archiveren

Maandelijks archief: mei 2010

6c340c2eabf599e592f6e504b67444341587343

In 1949 wordt het boek 1984 van George Orwell voor het eerst uitgegeven. Een beklemmend verhaal over hoe de maatschappij er over een goede dertig jaar uit zou kunnen zien. Beklemmend, omdat er een beeld wordt geschetst van een totalitair regime, van een alleswetende leider die in de beschrijving aan Stalin doet denken en van een alles beheersende partij die in strakke meerjarenplannen de toekomst uitstippelt (Orwell kon toen nog niet weten dat Mao in China dat later ook zou proberen).

De maatschappij bestaat voor 85% uit proletariërs. Zij werken lange dagen, hebben niets in te brengen en worden meedogenloos onder de duim gehouden. De overige 15% zijn partijleden die zich op een aantal ministeries bezighouden met propaganda en geschiedvervalsing. Binnen de partij is er de “Inner Party” waarvan de leden speciale privileges hebben.

Overal hangen teleschermen. Hierop wordt de hele dag propaganda afgespeeld, er klinken commando’s op en zie dienen om partijleden in de gaten te houden. De kleinste afwijking kan worden bestraft. Straffen variëren van werkkampstraffen tot totale verdwijning. Mensen worden opgepakt en uit de geschiedenis gewist alsof ze nooit hebben bestaan.

In deze maatschappij beweegt Winston Smith zich. Hij werkt als partijlid op het Ministerie van Waarheid waar hij de geschiedenis herschrijft. Hij houdt tegen de regels een dagboek bij en beweegt zich in de wijken der proletariërs met alle gevaren van dien. Hij gaat zelfs een relatie aan met een collega. Beiden weten ze dan eigenlijk al dat dit een keer fout moet gaan.

Ze hebben gehoord van een ondergrondse beweging, “The Brotherhood” waar ze zich bij aan willen sluiten. Het doel is om een eind te maken aan de onderdrukking en de vrije wil in ere te herstellen. Ze nemen een collega in vertrouwen uit de “Inner Party” waarvan ze denken dat hij een rol speelt in “The Brotherhood”.

Uiteindelijk worden ze verraden en wordt Winston opgesloten. Hij wordt vreselijk gemarteld en bekent misdaden die hij nooit heeft gepleegd. Hij weet dan nog niet of hij ooit vrijgelaten wordt of direct de kogel krijgt. Zijn grote vraag is dan ook waarom hij al die daden moet bekennen als de dood onvermijdelijk blijkt. Daar heeft de partij een antwoord op:

“Do not imagine that you will save yourself Winston, however completely you surrender to us. No one who has once gone astray is ever spared…what happens to you here is forever. Understand that in advance. We shall crush you down to the point from which there is no coming back…Everything will be dead inside you…We shall squeeze you empty, and then we shall fill you with ourselves.”

Het gaat niet zozeer om de bekentenis. Hij moet overtuigd worden van de juistheid van de partij en haar daden. Vroeger stierven dissidenten als dissidenten, met hun eigen denkbeelden, maar Winston zal sterven als een goed partijlid. Het draait om macht, pure macht. Hij wordt naar de beruchte kamer 101 gebracht. Wat daar gebeurt verklap ik uiteraard niet, maar als ze klaar zijn met hem gelooft hij in en accepteert hij de partij volledig. Met zijn geest, maar nog niet met zijn hart. En ook daar komen ze achter…

Orwell heeft nauwkeurig nagedacht over wat voor maatschappij hij wilde neerzetten, waarbij hij natuurlijk een enorme waarschuwing afgeeft tegen het totalitaire systeem. Er zijn een paar superstaten die constant met elkaar in oorlog zijn. De taal wordt ontdaan van overbodigheden en er onstaat een nieuwe taal, “Newspeak”. Geen snel verzinsel, er staat een uitgebreide appendix in het boek over hoe deze taal tot stand komt. Het werk op de ministeries wordt uitgebreid beschreven en we leren uit het boek van “The Brotherhood” hoe deze maatschappij ontstaan is. Het meest blijft echter bij wat het gevaar is van macht, manipulatie en wat angst met een mens kan doen. Beklemmend.

Advertenties

383d68b2654ebd6597969375777444341587343

Eindelijk was hij er dan, deel 13 van de Volledige werken van Willem Frederik Hermans. Dit deel bevat beschouwend werk, en wel de bundels Ik draag geen helm met vederbos en Klaas kwam niet. Het heeft ruim een jaar geduurd voordat dit deel verscheen maar het was de moeite van het wachten waard.

Ik draag geen helm met vederbos bevat 34 stukken, eerder verschenen in o.m. Het Parool, Nieuwsnet en NRC Handelsblad. De stukken over de vaderlandse politiek zijn scherp geschreven maar zijn wel een sprong naar het verleden. Wie kent “glimpieper” drs. De Koning nog van de Anti Revolutionaire Partij? De stukken die mij echt interesseren zijn die over de kunstenaars, vaak schrijvers, van voorbije tijden. Zo heeft WFH een duidelijke mening over Lodewijk van Deyssel:

Schrijven over zelf zullen schrijven, over zelf niet geschreven hebben, komt veel minder voor en moet zonder overdrijving gevaarlijk worden genoemd…Er is me maar één voorbeeld bekend van een man die vrijwel niets anders gedaan heeft dan dit: Lodewijk van Deyssel (1864-1952). Lodewijk van Deyssel is een totaal uniek schrijver, omdat hij zich een leven lang gedwongen heeft tot schrijven (en ook niets anders kon dan schrijven) en toch zoveel geschreven heeft over het feit dat hij niet schrijven kon.

Nu ken ik maar één boek van Van Deyssel, Het Ik uit de Heroiesch-Individualistische dagboekbladen, en dat viel me al niet mee. Dit is het boek dat er bij WFH nog het best vanaf komt…

Prachtig zijn de portretten van Bordewijk en van Knut Hamsun. WFH heeft blijkbaar wat met “foute” schrijvers, want naast Hamsun is ook het portret van Céline fraai en in de bundel Klaas kwam niet komt ook de met de Duitsers collaborerende Henri Béraud nog voorbij.

Andere favorieten uit de bundel Ik draag geen helm met vederbos zijn het portret van de fotograaf Atget, waarvan een aantal fraaie foto’s zijn opgenomen en het verhaal over Gerrit Achterberg. Ik heb diens gedichten allemaal gelezen en kan mij bij WFH aansluiten; soms prachtig, soms volslagen onbegrijpelijk maar blijvend interessant.

Tot slot van deze bundel heb ik genoten van de bijdrage over de gevallen vrouwen. Cléo de Mérode, Liane de Pougy, Caroline Otéro; het zijn illustere namen uit de Belle Epoque die WFH uit de vergetelheid trekt. De dagboeken van Liane de Pougy (volgens WFH de mooiste vrouw van haar tijd; daar slaat hij de plank mis, dat is natuurlijk Cléo de Mérode) heb ik inmiddels in bestelling staan.

liane_de_pougy_pss-ghika[1]

 Liane de Pougy 

1572772723_76aea5e9dd[1]

Cléo de Mérode

De bundel Klaas kwam niet bevat ook een scala aan intrigerende portretten. Een kleine greep: de schilder Fernand Khnopff, de ondergewaardeerde Vondel-vertaler Jean Stals, Friedrich Nietzsche (bedeeld met 6 hoofdstukken), H.P. Lovecraft met zijn gruwelverhalen en Henri Béraud; verrader, maar schreef een grootse roman over dik zijn, genaamd Le Martyre de l’obèse.

Verder staan er prachtige stukken in over boekvertalingen, de moeilijkheden en (on)mogelijkheden hierbij. Waarom zijn Nederlandse schrijvers niet beroemd in het buitenland? WFH schrijft:

Wanneer er beweerd wordt dat een Nederlands boek buiten de grenzen van het vaderland in de winkels ligt, is dit veelal overdreven. Het betekent in de regel niet veel anders dan dat de Stichting ter Bevordering van de Vertaling van Nederlands Letterkundig Werk Bonae Litterae Neerlandicae Patriae et Orbi een kolossale som betaald heeft aan iemand die slecht Nederlands kent om een Nederlands boek te vertalen in zijn eigen moedertaal die hij ook slecht kent. En dat het aldus ontstane onleesbare produkt in het buitenland is uitgegeven door een uitgever die het ook geen lor kan schelen.

Scherpe stukken, vaak onderbouwd met een enorm arsenaal aan feiten. Exemplarisch is het hoofdstuk waarin de Privé-domeinuitgave Nr. 71 Friedrich Nietzsche; Uit mijn leven volledig gefileerd wordt. WFH toont feilloos aan dat er talloze fouten inzitten, met als toppunt dat “herder” doodleuk vertaald wordt als “hert”. Ik ga naarstig op zoek naar dit deel…

Het laatste dat ik er wil uitlichten is het verhaal over de schilderes Marie Bashkirtseff. Zij gaf al vroeg blijk van een grote intelligentie. Zij las veel, danste, was mooi en tekende en schilderde niet onverdienstelijk. Zij hield echter ook een dagboek bij en wel omdat ze niet wilde sterven “zonder een spoor te hebben nagelaten”. Zij moet wat voorvoeld hebben; ze stierf op 24-jarige leeftijd aan tuberculose. Op het kerkhof van Passy te Parijs is zij begraven in een enorme Byzantijnse kapel. Een keuze uit haar dagboeken zijn ook verschenen bij Prive-domein, nummer 215. Ik hoop dat deze correct zijn vertaald.

Weer een lange recensie, maar dat komt door mijn enthousiasme voor deze bundels. Ik lees wel commentaren dat mensen het gevit en gedram uit Parijs (zijn toenmalige woonplaats) wel eens zat zijn. Ik heb daar nog helemaal geen last van. WFH kent zijn klassiekers en ik denk dat menigeen diep zal moeten spitten om zijn polemieken te weerleggen. Als ze dat kunnen, hebben we weer een interessant boek erbij denk ik dan maar.

9044319655.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

De Boekendief van Markus Zusak is een hoogst origineel boek over de Tweede Wereldoorlog. Het wordt namelijk verteld door de Dood. De Dood, die vertelt over een meisje, Liesel Meminger, dat ondergebracht wordt bij een pleeggezin.

Het is geen gruwelijke Dood die het verhaal doet. Het is een milde, licht ironische Dood, die toch af en toe zeer “to the point” is:

Ziehier een Klein Feit
  Je gaat dood.

Of:

Een Spectaculair Tragisch
  Moment
Een trein reed heel erg hard.
Hij was afgeladen met mensen
In het derde rijtuig
Stierf een jongetje van zes.

Hiermee begint het verhaal. Liesel verliest haar broertje tijdens een treinreis. Hij wordt begraven en Liesel vindt een handboek voor doodgravers op het kerkhof. Ze kan nog niet lezen maar neemt het mee. Door haar moeder, een communiste, wordt ze afgeleverd bij een pleeggezin, Rosa en Hans Hubermann. Rosa scheldt doorlopend maar heeft, zoals zal blijken, een groot hart. Hans neemt Liesel liefdevol op. Hij is er als ze nachtmerries heeft en leert haar lezen.

Liesel maakt vrienden in de buurt en haar grootste vriend is Rudy Steiner. Ze voetbalt met hem en ze gaan samen uit stelen. Rudy probeert altijd een kus van haar te stelen en dan komt de Dood met een genadeloos doorkijkje:

             Een Kleine Opmerking Over
          Rudy Steiner
       Hij verdiende het niet om op die manier te sterven

Het is oorlog, het is duidelijk dat niet alles goed zal aflopen en deze opmerkingen maken dat je graag wilt doorlezen. Er komt ook een onderduiker, een Jood. Het is de zoon van de man die Hans Hubermann in de Eerste Wereldoorlog het leven heeft gered. Hans verbergt hem en Liesel ontwikkelt een speciale band met hem. Uiteindelijk kan hij niet langer bij hen blijven door een fout van haar pleegvader.

Liesel heeft honger naar boeken. Zij steelt ze uit de bibliotheek van de burgemeester. Rudy helpt haar daarbij. Zij krijgt van hem de naam Boekendief. Uiteindelijk heeft ze een kleine collectie waaruit ze voorleest in de schuilkelders tijdens de bombardementen.

Tussendoor doet de Dood zijn verhaal over de gruwelen van de oorlog:

De zomer brak aan. Met de boekendief ging alles uitstekend. Voor mij had de hemel de kleur van joden. Wanneer hun lichamen waren opgehouden met het zoeken naar openingen in de deur, stegen hun zielen op. Hun vingernagels hadden aan het hout gekrabd en waren er in sommige gevallen zelfs in vast komen te zitten door de brute kracht der wanhoop, en hun geesten kwamen naar mij toe, regelrecht in mijn armen. We klommen uit die douchefaciliteiten, naar het dak en hoger, de zekere uitgestrektheid van de eeuwigheid tegemoet.

Gruwelijk, maar mooi verwoord. De Dood heeft genoeg te doen, ook in de nabije omgeving van Liesel, maar laat ik niet meer verklappen.

Er zitten een aantal mooie karakters in het boek. Allereerst de pleegouders, Rosa en Hans. Rosa scheldt alleen, is narrig maar je kan er op bouwen in tijd van nood. Hans is vriendelijk en sleept Liesel door moeilijke tijden. Zelfs de Dood mag hem graag. De buurvrouw Frau Holzapfel spuugt dagelijks tegen de voordeur, zoekt ruzie, maar wil toch graag door Liesel voorgelezen worden. Tenslotte Rudy Steiner, die het bestaat om zichzelf zwart te verven en als Jesse Owens sprintjes te trekken over de renbaan. Hij redt een boek voor Liesel uit de koude rivier en is daarmee een held natuurlijk.

Uiteindelijk draait het om de liefde van Liesel voor de boeken en hun verhalen, maar ook voor de mensen om haar heen. Zij en haar naasten krijgen het behoorlijk voor de kiezen en dat maakt dit boek tot een page-turner waardoor 556 pagina’s als vanzelf omslaan.

5c918afaacaa9b7593359495541444341587343

De Blauwe Engel van Heinrich Mann is een boek over verval. Beroemd geworden door de film met Marlene Dietrich in de hoofdrol werd het voor het eerst in 1905 gepubliceerd onder de titel Professor Unrat.

Het is het verhaal van de leraar Metz. Autoritair, onvriendelijk en al sinds mensenheugenis verbonden aan het plaatselijk gymnasium als leraar klassieke talen. De halve stad heeft bij hem in de klas gezeten en iedereen kent en noemt hem bij zijn bijnaam, Mest (ik dus lekker ook vanaf nu). Hij haat het, probeert leerlingen te betrappen die het zeggen maar het lukt zelden.

Eén van de meest onuitstaanbare leerlingen is Lohmann. Mest ziet op een dag een gedicht over artieste, Rosa Fröhlich, in het opstelschrift van Lohmann. Hij is geïntrigeerd en gaat op zoek naar deze artieste. Hij is er van overtuigd Lohmann met haar te betrappen. Hij vindt haar uiteindelijk in de nachtclub De Blauwe Engel.

Zijn leerlingen, waaronder Lohmann zijn er ook maar vluchten. Mest raakt met Rosa in gesprek en komt volledig in haar ban. Hij blijft haar bezoeken en gaat deel uitmaken van haar entourage. In de stad komt de geruchtenstroom op gang. Rosa treedt op, vaak met succes, maar soms wordt ze uitgejouwd. Mest wordt er woedend om, dat publiek bestaat immers grotendeels uit ongehoorzame oud-leerlingen:

Hier hadden ze hun laatste toevlucht gevonden om zich tegen hem te verzetten. Mests despotisme stuitte op de uiterste grenzen van het menselijk vermogen tot onderworpenheid…Hij kon het nauwelijks verdragen. Hij snakte naar lucht, zocht naar een uitweg, hij had lust een van die schedels open te breken om met kromme vingers in de hersenen de zin voor schoonheid weer op zijn plaats te leggen.

Uiteraard gaat dit niet goed. Mest verwaarloost het onderwijs, is alleen nog met Rosa bezig en verliest uiteindelijk zijn baan. Dat weerhoudt hem niet haar ten huwelijk te vragen en ze stemt toe. Er volgen uitstapjes naar mondaine badplaatsen en er worden feesten gevierd in het huis van Mest en Rosa. Er wordt volop gegokt, het nieuws gaat rond en er verschijnen meer en meer mensen op de feesten, tot de consul en de politiecommissaris aan toe. Het verval betreft niet meer Mest alleen, de bevolking wordt er in meegetrokken.

Rode draad in het verhaal zijn de wraakgevoelens van Mest ten opzichte van zijn vroegere kwelgeesten. Sommigen vergokken alles en dan heeft Mest er weer één “verpletterd”. Dat zijn zijn momenten van triomf. Eén oud-leerling dwingt hij tot een gevaarlijke zwemtocht waardoor deze bewusteloos raakt:

Hij keek in het slappe, bleke gezicht van de scholier Jacobi en trachtte zich te herinneren hoe opstandig en honend het geweest was. Daar lag hij, overwonnen: voor altijd overwonnen. Hier was geen overwinning of straf meer mogelijk. Hij voelde zich enigzins beklemd. De weg naar de triomf onder hem begon weer een beetje te slingeren. De tiran duizelde van de krankzinnige hoogte waarop hij zich bevond…

Hij voelt zich oppermachtig. Onterecht, want er is geen geld voor dergelijke uitspattingen en de schuldeisers staan voor de deur. Als dan ook “angstgegner” Lohmann weer op het toneel verschijnt kan het natuurlijk niet anders dan fout aflopen.

Ik werd er niet door van mijn stoel geblazen maar het is een onderhoudend boek van zo’n 250 pagina’s. Prima voor tussendoor en het maakt me wèl nieuwsgierig naar de film.

6d42e1dc22b42285977756a5551444341587343
Maarten ’t Hart is bezeten. In de eerste plaats van klassieke muziek, zo leren we uit zijn boek Du Holde Kunst, maar ook van lezen, zo leren we uit zijn boek De som van misverstanden. Hierin pakt hij een aantal auteurs en (een deel van) hun oeuvre bij de kop en doet dat op verhelderende wijze.

Hij geeft aan aan welke schrijvers hij verslingerd raakte en welke hem niets doen. Zo ziet hij William Faulkner als een auteur om zich vergaand mee te identificeren en doen auteurs als Kafka en Joyce hem veel minder. Over Faulkner zegt hij:

Na hem was er niets meer denkbaar; in zijn werk was voor mij alles te vinden waar het echt op aankwam en omdat ik hem toch niet eeuwig kon herlezen moest ik wel een stap terugdoen, andere schrijvers lezen die Faulkner toch niet konden evenaren…Ik begrijp wel dat Kafka een heel groot schrijver is maar zijn werk betekent toch niets voor me al is het anderzijds ook weer niet zo dat ik het haat…Nee, Kafka liet me gewoon koud, evenals later Wladimir Nabokov, een schrijver die ook hoegenaamd niets voor me betekent en die ik rangschik onder de kroonluchters die niet kunnen branden.

Kijk, dat is een statement. Het is verbijsterend om te lezen hoe ’t Hart zich de oeuvres eigen maakt van de auteurs die hem wel boeien. Als er van Söderberg geen vertalingen meer voorhanden zijn leest hij de Zweedse versie met een woordenboek bij de hand. Hij heeft geteld hoe vaak de woorden eenzaam, vereenzaamd, vereenzaming en eenzaamheid voorkomen in het gehele werk van Van Oudshoorn, hij rekent uit dat hij gedurende zijn treinreizen in zijn diensttijd precies het gehele oeuvre van Trollope kan lezen. Zo leren wij dat wij wellicht ons leven wel aan Trollope te danken hebben. Kennedy las The American Senator tijdens de Cuba crisis en zou besloten hebben net zo sluw te handelen als de hoofdpersoon Arabella. Het is maar dat u het weet.

Het stuk over Arthur van Schendel is interessant. ’t Hart wijst op de terugkerende motieven rood, bloed, vuur, sneeuw en wit. Hij geeft haarfijn aan waar dit in de romans is terug te vinden en geeft een mooie bloemlezing van zinnen waar de begrippen rood en wit beiden in voorkomen.

Thomas Hardy belicht hij in zijn rol als romanschrijver én als dichter. Hilarisch is het fragment waarin ’t Hart in Engeland de scène naspeelt waarin hij dobbelt bij het licht van 13 glimwormen, alleen om aan te tonen dat dit mogelijk is waar critici dit ooit “wildly improbable” hadden genoemd.

Hij heeft het ook over Henry Roth en zijn roman Call it sleep uit 1934. Roth heeft na dit boek niets meer geschreven en ’t Hart snapt dat. Hij vindt het een dermate groots boek dat een schrijver nu eenmaal geen stap terug meer kan doen en er dus beter het zwijgen toe kan doen. Nu heeft ’t Hart dit in 1978 geschreven en heeft de werkelijkheid hem ingehaald. In 1995 heeft Roth een omvangrijk werk gepubliceerd, Mercy of a rude stream.

Ik had nog niet gehoord van Albert Vigoleis Thelen. ’t Hart koestert zijn boeken Die Insel des zweiten Gesichts over het leven van de auteur op Mallorca in de jaren 1931-1936 en Der schwarze Herr Bahssetup over de belevenissen van de auteur in naoorlogs Nederland met een Braziliaanse rechtsgeleerde. ’t Hart publiceerde in Vrij Nederland een stukje over deze boeken en werd benaderd door de auteur. Hij nam hem een interview af wat opvalt door de humor van Vigoleis Thelen. Mede door het hartstochtelijke pleidooi van ’t Hart heb ik Het Eiland van de Twee Gezichten direct maar besteld.

En dan Proust. ’t Hart wijdt een apart hoofdstuk aan hem. Mensen die Proust niet lezen houdt hij zich niet mee bezig, mensen die Proust wel lezen ergeren hem vaak. Dat komt omdat er een tijd was dat ze Proust niet lazen en dat vaak niet willen toegeven. Komen ze eenmaal tot Proust dan is er vaak geen sprake van bewondering maar van idolatrie gemengd met schaapachtige aanbidding. Velen komen niet voorbij het eerste deel waarbij onevenredig veel aandacht wordt geschonken aan het madeleine cakeje. Omdat ik zelf net aan Proust ben begonnen kon ik hier mijn lachen niet inhouden; ik ga er van uit dat ik Proust uit lees…

’t Hart geeft aan dat Proust ronduit vervelend is bij de eerste lezing:

Maar dat is de eerste indruk. Als men maar koppig volhoudt en daarbij liefst ook nog een beetje ziek is, zodat rust gedurende enige tijd gegarandeerd is, wordt men langzaam door dit proza gewiegd…Na Proust zijn de gewoonste dingen bijzonder geworden. Een ontbladerde boom is een belevenis, een zonnestraal in een glasruit een openbaring, het geluid van een kinderstem pure muziek.

’t Hart zet de idealist Proust af tegen de realist Roger Martin du Gard, die met zijn roman Les Thibault een ander toppunt in de moderne wereldliteratuur geschreven schijnt te hebben. Verder zet hij mooi uiteen wat hoe belangrijk de “onvrijwillige herinnering” is in het werk van Proust. Er is maar liefst 18 maal sprake van dit fenomeen.

Tot slot William Faulkner. ’t Hart beschouwt dit als één van de grootste schrijvers (althans in 1978). Hij geeft mooi aan hoe Faulkner schrijft en hoe bij het lezen van zijn romans “nabeelden” ontstaan:

Als je lang in het duister naar een helder verlichte rode vlek hebt gestaard en je sluit je ogen, zie je diezelfde vlek maar nu heldergroen. Dat is een nabeeld dat door contrastwerking ontstaat, je hersenen leveren in zo’n geval de complementaire kleur. Zo onstaan Faulkners nabeelden ook door contrastwerking: hij levert, via de ontkenningen, het negatief waarvan je zelf de foto moet afdrukken.

Een ander kenmerk van de schrijfstijl van Faulkner is de “bevroren beweging”. Het is een techniek om een beeld op te roepen. In het eerste hoofdstuk van Light in August (’t Hart turft weer) gebruikt Faulkner 14 maal het woord “langzaam” en woorden als quiet, peaceful, motionless, steadily, static, patiently,serene en tranquil. Beelden van bevroren beweging.

Er staan verder in het boek nog uitweidingen over Theodor Fontane, Dick Hellenius, Selma Lagerlöf en Simenon. Deze recensie is veel langer geworden dan ik van plan was maar dat komt door de interessante toelichtingen van ’t Hart. Mijn wensenlijst is weer een stuk groter.

775d7d2ab5d50c7593570555777444341587343

Ik kocht naar aanleiding van de Week van de Klassieken het boek Keizers van Rome van Suetonius. Een handig overzicht van twaalf keizers, beginnend bij Julius Caesar en eindigend bij Domitianus. We hebben het dan over een regeerperiode van ongeveer 49 v. Chr. – 96 na Chr.

Het moet gezegd, na het lezen van dit boek valt Balkenende als “machthebber” ineens reuze mee. Caesar heb ik natuurlijk bestudeerd via de Asterix en Obelix, Nero had iets van doen met een brand in Rome, Caligula was uitzonderlijk wreed ten opzichte van zijn medemens maar daar bleef mijn kennis een beetje steken. Dit boek biedt een mooie chronologie, waarin ook minder bekende keizers als Galba, Otho, Vittelius en Vespasianus aan bod komen.

Suetonius is redelijk consistent in zijn beschrijvingen. Ieder hoofdstuk begint met een kort overzicht van het leven van de keizer tot aan de troonsbestijging. Daarna gaat het over het gedrag en de gewoontes tijdens de regeerperiode tot aan de dood van de keizer. Suetonius wordt wel vergeleken met zijn collega Tacitus, maar deze laatste was meer een geschiedschrijver die de keizers in grote, historische gebeurtenissen beschreef, waar Suetonius meer een biograaf is. Hij focust zich op de persoon en laat historische gebeurtenissen alleen een rol spelen als deze bijdragen tot meer kennis van het leven van het onderwerp.

Die levens waren nogal tumultueus. In veel gevallen verloopt de weg naar het keizerdom via vele veldtochten, openbare functies, stroopsmeerderij en kuiperijen. Het voert te ver om in een recensie alle keizers te beschrijven maar een aantal verhalen wil ik u niet onthouden.

Julius Caesar bijvoorbeeld had twee kanten. Hij is zo ver gekomen door een nietsontziende houding op het slagveld en door met ijzeren vasthoudendheid zijn doelen na te streven. Aan de andere kant stond hij bekend om zijn hang naar luxe en zijn verwijfde kleren. Een dappere ijdeltuit dus.

Augustus is zijn opvolger. Een man die trouw is in zijn vriendschappen; er vallen maar weinig mensen in ongenade. Toch dwingt hij zijn voormalig bondgenoot Marcus Antonius tot zelfmoord en vermoordt hij diens kinderen. En passant brengt hij ook Caesars zoon om. Hij voert een ijzeren tucht door in zijn leger. Suetonius schrijft:

Aan alle soldaten van het tiende legioen gaf hij oneervol ontslag wegens insubordinatie. Evenzo gaf hij andere legioenen die op hoge toon groot verlof vroegen hun ontslag met inhouding van de gebruikelijke toelage bij het verlaten van de dienst. Als bepaalde cohorten van hun plaats waren geweken, decimeerde hij die en gaf hij hun gerst te eten. Centurio’s die hun post hadden verlaten liet hij net als gewone soldaten ter dood brengen.

Hoewel je hiermee niet goed vrienden maakt sterft hij uiteindelijk een zachte dood, bijna 76 jaar oud.

Na Augustus en Tiberius volgt Caligula, ofwel “soldatenlaarsje”. Dit heerschap is het vreselijkste jongetje van de klas. Hij kondigt hongersnood aan en sluit de graanschuren. Hij laat talloze mensen martelen en voor de beesten gooien. Hij laat bergen goudstukken in een zaal storten om er zich in rond te wentelen en hij had een consulaat in petto voor zijn favoriete paard. De blaag is dan nog geen dertig jaar oud. Dat zal hij ook niet worden, hij wordt op zijn 29e vermoord.

Dan volgen Claudius en daarna Nero. Bij Nero lijken er ook een paar steken los. Zo hield hij van straatschenderij en sloeg ’s nachts, verkleed, mensen in elkaar, brak hij in winkels in en roofde ze leeg. Hij regeerde minder en minder en gaf steeds meer toe aan luxe:

Hij dobbelde om vierhonderdduizend sestertiën per oog van de dobbelsteen. Vissen deed hij met een net met gouden rand en draden van purper en scharlaken. Als hij op reis ging, had hij volgens de verhalen nooit minder dan duizend wagens bij zich. De hoeven van zijn muildieren waren met zilver beslagen en zijn muilezeldrijvers waren gekleed in wol van Canusium.

Nero was ook wreed. De pagina’s 344-346 worden gebruikt om te beschrijven wie er zoal uit zijn naaste omgeving werd omgebracht. Suetonius beschrijft zelfs hoe Nero de vrouw doodt van wie hij het meest gehouden heeft. Geen fijne verhalen.

Het laatste sextet keizers zijn de minder bekende keizers. Vaak omdat de regeerperiode kort is. Galba heeft maar 7 maanden geregeerd voordat hij door Otho vermoord wordt. Die roept zichzelf tot keizer uit, maar een andere veldheer Vitellius, was ook al tot keizer uitgeroepen in Germanië. Vitellius wint uiteindelijk en Otho pleegt zelfmoord. Met Vitellius loopt het zeer slecht af, hij wordt vreselijk gemarteld en in de Tiber gegooid. Vespasianus en Titus volgen en sterven beiden een natuurlijke dood. Domitianus tenslotte herstelt de traditie. Hij maakt zich weer ouderwets gehaat en geeft uitgebreid toe aan wreedheid en hebzucht waarvoor ook hij wordt vermoord.

Het is een boek waarin een hoop voorbij komt. Wat opvalt is vaak de consistente ontwikkeling van veel keizers. Vaak beginnen ze trouw, lankmoedig in hun oordeel, vergevingsgezind. Toch kunnen ze vaak op termijn geen weerstand bieden aan rijkdom en wreedheid. Dat zijn dus thema’s die frequent terugkomen. Suetonius is vaak stellig in zijn uitspraken. Hij stelt dat Nero de grote brand in Rome heeft veroorzaakt, waar Tacitus dit als een mogelijkheid of gerucht aangeeft. Anderzijds heeft Suetonius ook een onderzoekende aard en voert hij, zeker in het begin, verschillende brondocumenten aan waaruit hij zijn informatie haalt. Opvallend zijn de beschrijvingen van de vele voortekenen die keizers zien als hun dood wordt aangekondigd, zoals donderklappen bij heldere hemel, standbeelden die in tranen uitbarsten en ingewanden die “gelezen” worden. Als kind van zijn tijd stelt Suetonius geen vragen bij dergelijke voortekenen, hij vermeldt ze slechts. Het is een informatief boek, vol gruwelijke maar ook vermakelijke details. Het wordt duidelijk hoe de levens verlopen en hoe een opvolger aan de macht komt. Achterin het boek staat nog een overzicht van Romeinse ambten en termen, een namenregister, een stamboom van het Julisch-Claudische huis en een uitgebreid notenapparaat. Dit boek leent zich prima om nog eens na te slaan voor wat achtergrondinformatie.

160px-Nero_Glyptothek_Munich_321[1]

Keizer Nero

2249d6f839168dc593743725267444341587343

Na het boek van Reve leek me het dagboek uit 1976 Alle dagen laat van Mensje van Keulen mij een mooie opvolger. Waar ik Reve achterliet in de jaren zestig zou Mensje mij een mooi tijdsbeeld moeten laten zien uit de jaren zeventig. Ook zij beweegt zich immers in hedonistisch literaire kringen dus dat beloofde wat.

En dat viel wat tegen. Het is een erg versnipperd dagboek dat na de helft, rond pagina 100, pas een beetje op gang komt. In de eerste paar maanden wat aantekeningen over muziek, over de poezen, over een vakantie, afgewisseld met wat fragmenten van een boek waarmee ze bezig is. En over kritieken:

Een kritiek van een Belg op “Van Lieverlede” die van een jaloerse vrouw leek te komen: dat iedereen zoiets zou kunnen schrijven, maar dat niet iedereen furore wenste te maken met “spruitjesliteratuur”. Weer die spruitjes. Ik mag ze graag eten, de mooie kleine kooltjes met hun tientallen fijne blaadjes, maar het woord komt in mijn boeken niet eens voor.

In dit boek dus wel. Een keer of drie. Het dagboek kabbelt voort met aantekeningen over de krakers die naast hen wonen, over de kookkunsten, gezondheidsklachtjes en over eindeloos drankgebruik en het langs-elkaar-heen-huwelijk met haar man Lon. Zoals gezegd wordt het interessanter op ongeveer de helft als de fragmenten wat langer worden en het meer een coherent geheel wordt. Er komen wat meer collega-schrijvers in voor. Zo gaat ze naar een feest bij Gerrit Komrij en zijn vriend Charles Hofman:

In de tuin aan de Jacob van Lennepkade…zaten, naast Gerrit en Charles, Charles’ moeder Willie, haar tweede echtgenoot Wim…Hans Warren en diens vriend Giovanni, ofwel Gianni…Ik telde tweeëntwintig lege wijnflessen op het terras. ..’Ces écrivains!’ riep Gianni met walging, ‘Ces poètes! On me casse les pieds!…Je suis malade! Malade!’…Pas toen Gerrit kwam, ging hij mee terug naar binnen. Een paar minuten later lag hij verderop in de tuin te braken…Dertig lege flessen op het bordes. Stukjes stokbrood dreven in het water van de champagnekoeler…

En meer van dat, hoewel ik dat dan wel weer leuk vindt. Het blijft aardig om te lezen hoe de verhoudingen lagen tussen de jonge schrijvers van toen die inmiddels vaak gevestigde namen zijn. In dat verband lijkt het me aardig om in de latere dagboeken van Warren zijn perspectief weer te lezen over deze jaren. Er zitten  ook meer beklijvende verhalen in. De vechtrelatie met haar man loopt als een rode draad door het dagboek heen. Laat thuiskomen, non-communicatie, irritaties, ruzies, kinderwens, vreemdgaan, het zit er allemaal in. Ook het fragment waarin de vriendin van de schrijver Robert Loesberg omkomt bij een treinongeluk is belangrijk. Het tekent de relatie van Robert met Mensje en de anderen om hem heen. Het gaat niet goed met hem en hij zal uiteindelijk jong sterven.

Een dagboek zie ik graag wat meer samenhang vertonen dan dit dagboek. Mensje geeft zelf aan dat ze het een opgave vindt om het bij te houden, waar Warren het juist een plezier vindt. Zijn aantekeningen vormen meer een geheel. Misschien dat het daarom niet helemaal aan mijn verwachtingen voldeed. Wel leuk om de fratsen van collega-schrijvers mee te beleven in hun nachtenlange discussies en feesten, gevolgd door splijtende katers en machteloze hoofdpijnpoeders.