archiveren

Frankrijk

Ik had al twee boekjes van Ignace Schretlen over het Franse chanson besproken en wel hier en hier, maar ik zocht het vervolg daarop nog en dat is Alles eindigt met een lied. Het boekje telt 92 pagina’s maar als u ieder chanson beluistert dat wordt genoemd dan houdt het u toch even bezig.

Eerst even de titel; als de Fransen een schokkende gebeurtenis willen relativeren dan zou de frase Alles eindigt met een lied wel gebruikt worden. Ik ken het niet maar wellicht is de uitdrukking wat gedateerd, dit boekje is immers uit 1981. De besproken artiesten leven dus ook nog ten tijde van het verschijnen van dit boek. Dat gaat in dit geval om Gilbert Bécaud, Charles Aznavour, Barbara, Jean Ferrat en Georges Moustaki. Waarom deze artiesten en wat staat er in het boek? De auteur licht het toe;

De keuze is uiteraard arbitrair en werd mede bepaald door de affiniteit van de auteur met het repertoire van de genoemde artiesten. Het accent ligt op de ontwikkeling, die ieder van hen heeft doorgemaakt. Enerzijds wordt deze ontwikkeling geschetst vanuit de achtergrond van de betreffende persoon, terwijl anderzijds de wereld van het chanson als decor figureert.

Dat levert een aantal aardige portretten op van de genoemde artiesten met het grote voordeel van een hoop tips over chansons die met een bepaalde insteek geschreven zijn. Dan luister je er toch net even wat anders naar. Ik heb al veel Franse muziek beluisterd maar ik doe toch weer nieuwe tips op of het is de kracht van de herhaling die mij opnieuw naar muziek doet luisteren.

Zo kende ik wel wat van de muziek van ‘Mister 100.000 Volts’, Gilbert Bécaud, maar ik wist niet dat hij zo muzikaal onderlegd was. Dat wil zeggen, hij schreef de muziek en liet de teksten vaak over aan vaste tekstschrijvers. Ik wist ook niet dat hij begon als schrijver van filmmuziek. Hij had een groot aantal hits die door Engelstalige artiesten zoals Elvis Presley, Frank Sinatra en Barbra Streisand op het repertoire werden gezet. Interessant is het fenomeen dat ik eerder ook al beschreef en dat artiesten op elkaars chansons reageren met een ander lied. Bécaud zong over Dimanche à Orly waarin mensen verpozing zoeken op het vliegveld op een zondag. Jacques Brel reageerde daarop met Orly waarin datzelfde vliegveld het decor wordt van een hartverscheurend afscheid.

Een boek over chansons kan moeilijk om Charles Aznavour heen. Ik heb de man zien optreden en ben fan van zijn muziek. Niet van al zijn muziek overigens, soms sluipt de eenvormigheid erin, zo stelt ook Schretlen;

Hij ziet echter niet de noodzaak ervan in om in teksten te blijven streven naar originaliteit. Wanneer een chanson aanslaat bij het publiek, probeert Aznavour in volgende liedjes erop voort te bouwen zonder dat hij er iets nieuws aan toevoegt.

Schretlen toont aan dat hij soms dezelfde woorden letterlijk herhaalt in zijn liedjes. Niet getreurd, er staan ook talloze mooie tips in. Ook leuke anekdotes, zoals over zijn neus waarmee hij volgens Edith Piaf echt niet kon optreden. Simone Bertaut schreef hierover in zijn biografie;

Charles Aznavour zat nog geen tien minuten met Edith te kletsen, toen ze hem al midden in zijn gezicht zei: ‘Die neus van jou is waardeloos voor de bühne; die moet je veranderen.’
‘Het is geen autoband. Ik heb geen reserve!’

De chansonnière Barbara is een artieste die lastig te coveren is en een deel daarvan ligt in haar kristalheldere voordracht maar ook in haar muzikaliteit. Ze schrijft de teksten en muziek zelf en die liggen allemaal heel dicht bij haar eigen stem. Ik houd van de sfeer die ze oproept met haar liedjes en heb aardig wat van haar albums in huis. Zo prachtig als ze zingt, zo nietszeggend zijn haar interviews en daarvan is een voorbeeld opgenomen in het boek. Als dat maatgevend is voor haar andere interviews dan houdt u het liever bij de muziek, die is fenomenaal.

Ook de muziek van Jean Ferrat vind ik mooi. U kent de melodie van zijn hit La Montagne als Het Dorp van Wim Sonneveld maar er is zoveel meer. Ferrat is sociaal geëngageerd en laat dat horen in zijn chansons. Ondanks zijn populariteit is hij verschillende malen geboycot op de radio. Ook zijn chansons op teksten van de dichter Louis Aragon zijn zeer de moeite waard, zoals het melodieuze Que serais-je sans toi.

Tenslotte wordt Georges Moustaki besproken, die overigens ook al in Ik droom alleen wat minder aan bod kwam. Het zal een grote favoriet van de auteur zijn. Ik moet zeggen dat ik hem inmiddels nog meer ben gaan waarderen. Een aantal chansons vond ik mooi en kende ik maar met dit boek zijn er weer een aantal bijgekomen. Het is mooi om af en toe in de droomwereld van Moustaki te vertoeven, zoals met zijn lied Je suis un autre of natuurlijk met zijn duet met Barbara, La dame brune.

De conclusie is, over de drie besproken boekjes van Schretlen, dat ondanks dat het geen dikke boeken zijn ze wel bomvol met tips staan voor de liefhebber van het chanson. Ze hebben mij positief verrast.

9400403887.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als je in Frankrijk op vakantie bent, is En Route van Loránt Deutsch een prima boek om te lezen. Het is het vervolg op zijn boek Métronome waarin hij de geschiedenis van Parijs vertelt, maar in dit boek pakt hij heel Frankrijk aan en dat doet hij aan de hand van oude wegen. Handelsroutes, Romeinse heirbanen, pelgrimsroutes en oude Keltische wegen.

In zesentwintig hoofdstukken gaat hij van wegen uit de de zesde eeuw voor Christus naar de twintigste eeuw met zijn rijks- en snelwegen en dat concept werkt prima. Wat helpt is dat in aparte, omkaderde stukken wordt aangegeven wat er nu nog waar terug is te vinden van die oude routes of van wat er zich langs die routes heeft afgespeeld.

Zo is er het verhaal van de route die Herakles nam bij het uitvoeren van twaalf zware klussen. Die voerde hem van de Pyreneeën naar de Alpen. Herakles ondervond wat tegenstand en vader Zeus kwam hem te hulp met een hagelbui van kiezelstenen. Men vernietigt natuurlijk niet ongestraft een stuk vruchtbare grond met een enorme hagelbui en de voorheen vruchtbare velden zijn nu een stenige, woeste steppe geworden. Deutsch geeft in zo’n omkaderd stuk aan waar dit nu te vinden is;

Laten we Herakles langs de Côte d’Azur volgen en een klein stukje voor Marseille stoppen, in Saint-Martin-de-Crau…Sinds Herakles is er niets veranderd! De kiezelstenen liggen er nog steeds. Ze bedekken de steppe en het vergeelde gras heeft flink wat moeite om op deze rotsachtige vlakte te groeien.
Sommige mensen beweren dat Zeus hier niets mee te maken heeft. Deze kiezels zijn meegevoerd door de Durance, die hier een delta vormde en zich rechtstreeks in zee stortte.

Het is maar een voorbeeld. Als ik mijn aantekeningen doorblader zie ik de Galliërs voorbijkomen, de olifanten van Hannibal (wat trouwens maar kleine, nu uitgestorven, olifantjes uit het Atlasgebergte waren), de vuurtoren van Caligula bij het huidige Boulogne-sur-Mer en de Hunnen die ook in Frankrijk hebben huisgehouden. In de achtste eeuw stuiten we op Roelant die slag levert en een eeuw later vallen de Noormannen Frankrijk binnen.

Het boek telt 411 pagina’s en over de geschiedenis van Frankrijk valt onnoemelijk veel te vertellen maar Deutsch houdt het overal zeer leesbaar en aan de hand van de routes die hij utkiest is het allemaal prima te volgen. De lijnen die hij naar het heden trekt geven soms verrassende inzichten, zoals wanneer hij uitlegt waarom er slingerwegen werden aangelegd in het verleden. Die waren soms gewoon minder gevaarlijk;

Die oude angsten zijn nog goed terug te zien in het huidige tracé. Kijk maar eens naar de N20, die na Parijs niets anders is dan de Romeinse weg naar Orléans. Na Étampes maakt de weg ten zuiden van de stad een bocht naar het westen, die vandaag de dag nergens door te rechtvaardigen valt. Dat was bijna duizend jaar geleden anders: op die plek was het verstandig om af te zien van de rechtelijnenlogica.

De Katharen met hun vele burchten langs oude routes spelen natuurlijk een grote rol in het boek en ik ben gefascineerd door het verhaal over de tour de La Lanterne, ofwel ‘de priestertoren’ in het kustplaatsje La Rochelle. Het verhaal gaat dat er in de zestiende eeuw dertien vermoorde priesters vanaf deze vesting aan de haven in het water zijn gegooid. Het was oorspronkelijk een vuurtoren maar het deed later dienst als gevangenis en op de muren vind je honderden tekeningen van Britse zeerovers, Hollandse piraten, Spaanse zeelieden, soldaten en gelovigen die hier hun teksten hebben achtergelaten. Kijkt u hier eens voor wat voorbeelden, het varieert van de zeilschepen waarop men gevaren heeft tot zelfs een locomotief.

Zo is het dus een geschiedenisboek maar kunt u het zeker ook gebruiken als reisgids of informatiebron bij de streken die u bezoekt in Frankrijk, er staan genoeg tips in. Een aanrader lijkt me ook het renaissancekasteel van Chambord, waar de beroemde trap van Leonardo da Vinci te bewonderen is. Een dubbele wenteltrap, met twee elkaar afwisselende trapdelen en een centrale spil, opengewerkt, waardoor de hovelingen elkaar van trap tot trap kunnen zien maar elkaar nooit tegenkomen.

De route die de gevluchte koning Lodewijk VXI nam met zijn vrouw Marie-Antoinette kunt u met dit boek ook nog eens afleggen en langzamerhand komen we in onze tijd aan via de aanleg van de eerste spoorlijn in het departement Loire. Onze tijd, waarin er talloze snelwegen liggen die ook ik heb gebruikt de afgelopen weken, maar waar ik ook veel kleinere routes en paadjes heb belopen in dat grote land bomvol geschiedenis waar ik graag in mag dwalen en over wil lezen.

Vertaling; Martine Woudt

9c4b623238397ad596749417a67444341587343_v5
Lezers van mijn blog hadden al door dat ik mij de laatste tijd wat bezig houd met het Franse chanson. Dat heeft onvermijdelijk tot gevolg dat er even geen besprekingen komen van vuistdikke romans, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik stil zit. Ik lees wel degelijk. Maar ik luister er ook bij. Om precies te zijn, ik heb het integrale oeuvre van chansonnier Georges Brassens beluisterd. Daarbij heb ik het boek De Grote Eik van Gerard Wijnen ernaast gelegd.

De Grote Eik is een dik boek van 420 pagina’s en bevat alle liedteksten van Georges Brassens met een Nederlandse vertaling ernaast van architect Gerard Wijnen (1930-2020). Gedurende 25 jaar heeft Wijnen al het werk van Brassens vertaald en dat heeft hij (naar mijn bescheiden mening) fantastisch gedaan. Helaas is De Grote Eik niet meer in de handel verkrijgbaar en het is ook (nog) niet in mijn bezit, maar op de website gerardwijnen.nl is het boek integraal te raadplegen of als pdf te downloaden.

Waarom wilde ik dit zo graag lezen? Ik had de muziek van Brassens al in huis en kende veel nummers. Ik had enkele teksten ook al eens opgezocht en ik begreep vaak de strekking wel, maar vooral bij Brassens loont het de moeite om de teksten goed te lezen. Ogenschijnlijk zingt hij op steeds identieke wijze; wat afstandelijk, zichzelf begeleidend op gitaar of heel af en toe met een strijkinstrument erbij en dat honderden liedjes lang.

Kijk je echter goed naar de teksten, dan gaat er een wereld open. Brassens schreef heel directe teksten, die vaak niets te raden overlieten en voor de jaren vijftig ging dat aardig tegen de gevestigde orde in. Om maar even zijn chanson Fernande aan te halen, waarin hij laat horen wat al die kerels zoal zongen;

Quand je pense à Fernande,
Je bande, je bande,
Quand j’ pense à Félici’,
Je bande aussi,
Quand j’ pense à Léonore,
Mon Dieu, je bande encore,
Mais quand j’ pense à Lulu,
Là, je ne bande plus.
La bandaison, papa,
Ça n’ se commande pas.

Ik krijg van heel wat wijven
Een stijve, een stijve.
Want als ik denk aan Jaan
Dan gaat ie staan.
En als ik denk aan Jannie,
Geloof me stijver kan niet.
Maar als ik denk aan Nell,
Dan zit-ie ruim in ’t vel.
Want voor mijn toverstaf
Is dan de lol eraf.

U ziet meteen een proeve van de vertaalkunst van Wijnen en hoe hij te werk gaat. De strekking klopt altijd, hij past hier en daar wat namen aan naar het Nederlands, maar volgt de betekenis nauwgezet. Dat is vaak een hele prestatie, zeker als de zinnen heel kort zijn. Plaatsnamen zijn ook vaak in het Nederlands en als Brassens bijvoorbeeld een Franse schrijver noemt lost Wijnen dit zo op in het lied Don Juan;

Gloire au flic qui barrait le passage aux autos
Pour laisser traverser les chats de Léautaud !

Ere zij de klabak die auto’s stil liet staan,
Want zo kreeg Kousbroeks kat in ’t stadsverkeer ruim baan!

Brassens schreef over uiteenlopende personages en maakte er soms hele ballades van. Hoeren, zwervers, dieven, ze krijgen allemaal hun monument, zoals La Messe Au Pendu of de Hoogmis Voor Een Gehangene of het prachtige Stances Á Un Cambrioleur of Strofen Voor Een Inbreker. In het boek Ik droom alleen wat minder stond al dat Brassens het regelmatig over de dood heeft, maar altijd op verhalende en soms ludieke wijze. Het heeft niets afschrikwekkends. Zo schreef hij het prachtige Suplique Pour Être Enterré À La Plage De Sète ofwel Verzoek Om Begraven Te Worden Op Het Strand Van Sète. In Sète, aan de Middelandse Zee, is hij geboren en hij ligt er ook inderdaad begraven;

Mon caveau de famille, hélas ! n’est pas tout neuf.
Vulgairement parlant, il est plein comme un oeuf,
Et, d’ici que quelqu’un n’en sorte,
Il risque de se faire tard en je ne peux
Dire à ces braves gens « Poussez-vous donc un peu ! »
Place aux jeunes en quelque sorte.

’t Familiegraf, helaas, daar kan ik niet meer bij;
Platvloers gezegd: het is er voller dan een ei.
En moet er iemand het loodje leggen,
Komt hij misschien te laat. Ik zie ertegenop
Te zeuren bij die lui: ‘Toe, rot nou toch eens op!’
Geef de jeugd een kans, om zo te zeggen.

Brassens was overtuigd atheïst en de Roomse kliek moet het vaak ontgelden in zijn chansons. Ik zoek even willekeurig op ‘soutane’, het kledingstuk van de geestelijkheid en kom uit bij het chanson La Rose, La Bouteille Et La Poignée De Main of De Roos, De Fles En De Handdruk;

Cette bouteille était tombé’
De la soutane d’un abbé
Sortant de la messe ivre mort.
Une bouteille de vin fin
Millésimé, béni, divin,
Je la recueillis sans remords.

De fles schoof uit de soutane van
Een die laveloos de mis uitkwam…
Wat wil je met zo’n celibaat?
Een fles met heerlijke rode wijn
Van ’n goed jaar, die er best mocht zijn…
Kordaat raapt’ ik haar van de straat…

Zo maar wat voorbeelden van zijn teksten en je kan er avonden mee vullen. Nog even over zijn muziek dan. Ik gaf al aan dat Brassens ogenschijnlijk op steeds dezelfde wijze zijn muziek maakt maar niets is minder waar. Brassens zelf beschouwde zijn muziek als een transportmiddel om zijn teksten op de plaats van bestemming te brengen. Hij vond dat het als filmmuziek beoordeeld mocht worden. Als je goed luistert hoor je talloze loopjes en mooie melodieën en het verveelt mij nooit. Dat geldt inmiddels voor zijn hele oeuvre, dat ik met deze teksten nog vaak zal beluisteren.

cms_visual_1590122.jpg_1619178448000_300x443
Het vervolg op Ik droom alleen wat minder van Ignace Schretlen is dit boek met de titel Voor elk woord een gevoel. Ook dit gaat over chansons maar bevat wat meer informatieve tekst en wat minder liedteksten dan het vorige boek. Het is net als de vorige ook geen dik boek, zo’n 95 pagina’s, maar wees gerust; genoeg te ontdekken.

Hier staat het lied in de samenleving centraal. In het eerste deel van het boek neemt de auteur wat ‘sprongen’ door de Franse geschiedenis vanaf de middeleeuwen tot nu (1980 wordt dan bedoeld) om de ontwikkeling van het chanson toe te lichten.

Vervolgens wordt het repertoire belicht van vijf zangers, te weten Maxime le Forestier, Serge Lama, Yves Simon, Alain Souchon en Yves Duteil. Het derde deel van het boek gaat over de ontwikkeling van het Franstalige lied in Canada. Iets waar ik al helemaal niets van af weet. Ik ben nooit verder gekomen dan het bekende hitje van het vocale duo uit Quebec, Kate & Anna McGarrigle, Complainte Pour Ste-Cathérine.

Die korte geschiedenis in het eerste deel is aardig maar weinig diepgravend. Ik vermaak mij het meest met de liedteksten die als voorbeelden zijn bijgevoegd om zo repertoire te leren kennen. De titel van een hoofdstuk in dit boek luidt Waarom zou je nog zingen? Dan volgt een korte verhandeling over de functie van het lied in de middeleeuwen om een boodschap over te brengen. Maar ik beluister liever het chanson van Leo Ferré met de titel Je chante pour passer le temps. Een opvallende titel voor deze zanger, want als hij iets niet deed was het zingen als tijdverdrijf. Hij stond op de barricades en wilde zijn boodschap verkondigen. Leuk is dan het antwoord van collega-chansonnier Jean Ferrat, die prompt een lied schreef met de titel Je ne chante pas pour passer le temps. In zijn geval waar, want ook hij toonde sociale en maatschappelijke betrokkenheid.

Er is nog een kort hoofdstuk over het chanson, de techniek en de commercie, waarin wij leren dat liedjes kort moesten zijn om op een 78-toerenplaat te passen. Na introductie van de single en elpee bleef dat eigenlijk lang zo, wat je natuurlijk in een lied kan verwerken, zoals François Béranger deed in zijn lied L’Amour Mineral:

Mais qu’ ça fasse pas plus d’trois minutes
A cause des programmes…

Maar het (liedje) moet (vooral) niet langer
dan drie minuten duren
In verband met de (radio-)programma’s…

U heeft zo ook een beeld hoe Schretlen met de liedteksten omgaat. Niet altijd de integrale tekst maar delen uit het lied en met een vrije vertaling die niets om metrum geeft maar wel om toelichting. Het is vaak zeer verhelderend.

Van de vijf besproken chansonniers springen Serge Lama en Yves Duteil er voor mij uit. Van allen heb ik redelijk wat repertoire beluisterd en er zit niets slechts bij, maar ik heb een zwak voor de soms overdreven pathos van Lama en zeker voor de poëzie en woordkunst van Duteil. Die laatste was een zekerheidje, want mijn ouders kochten zijn elpees al en ik ken ze uit mijn hoofd.

Toch deed ik ook over deze zanger nieuwe kennis op, als hij in een interview vertelt over hoe hij componeert;

Ik schrijf mijn teksten altijd vanuit enkele woorden en nooit vanuit een bepaald idee (voor zover die ideeën tenminste losstaan van de woorden). Elke keer, wanneer ik met een bepaald idee voor ogen een liedje wil schrijven, mislukt het…Als ik mijn woorden wil rangschikken naar een bepaald idee, klinkt die tekst niet goed en dat is wel het geval, wanneer zich aan de hand van enkele woorden een bepaald idee ontwikkelt…Dat is misschien het ‘geheim’ van een goed liedje.

Beluister dan eens zijn lied Tisserand (Wever), waarin hij een prachtig verhaal met meerdere lagen vertelt die de auteur dan weer mooi toelicht.

Dan de geschiedenis van het Franstalige lied in Canada. De immigranten daar brachten hun muziek mee en mengden die met andere buitenlandse invloeden als de Duitse accordeon en de Schotse doedelzak. Toen die folklore dreigde te verzanden was er in de dertiger jaren de stormachtige carrière van Mary Travers ofwel ‘Madame Edouard Bolduc’, kortweg ‘La Bolduc’. Zij bracht de volkswijsjes terug en was het eerste idool in Franstalig Canada.

Later kwamen daar drie grootheden bij. Félix Leclerc om te beginnen. Een man met een gitaar, type oude wijze bard met een door de natuur verweerd gezicht. Dan was er Gilles Vigneault. Vurige chansons met een grotere bezetting, waarbij met een orkest vaak een bepaalde spanning wordt opgebouwd. Wel een man uit de natuur, net als Leclerc. De derde is een stadsmens uit Montreal, Robert Charlebois. Hij heeft een heel gevarieerd repertoire met invloeden uit de jazz, blues, disco en ook de klassieke muziek. Bizarre invallen, woordspelletjes en speelse rijmpjes in zijn teksten, maar ook eerlijke verhalen zoals in het prachtige Ordinaire, waarin hij zijn roem mooi relativeert.

Het zijn voor de liefhebber toch beste interessante boekjes die Schretlen heeft geschreven. Er is nog een deel met de titel Alles eindigt met een lied, alleen heb ik die nog niet kunnen vinden. Dat wordt wellicht nog vervolgd. Ik heb aan de delen wel een fascinatie overgehouden voor de zanger Leo Ferré, waarvan ik prachtige muziek heb ontdekt en in wiens oeuvre ik mij eens grondig ga verdiepen.

b841991254ea8c0596968437a77444341587343_v5
Ik droom alleen wat minder van Ignace Schretlen is de titel van een boekje van 80 pagina’s dat gaat over liefde, vriendschap, eenzaamheid, jeugd, ouderdom en dood in het chanson. Geen dikke pil dus en het stamt ook nog eens uit 1978, dus is het dan nog wat? Nou, dat viel mij dus behoorlijk mee, ik ben er maar wat druk mee geweest.

Naast de genoemde thema’s die een eigen hoofdstuk kennen zijn er aparte hoofdstukken voor Jacques Brel en Georges Moustaki en voor de Mei-revolutie van 1968 die van invloed is geweest op verschillende chansons. Verder wordt het voorwoord verzorgd door Leo Janssen, de presentator van ‘’n mondje Frans’, een radioprogramma uit die tijd waarvan Schretlen de samensteller was.

De auteur leidt het boek in waarin hij de keuze voor de thema’s en de twee chansonniers toelicht. Hij geeft aan dat eerder gepubliceerde artikelen en interviews de basis vormen voor het boek. Die staan als langere fragmenten tussen de vele stukken liedtekst in. Die liedteksten zijn vaak fragmenten uit chansons, in het Frans én in het Nederlands weergegeven.

Allereerst Jacques Brel en Georges Moustaki. Zij worden eruit gelicht vanwege hun grote invloed op het chanson. Het is wat surrealistisch om over hen te lezen in de tegenwoordige tijd, want de heren leven nog ten tijde van het schrijven van dit boek. De informatie over Brel voegt weinig toe aan de biografie die ik over hem las, of het moeten de interviewfragmenten zijn, zoals wanneer hem wordt gevraagd of hij het chanson als kunst met een grote K of een kleine K ziet;

‘Het chanson is geen kunst. Het is een heel arm domein omdat je gebonden bent aan allerlei regels. Probeer maar eens in drie strofes en drie refreinen iets neer te zetten over ‘het kind’. Geef mij tien pagina’s en dan zal ik uitleggen hoe ik het ‘kindzijn’ zie. Maar omdat een chanson slechts drie minuten mag duren, moet ik tien pagina’s samenpersen tot één regel of strofe.’

Zijn oplossing is om vaak meerdere chansons over een thema te schrijven, waarin hij naar mijn bescheiden mening wel degelijk kunst met een grote K maakt.

Van Georges Moustaki wist ik niet veel. Hij kwam als kind van Griekse ouders vanuit Egypte naar Parijs. Het was lastig voor hem om aan de bak te komen maar hij kreeg steun van collega’s als Barbara en Serge Reggiani én het feit dat hij het lied Milord voor Edith Piaf componeerde hielp ook.

Over al die thema’s als liefde, eenzaamheid enzovoort is natuurlijk veel te zeggen en te zingen. Schretlen haalt er veel liedteksten bij maar geeft ook aan hoe een thema als liefde zich ontwikkelde in het lied. Waar het in de Middeleeuwen nog om het lichamelijke aspect ging in het lied, sloeg men in de Romantiek door naar de andere kant en werd de platonische liefde juist bezongen. Dat duurde zelfs tot na de Tweede Wereldoorlog, waarna Charles Aznavour met die traditie brak. Hij bracht het realisme terug in de chansons over liefde.

Waar de liefde alom bezongen wordt in het chanson is dat met de vriendschap veel minder het geval. Volgens de auteur gaat 75% van de chansons over liefde en slechts 1% over vriendschap. Toch weet hij wat ongemeen mooie chansons naar voren te brengen, zoals L’Amitié van Herbert Pagani;

Met dit lied besloot de Joodse zanger Herbert Pagani in 1976 zijn optreden in de Bobino in Parijs. Met zijn overredingskracht en een aantal geluidseffecten wist hij zijn jonge publiek laaiend enthousiast te maken.

Het optreden is op Youtube te vinden. Ook wijst de auteur mij op de chansons over vriendschap van Georges Brassens en Georges Moustaki. Les Copains d’Abord van Brassens kende ik, Les Amis De Georges niet en al helemaal niet dat Moustaki in de laatste regel Brassens noemt en Les Copains d’Abord citeert.

Soms wordt er door de auteur wel eens naar een onderwerp toegeschreven, zoals bij het thema eenzaamheid;

Voor artiesten is de eenzaamheid vaak een obsessie. Wanneer het doek is gevallen en het applaus is weggestorven, staan ze alleen.

Vrij cliché, maar vooruit, er volgen weer talloze chansons waar pareltjes bij zitten, zoals La Solitude van Barbara. Ook Leo Ferré bezong de eenzaamheid, maar veel rauwer en realistischer en ook zijn La Solitude is prachtig.

Dan de dood. Daar komen we niet om Georges Brassens en Jacques Brel heen. Er staat een interview in het boek met Brassens waarin hij het over de dood heeft. Bij hem is de dood niet afschrikwekkend, bij Brel juist wel. Huiveringwekkend vond ik het chanson van Serge Lama, Toute Blanche, waarin hij de dood van zijn verloofde bezingt die in 1965 bij een auto-ongeluk om het leven kwam.

Schretlen wijst ons ook op het thema zelfmoord in de chansons. Ook hier een prachtig chanson van Barbara, A Mourir Pour Mourir, of een nog explicieter lied, J’Aimerais Bien Me Suicider van Alice Dona.

Tot slot is er een apart hoodstuk over de Mei-Revolutie van 1968, waarbij een studentenopstand uitmondde in een landelijke staking. Die revolutie inspireerde velen tot een chanson, niet in de laatste plaats de anarchistische zanger Leo Ferré. Hij staat om zijn protestliederen bekend, maar ik was ook onder de indruk van het indringende nummer Paris-Mai van Claude Nougaro.

Geen dik boek dus maar het staat bomvol chansons waarvan velen mij nog onbekend waren, net als een redelijk aantal zangers en zangeressen. Het grappige is dat ik de heren Rob Kemps en Matthijs van Nieuwkerk op oudejaarsavond op televisie zag met een vervolgavond op hun televisieserie Chansons!. Daarin werden zij gewezen op de Nederlander Dick Annegarn, die net als Dave in Frankrijk een succesvolle carrière wist op te bouwen als zanger van het chanson. Annegarn was de heren volstrekt onbekend (en mij ook), maar hij wordt uitgebreid besproken in dit boek, dat blijkbaar niet door de heren Kemps en Van Nieuwkerk is gelezen. Ook het werk van Annegarn is zeer de moeite waard, zoals zijn Maison à Vendre, wat deels in het Nederlands gezongen wordt.

Tot slot de titel van dit boek. Die is ontleend aan een een chanson van Julie Saget, Je Rêve Un Peu Moins. De titel is karakteristiek voor een aantal chansonniers en chansonnières die zich hebben ontwikkeld uit de ‘school’ van Georges Moustaki. Meer bewust van de realiteit en zij dwingen hun publiek tot een actievere opstelling. Moustaki is van een andere wereld, maar net zo interessant wat mij betreft.

De koop van dit boek was een gokje, maar dat pakte prima uit en voor de liefhebbers staan er talloze mooie tips in.  

7103001885e1d63596e6a2b7a51444341587343_v5
In mijn bespreking van Chanson van Bart van Loo gaf ik al aan dat het televisieprogramma Chansons! van Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps mij beviel en nu is er dan het boek, gebaseerd op de serie.

Geen dik boek, 219 pagina’s met veel foto’s en veel van wat er in de serie al te horen was. Commercieel boek, snel scoren? Het zal best, maar het heeft mij een heel leuke avond bezorgd. De ondertitel is ‘Op zoek naar het Franse lied door de straten van Parijs’ en lezers van mijn blog weten dat ik iets heb met Parijs en haar kunstenaars. Het televisieprogramma voorzag daarin maar het boek ook, het geeft wat extra’s.

Er wordt aardig wat achtergrondinformatie gegeven en het doet mij bijvoorbeeld meer beseffen hoe belangrijk Serge Gainsbourg was. Iedereen kent hem van de schandalen, het is makkelijk om hem af te rekenen op het gesprek met Whitney Houston (te vinden op Youtube), maar hij is ook de man van het conceptalbum Histoire de Melody Nelson, gebaseerd op Lolita van Nabokov. Hij schreef het winnende songfestivalliedje ‘Poupée de cire, poupée de son’, maar ook een reggae-versie van het Franse volsklied, de Marseillaise. Dat vonden de militairen niet okay en toen hij het dreigde uit te voeren zong hij het ‘normale’ volkslied a capella, waardoor ze terstond in de houding moesten springen. Maar;

Een jaar later wordt de originele door Rouget de Lisle geschreven partituur op een veiling te koop aangeboden en door Gainsbourg gekocht. Voor een astronomisch bedrag. Toen ze hem achteraf vroegen hoe ver hij bereid was geweest te gaan, antwoordde hij: ‘Ik was bereid me vandaag te ruïneren.’

Dat werd op televisie niet verteld en dat wil ik wel weten. Gainsbourg vond toen dat hij mocht doen wat hij wilde met het volkslied en de reggae-versie werd alsnog uitgevoerd.

Ik vind het mooi dat in het boek de integrale toespraak is opgenomen van president Macron die hij heeft uitgesproken bij het overlijden van Charles Aznavour. Kom daar maar eens om in Nederland, verzucht Van Nieuwkerk en daar steun ik hem van harte in. De kunsten worden in Frankrijk anders beleefd dan in Nederland.

Er staan veel verhalen in die ik niet kende, ook al heb ik de televisie-serie gezien. Gainsbourg die een blauwtje loopt bij Juliete Gréco, toch in de nacht ‘La Javanaise’ voor haar schrijft dat ze tot haar dood ieder concert zal vertolken. Het gaat uiteraard over de tragiek van de zangeres Dalida, die wel uitgebreid op televisie is besproken, maar die hier wat meer diepgang krijgt.

De persoonlijke verhalen van Van Nieuwkerk en Kemps voegen wel wat toe. Het is leuk om te lezen dat Kemps voor een tweede keer langer in Parijs verblijft om zich te verdiepen in de taal en de chansons en zowaar een prijs wint in een soort pub-quiz;

Ik merkte dat ik best veel nummers herkende, zeker de oudere chansons. Dus toen de eerste tonen van ‘Mon homme’ klonken, riep ik vol overtuiging: ‘Mistinguett!’ Daar was men behoorlijk verbaasd over. Een buitenlander en dan nog wel zo’n jonge vent  die dat nummer kende, dat werd zeer gewaardeerd. En zo ontving ik mijn eerste Franse prijs, een snoepje.

Dat snoepje legt hij vervolgens op het graf van Patachou, die het nummer “Mon homme’ groot heeft gemaakt en dat vind ik het sympathieke aan dit boek. Daar spreekt wel een soort van liefde en vooral kennis uit voor het chanson.

Uiteraard gaat het in dit boek over de grote held van Matthijs van Nieuwkerk, Shanour Vaghinag Aznavourian, ofwel Charles Aznavour. Ik vind het prima, ik ben blij dat ik Aznavour nog live heb zien optreden en ik ben ook groot fan. Dat geldt ook voor de held van Rob Kemps, Jacques Brel. Die heb ik niet zien optreden maar ik heb al zijn werk in huis. Dat geldt ook voor Georges Brassens, dat is eigenlijk mijn held (hier een site voor zijn vertaalde teksten) en ook die is goed vertegenwoordigd in dit boek.

De rode draad in dit boek is toch wel het enthousiasme van beide heren over dit project wat ze mogen doen (en waar gelukkig een vervolg op komt). Er zijn app-gesprekken opgenomen met tips die ze elkaar geven, er staan (zeker obligate) lijsten in het boek over favoriete nummers, straten, restaurants enzovoort en zo ga je snel door het boek heen, maar hé, het zorgt er zeker voor dat ik, als liefhebber, dit boek er toch bij ga pakken voor mijn volgende trip naar Parijs. Een voorbeeld van dat enthousiasme is het verhaal van Rob Kemps over wie er allemaal op de begraafplaats Père-Lachaise ligt en waar hij ook rondleidingen gaf. Zoals een Sarah Bernhardt, de beroemde toneelspeelster, die op zich niets met Franse chansons heeft te maken, maar wiens verhaal toch wordt opgenomen, samen met dat van haar tegenspeler en minnaar Lou Tellegen, die de hand aan zichzelf sloeg. Kemps;

Dit is een verhaal waarop je bij zo’n graf natuurlijk behoorlijk kunt leeglopen. Puur Shakespeare….Maar dan zeg ik: ‘Jullie mogen honderd keer raden uit welke plaats Lou Tellegen komt en dan raad je het nog niet, ook niet als je het tweehonderd keer probeert te raden.’…Maar de plaats moet ik altijd zelf verklappen. Lou Tellegen is namelijk geboren in het gehucht Boskant bij Sint-Oedenrode. Gewoon een Brabantse jongen dus.

Net als Rob Kemps en hij heeft met Matthijs van Nieuwkerk toch een aanstekelijk programma en dito boek gemaakt dat mij veel aangename uren heeft bezorgd. En als u wil weten wie Ticky Holgado is? Gewoon even het boek lezen, ik zeg niks.

Overigens is er op Spotify (zoeken op Chansons!) een mooie verzameling te vinden die, bij gemiddeld leestempo, mooi samenvalt met de tekst in het boek.

 

9463887857.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Dirk Velghe is oprichter van een groot mediabedrijf en koestert zijn leven lang al een passie voor Parijs. Nu weet ik onderhand dat er over die stad boekenkasten vol geschreven zijn, dus wat kan het net uitgebrachte De ziel van Parijs daar nog aan toevoegen? Wat mij betreft best veel, ik vond het een schot in de roos.

Het is een dik boek van 500 pagina’s en Velghe heeft een groot aantal verhalen bij elkaar gebracht over mensen, plekken en gebeurtenissen die zich in Parijs afspelen. Hij bouwt het boek op in hoofdstukken die zich afspelen op de Rechterover West en Oost, de Linkeroever West en Oost en Monceau en Batignolles. Door de plattegronden in het boek kan je ook routes uitstippelen door Parijs om de verhalen na te lopen. Ik deed dat om te beginnen met Google Streetview en dat was al een hele mooie start. Door die geografische indeling is er geen chronologie qua geschiedenis in de verhalen maar dat leest wel prettig, je wordt steeds verrast door een heel nieuw verhaal. Voor in het boek staat wel een tijdlijn over de periode van de Franse Revolutie tot en met het presidentschap van Emmanuel Macron.

Waar het boek van Hussey een beetje tegenviel op het gebied van het onbekende en duistere Parijs voldoet dit boek daar veel beter aan, hoewel het zich daar niet per se op voorstaat. Ieder hoofdstuk wordt ingeleid door een kort verhaal dat vaak pakkend geschreven is, zoals de geschiedenis van Coco Chanel, haar beroemde parfum en haar investeerders, de broers Wertheimer;

Roos, sandelhout en jasmijn zijn de toonaangevende aroma’s van het iconische parfum Chanel N0 5. Maar in het succesvolste flesje ter wereld zitten ook minder florissante toetsen zoals afgunst, hebzucht en een vleug collaboratie.

Het aantrekkelijke van dit boek is de vaak verrassende insteek van de verhalen. Niet de bouw van de Eiffeltoren, maar een verhaal over de man die de Eiffeltoren verkocht aan een schroothandelaar. Niet de belegering van Parijs door Pruisen, maar welke dieren uit de dierentuin er op het menu van de rijken stonden en hoe ballonvaarders hulp zochten en afdreven tot in Nederland en Noorwegen.

De Eerste en Tweede Wereldoorlog spelen uiteraard een rol, maar het gaat om persoonlijke verhalen. Over de Joodse gevechtsvlieger Nissim de Camondo, gestorven voor Frankrijk. Over Rose Valland, die talloze door de Duitse geroofde kunstschatten terugbracht naar Frankrijk. Ook is er een uitgebreid verhaal over operatie Lentebries, over de decimering van de Joodse bevolking in Parijs.

Andere verhalen zijn die over de Grandes Horizontales. Dames die relaties aangingen met welgestelde heren en vaak rücksichtlos fortuinen vergaarden. Willem Frederik Hermans schreef al over Cléo de Merode en Liane de Pougy en ik las van de laatste haar dagboeken. Het gaat over de mecenas van de impressionisten Paul Durand-Ruel en over het laatste duel dat in 1967 door twee politici werd uitgevochten. Het gaat over Sylvia Beach, de grondlegster van de beroemde boekhandel Shakespeare and Company in Parijs, over de nulmeridiaan voordat die van Greenwich belangrijker werd en over de moord op de socialistische voorman Jean Jaurès.

Misdaad en geweld komen vaak voor in het boek maar leveren mooie verhalen op. Wat te denken van de beroepscrimineel François Vidocq die het schopt tot politiechef? Of van de gifmengster Marie-Madeleine die niet kan wachten op de erfenis en haar vader snel naar een andere wereld helpt. Wat overigens weinig hielp omdat het grootste deel naar haar broers en zussen ging:

Niet getreurd, denkt ze, “je les ferai prendre un bon bouillon!”. Eerst komt Antoine aan de beurt. Hij sterft in maart 1670 aan hevige pijnen en laat zijn hebben en houden na aan zijn weduwe. Die komt ook op het giflijstje.

Wellicht merkt u dat de schrijfstijl van Velghe redelijk ongedwongen is, soms doorspekt met (niet altijd vertaalde) Franse zinnen, maar dat leest prima door.

Nog een kleine greep uit de verhalen dan, want het zijn er veel en het zijn geen lange hoofdstukken. Het gaat over de bouw van het Vrijheidsbeeld voor het Amerikaanse volk, over de plannen van Hausmann voor de straten van Parijs, maar ook over de schaduwstraten onder de grond inclusief naambordjes en opgestapelde beenderen van geruimde kerkhoven. Het gaat over de vermeende hyena van de Gestapo, Violetta Morris. Een groot sportvrouw, zij kleedt en gedraagt zich als een man en wordt meedogenloos vermoord door het verzet, waarbij ook twee kinderen omkwamen. Het gaat over de onwaarschijnlijke loopbaan van François Mittterand, over de bomaanslagen van de anarchisten en over de eerste overval met een auto door de bende van Jules Bonnot. Prachtig is het verhaal over de fotograaf Bassaï die het verborgen Parijs fotografeert. Ik ben bang dat ik alweer een fotoboek heb besteld…Interessant is het verhaal over de beuls-dynastiën in Parijs. De familie Sanson werd geholpen door de nieuwe uitvinding van de arts Joseph-Ignace Guillotin;

“Het mest suist, het hoofd valt, het bloed gutst. Met mijn machine haal ik in een oogwenk uw hoofden eraf en het enige wat u voelt, is een lichte frisheid in de nek.”

Omdat er per hoofd betaald wordt en er nog andere voordelen (wees gerust, ook genoeg nadelen) aan dit ambacht vastzitten, kunnen ze er lange tijd goed van rondkomen.

Een kleine slordigheid is dat van één hoofdstuk het hele notenapparaat ontbreekt en in een ander geval nog twee noten. Jammer, want die voegen in veel gevallen iets toe met achtergrondinformatie. Verder is dit boek een must voor iedere Parijs-liefhebber, het is niet anders.

De schrijver en historicus Andrew Hussey belooft ons in Parijs, de verborgen geschiedenis het onbekende en duistere Parijs te laten zien. Hij wil het verhaal van Parijs vertellen vanuit het oogpunt van de ‘gevaarlijke klassen’. Dat is een term die Franse historici gebruiken ter aanduiding van de subversieve elementen in een stad, zoals daar zijn opstandelingen, vagebonden, immigranten, seksuele randfiguren en criminelen.

Daar is hij wat mij betreft niet helemaal in geslaagd, of ik had er gewoon een andere voorstelling bij. Dat ga ik zo toelichten. Hussey geeft aan dat het boek geen definitieve geschiedenis is van de stad Parijs, maar we beginnen wel een tijd terug. In de prehistorie om precies te zijn. Vervolgens gaan we toch met zevenmijlslaarzen de tijd door, want van recentere geschiedenis is meer overgeleverd en kan je meer vertellen. Toch is het tot die tijd wat mij betreft vooral de geschiedenis van Parijs. Soms komt er dan even iets tevoorschijn waarvan ik hoopte dat ik het vaker zou lezen, zoals wanneer het over de Tempeliers gaat, de ridderorde als hoeders van geheime kennis;

Er zijn tegenwoordig in Parijs tal van mensen die dit nog steeds geloven. De Parijse ontmoetingsplaats van deze groepen is vandaag de dag Bar-Tabac des Tempeliers op Rue de Rivoli 35, een gore tent waar je overdag op paarden kunt wedden.

Geschiedenis naar het heden gehaald en obscure groepen die zich daar nog mee bezig houden. Maar dat las ik te weinig in dit boek. Een geschiedenis van Parijs is volgens mij onlosmakelijk verbonden met opstandelingen, vagebonden en criminelen, alleen het toneel verschilt door de eeuwen heen. Dat onbekende en duistere viel voor mij dus wat weg, maar dat neemt niet weg dat ik het boek met plezier gelezen heb. Zoals over het Middeleeuwse Parijs waar Victor Hugo zo mooi over heeft geschreven. Vagebonden genoeg daar. Bedelaars, die overdag hun geld bij elkaar haalden en ’s avonds te vinden waren op de Cours des Miracles. Daar genazen ze op wonderbaarlijke wijze van al hun kwalen. De beruchtste cour, bij de huidige Place du Caire, dateerde uit de dertiende eeuw en was alleen te bereiken via een wirwar van steegjes. De zeventiende-eeuwse historicus Henri de Sauval durfde het aan met een gids;

Onderweg erheen moet je smerige straatjes door die alle kanten op draaien en kronkelen, om op de binnenhof te komen moet je een erg lange en oneffen helling af lopen. Ik zag er een half afgebrande woning van leem, ontzettend oud en vervallen, van niet meer dan vijftig vierkante meter, maar waarin vijftig vrouwen huisden die een ontelbaar aantal naakte en half geklede kinderen onder hun hoede hadden.

Een geschiedenisboek dus maar ook met talloze weetjes. ‘Chauvinisme’ komt van Nicolas Chauvin, een napoleontische ex-soldaat en felle patriot. Dat soort dingen moet ik weten vind ik. Een ander pluspunt van dit boek is dat vaak wordt verwezen naar de huidige locatie van een gebeurtenis. Achter in de index staan ook alle straatnamen die zijn beschreven dus je zou er zelfs mee door Parijs kunnen lopen, hoewel het wel slepen is met een kleine 500 pagina’s.

Hussey woont al jaren in Parijs en ik had gehoopt wat meer eigen ervaringen te lezen in dit boek, zoals wanneer hij het over de klassenstrijd heeft en de kloof tussen de arbeidersklasse in het oosten van de stad en de bourgeoisstand in de beaux quartiers in het westen. Hij merkt dat die kloof er nog steeds is;

Ik heb korte tijd in Ménilmontant gewoond, en wanneer ik me, maar al te vaak met een kater, naar de metro haastte…viel mijn oog regelmatig op de alcoholist van het quartier, die om 6.48 uur in de ochtend met een fatterige nonchalance zijn plastic literfles rouge aan zijn mond zette, en wiens woeste baard en agressieve blik recht uit de bladzijden van Le Père Peinard hadden kunnen komen, een bloeddorstig anarchistisch propagandablaadje uit de jaren 1880. Het quartier was van hem, niet van mij.

Als we bij de vorige eeuw aankomen gaat het ook over de massale immigratiegolf na de Eerste Wereldoorlog. Daar had ik nooit zo bij stilgestaan, maar die zorgde toen al voor een wezenlijke demografische verschuiving in de samenstelling van de Parijse bevolking. Dat is uiteraard niet minder geworden en waar Parijs in wezen een Middeleeuwse kern (niet het uiterlijk) heeft behouden, begrensd door de rondweg, barst het daarbuiten in de banlieues uit haar voegen. Daar woont het gros van de métèques, een algemene benaming voor in Frankrijk levende ‘vreemdelingen’ (en waar Georges Moustaki zo’n mooi nummer over schreef).

Hussey schreef dit boek al in 2007, maar deze druk is aangevuld met een nawoord over de aanslagen in Parijs in 2015. Zeker een leuk boek om te lezen maar wat minder onbekend en duister dan ik verwachtte.

Vertaling: Jan Braks

Dit gaat helemaal de verkeerde kant op. Parijs retour van Bart van Loo wordt omschreven als een literaire reisgids voor Frankrijk. Eigenlijk dacht ik hier probleemloos doorheen te kunnen lezen omdat ik niet zo geweldig thuis ben in de Franse literatuur, dus hele stukken zouden vast langs mij heen glijden.

Zo werkt dat dus niet en dat is vast de bedoeling van het boek. Mijn verlanglijst is in no-time uitgegroeid tot onbeheersbare grootte. Maar goed, hoe komt dat zo? Ik heb in een grijs verleden Les Misérables gelezen van Victor Hugo. Het complete verhaal, in het Engels, want helaas is er geen goede Nederlandse integrale vertaling. Van George Sand heb ik Mauprat gelezen, van Flaubert Madame Bovary en van Emile Zola Het Meesterwerk, een deel uit zijn Rougon-Macquart cyclus. Verder staat De graaf van Monte Christo van Alexandre Dumas mij al een tijd aan te kijken vanuit de boekenkast wanneer het zijn beurt is, maar daar houdt het qua Franse literatuur wel zo’n beetje mee op. Toen las ik dit boek…

Hierin neemt Bart van Loo ons mee langs de levens en het werk van een aantal auteurs. Dat zijn Victor Hugo, Alexandre Dumas père, George Sand, Honoré de Balzac, Emile Zola, Alphonse Daudet, Guy de Maupassant en Gustave Flaubert. Hij doet dat door daadwerkelijk door Frankrijk te reizen, op zoek naar geboortehuizen en woonplaatsen van de auteurs, maar ook om de plaatsen te zien die worden beschreven in hun werk. Waar haalden ze hun inspiratie vandaan en is daar nog iets van terug te vinden? Dat levert een uiterst leesbaar boek op met talloze tips.

Waar ik aanvankelijk bang voor was, dat je al enige kennis van de Franse literatuur dient te hebben om van dit boek te genieten, valt reuze mee. Van Loo vertelt over de auteurs zelf, haalt delen aan uit hun werk en gebruikt zijn eigen waarnemingen om ons te informeren, zoals bij Les Misérables in Parijs;

Op zoek naar de beschrijving van het einde van Gavroche, de beroemde straatjongen in de roman…Eindelijk heb ik het gevonden. De pakkende bladzijden waarop Hugo beschrijft hoe Gavroche wordt doodgeschoten…De plek zelf heb ik ook gevonden. Vele straten zijn ondertussen verdwenen, maar enig onderzoek leert me dat Hugo de schermutselingen van 1832 hier situeert. Heilige grond.

Hij is dan nabij het Centre Pompidou en de place Stravinsky. Zo wisselt hij autobiografische gegevens en informatie over het oeuvre van een schrijver af met zijn reisbeschrijvingen en dat werkt heel goed.

Onvermijdelijk komen veel schrijvers in Parijs terecht en daarom heet het boek ook Parijs retour. Uiteraard zijn ze er niet allemaal geboren of hebben ze er altijd gewoond, dus Van Loo reist ook af naar het zuiden voor Alphonse Daudet bijvoorbeeld, een man uit de Provence. Van hem wist ik zo goed als niets en nu ben ik benieuwd naar zijn Brieven uit mijn molen. Ik had wel gehoord van Guy de Maupassant als meester van het kortere verhaal, maar na het lezen van dit boek kan je de hele reeks wel op je wensenlijst zetten. Dat geldt ook voor de cyclus van Emile Zola, waarvan Het Meesterwerk mij zeer goed is bevallen. Laat nu de hele twintigdelige Rougon-Macquart cyclus opnieuw uitgegeven gaan worden. Zo blijf je dus bezig.

Dat geldt ook voor het werk van Honoré de Balzac. Een buitenbeentje in het literaire milieu van Parijs met een duizelingwekkend schrijfregime. Hij schrijft op 30 oktober 1846;

Gisteren heb ik 19 uur geschreven, nu moeten het er 20 of 22 worden.

Hij redt dat op zwarte koffie en een nijvere rekenaar heeft ooit berekend dat hij ongeveer 50.000 gitzwarte koffies naar binnen gewerkt moet hebben. Dit soort details en anekdotes houden het verhaal ook erg levendig. Ik ken het werk van Balzac niet maar Van Loo heeft mij enthousiast gemaakt voor Verloren illusies, de novelle Kolonel Chabert en het fantasieverhaal De huid van chagrijn. Waar ik de tijd voor dit alles vandaan moet halen staat natuurlijk nergens bij.

Het oeuvre van Flaubert is beter te overzien. Hij was niet zozeer veelschrijver alswel fijnschrijver. Hij kon wakker liggen van een zin die niet liep of eindeloos schrappen en weer opnieuw beginnen. Dat viel hem niet altijd makkelijk;

‘De kunst bezorgt me soms aanvallen van wanhoop om van te schreeuwen, en een dodelijke vermoeidheid, en dan voel ik mij uitgeput alsof ik een gebergte op mijn rug tors. Ik crepeer nog wel eens tussen twee volzinnen.’

Maar het levert dan wel weer prachtige literatuur op. Zo heeft Van Loo met dit boek dus heel wat enthousiasme teweeg gebracht waarvan wij maar weer moeten zien hoe we hier mee omgaan. Een prima reisgids dus maar u bent gewaarschuwd.

Ik zit de laatste tijd wat met mijn hoofd in Frankrijk. Door de boeken die ik lees, maar ook door het televisieprogramma Chansons! Waarin Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps in Parijs op zoek gaan naar het Franse lied. Dat bevalt mij allemaal prima dus daarom was het hoog tijd voor het boek Chanson van Bart van Loo.

Hierin vertelt Van Loo de geschiedenis van Frankrijk aan de hand van bekende en minder bekende Franse liedjes. Daarmee is het dus geen geschiedenisboek, hoewel achterin het boek keurig een korte chronologie van de Franse geschiedenis is opgenomen. Het is, en vandaar de titel, een boek over het Franse chanson met de geschiedenis als kapstok.

Om meteen mijn enige punt van kritiek te uiten; ik weet niet of die kapstok nu zo nodig was. Af en toe bekruipt mij het gevoel dat de geschiedenis bij de liedjes is gezocht. Andersom levert de geschiedenis, waarover toevallig een liedje is geschreven niet per se de beste nummers op. Zo heeft Karel de Grote een grote rol in de geschiedenis en zingt France Gall een liedje over hem, ‘Sacré Charlemagne’, maar er zijn boeiender nummers van haar waar over te schrijven valt.

Van Loo had dus ook ‘De geschiedenis van het chanson’ kunnen kiezen als titel, waar je gerust wat Franse geschiedenis doorheen kan weven, maar dat misschien meer ruimte had gelaten aan de verhalen rondom de liedjes en de componisten. Het blijkt uit dit boek dat er onnoemelijk veel te vertellen is.

Daar houdt de kritiek dan ook op, want er valt veel te genieten. Allereerst zijn er de nieuwsgierig makende inleidingen boven ieder hoofdstuk;

Van constipatie tot guillotine
Of hoe de fistel van Lodewijk XIV mee aan de wieg staat van het Britse volkslied, de constipatie van Lodewijk XV doorwerkt tot in het chanson van de twintigste eeuw, maar ook hoe Serge Gainsbourg voor een uitgespuwde reggaeversie van de Marseillaise tekent en Claude François het merkwaardigste discobal uit de geschiedenis opent. Met belangrijke rollen voor Gilbert Bécaud, Bourvil, Julien Clerc, Rouget de Lisle, Jacques Dutronc, Jean-Baptiste Lully, Michel Sardou, Mireille Mathieu en Franky Vincent. Ook opvallende verschijningen van The Beatles, Catherine Deneuve, Django Reinhardt en Yannick Noah.

Zoiets maakt mij onbedaarlijk nieuwsgierig en zo gaat het met ieder hoofdstuk. Bekende en minder bekende namen en Youtube en Spotify draaien overuren hier. Ik laat de geschiedenis in deze bespreking een beetje voor wat het is, maar sta stil bij de muziek. De streek die Gainsbourg uithaalt met France Gall door haar over Les sucettes, ofwel anijslollies, te laten zingen. Nauwelijks voorstelbaar, maar de dubbele bodem ontgaat Gall volledig. De muzikale strijd van Michel Sardou en Julien Clerc die liedjes schrijven voor (Je suis pour) en tegen (L’assassin assassiné) de doodstraf.

Van Loo schrijft over het onwaarschijnlijke verhaal van de populaire Claude François. Een van de populairste zangers van Frankrijk, een slimme en rijke zakenman bovendien en tragisch omgekomen door elektrocutie, terwijl men in een liveshow op televisie op hem wachtte. Daar kwam het bericht van zijn overlijden, het is terug te vinden op Youtube. Zijn video’s ook en hij mag toen populair geweest zijn; zo’n nummer als Alexandrie, Alexandra, ik trek dat maar slecht. Maar wie ben ik, kijk naar de commentaren; geen slecht woord over te vinden. Frankrijk kent de nummers van buiten.

Natuurlijk komen er veel liedjes voorbij die wel over geschiedenis gaan en er zitten soms juweeltjes bij. Le temps des cerises is een lied van de Commune, de opstandelingen in Parijs die allemaal werden vermoord. Juliette Gréco besloot haar optredens met dit lied en Van Loo verrast door ons te wijzen op een andere prachtige uitvoering door…Bobbejaan Schoepen. Je verwacht het niet, maar hij is zeer de moeite waard.

Ook de moeite waard is de oudere garde, zoals Maurice Chevalier. Zoek Prosper van hem maar eens op en je loopt de hele dag met Yop la boum in je hoofd. Fréhel, de zangeres die een piepjonge Gainsbourg meeneemt naar het café en Patachou, die een bloednerveuze jonge Georges Brassens zelfvertrouwen geeft. Toch stopt ze zijn eerste optreden even;

Patachou kucht. ‘Ik laat u stoppen omdat u sterft van de plankenkoorts en ik u moed wil geven. Dit is een zeer goed nummer. Als het even goed eindigt als het begint, zing ik het vanaf morgen. Begin opnieuw en wees niet bang. Over een half jaar zult u bekender zijn dan ik.’

Ik kende Brassens al wel maar heb talloze liedjes van hem weer beluisterd. Tip van mij; pak echt zijn teksten erbij en zet het niet zomaar op. Die teksten, en dat geldt voor heel veel chansons, zijn erg belangrijk. Brassens wordt wel de tedere anarchist genoemd. Geen zin om op te staan bij het volkslied, verheerlijking van dieven, hoertjes en zwervers of hij komt met een aanklacht tegen het kaalscheren van dames wegens horizontale collaboratie in La tondue. Hij schildert zichzelf af als ‘de deugniet van het lied’ in Le pornographe, wat weer komt door zijn lied Le gorille, waarin een ontsnapte en hitsige gorilla zich afvraagt of hij het met een oude dame of een rechter moet doen.

Ook bij Jacques Brel zijn de teksten heel belangrijk. Ik had al veel beluisterd van hem na het lezen van zijn biografie, maar Orly, Jojo en Vesoul waren weggezakt en moet je af en toe tot je nemen. Wat een muziek.

Het boek is dus een mix van geschiedenis en muziek maar met de nadruk op de muziek. U leert waar die rare zin vandaan komt in dat sensuele nummer van Gainsbourg en Birkin, Je t’aime…moi non plus, dus ‘ik hou van je…ik ook niet’. U moet echt even lezen hoe Christophe aan zijn hitsingle Aline kwam (‘et j’ai crié! Crié!), u kunt opzoeken hoe de geëngageerde en vroeggestorven zanger Daniel Balavoine helemaal leegloopt tegen president Mitterand (het staat ook op Youtube) en zoek het surrealistische nummer eens op over stripalbums van Serge Gainsbourg en Brigitte Bardot, Comic strip, waarin Bardot vol overgave haar onomatopeeën vertolkt als: Clip! Crap! Bang! Vlop! Shebam! Pow! Blop! Wizz!. Ik ben echt nog lang niet klaar met dit boek.