al het verkeer dat er dagelijks overheen gaat niet meer dan een vlieg op een olifant is…

Onvermijdelijk komt in een boek als dit onze erfenis aan bod. Wat laat de mens na als hij er niet meer is. Ik zei al dat het een eye-opener was en de feiten liegen er niet om. Plastic om te beginnen. Plastic wordt namelijk niet afgebroken. Het wordt kleiner, zeer klein zelfs, maar ieder stukje plastic dat de afgelopen zestig jaar is gefabriceerd op deze wereld is nog steeds aanwezig en bevind zich ergens in het milieu. We hebben het dan over meer dan 1 miljard ton plastic…Toch is expert dr. Anthony Andrady, schrijver van het boek Plastics in the Environment, ‘optimistisch’;

‘Ik weet zeker dat je vele soorten microben zult vinden met genen die geschikt zijn om dit enorm heilzame werk te doen…Het zal honderdduizenden jaren duren voordat de hedendaagse hoeveelheid plastic verteerd is, maar uiteindelijk zal het allemaal biologisch worden afgebroken.’

Maar onze invloed reikt nog verder. Sommigen metalen als lood en chroom blijven griezelig lang bewaard in de bodem. Lood verdwijnt met 35.000 jaar, chroom met 70.000 jaar. Ook een aantal menselijke creaties zullen de tand des tijds aardig doorstaan. Zo is er de Kanaaltunnel. Die wordt beschermd door een verzonken mergelbedding en heeft daardoor de kans om nog miljoenen jaren te blijven bestaan, tot hij door continentverschuiving uiteengerukt of in elkaar geperst wordt. En de portretten van Amerikaanse presidenten op Mount Rushmore, gehouwen uit precambrisch graniet? Die zullen, rekening houdend met de huidige erosie, gerust nog 7,2 miljoen jaar zichtbaar blijven…

Een apart hoofdstuk is onze nucleaire erfenis. Daar ligt een geweldig risico. We zien aan het gebied rondom Tsjernobyl wat een nucleaire nalatenschap kan doen, maar de risico’s voor natuur en milieu zijn met onbemande centrales en opslagplaatsen levensgroot. Onvermijdelijk komt er door brand een enorme hoeveelheid radioactiviteit in de lucht en in nabijgelegen waterlopen. Toch laat het boek ook zien dat de natuur zich hierop ook weer aanpast. Wel bizar om te lezen dat de mens nucleaire opslagplaatsen heeft waar de komende 10.000 jaar zich geen mens mag vertonen…

Als je dit boek leest maakt het je bewust van het feit dat we er nog maar net zijn, als mens. Toen we nog maar één continent hadden, Pangea, is er een vulkanische uitbarsting geweest die zich stormenderhand een weg baande over het continent en 1 miljoen (!) jaar duurde. In combinatie met, waarschijnlijk, een inslag van een asteroïde (vele malen groter dan degene die de dinosauriërs omlegde), verdween toen 95% van het leven op aarde. De curator van de afdeling paleobiologie van het Smithsonian’s National Museum of Natural History, Doug Erwin, hierover;

‘Dat was echt een heel goed idee….Het baande de weg voor het Mesozoïcum. Het Paleozoïcum had al bijna 400 miljoen jaar geduurd. Dat was allemaal prima, maar het was tijd om iets nieuws te proberen.’

Dat maakt meteen duidelijk dat de mens maar een stipje op de tijdlijn van onze aarde is. De mens zal uitsterven, zoals alles tot nu toe, maar het leven zal voortgaan. Het boek staat vol met beschouwingen over de wereld voor én na de mens. Toch zal het zo’n vaart niet lopen. Nick Bostrom, hoofd van het Future of Humanity Institute in Oxford zegt:

‘Geen enkel virus kan ooit de hele wereldbevolking van meer dan 6 miljard mensen wegvagen. Met een sterfte van 99,9 procent zou je altijd nog 650 000 van nature immune overlevenden overhouden. Epidemieën maken een soort in feite sterker. Binnen 50 000 jaar zouden we makkelijk weer terug kunnen zijn op het punt waar we nu zitten.’

Daarover maak ik me dus vooralsnog weinig zorgen. Des te meer om wat we achterlaten in het milieu, want als we toch ineens zouden vertrekken moet moeder aarde een aardig tandje bijzetten. Het lukt haar, dat is zeker.

Vertaling; Peter Diderich

c3bb75eec47489a5976666f6a77444341587343
De onderaardse wereld van Athanasius Kircher van Anton Haakman is een apart boek. Het staat te boek als een roman en zo zal ik hem opnemen, maar heel veel heeft de auteur er niet aan hoeven te verzinnen. Het materiaal werd hem in de schoot geworpen.

Dat zit zo. De auteur heeft lang onderzoek gedaan naar de figuur van Athanasius Kircher (1602-1680). Kircher was een Duitse jezuïet en werd tijdens zijn leven beschouwd als één van de grootste en meest universele geleerden van zijn tijd. Hij zou zo’n achttien talen beheersen en boeken hebben gepubliceerd over talloze onderwerpen, zoals optica, magnetisme, geologie, geheimschrift en Egyptische hiërogliefen. Het onderzoek van Haakman leidde uiteindelijk tot de productie van een film in 1974 over Kircher.

Het verhaal heeft twee kanten. De moderne zoektocht (let wel, jaren zeventig en tachtig) naar de nalatenschap van Kircher en een beschrijving van Kircher in zijn tijd. Je valt van de ene verbazing in de andere, want lijkt bovenstaande al veel, Kircher deed ook nog aan musicologie, mineralogie, taalkunde, biologie, geneeskunde en ontwierp rekenmachines, toverlantaarns, een kattenpiano, een componeermachine, een metaforenmachine enzovoort. Dat alles onder één motto, “Omnia in omnibus” (alles ligt in alles besloten). Dat wil zeggen dat hij overal samenhang zag en dat er een alomvattende kennis was.

Haakman loopt in zijn onderzoek aan tegen twee Kircher-adepten, de Commendatores Beck en Franzl. Zij zijn de oprichters van de “Internationale Athanasius Kircher Forschungsgesellschaft”. Dat klinkt indrukwekkend, maar de club blijkt uiteindelijk twee leden te hebben. Het lijken oplichters en zwendelaars en dan wordt ook de raamvertelling duidelijk die dit boek is, want er zijn parallellen met Kircher zelf. Ook hij wordt later omschreven als fantast, charlatan en oplichter. Haakman schrijft;

Mijn belangstelling voor Kircher was aanvankelijk vooral gewekt doordat het er alle schijn van had dat hij een bezeten fantast was geweest, een grootmeester in de geheime kunst van het bedriegen, een oplichter zo geniaal als alleen een oplichter kan zijn die zijn eigen leugens gelooft, een man die door grootheidswaan en paranoia gestimuleerd werd bij het vinden van verborgen betrekkingen en het ontraadselen van geheimen. Nu werd mijn belangstelling voor het Kircher-genootschap gewekt door een gevoel dat hier misschien twee grootse fantasten Kirchers voetspoor volgden.

Een lang citaat maar hier gaat het om. Was Kircher een fantast? Misschien, maar wellicht ook niet en daar begint ook mijn nieuwsgierigheid naar de man. Vast staat dat hij dacht de Egyptische hiërogliefen te hebben ontcijferd, maar dat hij er naast zat. Hij voorzag zelfs obelisken in Rome met betekenisloze afbeeldingen waar hij zei de ontbrekende hiërogliefen aan te vullen. Echter, achteraf bleek dat zijn studie van het Koptisch de uiteindelijke ontcijferaar Champollion aardig op weg geholpen heeft.  Ook opperde Kircher als eerste dat de pest werd veroorzaakt door onzichtbare organismen en hij nam ook maatregelen om de pest tegen te gaan. Fantast of wetenschapper? Haakman noemt hem geen wetenschapsman maar een interpreteermaniak. Er waren sceptici genoeg;

Niet iedereen geloofde in Kirchers grootheid. Een grappenmaker die André Müller heette, stuurde Kircher vanuit Berlijn een aantal willekeurige krabbels, met de vraag of het soms hiërogliefen waren. Prompt ontving Müller een bevestigend antwoord en een vertaling. Liet Kircher zich beetnemen, of beantwoordde hij een grap met een grap?

Dit vraagstuk wordt knap door het hele boek gewoven. Met wie hebben we te maken. Ook wat de beide Kircher-adpten Beck en Franzl betreft. Zijn het oplichters of niet? Haakman vindt er bewijzen genoeg voor. Hij ontmoet Beck nog één maal en dan ontspint zich een interessant gesprek wat ik niet zal weggeven, maar waar Beck zijn theorie over Kircher uitéén zet, en misschien daarmee ook over zichzelf.

Geen kritiek op dit boek van 266 pagina’s? Weinig, of een paar herhalingen van zetten. Ik kom informatie op meerdere plaatsen in het boek tegen én alle titels van personen en naslagwerken (en dat zijn er veel) worden allemaal voluit geschreven. Laat het u niet tegenhouden, het is een vermakelijk boek.

a61142a7034224359326b695551437641414141
De roman Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq maakte nogal wat reacties los bij het verschijnen ervan. De auteur werd beschuldigd van vrouwenhaat, racisme, pornografie en homofobie. Als je dat met goed 300 pagina’s voor elkaar krijgt heb je in ieder geval wat bereikt.

Het is het verhaal van de halfbroers Michel en Bruno. Michel is slim en wordt een briljant moleculair bioloog. Bruno is een losbol en ontwikkelt zich tot een aan sex verslaafde genotzoeker. Michel zou succes bij de dames kunnen hebben maar toont geen belangstelling. Bruno wil graag succes bij de dames maar is veroordeeld tot peepshows en prostituees. Zijn leven in een notendop:

Terwijl hij zijn screwdriver opdronk, merkte Bruno dat Karim erin was geslaagd de rozenkruiserin op een helling in het gras te krijgen…’Ze doet toch mooi wel haar beentjes wijd, die nazi-snol…’ dacht hij, terwijl hij bij de dansers wegliep. Net voordat hij de lichtcirkel verliet, zag hij in een flits hoe het katholieke meisje haar kont liet betasten door een soort van skileraar. Hij had in zijn tent nog een blik ravioli staan.

De taal en de sex in het boek zijn onverbloemd. Aan de kant van Michel wordt een andere taal gesproken. Hier worden de teksten gelardeerd met kleine biologische colleges die laten zien dat Houellebecq zijn huiswerk heeft gedaan (hij is zelf afgestudeerd landbouwingenieur). Michel houdt zich bezig met de bouwstenen van het leven en hoe die naar zijn hand te zetten. Hij schrijft er een belangrijk werk over waar andere geleerden verder mee kunnen. Michel verdwijnt uiteindelijk spoorloos, Bruno eindigt in een inrichting.

Dat werk van Michel, dat heeft te maken met de visie van Houellebecq op de mensheid (althans, in deze roman). Eigenlijk deugt daar niets van. Hij bouwt voort op het boek Brave new world van Aldous Huxley, waarin verschillende typen mensen in reageerbuizen worden gekweekt. In Houellebecq’s roman moet de mensheid eigenlijk verdwijnen. – Spoileralert! – Dat komt ook uit, want aan het eind van het verhaal blijkt er sprake van een alwetende verteller die een kloon is van het soort, bedacht door Michel. Het is een mooie passage in het boek:

Er bestaat nog altijd een aantal mensen van het oude ras…Hun vruchtbaarheidscijfer daalt echter elk jaar, en het lijkt nu onvermijdelijk dat ze zullen uitsterven. Tegen alle pessimistische verwachtingen geschiedt die uitsterving heel rustig…Het is zelfs verbazingwekkend te zien hoe kalm, gelaten, en heimelijk misschien wel opgelucht, de mensen hebben ingestemd met hun eigen verdwijning.

Het is geen vrolijk verhaal, zelfs pessimistisch. Toch heb ik wel genoten van die mix van rauwe wellust enerzijds en kille wetenschap anderzijds, met zijn beklemmende einde. Het leest als een aanklacht tegen de hedendaagse maatschappij met zijn consumentisme en het kan nooit kwaad de boel eens flink op te schudden. Brave new world ga ik herlezen.

Vertaling: Martin de Haan

9025442420.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Orfeo van Richard Powers gaat over de gepensioneerde avant-garde componist Peter Els. Jarenlang heeft hij getracht zijn composities aan de man te brengen, zonder veel succes. Op latere leeftijd, als men al klanken aan DNA heeft weten te onttrekken, gaat Els op zoek naar het omgekeerde. Hij wil melodieën in het DNA vervlechten. Daarvoor schaft hij zich een privé-laboratorium aan en gaat experimenteren.

Maar…Els leeft in de Verenigde Staten van na 9/11 en vindt al snel de Homeland Security op zijn stoep. Die houden niet van mensen die hobbyen met bacterieculturen. Zo ontstaat een fascinerende roadmovie van een componist op leeftijd, op de vlucht voor justitie. Dit verhaal wordt gelardeerd met flashbacks over het leven van Els. Zijn jeugd, waarin hij zich bezighield met muziek en scheikunde, een vroege vriendin, zijn eerste werken en vriendschap met de maniakale kunstenaar Richard Bonner. Met de laatste zou hij enig succes oogsten door een opera voor hem te schrijven. Zijn huwelijk, zijn dochter en zijn scheiding. Het leven van een einzelgänger die stoïcijns zijn lastige muziek blijft schrijven.

Het lijkt niet erg opzienbarend, maar ik vond het een prachtig boek. Powers schijnt een voorliefde te hebben om in zijn romans muziek met wetenschap te combineren en dat is hier voortreffelijk gelukt. Hij schrijft het allemaal in een erg mooie stijl op ook. Over zijn worsteling met de modernere muziek:

Heimelijk keerde hij terug naar het uitgeputte vocabulaire van de oude meesters. Hij zocht naar gemiste aanwijzingen en probeerde uit te vinden hoe ze het ooit hadden klaargespeeld de ingewanden samen te knijpen en de menselijke ziel, of wat daarvoor doorging, te laten volstromen. Ergens geloofde hij nog steeds dat de betovering alleen maar kon worden hersteld door achteruit de toekomst binnen te wandelen.

Het verhaal beschrijft uitgebreid klassieke stukken van bijvoorbeeld Mahler, Shostakovich en Harry Partch. Je zoekt de muziek er automatisch bij, ik heb weer veel bijgeleerd. Ik heb veel aantekeningen gemaakt van mooie zinsnedes of vondsten. Zoals de terugkerende mantra van Bonner “je moet ziggen als ze denken dat je gaat zaggen”. Het “componeren voor niemand”, omdat hij geen succes heeft én omdat zijn muziek misschien wel voor altijd onhoorbaar in het DNA besloten blijft. Er zit een prettig soort logica in.

Hij twittert hoe hij zijn muziek de ruimte gaf. Over hoe ze zich overal verspreidt, in de lucht om je heen, in de voegen tussen je badkamertegels. Misschien adem je het op dit moment wel in, een lied dat je nooit zal kunnen horen.

Hoewel er soms wat muziektechnische termen in staan die niet iedereen direct zal kunnen plaatsen, zorgt de mix van wetenschap, muziek en de vlucht van Els gewoon voor een erg mooi boek.

Vertaling: Rob van Essen

Dit stuk speelt een rol in het boek en wordt uitgebreid beschreven, evenals het instrumentarium

9046803252.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Laat ik er maar voor uitkomen. Ik houd van vogels. Toen ik het boek Vogels van formaat van Reinjan Mulder tegenkwam moest het gelezen. Het gaat over het duurste boek ter wereld, met handgetekende vogels, Birds of America van John James Audubon. Ik heb al honderd jaar het onvolprezen Zien is kennen in de kast staan, ook met handgetekende vogels, maar da’s toch anders.

Het boek telt maar 57 pagina’s en veel foto’s en toch is er veel over te vertellen. Het begint allemaal in het Teylers Museum in Haarlem, in 1833. Martinus van Marum, directeur, krijgt bezoek van de zoon van John James Audubon. Zoon is op zoek naar intekenaars voor een projectje van zijn vader, namelijk om alle vogels van Noordelijk Amerika op ware grootte weer te geven in een aantal boeken. Van Marum is enthousiast en is niet bang om een groot deel van zijn budget uit te geven als hij dat nodig acht. Dat doet hij en dat blijkt uiterst zinvol.

Audubon werd geboren op Haïti uit een Frans dienstmeisje en een gegoede Fransman. In Amerika kwam hij een vogelkenner tegen en als tekenaar zag hij mogelijkheden. Het project was geboren. Hij reist het hele land door om zoveel mogelijk vogels af te kunnen beelden. Dat is niet te onderschatten, want er waren in die tijd delen waar nog geen blanke was geweest. Hij voelde zich dan ook woudloper en Amerikaan pur sang.

Zijn kunst dan. Anders dan zijn voorgangers beeldde Audubon zijn vogels af in hun natuurlijke omgeving, in plaats van tegen een neutrale achtergrond. De tekeningen zitten dan ook vol details, zoals de langpootmug die opgejaagd wordt, de bessen die worden verschalkt enzovoort. Ik zat mij net te bedenken dat ik de tekeningen af en toe wat dik aangezet vond, toen dat direct bevestigd werd door Audubon zelf:

‘De posities’ schrijft Audubon, ‘waarin ik vogels afbeeld, lijken soms misschien een beetje overdreven, maar daar kan alleen iemand over vallen die niet vertrouwd is met de gevederde stammen, want geloof me, niets kan veranderlijker zijn dan de houding en posities van vogels. De reiger die zichzelf opwarmt in de zon, kan zijn vleugels soms een heel stuk laten zakken, alsof ze los zitten.’

Ik zeeg gerustgesteld weer achterover, want eigenlijk vind ik de tekeningen schitterend. Nog een klein stukje dan:

Wanneer Audubon twee mezen afbeeldt, is dat niet zomaar een mannetjesmees en een vrouwtjesmees, nee, hij laat een echtpaar zien, een man en zijn vrouw, met hun getut en al het lief en leed dat zij samen delen. Niets menselijks is zijn vogels vreemd.

Toch werd het boek weinig verkocht. Mensen haakten af, moesten lang wachten of vonden het te duur. Naast het Teylers Museum was er in die tijd nog maar één Europese intekenaar, een Italiaanse groothertog. Door die kleine oplage wordt het boek duur. Er zijn 28 exemplaren uit elkaar gehaald, 11 verbrand of vernietigd door oorlog en 14 exemplaren in het niets verdwenen (hier vestig ik al mijn hoop op). In 1973 waren er nog 134 volledige exemplaren bekend, 94 in de V.S. en 17 in Engeland. Inmiddels wordt het aantal complete sets op 119 geschat. Die zeldzaamheid heeft zijn prijs, er is begin 2012 een boek geveild voor bijna $ 8 miljoen.

Was Audubon nog van belang als wetenschapper? De meningen zijn verdeeld. In de V.S. werd hij gezien als een poseur. Zo werd hij tijdens een presentatie fijntjes gewezen op het feit dat een ratelslang, mooi weergegeven door hem, niet in bomen klimt. In Engeland kreeg hij wel erkenning. Toch heeft de man niet veel nieuwe vogels ontdekt. Er staan vogels in het boek die hij nooit in Amerika heeft gezien, maar die hij uit Britse musea heeft nagetekend. Hij heeft vrij veel vogels, die ook nu nog voorkomen in Amerika, over het hoofd gezien. Van de ongeveer duizend soorten heeft hij de helft niet weergegeven. Dat is vrij veel voor iemand met zijn pretenties. Aan de andere kant, er zijn argumenten dat hij van groot belang is geweest voor Darwin en zijn theorie. Het wordt keurig uiteengezet in het boek.

Tegenwoordig bestaat er een National Audubon Society, met meer dan 70 natuurreservaten door Amerika. Dat levert een mooie tegenstrijdigheid op, want bedenk dat Audubon iedere vogel die hij heeft weergegeven eerst geschoten en opgezet heeft, ook de zeldzame soorten als de trompetkraanvogel. Hij heeft eens duizenden goudplevieren op een dag gedood en hij schiet meeuwen:

Het mannetje wordt meteen dodelijk door hem geraakt en stort neer, maar het vrouwtje ontkomt nipt aan de dood. Treurend hipt zij om zijn kwijnende lichaampje heen. Met een tweede schot schiet Audubon dan ook haar maar neer. Vredig naast elkaar geven zij de geest. Vol authentiek aandoende deernis, als een beul die over het lot van zijn gehangenen treurt, schrijft Audubon: ‘Daar, zij aan zij, zoals in het leven zo ook in de dood, daar zweefden de verrukkelijke vogeltjes.’

Het kan verkeren. Op 16 juni 1838 zijn alle delen van het boek verschenen: 435 platen met 1065 vogels. Martinus van Marum heeft het laatste deel niet meer binnen zien komen, maar heeft Nederland een prachtwerk bezorgd.

Een belachelijk lange bespreking eigenlijk. Maar ja. Ik houd van vogels.

audubon1

De vogels op ware grootte

AUD028 John Audubon Plate 102 Blue Jay

De blauwe gaai

c9d15c397532362592f68535341444341587343
De vergankelijkheid is het eerste boek dat ik las van Midas Dekkers. Ik ken deze bioloog van radio en televisie en daar weet hij mij regelmatig te boeien met zijn eigen kijk op de natuur. Ik was benieuwd naar dit boek en heb mij er enorm mee vermaakt..

De Vergankelijkheid gaat natuurlijk over verval. In onze maatschappij draait alles om jong, nieuw en mooi. Op de achterkant staat het mooi omschreven:

Oude mensen doen zich jong voor. Want iedereen wil oud worden, niemand wil het zijn. Na het gelukwensen van de honderdjarige wast de burgemeester zijn handen. Liever opent hij een nieuwbouwwijk…Toch lonkt het verval. Afwaarts is een berg ook mooi. Schilders schilderen ruïnes, toeristen fotograferen tandeloze vissers, Fellini begreep dat de nadagen de mooiste dagen van het oude Rome zijn.

Daar gaat dit boek over. Het is een loflied op het verval. Dekkers neemt ons in 10 hoofdstukken mee langs alle mogelijke soorten van vergangelijkheid. Hij schildert de levensloop van de mens, op weg naar het einde. Hij pleit voor het in stand houden van ruïnes. Niks restaureren, bouw maar nieuw en laat maar weer vervallen. Een restauratie is niet meer gelijk aan het origineel, een ruïne of vergeeld doek wel. Een restauratie is wat wij denken wat het origineel was.

Dekkers voert ons langs de zeven wereldwonderen (allen vervallen op de pyramides na), bespreekt mummies en veenlijken en geeft aan hoe ons lichaam direct na de geboorte begint te vervallen. Hij vertelt onsmakelijk over ons voedsel en wat daarin te vinden is aan micro-organismen. Zo weten wij nu dat wij nooit vers vlees eten, het is al aan het rotten. Als het vlees vers is, is het nog warm, net na de dood. Daarna verstijft het, zij het ook nog redelijk vers. Als wij het eten is de verrotting al lang in gezet. Leeuwen zijn vleeseters, mensen zijn aaseters. Wij zijn weer op onze plek gezet.

Daar staat dit boek vol van. We kijken net weer even anders naar de zaken om ons heen. Zo is iedereen dol op de lente. Een nieuw begin, nieuw leven, niets mooiers dan dat. Dekkers laat ons er even anders naar kijken:

Ieder jaar is het weer hetzelfde liedje: het voorjaar breekt uit…De hele natuur wordt weer van voren af aan opgebouwd. Net een strandtent…De vraag is of dat leuk is. Wie staat er graag op? Een normaal mens draait zich liever nog eens om. Moeder Natuur is een normaal mens. Niet dan met tegezin zet ze zich weer aan het werk…Als een vogel het zelf voor het zeggen had, begon hij er niet aan…Geen veer op hun hoofd vermoedt dat ze over een paar weken als brave huisvaders zullen sloven voor het zelfgemaakte nageslacht…Ben je net uit Afrika terug, beginnen je hormonen op te spelen. Niks rustig even bijkomen. Meteen aan de slag. Shit. Wat wij lente noemen, is niets anders dan de natuur haar ochtendhumeur.

Een onnavolgbaar betoog. Hij strooit met mooie one-liners die het boek vaart geven, zoals ‘De meeste mensen veranderen meer van een halve liter jenever dan van vijftigduizend jaar evolutie” of “In de meeste kerken zitten meer vleermuizen dan gelovigen“.

Het boek is met foto’s geïllusteerd maar er blijft genoeg te lezen over. Dekkers komt af en toe op eerder behandelde thema’s terug in andere bewoordingen, maar met zo’n vlot geschreven boek stoort dat eigenlijk niet. Ik ga vast meer van hem lezen.

7c9b05c6a8e820f5931666a5867444341587343

In zijn voorwoord bij het boek De Naakte Mens vertelt Desmond Morris dat dit boek gaat over het plezier waarmee je naar de wereld kan kijken. Het is een autobiografisch boek wat niet over hemzelf gaat maar wat gaat over zijn observaties. Dat laatste is ten dele waar. Het gaat over alles wat hij observeert, maar het gaat ook wel degelijk over hemzelf.

Te beginnen met zijn jeugd waarin hij onvervaard het veld in trekt om in beekjes, riviertjes, weilanden en bossen allerhande flora en fauna te verzamelen om die te bestuderen. Dat wordt voortgezet in zijn studietijd. Hij mag gaan studeren bij de Nederlandse etholoog Niko Tinbergen en komt in aanraking met de legendarische zoöloog en ornitholoog Konrad Lenz. In vervolg op zijn studie wordt hij gevraagd voor de presentatie van een televisieprogramma over dieren, Zoo Time en wordt daarna hoofd van de Afdeling Zoogdieren in de London Zoo. In die tijd schreef hij zijn beroemde boek The Naked Ape, over het menselijk gedrag, gezien vanuit zoölogisch standpunt.

Dat boek verkocht goed en het stelde Morris in staat om zich met zijn vrouw op Malta te vestigen. Daar wijdde hij zich aan zijn andere passies, schrijven en schilderen. Uiteindelijk keert hij weer terug naar Oxford om wetenschappelijk onderzoek te doen naar het menselijk gedrag in al zijn facetten, variërend van lichaamstaal tot supportersgedrag bij voetbalwedstrijden.

Het bijna 700 pagina’s tellende boek is een aaneenschakeling van (soms hilarische) gebeurtenissen en ontmoetingen in het kader van zijn onderzoekingen en de reizen die hij daarvoor maakt. Om een kleine greep te doen:

– de Japanse troonpretendent Akihito komt bij hem op bezoek in Oxford en staart geïnteresseerd naar het enige lege aquarium in het laboratorium. Of Morris e.e.a. wil toelichten..

– hilarische taferelen bij Zoo Time, variërend van in de lens urinerende leeuwen, en een ontsnapte reuzenschildpad tot een opstandige hagedis en dito python en een bijtende kikker

– Congo, de schilderende chimpansee die het zou schoppen tot goed verkopende artiest

– Een walvis in de rivier en gesteggel over de eigendomsrechten van zijn karkas

– Ontsnapte beren en een tijgerbetaster in de London Zoo

– Ontmoetingen met de paus, Yoko Ono, Sir David Attenborough en Marlon Brando

– Speurtochten naar de zeldzame Filfla-hagedis en de beroemde muurschildering van de vroegst bekende slangenafbeelding in een Franse grot

– Boekencensuur op Malta, onverklaarbare vuurlopers op Fiji, flaters in Japan, onderzoek naar straatbendes in Los Angeles, toast maken boven een vulkaan en ga zo maar door.

Het is een duizelingwekkend aantal gebeurtenissen en ze worden met smaak opgedist. Wat het boek een extra lading geeft, en dit had wel wat meer gemogen naar mijn mening, zijn de observaties en conclusies die eruit worden getrokken. Een voorbeeld is de reactie van de schilderende chimpansee Congo die straf kreeg nadat hij een secretaresse in haar schouder beet:

Michael zag het bloed op Annes schouder, ging naar de kooi, opende de deur en gaf hem een ferme, bestraffende tik op zijn kop. Zijn reactie was uniek. Hij perste zijn lippen op elkaar en negeerde Michael. Michael gaf hem nog een ferme tik, maar hij weigerde koppig om de afstraffing te erkennen…Het was lastig voor mij om zulk gedrag in simpele ethologische termen te verklaren. Strategieën, bedrog, het aanvaarden van straf – dat waren patronen die ik goed genoeg kende uit de menselijke context, maar die ik nooit was tegengekomen in mijn studie van andere dieren…Ik besefte ineens dat er een dier was dat ik op een nieuwe manier kon bestuderen, en ik besloot vanaf dat moment een serieuzere poging te wagen om de werking van apenhersenen te doorgronden.

Een ander fascinerend terrein dat hij onderzocht is de lichaamstaal. Hij begint met de beschrijving van alle gebaren die een mens kan maken en gaat deze vervolgens classificeren. Hij doet wereldwijd onderzoek en laat met voorbeelden zien hoe gebaren anders vertaald kunnen worden. Het “ga weg”-gebaar uit Noord-Europa (handpalm naar beneden, vingers naar voor en naar achter) betekent juist “kom hier” in andere regionen. Dat werd pijnlijk duidelijk toen twee Scandinaviërs tijdens een zwemtocht bij een militaire installatie kwamen op een eiland. De schilwacht wenkte ze dichterbij om wat vragen te stellen met een gebaar dat zij interpreteerden als “ga weg”. Zij zwommen weg en werden doodgeschoten. Een klein verschil in lichaamstaal met grote gevolgen.

Een andere conclusie is dat iedereen leek te denken dat het eigen repertoire aan gebaren alom werd begrepen. Morris:

We kwamen hier een klassiek geval van tegen in Midden-Frankrijk, waar twee lokale vissers naast elkaar op een oever zaten. De vissen beten niet en ze wilden best onze vragen beantwoorden. Toen we ze naar de betekenis van het “ringgebaar” vroegen, waarbij één hand wordt opgestoken en de puntjes van duim en wijsvinger elkaar raken om een rondje te vormen, antwoordden beide vissers zonder enige aarzeling. Tegelijkertijd zei de ene “oké” en de andere “nul”. Ze waren oude vrienden en ze keken elkaar verbijsterd aan. Hoe konden ze zo’n verschillend antwoord geven? Ze begonnen een verhit debat en het was duidelijk dat ze geen van beiden wilden toegeven…Zonder het te beseffen leefden de twee Franse vissers in een ‘overlapzone’, waar één gebaar twee verschillende betekenissen heeft.

Kijk, dat interesseert mij en daar had ik graag wat meer van gezien in dit boek. Waarschijnlijk moet ik daarvoor zijn meer gespecialiseerde boeken induiken en dat zal er nog wel eens van komen. Voor de rest leest dit als een lekkere autobiografische avonturenroman met licht wetenschappelijke toets en daar is niets mis mee.

    congobluepainting[1]

Schilderij van Congo de chimpansee (1957)