archiveren

Japanse literatuur

FullSizeRender (002)
Het Gouden Paviljoen van Yukio Mishima is de op waarheid berustende geschiedenis van de grote brand in één van de architectonische meesterwerken van Japan. Mishima voert hiervoor Mizoguchi op, een stotterende, gefrustreerde priester-student. Hij vindt zichzelf lelijk en legt maar moeizaam contact met anderen.

Zijn vader brengt hem in contact met de prior van het Gouden Paviljoen, waar hij tot priester opgeleid kan worden. In ruil verricht hij huishoudelijke werkzaamheden. Zijn moeder ziet hem graag de prior opvolgen, maar hij laat zijn opleiding versloffen. Dat hij de prior betrapt op het bezoeken van een prostituee helpt ook niet.

Er is één constante factor in zijn leven, het Gouden Paviljoen. Mizoguchi raakt erdoor gefascineerd en later zelfs erdoor geobsedeerd.

Obsessies zijn nooit goed en het einde van de Tweede Wereldoorlog zorgt ervoor dat zijn houding ten opzichte van het paviljoen langzaam verandert;

‘De band tussen het Gouden Paviljoen en mij is doorgesneden,’ dacht ik. ‘Mijn droom, dat het Gouden Paviljoen en ik in dezelfde wereld leefden, is vervlogen…De situatie waarin de schoonheid aan de ene kant staat en ik aan de andere. En zolang de wereld doorgaat zal daar geen verbetering in komen…’

De schoonheid van het gebouw versus zijn eigen lelijkheid. Langzaam maar zeker winnen de duistere krachten terrein en Mizoguchi is er van overtuigd dat hij het complex in brand moet steken. Het boek zelf is eigenlijk de besluitvorming die hem uiteindelijk tot zijn daad doet komen;

Op een manier, die veel weg had van een verwensing richtte ik me voor de eerste maal in mijn leven ruw tot het Gouden Paviljoen. ‘Eens zal ik je zo vast in mijn macht hebben, dat je me nooit meer in de weg kunt staan!’

De afloop is bekend, het gebouw brandt af en de zelfmoord van Mizoguchi mislukt. Ik verklap hiermee niets, het gaat om het proces wat er aan vooraf gaat, wat er in Mizoguchi’s hoofd omgaat. Dat is niet per se prettig om te lezen, wel fascinerend. De hoofdpersoon is geen sympathiek figuur en zit vol spanningen. Dat doet onwillekeurig aan de auteur zelf denken, die zelf ook niet onbezorgd door het leven ging. Mishima was getrouwd en had kinderen, maar was homoseksueel. Hij zou uiteindelijk op rituele wijze zelfmoord plegen.

Vertaling; dr. C. Ouwehand 

Advertenties

166112a61756e2d593474665651437641414141
Avondgezichten van Murasaki Shikibu wordt door velen gezien als de eerste echte roman ter wereld. Het boek is waarschijnlijk begonnen in 1001 en niet afgesloten voor 1010. De auteur was hofdame aan het Japans keizerlijk hof in de Heian-periode (794-1185).

De ondertitel geeft al aan dat het hofleven ook het decor is voor de verhalen in het boek. Het oorspronkelijke manuscript telt 54 hoofdstukken, waarvan er in dit boek 8 worden verteld. Centrale figuur is prins Genji. Een getrouwd man maar een onverbeterlijke erotomaan. Zo is daar de jaloerse weduwe Rokujo. Genji is naar haar op weg als hij al weer contact tracht te leggen met een andere dame. Contact leggen deed men toen door middel van geparfumeerde waaiers en mooie bloemen, in dit geval zachtgroene bloemen, Avondgezichten.

Als prins Genji ergens behandeld wordt voor koortsaanvallen ziet hij een prachtig meisje van een jaar of tien, Murasaki (de auteur, wiens echte naam niet bekend is, vernoemde zich naar haar). Genji ziet mogelijkheden voor de toekomst en neemt haar aan als pleegkind. Als zijn eigen vrouw overlijdt, trouwt hij met Murasaki. Ik hoef verder niet zo uit te weiden over de jonge Oborozukiyo of de fragiele Yugao, dat zijn amoureuze avonturen van gelijke strekking. Het interessanter om wat mee te geven over de verteltrant uit die tijd.

Het boek heeft niks tekort aan elegantie en verfijning. Het is gelardeerd met korte gedichtjes waarin mensen elkaar antwoorden. Als Genji het jonge meisje Murasaki ziet, stuurt hij de volgende woorden naar haar verzorgster:

Sinds die vluchtige blik op jonge scheuten in het gras
Zijn de mouwen van het reisgewaad niet zonder dauw geweest

Er wordt gepast tegengestribbeld, maar Genji neemt het meisje mee, net voor de neus van haar vader vandaan. Hij komt er mee weg. Waar ik altijd dacht dat Japanners bekend stonden om hun stoïcijnse houding, blijkt hier toch het tegendeel. Prins Genji huilt en snottert wat af in de verhalen. De woorden dauw, tranen en mouwen zijn zelfs sleutelwoorden met vaste associaties door de hele roman heen. Zijn ballingschap maakt prins Genji ook niet vrolijker:

Ofschoon hij niet merkte dat hij huilde, waren er voldoende tranen om zijn kussen te laten drijven. Hij ontlokte een paar tonen aan zijn koto, maar de klank maakte hem alleen maar droefgeestiger.

Hoewel dit klinkt als kommer en kwel is de toets toch redelijk licht. Essentieel is de vertaling. Het Japans van Murasaki is na duizend jaar zo vreemd geworden dat ook de huidige Japanse lezer het niet zonder toelichting kan. Er zijn moderne Japanse vertalingen en een aantal westerse vertalingen. Dit boek is gebaseerd op de Engelse vertalingen van Arthur Waley (een pionier) en Edward G. Seidensticker (de huidige standaardvertaling). Ik ken de Engelse vertalingen niet, maar dit boek leest erg makkelijk weg.

Het boek geeft een mooi kijkje in het Japanse hofleven van zo’n duizend jaar terug, maar ik vond de toelichtingen op het boek haast nog interessanter. Zo wordt duidelijk dat het altijd een geliefd boek is geweest. In de memoires van een zeer bereisde hofdame uit 1060 wordt al gedweept met Genji;

‘Zou een man als de schitterende prins Genji ooit geleefd hebben?’ vraagt zij. Als meisje verslond zij, op haar buik liggend, het ene verhaal na het andere: ‘Ik hoopte dat ik als jonge vrouw buitengewoon mooi zou zijn en heel lang haar zou hebben. Ik zou er dan uitzien als Yugao van de schitterende prins Genji’

Ergo: ik kan wel denken erg cultuurderig een Japans boek te gaan zitten lezen, maar ben eigenlijk in een heel vroege boeketreeks beland. Toch heb ik ervan genoten.

Vertaling: H.C. ten Berge

67007292674769d592b32325377444341587343

Jawel, ik had mijn bedenkingen voordat ik aan Kafka op het strand van Haruki Murakami begon. Ik was er niet van overtuigd of magisch realisme in combinatie met de psychoanalytische Oost-Westerse denkwijze van Murakami mijn kopje thee wel was. Welnu, alle schroom kon snel overboord. Er komen potsierlijke zaken voor in dit verhaal, maar op één of andere manier zijn ze logisch en onvermijdelijk.

Zestien kinderen gaan met hun lerares de bergen in en vallen daar in katzwijm, op de lerares na. Ze komen allemaal weer bij, op één na. Hij ontwaakt later en is blanco, weet niets meer, maar wordt één van de hoofdpersonen in dit verhaal. Het is Nakata, een man die praat met katten en daar verder niet teveel achter zoekt:

Nakata knikte en was even stil. Toen zei hij: “Hebt u er in dat geval bezwaar tegen, heer kat, dat Nakata u aanspreekt met heer Otsuka?”.
“Otsuka?”, de kater keek de man verbluft aan. Wat voor ding is dat? Waarom ben ik een Otsuka?”.
“O, alstublieft, het heeft helemaal niets te betekenen. Het kwam zomaar ineens bij Nakata op. Dingen zijn zo slecht te onthouden als ze geen naam hebben, dus heeft hij u gewoon een willekeurige toebedacht.”

De andere hoofdfiguur is Kafka Tamura. Vijftien jaar en weggelopen van huis, op de vlucht voor de uitspraak van zijn vader; “Je zal je vader vermoorden en slapen met je moeder en zuster”.

Kafka en Nakata ontmoeten elkaar niet maar hun levens zijn met elkaar verbonden. Beiden reizen ze naar het westen. Kafka gaat werken in een bibliotheek en wordt bijgestaan door Oshima, de man die vrouw is. Hij wordt voorgesteld aan de directrice van de bibliotheek, mevrouw Saeki. Zij was het die vroeger bekend is geworden met het lied “Kafka op het strand”. Toevallig (of juist niet..), hij heet ook Kafka, zij het dat hij zijn voornaam zelf gekozen heeft.

Nakata weet niet waarom, maar hij moet ook naar het westen en krijgt daarbij hulp van de truckchauffeur Hoshino. Gaandeweg ontvouwt zich een verhaal waarin het lijkt of Kafka Tamura zijn vader al heeft omgebracht. Of was het toch Nakata, die Johnnie Walker moest ombrengen omdat hij alle katten dreigde te doden voor hun kattenzieltjes? Kafka wordt ’s nachts bezocht door de vijftienjarige mevrouw Saeki en wordt verliefd op haar. Of wordt hij toch verliefd op zijn moeder? Waarom regent het bloedzuigers? Waarom staat Colonel Sanders (u weet wel, het gezicht van Kentucky Fried Chicken) te pooieren in een achterbuurt voordat hij Hoshino de weg wijst naar de sluitsteen? De sluitsteen, die voorkomt in één van de coupletten van “Kafka op het strand”? Door dit alles heen wordt Kafka achtervolgd door de jongen die Kraai wordt genoemd en die als een soort geweten Kafka van commentaar voorziet. (Kafka is Tsjechisch voor kraai. Eigenlijk voor kauwtje, maar laten de vertalers dat maar uitvechten)

Het lijkt een duister geheel en dat is het ook. Murakami speelt met tijd, met Oosterse en Westerse symbolen en met de gevoelens van bestaande en niet-bestaande personen. Toch schrijft hij het in een zeer heldere stijl op. Ik heb geen moment het gevoel gehad een onbegrijpelijk verhaal te zitten lezen. De verhaallijnen van de twee hoofdpersonen, hoe verbonden ook met elkaar, blijven duidelijk gescheiden en dat leest prettig. De dialogen, hoe vreemd de situatie ook, zijn levendig. Luister naar Hoshino en Colonel Sanders:

“In elk geval, wat wil je van me?”
“Zin in een lekkere meid?”
“Ooo!” zei de jonge Hoshino, “Nou snap ik het. Jij staat te pooieren, opa. Vandaar dat je dat malle kloffie aanhebt.”
“Nou moet je niet raaskallen, Hoshi-boy. Ik ben geen imitatie, ik ben de échte Colonel Sanders. Ik wil niet dat daar misverstanden over bestaan!”
“O ja? Als jij de echte Colonel Sanders bent, wat sta je dan in een achterbuurt van Takamatsu met meiden te leuren? Als ik zo beroemd was als jij en iedereen betaalde mij voor elk brokkie kip waar m’n naam op staat dan wist ik het wel. Dan lag ik nou naast het zwembad van mijn villa in Amerika te genieten van een onbezorgde oude dag”.
“Er zit een kink in de wereld”.
“Hè?”
“Jij weet dat natuurlijk niet, maar daar hebben we de drie dimensies aan te danken – aan die kink. Dus als je wil dat alles altijd recht is, moet je in de wereld gaan wonen die met een driehoek is aangelegd”.
“Nou, opa, die wartaal die jij uitslaat is niet voor de poes!”

En dat is het leuke. Er gebeuren rare dingen, maar dat vinden de hoofdpersonen zelf ook. Je kan samen met ze op zoek gaan naar de oplossing. Geen boek om te vrezen, maar om achter elkaar uit te lezen.