archiveren

Klassieke muziek

9074241212.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Musicoloog (en mijn voormalige cd-specialist) Emanuel Overbeeke schreef deze biografie van componist Claude Debussy (1862-1918) met de titel Muziek onweerstaanbaar als de zee. Nu ben ik een muzikale omnivoor, maar Debussy ligt mij na aan het hart en dat is een beetje ongrijpbaar, net als zijn muziek overigens, maar ik ga dat trachten uit te leggen.

Ik kwam in aanraking met zijn muziek door zijn preludes voor piano. Dat zijn stukken met titels als ‘de verzonken kathedraal’ of ‘de wind in de vlakte houdt de adem in’. Daar hoor je dan vervolgens de muziek bij en ik kon mij daar van alles bij voorstellen. Vervolgens besluit je om dan maar eens de etudes voor piano te beluisteren. Dan kom je dus al in een heel andere wereld terecht. Dat gold ook voor zijn beroemde opera Pelléas et Mélisande. Ik was gewend aan de opera’s van Puccini en Verdi, maar dat werk van Debussy is heel andere koek. Niks welluidende aria’s of vrolijke, herkenbare muziek, maar een onafgebroken stroom van klanken. En hoe vaker ik dat ging beluisteren des te meer die muziek onder mijn huid ging zitten.

Zo werkte dat ook bij zijn orkestwerken maar daar kom ik nog op terug. Ik las keurig alle bijgeleverde cd-boekjes bij de aangeschafte werken, maar de man ging pas echt leven voor mij toen ik zijn complete correspondentie cadeau kreeg. Ruim tweeduizend pagina’s met brieven die ik aandachtig heb gelezen. Maar een goede, zij het beknopte, biografie met toelichting op zijn werken ontbrak mij nog.

Allereerst wordt Debussy in zijn tijd neergzet. Rond 1900 had Frankrijk te maken met een schisma waarbij aan de ene kant de katholieke kerk ageerde tegen de nieuwe verworvenheden van de Franse Revolutie en aan de andere kant juist degenen die de idealen van de Verlichting juist omhelsden. Debussy toonde zich niet direct maatschappelijk betrokken;

‘Ik haat menigten, algemeen kiesrecht en nationalistische frasen.’

Hij is wel cultureel betrokken hoewel hij dat vanuit huis niet meekreeg. De muziek van Richard Wagner en de poëzie van Stéphane Mallarmé zijn grote inspiratiebronnen voor de jonge Debussy. Het werk van Mallarmé was niet voor beginners en diende niet om een groot publiek te behagen en Debussy voelde zich hier prima in thuis; hetzelfde gold voor zijn muziek wat hem betreft en het predikaat ‘elitair’ beschouwde hij als compliment. Evenwel zei hij over kunst:

‘We moeten ons er maar bij neerleggen en toegeven dat de kunst voor de massa absoluut geen nut heeft. Voor de elite, die vaak nog stommer is dan het gewone volk, evenmin.’

U merkt, hij was niet altijd het zonnetje in huis. Hij kon vrij bot zijn en was dat ook in zijn relaties. Zijn eerste vrouw verliet hij om het met een getrouwde vrouw aan te leggen. Daar kreeg hij wel een dochtertje mee, die hem overigens maar ruim een jaar zou overleven.

Naast zijn leven gaat Overbeeke uitgebreid in op het werk van Debussy. Zijn opera Pelléas et Mélisande natuurlijk, gebaseerd op het toneelstuk van de Belg Maurice Maeterlinck. Dat leidde nog tot een akkefietje tussen Debussy en Maeterlinck, want die laatste had de toezegging dat zijn minnares in de opera mocht zingen. Dat ging niet door, waardoor het op een ouderwets duel dreigde uit te lopen. Maeterlinck was echter geen schutter en schoot tijdens het oefenen zijn kat dood. Hij zag er toen maar van af maar vrienden werden het niet meer.

Ook op de orkestwerken gaat de auteur uitgebreid in en daar leerde ik meer waarom die muziek mij zo fascineert. Wat Debussy doet in een werk als ‘La Mer’, is niet zozeer het water van de zee verklanken zoals andere componisten doen, met wiegende golfbewegingen of een serene rust boven een spiegelgladde zee. Het werkt anders; je moet altijd een stap terugdoen en beseffen dat Debussy de zee of de natuur als inspiratie gebruikt voor zijn muziek. Dat kunnen rustige stukken zijn, maar het kan ook leiden tot abrupte onderbrekingen in de muziek of overgangen die je niet verwacht. Stilering is belangrijker dan directe expressie. Overbeeke zegt daarover;

Natuur was voor hem geen paradijselijke idylle waarin mens, plant en dier het goed maken, wel een domein waarin de mens een volstrekt nietig en irrelevant wezen is…Die primaire en granieten kracht wilde Debussy vormgeven met vloeiende en secundaire middelen.

Een pianostuk als ‘Hommage à Rameau’ klinkt dan ook niet als de componist Rameau, de harmonie ligt eerder tegen Wagner aan, het heeft hoogstens de tred van een statige dans à la Rameau. Dit boek heeft mij in ieder geval een flink aantal stukken met nieuwe oren doen beluisteren. Dat de vaak nurkse Debussy blijkbaar toch ook humor bezat blijkt uit het feit dat hij zijn enige Strijkkwartet het opusnummer 10 meegaf bij de eerste uitgave, waarna alle musicologen zich te pletter hebben gezocht naar die eerste negen strijkkwartetten…

Overbeeke gaat ook in op de vertolkers van het werk van Debussy en noemt daarbij de Duitse pianist Walter Gieseking en de componist (maar in dit geval dirigent) Pierre Boulez als belangrijke pleitbezorgers. Zelf ben ik fan van Gieseking voor de preludes, de Japanse pianiste Mitsuko Uchida voor de etudes en van Bernard Haitink voor de opera Pelléas et Mélisande. Haitink heeft een prachtige opname gemaakt met het Orchestre National de France. Speciale vermelding verdient ook de mono-uitvoering van deze opera door dirigent Roger Désormière uit 1941, voor mij de oeruitvoering van dit werk. Daar staan ook nog extra opnames op met de componist zelf op piano.

1ff5c80ec83e286596f587a7741444341587343_v5
Willem Pijper, Halewijn en Zeist van Arthur van Dijk en Wim Jansen is een wat curieus boekje. Het is uitgegeven door de Vereniging van Eigenaren (VvE) van het appartementencomplex met de naam Halewijn in Zeist. Arthur van Dijk is muziekhistoricus, was bestuurslid van de Willem Pijper Stichting, bezorgde een aantal boeken over deze Nederlandse componist en werkt momenteel aan een biografie over hem. Wim Jansen is bewoner van het appartementencomplex Halewijn en secretaris van de VvE en is bezig om de bekendheid van Willem Pijper en diens geboortehuis te vergroten.

Want dat geboortehuis, daar gaat het om in dit boekje van 125 pagina’s. Dat staat dus in Zeist en het boekje opent met een beschrijving van Zeist rond het jaar 1900. Eerst nog even een stapje terug, met de vroegst bekende Pijper die zich rond 1725 in Zeist vestigde. Dat was ene Justus Hendrikus Pijper, geboren in Nassau Dillenburg als Justus Heinrich Pfeiffer. Dan zitten we al snel rond 1900 waar we de namen voorgeschoteld krijgen van alle buitenplaatsen van vermogende stadsbewoners die er in en rond Zeist werden gebouwd. Er is een gelaagdheid in de bevolking en de creatieve jeugd van Zeist, waaronder Willem Pijper en Willem Marsman, zouden zich behoorlijk verzetten tegen het ‘verstikkend burgerdom’.

De grootouders van de componist, Willem Pijper en Neeltje van Ee, waren weesvader en -moeder van het Protestantse Weeshuis aan de Slotlaan. Willem wist van een douarière een stuk grond te kopen, waar hij een woonhuis en winkel liet bouwen aan de Hoogeweg. Zijn zoon, de vader van de componist, bestierde daar later een winkel ‘in behangselpapier, karpetten, tafelkleeden, meubelstoffen, vloerzeil, cocos- en wollenmatten, fantasiemeubelen en alles tot dit vak behoorende.

Het tweede deel van het boekje gaat over de componist zelf en zijn jeugd in Zeist. Er was thuis aandacht voor muziek en Pijper bleek al snel muzikaal begaafd. Hij kreeg pianoles en zou later zelf ook pianoleraar worden. Hij groeit samen met Willem Marsman en hoewel er een leeftijdsverschil was hadden ze contact. Pijper wordt naast uitvoerend musicus ook componist en muziekcriticus en nam daarbij geen blad voor de mond, ook niet als het een met Marsman goed bevriende collega-criticus was, zoals Constant van Wessem;

‘Van Wessem, als muziekcriticus, werkt op de darmen mijns geestes als een Spaanse peper in een paardeanus. Je zult toch ’s een Vrijere Bladen moeten oprichten waarin ik hem wèl mag voorsnijden. En als ’t daarin ook nog niet gaat – er is, in trouwe, een god voor kinderen en beschonkenen – dan maar eens Vrijste Bladen. Als je ‘m spreekt, doe hem dan s.v.p. de complimenten en bid in naam van Santa Caecilia de muziek verder te bezwijgen tot hij weet wat mandolines en gitaren zijn.’

Pijper trouwt met Annie Werker en dat was het moment dat hij het ouderlijk huis aan de 2e Hogeweg zou verlaten om naar Bilthoven te verhuizen. Maar die 2e Hogerweg, daar draait het om en daar gaat het laatste deel van het boekje over.

Er wordt uitgebreid beschreven hoe het pand in eerste instantie is gebouwd. Waarschijnlijk door familieleden waarin aannemers, metselaars en timmermannen vertegenwoordigd waren. Er is goed onderzoek gedaan want u kunt lezen wanneer het pand in welke handen is overgegaan voor welk bedrag en wie er wat heeft vertimmerd door de jaren heen. Uiteindelijk staat het leeg en bezingt stadsdichter Kees van Domselaar het voortschrijdend verval;

In dit huis moet hij het ooit hebben gehoord
het begin van zijn symphonie in d
het was zomer, de ramen open
en een geur van kruiden hing
langs het geheime pad

Uiteindelijk blijkt alles in handen te komen van Stichting Latei en wordt de Vlaamse architect Jo Crepain in de arm genomen om er een appartementencomplex van te maken, aanvankelijk onder de naam ‘Pijperhuis’. De grote ronde vorm is geïnspireerd op een ontwerptekening van architect Van Straalen uit 1909 en op de opera van Lyon. Crepain bouwde met

‘…wat Aldo van Eijck als Tweelingfenomenen had aangeprezen. Tegenpolen. Als enerzijds een burcht en anderzijds een serre. Tegelijk uitnodigend en introvert. Extravert en afwerend. Luid en teruggetrokken. Baldadig en stil. Open en gesloten. Donker en licht…Met enerzijds hoge, zonovergoten ruimtes waar men diep genoeg kan inademen om de wereld te veroveren, en anderzijds lage, kleine, donkere hoekjes waar men zich op intrieste momenten verschuilen kan.’

Kom daar maar eens om op Funda. Het complex kreeg uiteindelijk de naam ‘Halewijn’, naar de enige voltooide opera van Willem Pijper. Al met al een informatief en apart boekje, dat ik als liefhebber van zijn muziek toch erg graag wilde hebben. Er staat veel fotomateriaal in en wilt u weten wat er van het appartementencomplex is geworden, dan kunt u dat hieronder zien. Ondertussen kijk ik uit naar de biografie van Willem Pijper.

051_720x480

9492020262.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Klinkenke alchemie is de titel van 98 verzamelde muziekessays van musicoloog Maarten Brandt. Het zijn stukken die eerder zijn verschenen in het muziektijdschrift Mens en melodie, op de door mij regelmatig geraadpleegde website www.opusklassiek.nl of die gebruikt zijn bij lezingen of programmatoelichtingen.

U kunt die stukken dus soms afzonderlijk opzoeken, maar dan doet u dit lijvige boek van 667 pagina’s tekort. De stukken zijn herschreven naar deze tijd en zorgvuldig in een bepaalde volgorde gepubliceerd. Dat heeft te maken met de rode draad in dit boek. Die gaat namelijk over composities, maar vooral over de uitgekiende combinaties van die composities, die samen een meerwaarde opleveren voor de luisteraar.

Dat is een kunst op zich en het boek is tevens een pleidooi voor eerherstel van de artistiek directeur bij de verschillende concerthuizen. Componist en musicoloog Marius Flothuis (1914-2001) was een meester in het samenstellen van dergelijke avontuurlijke programma’s en aan hem is dit boek dan ook opgedragen. Of dit al niet genoeg was; Brandt trekt het verhaal nog breder, het boek is bovenal bedoeld als signaal om een traditie in stand te houden die door zoveel factoren wordt bedreigd; de uitvoeringspraktijk van symfonische muziek in de ruimste zin van het begrip.

Voor de klassieke muziekliefhebber biedt dit boek een schat aan informatie. Ik geef direct maar een voorbeeld van die rode draad. Een orkest programmeerde een concert als volgt;

Stravinsky                          Scherzo à la Russe
Chopin                               Eerste pianoconcert in e, opus 11
——-
Stravinsky                          Symfonie in drie delen
Debussy                             Petite suite (instrumentatie: Henri Büsser)

Dat lijkt een mooi en afwisselend programma maar Brandt toont aan waarom dit niet werkt. Die symfonie van Stravinsky is van zodanige allure dat niemand op een mondain stuk Debussy daarna zit te wachten (hoe mooi het werk ook is). Brandt geeft vervolgens andere suggesties en onderbouwt deze ook. Zo leert u bijvoorbeeld ook waarom de componist Henze prima samengaat met Mozart. U heeft geen idee natuurlijk en het hangt af van welke compositie er op welk tijdstip gespeeld wordt, maar het zijn regelrechte eye-openers.

Zo staan er talloze voorbeelden in het boek. Brandt stelt zelfs zijn ideale seizoensprogramma samen en met behulp van de tegenwoordig beschikbare streamingdiensten of wellicht uw eigen collectie kunt u eindeloze programma’s beluisteren. Ik ben nog lang niet klaar met dit boek.

Naast programmatoelichtingen zijn er ook andere stukken als interviews, cd-besprekingen en overpeinzingen over het Nederlandse concertleven. Ik heb een lange luisterlijst samengesteld naar aanleiding van de besproken werken. Zo was de componist Rudi Martinus van Dijk met zijn Kreitens-Passion een ontdekking, net als het hoornconcert van Oliver Knussen, de werken van de Indiase componist Param Vir en de McGonegall-Lieder van Rob Zuidam. Het is wel handig om enige kennis te hebben van de wat modernere klassieke muziek, of hier tenmiste iets over te willen opzoeken, anders heeft u geen idee waarom hoofdstuk 33 met de titel Over vier minuut drieëndertig ruim vier blanco pagina’s telt.

Natuurlijk gaat het over de Mahler-traditie in dit land. Ongekend populair en het mag soms wat minder volgens de auteur. Dat geldt helemaal voor Sjostakovitsj. Die moet het door het hele boek ontgelden, dat viel wel op (niet zozeer omdat zijn muziek slecht zou zijn maar eerder doordat deze te vaak of onjuist geprogrammeerd wordt). Als er een zwaar bezette Mahler-symfonie (weer) wordt geprogrammeerd, gaat dat direct ten koste van het budget en dus van vaak minder gehoorde en nieuwere stukken die net zo belangrijk zijn of kunnen worden voor het muzikale landschap.

De interviews en artikelen over en met Pierre Boulez en Bernard Haitink zijn prachtig om te lezen. De laatste kon zeer goed overweg met Marius Flothuis en beiden zorgden voor prachtige programma’s bij het Concertgebouworkest met veel Nederlandse muziek. En passant wordt aangetoond dat de beruchte Notenkrakersactie voor een groot deel onterecht was. Die actie, een verstoring van een concert van Bernard Haitink, was een protest door een aantal componisten tegen de ondervertegenwoordiging van hun werken in de programmering.

Het pleidooi van een juiste programmering, waarbij ‘de klassieken’ gecombineerd worden met recentere werken, wordt mooi verwoord door de Hongaarse componist en dirigent Peter Eötvös;

“Je mag nooit zeggen ‘we spelen dit niet, omdat het publiek er niet van houdt’,” is zijn stellige overtuiging. “Er zijn weliswaar managers die dat beweren, maar dit klopt eenvoudig niet. Waar het om gaat is het uitstralen van visie en kwaliteit. De realiteit is dat het telkens binnen een andere programmatische context herhalen van een moeilijk stuk vruchten afwerpt…”

U kunt dat met dit boek in ruime mate zelf uitproberen, al is het maar met de bijgeleverde cd, waarop de goed in het gehoor liggende Serenade nr.10Gran Partita’ van Mozart wordt gevolgd door de Variationen für Orchester van Anton Webern en wordt afgesloten door het voor pianisten moeilijke maar prachtige Piano Concerto van Elliott Carter.

Ik ben een redelijk gevorderde liefhebber (doch musicologisch volslagen ongeschoold) en ik hoefde al niet enthousiast gemaakt te worden voor modernere muziek, maar dit boek heeft mij talloze tips opgeleverd voor nieuwe luisterervaringen en veel extra kennis opgeleverd. De bespreking zou te lang worden om dieper in te gaan op Cristina Deutekom die Varèse zingt, de start van de traditie van extra paukenslagen in Bruckner of de weelderige bewerking van De Matthäus-Passion door Robert Franz. Dan moet u het boek echt zelf lezen.

 

9045037726.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In het huis van de dichter is het relaas van een vriendschap tussen Jan Brokken en de Russische pianist Youri Egorov (1954-1988). Het boek heet een roman en daar zal ik hem onder classificeren, maar Brokken stelt dat alles gebaseerd is op feiten. Het verschil met een biografie is marginaal. Waarom noemt Brokken het dan toch een roman? Hij geeft het zelf aan in de verantwoording achterin het boek;

Ik koos voor de romanvorm omdat ik vijf verhalen wilde samenballen tot één; het verhaal van een vriendschap, het verhaal van een vlucht, het verhaal van een pianist, het verhaal van een bestaan en het verhaal van een tijd.

Het begint natuurlijk met die vlucht. Egorov is een getalenteerd pianist maar kan in Rusland niet alles spelen wat hij wil. Bovendien is hij homseksueel en daar kan je niet voor uitkomen in Rusland. Zijn grootste angst is om in een kamp terecht te komen waar zijn vingers gebroken zouden kunnen worden. Hij vlucht daarom in 1975 naar het westen en komt uiteindelijk in Amsterdam terecht. Daar leert hij Jan Brokken kennen en omringt hij zich met een vaste club vrienden, waaronder zijn partner Jan Brouwer. Hij krijgt al snel uitnodigingen om op te treden met gerenommeerde orkesten. Het is interessant om te lezen dat het dan natuurlijk om de pianist Egorov gaat, maar nog meer om de mens Egorov. Hij kampt met onzekerheid, podiumvrees en zijn vrienden zijn daarvan op de hoogte;

Ik kreeg het benauwd wanneer Youri de lange trap naar het podium afdaalde. Van alle vrienden maakte ik me misschien wel de meeste zorgen, omdat ik in Engeland had meegemaakt wat er allemaal mis kon gaan voor en tijdens een concert. Sinds Salisbury vertrouwde hij me toe of hij helemaal klaar was voor het grote werk dat hij zou gaan uitvoeren of nog niet. Of dat hij in een snelle passage telkens last kreeg van een hinderlijke kramp in de rechterpink. Ik was op de hoogte van alle kwalen, pijntjes en onzekerheden, een dubieus voorrecht dat ik met Tatjana deelde.

Zijn ster rijst snel en Egorov geeft zijn geld net zo snel uit als dat hij het verdient. Hij zoekt graag de anonimiteit op van het uitgaansleven in Amsterdam en New York. Hij wordt een vrijgevochten Rus, die evengoed maar beter niet mag vergeten waar hij vandaan komt. Dat blijkt als hij een neptelefoontje krijgt waarin hem wordt verteld dat zijn vader overleden is; de overheid wil hem teruglokken naar Rusland.

Egorov vindt het fijn om anoniem te feesten, maar privé staat hij graag in het middelpunt. Hij zorgt voor het inkomen, zijn vrienden worden geacht voor de rest te zorgen. Soms is zijn gedrag onhebbelijk, zoals toen hij met het Concertgebouworkest moest optreden. Hij ziet er geen been in om weg te blijven bij de repetitie. Hij is er bij de uitvoering wel en het is zelfs een succes, maar het zorgt ervoor dat hij jarenlang niet meer wordt gevraagd om met hen op te treden.

Toch is hij ook een serieus artiest. Hij speelt een stuk pas als hij het totaal en muzikaal kan doorgronden;

…bij de grondige voorbereiding van een concert hield hij minimaal vijf uur studie per dag aan, zaterdag en zondag inbegrepen. Het memoriseren van partituren telde hij dan niet mee. Dikwijls begon zijn dag met geconcentreerd noten lezen; deed hij dat vijf keer achtereen, dan zat een stuk muurvast in zijn geheugen – een zeldzame gave.

Zijn hedonistische levensstijl wordt hem uiteindelijk fataal. Hij is seropositief en in de jaren tachtig zijn de medicijnen nog niet zo ver dat je hier mee door kan leven. Hetzelfde geldt voor zijn partner Jan. Zijn afweersysteem laat hem in de steek en hij krijgt koorts en hersenvliesontsteking. Zijn zicht wordt zo slecht dat hij niet meer kan spelen en hij zal uiteindelijk op 33-jarige leeftijd overlijden.

Het is een prachtig document over een muzikant met een bijzonder talent. Gelukkig is zijn spel te beluisteren via internet. Brokken geeft aan wat hem onderscheidt van andere grote pianisten;

In zijn streven naar helderheid en analyse gaat hij voort op de weg van Gould. Maar hij voegt er een dosis lyriek aan toe. Niet de lyriek van Rubinstein, Horowitz en andere grote romantici, maar een beredeneerde lyriek…De vleugel laat hij als een sopraan zingen of als een hamerklavier stamelen, zonder ook maar één moment de bedoelingen van de componist uit het oog te verliezen.

Schrijven over muziek blijft lastig, je moet het horen maar ook daarom is het een fijn boek. Je doet veel tips op over andere pianisten en hun werken. Er staan mooie anekdotes in, zoals over de pianiste waar Stalin naar luisterde ten tijde van zijn overlijden, of het meest indrukwekkende verhaal; dat Russische muzikanten komen spelen bij de doodskist als één van hen overlijdt, als een soort wake. Ook als ze niet meteen goed bevriend zijn doen ze dat uit respect. Zo speelde de pianiste Elisabeth Leonskaja bij zijn kist toen deze in zijn woonkamer stond, evenals de cellist Mischa Maisky. Egorov’s partner Jan Brouwer overlijdt kort na hem en beiden zijn ze gecremeerd, maar hun as is verwerkt in de grafsteen van Egorov’s moeder, die ook in Nederland begraven is.

9463102345.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Schubert de biografie van Yves Knockaert was een boek dat een beetje in mijn kast brandde. Ik wilde het graag lezen. Waarom? De componist Franz Schubert (1797-1828) is een componist die ik een beetje heb moeten veroveren. Niet vanwege zijn instrumentale muziek. Zijn pianosonates, strijkkwartetten en zijn symfonieën zijn werkelijk prachtig. Dat lag een beetje aan hetgeen waarom hij het meest beroemd is; zijn liedkunst. Daar ben ik ingedoken en ik heb (denk ik) alles van hem beluisterd op dat gebied en hij is onder mijn huid gaan zitten, door zijn muziek alleen.

Maar, van de man zelf wist ik nog niet heel veel. Daarom heb ik zijn biografie aangeschaft zodra deze uitkwam, ik was er alleen nog niet aan toe gekomen. En nu ik hem heb gelezen…ben ik niet helemaal tevreden. Ik zal het trachten uit te leggen.

Het is geen dik boek voor zo’n groot componist, net iets meer dan 300 pagina’s. Maar goed, dat zegt niets over de kwaliteit. De auteur neemt ons chronologisch mee door het leven van Schubert. We zien waar hij zijn muzikale onderricht had, thuis en in het convict waar hij toetrad tot de Wiener Sängerknaben. Tijdens die opleiding bezet Napoleon de stad Wenen en er worden vrijwilligers gezocht om tegenstand te bieden, maar Schubert en de zijnen mochten zich niet aansluiten hierbij. Zijn medestudent Spaun geeft een ooggetuigenverslag;

Om 9 uur op de avond van 12 mei begon het bombardement van de stad. Het was prachtig om te zien hoe de gloeiende kogels voorbijvlogen tegen de nachtelijke hemel, terwijl de talrijke vuurhaarden in de stad de hemel rood kleurden.

Om direct mijn eerste bezwaar te noemen, ik mis meer van dit soort beschrijvingen waarin de mens Schubert en zijn werk in de tijd worden gezet. Er wordt later nog gewag gemaakt van het regime van Metternich en zijn censuur, maar veel meer lees ik niet.

Het talent van Schubert is onmiskenbaar en hij blinkt uit in het lied. Hij heeft te maken met de populariteit van de Italiaanse opera, maar hij wil Duitse opera’s schrijven. Hij probeert het vaak en schrijft veel voor dat genre, maar hij zal nooit bekend worden als operacomponist. Wel door het lied en zijn liederencycli. We lezen waar Schubert zijn teksten vandaan haalt en die staan ook vaak in het boek en dan kom ik op mijn tweede bezwaar; ze zijn alleen te lezen in Nederlandse vertaling. Juist bij zijn liederen is de originele Duitse taal zo belangrijk en wil ik die teksten ook in die taal lezen. Dat er een vertaling naast staat of in de noten, prima natuurlijk. Eigenlijk geldt dat ook voor de weinige dagboekaantekeningen of correspondentie van Schubert die in het boek staat.

Er worden een aantal beroemde werken van Schubert uitgelicht voor een nadere toelichting. Daar wringt het ook een beetje. De ene keer worden er veel musicologische termen gebruikt waar een leek weinig mee kan (…door intrigerende tekstwoorden van hetzelfde interval te voorzien, dikwijls een tertsval of één of meer opeenvolgende dalende tertsen), terwijl Knockaert het ook anders doet, zoals bij de beschrijving van Schubert’s Octet:

De finale begint op een merkwaardig plechtige wijze (Andante molto), die in het Octet tot dan toe nog niet aan bod gekomen is. De sombere sfeer met de onheilspellende tremolo’s is bewust dramatisch expressief om met meer contrast verder te kunnen gaan in het snelle tempo (Allegro), in een soort eindeloze perpetuum-mobilebeweging. Waar je uiteindelijk een briljante conclusie verwacht, grijpt de componist terug naar de introductie, waarna wel nog voldoende energie overblijft voor een roekeloze coda.

Daar kan ik iets mee, roekeloze’s coda’s wil ik direct beluisteren. Wat ik weer minder geslaagd vind zijn de beschrijvingen van diverse verhalen van de verschillende opera’s die niet van de grond komen. Die kan ik elders ook nalezen. Ook komen de eerste symfonieën er met anderhalve bladzijde bekaaid vanaf. Helemaal geen goede punten dan? Zeker wel, ik ben er bijna. Nog twee punten.

Ten eerste weet ik niet wat ik met een heel hoofdstuk moet over Schubert’s geaardheid. Knockaert beschrijft uitgebreid dat men speculeert over homoseksuele gevoelens en dat er uit honderden werken wordt geïnterpreteerd, om tot de conclusie te komen dat hij wellicht biseksueel was maar dat het op zijn muziek al helemaal geen invloed had. Het leek mij een weinig zinvol hoofdstuk. Interessanter, en dat is punt twee, is Schubert’s relatie tot Beethoven. Schubert was een groot bewonderaar van Beethoven en ze hebben elkaar gekend. Of ze elkaar ook ontmoet hebben; het is waarschijnlijk maar niet zeker. Maar om dan vier pagina’s op te nemen met gebeurtenissen waar ze elkaar hadden kúnnen ontmoeten; ik vond het wat veel.

Maar…ik wist niet van die symfonie waaraan Schubert had gewerkt en die niemand ooit heeft teruggevonden, de Gmunden-Gastein symfonie. Of het is toch één van zijn nu bekende symfonieën, of Schubert wilde er aan beginnen, of hij is echt verdwenen. Mateloos boeiende materie. Ook de mij onbekende dagboekfragmenten en de aantekeningen van zijn vrienden geven een mooi beeld van de omgeving waarin Schubert verkeerde. De beroemde muzikale bijeenkomsten of Schubertiades gaan een stuk meer leven en dat is allemaal winst. Ik wilde alleen dat er meer informatie was. Gezien de vuistdikke Engelstalige biografieën van Heinrich von Kreissle (twee delen van 338 en 352 pagina’s) of van Maurice Brown (435 pagina’s) zou dat toch moeten kunnen.

9079624322.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Toen Thea Derks in 2014 haar biografie over musicus en dirigent Reinbert de Leeuw publiceerde, was deze nog volop bezig met zijn muzikale activiteiten. Hij overleed dit jaar in februari en daarom bracht Derks dit Slotakkoord uit, met een overzicht van zijn activiteiten in de jaren 2014-2020, aangevuld met herinneringen van mensen die met hem samen hebben gewerkt.

Vanaf 2014 gaat De Leeuw een samenwerking aan met het Vlaamse ensemble Het Collectief en daarbij valt zijn gedrevenheid op. Thomas Dieltjens, artisitiek leider van Het Collectief zegt daarover;

Hij voelde dat hem weinig tijd restte. De opnames waren zwaar voor hem, maar wederom een openbaring voor ons. Reinbert was gedreven en geïnspireerd, had zich nog verder in het stuk verdiept en was vastbesloten tot het uiterste te gaan.

Uiteindelijk werden de opnames in januari 2020 gemaakt, een maand voor zijn overlijden.

De Leeuw is ook druk met zijn oude muziekliefdes Franz Liszt en Erik Satie. Zijn uitvoeringen van de Via Crucis van Liszt en van de pianowerken van Satie koester ik, maar ik was minder bekend met het symfonische drama Socrate van Satie, dat De Leeuw in 2016 uitvoerde met sopraan Barbara Hannigan. Dat pak ik toch weer mooi even mee.

De gedrevenheid van De Leeuw spreekt ook uit het feit dat hij vaak middelen uit zijn eigen fonds inzet om zaken voor elkaar te krijgen. Dat geldt bijvoorbeeld voor zijn Bach-project. Hoewel hij bekend staat om zijn vertolkingen van de modernere muziek, had De Leeuw heel eigen gedachten over hoe de Matthäus-Passion van Bach uitgevoerd moest worden. Ik was erbij en hoewel ik ook heel eigenwijs ben over hoe ik dat werk het liefst wil horen, stond zijn versie als een huis en heb ik er van genoten.

De componist György Kurtág is een verhaal apart. De Leeuw is bezig met de opnames van zijn complete werk en ook hier steekt hij eigen geld in. Het is geen makkelijk project, want de componist is te fragiel om er zelf bij te zijn;

Helemaal afwezig is hij overigens niet: voor en na elke opnamesessie is er uitvoerig telefonisch overleg. Kurtág zingt daarbij elke noot en elk accent precies zo voor als hij ze wil hebben, vertelt De Leeuw tijdens een portretconcert rond diens negentigste verjaardag. ‘Het is het moeilijkste wat ik ooit gedaan heb.’

Tot een maand voor zijn overlijden treedt De Leeuw nog op, maar uiteindelijk sterft hij op 14 februari 2020. Derks beschrijft hoe dat nieuws beleefd werd en hoe zijn uitvaart vorm kreeg. Lees vooral de anekdotes zelf even, de bewoners van zijn appartenmentencomplex zullen zich hem vast goed herinneren.

Het boekje van 69 pagina’s sluit af met een aantal persoonlijke herinneringen van mensen die met De Leeuw samen hebben gewerkt. Kees Vlaardingerbroek als artistiek leider van de Zaterdagmatinee, Leo Samama als algemeen directeur van het Nederlands Kamerkoor, Simon Reinink als algemeen directeur Concertgebouw, maar ook componisten als John Adams, George Benjamin en Steve Reich kijken terug op de samenwerking met Reinbert de Leeuw. Uit die herinneringen blijkt zijn gedrevenheid, maar ook zijn onverbiddelijke karakter. Derks kreeg daar als biografe zelf mee te maken, maar componist Ed de Boer ook, toen hij een kritisch stuk schreef over een beeld van belangenverstrengeling;

…Reinbert nam me mijn verslag zeer kwalijk. Na de vergadering viel hij heftig tegen mij uit en liep boos weg uit mijn leven.

Mooi is de bijdrage van componist Steve Reich die De Leeuw dankbaar is dat hij werd uitgenodigd in Tanglewood toen De Leeuw daar ‘director of the Tanglewood New Music Program’ was; It took a Dutch musician to get this American composer to Tanglewood.

Degene die ik mis in de dankbetuigingen is Barbara Hannigan, de sopraan waar hij zo graag mee samenwerkte, maar daar zal een reden voor zijn en zou iedereen weten wie “Olly” is? Niet te moeilijk, zangeres en pedagoog Sonya Knussen heeft het over haar vader en dat is componist Oliver Knussen.

Het is een welkome aanvulling op de prachtige biografie van Derks; dat Slotakkoord moest worden geschreven.

5aa34282f114519597630557477444341587343_v5
Ik heb mij in het verleden al verdiept in de Nederlandse componist en muziekcriticus Willem Pijper (1894-1947) en zijn muziek. Ik kwam hem tegen bij het lezen van de biografie over componist en dirigent Jan van Gilse (1881-1944), die in een heftig conflict kwam met de muziekcriticus Pijper. Ook heb ik zijn boek De Quintencirkel gelezen met ‘opstellen over muziek’. Ik was daarom benieuwd naar In het licht van de eeuwigheid, waarin een bloemlezing van de brieven van Pijper staat uit de periode 1917-1947, bezorgd door muziekhistoricus Arthur van Dijk.

Het boek van ruim 580 pagina’s (inclusief een leesbaar notenapparaat en een lijst van adressanten) is verdeeld in drie periodes. Eén cesuur is gemaakt in de zomer van 1925, toen Pijper een diepe crisis doormaakte. De tweede breuk viel in 1940, met het bombardement in Rotterdam, waarbij het huis van Pijper aan de Schiekade verwoest werd.

De inleiding gaat in vogelvlucht door die drie periodes heen, waar vooral zijn vele relaties in het oog springen. Pijper trouwde en scheidde twee maal, maar onderhield verschillende, soms ingewikkelde relaties met diverse dames. De brieven aan hen vormen het grootste deel van deze selectie, met de brieven aan Louise Bolleman als absolute uitschieter. Zij was een vriendin en pianoleerlinge van Pijper, doctor in de rechtswetenschappen en zij vervulde een aantal bestuurlijke functies op het gebied van sociaal welzijn en vrouwenrechten. Zij erfde ook de rechten van Pijper’s muziek na zijn dood en nam het initiatief tot de oprichting van de Willem Pijper Stichting. Aan haar is dit boek ook opgedragen.

Uit het eerste deel zijn de brieven over de ‘Utrechtse muziekoorlog’ erg interessant, zeker als je de biografie van Van Gilse kent. Het handelde in het kort over de uitvoering van een werk van Pijper, de “Fêtes Galantes” dat niet uitgevoerd werd wat Pijper Van Gilse erg kwalijk nam. Pijper gebruikte zijn positie als muziekcriticus hiervoor, maar ook in brieven direct aan Van Gilse gericht;

Ik wens stellig na te laten andere personen hierin te betrekken, ofschoon ik dit geenszins behoef te schromen. Ik ben het kind van de rekening geweest en heb nu mijn bekomst van de zaak, zodat ik noch in mondelinge en evenmin in verdere schriftelijke behandeling ter zake zal treden.

Scherp in zijn kritiek maar als componist ook afhankelijk van een podium en dus van dirigenten als Willem Mengelberg. Mengelberg was niet onverdeeld enthousiast over zijn Tweede Symfonie en het is interessant om Pijper’s brief daarover aan Mengelberg te lezen;

Voorop stel ik dat ik, na al uw meningen aangehoord te hebben, nog steeds overtuigd ben dat U na een of twee repetities mijn werk volledig begrepen zoudt hebben.

Ergo; Pijper is aardig overtuigd van zichzelf en dat ademen al zijn brieven eigenlijk wel. Als hij getrouwd is met Annette Werker is hij verwikkeld in een relatie met Iet Stants en die krijgt er schriftelijk behoorlijk van langs af en toe.

Het is een rijk boek. Brieven aan Willem Mengelberg, de componist en mede-criticus Matthijs Vermeulen, de dirigent Pierre Monteux; ze geven een inkijk in het muzikale leven van die tijd. Ze laten ook vragen onbeantwoord, zoals dit deel uit de brief aan Matthijs Vermeulen over Willem Mengelberg;

Wat je schreef over Mengelberg is nieuw voor mij. Het lijkt mij niet onmogelijk, maar ik twijfel aan de waarheid van het bericht. Ik zwijg, op jouw verzoek, natuurlijk erover. Het zou waarlijk een meedogenloze consequentie van het fatum zijn…

Dat maakt mij erg nieuwsgierig. Literaire contacten heeft Pijper ook en wel met Hendrik Marsman en met Simon Vestdijk. Deze laatste deelde Pijper’s interesse voor astrologie en schreef het libretto voor voor zijn symfonisch drama Merlijn.

Zijn keuze van librettisten was niet altijd gelukkig, want voor zijn opera Halewijn had hij eerst de dichter Martinus Nijhoff benaderd. Die zou al een werk af hebben wat als basis kon dienen maar dat viel tegen. Zijn tweede vrouw Emmy Lokhorst schreef het werk van Nijhoff uiteindelijk om tot het definitieve verhaal. Dat heeft Pijper na zijn tweede scheiding nog aardig wat royalty’s gekost.

Pijper componeerde zelf maar had ook leerlingen. Die voorzag hij ook van advies in zijn brieven, zoals aan de amateurcomponist Dirk George Becker;

Ik las met aandacht uw vrouwenkoortje door. Er staan een paar fouten in. Kwestie van ‘stemvoering’. U stuurt soms alles teveel dezelfde richting uit…Een zwak punt is verder Uw melodievorming. De eerste zin van het koortje (dat is de eerste acht maten) loopt niet zo fraai. Eigenlijk zijn de lijnen van mezzo en alt daar melodisch beter dan de sopraanlijn!

Dat gaat nog even zo door en het is boeiend om de leraar zo bezig te zien. De oorlog heeft natuurlijk grote impact en Pijper was zo vooruitziend om al zijn composities in een safe op te bergen, zodat ze bewaard zijn gebleven. Al zijn geschriften zijn uiteindelijk bijeengebracht door de bezorger van dit boek, Arthur van Dijk, in het werk Het Papieren Gevaar, maar zijn ook online in te zien op de website van Dbnl.

Wat was Willem Pijper nu voor man en hoe komt hij naar voren in dit boek? Ik schreef al dat hij behoorlijk overtuigd was van zichzelf en dat blijkt. Hij wast muzikanten, zijn vrouwen en vriendinnen regelmatig de oren en was gevreesd om zijn scherpe pen. Hij gebruikte soms antisemitische taal en dat zou men niet voor hem innemen. Toch is er ook een andere kant. Hij ging ook vaak te rade bij zijn collega’s (muzikanten zowel als schrijvers) én bij zijn relaties. Hij is enthousiast in het delen van waar hij mee bezig is en in zijn initiatieven om muziek onder de mensen te brengen. Antisemitisch taalgebruik was veel voorkomend in intellectuele kringen in die tijd, Pijper hielp Joodse mensen als Sem Dresden en Henriëtte Bosmans wel degelijk in de oorlog.

Ik heb zijn muziek weer vaak beluisterd tijdens het lezen van dit boek. Niet de makkelijkste muziek, maar zeer de moeite waard vind ik. Het leukste aan dit soort boeken zijn de kleine feiten die overal opduiken. Brieven aan Pijper die niet goed geadresseerd werden en die bezorgd werden bij de (nog steeds bestaande) ijzerhandel W. Pijper aan de Oudegracht in Utrecht (maar die geen familie is). Het feit dat hij zijn eerste symfonie componeerde bij boer Jan van den Berg in Deelen. De moeder van dit gezin, Alberta Jeths, was een zus van Martinus Jeths, de grootvader van de huidige componist Willem Jeths. Het feit dat melding wordt gemaakt van Willem Andriessen, die tot directeur van het Amsterdams conservatorium wordt benoemd. Mijn exemplaar van Pijper’s boek ‘De Quintencirkel’ bevat een brief van de uitgeverij Querido aan diezelfde Andriessen om het boek te bespreken (mijn exemplaar is waarschijnlijk weer bezit geweest van de Nederlandse dirigent en organist Willem Goedhart te Gouda, zie de foto hieronder). Soms komen die dingen mooi samen.

IMG_7948 (002)

9059360958.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik ken de Duitse Ingo Metzmacher als dirigent van de ‘modernere’ klassieke muziek. Wie is er bang voor nieuwe klanken? gaat over zijn persoonlijke belevenissen rondom die muziek, naast een aantal portretten van componisten die voor hem een grote rol spelen. Dat zijn componisten als Mahler, Stravinsky, Messiaen, Schönberg, Cage en Hartmann.

Nu vind ik dat je over moderne klassieke muziek nooit genoeg kan lezen. Het is muziek die ik heb leren waarderen juist door erover te lezen en door het veelvuldig te luisteren, dus ik was benieuwd naar dit boek. Welnu, dat viel een tikje tegen. Waar de pianist Alfred Brendel zeer boeiend over muziek kan vertellen beheerst Metzmacher dat métier iets minder. Dat zit hem vooral in de verbindende stukken tussen de componistenportretten met de titels, Tijd, Kleur, Natuur, Geluiden, Stilte, Bekentenis en Spel. Metzmacher weidt uit over die begrippen en betrekt ze op de muziek, maar hij neemt altijd een lange aanloop, zoals wanneer hij over ‘Kleur’ begint;

Om te begrijpen wat kleur is en wat ze betekent, hoef je maar een ogenblik je ogen te sluiten en je voor te stellen niets anders te zien dan tinten tussen zwart en wit. Het zou afgrijselijk zijn, troosteloos zelfs, als je er goed over nadenkt. Het zou overkomen als de keerzijde van het leven, als het schaduwspel ervan.

Nou, nou. Dan zijn we nog maar drie regels ver in een hoofdstukje van vijf pagina’s. De componistenportretten brachten mij niet echt iets nieuws, hoewel iemand’s visie op hun werk, en zeker van iemand uit de praktijk, altijd interessant is. Metzmacher pakt vaak een paar stukken en bespreekt ze soms wel erg minutieus. Wil je dat volgen dan moet je het stuk opzetten, boek erbij en om de haverklap even stoppen om bij te lezen. Zeker als hij Messiaen’s werk ‘Réveil des Oiseaux’ bespreekt, waarvan de muziek uitsluitend uit vogelzang bestaat;

In die stilte roept de steenuil, driemaal, op een eenzame viool. Een draaihals antwoordt met pedaal, licht nasaal. De steenuil probeert het weer, maar zonder succes. Een Ceti’s zanger komt tussenbeide, lichtelijk geïrriteerd, met de felle kleur van de es-klarinet. De boomleeuwerik zingt zijn zoete lied op de piccolo, de merel kwettert nerveus op een celesta. Nachtzwaluwen zoemen op strijkerstrillers, de xylofoon geeft ons de kwieke tjiftjaf, het roodborstje wordt wakker.

U merkt, dat is behoorlijk aanpoten. Toch laat hij mij gelukkig vaak muziekstukken opzoeken door zijn enthousiasme, zoals het surrealistische stuk van John Cage met de titel ‘Water Music’. Het is een werk waarbij een radio wordt aangezet, de muzikant af en toe een akkoord aanslaat op de piano, met een eendenfluitje in het water blaast, een pak kaarten verdeelt over de snaren in de piano, sirenes aanzet enzovoort. Dat lijkt overbodig gedoe maar ik vind het zeer nodig en leuk.

Diezelfde John Cage geeft Metzmacher vriendelijk advies over hoe hij het beste de muziek van Erik Satie kan spelen en dat zijn de verhalen die mij het meest aanspreken. Even een kijkje in de keuken van de praktijk. Ook als Metzmachter de Vijfde Mahler-symfonie dirigeert blijkt dat niet zo eenvoudig;

Met het adagietto, dat beroemde liefdeslied. En een finale die in zijn overmoed niet wil eindigen. Ik herinner het me nog goed. Niet alles lukte. Niet alle stenen lagen goed op elkaar. Soms dacht ik: dit houd ik niet in het lood. Ik was aan het eind van mijn krachten.

En met die laatste zin gaat het vaak voor mij net een tikje over de top. In Chili begon het publiek ineens een vrijheidslied te zingen en dat zal best indrukwekkend geweest zijn, maar in een paar regels greep het hem diep aan, had hij knikkende knieën en snakte hij naar adem. Dat laat onverlet dat iedereen die iets meer thuis wil raken in de moderne klassieke muziek geen miskoop heeft aan dit boekje van 184 pagina’s, al is het maar om het weetje dat John Cage begon met een gebakschaal en een boek in zijn geprepareerde piano.

Vertaling; Anthony Fiumara

4b726495fd26e59587762da9521d00adba37ae90
De voorkant van Eerste hulp bij klassieke muziek van Erik Voermans vind ik lelijk. Ik dacht dat dit een soort “Klassieke muziek voor dummies” was en die had ik al ooit gelezen. Ik had ook Voermans boek van Van Andriessen tot Zappa al gelezen dus weinig reden om hieraan te beginnen. Dacht ik. Verkeerd gedacht.

Het boek telt 325 pagina’s en bijna 150 stukjes over een veelheid aan onderwerpen over klassieke muziek. Vaak over een componist, een muziekstijl, een technische term en de meesten behoorlijk amusant en leerzaam. Het is die combinatie die het zo leesbaar maakt;

De meest dramatische voorhouding in de muziekgeschiedenis is te vinden in de slotmaten van Johann Sebastian Bachs Matthäus-Passion. Nu zult u zeggen: ‘Een voorhouding? Wat mag dat nu weer voor iets wezen?’ Ik begrijp de vraag en zal hem meteen adresseren, want u bent een moderne mens en die hebben altijd haast. Ikzelf ook hoor.

Op die toon. Dat neemt niet weg dat ik meteen geïnteresseerd ben want ik houd van dat werk en weet inderdaad niet wat een ‘voorhouding’ is. Ga het zelf maar lezen, ik zeg niks. Het Wohltemperierte Klavier van diezelfde Bach heb ik talloze malen gehoord, maar ik ben gerust te beroerd om uit te zoeken hoe het zit met die gelijkzwevende en reine stemming. Ik weet nu hoe het zit en ook wat de prachtige term ‘wolfskwint’ betekent.

Zomaar wat mooie verhalen dan, zoals over de Maatschappij van Muziekvrienden in Wenen, opgericht in 1814. Zij lieten Schubert niet toe en verboden een werk van Arnold Schönberg omdat er een akkoord in stond dat volgens de vrienden niet bestond. Het Bartók-pizzicato (zie ook Het Strijkkwartet), blijkt toch een Biber-pizzicato. Met strijkkwartetten kan je ook overspel plegen en het langste concert ter wereld is John Cage’s orgelwerk Organ²/ASLSP. Dat is begonnen in 2001 en gaat 639 jaar duren. De eerste maat is een rust en die duurde zeventien maanden en in 2003 klonk de eerste toon, door een gewichtje op de juiste orgeltoets te leggen. Ik wil zoiets weten.

Dat laatste voorbeeld is niet direct muziek om thuis op te zetten maar zoveel andere muziek wel. Luister eens naar Drumming van Steve Reich, optisch bedrog voor je oren. Ik heb 27 minuten zitten kijken naar een Youtube-filmpje van Hoketus, een werk van Louis Andriessen. Ook de wonderlijke instrumenten van Harry Partch zijn daar te vinden. Ik heb de werken van de Amerikaan George Antheil wel eens gehoord maar heb ze weer herontdekt. Wat een einde van de tweede vioolsonate (zoek de uitvoering met Reinbert de Leeuw en Vera Beths op Youtube). Je hoort de pianist op het einde woest op de toetsen hameren waarna de violist ineens een betoverend mooie melodie tevoorschijn tovert. U ziet, ik klink ineens als een kenner maar het staat gewoon in het boek hoor.

Ik spring een beetje van de hak op de tak in mijn bespreking maar dat mag, ik maak er gewoon een rapsodie van. Dat is, zo leer ik uit dit boek, een eendelig stuk met meerdere episodes die thematisch geen verband hoeven te hebben (denk aan Queen’s Bohemian Rhapsody en ja, ook dat staat in het boek). Zo denk ik ineens aan het stuk van R. Murray Schafer, Music for Wilderness Lake. Een stuk voor twaalf trombonisten die een meer opvaren, ieder in een afzonderlijk bootje, om bij zonsopgang en zonsondergang Schafers muziek over het water te laten zweven. Het lijkt mij zeer noodzakelijke muziek.

Bekende stukken zie ik soms ook ineens in een nieuw licht. De Vijfde Symfonie van Beethoven is overbekend, het noodlot dat klopt op de deur, maar ik wist eigenlijk niet dat dit met een achtste tel rust begon, het noodlot klopt dus wel, maar met weifeling; prachtig. Zo kan ik wel doorgaan maar u moet het zelf lezen, ik geef nog één voorbeeld hoe Voermans een dorre term als polyritmiek uitlegt;

Polyritmiek is kort en bondig samengevat de gelijktijdigheid van verschillende ritmes. Huiselijk voorbeeld, uit 1906: er loopt een gezinnetje op straat in Manhattan…Vader moeder, broertje zusje…Zusje neemt de kleinste passen. Vader de grootste. Pets, pets, pets doen hun schoenen op het trottoir, elk in hun eigen ritme. Op de weg passeert een paard en wagen. Misschien komt net ook een lorrenboer langs, die ritmisch scandeert: ‘Lorre! Lorre!’.
De ritmes van het gezin, het paard en wagen en de lorrenboer zorgen voor een mooi alledaags voorbeeld van polyritmiek…De Amerikaanse componist Charles Ives (spreek uit: Aaivz) schreef er in 1906 een stuk over. Over the Pavements heet het…Wat een zenuwenmuziek zult u misschien zeggen. Maar daar kan Charles Ives niets aan doen. Hij maakt in Over the Pavements alleen maar hoorbaar wat u zelf uw hele leven al elke dag hoort.

Nog twee dingen dan. Dat ik die voorkant niet zo aantrekkelijk vind heeft vast met mijn smaak te maken, in het boek staan genoeg illustraties van Paul van der Steen die ik prachtig vind. Verder loop ik wel eens te zeuren over redactiefoutjes. Niet omdat ik ze zoek, ze vallen mij gewoon vaak op en dat was ook in het vorige boek van Voermans het geval. Deze uitgeverij meldt achterin het boek dat men streeft naar foutloosheid en dat men erkentelijk is voor correcties. Mij is geen enkele fout opgevallen en dat mag dan ook gezegd worden. Aanrader, dit boek.

9462988889.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het Strijkkwartet van componist en musicoloog Leo Samama leek mij een uitgelezen mogelijkheid om mijn kennis hiervan eens op te schroeven. Toen ik mij zo’n 25 jaar terug ging verdiepen in de klassieke muziek, was dit een genre dat ik mij wel eigen heb moeten maken. Dat is gelukt, eigenlijk door veel van het repertoire in huis te halen, de toelichtingen te lezen en eindeloos te luisteren. Ik was dus al wel bekend met het repertoire van Joseph Haydn (1721-1809) tot aan de ‘modernere’ strijkkwartetten van zeg, Willem Jeths (1959).

Ik las echter prima kritieken over dit boek en aangezien ik een pure liefhebber ben en zeker geen kenner verwachte ik hier veel uit te halen. Dat klopte. Samama behandelt in een kleine 400 pagina’s een volledig spectrum vanaf het ontstaan van het strijkkwartet tot aan nu. Dat niet alles besproken kan worden is evident, het aanbod is te groot, maar het boek geeft een uitgebreid overzicht overzicht aan componisten, hun werken en de stijlen waarin de werken geschreven zijn.

Het boek beperkt zich in hoofdzaak tot composities voor twee violen, een altviool en een cello. Het ontstaan van het genre is ook niet zo duidelijk. Het is opmerkelijk dat nog geen tien jaar na de dood van Johann Sebastian Bach (1685-1750) de muziek voor de genoemde combinatie van instrumenten ineens zo’n grote rol is gaan spelen. Het is wel alleszins te verdedigen om Haydn een apart hoofdstuk te geven omdat hij zo’n grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het strijkkwartet. Samama laat echter zien dat Haydn niet alleen was. Luigi Boccherini (1743-1805) was bijvoorbeeld onafhankelijk van Haydn ook met het genre bezig.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) en Ludwig von Beethoven (1770-1827) krijgen ook aparte hoofdstukken, ook vanwege hun belang voor de ontwikkeling van het strijkkwartet. Dit boek biedt uitgebreide beschrijvingen van de belangrijke werken en zelfs in Mozart’s toch vaak door mij beluisterde “Dissonantenkwartet” hoorde ik nu weer nieuwe dingen. Beethoven is een verhaal apart. Hij voerde de techniek zo ver door dat niet iedereen er mee uit de voeten kon. Beethoven besefte dit zelf ook, hij bestemde bijvoorbeeld zijn Strijkkwartet nr. 11 opus 95 nadrukkelijk voor een kring van kenners. Hetzelfde gold voor zijn grote werk, Strijkkwartet nr. 13, waarin aan het eind ineens een lang slotdeel verschijnt in de vorm van een grote fuga (een compositietechniek waarin meerdere stemmen elkaar beurtelings imiteren). Dat was ongehoord in die tijd (pun intended, Beethoven was goeddeels doof), getuige een recensie in de Allgemeine Musikalische Zeitung uit Leipzig;

Het eerste, derde en vijfde deel zijn ernstig, duister en mystiek, en daarbij soms ook bizar, grof en capricieus; het tweede en vierde vol moedwil, vrolijkheid en schalksheid…Maar de zin van de fugafinale te duiden, daar waagt uw recensent zich niet aan: voor hem was het onbegrijpelijk, Chinees.

Hoewel Beethoven een alternatief slot componeerde zouden we nu niet meer zonder dat fugadeel willen. Beethoven werd zelfs zo’n grote maatstaf, dat anderen er later last van hadden. Het duurde lang voor de strijkkwartetten van Franz Schubert (1797-1828) werden uitgegeven, die van Beethoven des te meer.

Samama gaat uitgebreid in op de componisten uit de Duitse landen maar bestrijkt vervolgens eerst Europa en dan ook de Verenigde Staten, Midden- en Zuid-Amerika, Rusland en Azië. Ik ken veel componisten, maar ik kan even vooruit met mij onbekende namen als Paul Juon (1872-1940), Manuel Canales (1747-1786), Gustave Samazeuilh (1877-1967), Georg Wilhelm Rauchenecker (1844-1906) en Friedrich Gernsheim (1839-1916).

Zeer interessant vind ik de latere kwartetten, de muziek die in de twintigste eeuw gemaakt is. Die ligt minder makkelijk in het gehoor en nu heb ik daar weinig moeite mee, maar een boek als dit helpt wel om het extra te duiden en om mij op nog meer te wijzen dan wat ik al uit de muziek haalde. Denk aan de muziek van Helmut Lachenmann (1935), Elliot Carter (1908-2012) of Pēteris Vasks (1946) waarvan vooral die laatste het werk mij positief verraste.

Samama wilde een boek voor zowel kenners als liefhebbers te schrijven en daar is hij wat mij betreft in geslaagd. Ik als niet-kenner moet dan bepaalde passages voor lief nemen. Helemaal prima dat Schubert moduleert via mediantrelaties of tertsverwantschappen, maar dat laat ik maar van mij afglijden. Laat u dat niet afschrikken, er blijft meer dan genoeg te lezen en te ontdekken in dit boek. Ik wil lezen over de Bartók-pizzicati die ik al vaak gehoord had maar ik weet nu meer. Ik wil lezen over de vogels én ambulances in het werk van Vasks, ik wil lezen over de thema’s uit Puccini’s kwartet “Crisantemi” die hij gebruikte voor zijn opera Manon Lescaut, ik wil lezen over het expressionisme op postzegelformaat van Webern en ik wil lezen over de flegmatieke humor die Sjostakovitsj meegeeft in zijn instructie voor het spelen van het Adagio uit zijn Vijftiende kwartet (bestaande uit zes Adagios);

‘Speel het eerste deel zo dat de vliegen in volle vlucht dood neervallen en het publiek uit pure verveling de zaal verlaat.’

Ik heb dat gelezen en veel bijgeleerd als liefhebber. Voor kenners staan er weer genoeg notenvoorbeelden en technische termen in. Samama haalt het zelf aan in zijn boek;

Had Leopold Mozart zijn zoon niet geadviseerd het midden te houden tussen wat de ‘Nichtkenner’ mooi vinden – zonder dat ze weten waarom – en wat de ‘Kenner’ mooi vinden – die wel weten waarom?

Dat doet hij zelf ook. Met dit standaardwerk kan iedereen uit de voeten en ik kijk eigenlijk uit naar een vervolg. Het pianoconcert, het vioolconcert, de sonate; er is genoeg te duiden.