archiveren

Natuurwetenschap

9045031175.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik mag mij graag verwonderen over wat er zoal groeit en bloeit en dan mag een boek over Alexander von Humboldt, De uitvinder van de natuur, natuurlijk niet in mijn bagage ontbreken. Het is geschreven door historicus Andrea Wulf en is mij opgevallen door een aantal positieve besprekingen.

Nu ben ik Alexander von Humboldt (1769-1859) al tegengekomen in het boek van Hans Mulder, De ontdekking van de natuur, maar hier hebben we niet minder dan de uitvinder van het geheel te pakken dus ik was zeer benieuwd. Om maar met de deur in huis te vallen, het boek is een absolute aanrader.

Het belang van Von Humboldt wordt al snel aangegeven door Wulf. Tijdens zijn expeditie naar Zuid-Amerika viel het hem op tijdens de beklimming van de Chimborazo in de Andes, waarvan men toen dacht dat het de hoogste berg ter wereld was, dat er verschillende vegetatiezones bestonden. Op bepaalde hoogtes kwam hij vegetatie tegen die hem deed denken aan vergelijkbare begroeiing in het Europees gebergte;

Niemand had ooit op deze manier naar planten gekeken. Humboldt nam de vegetatie niet waar volgens de beperkte classificatiecategorieën, maar in relatie tot de groeiplaats en klimaat. Hij beschouwde de natuur als een universele kracht met klimaatzones die zich over alle continenten uitstrekten; een radicale opvatting voor die tijd, maar wel een die nog steeds van invloed is op ons beeld van ecosystemen.

Von Humboldt begint natuurlijk niet als natuurvorser, maar met een gedegen opleiding als mijnbouwinspecteur. Daar doet hij zijn kennis op over geologie en andere natuurwetenschappen. In zijn vrije tijd onderzoekt hij de invloed van het licht op planten en bomen. Hij ontmoet Goethe en die is razend enthousiast over de jonge wetenschapper;

Nog nooit had hij iemand ontmoet die zo veelzijdig was. Humboldt kon de dingen in zijn enthousiasme met zo’n snelheid door elkaar klutsen dat Goethe hem soms nauwelijks kon volgen.

Ze zouden tot Goethes dood contact blijven houden. Met de erfenis van zijn moeder beschikt Von Humboldt over het kapitaal om zijn eerste expeditie naar Zuid-Amerika te financieren. Hij wordt vergezeld door zijn vriend en botanist Aimé Bonpland. Ze schaffen allerlei meetinstrumenten aan en hun tocht begint als ze in Venezuela aankomen.

Dan begint er een onwaarschijnlijke reis die u vooral zelf moet gaan lezen. Ze worden geteisterd door muggen, ziekte, kou en tropische hitte, maar onder alle omstandigheden verzamelen ze data. Overal worden planten en dieren verzameld, temperaturen gemeten, kookpunten gemeten op diverse hoogtes, ze hebben zelfs een instrument om het blauw van de lucht te meten. Er worden talloze aantekeningen gemaakt en het is verbluffend te lezen hoeveel werk er wordt verzet. Tegelijk worden er consequenties doorzien en overdacht;

Humboldt was de eerste die het cruciale belang van bossen voor een ecosysteem en klimaat uiteenzette…Hij sprak ook over de zuurstofproductie van bomen en de invloed daarvan op het klimaat. De effecten van menselijke inmenging waren nu al ‘onvoorzienbaar’, betoogde hij, en zouden catastrofale vormen aannemen als we doorgingen de wereld zo ‘genadeloos’ te verstoren.

De man was zijn tijd ver vooruit. Via Mexico keert hij terug naar Europa waar hij talloze lezingen geeft en al zijn data in verschillende boeken verwerkt. Op latere leeftijd maakt hij nog een reis door Rusland, tot aan de Chinese grens en ook dat staat beschreven in dit boek. Een mooi verhaal is dat hij op basis van zijn kennis weet dat er diamanten in Rusland te vinden moeten zijn en hij krijgt gelijk. Zijn roem stijgt tot grote hoogte en hij wordt één van de beroemdste geleerden uit zijn tijd. Dat blijkt ook uit de talloze vernoemingen naar hem, van pinguïns tot een golfstroom. De Amerikaanse minister van Oorlog, John B. Floyd, stuurde Von Humboldt negen kaarten van Noord-Amerika waarop alle steden, county’s, gebergten en rivieren stonden die naar hem vernoemd waren.

Het boek houdt niet op bij de dood van Von Humboldt, want Wulf beschrijft nog andere natuurvorsers zoals George Perkins Marsh, Ernst Haeckel, John Muir en niet te vergeten Charles Darwin. Von Humboldt had een grote invloed op hen allemaal en Darwin heeft hem ook ontmoet. Grappig om te lezen dat, ondanks Darwin’s torenhoge bewondering voor Von Humboldt, die ontmoeting enigzins tegenviel;

Darwin was diep geschokt door Humboldts gedrag. Hoewel hij enkele keren probeerde ertussen te komen, gaf hij het uiteindelijk op. De oude Humboldt was heel opgewekt en maakte hem een paar ‘geweldige complimenten’, maar hij praatte gewoon te veel.

Het boek leest geweldig door en Wulf beschrijft de reizen en natuurwetenschappelijke materie op heldere wijze. Het is ook prettig dat het geen uitputtende biografie is waarin iedere ontmoeting geduid moet worden, we gaan al snel op reis zeg maar. Interessant zijn wel de ontmoetingen met de groten der aarde zoals de Amerikaanse president Jefferson (in die tijd hing Jeffersons wasvrouw de presidentiële was gewoon te drogen op het rottend hekje rondom het Witte Huis) en zijn vriend de revolutionair Simon Bolívar. De enige omissie wat mij betreft is de reis naar Mexico. Die sluit aan op de expeditie naar Zuid-Amerika maar blijft onbeschreven. Verder is het een mooie opmaat naar wat boeken over Darwin die ik nog heb liggen.

Vertaling; Mariella Duindam en Fennie Steenhuis

9089898433.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De ontdekking van de natuur van Hans Mulder is een verzameling van twintig verhalen die vertellen hoe West-Europeanen tussen ongeveer 1500 en 1900 de natuur hebben ontdekt, beschreven en soms ook geclassificeerd. Hans Mulder is historicus en werkt als conservator natuurlijke historie van van de Universiteit van Amsterdam, nu ondergebracht in het Allard Pierson. In die functie geeft hij veel lezingen en er was hem gevraagd deze lezingen op een toegankelijke manier in een boek te verwerken en daarvan is dit het resultaat.

Het is qua afmetingen een fors boek, ruim 33 bij 25 centimeter, en dat is maar goed ook. Het staat namelijk vol met prachtige, vaak paginagrote illustraties, veelal uit de collectie van het Allard Pierson. Als u even dit filmpje bekijkt ziet u er iets meer van.  

Het eerste hoofdstuk is een wat algemener verhaal wat ingaat op enkele gebeurtenissen die belangrijk waren voor wat er daarna op het gebied van de natuurlijke historie plaatsvindt. Denk dan aan de uitvinding van de boekdrukkunst, de Reformatie en de ontdekkingsreizen van die tijd. De Reformatie? Jawel, de vertaling van de Bijbel leidde volgens verschillende historici tot een toenemende interesse in de natuur. Een interessante opvatting en die had ik graag nader toegelicht gezien. Voor de leesbaarheid heeft de auteur er echter voor gekozen om geen notenapparaat toe te voegen, we moeten het doen met een beknopte literatuurlijst.

Laat u dat echter niet weerhouden om dit boek te lezen want eerlijk is eerlijk, het is een plezier om door dit boek heen te bladeren en de bijbehorende verhalen te lezen. We lezen over vreemde vogels zonder vleugels en poten;

De verklaring voor het vaak ontbreken van vleugels en poten bij deze vogels wanneer ze in Europa aankomen, is simpel; de mensen die de vogels prepareerden, gebruikte de vogels voor versiering. Het ging dan vooral om de (staart)veren. Vleugels en poten konden gaan rotten en dus stinken.

Logisch, maar als je zo’n incomplete vogel natekent krijgt Europa af en toe een wat vertekend beeld van wat voor vogels er in het Verre Oosten leven. Antoni van Leeuwenhoek met zijn ontdekkingen van ‘kleine dierkens’ is redelijk bekend, maar Maria Sybilla Merian is dat veel minder. Deze vrouw vertrok met haar dochter naar Suriname om daar onderzoek te doen naar de metamorfose van inheemse insecten. Ook Georg Rumphius kent niet iedereen. Hij bracht onder meer het plantenleven en de schaal- en schelpdieren op Ambon in kaart. Pioniers van de natuurwetenschap dus.

Er komt een heel scala van andere natuurvorsers aan bod, waarvan Carolus Linnaeus, Alexander von Humboldt en Charles Darwin de bekendste zijn. Leuk, maar ik vind het net zo interessant om te lezen over de wetten van Lamarck, die gaan over de evolutie. Ik kende ze niet;

De eerste luidt dat bij een dier dat niet het einde van zijn ontwikkeling heeft bereikt, organen die veel worden gebruikt, sterker worden en andere die niet of nauwlijks worden gebruikt, steeds zwakker. En de tweede wet zegt dat onder invloed van de omgeving een bepaald orgaan dat intensiever wordt gebruikt, bij voortplanting voor de nakomelingen wordt bewaard.

U snapt dat de lange nek van een giraffe die alsmaar hoger reikt naar smakelijk voedsel een onomstotelijk bewijs is. Maar uiterst interessant om te lezen, ik krijg veel mee over de heersende opvattingen van een paar eeuwen terug. Die vinden we ook terug in de creationistische denkbeelden van William Paley; als je een horloge aandachtig bestudeert, ga je beseffen dat zoiets niet spontaan is ontstaan maar gemaakt. Datzelfde zou moeten gelden voor de natuur, aldus Paley.

Uiteraard besteedt Mulder aandacht aan de natuur in de binnenstad, zoals een dierentuin als Artis, de werkplek van Mulder. Ook de dierentuin in Utrecht van professor Theodoor van Lidth de Jeude krijgt aandacht. Hij was buitengewoon hoogleraar natuurlijke historie aan de Universiteit van Utrecht en legde de basis voor een enorme verzameling van afbeeldingen van dieren, die hij alle zorgvuldig classificeerde en gebruikte voor zijn onderwijs. Ze zijn terug te vinden op Wikimedia Commons onder de naam Iconographia Zoologica.

Kortom, twintig mooie verhalen die je wat bijbrengen over hoe de natuur ‘ontdekt’ en in beeld is gebracht, door bekende en minder bekende vorsers, met mooie anekdotes (‘onze’ Nederlandse mosasaurus is geruild met een Fransman voor 600 flessen wijn en bevindt zich nog steeds in Parijs) maar vooral met prachtige illustraties die een feest voor het oog zijn.

9000373735.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
U kent natuurlijk de term ‘de donkere middeleeuwen’. Dat lijkt een door ons bedachte term om een periode vol geweld, ziektes en andere ellende aan te duiden en het was ook niet altijd aangenaam toeven in die tijd, maar als het gaat om kennis en wetenschap, dan kunnen we dat begrip gerust omzetten en dat is wat Seb Falk doet met De Verlichte Middeleeuwen. Het is een ontdekkingsreis door de middeleeuwse wetenschap, zo zegt de ondertitel, en dat was een aspect wat gerust onderbelicht was in de boeken die ik tot nu toe over dit tijdperk las.

Het begint met de wetenschapper Derek Price, die in 1951 in de bibliotheek van Cambridge een manuscript ontdekt dat ‘aanwijzingen voor de vervaardiging van een astrolabium’ bevat. Een astrolabium is een instrument om de banen en posities van planeten en vaste sterren te bepalen. Omdat Price het woord ‘chauc’ in dat manuscript herleidde tot ‘Chaucer’, als in Geoffry Chaucer, de schrijver van de Canterbury Tales, vond hij dat een ontdekking van formaat, hoewel hij wist dat diezelfde Chaucer al een handleiding had geschreven dat Treatise on the Astrolabe heette.

Lang verhaal kort, het manuscript (dat de naam Equatorie of the Planetis kreeg) bleek toch van een monnik, broeder Johannes Westwyk. Falk gebruikt deze monnik en zijn reizen om het verhaal van de middeleeuwse wetenschap aan ons te vertellen. Dat doet hij in 346 pagina’s en ik waarschuw maar vast, daar moet u soms aardig het hoofd bij houden.

Het begint nog allemaal overzichtelijk met een hoofdstuk over tijdrekenkunde. Toen er nog geen mechanische klokken waren moesten monniken toch iets bedenken om op tijd op te staan voor hun gebeden en daar gebruikten ze een waterklok voor. Rond 1300 begon echter de uurwerkrevolutie en Falk noemt de mechanische klok meteen de belangrijkste uitvinding uit de middeleeuwen. De uren werden toen gelijkgeschakeld, want ‘ongelijke uren’ waren nog gangbaar. In de zomer waren de twaalf dag-uren langer dan de twaalf nacht-uren en in de winter was dat omgekeerd. Natuurlijk komen in de rekenkunde de ‘oude’ Romeinse cijfers voor, maar werden de nieuwe Arabisch-Indische cijfers al snel omarmd. Als u even oplet leert u zelfs hoe u tot duizend kunt tellen op één hand. Die nieuwe cijfers bereikten al snel alle verhandelingen over rekenkunde – door middeleeuwse vertalers aangeduid als algorismus als eerbetoon aan Musa al-Khwarizmi, een negende-eeuwse geleerde uit Centraal-Azië. Ons woord ‘algoritme’ is nog aan hem ontleend.

Van al die rekenkunde is het dus een kleine stap naar astronomie en alles wat daarmee samenhangt. De mythe dat men in de middeleeuwen dacht dat de aarde plat was kan overboord, want de Griekse filosoof Eratosthenes wist al een vrij nauwkeurige schatting van de omtrek van de aarde te maken. Falk legt nauwkeurig uit hoe hij dat aanpakte. De middeleeuwse wetenschappers borduurden dus voort op kennis die terugging tot de oude Grieken. Daarbij werden instrumenten ontwikkeld om de baan en posities van sterren en planeten te bepalen zoals genoemd astrolabium, een armillarium of een torketum. We komen zelfs uit bij een albion, een planetaire supercomputer uit die tijd, die alle beschikbare functies in zich verenigde. Onbekende termen? Falk legt het u haarfijn uit en hij weet zelf ook wel dat hij gedetailleerd is;

Lezers wie het na deze laatste twee alinea’s is gaan duizelen verkeren in goed gezelschap. Mensen hebben altijd grote moeite gehad met driedimensionaal denken. Daarom waren armillaria zo nuttig. Het probleem was dat ze ook buitengewoon lastig te maken en dus duur waren.

Waarbij een armillarium weer een model is in een sferische kooi van een globe met koperen ringen om de kosmos uit te beelden. Als daar dan de snarentabellen van Ptolemaeus nog bijgehaald worden die in de middeleeuwen nog steeds als trigonometrische tabellen worden gebruikt werken mijn hersenen op volle toeren om het bij te benen (met mijn Alpha-achtergrond). Toch vind ik het razend interessant om te lezen. Het blijkt dat al die moeite om kennis te vergaren van de astronomie én de astrologie (wat nu als een pseudo-wetenschap wordt beschouwd maar toen serieus werd beoefend) belangrijk was voor navigatie op land, op zee maar ook bijvoorbeeld voor de geneeskunde. Falk maakt dat hier duidelijk;

Het idee dat de mens, bestaand uit elementaire materie, een micro-kosmos en dus een afspiegeling van het heelal was, manifesteerde zich het duidelijkst in de geneeskunde. Ieder lichaamsdeel van hoofd tot voeten werd geregeerd door een zodiakteken, van Ram tot Vissen. ‘Een arts kan niet genezen,’ schreef Robertus Angelicus in zijn commentaar op Sacrobosco’s De Sphaera Mundi, ‘als hij de oorzaak van de ziekte niet kent. En die oorzaak kan niet worden gekend als de beweging en de positie van de hemellichamen niet worden begrepen.’

Wij kijken daar iets anders tegenaan nu maar het belang van de ontwikkelingen in die tijd is onmiskenbaar. De monnik Johannes Westwyk neemt deel aan een kruistocht waar navigatie en geneeskunde uitgebreid aan bod komen. Hij zal later, na terugkomst, nog een belangrijk astronomisch werk schrijven, zijn Traktaat over het Equatorium. Met dit planetaire instrument kon men de positie van planeten in een paar minuten bepalen. Falk legt geduldig de stappen uit hoe je met zo’n equatorium de astronomische lengte van een planeet bepaalt. Voor een complete horoscoop zou je dat met iedere planeet moeten doen maar hij verwijst meteen naar een website waar u dat fijn zelf kunt uitproberen.

Het is een zeer interessant boek dat helder de lijnen uitzet van de klassieke en Arabische werken en geleerden die in de middeleeuwen werden vertaald. Universiteiten werden opgericht en theorieën over astronomie en astrologie werden verfijnd. Er werden klokken ontworpen en vraagtekens gezet bij de gebruikte kalenders. Arabisch-Indische cijfers werden omarmd en men experimenteerde met geneesmiddelen uit de hele wereld. Wiskunde, navigatie en zelfs alchemie zorgden voor technieken die we nog steeds gebruiken. Het komt allemaal aan bod. Is het een lastig boek? Ja, soms wel maar een beetje inspanning voor zo’n boek is niets vergeleken met de inspanningen die men in het verleden heeft gedaan om alles te doorgronden. Om met Isaac Newton te spreken, ‘we staan op de schouders van reuzen’.

Vertaling; Conny Sykora

9c69d57c0ca22775971315a7567444341587343
Ik ben niet meer bekend met het Insectenrijk dan óf een gerichte mep naar een irritante mug, óf wat ongecontroleerde bewegingen naar geel-zwart vliegend gespuis óf oprechte bewondering voor een mooie vlinder of libelle. Op jonge leeftijd had schrijfster Aglaia Bouma daar ook weinig mee, zeker niet nadat ze in het ziekenhuis belandde na door een hoornaar gestoken te zijn. Vanwege een allergische reactie overleefde ze dat maar net.

Toch wist ze haar fobie, want dat werd het, via gezonde nieuwsgierigheid om te zetten naar een passie voor die kleine wezentjes en dat is best knap. Ze heeft er ook een interessant en uiterst leesbaar boek over geschreven. Dat boek kent een logische opbouw in hoofdstukken die gaan over de flirt, liefde, bevruchting, groei, metamorfose en de ontpopping. Na ruim 230 pagina’s ben je ineens een stuk wijzer.

Want het is nogal wat. Het begint in de flirt al met die aantrekkingskracht en de ‘bruidsvlucht’ van de vliegende mieren. U weet wel, die beesten die het allemaal op dezelfde dag op hun heupen krijgen en je tuin bestormen. Feromonen spelen hier een rol en dat is ook zo bij die mierenpaadjes die u vast wel eens gezien hebt. Ieder hoofdstuk kent interessante zijpaadjes, Bouma geeft keurig aan als we daar op zitten, over de bouw van een insect of wie er nu precies steken of bloed drinken. U hoeft hier geen conclusies aan te verbinden, maar in dit rijk zijn de dames de gemeneriken.

Als u ook zo van krekelgeluiden houdt, of de herrie van de cicaden uit Zuid-Frankrijk u lief is, hierin staat hoe zij dit geluid precies maken. Wespen- en libellenogen zijn heel gevoelig voor beweging en meppen naar een wesp is dus de minst goede optie. Dat blijft wellicht een uitdaging want die had ik al eens geprobeerd; toen landde de wesp op mijn lip.

Om toch maar even bij de wesp te blijven, en dan zijn we al bij de liefde in het boek, daar neemt Bouma het tóch voor op;

‘Limonadewespen’ komen niet pas in augustus uit hun verder ongedefinieerde schuilplaatsen om ons te pesten terwijl we zoete jam op een broodje smeren of een slok bier nemen. Tegen die tijd zit hun leven, of vooral dat van hun kolonie, er juist al bijna op. Het zijn de laatste stuiptrekkingen van een stervende. Zo bezien zouden we ze juist liefdevol moeten vertroetelen. Ze hebben namelijk een zomer lang hard gewerkt, en daar plukken mensen de vruchten van. Letterlijk.

Er staan talloze verhalen in het boek en je valt van de ene verbazing in de andere. Wellicht had u wel eens gehoord bij kannibalisme onder bidsprinkhanen. Maar het gaat verder. De sabelsprinkhaan gaat over tot verkrachting. Maar het gaat verder. De mannelijke bedwants doet aan traumatische inseminatie. Leest u dat maar eens na; toch ook mannelijke gemeneriken in dit rijk. Het is maar een klein voorbeeld van de onvoorstelbare wereld die vaak zo onzichtbaar is maar toch zo dichtbij.

Het is de auteur gelukt mij bewondering bij te brengen voor de strontvlieg. Een vrouwtje paart met meerdere mannen en bewaart hun sperma in meerdere spermathecae (dit kunt u opzoeken in de handzame lijst achterin het boek). Vervolgens kiest ze het zaad van de meest geschikte partner en dus de hoogste kwaliteit. We hebben het nog steeds over een strontvlieg.

Ook de bladluis bekijkt u nooit meer hetzelfde. U weet wel, drommen van die zwarte beestjes op je goeie planten. Wordt het te druk en teveel dringen, dan ontwikkelen ze vleugels om weg te vliegen. Dat kan dus. Ze paren niet en leggen geen eieren, maar planten zich maagdelijk voort. Dat kan dus ook. Het jong dat gebaard wordt, is op haar beurt ook al weer zwanger. Ook dat kan. Bladluizen scheiden een voor mieren lekker goedje af, honingdauw. Mieren beschermen daardoor de bladluizen. Sterker, ze hoeden ze en houden ze bij elkaar. Nog sterker, ze bouwen overkappingen of een afdak voor ze. Je blijft lezen zo.

Het zijn veel verhalen maar de grote lijn van de in het begin beschreven cyclus wordt nergens uit het oog verloren. Bouma gebruikt wetenschappelijke termen maar die worden overal toegelicht of zijn achter in het boek weer terug te vinden. Af en toe neemt ze haar persoonlijke ervaringen in het verhaal mee om haar eigen transformatie kleur te geven, van fobie naar passie.

We weten natuurlijk wel dat er ontzagwekkend veel insecten zijn maar in kort bestek krijg je ineens heel veel mee van die diversiteit. Bouma licht toe hoe insecten onderverdeeld zijn in het dierenrijk en hoe ze gedetermineerd worden. Zo weten we dat bidsprinkhanen geen sprinkhanen zijn, vuurvliegjes geen vliegjes en bladvlooien geen vlooien. Het boek geeft informatie over de ‘muggenwolken’ die we allemaal in onze tuin wel eens zien dansen, over die verfoeide eikenprocessierups en zelfs over het ‘spuugbeestje’ waar Jan Wolkers zo aandoenlijk over vertelde.

Tot slot, ik had geen idee, een verbluffend verhaal over de bij, die ons toch redelijk bekend voorkomt;

Een bij die voedsel heeft gevonden, vliegt eerst een aantal keer heen en weer tussen de bron en het nest…Op een zeker moment besluit ze dat het tijd is om te gaan dansen…Als de voedselbron zich op grotere afstand bevindt, is in het wilde weg rondvliegen op zoek naar de juiste geur minder efficiënt. Dan wordt de waggeldans ingezet. Deze dans geeft een behoorlijk nauwkeurige indicatie van de richting en de afstand van het voedsel ten opzichte van het nest.

Bouma legt het nog verder en duidelijker uit en je kijkt nooit meer hetzelfde naar een bijenkast of -korf. Informatie over voortplanting, voedselinname, hemolymfe in plaats van bloed; er is veel onderzocht en ik bedenk me steeds op wat voor een schaal dit moet zijn gebeurd. Microscopisch klein soms en ik snap de fascinatie van de auteur voor een heel groot deel wel. Ik keek in de tuin ook om mij heen en wilde op internet opzoeken hoe tripsen eruit zagen; om daar te lezen dat er zo’n 7400 soorten bestaan. Een rijk rijk, dat insectenrijk.

9460039324.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als de term ‘wiskunde-‘ of ‘talenknobbel’ u bekend voorkomt, dan is de Duitse arts en hersenonderzoeker Franz Joseph Gall (1758 – 1828) gelukkig nog niet helemaal vergeten. Het zijn termen die voortleven uit zijn werk dat door neuropsycholoog Theo Mulder uitgebreid wordt beschreven in zijn boek De hersenverzamelaar.

Gall was een arts uit Duitsland die in Wenen praktijk hield als huisarts. Daar begon hij zich te verdiepen in de anatomie en werd hij gefascineerd door het grote verschil in aanleg en gedrag tussen mensen. Hij meende dat de oorzaken hiervan in de hersenen te vinden waren en begon met het verzamelen van schedels. Niet van de gemiddelde Wener, maar van genieën, kunstenaars, moordenaars en geesteszieken, kortom; de extremen.

Hij ontwikkelde een leer waarbij de vormverschillen van de hersenen leidend waren voor verschillen in de schedels van mensen. Al naar gelang hersenen veranderden, plooide de schedel zich daaromheen en waren verschillen te ‘bevoelen’ door uitstulpingen en putten in de schedels. Hij ging daarin best ver. Hij voerde mensen wel dronken en liet ruzies ontstaan en begon het gedrag te noteren en hoofden te bevoelen;

Hij aarzelde niet om interessante plekken op de hoofden met verf te markeren.

Langzamerhand ontstond zo zijn schedelleer waarbij men aan het hoofd van de mens het karakter kon aflezen. Met zijn assistent Spurzheim ging Gall lezingen geven die al snel razend populair werden. Niet in het minst omdat hij het show-element niet schuwde, maar ook omdat het behapbare materie was voor het publiek dat niet altijd uit geschoolde academici bestond. Zijn verzamelwoede omtrent schedels nam zulke vormen aan dat hofbibliothecaris Michael Denis expliciet in zijn testament liet opnemen dat zijn schedel niet in de handen van Gall mocht vallen na zijn overlijden; “Mein Kopf geht nicht nach Gall.”

Gall mocht uiteindelijk niet meer optreden in Wenen omdat zijn ideeën te materialistisch zouden zijn. Hij vertrekt naar Berlijn en later naar Amsterdam. Uiteindelijk zou hij in Parijs eindigen, waar hij ook begraven ligt. Uiteraard werd zijn eigen schedel ook onderzocht en die uitslag was opmerkelijk;

De aanwezige deskundigen waren teleurgesteld, want op basis van de hersen-schedelleer was er eigenlijk niet veel opvallends te zien en te voelen aan de schedel van de meester zelf. Het was allemaal wat gewoontjes.

Het boek, en dat is een verdienste, gaat na de dood van Gall nog zo’n 100 pagina’s door. Het behandelt namelijk ook de lotgevallen van zijn assistent Spurzheim, die zijn leer commercieel uitbuitte tot in Amerika aan toe, waar hij ook overleed. Het boek gaat nog verder en laat zien welke navolgers de schedelleer of frenologie kende en hoe dit doorwerkt tot in onze eeuw aan toe.

Maar het belangrijkste is toch Franz Joseph Gall en de duiding van zijn leer. Mulder geeft aan dat het makkelijk is om met de bril van nu hoofdschuddend achterom te kijken en ons af te vragen hoe men in zo’n leer heeft kunnen geloven. Hij zet het verhaal in zijn tijd en laat zien dat Gall als wetenschapper wel degelijk van belang is geweest. Hij was een voortreffelijk anatoom en feitelijk een vroege gedragswetenschapper. Hij beschreef het belang van zenuwbanen en zag als eerste dat hersenen ‘ontstonden’ uit het ruggenmerg. Hij legde het fundament voor de neurowetenschap. Tegelijk viel hij keihard in een methodologische valkuil. Hij was zo overtuigd van zijn eigen leer dat hij wist waarnaar hij zocht en het bijgevolg ook vond. Hij deed geen controleproeven en liet collega’s niet meekijken. Verder nam hij geen leerlingen aan en liet hij geen spoor op schrift achter.

Mulder laat dus prima zien hoe Gall tot zijn leer kwam, wat zijn verdiensten waren en waar hij de mist in ging. De erfenis in de vorm van zijn opvolgers komt ook uitgebreid aan bod, net als de voors en tegens van zijn leer. Zo lezen we over recruteringsbureaus gebaseerd op de frenologie. Er werd serieus gedacht dat mensen op uiterlijke kenmerken geselecteerd konden worden voor bepaalde functies. Op een ander niveau waren er ook schaduwkanten. Er sloop een racistisch wereldbeeld en een westerse superioriteitsgedachte de ideeën over schoonheid en de perfecte schedel binnen.

Het boek is geen dikke biografie, het telt 288 pagina’s. Dat heeft te maken met het feit dat Gall weinig tot niets opgeschreven heeft over zijn persoonlijk leven. Hij was getrouwd en had een zoon, maar leefde gescheiden van hen. Hij schreef wel brieven maar in de regel als hij iets nodig had van iemand. Daarom valt het te prijzen dat zijn biografie is uitgebreid met een goede beschrijving van de tijd waarin hij werkte én de invloed van zijn leer op de wetenschap die na hem kwam.

9045000571.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De wereld zonder ons van journalist Alan Weisman gaat over het volgende;

…stel dat het ergste is gebeurd. De mens is definitief uitgestorven…Kijk om u heen, kijk naar de wereld van nu. Uw huis, uw stad. Het land eromheen, het plaveisel onder uw voeten en de grond eronder. Laat het allemaal daar, maar haal de mensen weg. Hoe zou de rest van de natuur reageren als ze ineens werd verlost van de genadeloze druk die we op haar en op onze medeorganismen uitoefenen? Hoe lang zou het duren voordat het klimaat zou terugkeren naar het punt waar het gebleven was, voordat wij al onze motoren startten?

Intrigerende vragen en er zijn er meer. Zouden er nooit mensen zijn ontstaan, hoe zou het de planeet dan zijn vergaan, of was het onvermijdelijk dat wij ontstonden? Als we verdwenen, zouden wij, of iets dat even complex is, dan opnieuw ontstaan? Dit zijn vragen die mij uitnodigen tot verder lezen en ik vond dit boek een redelijke eye-opener. Goed 300 pagina’s razend interessant leesvoer.

Allereerst begint het redelijk dicht bij huis. Wat gebeurt er met een huis, een gebouw. Het zet uiteen, krimpt en onder de weersinvloeden komen er lekken. Vocht en schimmel zullen het gebouw uiteindelijk onderuit halen. Er kan natuurlijk bliksem inslaan waarbij branden uitbreken. Ik wist niet dat structuren als de grote bruggen in de Verenigde Staten waarschijnlijk heel lang mee zullen gaan wegens de gigantische overconstructie. Die zijn zo degelijk gebouwd dat al het verkeer dat er dagelijks overheen gaat niet meer dan een vlieg op een olifant is…

Onvermijdelijk komt in een boek als dit onze erfenis aan bod. Wat laat de mens na als hij er niet meer is. Ik zei al dat het een eye-opener was en de feiten liegen er niet om. Plastic om te beginnen. Plastic wordt namelijk niet afgebroken. Het wordt kleiner, zeer klein zelfs, maar ieder stukje plastic dat de afgelopen zestig jaar is gefabriceerd op deze wereld is nog steeds aanwezig en bevind zich ergens in het milieu. We hebben het dan over meer dan 1 miljard ton plastic…Toch is expert dr. Anthony Andrady, schrijver van het boek Plastics in the Environment, ‘optimistisch’;

‘Ik weet zeker dat je vele soorten microben zult vinden met genen die geschikt zijn om dit enorm heilzame werk te doen…Het zal honderdduizenden jaren duren voordat de hedendaagse hoeveelheid plastic verteerd is, maar uiteindelijk zal het allemaal biologisch worden afgebroken.’

Maar onze invloed reikt nog verder. Sommigen metalen als lood en chroom blijven griezelig lang bewaard in de bodem. Lood verdwijnt met 35.000 jaar, chroom met 70.000 jaar. Ook een aantal menselijke creaties zullen de tand des tijds aardig doorstaan. Zo is er de Kanaaltunnel. Die wordt beschermd door een verzonken mergelbedding en heeft daardoor de kans om nog miljoenen jaren te blijven bestaan, tot hij door continentverschuiving uiteengerukt of in elkaar geperst wordt. En de portretten van Amerikaanse presidenten op Mount Rushmore, gehouwen uit precambrisch graniet? Die zullen, rekening houdend met de huidige erosie, gerust nog 7,2 miljoen jaar zichtbaar blijven…

Een apart hoofdstuk is onze nucleaire erfenis. Daar ligt een geweldig risico. We zien aan het gebied rondom Tsjernobyl wat een nucleaire nalatenschap kan doen, maar de risico’s voor natuur en milieu zijn met onbemande centrales en opslagplaatsen levensgroot. Onvermijdelijk komt er door brand een enorme hoeveelheid radioactiviteit in de lucht en in nabijgelegen waterlopen. Toch laat het boek ook zien dat de natuur zich hierop ook weer aanpast. Wel bizar om te lezen dat de mens nucleaire opslagplaatsen heeft waar de komende 10.000 jaar zich geen mens mag vertonen…

Als je dit boek leest maakt het je bewust van het feit dat we er nog maar net zijn, als mens. Toen we nog maar één continent hadden, Pangea, is er een vulkanische uitbarsting geweest die zich stormenderhand een weg baande over het continent en 1 miljoen (!) jaar duurde. In combinatie met, waarschijnlijk, een inslag van een asteroïde (vele malen groter dan degene die de dinosauriërs omlegde), verdween toen 95% van het leven op aarde. De curator van de afdeling paleobiologie van het Smithsonian’s National Museum of Natural History, Doug Erwin, hierover;

‘Dat was echt een heel goed idee….Het baande de weg voor het Mesozoïcum. Het Paleozoïcum had al bijna 400 miljoen jaar geduurd. Dat was allemaal prima, maar het was tijd om iets nieuws te proberen.’

Dat maakt meteen duidelijk dat de mens maar een stipje op de tijdlijn van onze aarde is. De mens zal uitsterven, zoals alles tot nu toe, maar het leven zal voortgaan. Het boek staat vol met beschouwingen over de wereld voor én na de mens. Toch zal het zo’n vaart niet lopen. Nick Bostrom, hoofd van het Future of Humanity Institute in Oxford zegt:

‘Geen enkel virus kan ooit de hele wereldbevolking van meer dan 6 miljard mensen wegvagen. Met een sterfte van 99,9 procent zou je altijd nog 650 000 van nature immune overlevenden overhouden. Epidemieën maken een soort in feite sterker. Binnen 50 000 jaar zouden we makkelijk weer terug kunnen zijn op het punt waar we nu zitten.’

Daarover maak ik me dus vooralsnog weinig zorgen. Des te meer om wat we achterlaten in het milieu, want als we toch ineens zouden vertrekken moet moeder aarde een aardig tandje bijzetten. Het lukt haar, dat is zeker.

Vertaling; Peter Diderich

c3bb75eec47489a5976666f6a77444341587343
De onderaardse wereld van Athanasius Kircher van Anton Haakman is een apart boek. Het staat te boek als een roman en zo zal ik hem opnemen, maar heel veel heeft de auteur er niet aan hoeven te verzinnen. Het materiaal werd hem in de schoot geworpen.

Dat zit zo. De auteur heeft lang onderzoek gedaan naar de figuur van Athanasius Kircher (1602-1680). Kircher was een Duitse jezuïet en werd tijdens zijn leven beschouwd als één van de grootste en meest universele geleerden van zijn tijd. Hij zou zo’n achttien talen beheersen en boeken hebben gepubliceerd over talloze onderwerpen, zoals optica, magnetisme, geologie, geheimschrift en Egyptische hiërogliefen. Het onderzoek van Haakman leidde uiteindelijk tot de productie van een film in 1974 over Kircher.

Het verhaal heeft twee kanten. De moderne zoektocht (let wel, jaren zeventig en tachtig) naar de nalatenschap van Kircher en een beschrijving van Kircher in zijn tijd. Je valt van de ene verbazing in de andere, want lijkt bovenstaande al veel, Kircher deed ook nog aan musicologie, mineralogie, taalkunde, biologie, geneeskunde en ontwierp rekenmachines, toverlantaarns, een kattenpiano, een componeermachine, een metaforenmachine enzovoort. Dat alles onder één motto, “Omnia in omnibus” (alles ligt in alles besloten). Dat wil zeggen dat hij overal samenhang zag en dat er een alomvattende kennis was.

Haakman loopt in zijn onderzoek aan tegen twee Kircher-adepten, de Commendatores Beck en Franzl. Zij zijn de oprichters van de “Internationale Athanasius Kircher Forschungsgesellschaft”. Dat klinkt indrukwekkend, maar de club blijkt uiteindelijk twee leden te hebben. Het lijken oplichters en zwendelaars en dan wordt ook de raamvertelling duidelijk die dit boek is, want er zijn parallellen met Kircher zelf. Ook hij wordt later omschreven als fantast, charlatan en oplichter. Haakman schrijft;

Mijn belangstelling voor Kircher was aanvankelijk vooral gewekt doordat het er alle schijn van had dat hij een bezeten fantast was geweest, een grootmeester in de geheime kunst van het bedriegen, een oplichter zo geniaal als alleen een oplichter kan zijn die zijn eigen leugens gelooft, een man die door grootheidswaan en paranoia gestimuleerd werd bij het vinden van verborgen betrekkingen en het ontraadselen van geheimen. Nu werd mijn belangstelling voor het Kircher-genootschap gewekt door een gevoel dat hier misschien twee grootse fantasten Kirchers voetspoor volgden.

Een lang citaat maar hier gaat het om. Was Kircher een fantast? Misschien, maar wellicht ook niet en daar begint ook mijn nieuwsgierigheid naar de man. Vast staat dat hij dacht de Egyptische hiërogliefen te hebben ontcijferd, maar dat hij er naast zat. Hij voorzag zelfs obelisken in Rome met betekenisloze afbeeldingen waar hij zei de ontbrekende hiërogliefen aan te vullen. Echter, achteraf bleek dat zijn studie van het Koptisch de uiteindelijke ontcijferaar Champollion aardig op weg geholpen heeft.  Ook opperde Kircher als eerste dat de pest werd veroorzaakt door onzichtbare organismen en hij nam ook maatregelen om de pest tegen te gaan. Fantast of wetenschapper? Haakman noemt hem geen wetenschapsman maar een interpreteermaniak. Er waren sceptici genoeg;

Niet iedereen geloofde in Kirchers grootheid. Een grappenmaker die André Müller heette, stuurde Kircher vanuit Berlijn een aantal willekeurige krabbels, met de vraag of het soms hiërogliefen waren. Prompt ontving Müller een bevestigend antwoord en een vertaling. Liet Kircher zich beetnemen, of beantwoordde hij een grap met een grap?

Dit vraagstuk wordt knap door het hele boek gewoven. Met wie hebben we te maken. Ook wat de beide Kircher-adpten Beck en Franzl betreft. Zijn het oplichters of niet? Haakman vindt er bewijzen genoeg voor. Hij ontmoet Beck nog één maal en dan ontspint zich een interessant gesprek wat ik niet zal weggeven, maar waar Beck zijn theorie over Kircher uitéén zet, en misschien daarmee ook over zichzelf.

Geen kritiek op dit boek van 266 pagina’s? Weinig, of een paar herhalingen van zetten. Ik kom informatie op meerdere plaatsen in het boek tegen én alle titels van personen en naslagwerken (en dat zijn er veel) worden allemaal voluit geschreven. Laat het u niet tegenhouden, het is een vermakelijk boek.

a61142a7034224359326b695551437641414141
De roman Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq maakte nogal wat reacties los bij het verschijnen ervan. De auteur werd beschuldigd van vrouwenhaat, racisme, pornografie en homofobie. Als je dat met goed 300 pagina’s voor elkaar krijgt heb je in ieder geval wat bereikt.

Het is het verhaal van de halfbroers Michel en Bruno. Michel is slim en wordt een briljant moleculair bioloog. Bruno is een losbol en ontwikkelt zich tot een aan sex verslaafde genotzoeker. Michel zou succes bij de dames kunnen hebben maar toont geen belangstelling. Bruno wil graag succes bij de dames maar is veroordeeld tot peepshows en prostituees. Zijn leven in een notendop:

Terwijl hij zijn screwdriver opdronk, merkte Bruno dat Karim erin was geslaagd de rozenkruiserin op een helling in het gras te krijgen…’Ze doet toch mooi wel haar beentjes wijd, die nazi-snol…’ dacht hij, terwijl hij bij de dansers wegliep. Net voordat hij de lichtcirkel verliet, zag hij in een flits hoe het katholieke meisje haar kont liet betasten door een soort van skileraar. Hij had in zijn tent nog een blik ravioli staan.

De taal en de sex in het boek zijn onverbloemd. Aan de kant van Michel wordt een andere taal gesproken. Hier worden de teksten gelardeerd met kleine biologische colleges die laten zien dat Houellebecq zijn huiswerk heeft gedaan (hij is zelf afgestudeerd landbouwingenieur). Michel houdt zich bezig met de bouwstenen van het leven en hoe die naar zijn hand te zetten. Hij schrijft er een belangrijk werk over waar andere geleerden verder mee kunnen. Michel verdwijnt uiteindelijk spoorloos, Bruno eindigt in een inrichting.

Dat werk van Michel, dat heeft te maken met de visie van Houellebecq op de mensheid (althans, in deze roman). Eigenlijk deugt daar niets van. Hij bouwt voort op het boek Brave new world van Aldous Huxley, waarin verschillende typen mensen in reageerbuizen worden gekweekt. In Houellebecq’s roman moet de mensheid eigenlijk verdwijnen. – Spoileralert! – Dat komt ook uit, want aan het eind van het verhaal blijkt er sprake van een alwetende verteller die een kloon is van het soort, bedacht door Michel. Het is een mooie passage in het boek:

Er bestaat nog altijd een aantal mensen van het oude ras…Hun vruchtbaarheidscijfer daalt echter elk jaar, en het lijkt nu onvermijdelijk dat ze zullen uitsterven. Tegen alle pessimistische verwachtingen geschiedt die uitsterving heel rustig…Het is zelfs verbazingwekkend te zien hoe kalm, gelaten, en heimelijk misschien wel opgelucht, de mensen hebben ingestemd met hun eigen verdwijning.

Het is geen vrolijk verhaal, zelfs pessimistisch. Toch heb ik wel genoten van die mix van rauwe wellust enerzijds en kille wetenschap anderzijds, met zijn beklemmende einde. Het leest als een aanklacht tegen de hedendaagse maatschappij met zijn consumentisme en het kan nooit kwaad de boel eens flink op te schudden. Brave new world ga ik herlezen.

Vertaling: Martin de Haan

9025442420.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Orfeo van Richard Powers gaat over de gepensioneerde avant-garde componist Peter Els. Jarenlang heeft hij getracht zijn composities aan de man te brengen, zonder veel succes. Op latere leeftijd, als men al klanken aan DNA heeft weten te onttrekken, gaat Els op zoek naar het omgekeerde. Hij wil melodieën in het DNA vervlechten. Daarvoor schaft hij zich een privé-laboratorium aan en gaat experimenteren.

Maar…Els leeft in de Verenigde Staten van na 9/11 en vindt al snel de Homeland Security op zijn stoep. Die houden niet van mensen die hobbyen met bacterieculturen. Zo ontstaat een fascinerende roadmovie van een componist op leeftijd, op de vlucht voor justitie. Dit verhaal wordt gelardeerd met flashbacks over het leven van Els. Zijn jeugd, waarin hij zich bezighield met muziek en scheikunde, een vroege vriendin, zijn eerste werken en vriendschap met de maniakale kunstenaar Richard Bonner. Met de laatste zou hij enig succes oogsten door een opera voor hem te schrijven. Zijn huwelijk, zijn dochter en zijn scheiding. Het leven van een einzelgänger die stoïcijns zijn lastige muziek blijft schrijven.

Het lijkt niet erg opzienbarend, maar ik vond het een prachtig boek. Powers schijnt een voorliefde te hebben om in zijn romans muziek met wetenschap te combineren en dat is hier voortreffelijk gelukt. Hij schrijft het allemaal in een erg mooie stijl op ook. Over zijn worsteling met de modernere muziek:

Heimelijk keerde hij terug naar het uitgeputte vocabulaire van de oude meesters. Hij zocht naar gemiste aanwijzingen en probeerde uit te vinden hoe ze het ooit hadden klaargespeeld de ingewanden samen te knijpen en de menselijke ziel, of wat daarvoor doorging, te laten volstromen. Ergens geloofde hij nog steeds dat de betovering alleen maar kon worden hersteld door achteruit de toekomst binnen te wandelen.

Het verhaal beschrijft uitgebreid klassieke stukken van bijvoorbeeld Mahler, Shostakovich en Harry Partch. Je zoekt de muziek er automatisch bij, ik heb weer veel bijgeleerd. Ik heb veel aantekeningen gemaakt van mooie zinsnedes of vondsten. Zoals de terugkerende mantra van Bonner “je moet ziggen als ze denken dat je gaat zaggen”. Het “componeren voor niemand”, omdat hij geen succes heeft én omdat zijn muziek misschien wel voor altijd onhoorbaar in het DNA besloten blijft. Er zit een prettig soort logica in.

Hij twittert hoe hij zijn muziek de ruimte gaf. Over hoe ze zich overal verspreidt, in de lucht om je heen, in de voegen tussen je badkamertegels. Misschien adem je het op dit moment wel in, een lied dat je nooit zal kunnen horen.

Hoewel er soms wat muziektechnische termen in staan die niet iedereen direct zal kunnen plaatsen, zorgt de mix van wetenschap, muziek en de vlucht van Els gewoon voor een erg mooi boek.

Vertaling: Rob van Essen

Dit stuk speelt een rol in het boek en wordt uitgebreid beschreven, evenals het instrumentarium

9046803252.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Laat ik er maar voor uitkomen. Ik houd van vogels. Toen ik het boek Vogels van formaat van Reinjan Mulder tegenkwam moest het gelezen. Het gaat over het duurste boek ter wereld, met handgetekende vogels, Birds of America van John James Audubon. Ik heb al honderd jaar het onvolprezen Zien is kennen in de kast staan, ook met handgetekende vogels, maar da’s toch anders.

Het boek telt maar 57 pagina’s en veel foto’s en toch is er veel over te vertellen. Het begint allemaal in het Teylers Museum in Haarlem, in 1833. Martinus van Marum, directeur, krijgt bezoek van de zoon van John James Audubon. Zoon is op zoek naar intekenaars voor een projectje van zijn vader, namelijk om alle vogels van Noordelijk Amerika op ware grootte weer te geven in een aantal boeken. Van Marum is enthousiast en is niet bang om een groot deel van zijn budget uit te geven als hij dat nodig acht. Dat doet hij en dat blijkt uiterst zinvol.

Audubon werd geboren op Haïti uit een Frans dienstmeisje en een gegoede Fransman. In Amerika kwam hij een vogelkenner tegen en als tekenaar zag hij mogelijkheden. Het project was geboren. Hij reist het hele land door om zoveel mogelijk vogels af te kunnen beelden. Dat is niet te onderschatten, want er waren in die tijd delen waar nog geen blanke was geweest. Hij voelde zich dan ook woudloper en Amerikaan pur sang.

Zijn kunst dan. Anders dan zijn voorgangers beeldde Audubon zijn vogels af in hun natuurlijke omgeving, in plaats van tegen een neutrale achtergrond. De tekeningen zitten dan ook vol details, zoals de langpootmug die opgejaagd wordt, de bessen die worden verschalkt enzovoort. Ik zat mij net te bedenken dat ik de tekeningen af en toe wat dik aangezet vond, toen dat direct bevestigd werd door Audubon zelf:

‘De posities’ schrijft Audubon, ‘waarin ik vogels afbeeld, lijken soms misschien een beetje overdreven, maar daar kan alleen iemand over vallen die niet vertrouwd is met de gevederde stammen, want geloof me, niets kan veranderlijker zijn dan de houding en posities van vogels. De reiger die zichzelf opwarmt in de zon, kan zijn vleugels soms een heel stuk laten zakken, alsof ze los zitten.’

Ik zeeg gerustgesteld weer achterover, want eigenlijk vind ik de tekeningen schitterend. Nog een klein stukje dan:

Wanneer Audubon twee mezen afbeeldt, is dat niet zomaar een mannetjesmees en een vrouwtjesmees, nee, hij laat een echtpaar zien, een man en zijn vrouw, met hun getut en al het lief en leed dat zij samen delen. Niets menselijks is zijn vogels vreemd.

Toch werd het boek weinig verkocht. Mensen haakten af, moesten lang wachten of vonden het te duur. Naast het Teylers Museum was er in die tijd nog maar één Europese intekenaar, een Italiaanse groothertog. Door die kleine oplage wordt het boek duur. Er zijn 28 exemplaren uit elkaar gehaald, 11 verbrand of vernietigd door oorlog en 14 exemplaren in het niets verdwenen (hier vestig ik al mijn hoop op). In 1973 waren er nog 134 volledige exemplaren bekend, 94 in de V.S. en 17 in Engeland. Inmiddels wordt het aantal complete sets op 119 geschat. Die zeldzaamheid heeft zijn prijs, er is begin 2012 een boek geveild voor bijna $ 8 miljoen.

Was Audubon nog van belang als wetenschapper? De meningen zijn verdeeld. In de V.S. werd hij gezien als een poseur. Zo werd hij tijdens een presentatie fijntjes gewezen op het feit dat een ratelslang, mooi weergegeven door hem, niet in bomen klimt. In Engeland kreeg hij wel erkenning. Toch heeft de man niet veel nieuwe vogels ontdekt. Er staan vogels in het boek die hij nooit in Amerika heeft gezien, maar die hij uit Britse musea heeft nagetekend. Hij heeft vrij veel vogels, die ook nu nog voorkomen in Amerika, over het hoofd gezien. Van de ongeveer duizend soorten heeft hij de helft niet weergegeven. Dat is vrij veel voor iemand met zijn pretenties. Aan de andere kant, er zijn argumenten dat hij van groot belang is geweest voor Darwin en zijn theorie. Het wordt keurig uiteengezet in het boek.

Tegenwoordig bestaat er een National Audubon Society, met meer dan 70 natuurreservaten door Amerika. Dat levert een mooie tegenstrijdigheid op, want bedenk dat Audubon iedere vogel die hij heeft weergegeven eerst geschoten en opgezet heeft, ook de zeldzame soorten als de trompetkraanvogel. Hij heeft eens duizenden goudplevieren op een dag gedood en hij schiet meeuwen:

Het mannetje wordt meteen dodelijk door hem geraakt en stort neer, maar het vrouwtje ontkomt nipt aan de dood. Treurend hipt zij om zijn kwijnende lichaampje heen. Met een tweede schot schiet Audubon dan ook haar maar neer. Vredig naast elkaar geven zij de geest. Vol authentiek aandoende deernis, als een beul die over het lot van zijn gehangenen treurt, schrijft Audubon: ‘Daar, zij aan zij, zoals in het leven zo ook in de dood, daar zweefden de verrukkelijke vogeltjes.’

Het kan verkeren. Op 16 juni 1838 zijn alle delen van het boek verschenen: 435 platen met 1065 vogels. Martinus van Marum heeft het laatste deel niet meer binnen zien komen, maar heeft Nederland een prachtwerk bezorgd.

Een belachelijk lange bespreking eigenlijk. Maar ja. Ik houd van vogels.

audubon1

De vogels op ware grootte

AUD028 John Audubon Plate 102 Blue Jay

De blauwe gaai