archiveren

Religie

eaa32f00dcfc3c8593768445251444341587343_v5
Na het lezen van zijn Lof der Zotheid wilde ik meer weten over Erasmus, dus pakte ik De biografie van Erasmus erbij van de Belgische historicus Léon Halkin. Het is een boek van 376 pagina’s en al in 1987 uitgekomen, maar het leest prima weg en heeft mij aardig wat wijzer gemaakt. Het helpt dat er veelvuldig uit zijn weken wordt geciteerd om zijn ideeën toe te lichten.

Desiderius Erasmus, of Erasmus van Rotterdam, is in de gelijknamige plaats geboren en wordt er altijd mee geassocieerd, al is het maar door de brug, de universiteit en zijn standbeeld, maar hij heeft er maar een paar jaar gewoond. Zijn ouders overleden toen hij jong was en hij ging naar de parochieschool in Gouda. In Deventer leerde hij Latijn, de taal die hij zijn hele leven zou gebruiken. Ook zou hij Grieks leren. Onder druk van zijn voogden deed hij zijn intrede in het klooster in Gouda maar dat is hem te benauwend. Hij vertrekt naar Kamerijk, als secretaris van de bisschop. Hij heeft zijn priesterwijding dan al gehad.

Vervolgens begint hij aan de Sorbonne in Parijs een theologiestudie. Hij maakt een reis naar Londen en ontmoet daar Thomas More, de Engelse humanist en latere staatsman, met wie hij altijd bevriend zou blijven. Terug in Parijs wordt zijn eerste werk gedrukt, de Adagia. Het is een verzameling van Griekse en Latijnse spreuken van de grote klassieke schrijvers.

Het humanisme, een aan Cicero ontleend concept waarin “menselijkheid” centraal staat, wordt leidend voor het werk van Erasmus. Vanuit die benadering beziet en bekritiseert hij ook het geloof. Hij is wars van dogma’s en rituelen en dan met name de uitwassen daarvan. Een voorbeeld zijn de pelgrimstochten naar bedevaartsoorden. Erasmus ontkent het sacrale karakter hiervan niet, maar wil dat ze hun oorspronkelijke betekenis en zuiverheid terugkrijgen, in plaats van louter reislust of een oervorm van toerisme opwekken.

Naast zijn eigen werk bereidt Erasmus kritische uitgaven voor van Latijnse auteurs en vertaalt hij werken van Cicero, Plutarchus, Horatio, Plautus en Seneca. Verder is hij een begaafd briefschrijver. Zijn brieven zijn toegankelijk en vaak geschreven met het oog op publicatie. Hij gaf ook eigen brieven uit in druk, maar had waarschijnlijk niet kunnen bedenken dat zijn totale correspondentie nog steeds verkrijgbaar zou zijn in de 21e eeuw. Onlangs is de uitgave van de integrale correspondentie voltooid, zoals hier te zien is.

Zijn werk wordt gelezen en doet er toe, en hij is er zich van bewust ook, zoals blijkt bij een verzoek om geld bij de moeder van een leerling van hem;

‘Je zult laten zien hoe ik door mijn wetenschap mevrouw meer tot eer zal strekken dan andere theologen die zij ondersteunt. Want die zeggen alledaagse dingen, maar ik schrijf onvergankelijke dingen. Die domme kletsers hoort men in de ene of andere kerk; mijn boeken zullen worden gelezen door de kenners van Latijn en Grieks, door alle volken op de hele aarde.’

Uiteindelijk behaalt Erasmus in Italië zijn doctorstitel. Hij blijft schrijven en brengt werken uit als het Handboekje van de Christensoldaat, maar ook zijn commentaren op het Nieuwe Testament. Vooral de laatste uitgave zorgt voor grote verontwaardiging aan de theologische faculteiten, omdat zijn tekstkritische werk wordt gezien als een ondermijning en aantasting van het geloof.

Beroemd is ook zijn controverse met die andere geloofscriticus, Luther. Aanvankelijk zijn ze het wel eens, maar voor Erasmus gaat Luther veel te voortvarend te werk. Erasmus blijft het instituut veel meer trouw dan Luther maar nog belangrijker; Erasmus gelooft in de vrije wil, waar Luther betoogde dat God al had beschikt over het heil van de mens. Een zwarter mensbeeld dan waar Erasmus in geloofde.

Een andere pijler van Erasmus’ gedachtegoed is het pacifisme. Daar hangt het kernthema van zijn zedenleer aan vast, namelijk het thema van eendracht. Hij denkt groot, maar vertaalt die gedachte door, dus hij verlangt niets meer of minder dan eendracht tussen volken, kerken, theologische scholen, maar ook tussen vrienden en echtelieden.

Erasmus trouwt nooit en is een onvermoeibare werker. Hij heeft wel lichamelijke klachten als nierstenen, maar dat weerhoudt hem nooit van zijn reizen of van zijn werk. Door zijn kritiek wordt hij vaak aangevallen in geschriften en in de regel reageert hij daar met humor of met ironie op, maar soms geeft hij toe aan zijn verbittering en verweert zich fel;

‘Zolang men mij niets goddeloos te verwijten heeft, sta ik niemand toe mij voor goddeloos uit te schelden…De woorden van sommigen van u zijn mij niet ontgaan: “Als wij eerst Luther te gronde hebben gericht, dan pakken wij Erasmus aan”…Terwijl ik op aanwijzing van de keizer, de paus en andere vorsten…de strijd met Luther heb aangebonden. De inspanningen die ik onder gevaren op mij heb genomen, hebben de vijand verzwakt. En dan valt u mij meteen midden in het gevecht in de rug aan. Wat doet u toch? Misgunt u de kerk soms de overwinning? Wilt u de vijand te hulp snellen?’

Als Erasmus ouder wordt en zijn einde voelt naderen sluipt er in het boek wat drama, waar het verhaal tot nu toe vrij feitelijk was;

In de stilte van de ouderdom doorleeft Erasmus nog eenmaal voorbije dagen, zijn nogal trieste jeugd, de vroege dood van zijn ouders en de vurige hartstocht van zijn jongelingsjaren…Weemoedig leest Erasmus de brieven van zijn weinige trouwe vrienden nog eens door.

Hij overlijdt uiteindelijk in Bazel waar zijn grafsteen nog steeds in De Munster, de voornaamste kerk daar, te bezichtigen is.

Het is een informatieve biografie, die hoewel wat gedateerd, een prima overzicht geeft van leven en werk van Erasmus. Niet altijd chronologisch verteld, maar daar helpt de tijdtafel achter in het boek bij. Soms viel mij een herhaling van zetten op, zoals in welke geschriften Erasmus allemaal voortleeft. Dat wordt een aantal maal herhaald en had wat zorgvuldiger geredigeerd mogen worden. Verder ben ik wel benieuwd geworden naar zijn correspondentie, waaruit veel geciteerd is.

50c15465fd1e6555935536b5551444341587343

Ik ben niet jaren op zoek geweest naar het boekje Niet te geloven van Gerrit Komrij, maar heb het besteld samen met een ander boek van hem. Het kwam toevallig op mijn pad. Het is een essay van 64 pagina’s waarin een relimaan, een relifiel en een relifoob bijeenkomen in een prieel om zich te buigen over de vraag of er in onze tijd sprake is van een opleving van het geloof. En zo niet, wat stelt de nieuwe gelovigheid dan voor?

Vreemond is gelovig. Hij geeft aan dat de mens zonder God geen inhoud heeft en stuurloos is. Grijphart is schrijver, en herkent zich deels in wat Vreemond zegt, maar is meer zoekend. Hij wil wel geloven maar houdt alle opties open. Boksvoet gelooft niet. Hij is de initiator van het prieelgesprek en zoekt naar het waarom. Hij wil slechts duidelijkheid over de gesignaleerde heropleving van de godsdienst. Na een eerste gespreksronde recapituleert hij:

Beiden beweren jullie dat er in onze tijd en vooral bij jongere generaties iets van een geestelijke nood is ontstaan, of althans iets van een desoriëntatie. Er zou sprake zijn van een roep naar geborgenheid, naar normen, naar een nieuw houvast. Beiden zijn jullie van mening dat religie een antwoord biedt op dat complex.

Boksvoet is nog niet overtuigd. Nood kan voor religieuze bloei zorgen, maar wellicht zorgt religie ook voor nieuwe nood; waarschijnlijk stimuleren ze elkaar. Hij stelt daarbij als snel de vraag wat het geloof nu eigenlijk is, waarom geloven mensen überhaupt? Dat heeft waarschijnlijk te maken met de vier zaken waarbij God nauw betrokken schijnt te zijn, de Big Bang, de schepping, de moraal en het hiernamaals.

Deze zaken worden beurtelings belicht waarbij de relifoob Boksvoet doortastend optreedt. Als Vreemond zich afvraagt wat het ongeloof dan te bieden heeft moet Grijphart passeren maar illustreert Boksvoet dit aan de hand van de moraal:

De mens blijft zowel zonder als met geloof tot kwaad en goed in staat. Geloof biedt geen garantie voor goeiigheid. Ongeloof leidt niet vanzelf tot duivels gedrag. We kunnen moraal en normen ook verklaren vanuit een soort pragmatisme. Veel regels blijven er vanzelf wel in…Gij zult niet stelen, om een ander voorbeeld te noemen. Onze economie leeft van zo’n gebod. Als geen mens iets aan bezit heeft wordt het zinloos iets aan te schaffen.

Er wordt gefilosofeerd over het Christendom in relatie tot criminaliteit, over de almacht van God en de vrijheid van de mens. Boksvoet heeft de overhand met zijn argumenten, waar Vreemond blijft steken in zijn geloof en Grijphart heen en weer schippert. Grijphart probeert het nog met de troost als rechtvaardiging voor het geloof. Boksvoet pareert:

Ik vreesde al dat je troost zou associëren met momenten waarop de mens in een panfluitachtige stemming is. Ik zal je…een sterker argument geven voor de noodzaak van je samenhang en je gemeenschappelijk gedragen ideaal. Zo’n ideaal kon wel eens nuttig zijn in dienst van ons maatschappelijk stelsel…Onze overleving zou er van af kunnen hangen…Zingeving, kortom, niet als troost maar als sterkte.

Fundamentalisme en het geloof, de dood en het geloof, blasfemie, God en literatuur, het blijft allemaal niet onbesproken. Het trio praat door tot het donker wordt in het prieel…

Een paar aardige gedachten in kort bestek geschreven door Komrij, in het kader van de Boekenweek 1997 waarin het thema ‘Mijn God’ was. Ongeveer wat je van een boekenweekessay mag verwachten.