archiveren

Zelfmoord

twee-verwoeste-levens
Twee verwoeste levens van Jeroen Brouwers is een dun boekje van 100 pagina’s. De ondertitel “De levensloop en de dubbelzelfmoord van Elize Baart en Bastiaan Korteweg” belooft niet direct een lading leesplezier, maar ik was wel geïntrigeerd. In zijn essaybundel De laatste deur, over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren, wijdt Brouwers namelijk maar een halve zin aan deze casus maar dat maakt hij hier ruimschoots goed.

Elize Baart werd in 1854 geboren en was actrice en schrijfster. Hierin was zij geenszins een hoogvlieger, maar ze heeft wat opmerkelijke wapenfeiten op haar conto. Zo was zij waarschijnlijk de eerste vrouw die openlijk het gebruik van voorbehoedsmiddelen propageerde. Zij verwerkte haar feministische stellingen vaak in vanillezoete romans zonder enige literaire kwaliteit. Toch kwamen deze onder de aandacht voor de in die tijd feministe pur sang, Mina Krüseman (waaraan de latere Dolle Mina’s hun naam zouden ontlenen). Elize werd een protegé van Mina en kwam zowaar in aanraking met Multatuli. Mina had namelijk geregeld dat zij beiden in een toneelvoorstelling van hem zouden optreden, Vorstenschool. Waar Elize ‘niets verknoeide’, kreeg Mina er van Multatuli ongenadig van langs toen hij de repetities bezocht.

Als auteur gooit Elize dus geen hoge ogen. Brouwers vertelt;

Hoe ook bekeken, het ontbrak de prille schrijfster aan levensinzicht en mensenkennis. Haar verhaalspersonages hebben de contouren van slordig uitgeknipte papieren poppetjes en de kleur van verbleekte waterverf. Mannen zijn onbetrouwbare ijdeltuiten, vrouwen zijn het slachtoffer van mannelijke listen, de maatschappij, het lot, of alles tegelijk. Het huwelijk is de ‘grootste slaverny, die de beschaving uit kon denken’.

Tot ze Bastiaan Korteweg leert kennen. Aanvankelijk een uitblinker in de marine en later daar als burger werkzaam als leraar wiskunde. Hij was echter ook een vrijdenker en pacifist. Hij bedacht dat hij zijn ideeën daarover best in zijn klassen naar voren kon brengen. Daar dachten de bevelhebbers toch wat anders over en hij verloor zijn betrekking. Bastiaan en Elize vinden elkaar en trouwen, ondanks de boude uitspraken van Elize in haar geschriften.

Krüseman (Brouwers; “Ze moet als onder een kruis (‘krüse’) gebukt zijn gegaan onder het feit dat ze ‘man’ in haar naam droeg”) en Multatuli in mindere mate blijven in contact met het koppel en  uiteindelijk vestigen Elize en Bastiaan zich in Groningen.

Daar gaat het gruwelijk mis. Er zijn misschien wat aanleidingen, maar het blijft bij giswerk;

De heer B.P. Korteweg, zo meldde het Algemeen Handelsblad van 16 October 1879, leed in de laatste dagen aan ‘vlagen van zwaarmoedigheid, die dikwijls in de vreeselijkste drift ontaardden’. Er was een ‘zeer gespannen verhouding’ ontstaan tussen hem en zijn compagnon Broese, en deze had ‘reeds eenige malen aanleiding tot heftige tooneelen gegeven’…Op de ochtend van Maandag 13 October culmineerde het conflict tussen Korteweg en Broese in ‘dadelijkheden’.  Gingen de compagnons met elkaar op de vuist?

Hoe dan ook, het echtpaar besloot om samen eruit te stappen. Er was een afscheidsbrief maar die is verloren gegaan, hoewel hij uit commentaren gedeeltelijk te reconstrueren is. Opvallend is dat ze hierin verwijzen naar de leer van Boeddha en samen het nirwana willen opzoeken. Brouwers biedt het de lezer aan met het grootst mogelijke voorbehoud.

Een kort, maar erg intrigerend verhaal. Waar ik van houd bij Brouwers is dat hij zo veel mogelijk informatie opdiept over zo’n casus, maar het zeer feitelijk vertelt. Ik citeer hier uit een bespreking van Harry Fleurke maar onderschrijf het volledig, de monografie blinkt uit door de terughoudende toon van de schrijver: een toon waarop hij op bewonderenswaardige wijze de vaak tragische feiten en gebeurtenissen van de levensverhalen zonder opsmuk en zonder iets te verdoezelen paart aan een groot gevoel van mededogen: ‘mijn toon is die van solidariteit’.

Zoals Brouwers aangeeft; Twee verwoeste levens, van toepassing op Elize en Bastiaan zelf. Die titel verzint Brouwers niet zelf, het is de titel van een melodramatische schets van Elize Baart zelf, die voorkomt in haar boekje Drie Novellen. Brouwers geeft aan dat dit boekje verloren is gegaan, maar ik tracht het op dit moment te bestellen via Marktplaats. Wie weet wordt het vervolgd…

En het wordt vervolgd: ik heb de Drie Novellen van Elize Baart in huis en wat blijkt, Twee verwoeste levens komt er  als titel vooralsnog niet in voor. De titels van de novellen zijn 1. Lucien, Graaf de Lomonde, 2. Als Kinderen en als Menschen en 3. Mariëtte. Nu kon Brouwers dit niet weten. Op het moment van schrijven was er niet één exemplaar van dit boekje terug te vinden. Brouwers;

Het enige bewijs dat het heeft bestaan is een bespreking ervan door H.C. Berckenhoff in de Nederlandsche Spectator…Zoals uit Berckenhoffs overzicht is op te maken, stond in Drie Novellen ook de melodramatische schets Twee verwoeste levens, die eerder in 1878 in De Tolk van den Vooruitgang had gestaan.

Brouwers borduurt wel voort op het eerste verhaal, dus misschien verwijst dit naar de titel. Ik ga de Drie Novellen nog lezen, wellicht komt de titel toch terug in één van de verhalen, dan kom ik er zeker op terug. Zo niet, dan zal ik dat ook vermelden. Het blijft werk in uitvoering.

In de eerste novelle is er inderdaad sprake van twee verwoeste levens, maar de term komt als zodanig niet voor. Op pagina 20 staat de zin “Het was de oude kwaal der De Lomondes, die reeds zooveel kwaad had gesticht, en zooveel levensgeluk had verwoest!“. Verder staat op pagina 57 de zin “Beiden waren slachtoffers geweest van den hartstocht, die al zoolang menschenlevens helpt te verwoesten“. Twee verwijzingen dus maar de titel Twee verwoeste levens komt in geen van de drie novellen voor. Wellicht moeten we de verwarring op het conto van H.C. Berkenhoff schrijven.

753bf9278150050592f31785541444341587343

De laatste deur van Jeroen Brouwers heeft als ondertitel Essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren. Dat klinkt weinig opwekkend en dat is het ook niet, toch is het een groots boek dat ik in één adem uitlas.

In goed vijfhonderd pagina’s geeft Brouwers een overzicht in kleine biografieën welke schrijvers in de Lage Landen zoal de hand aan zichzelf hebben geslagen en wat daar de achterliggende reden voor was. Daar zitten bekende schrijvers bij als Menno ter Braak en François Haverschmidt, maar kent u ook Willem van Haren, Cornélie Huygens, Gerlof van Vloten, Gust L. van Roosbroeck, Jan Emmens, Jan Emiel Daele enzovoort? Dat dacht ik al. Brouwers geeft ze allemaal hun rechtmatige plek in de literatuurgeschiedenis en doet dat met grote kennis van zaken.

Hij lardeert de schrijversportretten met essays over zelfmoord, het taboe, taal en terminologie rondom zelfmoord, de Bijbel en zelfmoord, dieren en zelfmoord (denk aan de lemmingen die van een klif af rennen), het is allemaal even lezenswaard. Een paar praktijkgevalletjes dan, voor de sjeu.

Jan Emiel Daele (1942-1978) lijkt zo’n tragisch geval. Voor de tweede maal getrouwd, een vrouw die hem bedroog en hij liep al even rond met zelfmoordplannen. Hij schoot zijn vrouw vijf maal in de borst en pleegde erna zelfmoord. Het was de dag waarop volgens Brouwers “de grote verhuiskou over Daele kwam”.

Zo ook de dichter Ido Keekstra (1909-1965). In 1963 noteerde hij in zijn dagboek al een droom over een auto-ongeluk. Twee jaar later reed hij met zijn vrouw frontaal in op een tegenligger. Ongeluk of zelfmoord? Het was de dood die hij voorspeld had en ook wilde. Wrange verhalen af en toe.

Brouwers maakt aannemelijk dat achter al die zelfdodingen wel een reden zit. Die reden is soms op schrift gesteld, soms is het gissen naar de werkelijke oorzaak. In dat verband citeert hij de dichter Heinrich Heine uit Das Buch Le Grand:

‘Wenn ein Mensch sich totschiessen will, so hat er dazu immer hinlängliche Gründe – Aber ob er sellbst die Gründe kennt, das ist die Frage.’

Wellicht is het bekend dat zelfmoordenaars niet snel op een plekje geweide grond konden rekenen, geloofstechnisch gezien. Zelfmoord was immers een doodzonde. In Friesland was het gebruik om zelfmoordernaars te begraven ‘onder de drup van de dakgoot’, aan de noordzijde van de kerk, die gold als de verachtelijkste plek om als graf te bestemmen. Ik weet niet waarom, ik wil het weten.

Tenslotte Halbo C. Kool (1907-1968). Ik had nog nooit van de goede man gehoord. Begonnen als wonderkind met zijn verzenbundel “De tooverformule” heeft hij die belofte nooit waar kunnen maken. Hij dacht grote schrijvers en dichters onder zijn vrienden te tellen, Brouwers ontzenuwd dit. Du Perron schrijft over hem zelfs in  een brief ‘ook een domme jongen toch’. Uiteindelijk mocht Kool zich helemaal niet in de sympathie van de groten verheugen. Wat Brouwers echter niet vermeldt is dat Kool uiteindelijk toch in de “Avonden” van Gerard Reve opduikt in een bijrol, als Arend Wortel, die honderd gulden van Frits tracht te lenen. Voorwaar geen klein wapenfeit (bron:www.nadertotreve.nl). Het mocht niet baten, Kool werd begin 1968 dood aangetroffen op een doodlopend weggetje in het weidegebied bij Kortenhoef. Hij had zelfmoord begaan door een overdosis slaapmiddelen. Een indrukwekkend boek in indrukwekkende stijl.