archiveren

Frankrijk

7b6ce0a0a2238da596e416b7251444341587343
Wat ik in de laatste alinea van mijn vorige stuk schreef is prachtig uitgekomen met dit boek. Luc Panhuysen en René van Stipriaan schreven met Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog een prachtig boek met verslagen uit de eerste hand over die roerige periode uit onze geschiedenis.

Zo biedt Oranje tegen Spanje een mooi raamwerk waarin je met dit boek al die gebeurtenissen weer voorbij ziet komen, maar waarbij je nu de diepte ingaat. Het boek biedt 327 pagina’s leeswerk en 134 verslagen door de meest uiteenlopende personen en ook over de meest uiteenlopende onderwerpen. Voor ieder verslag wordt een inleidend stuk(je) geschreven waardoor de geschiedenis chronologisch aan elkaar wordt verteld. Toch helpt het als je al wat over die geschiedenis weet, dan kan je alles sneller en beter plaatsen.

Voorbeelden van die verdieping zijn de verslagen over de belegering van verschillende steden zoals Haarlem, Alkmaar en Naarden. De bevolking van Naarden wordt uitgemoord en in dit boek staat een verslag van Lambertus Hortensius, priester en historicus en één van de naar schatting zestig overlevenden van die slachtpartij.

Grote gebeurtenissen worden door ooggetuigen beschreven, maar er worden ook zijpaden bewandeld, zoals het naspelen van een zeeslag met stenen door de Amsterdamse jeugd, of de beschrijving door een diplomaat over hoe Willem van Oranje gekleed ging. Je komt zo wel dicht op de geschiedenis te staan;

Zijn belangrijkste kledingstuk was een gewaad, van het type waar – zo durf ik oprecht te zeggen – een eenvoudige rechtenstudent niet graag mee over straat zou gaan. Zijn wambuis niet geknoopt, en evenmin kostbare stof. Zijn vest – dat daaronder zichtbaar was – had veel weg van de beste gebreide exemplaren waarin onze bootslui ons voortroeien.

Diezelfde Willem van Oranje wordt vogelvrij verklaard, overleeft een moordaanslag en wordt vervolgens toch gedood. Beide gebeurtenissen komen uitgebreid aan bod. Van de eerste dader wist ik nagenoeg niets tot nu. Dat wordt uitgebreid beschreven door Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, die later blijkbaar ook nog eens een leuk wijsje componeerde.

Toch zijn die grote ijkpunten uit de geschiedenis zeer de moeite waard. Het verhaal van het Turfschip van Breda, ons eigen Paard van Troje, mag genoegzaam bekend zijn, met dit boek stap je in het schip zelf. Je maakt mee hoe stil de mannen moesten zijn om niet ontdekt te worden;

Een zekere Matthijs…werd dermate door hoest gekweld dat hij die onmogelijk kon bedwingen. Hij bood zijn makkers zijn ponjaard aan om hem de hals af te snijden of te doorsteken, omdat hij liever alleen wilde sterven dan dat alle eerlijke soldaten vanwege hem zouden worden ontdekt en gedood. Maar de schipper maakte met pompen en andere werkzaamheden zoveel herrie als maar mogelijk was om het hoesten van zijn turf voor de dragers en de soldaten te overstemmen.

De grote lijnen van remonstranten tegen contraremonstranten en daarmee de tweespalt tussen Prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt (goed beschreven in Oranje tegen Spanje) krijgt in dit boek handen en voeten. Lees de verslagen van Joris de Bie, de thesaurier-generaal die beiden van nabij meemaakte, Johan van den Sanden die een contraremonstrantse jurist was én van Prins Maurits en van Van Oldenbarnevelt zelf. Als de raadspensionaris tenslotte wordt geëxecuteerd is het zijn knecht Jan Francken die verslag doet;

Bij het lezen van het vonnis zat mijn heer verschillende malen te keren en te draaien, en soms rees hij op van zijn stoel, gebaarde dat hij wilde antwoorden, maar Pots las gewoon verder. Nadat het vonnis was gelezen, sprak mijn heer…: ‘Ik dacht dat de Staten-Generaal voldoende zouden hebben aan mijn lichaam en bloed, en dat vrouw en kinderen hun bezit zouden mogen houden. Is dit mijn loon voor 43 jaar dienst aan het land?’

Zo staan er talloze verhalen in het boek. Je maakt mee hoe het was voor Hugo de Groot om te ontsnappen in die boekenkist uit Slot Loevestein. Hoe weinig lucht hij kreeg. Wat er werd gezegd door de dragers toen hij zich even verschoof, hoe zijn dochter gevat reageerde op vragen. Maar je maakt ook mee hoe luitenant-admiraal Maarten Tromp zijn manschappen toesprak toen hij met elf schepen de zeventig Spaanse schepen te lijf wilde gaan (en uiteindelijk vernietigde). Tenslotte moet ik nog even “Het duel van Leckerbeetje” noemen. Een mooi verhaal uit die tijd die feitelijk niet eens met de oorlog te maken had, maar zeker zijn plaats verdient in dit boek.

4509f546e9080a4597332316c41444341587343
Oranje tegen Spanje van Edward De Maesschalck is het derde boek uit de cassette waarvan De Graven van Vlaanderen en De Bourgondische Vorsten ook deel uitmaken. De boeken laten zich in chronologische volgorde lezen, waarvan dit laatste deel de periode beslaat van 1500 – 1648. Eenheid en scheiding van de Nederlanders onder de Habsburgers is de ondertitel en dat is nogal veelomvattend.

Het boek start met de geboorte van Karel V en loopt tot en met het einde van de Tachtigjarige Oorlog, die getekend werd met de Vrede van Münster. Het boek telt zo’n 340 pagina’s en het voordeel van deze uitgaven is dat er prachtige illustraties, stambomen en landkaarten in staan. Het leest zoveel makkelijker.

Want er valt ook veel te lezen. Karel V wordt Keizer Karel en komt tegenover Luther te staan. De religie is allesbepalend en we zien de leer van Calvijn groot worden. Willem van Oranje wordt calvinist en komt in aanvaring met het katholieke Spanje. Als belangrijkste edelman wordt hij als rebel gezien en Spanje zal met zijn generaal Alva een schrikbewind instellen. Don Juan van Oostenrijk, de bastaardzoon van Karel V kwam aan de macht als landvoogd van De Nederlanden, maar hij wist dat dit weinig voorstelde zolang hij Oranje niet wist in te palmen. Die wist natuurlijk wel hoe de hazen liepen, zoals bleek uit zijn onderhandelingen met Don Juan;

Dus begon hij te onderhandelen met Oranje en beloofde hem de hemel op aarde, zoals de terugkeer van zijn zoon Filips-Willem, het herstel van al zijn functies in dienst van de kroon en de teruggave van al zijn bezittingen. Oranje kon het niet geloven, want hij wist zeer goed dat de Spanjaarden zich niet gebonden achtten aan beloften die ze ketters deden…Volgens een verslag van de vredesbesprekingen zei Oranje letterlijk: ‘Wij begrijpen dat u ons wenst uit te roeien en wij wensen niet uitgeroeid te worden.’

Zoals bekend wordt hij toch vermoord en zijn zonen nemen zijn rol over. Eerst Maurits van Nassau die tegenover de nieuw ingevlogen landvoogd Farnese komt te staan. Het beleg van Doornik, van Oudenaarde en van Antwerpen zijn maar een paar voorbeelden van wat de bewoners van De Nederlanden over zich heen kregen. Ondertussen lezen we ook over de verwikkelingen in Spanje, van waaruit de acties veelal geïnitieerd werden, maar ook veronachtzaamd werden vanwege andere belangen. Zo werd er bijvoorbeeld ook een invasie van Engeland voorbereid, die overigens op niets uitliep.

Het mooie van dit boek is dat op zich bekende gebeurtenissen met elkaar in verband worden gebracht. De moord op Willem van Oranje, de Slag bij Nieuwpoort, de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt; het wordt haarfijn uitgelegd. Dat laatste feit is een direct gevolg van de strijd tussen raadspensionaris Van Oldenbarnevelt en Prins Maurits, tussen remonstranten en contraremonstranten ofwel de ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ (vrij vertaald; men is zelf verantwoordelijk voor het eigen lot of alles is al voorbestemd). Met Van Oldenbarnevelt werd ook Hugo de Groot veroordeeld, zij het tot levenslang. Hij wist weer uit Slot Loevestein te ontsnappen in een boekenkist.

Ondertussen ging het wel goed met de Republiek. Ik bracht de opkomst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie én van de West-Indische Compagnie nooit zo in verband met de tijd van Van Oldenbarnevelt, maar het speelde zich in dezelfde tijd af natuurlijk. In Spanje raakt men niet uitgepraat over de hebzucht van de Hollanders. De Spaanse schrijver Gonzalo de Céspedes y Meneses beschouwde de Hollanders zelfs als de bron van alle kwaad in de wereld:

Zeg me hoelang je nog zal dulden, o edel Spanje, dat een stel technologische vaardige rebellen, maar verachtelijke miskramen van de zee en plompe rotsen van het land, met hun boosaardigheid en oproer Duitsland in brand steken. Zij zijn de aanstichters van Bohemen, de opstokers van de Fransen, de omwoelers van de Zwitsers, steunpilaren van de Zweden, de omgooiers van de Polen, de bondgenoten van de Turken, en vrienden en partijgenoten van de Moren.

En zo gaat het nog even door. Wellicht wat teveel eer maar het geeft aan dat De Republiek de gemoederen aardig bezig hield. Dit soort teksten staan veelvuldig in het boek en voegen veel toe aan het verhaal.

Uiteindelijk zal Frederik-Hendrik, de jongste zoon van Willem van Oranje, stadhouder worden. Hij zal vele steden op de Spanjaarden terug veroveren en krijgt de bijnaam ‘Stedendwinger’. Het kon ook, want Piet Hein had er met de verovering van de Spaanse zilverloot voor gezorgd dat de oorlogskas goed gespekt werd. Overigens zou de tweede dochter van Frederik-Hendrik, Albertina-Agnes, trouwen met de Friese stadhouder Willem-Frederik van Nassau-Dietz. Van hen stamt de huidige Nederlandse koninklijke familie in rechte lijn af.

Het belangrijkste dynastieke huwelijk uit die tijd was dat van zoon Willem II, die op veertienjarige leeftijd trouwt met de negenjarige Maria-Henriëtte Stuart, waardoor op termijn een Oranjevorst (Willem III) koning van Engeland zou worden. Overigens grappig dat de auteur zich hier, waar hij overal zakelijk en ‘to the point’ verslag doet, ten opzichte van Maria Stuart even laat gaan;

…al liet het verwaande kind te pas en te onpas horen dat enkel zij van koninklijke bloede was en niet haar gemaal noch haar schoonouders.

Frederik-Hendrik putte zijn prestige uit militaire overwinningen, maar na zijn dood leek de weg vrij voor vredesbesprekingen. Daarvoor stond meer in de weg dan Frederik-Hendrik, er waren nog altijd geloofstegenstellingen maar er was beweging. Uiteindelijk zou de Vrede van Münster getekend worden, waarbij het opvallend is dat de sfeer, na zo’n lange tijd van oorlog en ellende, uiterst vriendelijk en gemoedelijk was.

Dit boek biedt hopelijk een prachtig raamwerk voor het volgende boek dat ik wil lezen. Als het goed is bevat dat verslagen van ooggetuigen uit deze periode, die zo nog meer invulling geven aan één van de roerigste periodes uit onze geschiedenis.

4bba7cab41471665971444b6c51444341587343
In de boeken over de Bourgondiërs die ik las kwam Jeanne d’Arc ook voor en de door Larissa Juliet Taylor geschreven biografie had ik in de kast staan, dus dat was reden genoeg om het boek te lezen.

Larissa Juliet Taylor is een Amerikaanse mediëvist met het Franse katholicisme als specialisatie. Haar biografie van Jeanne d’Arc is een wetenschappelijke biografie, gebaseerd op de primaire bronnen die zijn overgeleverd. Dat zijn er nogal wat. De stukken van het proces waardoor Jeanne op de brandstapel belandde zijn bewaard gebleven, evenals de stukken met betrekking tot haar rehabilitatie, de zogenaamde nullificatieprocedure.

Wetenschappelijk staat gelukkig niet gelijk aan gortdroog. In een kleine 300 pagina’s wordt een levendig beeld geschetst van een meisje uit Lotharingen, dat in haar korte leven en in een periode van twee jaar de loop van de Franse geschiedenis zou veranderen.

Als tiener begon Jeanne stemmen te horen, die haar opdroegen Frankrijk te bevrijden van de Engelsen, zodat Karel VII tot koning gekroond kan worden. Jeanne geeft gehoor aan die stemmen en verlaat haar geboortedorp. Het kost haar, uiteraard, de nodige moeite om serieus genomen te worden en ze moet talloze vragen beantwoorden en onderzoeken ondergaan. Daar blijkt ze niet voor één gat te vangen. Ze is scherpzinnig, doortastend, topfit én maagd. Bovendien weet ze feilloos Karel VII aan te wijzen terwijl ze hem nooit gezien heeft én geeft ze en passant aan waar haar droomzwaard zich bevindt, ergens begraven in een kerk waar ze ook nooit is geweest.

Deze zaken worden als wonderbaarlijk gezien en Jeanne wordt toegelaten tot het leger. Ze meet zich een harnas aan en begeeft zich naar Orléans om de stad te ontzetten. Dat wordt haar eerste grote overwinning. Het wordt beeldend beschreven en het is verbijsterend om te beseffen dat het hier om een zeventienjarig meisje gaat;

Voor de inwoners van Orléans en de soldaten beloofde Jeannes komst verlossing…Terwijl haar vaandel voor haar uit werd gedragen, reed ze door de straten van de stad, met de Bastaard naast haar en gevolgd door edelen, schildknapen, commandanten en eenvoudige soldaten…De drang om haar en haar paard aan te raken was zo groot dat een van de mensen met een fakkel zo dichtbij kwam dat haar lansvaantje in brand vloog.

Hierna zouden er meer veldslagen én overwinningen volgen. Jeanne geeft blijk van grote moed, van militair inzicht en raakt gewond. Ook dat laatste lijkt ze uit te buiten, want hoewel ze serieus gewond lijkt blijkt ze even later wonderbaarlijk hersteld. De Engelsen zijn verbijsterd en de Fransen krijgen enorme moraal.

Uiteindelijk bereikt Jeanne haar doel, Karel VII kan in Reims tot koning gekroond worden. Toch wil ze meer en ze houdt geen rekening met krachten die haar uit de weg willen hebben. Uiteindelijk wordt ze gevangen genomen en belandt ze op haar negentiende op de brandstapel. Schrijnend is dat Karel VII erg weinig moeite doet om haar hiervoor te behoeden.

Het is een onvoorstelbaar verhaal waar natuurlijk talloze vragen bij te stellen zijn en daar helpt dit boek enorm bij. Voor uiteenlopende zaken worden logische of pragmatische verklaringen gezocht. De stemmen kunnen hallucinaties zijn geweest, het herkennen van Karel VII en het zwaard dat ze weet te liggen; het is allemaal minder wonderbaarlijk als het lijkt. De plotselinge opstanding na haar wond kan heel goed een list zijn, iets wat vaker toegepast werd. Toch blijven er genoeg vragen over. Tijdens haar proces wordt ze eindeloos ondervraagd en blijft ze overeind tegenover haar ondervragers. Hoe kan dat? Hoe kwam ze aan het militaire inzicht en de vaardigheden die haar vooraan deden strijden? Waar mogelijk worden er verklaringen gegeven door de auteur.

Het boek heeft ervoor gezorgd dat de figuur Jeanne d’Arc meer is gaan leven. Vastberaden, koppig, streng, slim maar ook vroom. Op enig moment lijkt ze te breken, als ze een document moet ondertekenen waarin ze al het haar ten laste gelegde moet bekennen, maar dan toont ze ongekende veerkracht. Voor de duidelijkheid, in eerdere (gedicteerde) brieven zette ze soms een kruisje als teken dat men niet moest geloven wat ze had opgeschreven. Toen moest ze de verklaring dus ondertekenen;

Op spottende wijze tekende Jeanne een soort cirkel. Hoewel Jeanne inderdaad niet kon lezen en schrijven, kon ze wél haar handtekening zetten. Dat ze dit niet deed is veelzeggend. Was dit een kruisje in een cirkel dat Jeanne naar eigen zeggen had gebruikt om haar volgelingen te laten weten dat ze niet moesten geloven wat ze had geschreven? Anderen zeiden dat ze lachte toen ze het document tekende. De bisschop van Noyon herinnerde zich dat na de herroeping velen zeiden dat het slechts komedie was en ze alleen maar de spot met hen dreef. Vermoedelijk had hij gelijk.

Het komt allemaal naar voren uit de bronnen die er nog zijn. Achterin het boek staat dit in bijlagen toegelicht, evenals namen van de getuigen die ondervraagd zijn in verband met haar rehabilitatie en de belangrijkste personages in Jeanne’s leven.

Vertaling; Rob Hartmans

4bba7cab41471665971444b6c51444341587343
Ik had elders al aangegeven dat ik met die Bourgondiërs nog niet klaar was en
De Bourgondische vorsten van Edward De Maesschalck stond dus nog in de kast te branden. Het boek is 237 pagina’s dik en bestrijkt de periode 1315-1530. Uiteraard heeft het veel overlap met het boek van Bart van Loo, wat ik onlangs heb gelezen en dat meer tekst bevat. Is dit boek daarmee dan overbodig? Zeer zeker niet.

Allereerst vind ik het prettig om het verhaal in andere woorden opnieuw te lezen, ik onthoud het dan beter. Er staan handige stambomen en kaarten in het boek die veel verduidelijken. Verder staan er werkelijk prachtige foto’s in, soms paginagroot en zelfs over twee pagina’s.

Het boek is verdeeld in zeven delen en beschrijft achtereenvolgend Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria van Bourgondië en hun kinderen. Omdat veel verhalen mij nu bekend voorkomen kan ik mij verliezen in al die details waar ik zo van houd. Zo werd ik getriggerd door de huisdieren van Margaretha van Male. Zo had zij papegaaien en die associeerde ik niet direct met de Middeleeuwen, maar niets is minder waar. Ik zocht dat even op en in het midden-Nederlands was het pape gaie (gaai van de paap?) en ze waren alom aanwezig aan de hoven in Europa. Die details zijn prachtig maar onherroepelijk word je ook meegezogen in de grote gebeurtenissen van die tijd.

De kruistochten en het verschrikkelijk pak slaag dat Jan zonder Vrees kreeg in Bulgarije. De koppige Fransen die de fiere ridder wilden uithangen en bij Azincourt werden verslagen door de Engelse boogschutters en die later bij Poitiers precies dezelfde fout maakten. De moorden op Lodewijk van Orléans en op Jan zonder Vrees. Het doorlopende politieke spel om de macht en om zo gunstig mogelijke huwelijken en verbintenissen te sluiten. Een opvolger was van levensbelang en het ging zover dat Maria van Bourgondië moest bewijzen dat ze een jongen had gekregen en geen meisje. Dat deed ze;

Zij ontdeed het kind van zijn zwachtels, toonde het midden op de markt naakt aan de samengestroomde menigte en ‘nam sijn cullekens in haer hant’.

Uiterst interessant is het inkijkje in de hofhouding van de vorsten, ofwel het hôtel;

Het hôtel van Isabella van Portugal kende een hoogtepunt rond 1445, toen er sprake was van 25 eredames en samen meer dan 300 personen of 480 monden…Met monden bedoelde men ook de paarden, want die kosten aan onderhoud ongeveer evenveel als een mens.

Die paarden waren voor een vorst van cruciaal belang dus werden ze goed verzorgd. Een detail in een stukje over wijn;

De mindere wijn werd gebruikt om er na een zware rit de poten (sic) van de paarden mee te wassen.

De Bourgondische feesten ontbreken ook in dit boek niet en prachtig is het verhaal waarin Filips de Goede zich verplicht tot een kruistocht door een eed op een goudkleurige, levende fazant. Die kruistocht zou er overigens niet komen. Kortom, de grote lijnen zijn prima te volgen en het is smullen van al die details, ook in de talloze miniaturen die in het boek staan.

9403139005.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De Bourgondiërs hadden al mijn warme belangstelling. Ik had al gelezen waar ze vandaan kwamen bij Norman Daviesik heb het boek over hun vorsten nog staan van De Maesschalck en ik heb Herfsttij der Middeleeuwen van Huizinga, Het Woud der Verwachting van Haasse, De waanzinnige veertiende eeuw van Tuchman en de boeken van Thea Beckman gelezen. Dit boek van Bart van Loo voelde dus een beetje als thuiskomen.

Dat wil niet zeggen dat alles gesneden koek was, verre van zelfs. Van Loo begint zijn turbulente geschiedenis ook op het eilandje Bornholm in de Oostzee, waar de Bourgondiërs oorspronkelijk vandaan kwamen. Vervolgens reizen we door de tijd en komen we snel aan bij Filips de Stoute en Margaretha van Male. Dat sloot voor mij naadloos aan op De Graven van Vlaanderen dat juist eindigde met dit koppel. Hun nazaten, zoals Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria van Bourgondië enz. ben ik ook ooit wel tegengekomen, maar nergens is hun verhaal met zoveel verve verteld als hier door Van Loo. Nu kan je ook iedere Wikipedia-pagina openslaan en al snel wat wijzer worden, maar ik wil verbanden en feiten. Hoe obscuurder hoe beter. Ik word op mijn wenken bediend. De slag bij Azincourt en de Guldensporenslag zijn redelijk bekend, maar ik wist niks van het beleg van ’s Gravenbrakel. Jacoba van Beieren en Humphrey van Gloucester contra Jan van Brabant en Filips de Goede;

Tijdens het beleg van ’s Gravenbrakel…kwam Humphrey in allerijl aanzetten om de vijandelijke strijdkrachten te verjagen. Zijn komst leverde een surrealistisch tafereel op. Met trompetgeschal kondigde men een veldslag aan. De twee legers stelden zich op. Iedereen hield zijn adem in. En bleef dat lange tijd doen. Tot het sein werd gegeven om terug te trekken. De honderden banieren die net nog trots in de wind waren geheven gingen neer. Even later herhaalde dit merkwaardige schouwspel zich een tweede keer. Uiteindelijk dropen beide legers af.

Er gebeurde dus niets maar ik wil het allemaal wel weten. De grotere veldslagen worden even beeldend beschreven, geen zorg daarover. Wat ook beeldend wordt beschreven zijn de copieuze maaltijden die af en toe geserveerd worden. Het woord Bourgondisch moet ergens vandaan komen, nietwaar? Een gigantische pastei waarin 28 muzikanten verborgen zitten is maar één van de vele voorbeelden. Los van de grote lijnen der geschiedenis die de auteur haarfijn uitlegt houd ik van al die uitstapjes die gemaakt worden. Over het grote kanon de Dulle Griet, dat ik in Gent zag, over de oorsprong van het woord “Holland” en het woord “miniatuur” (een eye-opener voor mij) of over de prachtige kunst uit die periode. Geen mooier pleidooi dan in dit boek om het praalgraf van Filips de Stoute in Dijon te bezoeken, met de “pleurants” van de Nederlandse beeldhouwer Klaas Sluter.

Die grote lijnen dan, daar gaat het natuurlijk ook om. Langzaam zie je de contouren van de Lage Landen en Van Loo trekt de gebeurtenissen van vroeger door naar het heden, zoals bij de vorming van de Staten-Generaal;

Voortaan zou in onze contreien geen enkele vorst meer kunnen regeren zonder de Staten-Generaal, die tussen 1464 en 1576 gemiddeld een keer per jaar bij elkaar kwamen…In het Polygoon-journaal van 9 januari 1964 konden Nederlandse bioscoopbezoekers een reportage zien van de plechtige herdenkingsdienst inde statige Ridderzaal van Den Haag.  Geflankeerd door koningin Juliana en prinses Beatrix sprak Jan Jonkman, voorzitter van de Eerste Kamer, de volgende woorden; ‘Onze Kamers hebben besloten heden de dag te herdenken dat vijfhonderd jaar geleden in de Nederlanden een statenvergadering is gehouden die geacht kan worden een grondslag te hebben gelegd voor onze volksvertegenwoordiging van 1964.’ 

Zo deed Karel de Stoute gruwelijke dingen, vraagt u even na in Dinant en Luik, maar voerde hij ook ‘Pax et Justitia’ door in de Lage Landen en stelde hij een centrale rekenkamer in; zaken die ons nog steeds bekend voorkomen. Dat alles trekt aan het oog voorbij in een met vaart en af en toe met humor verteld verhaal (De strijd bleek zo goed als gestreden, toen Antoon van Brabant in allerijl kwam aangestormd. Veel te laat, maar net op tijd om te sneuvelen). De stambomen, overzichtskaartjes en een chronologie zijn een welkome aanvulling, omdat de Karels en Filipsen je om de oren vliegen.

Ik heb genoten van dit boek en ik ben nog lang niet klaar met die Bourgondiërs. Brugge staat dit jaar op het programma (restaurant-tip ook in dit boek), maar ik wil ook Dijon zien en lopen in het Zoniënwoud. Gewoon, zwerven waar de grote Filips de Goede ooit verdwaalde;

Na lang zwerven bereikte Filips het hutje van een arme drommel. Vol verwachting klopte de meest gefortuneerde vorst van het Westen op de gammele deur in. In het Diets smeekte hij om onderdak. Zonder te weten wie hij precies hielp, serveerde de gastheer hem enkele sneden grof brood en wat eenvoudige abdijkaas. Zonder voorsnijder, schenker of voorproever stortte de hertog zich op de sobere maaltijd.

Dat zijn de verhalen die er toe doen.

Lees ook de bespreking van Bettina hier.

graven-van-vlaanderen-861-1384 (2)
Afgelopen jaar bezocht ik Gent en de burcht het Gravensteen. Via de audiotour hoor je dan de namen van de Vlaamse graven die er resideerden, zoals Filips van de Elzas en Lodewijk van Male. Het interesseerde mij zo dat ik er meer over wilde weten, het bleven nog een beetje losstaande namen in een verhaal. Toen zag ik het boek De Graven van Vlaanderen van Edward De Maesschalck en dat was precies wat ik zocht. Klein detail, het maakte deel uit van een cassette met drie boeken. Dezelfde auteur schreef ook twee prachtige boeken over De Bourgondische Vorsten en over Oranje tegen Spanje. Ze laten zich in de tijd achter elkaar lezen, te beginnen met dit boek.

En prachtige boeken zijn het. Dit deel telt 340 pagina’s en naast veel tekst staan er prachtige afbeeldingen in van miniaturen uit die tijd, verhelderende kaarten, plattegronden en stambomen. Zo is de hele lijn van de eerste graaf Boudewijn I de IJzeren (ca. 840-879) tot en met Lodewijk van Male (1330-1384) gedetailleerd beschreven.

Wat mij daarbij opviel is de verwevenheid van de Vlaamse graven met de Europese geschiedenis. Zo wordt Mathilde, de dochter van Boudewijn V, de vrouw van de Engelse Willem de Veroveraar en wordt daarmee de stammoeder van de Engelse royals. Blanca van Namen, de kleindochter van graaf Gwijde van Dampierre wordt koningin van Zweden en Noorwegen en gravin Johanna van Constantinopel werd keizerin van de gelijknamige plaats.

Dat laatste geeft al aan dat de edelen niet in de lage landen bleven hangen. De complete geschiedenis wordt aan de hand van hun levens behandeld. De invallen van de Noormannen, de kruistochten, de handel en economie maar ook zee- en veldslagen als de Slag bij Zierikzee, de Guldensporenslag of de minder bekende (maar veel grotere) Slag op de Pevelenberg.

Als ik dit lees zijn het geen losstaande namen meer van een uitstapje in Gent, maar krijgt het een kader. Als ik nu lees over een protest van Robrecht van Béthune in het Gravensteen, zie ik het voor me. Dat protest staat er overigens integraal in en dat geldt voor meer citaten en brieven, het maakt het boek een levendig geheel. Zo staat er een prachtig smeekschrift in van gravin Margaretha aan de paus, waarin ze verzoekt om heffingen op de inkomsten van kerken en abdijen. Ook het verslag een opstand in Kortrijk is indrukwekkend:

Toen het volk van Kortrijk besefte dat de graaf en zijn mannen wilden vertrekken en door hun schuld alles in de vlammen zou opgaan. stormden ze met veel kabaal en wapengekletter op de graaf en zijn mannen af. Ze waren in razende woede omdat al hun bezit door het vuur werd verteerd en achtten zich enkel nog gelukkig als ze de vluchters konden doden. Vrouwen, die zich hun sekse niet herinnerden, sloegen paarden en ridders neer en gooiden uit de vensters van hun huizen alle mogelijke obstakels naar beneden om de ruiters te beletten te ontkomen.

Het waren woelige tijden. Geweld was aan de orde van de dag, vele graven werden niet oud en ze moesten constant op de hoede zijn om hun bezit veilig te stellen. Hun macht varieerde van een bijna bankroet tot bezittingen die groter waren dan die van het Franse hof. Toch vind ik die kleine weetjes de leukste, zoals de oorsprong van de naam Vlaanderen, of te weten dat ons begrip van “De Beurs” (als in aandelenbeurs) stamt van de Brugse herberg Ter Beurse van de familie Van der Beurse, waar de kooplui praatten over hun winsten en verliezen.

De illustraties verdienen echt een aparte vermelding. Er staan talloze miniaturen in het boek, allemaal voorzien van bijschrift en het wordt keurig aangegeven als de artiest in kwestie er even naast zat (de afbeelding staat onder dit stuk);

In een Chronique de Flandre….zien we een impressie van de slag van Westkapelle (1253). Deze veldslag draaide voor de Dampierres uit op een catastrofe, want zowel Gwijde als Jan werd gevangengenomen en zou slechts tegen een hoog losgeld uitgeleverd worden….De miniaturist heeft duidelijk Zeeland nooit met eigen ogen gezien en de beslissende strijd speelde zich ook niet af op zee, maar op het strand van Walcheren.

Geen goedkoop boek, zeker niet als je de cassette koopt, maar wel zeer de moeite waard.

img_5692
De slag van Westkapelle

902257511X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Daar is hij dan, Het Eeuwige Vuur van Ken Follett. De langverwachte opvolger van Pilaren van de aarde en Brug naar de hemel. Het derde boek op rij waarin de fictieve plaats Kingsbridge in Engeland als uitgangspunt wordt genomen. Het eerste deel speelde zich af in de 12e eeuw, het tweede deel in de 14e eeuw en met dit boek bevinden we ons in de 16e eeuw, in het Tudor-tijdperk.

We zien dan ook dat Kingsbridge niet meer de centrale plaats van handeling is. Follett breidt zijn toneel aardig uit, en wel naar Antwerpen, Parijs, Sevilla en zelfs naar De Nieuwe Wereld. Voor fans van de eerste twee, gewoon lezen dit boek want Kingsbridge speelt wel degelijk een rol, er gebeuren genoeg ellendige én mooie dingen volgens het vaste recept van Follett.

Wat is dat recept? Het kundig mengen van historische figuren en gebeurtenissen met verzonnen romanfiguren. Het opstarten van verschillende verhaallijnen op verschillende plaatsen en deze mooi bij elkaar laten komen. Met zijn ruim 850 pagina’s is het boek niet zo dik als zijn voorgangers maar wordt het weer mooi afgerond.

En dan heb ik nog niets over het verhaal zelf gezegd. Hoofdpersonen zijn Ned Willard en Margery Fitzgerald, die we in hun jeugd ontmoeten in 1558. Ze willen trouwen, maar de één is protestant en de ander katholiek. Voilà, de rode draad. Follet creëert zijn drama’s op persoonlijk niveau en vertaalt deze naar het grote politieke toneel, waar het gaat om de strijd tussen de protestantse koningin Elizabeth en de katholieke Maria Tudor. De verhaallijn in Sevilla volgt de broer van Ned, Barney. Hij wordt uiteindelijk kanonnier en kapitein en zal Engeland verdedigen tegen de Spaanse armada. In Frankrijk woedt ook een felle strijd tussen protestanten en katholieken. Centrale figuren zijn hier de protestantse boekverkoopster Sylvie, die later met Ned zou trouwen, en de intrigant Pierre Aumande. Deze wil zich omhoog werken via de adellijke familie De Guise en speelt een rol die leidt tot de beruchte Bartholomeusnacht, waarbij de katholieken meedogenloos afrekenden met de protestantse elite.

Voor de rest geef ik niets weg, lees het vooral zelf. Het is bijna schandalig hoe snel je door dit boek heen bent en daarmee vind ik het dus een goed boek. Ja, er zitten best weer wat toevalligheden in om het verhaal goed te laten lopen (Spaanse schone duikt onverwacht handig op in Parijs om informatie door te spelen) maar dit stoort mij niet, het houdt de vaart erin.

Follett is naar eigen zeggen drie jaar en drie maanden met schrijven bezig geweest. Uiteraard zit er veel research in zo’n boek, zo leer ik uit een interview met hem. Hij heeft alle plaatsen bezocht die hij heeft beschreven, musea bezocht en huizen en kastelen bezichtigd die in die tijd gebouwd waren. Verder natuurlijk literatuuronderzoek. Hoe zag de kleding eruit, waren er al vorken, hoeveel kilometer kan een paard afleggen in een dag, welke wapens werden er gebruikt? Ook dat vind ik de kracht van zijn boeken, de details zijn mooi uitgewerkt, zoals wat er bij komt kijken om een scheepskanon tijdig te laden.

Ik heb geen enkel bericht gehoord over een vervolg, wel over de voltooiing van een trilogie. Follett is nu 68 en hoeft het voor het geld niet meer te doen, met zo’n 160 miljoen verkochte boeken, maar wie weet…hij vindt het ongelofelijk leuk om te doen, dat schrijven.

Vertaling; Joost van der Meer en William Oostendorp

39651276e483be3597158636c77444341587343
Ik kwam bij Anna dit boek tegen van Patrick Leigh Fermor over abdijen en het kloosterleven, Een tijd om te zwijgen. Fermor was een bekende reisboekenschrijver waar ik nog wat boeken van op de verlanglijst heb staan, maar dit leek me een mooie opmaat.

Het boekje telt maar 87 pagina’s en gaat over zijn bezoeken in de jaren ’50 aan de Abdij van St. Wandrille de Fontanelle, de abdij van Solesmes, de abdij Notre-Dame de la Grande Trappe (allen in Frankrijk) en de rotskloosters van Cappadocië in Turkije. Die laatste vond ik dan weer een beetje vreemd in de bijt hier, maar goed.

De Abdij van St. Wadrille kent een regime, waar de auteur even aan moest wennen;

Alle maaltijden…werden in stilte gegeten: men werd gemaand zich afzonderlijk te ‘ontspannen’ en alleen met toestemming van de abt tot de monniken te spreken; geen lawaai te maken wanneer men door het klooster liep; niet te roken op de kloostergang; op fluistertoon te spreken en de perioden van stilte strikt in acht te nemen. Ik vond ze onmogelijk grimmig. Wat een stilte en ingetogenheid! Het gebouw kreeg het karakter van een gigantische graftombe, een necropolis waarvan ik de enige bewoner was.

Waarom wil je dit dan? De auteur observeert en verwondert zich over het verschil met bijvoorbeeld de monniken die hij in Griekenland ontmoette. Daar was er vrolijkheid, hier ingetogenheid. Hij beseft;

Deze mannen leefden echt alsof elke dag hun laatste was, ze hadden zich verzoend met de wereld, hadden absolutie gekregen, waren gesterkt door de sacramenten, altijd klaar om op het middernachtelijk uur een zachte dood te sterven.

Ondanks dat hij moest wennen, merkt de auteur langzamerhand dat hij een ritme vindt. Hij hoeft zijn energie niet meer aan talloze afleidingen te besteden maar ervaart ineens vrijheid. Hij schrijft ook en merkt dat dit ook beter gaat. En lees wat hij voelt als hij de abdij verlaat;

Mijn eerste dagen in de abdij mogen dan een periode van neerslachtigheid zijn geweest, het ontwenningsproces achteraf was tien keer erger. Het klooster was eerst een kerkhof, maar de buitenwereld leek later in vergelijking een hel van lawaai en vulgariteit, uitsluitend bevolkt door proleten, sletten en misdadigers…De advertenties voor Byrhh en Cinzano – anders zulke heerlijke symbolen van vrijheid en ontsnapping – …ervoer ik zelfs als een persoonlijke belediging.

De Abdij van Solesmes was een tussenstop op weg naar de Abdij Notre-Dame de la Grande Trappe. Deze abdij  behoort van oorsprong tot de cisterciënzerorde van strenge observatie. Vond de schrijver het regime van St. Wandrille streng, het kon nog veel erger en dat was (let wel, in de jaren ’50) hier;

Een trappist staat om één of twee uur op, al naar gelang het jaargetijde. Zeven uur van zijn dag brengt hij door in de kerk met het zingen van koorgebeden en geknield of staande mediteren, vaak in het donker. de rest van de dag wordt besteed aan primitief en zwaar werk op het land, aan privaat gebed, aan preken en het lezen van de martyrologie…Het eten bestaat bijna uitsluitend uit wortelen; vlees, eieren en vis zijn verboden…

Voeg daarbij de strikte vastenwetten, het altijd dragen van dezelfde dikke kleren, ook in de zomer, het slapen in een gezamenlijke ruimte op een strozak en je kan je weer afvragen. Waarom? Maar ook daar heeft iemand het antwoord op klaar;

Met geduld en oefening levert dit permanent op God geconcentreerd zijn van de geest een rijke beloning op: zielerust, een soort goddelijke vervoering, een onuitsprekelijk geluk, dat een Franse trappist ooit heeft beschreven als een langdurige glimp van het paradijs.

Voilà, ga daar maar eens tegenin. Als laatste worden de verlaten kloosters in Cappadocië in Turkije beschreven. Uitgehouwen in de tufstenen rotsen boden ze jarenlang onderdak aan de verdwenen christelijke gemeenschap in centraal-Turkije. Ik heb ze zelf bezocht en het is inderdaad een indrukwekkend gezicht. De eetzalen in de rotsen, de uit stenen gehakte goten en de nog zwarte haarden, het is leuk om een keer terug te lezen. En ik leer nog wat bij over Anachoreten (ofwel mensen die zich uit de samenleving terugtrokken) die zich inmetselden in grotten en over Dendrieten (wat is afgeleid van dendros, het Griekse woord voor boom) die zich tientallen jaren lang vastketenden aan de hoogste takken van grote bomen.

Dit is een aardig lange bespreking van een kort boekje, maar dat geeft dan aan dat ik het de moeite waard vond. De andere boeken van Fermor zullen vast wel eens voorbij komen.

Vertaling: Barbara de Lange

9023485173.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik had van de Dreyfus-affaire gehoord, maar wist zeker niet van de hoed en de rand. Na het lezen van De Officier van Robert Harris ben ik echt een heel stuk wijzer.

Het boek gaat over de beroemdste gerechtelijke dwaling aller tijden. Het speelt rond 1900 en gaat over de veroordeling van de joods-Franse officier Alfred Dreyfus wegens hoogverraad. Hij werd er van beschuldigd voor Duitsland te hebben gespioneerd en werd verbannen naar Duivelseiland voor de kust van Frans-Guyana.

Nu werd ene Georges Picquart benoemd tot het hoofd van de afdeling Statistiek van de Franse overheid. Lees; hij werd kolonel van de afdeling spionage. Daar krijgt hij te maken met de affaire Dreyfus en beetje bij beetje ontdekt hij dat de zaken toch niet helemaal in elkaar steken zoals de regering het doet voorkomen. Hij komt er achter dat er in ieder geval een echte verrader rondloopt, Ferdinand Walsin Esterhazy. Het document waarop Dreyfus is veroordeeld blijkt geschreven door Esterhazy.

Picquart bijt zich erin vast en er komt steeds meer modder naar voren. Hij wil dit bespreken met zijn superieuren maar wat blijkt; hij moet het laten rusten. Dreyfus is veroordeeld op basis van onomstotelijke feiten in een geheim document, dat de verdediging niet heeft mogen inzien. Dat gaat volledig tegen het rechtsgevoel van Picqaurt in, hoe toegewijd hij ook is aan het leger dat hij dient. De gemoederen lopen soms hoog op;

‘Maar als we nu ontdekken dat Esterhazy de verrader was, en niet Dreyfus…?’
‘Nou, dat ontdekken we dus niet, begrijpt u? Dat is namelijk het hele punt. Want zoals ik net aan u heb uitgelegd, is de zaak-Dreyfus voorbij. Het hof heeft zijn vonnis gewezen, en dat is einde verhaal.’

Het leest als een roman, wat het ook is, alleen leunt de roman zwaar op wat er echt is gebeurd. Iedere persoon die voorkomt heeft ook echt bestaan. De ik-persoon, Picquart, heeft het zwaar te verduren. Hij constateert, signaleert en krijgt dit;

“Het enige waar ik om vraag, is dat de zaak nog eens grondig wordt onderzocht…’
‘Het enige?”Nu ontploft Gonse. ‘Het enige! Die is goed! Ik begrijp u niet Picquart! Weet u eigenlijk wel wat u zegt? Dat het hele leger – het hele land, wat dat aangaat – om uw gevoelige geweten draait!

Picquart blijft tegen muren oplopen. Hij wordt weggepromoveerd naar Afrika, wordt teruggeroepen om te getuigen en gevangen gezet. De kwestie splijt het land en er zijn beroemde voorstanders als de schrijver Émile Zola die zijn beroemde pamflet J’accuse schreef, op het gevaar af voor smaad veroordeeld te worden.

Uiteindelijk loopt het goed af en worden zowel Dreyfus als Picquart in het gelijk gesteld, maar wat een inkijk geeft dit in het gekonkel en gedoe in het Franse rechtssysteem rond 1900. Verbluffend.

O ja, lees vooral ook Anna’s bespreking. Voor meer achtergronden zie hier.

Vertaling; Paul Witte

9400503288.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik hoef doorgaans geen enkele moeite te doen om mij te verheugen op een vakantie in Frankrijk en zo ook nu niet. De wijnboeken van Ilja Gort geven er gewoon een extra slinger aan en dus ook Slurp Grand Cru. Ik kan met een gerust hart verwijzen naar mijn besprekingen van zijn vorige boeken, want het recept is idem, maar dan wordt dit een heel ielig stukje, daarom;

Na een meedogenloze selectie aan de sorteertafel op gezondheid en rijpheid, worden de overblijvende kwaliteitsdruiven opgesloten in roestvrijstalen cuves van vijftig hectoliter. Op elkaar liggend persen zij zichzelf uit door hun eigen gewicht. Maar op de druivenschilletjes krioelen bacteriën; gistbacteriën. Die bacteriën hebben een jaar lang gewacht op dit moment van zwakte. Vraatzuchtig grommend storten ze zich op de argeloze druiven. Met miljoenen tegelijk doen ze zich tegoed aan de suiker in het druivenvruchtvlees, die zij vervolgens uitpoepen als alcohol.

Kortom, hoe wijn wordt gemaakt op z’n Gort’s. Ik leer zowaar wat bij over de voor-gisting en de remontage. Hierbij wordt het sap onder uit de cuves gehaald en van boven weer over de schilletjes uitgevloeid, voor nog meer fruit, kleur en smaak. Ik krijg informatie over kurk of schroefdop, over de plukmachine en het bottelproces. Gort strooit weer met eet- en drinkadresjes en er wordt wat gekout over het onderhouden van een château, het onderhandelen met een pak Duitsers en het kopen van een konijn. Geen hogere wiskunde allemaal maar in de voorpret voldoet dit prima.

Ook in dit boek verschillende QR-codes die je met je mobiele telefoon kunt scannen waarna de bijbehorende filmpjes op je scherm worden afgespeeld. Je kan ze ook gewoon zien op http://www.slurp.nu/filmpjesslurpgrandcru.

Overigens komen de vele foto’s in het boek en de vormgeving voor rekening van de wijnboerminnares, Caroline d’Hollosy.