archiveren

Klassieke muziek

9059360958.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik ken de Duitse Ingo Metzmacher als dirigent van de ‘modernere’ klassieke muziek. Wie is er bang voor nieuwe klanken? gaat over zijn persoonlijke belevenissen rondom die muziek, naast een aantal portretten van componisten die voor hem een grote rol spelen. Dat zijn componisten als Mahler, Stravinsky, Messiaen, Schönberg, Cage en Hartmann.

Nu vind ik dat je over moderne klassieke muziek nooit genoeg kan lezen. Het is muziek die ik heb leren waarderen juist door erover te lezen en door het veelvuldig te luisteren, dus ik was benieuwd naar dit boek. Welnu, dat viel een tikje tegen. Waar de pianist Alfred Brendel zeer boeiend over muziek kan vertellen beheerst Metzmacher dat métier iets minder. Dat zit hem vooral in de verbindende stukken tussen de componistenportretten met de titels, Tijd, Kleur, Natuur, Geluiden, Stilte, Bekentenis en Spel. Metzmacher weidt uit over die begrippen en betrekt ze op de muziek, maar hij neemt altijd een lange aanloop, zoals wanneer hij over ‘Kleur’ begint;

Om te begrijpen wat kleur is en wat ze betekent, hoef je maar een ogenblik je ogen te sluiten en je voor te stellen niets anders te zien dan tinten tussen zwart en wit. Het zou afgrijselijk zijn, troosteloos zelfs, als je er goed over nadenkt. Het zou overkomen als de keerzijde van het leven, als het schaduwspel ervan.

Nou, nou. Dan zijn we nog maar drie regels ver in een hoofdstukje van vijf pagina’s. De componistenportretten brachten mij niet echt iets nieuws, hoewel iemand’s visie op hun werk, en zeker van iemand uit de praktijk, altijd interessant is. Metzmacher pakt vaak een paar stukken en bespreekt ze soms wel erg minutieus. Wil je dat volgen dan moet je het stuk opzetten, boek erbij en om de haverklap even stoppen om bij te lezen. Zeker als hij Messiaen’s werk ‘Réveil des Oiseaux’ bespreekt, waarvan de muziek uitsluitend uit vogelzang bestaat;

In die stilte roept de steenuil, driemaal, op een eenzame viool. Een draaihals antwoordt met pedaal, licht nasaal. De steenuil probeert het weer, maar zonder succes. Een Ceti’s zanger komt tussenbeide, lichtelijk geïrriteerd, met de felle kleur van de es-klarinet. De boomleeuwerik zingt zijn zoete lied op de piccolo, de merel kwettert nerveus op een celesta. Nachtzwaluwen zoemen op strijkerstrillers, de xylofoon geeft ons de kwieke tjiftjaf, het roodborstje wordt wakker.

U merkt, dat is behoorlijk aanpoten. Toch laat hij mij gelukkig vaak muziekstukken opzoeken door zijn enthousiasme, zoals het surrealistische stuk van John Cage met de titel ‘Water Music’. Het is een werk waarbij een radio wordt aangezet, de muzikant af en toe een akkoord aanslaat op de piano, met een eendenfluitje in het water blaast, een pak kaarten verdeelt over de snaren in de piano, sirenes aanzet enzovoort. Dat lijkt overbodig gedoe maar ik vind het zeer nodig en leuk.

Diezelfde John Cage geeft Metzmacher vriendelijk advies over hoe hij het beste de muziek van Erik Satie kan spelen en dat zijn de verhalen die mij het meest aanspreken. Even een kijkje in de keuken van de praktijk. Ook als Metzmachter de Vijfde Mahler-symfonie dirigeert blijkt dat niet zo eenvoudig;

Met het adagietto, dat beroemde liefdeslied. En een finale die in zijn overmoed niet wil eindigen. Ik herinner het me nog goed. Niet alles lukte. Niet alle stenen lagen goed op elkaar. Soms dacht ik: dit houd ik niet in het lood. Ik was aan het eind van mijn krachten.

En met die laatste zin gaat het vaak voor mij net een tikje over de top. In Chili begon het publiek ineens een vrijheidslied te zingen en dat zal best indrukwekkend geweest zijn, maar in een paar regels greep het hem diep aan, had hij knikkende knieën en snakte hij naar adem. Dat laat onverlet dat iedereen die iets meer thuis wil raken in de moderne klassieke muziek geen miskoop heeft aan dit boekje van 184 pagina’s, al is het maar om het weetje dat John Cage begon met een gebakschaal en een boek in zijn geprepareerde piano.

Vertaling; Anthony Fiumara

4b726495fd26e59587762da9521d00adba37ae90
De voorkant van Eerste hulp bij klassieke muziek van Erik Voermans vind ik lelijk. Ik dacht dat dit een soort “Klassieke muziek voor dummies” was en die had ik al ooit gelezen. Ik had ook Voermans boek van Van Andriessen tot Zappa al gelezen dus weinig reden om hieraan te beginnen. Dacht ik. Verkeerd gedacht.

Het boek telt 325 pagina’s en bijna 150 stukjes over een veelheid aan onderwerpen over klassieke muziek. Vaak over een componist, een muziekstijl, een technische term en de meesten behoorlijk amusant en leerzaam. Het is die combinatie die het zo leesbaar maakt;

De meest dramatische voorhouding in de muziekgeschiedenis is te vinden in de slotmaten van Johann Sebastian Bachs Matthäus-Passion. Nu zult u zeggen: ‘Een voorhouding? Wat mag dat nu weer voor iets wezen?’ Ik begrijp de vraag en zal hem meteen adresseren, want u bent een moderne mens en die hebben altijd haast. Ikzelf ook hoor.

Op die toon. Dat neemt niet weg dat ik meteen geïnteresseerd ben want ik houd van dat werk en weet inderdaad niet wat een ‘voorhouding’ is. Ga het zelf maar lezen, ik zeg niks. Het Wohltemperierte Klavier van diezelfde Bach heb ik talloze malen gehoord, maar ik ben gerust te beroerd om uit te zoeken hoe het zit met die gelijkzwevende en reine stemming. Ik weet nu hoe het zit en ook wat de prachtige term ‘wolfskwint’ betekent.

Zomaar wat mooie verhalen dan, zoals over de Maatschappij van Muziekvrienden in Wenen, opgericht in 1814. Zij lieten Schubert niet toe en verboden een werk van Arnold Schönberg omdat er een akkoord in stond dat volgens de vrienden niet bestond. Het Bartók-pizzicato (zie ook Het Strijkkwartet), blijkt toch een Biber-pizzicato. Met strijkkwartetten kan je ook overspel plegen en het langste concert ter wereld is John Cage’s orgelwerk Organ²/ASLSP. Dat is begonnen in 2001 en gaat 639 jaar duren. De eerste maat is een rust en die duurde zeventien maanden en in 2003 klonk de eerste toon, door een gewichtje op de juiste orgeltoets te leggen. Ik wil zoiets weten.

Dat laatste voorbeeld is niet direct muziek om thuis op te zetten maar zoveel andere muziek wel. Luister eens naar Drumming van Steve Reich, optisch bedrog voor je oren. Ik heb 27 minuten zitten kijken naar een Youtube-filmpje van Hoketus, een werk van Louis Andriessen. Ook de wonderlijke instrumenten van Harry Partch zijn daar te vinden. Ik heb de werken van de Amerikaan George Antheil wel eens gehoord maar heb ze weer herontdekt. Wat een einde van de tweede vioolsonate (zoek de uitvoering met Reinbert de Leeuw en Vera Beths op Youtube). Je hoort de pianist op het einde woest op de toetsen hameren waarna de violist ineens een betoverend mooie melodie tevoorschijn tovert. U ziet, ik klink ineens als een kenner maar het staat gewoon in het boek hoor.

Ik spring een beetje van de hak op de tak in mijn bespreking maar dat mag, ik maak er gewoon een rapsodie van. Dat is, zo leer ik uit dit boek, een eendelig stuk met meerdere episodes die thematisch geen verband hoeven te hebben (denk aan Queen’s Bohemian Rhapsody en ja, ook dat staat in het boek). Zo denk ik ineens aan het stuk van R. Murray Schafer, Music for Wilderness Lake. Een stuk voor twaalf trombonisten die een meer opvaren, ieder in een afzonderlijk bootje, om bij zonsopgang en zonsondergang Schafers muziek over het water te laten zweven. Het lijkt mij zeer noodzakelijke muziek.

Bekende stukken zie ik soms ook ineens in een nieuw licht. De Vijfde Symfonie van Beethoven is overbekend, het noodlot dat klopt op de deur, maar ik wist eigenlijk niet dat dit met een achtste tel rust begon, het noodlot klopt dus wel, maar met weifeling; prachtig. Zo kan ik wel doorgaan maar u moet het zelf lezen, ik geef nog één voorbeeld hoe Voermans een dorre term als polyritmiek uitlegt;

Polyritmiek is kort en bondig samengevat de gelijktijdigheid van verschillende ritmes. Huiselijk voorbeeld, uit 1906: er loopt een gezinnetje op straat in Manhattan…Vader moeder, broertje zusje…Zusje neemt de kleinste passen. Vader de grootste. Pets, pets, pets doen hun schoenen op het trottoir, elk in hun eigen ritme. Op de weg passeert een paard en wagen. Misschien komt net ook een lorrenboer langs, die ritmisch scandeert: ‘Lorre! Lorre!’.
De ritmes van het gezin, het paard en wagen en de lorrenboer zorgen voor een mooi alledaags voorbeeld van polyritmiek…De Amerikaanse componist Charles Ives (spreek uit: Aaivz) schreef er in 1906 een stuk over. Over the Pavements heet het…Wat een zenuwenmuziek zult u misschien zeggen. Maar daar kan Charles Ives niets aan doen. Hij maakt in Over the Pavements alleen maar hoorbaar wat u zelf uw hele leven al elke dag hoort.

Nog twee dingen dan. Dat ik die voorkant niet zo aantrekkelijk vind heeft vast met mijn smaak te maken, in het boek staan genoeg illustraties van Paul van der Steen die ik prachtig vind. Verder loop ik wel eens te zeuren over redactiefoutjes. Niet omdat ik ze zoek, ze vallen mij gewoon vaak op en dat was ook in het vorige boek van Voermans het geval. Deze uitgeverij meldt achterin het boek dat men streeft naar foutloosheid en dat men erkentelijk is voor correcties. Mij is geen enkele fout opgevallen en dat mag dan ook gezegd worden. Aanrader, dit boek.

9462988889.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het Strijkkwartet van componist en musicoloog Leo Samama leek mij een uitgelezen mogelijkheid om mijn kennis hiervan eens op te schroeven. Toen ik mij zo’n 25 jaar terug ging verdiepen in de klassieke muziek, was dit een genre dat ik mij wel eigen heb moeten maken. Dat is gelukt, eigenlijk door veel van het repertoire in huis te halen, de toelichtingen te lezen en eindeloos te luisteren. Ik was dus al wel bekend met het repertoire van Joseph Haydn (1721-1809) tot aan de ‘modernere’ strijkkwartetten van zeg, Willem Jeths (1959).

Ik las echter prima kritieken over dit boek en aangezien ik een pure liefhebber ben en zeker geen kenner verwachte ik hier veel uit te halen. Dat klopte. Samama behandelt in een kleine 400 pagina’s een volledig spectrum vanaf het ontstaan van het strijkkwartet tot aan nu. Dat niet alles besproken kan worden is evident, het aanbod is te groot, maar het boek geeft een uitgebreid overzicht overzicht aan componisten, hun werken en de stijlen waarin de werken geschreven zijn.

Het boek beperkt zich in hoofdzaak tot composities voor twee violen, een altviool en een cello. Het ontstaan van het genre is ook niet zo duidelijk. Het is opmerkelijk dat nog geen tien jaar na de dood van Johann Sebastian Bach (1685-1750) de muziek voor de genoemde combinatie van instrumenten ineens zo’n grote rol is gaan spelen. Het is wel alleszins te verdedigen om Haydn een apart hoofdstuk te geven omdat hij zo’n grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het strijkkwartet. Samama laat echter zien dat Haydn niet alleen was. Luigi Boccherini (1743-1805) was bijvoorbeeld onafhankelijk van Haydn ook met het genre bezig.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) en Ludwig von Beethoven (1770-1827) krijgen ook aparte hoofdstukken, ook vanwege hun belang voor de ontwikkeling van het strijkkwartet. Dit boek biedt uitgebreide beschrijvingen van de belangrijke werken en zelfs in Mozart’s toch vaak door mij beluisterde “Dissonantenkwartet” hoorde ik nu weer nieuwe dingen. Beethoven is een verhaal apart. Hij voerde de techniek zo ver door dat niet iedereen er mee uit de voeten kon. Beethoven besefte dit zelf ook, hij bestemde bijvoorbeeld zijn Strijkkwartet nr. 11 opus 95 nadrukkelijk voor een kring van kenners. Hetzelfde gold voor zijn grote werk, Strijkkwartet nr. 13, waarin aan het eind ineens een lang slotdeel verschijnt in de vorm van een grote fuga (een compositietechniek waarin meerdere stemmen elkaar beurtelings imiteren). Dat was ongehoord in die tijd (pun intended, Beethoven was goeddeels doof), getuige een recensie in de Allgemeine Musikalische Zeitung uit Leipzig;

Het eerste, derde en vijfde deel zijn ernstig, duister en mystiek, en daarbij soms ook bizar, grof en capricieus; het tweede en vierde vol moedwil, vrolijkheid en schalksheid…Maar de zin van de fugafinale te duiden, daar waagt uw recensent zich niet aan: voor hem was het onbegrijpelijk, Chinees.

Hoewel Beethoven een alternatief slot componeerde zouden we nu niet meer zonder dat fugadeel willen. Beethoven werd zelfs zo’n grote maatstaf, dat anderen er later last van hadden. Het duurde lang voor de strijkkwartetten van Franz Schubert (1797-1828) werden uitgegeven, die van Beethoven des te meer.

Samama gaat uitgebreid in op de componisten uit de Duitse landen maar bestrijkt vervolgens eerst Europa en dan ook de Verenigde Staten, Midden- en Zuid-Amerika, Rusland en Azië. Ik ken veel componisten, maar ik kan even vooruit met mij onbekende namen als Paul Juon (1872-1940), Manuel Canales (1747-1786), Gustave Samazeuilh (1877-1967), Georg Wilhelm Rauchenecker (1844-1906) en Friedrich Gernsheim (1839-1916).

Zeer interessant vind ik de latere kwartetten, de muziek die in de twintigste eeuw gemaakt is. Die ligt minder makkelijk in het gehoor en nu heb ik daar weinig moeite mee, maar een boek als dit helpt wel om het extra te duiden en om mij op nog meer te wijzen dan wat ik al uit de muziek haalde. Denk aan de muziek van Helmut Lachenmann (1935), Elliot Carter (1908-2012) of Pēteris Vasks (1946) waarvan vooral die laatste het werk mij positief verraste.

Samama wilde een boek voor zowel kenners als liefhebbers te schrijven en daar is hij wat mij betreft in geslaagd. Ik als niet-kenner moet dan bepaalde passages voor lief nemen. Helemaal prima dat Schubert moduleert via mediantrelaties of tertsverwantschappen, maar dat laat ik maar van mij afglijden. Laat u dat niet afschrikken, er blijft meer dan genoeg te lezen en te ontdekken in dit boek. Ik wil lezen over de Bartók-pizzicati die ik al vaak gehoord had maar ik weet nu meer. Ik wil lezen over de vogels én ambulances in het werk van Vasks, ik wil lezen over de thema’s uit Puccini’s kwartet “Crisantemi” die hij gebruikte voor zijn opera Manon Lescaut, ik wil lezen over het expressionisme op postzegelformaat van Webern en ik wil lezen over de flegmatieke humor die Sjostakovitsj meegeeft in zijn instructie voor het spelen van het Adagio uit zijn Vijftiende kwartet (bestaande uit zes Adagios);

‘Speel het eerste deel zo dat de vliegen in volle vlucht dood neervallen en het publiek uit pure verveling de zaal verlaat.’

Ik heb dat gelezen en veel bijgeleerd als liefhebber. Voor kenners staan er weer genoeg notenvoorbeelden en technische termen in. Samama haalt het zelf aan in zijn boek;

Had Leopold Mozart zijn zoon niet geadviseerd het midden te houden tussen wat de ‘Nichtkenner’ mooi vinden – zonder dat ze weten waarom – en wat de ‘Kenner’ mooi vinden – die wel weten waarom?

Dat doet hij zelf ook. Met dit standaardwerk kan iedereen uit de voeten en ik kijk eigenlijk uit naar een vervolg. Het pianoconcert, het vioolconcert, de sonate; er is genoeg te duiden.

f20430b91e5bfd2597048456651444341587343
Ik heb mij de laatste tijd aardig verdiept in de Nederlandse componist Alphons Diepenbrock. Een beetje door toeval, door het boek van Erik Menkveld, hoewel ik zijn muziek al wel kende. Dit biografisch essay over Diepenbrock, geschreven door componist en musicoloog Leo Samama ontbrak nog in de bagage, tot nu.

Het is geen dik boek, zo’n 286 pagina’s, en het leven van Diepenbrock wordt niet uitputtend beschreven, maar dat hoefde voor mij niet. Ik wilde het lezen om een andere reden, namelijk om zijn muziek.

De ondertitel van het boek is Componist van het vocale en dat is meteen het grootste kenmerk; zijn oeuvre wordt grotendeels bepaald door vocale muziek. Dan kom je meteen ook bij zijn teksten uit en, volgens de auteur, zijn meest karakteristieke eigenschap als componist; de literaire of talige impuls.

Dat wil zeggen dat een goed begrip van zijn muziek nauwelijks denkbaar lijkt zonder een even goed begrip van de gebruikte teksten. Die teksten ontleende hij aan Nederlandse schrijvers en dichters als Vondel, Verwey en van Deyssel, aan Duitse schrijvers en dichters als Goethe, Heine en Nietzsche en later ook aan hun Franse collega’s als Verlaine en Baudelaire.

Daarom was dit boek voor mij van belang. Het geeft van veel composities de ontstaansgeschiedenis weer met veel muziekvoorbeelden. Ik ben geen musicus en er staan soms wat technische termen in, maar over het algemeen is het prima te volgen, zeker als je de muziek ernaast beluistert.

Wat verbluffend is om te lezen, is dat Diepenbrock als componist autodidact was. Van beroep was hij leraar klassieke talen en hij heeft als zodanig ook gewerkt. Niettemin werd hij volledig geaccepteerd als vakman, door zijn collega’s en topdirigenten als Willem Mengelberg. Hij was wel een twijfelaar en bleef vaak schaven aan bestaande partituren. De auteur over het ontstaan van een compositie;

Wie Diepenbrocks correspondentie doorleest, moet inderdaad constateren dat zijn muziek als impulsieve bevlieging ontstond, maar daarna met veel doorzettingsvermogen als geschreven partituur veroverd moest worden op de gedroomde klank.

Die gedroomde klank bleek nogal eens een probleem voor de uitvoerende partijen. Zo componeerde Diepenbrock drie ‘reien’ (een rei is een koor in een toneelstuk); de Rey van Amsterdamsche maegden, de Rey van clarissen en de Rey van burchtstaeten;

De première in Haarlem door het plaatselijke Toonkunstkoor en het Concertgebouworkest liep uit op een grote teleurstelling doordat het koor niet tegen de moeilijkheidsgraad van de muziek was opgewassen.

Ook na herziening bleven het erg lastige werken, dus hij had de lat hoog liggen met zijn gedroomde klank. De twijfel die hij had betrof dan ook niet zozeer zijn kunde als componist, maar wel hoe te komen tot het beste resultaat. Integendeel, hij was zelfs vrij zeker van zijn eigen kwaliteiten. Zo wilde hij een mis componeren voor mannenstemmen met orgel, wat de Missa in die festo zou worden. Diepenbrock zei daarover;

Maar er worden in de kerken juist niet anders gezongen als voor mannenkoor met orgel; er is heel veel voor gecomponeerd en ook door grote lui, Liszt bijv. Nu, al die lui wil ik in één woord corrigeren. Een betere mis maken dan die er tot dusver voor mannenkoor bekend zijn.

Daar spreekt overtuiging uit en dat had hij altijd al wel. Ein Heldenleben van Richard Strauss vond hij kermismuziek en de Symphonie pathétique van Tsjaikovski een smakeloos maakwerk.

Dan zijn eigen muziek zoals het Te Deum. Een groots werk dat overigens door Samama gedetailleerd wordt beschreven wat mij bij het beluisteren prima heeft geholpen. Ik kende het werk al, maar meer door het vaak beluisterd te hebben. Dan is een duiding met notenvoorbeelden toegevoegde waarde voor mij.

Hoewel zijn muziek dus niet makkelijk uit te voeren was, waren er ook zangers en zangeressen die het niveau wel aankonden. Eén van hen was de beroemde sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius. Zij heeft vaak liederen van hem gezongen en er staat een mooi fragment van haar zoon Hendrik in dit boek, die Diepenbrock verslag deed van een uitvoering door zijn moeder;

‘Beste oom Fons. Gisteravond heeft Moeder hier in de Luth. kerk gezongen met mevr. de Haan en Verhey. ’t Is een erg mooi concert geweest van muziek als juist gisteravond van: “Wenige wissen…”. Het is voor mij haast niet te begrijpen dat dat menselijke muziek is. Alle grond zinkt onder je weg, alle houvast verdwijnt. Alle aardse kleuren en vormen vervagen en het enige wat overblijft is die roerend mooie, ongelooflijk hoge muziek.’

Nu heb ik al jaren lang iets met Diepenbrock omdat ik zijn muziek regelmatig draai en jaren terug al wat delen uit de tiendelige serie Brieven en Documenten van Diepenbrock heb aangeschaft en gelezen. Ik overweeg de aanschaf van de overige delen nog. De componist is dus meer en meer gaan leven en daarom ben ik gelukkig met de aanschaf van drie van zijn boeken uit zijn persoonlijke bibliotheek. Hij heeft ze gesigneerd en er aantekeningen in gemaakt en zo wordt voor mij de muziekgeschiedenis ineens een stuk tastbaarder.

9028242309.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Soms komen er ineens een aantal lijntjes samen met een boek en dat was het geval met de roman Het grote zwijgen van Erik Menkveld. Ik had dat boek al even in de kast staan en was eigenlijk een beetje vergeten waar het over ging, tot ik het uit de kast pakte.

Het is een roman over de verhoudingen en relaties tussen de componisten Alphons Diepenbrock, Matthijs Vermeulen en de vrouw van Diepenbrock, Elisabeth de Jong van Beek en Donk. Nu gaan Diepenbrock, Vermeulen en ik al even terug. Ik ken hun muziek, ik heb van Diepenbrock de eerste drie delen van zijn correspondentie in de kast staan én gelezen, ik heb deze week de dubbelbiografie over Diepenbrock’s vrouw en haar zus gekocht, ik vind de biografie over Vermeulen van Ton Braas één van de beste biografieën die ik ken en ik kwam er deze week pas achter dat de schrijver van die biografie, Ton Braas, getrouwd is met Odilia Vermeulen, de dochter van Matthijs Vermeulen en Thea Diepenbrock, die weer de dochter is van Alphons Diepenbrock en Elisabeth de Jong. Bent u er nog?

Menkveld beschrijft in zijn boek hoe de jonge criticus (hij is nog geen componist) Vermeulen met Diepenbrock in aanraking komt. Deze is getrouwd met Elisabeth, maar het is geen gelukkig huwelijk. Hij heeft een affaire met Johanna Jongkindt, die hem beurtelings aantrekt en afstoot. Fictie en feiten lopen knap door elkaar heen, zoals het ‘Blasfemie’-incident in 1912. Hierin begon dirigent Willem Mengelberg, na een doorleefde uitvoering van Diepenbrock’s Te Deum, een donderende versie van het Wilhelmus, net als Diepenbrock zijn applaus in ontvangst wil nemen. Vermeulen schreeuwt door het Concertgebouw;

‘Godverdomme! Hoe haal je het in je kop, klootzak!’ roept Vermeulen…Diepenbrock staat nog steeds aan de balustrade, met een gezicht alsof hem zojuist een kaakslag is toegediend…Vermeulen kan zijn verontwaardiging niet langer inhouden, springt overeind en begint als een bezetene met zijn programmaboekje op de balustrade te slaan. ‘Blasfemie! Blasfemie!’

Alsof je er zelf bij bent. Feitelijk gebeurt er niet zo veel in het boek. Het gaat vooral om de relatie tussen Vermeulen en Diepenbrock en Elisabeth, die later op Vermeulen verliefd wordt. Vermeulen zet zijn eerste schreden op het componistenvlak, maar heeft moeite om feedback te krijgen van zowel Diepenbrock als Mengelberg. Die laatste acht hij hoog om zijn vakmanschap, maar als mens en collega blijkt het een ander verhaal. Ook de relatie met Diepenbrock is complex. Ze kunnen het goed met elkaar vinden, maar Vermeulen schroomt niet om de waarheid in zijn kritieken te zeggen als Diepenbrock zijn eigen werken niet goed dirigeert. Dan staat hun relatie weer op springen.

Dat geldt ook voor de relatie tussen Diepenbrock, zijn vrouw en zijn minnares. Die laatste wil weten waar ze aan toe is. Ze trouwt uiteindelijk ook met een ander maar ze kunnen elkaar aanvankelijk niet loslaten. Zijn vrouw Elisabeth komt erachter en schroomt niet om op haar beurt een relatie met Vermeulen aan te knopen. Daar is ze glashelder over tegen haar man;

Op zijn verwijt dat ze Vermeulen in Holtwick had ontvangen, antwoordde ze bits; ‘Holtwick is met mijn geld gebouwd. Ik heb het ingericht en draag er alle zorg voor. Ik ontvang daar wie ik wil.’
‘Gebruik je hem om wraak te nemen op mij?’ vroeg hij nog…’Wraak?’ antwoordde ze. ‘Welnee. Ik hou van Thijs.’ En vervolgens kondigde ze aan op geen enkele manier van plan te zijn zich beperkingen op te leggen in haar omgang met Vermeulen. ‘Jij hebt je geluk gezocht bij Jo. Ik heb ook recht op geluk. De enigen met wie ik rekening zal houden zijn Thea en Johanna.’ En voor hij kon antwoorden liep ze de kamer uit.

Ik ben wel benieuwd of dit een roman voor iedereen is. Het verhaal speelt zich af aan het begin van de twintigste eeuw. Een boeiende periode, waarin de industrialisatie op gang komt en men aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog staat. Er wordt fantastische muziek geschreven, door Diepenbrock, Mahler, Strauss en Willem Mengelberg is op het toppunt van zijn roem. Als muziekliefhebber kan ik hier geen genoeg van krijgen dus ik las het boek in één ruk uit. Sterker, ik blijf nog even in die tijd want ik ben al begonnen in de dubbelbiografie over de vrouw van Diepenbrock, Elisabeth, én van haar zuster Cécile.

De auteur, Erik Menkveld is helaas overleden, maar ik vond wel een mooi interview over zijn boek op Youtube. Lees ook vooral de bespreking van Anna hier.

2bcd41b6bd91c3e597458526e41444341587343
Musicoloog Emanuel Overbeeke heeft met zijn boek Een meester zonder hamer een biografisch essay geschreven over componist, schrijver en dirigent Pierre Boulez (1925-2016).

Ik heb een aantal cd’s met werken van Boulez in de kast staan en ik ben dus bekend met zijn muziek, maar dat ging niet vanzelf. Het gaat hier namelijk om seriële muziek. Dat is muziek waarin een rij of serie van muzikale parameters (zoals toonhoogte, dynamiek, toonduur en toonkleur) de grondslag vormt om een muziekstuk te schrijven. Het serialisme borduurde voort op de ook al niet toegankelijke muziek van componisten als Schönberg en Webern.

Nu ben ik helemaal geen musicoloog en ik luister, niet gehinderd door enige kennis van zaken, naar deze muziek. Ik houd er wel van, ik laat mij graag verrassen door de dynamiek, de tomeloze energie of verstilling die er in zit. Daar heb ik zelfs een boek als dit niet voor nodig. Ik zag dit overigens bevestigd door de auteur zelf;

Men begrijpt muziek, elke muziek niet door te weten hoe die in elkaar zit…, maar door affiniteit, emotionele binding en openheid voor de esthetische lading…Analyse van melodieën, ritmen en klanken komt na de emotionele verovering, niet ervoor…

Maar zo’n boek helpt wel. Overbeeke heeft een toegankelijk werk geschreven van ruim 230 pagina’s, waarin er aandacht is voor de verschillende kanten van Boulez. Er zijn hoofdstukken over Boulez als componist, als dirigent, als schrijver, als programmeur en over zijn betekenis voor de muziek.

Die betekenis was enorm groot en daar heb ik als leek wel enige duiding nodig. Overbeeke maakt duidelijk dat wat Boulez deed, niets minder was dan de bestaande muzikale traditie radicaal overboord gooien. Serialisme was op zich niet  nieuw, maar dat was meer het middel dat Boulez gebruikte om dit te doen. Hij gebruikte bouwstenen als melodie, ritme en metrum, gooide alles door elkaar om vervolgens een heel eigen klankwereld op te zetten. Dat wordt dan gelardeerd met voorbeelden uit zijn werken, waardoor je stukken steeds weer opnieuw draait om dingen terug te horen. Er staan ook talloze linkjes in het boek naar verschillende geluidsfragmenten op internet overigens.

Als publicist was Boulez ook iemand van formaat. Hij schreef veel en vaak en was vaak niet mals in zijn kritieken;

…schaamteloos, hoewel op beleefde toon, worden kwaliteitsoordelen geveld en diverse componisten, onder wie Ives en Satie, gediskwalificeerd als niet van het hoogste niveau, interessanter vanwege hun ideeën dan de vormgeving ervan in muziek.

Daar kunnen de heren het mee doen. Ook als dirigent is Boulez een fenomeen. Hij is wars van sentimentaliteit, de volkswijsjes van Mahler en Kodály in hun werken kunnen hem gestolen worden. Van de eerste zal hij dan ook vaker zijn latere symfonieën dirigeren. Hij is zo goed dat hij de orkesten, en vaak de programmering ook, voor het uitzoeken heeft. Zijn eigenzinnigheid komt mooi naar voren als hij bij een instituut als de Wiener Philharmoniker gaat dirigeren;

…hij aarzelt dan ook niet hardhandig te breken met speelwijzen die musici en luisteraars dierbaar zijn. Bij zijn uitvoering van Mahlers Tweede symfonie met de Wiener Philharmoniker negeert hij bewust allerlei dramatische gebaren die niet in de partituur staan, maar die het orkest graag wil spelen omdat het deze ervaart en waardeert als typisch Weens.

Boulez komt naar voren als iemand die zeer goed weet wat hij wil, zowel op compositorisch vlak, als in zijn dirigeren en in zijn programmeringen. Hij was ook de drijvende kracht en directeur van het Institut de Recherche et Coordination Acoustique/Musique (IRCAM), een instituut op het gebied van nieuwe (al dan niet elektronische) muziek, gevestigd naast het Centre Georges Pompidou in Parijs.

Veel van Boulez’ werken worden uiteraard toegelicht en ben je nieuwsgierig naar zijn muziek, dan is het boek zeker aan te bevelen. Gelukkig komen er niet teveel muziektechnische termen in voor en staan er genoeg anekdotes in om het verhaal de nodige vaart te geven.

9400403585.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De roman Goldberg van Bert Natter is een intrigerend boek. Het is een dikke pil van 628 pagina’s en gaat over Johann Gottlieb Goldberg (1727-1756), de klavecinist, organist en componist die, helaas voor hem, niet beroemd is geworden door zijn eigen werk. Des te beroemder is hij door het werk van Johann Sebastian Bach, namelijk door de Goldberg-variaties. Het verhaal gaat dat de veertienjarige Goldberg die variaties speelde voor de aan slapeloosheid leidende graaf Von Keyserlingk, om hem wat op te vrolijken.

Er is niet veel bekend over het leven van Goldberg en des te opmerkelijker is het dat je dan zo’n dikke roman over hem kan schrijven. Is dat de moeite waard dan? Jazeker.

De auteur wordt in een interview gevraagd of hij nieuwe informatie over Goldberg wilde opdiepen of hem als historische figuur tot romanpersonage wilde maken;

‘Dat laatste. Heb je Amadeus ooit gezien, die film over Mozart? Historisch gezien klopte er echt niks in dat verhaal, maar toen ik veel later de brieven van Mozart las, dacht ik: verdomme, die figuur in de film is precies de man die oprijst uit de brieven. Zoiets wilde ik ook met Goldberg doen. Ik heb zijn levensfeiten gebruikt als piketpaaltjes, en ik klets van het ene paaltje naar het andere.’

Hij gebruikt daarbij zowel de tegenwoordige als de verleden tijd. In het heden schrijft Sebastian Savage een boek over Johann Sebastian Bach, probeert daarmee af te studeren maar dat mislukt. De aldus gesjeesde musicoloog laat zijn scriptie toch afdrukken en krijgt enige bekendheid. Tijdens een lezing in Dresden wordt hij aangesproken door ene heer Weiss. Die doet hem allerlei interessant materiaal aan de hand over Goldberg en Savage raakt geïnteresseerd. Hij reist naar Dresden af om onderzoek te gaan doen.

Ondertussen leren we hem beter kennen, zijn ouders én zijn verslaafde zus. Maar we reizen ook af naar het verleden, waar we Goldberg ontmoeten, de oude Bach en zijn zonen, de viool-virtuoos Pisendel, Frederik II van Pruisen, Giovanni Casanova en de beroemde castraat Giuseppe Belli.

De auteur beoogde met zijn roman een verhaal te vertellen hoe de geschiedenis zou hebben kunnen verlopen en verdraaid als ik niet af en toe eens gegoogeld heb om wat zaken na te lopen. Zo is het verhaal over de zieke Pisendel die uiteindelijk uit de dood herrezen lijkt en alsnog in de orkestbak kukelt natuurlijk te mooi om waar te zijn.

Savage zoekt verwoed naar allerlei aanwijzingen over Goldberg en de later naar hem vernoemde variaties. Zo leest hij in een pamflet van de zangeres Signora Mingotti;

Ik wilde naar huis gaan, maar hij vroeg me te blijven en terwijl ik mij langzaam overgaf aan zoete dromen, speelde Signore G*ldb*rg de meest miraculeuze

Nu komt het! Het kan niet anders of hij speelde de beroemde, naar hem vernoemde variaties voor haar! Als ik omsla, zal ik het weten. Ik aarzel. Onderaan deze rechterpagina staat al het eerste woord van de volgende pagina en dat luidt ‘muziek’. En wat speelde Goldberg voor Mingotti, daar in Venetië?

muziek die ik nooit hoorde, met zijn vingers op zijn huid. Nooit eerder had iemand mij zo aangeraakt. Geschrokken kwam ik overeind en ging ik alsnog huiswaarts.

In de roman moeten wij uiteraard ook de pagina omslaan, net als Savage, voordat we verder kunnen. Ik houd daarvan. Het boek is ook met de nodige humor geschreven, getuige dit fragment;

Bach als goddelijk geïnspireerd genie dat de noten hoogstpersoonlijk ingefluisterd krijgt. Wie zich in de ontstaansgeschiedenis van de Matthäus verdiept…weet dat het niet klopt. Bach maakte tussen 1727 en 1742 zeker vier verschillende versies – vijftien jaar had hij nodig om een muziekstuk van tweeënhalf uur in elkaar te zetten tot het goed was. Als God hem daarbij heeft bijgestaan, zat Hij zeker niet lekker in Zijn vel, wanneer je bedenkt dat Hij eigenhandig in zes dagen de ganse schepping voltooide.

Ook een achteloos zinnetje als “Ik verzin het niet” in een roman, als de tonic van het merk Goldberg & Sons blijkt, bevalt me.

Muziek, geschiedenis, een vertelling in het heden en met de nodige humor geschreven, ik heb mij prima vermaakt met dit boek.

9463453709.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Een os op het dak van musicologe en muziekjournaliste Thea Derks heeft als ondertitel Moderne muziek na 1900 in vogelvlucht. Dat is ook precies wat het inhoudt. In 94 pagina’s geeft Derks een overzicht van de “klassieke” muziek na 1900, onderverdeeld in vier hoofdstukken; Harmonie, Ritme, Klankkleur en Belangrijke cultuurcentra.

Die moderne of eigentijdse muziek is niet altijd makkelijk en dit boek wil een handleiding bieden voor de geïnteresseerde beginner of een naslagwerk zijn voor de gevorderde luisteraar. Nu beschouw ik mijzelf niet als kenner maar ook niet helemaal als beginner omdat ik veel beluisterd heb en ook het nodige gelezen heb over de modernere muziek, dus ik was wel benieuwd wat het boek mij te bieden had.

Allereerst vind ik de indeling prima. We worden door de auteur meegenomen van tonaliteit naar atonaliteit, naar twaalftoonsmuziek, naar het serialisme en naar toevalsmuziek enzovoort. We leren bij over de verschillende soorten ritmiek, nieuwe instrumenten, speelwijzen en elektronische en spectrale muziek. De toon is helder en de meerwaarde van dit boek vond ik al snel in de genoemde muziekvoorbeelden. Ik bleef rennen naar mijn cd-kast, naar Youtube en Spotify. Waar ik het af en toe kwijtraakte, als niet-muzikant, waren de technische termen in de uitleg van bijvoorbeeld de twaalftoonstechniek;

Dan is er de inversie of omkering, waarbij de afstand tussen twee tonen stijgend wordt in plaats van dalend, of omgekeerd: B-C stijgend wordt dalend B-BES (een halve toonsafstand), waardoor de volgorde van de tonen verandert. Verder is er nog de inversie van de kreeftgang.

Dit heeft een beetje te maken met het schrijven voor zowel de leek als de gevorderde; hier ging ik snel langs. Dat neemt niet weg dat Derks strooit met talloze feiten en weetjes waar ik erg enthousiast van wordt. Ik was bekend met de muziek van La Monte Young en zelfs met zijn werk Composition #7, waarin een tweeklank van de componist lang aangehouden moet worden. Ik wist niet dat er een uitvoering geweest was waarbij men stenen op de pedalen van het orgel legde, die pas na een week verwijderd werden. Dat wil ik weten!

Zo had ik nog nooit gehoord van de componist Remko Scha (1945-2015). In zijn stuk The Machines worden gitaarsnaren aangeslagen door elektronisch aangedreven ventilatormotoren, kabels, boormachines en zagen. Geen muziek om je roman bij uit te lezen, maar ik wil het wel weten. Dat geldt ook voor de muziek van Alvin Lucier (1931), die via elektroden op het hoofd via ‘alfagolven’ slagwerkinstrumenten tot klinken brengt in zijn Music for solo performer. Misschien ook geen luistermuziek, maar daardoor zoek ik wel verder en kom uit bij Lucier’s stuk voor trombone en piano, Panorama. Ik kende het niet en ik vind het prachtig.

De hoofdstukken over nieuwe instrumenten en nieuwe speelwijzen deden mij weer luisteren naar de muziek van Olivier Messiaen en van Sofia Goebaidoelina. Niet nieuw voor mij, wel weer even opfrissen en dat was prima. Even stilstaan bij al die ‘extended techniques’;

En passant ontwikkelden componisten een oor voor de ‘onmuzikale bijgeluiden’ van instrumenten. Zij laten musici ratelen met kleppen, alleen op het mondstuk spelen, met het hout van de stok strijken, hiermee op de klankkast tikken of slaan en achter of precies óp de kam van een strijkinstrument spelen.

In het nawoord legt Derks nog eens uit hoe dit boek tot stand is gekomen, eigenlijk als resultaat van de cursussen over moderne muziek die zij verzorgde in het Concertgebouw in Amsterdam. Ik was daar niet bij, maar zij vertelde vast vaak:

Tijdens mijn studie leerde ik van Charles Ives dat je je oren ‘niet lui in een leunstoel moet leggen’, maar moet inspannen om ongebruikelijke of zelfs onaangename klankspectra te doorgronden. Zijn aansporing mijn grenzen te verleggen heeft mij vele spannende ervaringen opgeleverd.

Ik kan mij daar alleen maar bij aansluiten.

9023429060.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik heb wel het één en ander over Beethoven gelezen, maar een deugdelijke biografie eigenlijk nog nooit, dus dit boek van Jan Caeyers wilde ik graag lezen. Gottmer heeft ooit een componistenreeks uitgebracht en dat deeltje bezit ik, maar dat las ik lang geleden dus de kennis opfrissen kon geen kwaad, temeer omdat ik Beethoven’s muziek regelmatig afspeel. Ik heb al zijn werken inmiddels beluisterd, maar met een biografie van zo’n 600 pagina’s hoopte ik nieuwe inzichten te krijgen en dat klopte.

Vaak vertellen biografen wat over de voorouders en dat is hier niet anders maar wel erg interessant, want de beroemde componist is de achterkleinzoon van een bakker uit het Vlaamse Mechelen. Hij werd echter in Bonn geboren in een gezin dat niet vrij van problemen was. Zijn vader kampte met psychische problemen en was een dronkaard. Toch zal Beethoven nooit een kwaad woord over hem spreken en dat vind ik meteen de kracht van dit boek. De mythische Beethoven wordt overal tot de menselijke maat terug gebracht. Daar kom ik op terug.

Beethoven bleek muzikaal uitzonderlijk begaafd en speelde uiteindelijk sneller dan dat hij las en er gingen al snel verhalen in het rond over zijn talent;

…nog sterker is het verhaal dat de jonge Beethoven erin is geslaagd de bas Ferdinand Heller – die toch bekendstond als een toonvast zanger – totaal uit zijn toon en zijn lood te slaan door een ter plekke geïmproviseerde en uiterst complexe begeleiding, met het gevolg dat de keurvorst zelf hem moest aanmanen het voortaan allemaal eenvoudig te houden.

Het ontbrak hem niet aan lef en hij zal uiteindelijk in Wenen belanden. Hij ontmoet Mozart en Haydn en de auteur geeft aan waar de verschillen liggen in speelstijl, en waarom Beethoven uiteindelijk zo’n revolutie in de muziek zou ontketenen.

Hij is overtuigd van eigen kunnen en zegt dat ook als het hem uitkomt;

‘Prins, wie u bent, bent u door toeval en geboorte. Wie ik ben, ben ik dankzij mezelf. Prinsen zijn er en zullen er nog duizenden zijn, er is echter maar één Beethoven.’

In de liefde is het een ander verhaal en boekt hij minder succes. Hij heeft één ‘eeuwige’ geliefde die een grote rol zal spelen in zijn leven én daarmee in zijn werk en dat is Eleonore von Breuning. Een andere bepalende factor is zijn gezondheid, of beter, het ontbreken daarvan. Bekend is zijn toenemende doofheid, waarschijnlijk als gevolg van tyfus. Ook zijn zenuwgestel werd daardoor aangetast en zijn overmatige alcoholconsumptie zal ook niet geholpen hebben.

Verder was het hard werken in Wenen. Hij moest leuren om zijn composities ten gehore te kunnen brengen en verkocht daarvoor zelfs eigenhandig toegangskaartjes. Die composities, dat is een verhaal apart. Die waren anders dan alles wat daarvoor was geprobeerd en dat wordt prachtig toegelicht in dit boek. Soms met notenvoorbeelden, maar prima te volgen als je niet muzikaal onderlegd bent. Je wilt die werken meteen opzetten en ik hoorde allemaal nieuwe dingen.

Belangrijke episodes krijgen een eigen hoofdstuk, zoals zijn retraite in het dorpje Heiligenstadt, nu een deel van Wenen. Het werd hem allemaal teveel en hij moest rust houden. Daar wandelde hij veel en hij schreef er van zich af in een document wat nu bekend staat als het Heiligenstädter Testament. Ook zijn zorg voor zijn neef Karl is een constante. Hij had het beste met hem voor maar kon een zelfmoordpoging niet voorkomen. Zijn ontmoeting met Goethe, zijn problemen met betalingen, maar vooral de uitweidingen over zijn muziek zijn fascinerend. Over zijn strijkkwartetten;

…veel ingrijpender waren de gevolgen van de professionalisering onder Shuppanzigh. Daar waar de Strijkkwartetten (op.18), net als alle kwartetten uit die tijd, nog gemaakt waren op maat van de consumenten…waren de Rasumowskykwartetten gedacht voor professionele muzikanten, wat er in de praktijk op neerkwam dat Beethoven met niemand meer rekening hield. Bepaalde passages waren technisch zo moeilijk dat ze enkel nog speelbaar waren door de grootste virtuozen….

En als het zijn meesterviolist Shuppanzigh teveel werd en hij zich beklaagde bij Beethoven, dan was deze niet mals;

‘Denk je werkelijk dat ik aan jouw ellendige viool denk wanneer ik getroffen word door een bepaald gevoel?’

Uiteindelijk werd Beethoven volledig doof en daar begint voor mij het wonder. Hij bleef doorcomponeren maar nu praktisch zonder piano. Zijn ‘inwendig gehoor’ was zo getraind dat hij in staat was totaal nieuwe en nooit gehoorde klankenconstructies te ontwikkelen en die om te zetten naar een concreet notenbeeld. De auteur gaat hierin zo ver dat zijn doofheid wellicht werken heeft opgeleverd die een horend componist nooit had kunnen schrijven.

Maar even terug naar de menselijke maat. Het boek staat vol met materie die je echt wel doen inzien wat voor uitzonderlijk begaafd iemand Beethoven was. Dan is het prettig dat, om de zaak in balans te houden, ook de menselijke maat niet uit het oog verloren wordt. Dat gebeurt. Beethoven had zijn woede-aanvallen en kon nukkig en dwars zijn, allemaal waar. Maar de liefde voor Eleonora, zijn twijfel die hij van zich afschrijft, de capriolen die hij uithaalt om zijn werk maar aan de man te brengen, die worden allemaal uitgebreid beschreven en laten zien dat hij maar mens was. Zijn laatste woorden waren, toen hij naar een paar flessen prima Rüdesheimer keek op het tafeltje naast zijn bed: ‘Jammer, jammer, te laat!’ 

Ik zet zijn bewerkingen nog maar eens op van die Schotse volksliedjes.

9200000086440939
In het Bach-jaar 2000 schreef Maarten ’t Hart zijn boek over Johann Sebastian Bach, destijds te koop bij een welbekende drogisterijketen. Dat boek heeft hij herzien en uitgebreid en dat is het boek dat onlangs is uitgekomen. Ik heb het herlezen en heb mij er goed mee vermaakt.

Dat kan positief en negatief zijn en er zit van beiden wat in. Allereerst de meerwaarde van de heruitgave. Die zit hem in de toevoeging van de hoofdstukken over de Goldbergvariaties en Die Kunst der Fuge, in de bespreking van de Bach-publicaties na het jaar 2000 én de uitbreiding van de bespreking van de Bach-cantates. Waar er eerst een selectie werd besproken, behandelt ’t Hart ze nu allemaal.

De auteur is een bevlogen liefhebber en kenner van Bach’s werk. Dat zorgt voor een aanstekelijk enthousiasme, maar ook voor een overdaad aan superlatieven. Met name in de cantate-besprekingen buitelen ze over je heen. Ik heb even voor u geturfd, van de 215 besproken cantates geeft hij 184 keer blijk van zijn enthousiasme. Bovendien kan ik er niet altijd iets mee (“Een van de tien machtigste cantates”, “Boven alle lof verheven”).

Prachtig is het stuk over het incident met Geyersbach. Bach kreeg het aan de stok met deze leerling en dat wordt beschreven in de Bach-Dokumente. Dat zou de bron voor de Bach-biografen moeten zijn, maar ’t Hart toont haarfijn aan wie er met de feiten aan de haal gaat. Dat gaat zover dat biograaf Eidam aan ’t Hart moet toegeven wat namen erbij verzonnen te hebben.

De auteur geeft aan dat we weinig weten over Bach en dat er door de biografen talloze aannames worden gedaan. Toch ontkomt hij daar zelf ook niet aan. In het stuk waar Bach de koorprefect Krause verjaagt, kan ’t Hart het niet nalaten te zeggen “Bovendien schijnt die Krause een prutser te zijn geweest.” Ook spreekt de auteur zichzelf tegen als het over Bach als briefschrijver gaat. Waar hij op pagina 71 aangeeft niet te zwaar te tillen aan Bach’s epistolaire kruiperigheid en beleefdheid, zegt hij op pagina 76 “Wat mij bij eerste lezing meteen stoorde, waren weer die onderdanige frasen”. Nu ik toch even in de kritiek zit, de meest grappige fout vind ik terug op pagina 269. Hierin geeft ’t Hart aan dat er wat foutjes zitten in het boek van De Keyzer “Bachs grote passie“. Hij schrijft dat er onder meer op pagina 21 van dat boek wat foutjes staan. Die foutjes staan inderdaad in dat boek, zij het op pagina 31…

De kritiekpuntjes daargelaten is er gelukkig ook veel positiefs over het boek te vertellen. ’t Hart laat mij stilstaan bij mij bekende muziek, maar waar ik aan de tekst voorbij ben gegaan, zoals bij cantate 206. De auteur vertelt;

Vrij vertaald luidt dus de tekst: zolang er nog water in de kanalen staat, moge het Uwe Doorluchtigheid goed gaan. Ik moet u eerlijk bekennen dat ik daar bepaald onthutst van opkeek. Je hoort een onvergankelijk stukje muziek en dat blijkt geïnspireerd door kanaalwater.

Zo ken ik ’t Hart weer. Ook zijn verhandeling over Bach’s orgelwerken mag er zijn. Hij geeft aan dat, hoewel algemeen erkend wordt dat Bach de grootste orgelcomponist was, hij toch geen speciale verwantschap had met dat instrument;

Heeft Bach een innige relatie met het orgel gehad? Nauwelijks. Zijn laatste ambtelijke functie als organist is zijn aanstelling in Mühlhausen geweest, die hij in 1708, dus toen hij drieëntwintig was, opgaf…De grootste orgelcomponist aller tijden had geen grotere verbondenheid met het orgel dan bijvoorbeeld met de viool, waarvoor hij tenslotte zijn allermooiste stuk componeerde: de Chaconne.

Uiteraard heb ik bij dit boek veel muziek beluisterd. Zo wist ik wel van de Köthener Trauermusik, maar was dit aardig weggezakt. Bach schreef dit stuk voor zijn overleden vorst toen hij aan de Matthäus-Passie bezig was en zag er geen been in deze muziek op andere tekst te zetten en voilà, we hebben een treurstuk. Er valt dus best wat aan te merken op dit boek maar er valt ook veel uit te halen. Het is vintage ’t Hart, wat blijkt uit de volgende citaten, de eerste over de top als hij in zijn enthousiasme een beetje uit de bocht vliegt, de tweede recht uit zijn muzikantenhart;

In de Vijfde partita, met zijn grootse Preambulum, zijn triolen-Allemande, zijn liefelijke Corrente (alsof je weer even mag terugstappen in de wereld van de Kleine preludes en fughetten), zijn tertsen-Sarabande, zijn halsbrekende Menuet, zijn grappige Passepied, en zijn voor een amateur vrijwel onspeelbare Gigue, wordt al de aanloop genomen naar de meest vergeestelijkte Partita.

Een van de vele aantrekkelijke kanten van Bach is dat zelfs zijn moeilijkste werken gedeelten bevatten die een beginneling kan spelen. Vrijwel niets in zijn werken voor klavier stelt hogere eisen aan de uitvoerende dan de laatste Goldbergvariaties, maar ook daarin vind je simpele variaties die je vrijwel à vue spelen kunt. Als gevolg daarvan heb je ook als amateur het gevoel dat Bach je serieus neemt en alvast een tipje van de sluier voor je oplicht, je wordt al een beetje ingewijd, je mag al meedoen, en niet eens voor spek en bonen.