archiveren

Parijs

0880014962.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de boeken die ik de laatste tijd heb gelezen over het Parijs tussen de twee wereldoorlogen in, was er één figuur die steevast opdook. Dat was Kiki de Montparnasse. Ik was geïntrigeerd genoeg om haar boek Kiki’s Memoirs aan te schaffen en ik heb er geen spijt van. Natuurlijk wil je de eerste uitgave graag hebben uit 1929, of de eerst vertaalde uit 1930 maar die zijn niet te betalen, dus ik ging voor de meer betaalbare Engelse heruitgave uit 1996.

Er zijn voorwoorden van de Japanse kunstenaar Tsuguharu Foujita, waarvoor zij model stond en door Ernest Hemingway, die nooit meer voor iemand anders een voorwoord zou schrijven. Dan de memoires van Kiki zelf. Ze baarden nogal wat opzien in hun tijd. Zo werden ze door hun expliciet seksuele inhoud tot in de jaren zeventig verboden in de Verenigde Staten. Nu kijken we er niet meer van op, maar Kiki was haar tijd in Parijs ook aardig ver vooruit.

Ze heette Alice Prin (1901-1953) en kwam uit een dorp in de Bourgogne. Ze werd door grootmoeder opgevoed omdat haar moeder in Parijs zat. Daar kwam ze uiteindelijk toch terecht en kreeg een behoorlijk vrije opvoeding. Hoewel ze een baantje kreeg in een schoenenfabriek poseerde ze al op veertienjarige leeftijd naakt voor diverse kunstenaars. Kiki vertelt;

The next day, I went out to look for work, and I met an old sculptor who, seeing that I was up against it, had me come and pose for him. That was something new for me, to strip like taht, but what else was there to do!…My mother forced her way into the sculptor’s and proceeded to throw a scene. I was posing, and she began to scream that I wasn’t her daughter any more, that I was nothing but a dirty wh-.
That didn’t mean anything to me!
It even cheered me up a little, because I understood now that the game was up.

Het spel was inderdaad op de wagen. Kiki krijgt vriendjes en wordt een steeds bekendere verschijning in het uitgaansleven van Montparnasse. Daar neemt ze ook al snel haar nieuwe naam aan. Talloze kunstenaars ontmoet ze en ze wordt door geschilderd door Foujita en Kees van Dongen, gefotografeerd door Man Ray, weergegeven door Alexander Calder, in brons gegoten door Pablo Gargallo enzovoort. Ze ziet er geen been in om gevraagd of ongevraagd haar boezem te ontbloten of haar rokken op te tillen terwijl ze wat chansons laat horen. Hoewel ze geen fantastische stem had volgens de overlevering was haar populariteit onverminderd groot. Zelfs haar fysieke ongemak, het ontbreken van schaamhaar wist ze tot een unique selling point te maken;

Posing is something I’m not very crazy about, for I’ve got a pilose system that’s not as well developed as it might be in a certain spot, and so, I have to dab myself up with black chalk. But I can give a swell imitation of hair!

Ik heb de memoires niet in het Frans gelezen en hoewel Hemingway in zijn voorwoord aangeeft dat deze eigenlijk niet te vertalen zijn, is de taal ongekunsteld en vrijuit. Het leest makkelijk weg. De meerwaarde van dit boek zijn de vele foto’s die er in staan van Kiki, van haar vrienden, haar minnaars, de artiesten die haar vereeuwigden, van de kunst die van haar is gemaakt én van de kunst die zij zelf maakte. Ook zij tekende en schilderde zelf. Hoewel ze midden in de kringen van dadaïsten en surrealisten verkeerde, had ze er wel een mening over;

We hang out with a crowd called Dadaists ans some Surréalists – for my part, I don’t see much difference between them!

Ongekunsteld en vrijuit…Oud werd ze niet. Ze zakte op 51-jarige leeftijd ineen aan de Côte d’Azur, waarschijnlijk aan de gevolgen van drugs- en alcoholgebruik. Maar ze leeft voort in haar memoires en vooral in de prachtige werken waartoe zij velen inspireerde.

Beelden van Kiki de Montparnasse in een film van Man Ray en Fernand Leger

Vertaling; Samuel Putnam

9045016990.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Hoe moet je het boek Hoogtij langs de Seine van Diederik Stevens nu eigenlijk noemen? Een kunstgids, een stadsgids, een geschiedenisboek? Het heeft van alles wat. De ondertitel luidt Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs, waarbij we dan blijkbaar vaststellen dat een schrijver geen kunstenaar is.

Maar zo begint het ook. Het boek telt 470 pagina’s en de eerste 250 daarvan zijn gereserveerd voor korte biografieën van Nederlandse kunstenaars, zoals Simon Vinkenoog, Karel Appel, Corneille, Hugo Claus, Jan Wolkers etc. De overige pagina’s zoemen in op de locaties waar al die kunstenaars kwamen. De hotels, de academies, de ateliers en galeries, de boekhandels, bioscopen en bars, de brasseries en clubs die ze bezochten.

In dat tweede deel lijkt de schrijver op twee gedachten te hinken, want ging het niet om Nederlandse kunstenaars? Die voeren hier niet de boventoon. We lezen over Ernest Hemingway, Kiki de Montparnasse, Juliette Gréco, Pablo Picasso en al die anderen die Parijs bevolkten in de vorige eeuw.

Die twee gedachten stoorden mij overigens niet want laat ik het maar zeggen, het is één van de leukste boeken die ik ooit las. Nu niet meteen naar de boekhandel rennen, want dat kan goed aan mijn persoonlijke voorkeur liggen voor de stad Parijs in combinatie met de bohémiens die daar vertoefden. Je moet er wel van houden.

Zo leer je uit dit boek dat het beeld van de arme kunstenaar geenszins overdreven was. Het was moeilijk om aan woon- en werkruimte te komen. Appel en Corneille konden aan ateliers komen in een groot gebouw waar een vreselijke stank heerste van de huiden van een leerlooierij die daar lagen te drogen. Schrijvers en dichters zaten vaak een hele dag op één consumptie in een brasserie, omdat ze daar enigszins warm konden werken;

In korte tijd verrijst Appels provisorische atelier. Werktafels maakt hij van oude deuren…Appel schildert energiek maar wegens geldgebrek met weinig verf, en vooral op jute, in plaats van op duur linnen. Hard werken blijkt trouwens de enige remedie om warm te blijven, want het geïnstalleerde stookkacheltje heeft bij lange na niet genoeg kracht om het tochthol op temperatuur te krijgen.

Het is prachtig om van de avonturen van die Nederlandse kolonie in Parijs te lezen. Ik wist bijvoorbeeld niet dat Simon Vinkenoog zo’n verbindende factor was in die club. Maar het wordt eigenlijk nog leuker als al die locaties worden beschreven. Vanaf de ontstaansgeschiedenis tot aan heden. Je leest over al die beroemde gelegenheden als La Rotonde, Café Le Dôme, Les Deux Magots en La Coupole en vooral over wie er kwamen. De Amerikaanse schrijver James Baldwin zei:

The moment I began living in French hotels I understood the necessity of French cafés.

De Academies waar ook de Nederlanders les kregen of poseerden spelen een grote rol. De opkomst van de jazz-kelders in Parijs en alle grote sterren die er optraden, het staat er in. In het boek zijn kaartjes opgenomen met de arrondissementen die beschreven worden en alle plaatsen die worden beschreven staan aangegeven. Prachtig om een keer mee door Parijs te lopen lijkt mij.

Wat beklijft zijn de vele mooie verhalen in dit boek. Over The English Bookshop waar de flamboyante eigenaresse Gaït Frogé haar acrobatiek boven bedreef met welke schrijver dan ook. Over Victor Libion, de eigenaar van La Rotonde;

Uit de mémoires van Kiki de Montparnasse….blijkt dat de bedrijfsleiding van La Rotonde bijna dagelijks servies, bestek en glaswerk moet aanvullen omdat sommige financieel krabbende schilders de café-eigendommen onder hun trui of in hun jassen stoppen…Modigliani heeft die gewoonte alweer een tijd lang afgeworpen wanneer hij op een avond een feest in zijn atelier geeft waarbij ook Libion als gast aanwezig is. Tot zijn verrassing wordt de Rotonde-eigenaar geserveerd op hem overbekend servies. Ook blijkt de kroegbaas in de spijzen te prikken met zijn eigen tafelzilver, terwijl er evenmin onduidelijkheid bestaat over de herkomst van de wijnglazen. Libion vertrekt geen spier, staat op en vertrekt naar zijn café om wijnflessen te halen. Bij terugkomst zegt hij: ‘Alleen de wijn op tafel was nog niet van mij.’

En dat een heel boek lang. Ik ben er druk mee geweest en heb veel opgezocht over mij onbekende kunstenaars en artiesten, of om mijn geheugen weer even op te frissen. Zo weet ik nu dat het kunstwerk de knoop op winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht, waar ik honderden keren langs gelopen ben, van Shinkichi Tajiri is, een Nederlands-Amerikaanse beeldhouwer van Japanse afkomst, uiteraard ook actief in Parijs. Een boek dat ik zeker nog eens uit de kast trek.

9026134894.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Zes families, ruwweg zevenhonderd jaar en een wereldstad. “Meer” heeft Edward Rutherfurd niet nodig om een grote roman over Parijs te schrijven.Het boek telt bijna 800 pagina’s en ik heb mij geen seconde verveeld.

Het boek begint in het jaar 1875, maar de periode die wordt beschreven loopt van 1261 tot 1968. Als ik mijn aantekeningen teruglees duizelt het af en toe nog steeds, want Rutherford legt erg veel lijntjes door de geschiedenis heen. Waar te beginnen? Misschien met de aristocratische familie De Cygne. Roland de Cygne wandelt rond in de 19e eeuw en stamt waarschijnlijk af van de hoofdpersoon uit het Chanson de Roland. Een voorvader was natuurlijk ook d’Artagnan, van die musketiers. Zijn vader, de Vicomte, heeft Communards laten executeren, waaronder Jean le Sourd. Zijn zoon, Jacques le Sourd, zweert om Roland de Cygne hiervoor om te brengen. Voilà, spanning alom.

We maken kennis met de familie Gascon. Luc Gascon is een sjoemelaar en cocaïnedealer. Hij heeft erg veel contacten in Parijs maar ergens gaat hem dit opbreken. Zijn broer Thomas is arbeider en werkt voor monsieur Eiffel eerst aan het Vrijheidsbeeld en later aan de Eiffeltoren. Hij is ook voorman als het art nouveau ijzerwerk wordt aangebracht in het warenhuis van de familie Blanchard. Jules Blanchard heeft dit warenhuis opgezet en dit wordt voortgezet door zijn zoon Gerard. Andere zoon Marc is schilder en voelt aanvankelijk niets voor het zakenleven. Hij voelt wel voor de dames en krijgt een kind bij één van zijn modellen. Dat kind zal later één van de beroemdste bordelen van Parijs gaan leiden en een rol in de Tweede Wereldoorlog gaan spelen. Overigens krijgt zij een kind met Charlie de Cygne, zoon van Roland. Zus Marie Blanchard zal uiteindelijk het warenhuis gaan leiden. Zij trouwde met James Fox, oorspronkelijk uit het Franse geslacht Renard, hoewel ze verliefd was op de Amerikaan Hadley. Gelukkig trouwt haar dochter Claire met Hadley junior. Marie vindt geluk na het overlijden van haar man bij Roland de Cygne. Volgt u het nog? Precies. Een tijdslijn met de familielijnen is redelijk essentieel en die staat gelukkig voor in het boek, zo blijft alles goed te volgen.

Er gebeurt ontzettend veel in het boek. We komen aan het Franse hof in Versailles, maken de beide wereldoorlogen mee, de Franse Revolutie, de Dreyfus-affaire, ontmoeten kardinaal De Richelieu, de schilder Monet, we horen de guillotine zoeven, zijn we bij de begrafenis van Victor Hugo én bij de wild-west show van Buffalo Bill. Ook de Bartholomeusnacht ontbreekt niet. Het boek is net zo opgebouwd als dat ik het hier neer zet. We stuiteren op en neer door de geschiedenis. Reden te meer waarom die tijdlijn onontbeerlijk is, al was het maar omdat men de kinderen graag vernoemde en er alleen al drie Rolands in het boek rondlopen.

Misschien is dat een beetje de makke van het boek. Er gebeurt zoveel, dat de personages een beetje aan de oppervlakte blijven. Aan de andere kant heb ik het gevoel dat ik bovenop de historie zit. Passages als deze, over de bouw van de Eiffeltoren, vind ik heerlijk:

Thomas Gascon was nog nooit in paniek geweest. Hij had nooit gedacht dat het werk aan de binnenrand van de toren anders zou zijn dan dat aan de buitenrand. Maar tot de dag tevoren had hij het netwerk van dwarsbalken onder zijn voeten gehad. Vandaag was er niets. Niets dan veertig meter lege ruimte…Toen realiseerde hij zich dat er twee mannen naar hem omhoogkeken. Monsieur Eiffel glimlachte. Maar aan het oog van Jean Compagnon ontging niets, en hij glimlachte niet.

Er zijn wat losse eindjes en wat toevalligheden in het boek. De Canadees die neerstort bij het kasteel van de familie De Cygne blijkt een nazaat van Alain de Cygne, die door koning Hendrik IV naar Canada is gestuurd. Soit, het zijn maar wat kanttekeningen in een erg onderhoudend boek dat ik achter elkaar uit las. Ik ben benieuwd naar de boeken van Rutherford over New York en Londen.

Vertaling: Kees van Weele

821f302eba0c615593831375841444341587343

Er zijn veel mensen die wel eens een dagboek bijhouden, maar als de beroemde Franse courtisane Liane de Pougy (1869-1950), dat doet…dan heb je wellicht ook wat moois om te lezen. Het resultaat van haar noeste arbeid zijn Mes cahiers blues en ik las de Engelse vertaling, My blue notebooks.

Liane de Pougy werd geïnspireerd door de dagboeken van Marie Bashkirtseff. Ook Liane schreef haar dagboeken voor publicatie en daardoor zijn ze wat gekleurd. Ik vind er weinig negatiefs over Liane zelf in. Daarover zo meer. Desondanks heb ik er wel van genoten.

Even wat highlights. Liane stortte zich al vroeg in een slecht huwelijk met een legerofficier. Zij kregen een zoon die al jong zou omkomen als piloot. Liane vluchtte naar Parijs en ontmoette de beroemde courtisane Valtessa de la Bigne. Daar begon het gelazer. Liane steeg snel in de rangen van de Parijse elite, kwam uit voor haar bisexuele geaardheid en snoepte van ieder walletje dat ze tegenkwam.Zij liet zich overladen met juwelen en schrok niet terug voor uiterlijk vertoon:

One day…the Poirets called on us to invite us to a dinner dance….everyone was to come dressed as a ‘royal’…we decided to appear thus: the King and Queen of Albania, with their Favourite. The favourite was to be an Italian greyhound wearing a collar of gold and lying on a velvet cushion…

Doe maar gek. Liane, inmiddels getrouwd met de Roemeense prins Ghika, laat het af en toe breed hangen. Haar man is haar ontrouw, maar komt later terug, Toch, ondanks al deze liederlijkheid, heeft zij iets van haar religieuze opvoeding behouden. Haar geloof komt regelmatig terug en zij steunt een opvanghuis voor mismaakte en verweesde kinderen. Uiteindelijk is ze, na de dood van haar man, non geworden; een opmerkelijke carrière-move voor een courtisane.

Zoals gezegd schreef ze voor publicatie. Ze laat veel weg en dat wordt summier toegelicht door de uitgever. Het beeld van haar wordt een klein beetje rechtgezet in het voorwoord door de Dominicaan R.P. Rzewuski, die haar kende:

..there is the odd and mysterious business with Nathalie Barney, friend of her early youth in Paris: her beloved and matchless Flossie. They were united by forty years of mutual affection….the bond…would seem to have become stronger, unbreakable. Well, it was not. One day…Liane…almost bumped into her in a narrow alley. She thought she discerned a mocking smile on the Amazon’s lips, turned her head away and went by without saying a word. She never saw her again.

Dat was Liane dus ook. Keihard soms, maar misschien kan dat niet anders als je je staande wilt houden in de Parijse upper-class. Maar het is leuk om een verslag te lezen uit het Parijs rondom de start van de twintigste eeuw, waar Marcel Proust in het wild rondliep, evenals de componisten Hahn, Poulenc, Auric en de alleskunner Jean Cocteau. Misschien moet u soms wat nazoeken wie Max Jacob (dichter) of Salomon Reinach (linguïst en archeoloog) ook al weer was, maar dan duikt u in een mooie tijd.

Vertaling: Diana Athill

depo1a

Liane de Pougy & Suzanne Dorval

bfd019459ce6530593778565967444341587343

Ik las het boek Zwerver in Parijs van Henri van Leeuwen in mijn jeugd al eens en het is een boek dat mij nooit meer heeft losgelaten. Toen ik het tegenkwam voor een luttel bedrag moest het direct aangeschaft. Ik was benieuwd of het nog steeds zo’n indruk zou maken.

Ja en nee. Het is het verhaal van een schrijver die in gezelschap naar Parijs vertrekt en daar oog heeft voor de vele clochards die Parijs bevolken. Hij vat het plan op om zelf als clochard in Parijs te gaan leven om hen zo te leren kennen en hun verhalen op te tekenen. Aanvankelijk loopt hij overdag als zichzelf door Parijs en ’s avonds als een verklede zwerver, waar hij liederen zingt langs de terrasjes. ’s Avonds slaapt hij dan nog in zijn hotel. Maar hij wil meer, de straat op, helemaal…

Toch moest dit komen en het zou komen, dat wist ik zeker, want in mijn hart was ik een clochard, die met alles gebroken had. Maar ja, het was een stap om tot de daad te komen. Goedbeschouwd hield niets mij tegen. Parijs herbergde duizenden van die stille, eenzame figuren, vermoeide, vergeten en verloren levens, mensen die leven van wat het lot hun brengt, die schouderophalend hongeren zonder te morren. Ze vormen een wereld op zichzelf, hebben in wezen met alles afgedaan en staan buiten het mechanisme van de geordende samenleving.

Uiteindelijk slaapt hij buiten en in opvanghuizen. Hij struint door de hallen en door de achterbuurten van Parijs. Hij wordt gearresteerd en komt in de ‘coin’, de arrestantenhoek, terecht. Hij ziet de Seinegieren die de ronddrijvende lijken beroven en komt in aanraking met de onderwereld. Maar hij gaat vooral gesprekken aan. Wat dan volgt zijn de levensverhalen van de mensen achter de zwervers. Het is het verhaal van Mira van de Hallen, van Marie La Salope, van de Japanse Taiso, van de oude Bels.

Het zijn schrijnende verhalen van mensen die zijn afgegleden. Zo is er de keurige kassier die zich laat verleiden door een mooie vrouw tot een miljoenenroof. Ze vluchten naar Marokko, waar hij in de gaten krijgt dat hij door haar bedrogen wordt. Zij gaat er met een vriend vandoor en hij heeft niets meer. Hij gaat hen achterna en vindt ze in een hotel;

Daar stond ze, haar ochtendjas los om haar schouders, de haren wat vochtig en verward. Ze schrok hevig. Haar grote ogen staarden mij aan of ze een spookverschijning zagen. Zij opende de mond, maar er zou geen woord meer over haar lippen komen. Het automatische pistool in mijn hand gaf snel achtereen twee vuurflitsen…Dat was het einde…De rest voltrok zich als in een nevel. Gillen, lawaai, mensen, politie, de klik van de boeien die zich om mijn polsen sloten…Ik stierf innerlijk, gelijk met haar.

Het boek staat vol met dergelijke verhalen. Ik denk dat de schrijver het mooier heeft opgeschreven dan het aan hem is verteld, want het is allemaal in bovenstaande stijl opgetekend. Dat verklaart de ja en nee van hierboven. De verhalen maken nog steeds indruk, want ik geloof wel dat er dergelijke verhalen achter al die zwervers schuilgaan. Het is allemaal wel iets te mooi, te hoogromantisch neergezet. Toch heeft het boek, tot op de dag van vandaag, mij met andere ogen doen kijken naar welke zwerver dan ook.

994a658efda72815936636f5267444341587343

De Kreeftskeerkring van Henry Miller is geen vrolijk boek. Het is een rauwe, niets verhullende, autobiografische roman over de tijd dat Miller als verarmde immigrant in Parijs leefde. Het boek werd in 1934 voor het eerst uitgegeven door een kleine Parijse uitgeverij, Obelisk. Het deed nogal wat stof opwaaien door het taalgebruik en de sexuele thema’s die door het hele boek aanwezig zijn. Miller geeft dat op de eerste pagina al aan:

Dit is geen boek. Dit is smaad, laster, eerroof. Dit is geen boek in de gewone zin van het woord. Nee, dit is één voortdurende belediging, een fluim in het aangezicht van de Kunst, een trap tegen het achterste van God, Mens, Lot, Tijd, Liefde, Schoonheid…wat je maar wilt. Ik ga voor je zingen, een beetje vals misschien, maar ik zing toch. Ik zing terwijl jullie kreperen, ik dans op je gore lijk…

Geloof me, dan is de toon wel gezet. Zoek geen plot in dit verhaal. Het gaat over Miller en zijn vrienden of kennissen, dat is maar hoe het uitkomt. Ze werken niet of af en toe, ze eten, zuipen en neuken. Het gaat nergens naar toe, het is er gewoon.

Het boek wordt door de één verguisd, door de ander bewonderd. Het heeft een hele generatie geïnspireerd, je kan het zelfs nu nog teruglezen in de recensies op bijvoorbeeld LibraryThing:

This book changed my life. Made me drop out of college and travel… changed the way I read, write, think. Miller’s Masterpiece. ( )
  vote | flag

Aan de andere kant wordt het boek bekritiseerd door de vrouwonvriendelijke passages. Vrouwen dienen ter bevrediging van de mannelijke lusten in dit verhaal, meer niet.

Aan grote karakterschetsen wordt niet gedaan. Collins, Fillmore, Van Norden en Carl komen en gaan, niet zelden bepaald door aan- of afwezige valuta. We lezen over de belevenissen met Franse en Russische hoeren en “vriendinnen” die voor één of enkele nachten worden meegenomen. Je krijgt een aardig beeld van de omgeving waarin Miller verkeerde:

Ze maakte zich van kant, dat zou ze doen. Maar ja, ze was zo dronken dat ze toen ze uit de taxi tuimelde, begon te huilen en voor iemand haar kon tegenhouden was ze begonnen haar kleren uit te trekken. Zo bracht de chauffeur haar thuis, half naakt en toen Jimmie zag in wat voor toestand ze verkeerde, werd hij zo razend op haar dat hij zijn aanzetriem nam en haar ongenadig op haar donder gaf en dat vond ze nog leuk ook, de sloerie.

Het zijn berichten van de zelfkant van een samenleving aan het begin van de vorige eeuw. Het oeuvre van Miller is populair, hoewel critici het er niet over eens zijn of dat is vanwege de literaire kwaliteit van het werk of omdat de sex er ongecompliceerd in wordt beschreven.

Mij beviel het boek. Het hoeft voor mij niet allemaal mooi en netjes. Als er zo gedacht en geleefd werd mag het ook zo opgeschreven worden. Het leest goed door en van meet af aan is duidelijk dat het geen verhaal met plot is of zoiets en dat mis ik dan ook niet. Het eindigt met een tevreden Miller, mijmerend over de Seine, als een sussende coda na een spetterende symfonie.

Vertaling: John Vandenbergh

9045014599.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Een bed tussen de boeken van Jeremy Mercer is een boek over een boekhandel. Niet zomaar een boekhandel, maar zo’n beetje de beroemdste boekhandel van Parijs, Shakespeare and Company.

De geschiedenis van deze boekhandel gaat terug tot 1919, toen Sylvia Beach in de rue Dupuytren de originele winkel opende. Het was een plek van samenkomst voor schrijvers als F. Scott Fitzgerald, Gertrude Stein en Ezra Pound. Hemingway noemt de winkel in zijn memoires en Ulysses van Joyce wordt er uitgegeven. In de Tweede Wereldoorlog werd Beach gedwongen de winkel te sluiten.

Tien jaar na de oorlog werd een soortgelijke boekwinkel geopend op de linkeroever van de Seine. Eigenaar: dromer, zwerver en schrijver George Whitman. Aanvankelijk noemde hij de winkel
Le Mistral, maar met toestemming van Sylvia Beach werd het Shakespeare and Company. Whitman zorgde ervoor dat ook deze winkel een ontmoetingsplek werd voor schrijvers, dichters en andere artiesten. Er staan bedden tussen de boekenkasten en hij weigert zelden een verzoek tot overnachting. De tegenprestatie is om wat te helpen in de winkel én het schrijven van een korte autobiografie.

Het verhaal wordt verteld door Jeremy Mercer, een Canadese journalist. Als deze vanwege zijn werk een doodsbedreiging krijgt vlucht hij en komt in Parijs terecht. Tijdens een regenbui schuilt hij in de boekwinkel en wordt daar op de thee gevraagd. Hij krijgt een indruk van hoe het daar aan toe gaat, heeft weinig geld en geen onderdak en vraagt of hij mag blijven. Whitman stemt toe.

Dat is het begin van een nogal romantisch verhaal, maar het is zoals het is. Er wonen vogels van diverse pluimage in de winkel. Soms voor even, soms voor langere tijd. Kurt, de jonge knappe schrijver die zijn manuscript nergens kwijt kan, Ablimit, de Oeigoer die vlijtig zijn talen leert en een kippenklauwen-export wil opzetten, Simon, de aan codeïne verslaafde dichter die uiteindelijk toch zijn succes viert en natuurlijk Georg Whitman zelf.

Whitman is een complexe persoon met het hart op de juiste plek. Hij heeft een motto en dat staat boven de deurpost geschilderd: Be not inhospitable to strangers, lest they be angels in disguise. Hij is extreem zuinig enerzijds, aan de andere kant is hij erg nonchalant:

Hij (Whitman) had lang de gewoonte gehad om bundeltjes francs tussen de boeken te stoppen of ze onder zijn kussen te verbergen en dan zocht hij daar verwoed naar terwijl John beneden wachtte. Een keer kwam hij erachter dat zijn favoriete bergplaats was ingenomen door een kolonie muizen. Ze hadden stapeltjes van briefjes van tweehonderd franc aan reepjes gescheurd om er een nest van te maken dat meer dan drieduizend dollar waard was. ‘Ze hebben in ieder geval niet aan de boeken gezeten’ zei George, terwijl hij zijn schouders ophaalde.

Dat tekent de man. Het maakt hem niet uit dat er veel boeken gestolen worden, het maakt hem wel uit dat de dieven die boeken niet lezen maar gewoon doorverkopen.

Velen maken gebruik van de gastvrijheid en in de loop der jaren hebben er tienduizenden geslapen. Omdat deze allemaal een biografie hebben achtergelaten, herbergt het archief van de winkel een schat aan verhalen over de literaire wereld van de afgelopen eeuw.

Het boek is een ware page-turner. Niet omdat het een spannend verhaal is, maar door de sfeer. Het is onversneden romantiek in de huidige tijd. Het gaat om kunstenaars met een verhaal. Ze hebben vaak honger, zoeken naar manieren om goedkoop aan eten te komen, drinken samen goedkope wijn onder de bruggen van de Seine, wassen zich niet of snel op het toilet van café Panis en leven zo goed en zo kwaad als het kan samen in de winkel.

De winkel: een wirwar van gangetjes en ruimtes en boeken zover het oog reikt. Whitman heeft een wensput geplaatst waar bezoekers geld in kunnen gooien. De kunstenaars mogen hier af en toe wat uithalen om eten te kopen. Het is een boekhandel met een eigen bibliotheek. Een ruimte waar je mag gaan zitten om te lezen, de boeken daar zijn niet te koop. Het kan zijn dat er een schrijver aan het werk is in de winkel, de bedden staan tussen de kasten in.

Over wat er zich afspeelt tussen de hoofdpersonen moet men zelf het boek maar lezen. Ik verwijs  wel naar een bespreking van Boekensneuper die de winkel heeft bezocht en er een mooi verslag van heeft gemaakt, alsmede naar een fotoverslag van Kimbooktu.

Als ik weer eens in Parijs kom is deze winkel een zekere bestemming. Deze wordt nu gerund door de dochter van Whitman, Sylvia. Inderdaad vernoemd naar Sylvia Beach. Ik heb nog geen bericht gelezen dat Georg Whitman overleden is, de man moet bijna 100 zijn…