archiveren

Strijkkwartet

9462988889.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het Strijkkwartet van componist en musicoloog Leo Samama leek mij een uitgelezen mogelijkheid om mijn kennis hiervan eens op te schroeven. Toen ik mij zo’n 25 jaar terug ging verdiepen in de klassieke muziek, was dit een genre dat ik mij wel eigen heb moeten maken. Dat is gelukt, eigenlijk door veel van het repertoire in huis te halen, de toelichtingen te lezen en eindeloos te luisteren. Ik was dus al wel bekend met het repertoire van Joseph Haydn (1721-1809) tot aan de ‘modernere’ strijkkwartetten van zeg, Willem Jeths (1959).

Ik las echter prima kritieken over dit boek en aangezien ik een pure liefhebber ben en zeker geen kenner verwachte ik hier veel uit te halen. Dat klopte. Samama behandelt in een kleine 400 pagina’s een volledig spectrum vanaf het ontstaan van het strijkkwartet tot aan nu. Dat niet alles besproken kan worden is evident, het aanbod is te groot, maar het boek geeft een uitgebreid overzicht overzicht aan componisten, hun werken en de stijlen waarin de werken geschreven zijn.

Het boek beperkt zich in hoofdzaak tot composities voor twee violen, een altviool en een cello. Het ontstaan van het genre is ook niet zo duidelijk. Het is opmerkelijk dat nog geen tien jaar na de dood van Johann Sebastian Bach (1685-1750) de muziek voor de genoemde combinatie van instrumenten ineens zo’n grote rol is gaan spelen. Het is wel alleszins te verdedigen om Haydn een apart hoofdstuk te geven omdat hij zo’n grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het strijkkwartet. Samama laat echter zien dat Haydn niet alleen was. Luigi Boccherini (1743-1805) was bijvoorbeeld onafhankelijk van Haydn ook met het genre bezig.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) en Ludwig von Beethoven (1770-1827) krijgen ook aparte hoofdstukken, ook vanwege hun belang voor de ontwikkeling van het strijkkwartet. Dit boek biedt uitgebreide beschrijvingen van de belangrijke werken en zelfs in Mozart’s toch vaak door mij beluisterde “Dissonantenkwartet” hoorde ik nu weer nieuwe dingen. Beethoven is een verhaal apart. Hij voerde de techniek zo ver door dat niet iedereen er mee uit de voeten kon. Beethoven besefte dit zelf ook, hij bestemde bijvoorbeeld zijn Strijkkwartet nr. 11 opus 95 nadrukkelijk voor een kring van kenners. Hetzelfde gold voor zijn grote werk, Strijkkwartet nr. 13, waarin aan het eind ineens een lang slotdeel verschijnt in de vorm van een grote fuga (een compositietechniek waarin meerdere stemmen elkaar beurtelings imiteren). Dat was ongehoord in die tijd (pun intended, Beethoven was goeddeels doof), getuige een recensie in de Allgemeine Musikalische Zeitung uit Leipzig;

Het eerste, derde en vijfde deel zijn ernstig, duister en mystiek, en daarbij soms ook bizar, grof en capricieus; het tweede en vierde vol moedwil, vrolijkheid en schalksheid…Maar de zin van de fugafinale te duiden, daar waagt uw recensent zich niet aan: voor hem was het onbegrijpelijk, Chinees.

Hoewel Beethoven een alternatief slot componeerde zouden we nu niet meer zonder dat fugadeel willen. Beethoven werd zelfs zo’n grote maatstaf, dat anderen er later last van hadden. Het duurde lang voor de strijkkwartetten van Franz Schubert (1797-1828) werden uitgegeven, die van Beethoven des te meer.

Samama gaat uitgebreid in op de componisten uit de Duitse landen maar bestrijkt vervolgens eerst Europa en dan ook de Verenigde Staten, Midden- en Zuid-Amerika, Rusland en Azië. Ik ken veel componisten, maar ik kan even vooruit met mij onbekende namen als Paul Juon (1872-1940), Manuel Canales (1747-1786), Gustave Samazeuilh (1877-1967), Georg Wilhelm Rauchenecker (1844-1906) en Friedrich Gernsheim (1839-1916).

Zeer interessant vind ik de latere kwartetten, de muziek die in de twintigste eeuw gemaakt is. Die ligt minder makkelijk in het gehoor en nu heb ik daar weinig moeite mee, maar een boek als dit helpt wel om het extra te duiden en om mij op nog meer te wijzen dan wat ik al uit de muziek haalde. Denk aan de muziek van Helmut Lachenmann (1935), Elliot Carter (1908-2012) of Pēteris Vasks (1946) waarvan vooral die laatste het werk mij positief verraste.

Samama wilde een boek voor zowel kenners als liefhebbers te schrijven en daar is hij wat mij betreft in geslaagd. Ik als niet-kenner moet dan bepaalde passages voor lief nemen. Helemaal prima dat Schubert moduleert via mediantrelaties of tertsverwantschappen, maar dat laat ik maar van mij afglijden. Laat u dat niet afschrikken, er blijft meer dan genoeg te lezen en te ontdekken in dit boek. Ik wil lezen over de Bartók-pizzicati die ik al vaak gehoord had maar ik weet nu meer. Ik wil lezen over de vogels én ambulances in het werk van Vasks, ik wil lezen over de thema’s uit Puccini’s kwartet “Crisantemi” die hij gebruikte voor zijn opera Manon Lescaut, ik wil lezen over het expressionisme op postzegelformaat van Webern en ik wil lezen over de flegmatieke humor die Sjostakovitsj meegeeft in zijn instructie voor het spelen van het Adagio uit zijn Vijftiende kwartet (bestaande uit zes Adagios);

‘Speel het eerste deel zo dat de vliegen in volle vlucht dood neervallen en het publiek uit pure verveling de zaal verlaat.’

Ik heb dat gelezen en veel bijgeleerd als liefhebber. Voor kenners staan er weer genoeg notenvoorbeelden en technische termen in. Samama haalt het zelf aan in zijn boek;

Had Leopold Mozart zijn zoon niet geadviseerd het midden te houden tussen wat de ‘Nichtkenner’ mooi vinden – zonder dat ze weten waarom – en wat de ‘Kenner’ mooi vinden – die wel weten waarom?

Dat doet hij zelf ook. Met dit standaardwerk kan iedereen uit de voeten en ik kijk eigenlijk uit naar een vervolg. Het pianoconcert, het vioolconcert, de sonate; er is genoeg te duiden.