archiveren

Religie

50c15465fd1e6555935536b5551444341587343

Ik ben niet jaren op zoek geweest naar het boekje Niet te geloven van Gerrit Komrij, maar heb het besteld samen met een ander boek van hem. Het kwam toevallig op mijn pad. Het is een essay van 64 pagina’s waarin een relimaan, een relifiel en een relifoob bijeenkomen in een prieel om zich te buigen over de vraag of er in onze tijd sprake is van een opleving van het geloof. En zo niet, wat stelt de nieuwe gelovigheid dan voor?

Vreemond is gelovig. Hij geeft aan dat de mens zonder God geen inhoud heeft en stuurloos is. Grijphart is schrijver, en herkent zich deels in wat Vreemond zegt, maar is meer zoekend. Hij wil wel geloven maar houdt alle opties open. Boksvoet gelooft niet. Hij is de initiator van het prieelgesprek en zoekt naar het waarom. Hij wil slechts duidelijkheid over de gesignaleerde heropleving van de godsdienst. Na een eerste gespreksronde recapituleert hij:

Beiden beweren jullie dat er in onze tijd en vooral bij jongere generaties iets van een geestelijke nood is ontstaan, of althans iets van een desoriëntatie. Er zou sprake zijn van een roep naar geborgenheid, naar normen, naar een nieuw houvast. Beiden zijn jullie van mening dat religie een antwoord biedt op dat complex.

Boksvoet is nog niet overtuigd. Nood kan voor religieuze bloei zorgen, maar wellicht zorgt religie ook voor nieuwe nood; waarschijnlijk stimuleren ze elkaar. Hij stelt daarbij als snel de vraag wat het geloof nu eigenlijk is, waarom geloven mensen überhaupt? Dat heeft waarschijnlijk te maken met de vier zaken waarbij God nauw betrokken schijnt te zijn, de Big Bang, de schepping, de moraal en het hiernamaals.

Deze zaken worden beurtelings belicht waarbij de relifoob Boksvoet doortastend optreedt. Als Vreemond zich afvraagt wat het ongeloof dan te bieden heeft moet Grijphart passeren maar illustreert Boksvoet dit aan de hand van de moraal:

De mens blijft zowel zonder als met geloof tot kwaad en goed in staat. Geloof biedt geen garantie voor goeiigheid. Ongeloof leidt niet vanzelf tot duivels gedrag. We kunnen moraal en normen ook verklaren vanuit een soort pragmatisme. Veel regels blijven er vanzelf wel in…Gij zult niet stelen, om een ander voorbeeld te noemen. Onze economie leeft van zo’n gebod. Als geen mens iets aan bezit heeft wordt het zinloos iets aan te schaffen.

Er wordt gefilosofeerd over het Christendom in relatie tot criminaliteit, over de almacht van God en de vrijheid van de mens. Boksvoet heeft de overhand met zijn argumenten, waar Vreemond blijft steken in zijn geloof en Grijphart heen en weer schippert. Grijphart probeert het nog met de troost als rechtvaardiging voor het geloof. Boksvoet pareert:

Ik vreesde al dat je troost zou associëren met momenten waarop de mens in een panfluitachtige stemming is. Ik zal je…een sterker argument geven voor de noodzaak van je samenhang en je gemeenschappelijk gedragen ideaal. Zo’n ideaal kon wel eens nuttig zijn in dienst van ons maatschappelijk stelsel…Onze overleving zou er van af kunnen hangen…Zingeving, kortom, niet als troost maar als sterkte.

Fundamentalisme en het geloof, de dood en het geloof, blasfemie, God en literatuur, het blijft allemaal niet onbesproken. Het trio praat door tot het donker wordt in het prieel…

Een paar aardige gedachten in kort bestek geschreven door Komrij, in het kader van de Boekenweek 1997 waarin het thema ‘Mijn God’ was. Ongeveer wat je van een boekenweekessay mag verwachten.

Advertenties