archiveren

Frankrijk

7103001885e1d63596e6a2b7a51444341587343_v5
In mijn bespreking van Chanson van Bart van Loo gaf ik al aan dat het televisieprogramma Chansons! van Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps mij beviel en nu is er dan het boek, gebaseerd op de serie.

Geen dik boek, 219 pagina’s met veel foto’s en veel van wat er in de serie al te horen was. Commercieel boek, snel scoren? Het zal best, maar het heeft mij een heel leuke avond bezorgd. De ondertitel is ‘Op zoek naar het Franse lied door de straten van Parijs’ en lezers van mijn blog weten dat ik iets heb met Parijs en haar kunstenaars. Het televisieprogramma voorzag daarin maar het boek ook, het geeft wat extra’s.

Er wordt aardig wat achtergrondinformatie gegeven en het doet mij bijvoorbeeld meer beseffen hoe belangrijk Serge Gainsbourg was. Iedereen kent hem van de schandalen, het is makkelijk om hem af te rekenen op het gesprek met Whitney Houston (te vinden op Youtube), maar hij is ook de man van het conceptalbum Histoire de Melody Nelson, gebaseerd op Lolita van Nabokov. Hij schreef het winnende songfestivalliedje ‘Poupée de cire, poupée de son’, maar ook een reggae-versie van het Franse volsklied, de Marseillaise. Dat vonden de militairen niet okay en toen hij het dreigde uit te voeren zong hij het ‘normale’ volkslied a capella, waardoor ze terstond in de houding moesten springen. Maar;

Een jaar later wordt de originele door Rouget de Lisle geschreven partituur op een veiling te koop aangeboden en door Gainsbourg gekocht. Voor een astronomisch bedrag. Toen ze hem achteraf vroegen hoe ver hij bereid was geweest te gaan, antwoordde hij: ‘Ik was bereid me vandaag te ruïneren.’

Dat werd op televisie niet verteld en dat wil ik wel weten. Gainsbourg vond toen dat hij mocht doen wat hij wilde met het volkslied en de reggae-versie werd alsnog uitgevoerd.

Ik vind het mooi dat in het boek de integrale toespraak is opgenomen van president Macron die hij heeft uitgesproken bij het overlijden van Charles Aznavour. Kom daar maar eens om in Nederland, verzucht Van Nieuwkerk en daar steun ik hem van harte in. De kunsten worden in Frankrijk anders beleefd dan in Nederland.

Er staan veel verhalen in die ik niet kende, ook al heb ik de televisie-serie gezien. Gainsbourg die een blauwtje loopt bij Juliete Gréco, toch in de nacht ‘La Javanaise’ voor haar schrijft dat ze tot haar dood ieder concert zal vertolken. Het gaat uiteraard over de tragiek van de zangeres Dalida, die wel uitgebreid op televisie is besproken, maar die hier wat meer diepgang krijgt.

De persoonlijke verhalen van Van Nieuwkerk en Kemps voegen wel wat toe. Het is leuk om te lezen dat Kemps voor een tweede keer langer in Parijs verblijft om zich te verdiepen in de taal en de chansons en zowaar een prijs wint in een soort pub-quiz;

Ik merkte dat ik best veel nummers herkende, zeker de oudere chansons. Dus toen de eerste tonen van ‘Mon homme’ klonken, riep ik vol overtuiging: ‘Mistinguett!’ Daar was men behoorlijk verbaasd over. Een buitenlander en dan nog wel zo’n jonge vent  die dat nummer kende, dat werd zeer gewaardeerd. En zo ontving ik mijn eerste Franse prijs, een snoepje.

Dat snoepje legt hij vervolgens op het graf van Patachou, die het nummer “Mon homme’ groot heeft gemaakt en dat vind ik het sympathieke aan dit boek. Daar spreekt wel een soort van liefde en vooral kennis uit voor het chanson.

Uiteraard gaat het in dit boek over de grote held van Matthijs van Nieuwkerk, Shanour Vaghinag Aznavourian, ofwel Charles Aznavour. Ik vind het prima, ik ben blij dat ik Aznavour nog live heb zien optreden en ik ben ook groot fan. Dat geldt ook voor de held van Rob Kemps, Jacques Brel. Die heb ik niet zien optreden maar ik heb al zijn werk in huis. Dat geldt ook voor George Brassens, dat is eigenlijk mijn held (hier een site voor zijn vertaalde teksten) en ook die is goed vertegenwoordigd in dit boek.

De rode draad in dit boek is toch wel het enthousiasme van beide heren over dit project wat ze mogen doen (en waar gelukkig een vervolg op komt). Er zijn app-gesprekken opgenomen met tips die ze elkaar geven, er staan (zeker obligate) lijsten in het boek over favoriete nummers, straten, restaurants enzovoort en zo ga je snel door het boek heen, maar hé, het zorgt er zeker voor dat ik, als liefhebber, dit boek er toch bij ga pakken voor mijn volgende trip naar Parijs. Een voorbeeld van dat enthousiasme is het verhaal van Rob Kemps over wie er allemaal op de begraafplaats Père-Lachaise ligt en waar hij ook rondleidingen gaf. Zoals een Sarah Bernhardt, de beroemde toneelspeelster, die op zich niets met Franse chansons heeft te maken, maar wiens verhaal toch wordt opgenomen, samen met dat van haar tegenspeler en minnaar Lou Tellegen, die de hand aan zichzelf sloeg. Kemps;

Dit is een verhaal waarop je bij zo’n graf natuurlijk behoorlijk kunt leeglopen. Puur Shakespeare….Maar dan zeg ik: ‘Jullie mogen honderd keer raden uit welke plaats Lou Tellegen komt en dan raad je het nog niet, ook niet als je het tweehonderd keer probeert te raden.’…Maar de plaats moet ik altijd zelf verklappen. Lou Tellegen is namelijk geboren in het gehucht Boskant bij Sint-Oedenrode. Gewoon een Brabantse jongen dus.

Net als Rob Kemps en hij heeft met Matthijs van Nieuwkerk toch een aanstekelijk programma en dito boek gemaakt dat mij veel aangename uren heeft bezorgd. En als u wil weten wie Ticky Holgado is? Gewoon even het boek lezen, ik zeg niks.

Overigens is er op Spotify (zoeken op Chansons!) een mooie verzameling te vinden die, bij gemiddeld leestempo, mooi samenvalt met de tekst in het boek.

 

9463887857.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Dirk Velghe is oprichter van een groot mediabedrijf en koestert zijn leven lang al een passie voor Parijs. Nu weet ik onderhand dat er over die stad boekenkasten vol geschreven zijn, dus wat kan het net uitgebrachte De ziel van Parijs daar nog aan toevoegen? Wat mij betreft best veel, ik vond het een schot in de roos.

Het is een dik boek van 500 pagina’s en Velghe heeft een groot aantal verhalen bij elkaar gebracht over mensen, plekken en gebeurtenissen die zich in Parijs afspelen. Hij bouwt het boek op in hoofdstukken die zich afspelen op de Rechterover West en Oost, de Linkeroever West en Oost en Monceau en Batignolles. Door de plattegronden in het boek kan je ook routes uitstippelen door Parijs om de verhalen na te lopen. Ik deed dat om te beginnen met Google Streetview en dat was al een hele mooie start. Door die geografische indeling is er geen chronologie qua geschiedenis in de verhalen maar dat leest wel prettig, je wordt steeds verrast door een heel nieuw verhaal. Voor in het boek staat wel een tijdlijn over de periode van de Franse Revolutie tot en met het presidentschap van Emmanuel Macron.

Waar het boek van Hussey een beetje tegenviel op het gebied van het onbekende en duistere Parijs voldoet dit boek daar veel beter aan, hoewel het zich daar niet per se op voorstaat. Ieder hoofdstuk wordt ingeleid door een kort verhaal dat vaak pakkend geschreven is, zoals de geschiedenis van Coco Chanel, haar beroemde parfum en haar investeerders, de broers Wertheimer;

Roos, sandelhout en jasmijn zijn de toonaangevende aroma’s van het iconische parfum Chanel N0 5. Maar in het succesvolste flesje ter wereld zitten ook minder florissante toetsen zoals afgunst, hebzucht en een vleug collaboratie.

Het aantrekkelijke van dit boek is de vaak verrassende insteek van de verhalen. Niet de bouw van de Eiffeltoren, maar een verhaal over de man die de Eiffeltoren verkocht aan een schroothandelaar. Niet de belegering van Parijs door Pruisen, maar welke dieren uit de dierentuin er op het menu van de rijken stonden en hoe ballonvaarders hulp zochten en afdreven tot in Nederland en Noorwegen.

De Eerste en Tweede Wereldoorlog spelen uiteraard een rol, maar het gaat om persoonlijke verhalen. Over de Joodse gevechtsvlieger Nissim de Camondo, gestorven voor Frankrijk. Over Rose Valland, die talloze door de Duitse geroofde kunstschatten terugbracht naar Frankrijk. Ook is er een uitgebreid verhaal over operatie Lentebries, over de decimering van de Joodse bevolking in Parijs.

Andere verhalen zijn die over de Grandes Horizontales. Dames die relaties aangingen met welgestelde heren en vaak rücksichtlos fortuinen vergaarden. Willem Frederik Hermans schreef al over Cléo de Merode en Liane de Pougy en ik las van de laatste haar dagboeken. Het gaat over de mecenas van de impressionisten Paul Durand-Ruel en over het laatste duel dat in 1967 door twee politici werd uitgevochten. Het gaat over Sylvia Beach, de grondlegster van de beroemde boekhandel Shakespeare and Company in Parijs, over de nulmeridiaan voordat die van Greenwich belangrijker werd en over de moord op de socialistische voorman Jean Jaurès.

Misdaad en geweld komen vaak voor in het boek maar leveren mooie verhalen op. Wat te denken van de beroepscrimineel François Vidocq die het schopt tot politiechef? Of van de gifmengster Marie-Madeleine die niet kan wachten op de erfenis en haar vader snel naar een andere wereld helpt. Wat overigens weinig hielp omdat het grootste deel naar haar broers en zussen ging:

Niet getreurd, denkt ze, “je les ferai prendre un bon bouillon!”. Eerst komt Antoine aan de beurt. Hij sterft in maart 1670 aan hevige pijnen en laat zijn hebben en houden na aan zijn weduwe. Die komt ook op het giflijstje.

Wellicht merkt u dat de schrijfstijl van Velghe redelijk ongedwongen is, soms doorspekt met (niet altijd vertaalde) Franse zinnen, maar dat leest prima door.

Nog een kleine greep uit de verhalen dan, want het zijn er veel en het zijn geen lange hoofdstukken. Het gaat over de bouw van het Vrijheidsbeeld voor het Amerikaanse volk, over de plannen van Hausmann voor de straten van Parijs, maar ook over de schaduwstraten onder de grond inclusief naambordjes en opgestapelde beenderen van geruimde kerkhoven. Het gaat over de vermeende hyena van de Gestapo, Violetta Morris. Een groot sportvrouw, zij kleedt en gedraagt zich als een man en wordt meedogenloos vermoord door het verzet, waarbij ook twee kinderen omkwamen. Het gaat over de onwaarschijnlijke loopbaan van François Mittterand, over de bomaanslagen van de anarchisten en over de eerste overval met een auto door de bende van Jules Bonnot. Prachtig is het verhaal over de fotograaf Bassaï die het verborgen Parijs fotografeert. Ik ben bang dat ik alweer een fotoboek heb besteld…Interessant is het verhaal over de beuls-dynastiën in Parijs. De familie Sanson werd geholpen door de nieuwe uitvinding van de arts Joseph-Ignace Guillotin;

“Het mest suist, het hoofd valt, het bloed gutst. Met mijn machine haal ik in een oogwenk uw hoofden eraf en het enige wat u voelt, is een lichte frisheid in de nek.”

Omdat er per hoofd betaald wordt en er nog andere voordelen (wees gerust, ook genoeg nadelen) aan dit ambacht vastzitten, kunnen ze er lange tijd goed van rondkomen.

Een kleine slordigheid is dat van één hoofdstuk het hele notenapparaat ontbreekt en in een ander geval nog twee noten. Jammer, want die voegen in veel gevallen iets toe met achtergrondinformatie. Verder is dit boek een must voor iedere Parijs-liefhebber, het is niet anders.

De schrijver en historicus Andrew Hussey belooft ons in Parijs, de verborgen geschiedenis het onbekende en duistere Parijs te laten zien. Hij wil het verhaal van Parijs vertellen vanuit het oogpunt van de ‘gevaarlijke klassen’. Dat is een term die Franse historici gebruiken ter aanduiding van de subversieve elementen in een stad, zoals daar zijn opstandelingen, vagebonden, immigranten, seksuele randfiguren en criminelen.

Daar is hij wat mij betreft niet helemaal in geslaagd, of ik had er gewoon een andere voorstelling bij. Dat ga ik zo toelichten. Hussey geeft aan dat het boek geen definitieve geschiedenis is van de stad Parijs, maar we beginnen wel een tijd terug. In de prehistorie om precies te zijn. Vervolgens gaan we toch met zevenmijlslaarzen de tijd door, want van recentere geschiedenis is meer overgeleverd en kan je meer vertellen. Toch is het tot die tijd wat mij betreft vooral de geschiedenis van Parijs. Soms komt er dan even iets tevoorschijn waarvan ik hoopte dat ik het vaker zou lezen, zoals wanneer het over de Tempeliers gaat, de ridderorde als hoeders van geheime kennis;

Er zijn tegenwoordig in Parijs tal van mensen die dit nog steeds geloven. De Parijse ontmoetingsplaats van deze groepen is vandaag de dag Bar-Tabac des Tempeliers op Rue de Rivoli 35, een gore tent waar je overdag op paarden kunt wedden.

Geschiedenis naar het heden gehaald en obscure groepen die zich daar nog mee bezig houden. Maar dat las ik te weinig in dit boek. Een geschiedenis van Parijs is volgens mij onlosmakelijk verbonden met opstandelingen, vagebonden en criminelen, alleen het toneel verschilt door de eeuwen heen. Dat onbekende en duistere viel voor mij dus wat weg, maar dat neemt niet weg dat ik het boek met plezier gelezen heb. Zoals over het Middeleeuwse Parijs waar Victor Hugo zo mooi over heeft geschreven. Vagebonden genoeg daar. Bedelaars, die overdag hun geld bij elkaar haalden en ’s avonds te vinden waren op de Cours des Miracles. Daar genazen ze op wonderbaarlijke wijze van al hun kwalen. De beruchtste cour, bij de huidige Place du Caire, dateerde uit de dertiende eeuw en was alleen te bereiken via een wirwar van steegjes. De zeventiende-eeuwse historicus Henri de Sauval durfde het aan met een gids;

Onderweg erheen moet je smerige straatjes door die alle kanten op draaien en kronkelen, om op de binnenhof te komen moet je een erg lange en oneffen helling af lopen. Ik zag er een half afgebrande woning van leem, ontzettend oud en vervallen, van niet meer dan vijftig vierkante meter, maar waarin vijftig vrouwen huisden die een ontelbaar aantal naakte en half geklede kinderen onder hun hoede hadden.

Een geschiedenisboek dus maar ook met talloze weetjes. ‘Chauvinisme’ komt van Nicolas Chauvin, een napoleontische ex-soldaat en felle patriot. Dat soort dingen moet ik weten vind ik. Een ander pluspunt van dit boek is dat vaak wordt verwezen naar de huidige locatie van een gebeurtenis. Achter in de index staan ook alle straatnamen die zijn beschreven dus je zou er zelfs mee door Parijs kunnen lopen, hoewel het wel slepen is met een kleine 500 pagina’s.

Hussey woont al jaren in Parijs en ik had gehoopt wat meer eigen ervaringen te lezen in dit boek, zoals wanneer hij het over de klassenstrijd heeft en de kloof tussen de arbeidersklasse in het oosten van de stad en de bourgeoisstand in de beaux quartiers in het westen. Hij merkt dat die kloof er nog steeds is;

Ik heb korte tijd in Ménilmontant gewoond, en wanneer ik me, maar al te vaak met een kater, naar de metro haastte…viel mijn oog regelmatig op de alcoholist van het quartier, die om 6.48 uur in de ochtend met een fatterige nonchalance zijn plastic literfles rouge aan zijn mond zette, en wiens woeste baard en agressieve blik recht uit de bladzijden van Le Père Peinard hadden kunnen komen, een bloeddorstig anarchistisch propagandablaadje uit de jaren 1880. Het quartier was van hem, niet van mij.

Als we bij de vorige eeuw aankomen gaat het ook over de massale immigratiegolf na de Eerste Wereldoorlog. Daar had ik nooit zo bij stilgestaan, maar die zorgde toen al voor een wezenlijke demografische verschuiving in de samenstelling van de Parijse bevolking. Dat is uiteraard niet minder geworden en waar Parijs in wezen een Middeleeuwse kern (niet het uiterlijk) heeft behouden, begrensd door de rondweg, barst het daarbuiten in de banlieues uit haar voegen. Daar woont het gros van de métèques, een algemene benaming voor in Frankrijk levende ‘vreemdelingen’ (en waar Georges Moustaki zo’n mooi nummer over schreef).

Hussey schreef dit boek al in 2007, maar deze druk is aangevuld met een nawoord over de aanslagen in Parijs in 2015. Zeker een leuk boek om te lezen maar wat minder onbekend en duister dan ik verwachtte.

Vertaling: Jan Braks

Dit gaat helemaal de verkeerde kant op. Parijs retour van Bart van Loo wordt omschreven als een literaire reisgids voor Frankrijk. Eigenlijk dacht ik hier probleemloos doorheen te kunnen lezen omdat ik niet zo geweldig thuis ben in de Franse literatuur, dus hele stukken zouden vast langs mij heen glijden.

Zo werkt dat dus niet en dat is vast de bedoeling van het boek. Mijn verlanglijst is in no-time uitgegroeid tot onbeheersbare grootte. Maar goed, hoe komt dat zo? Ik heb in een grijs verleden Les Misérables gelezen van Victor Hugo. Het complete verhaal, in het Engels, want helaas is er geen goede Nederlandse integrale vertaling. Van George Sand heb ik Mauprat gelezen, van Flaubert Madame Bovary en van Emile Zola Het Meesterwerk, een deel uit zijn Rougon-Macquart cyclus. Verder staat De graaf van Monte Christo van Alexandre Dumas mij al een tijd aan te kijken vanuit de boekenkast wanneer het zijn beurt is, maar daar houdt het qua Franse literatuur wel zo’n beetje mee op. Toen las ik dit boek…

Hierin neemt Bart van Loo ons mee langs de levens en het werk van een aantal auteurs. Dat zijn Victor Hugo, Alexandre Dumas père, George Sand, Honoré de Balzac, Emile Zola, Alphonse Daudet, Guy de Maupassant en Gustave Flaubert. Hij doet dat door daadwerkelijk door Frankrijk te reizen, op zoek naar geboortehuizen en woonplaatsen van de auteurs, maar ook om de plaatsen te zien die worden beschreven in hun werk. Waar haalden ze hun inspiratie vandaan en is daar nog iets van terug te vinden? Dat levert een uiterst leesbaar boek op met talloze tips.

Waar ik aanvankelijk bang voor was, dat je al enige kennis van de Franse literatuur dient te hebben om van dit boek te genieten, valt reuze mee. Van Loo vertelt over de auteurs zelf, haalt delen aan uit hun werk en gebruikt zijn eigen waarnemingen om ons te informeren, zoals bij Les Misérables in Parijs;

Op zoek naar de beschrijving van het einde van Gavroche, de beroemde straatjongen in de roman…Eindelijk heb ik het gevonden. De pakkende bladzijden waarop Hugo beschrijft hoe Gavroche wordt doodgeschoten…De plek zelf heb ik ook gevonden. Vele straten zijn ondertussen verdwenen, maar enig onderzoek leert me dat Hugo de schermutselingen van 1832 hier situeert. Heilige grond.

Hij is dan nabij het Centre Pompidou en de place Stravinsky. Zo wisselt hij autobiografische gegevens en informatie over het oeuvre van een schrijver af met zijn reisbeschrijvingen en dat werkt heel goed.

Onvermijdelijk komen veel schrijvers in Parijs terecht en daarom heet het boek ook Parijs retour. Uiteraard zijn ze er niet allemaal geboren of hebben ze er altijd gewoond, dus Van Loo reist ook af naar het zuiden voor Alphonse Daudet bijvoorbeeld, een man uit de Provence. Van hem wist ik zo goed als niets en nu ben ik benieuwd naar zijn Brieven uit mijn molen. Ik had wel gehoord van Guy de Maupassant als meester van het kortere verhaal, maar na het lezen van dit boek kan je de hele reeks wel op je wensenlijst zetten. Dat geldt ook voor de cyclus van Emile Zola, waarvan Het Meesterwerk mij zeer goed is bevallen. Laat nu de hele twintigdelige Rougon-Macquart cyclus opnieuw uitgegeven gaan worden. Zo blijf je dus bezig.

Dat geldt ook voor het werk van Honoré de Balzac. Een buitenbeentje in het literaire milieu van Parijs met een duizelingwekkend schrijfregime. Hij schrijft op 30 oktober 1846;

Gisteren heb ik 19 uur geschreven, nu moeten het er 20 of 22 worden.

Hij redt dat op zwarte koffie en een nijvere rekenaar heeft ooit berekend dat hij ongeveer 50.000 gitzwarte koffies naar binnen gewerkt moet hebben. Dit soort details en anekdotes houden het verhaal ook erg levendig. Ik ken het werk van Balzac niet maar Van Loo heeft mij enthousiast gemaakt voor Verloren illusies, de novelle Kolonel Chabert en het fantasieverhaal De huid van chagrijn. Waar ik de tijd voor dit alles vandaan moet halen staat natuurlijk nergens bij.

Het oeuvre van Flaubert is beter te overzien. Hij was niet zozeer veelschrijver alswel fijnschrijver. Hij kon wakker liggen van een zin die niet liep of eindeloos schrappen en weer opnieuw beginnen. Dat viel hem niet altijd makkelijk;

‘De kunst bezorgt me soms aanvallen van wanhoop om van te schreeuwen, en een dodelijke vermoeidheid, en dan voel ik mij uitgeput alsof ik een gebergte op mijn rug tors. Ik crepeer nog wel eens tussen twee volzinnen.’

Maar het levert dan wel weer prachtige literatuur op. Zo heeft Van Loo met dit boek dus heel wat enthousiasme teweeg gebracht waarvan wij maar weer moeten zien hoe we hier mee omgaan. Een prima reisgids dus maar u bent gewaarschuwd.

Ik zit de laatste tijd wat met mijn hoofd in Frankrijk. Door de boeken die ik lees, maar ook door het televisieprogramma Chansons! Waarin Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps in Parijs op zoek gaan naar het Franse lied. Dat bevalt mij allemaal prima dus daarom was het hoog tijd voor het boek Chanson van Bart van Loo.

Hierin vertelt Van Loo de geschiedenis van Frankrijk aan de hand van bekende en minder bekende Franse liedjes. Daarmee is het dus geen geschiedenisboek, hoewel achterin het boek keurig een korte chronologie van de Franse geschiedenis is opgenomen. Het is, en vandaar de titel, een boek over het Franse chanson met de geschiedenis als kapstok.

Om meteen mijn enige punt van kritiek te uiten; ik weet niet of die kapstok nu zo nodig was. Af en toe bekruipt mij het gevoel dat de geschiedenis bij de liedjes is gezocht. Andersom levert de geschiedenis, waarover toevallig een liedje is geschreven niet per se de beste nummers op. Zo heeft Karel de Grote een grote rol in de geschiedenis en zingt France Gall een liedje over hem, ‘Sacré Charlemagne’, maar er zijn boeiender nummers van haar waar over te schrijven valt.

Van Loo had dus ook ‘De geschiedenis van het chanson’ kunnen kiezen als titel, waar je gerust wat Franse geschiedenis doorheen kan weven, maar dat misschien meer ruimte had gelaten aan de verhalen rondom de liedjes en de componisten. Het blijkt uit dit boek dat er onnoemelijk veel te vertellen is.

Daar houdt de kritiek dan ook op, want er valt veel te genieten. Allereerst zijn er de nieuwsgierig makende inleidingen boven ieder hoofdstuk;

Van constipatie tot guillotine
Of hoe de fistel van Lodewijk XIV mee aan de wieg staat van het Britse volkslied, de constipatie van Lodewijk XV doorwerkt tot in het chanson van de twintigste eeuw, maar ook hoe Serge Gainsbourg voor een uitgespuwde reggaeversie van de Marseillaise tekent en Claude François het merkwaardigste discobal uit de geschiedenis opent. Met belangrijke rollen voor Gilbert Bécaud, Bourvil, Julien Clerc, Rouget de Lisle, Jacques Dutronc, Jean-Baptiste Lully, Michel Sardou, Mireille Mathieu en Franky Vincent. Ook opvallende verschijningen van The Beatles, Catherine Deneuve, Django Reinhardt en Yannick Noah.

Zoiets maakt mij onbedaarlijk nieuwsgierig en zo gaat het met ieder hoofdstuk. Bekende en minder bekende namen en Youtube en Spotify draaien overuren hier. Ik laat de geschiedenis in deze bespreking een beetje voor wat het is, maar sta stil bij de muziek. De streek die Gainsbourg uithaalt met France Gall door haar over Les sucettes, ofwel anijslollies, te laten zingen. Nauwelijks voorstelbaar, maar de dubbele bodem ontgaat Gall volledig. De muzikale strijd van Michel Sardou en Julien Clerc die liedjes schrijven voor (Je suis pour) en tegen (L’assassin assassiné) de doodstraf.

Van Loo schrijft over het onwaarschijnlijke verhaal van de populaire Claude François. Een van de populairste zangers van Frankrijk, een slimme en rijke zakenman bovendien en tragisch omgekomen door elektrocutie, terwijl men in een liveshow op televisie op hem wachtte. Daar kwam het bericht van zijn overlijden, het is terug te vinden op Youtube. Zijn video’s ook en hij mag toen populair geweest zijn; zo’n nummer als Alexandrie, Alexandra, ik trek dat maar slecht. Maar wie ben ik, kijk naar de commentaren; geen slecht woord over te vinden. Frankrijk kent de nummers van buiten.

Natuurlijk komen er veel liedjes voorbij die wel over geschiedenis gaan en er zitten soms juweeltjes bij. Le temps des cerises is een lied van de Commune, de opstandelingen in Parijs die allemaal werden vermoord. Juliette Gréco besloot haar optredens met dit lied en Van Loo verrast door ons te wijzen op een andere prachtige uitvoering door…Bobbejaan Schoepen. Je verwacht het niet, maar hij is zeer de moeite waard.

Ook de moeite waard is de oudere garde, zoals Maurice Chevalier. Zoek Prosper van hem maar eens op en je loopt de hele dag met Yop la boum in je hoofd. Fréhel, de zangeres die een piepjonge Gainsbourg meeneemt naar het café en Patachou, die een bloednerveuze jonge George Brassens zelfvertrouwen geeft. Toch stopt ze zijn eerste optreden even;

Patachou kucht. ‘Ik laat u stoppen omdat u sterft van de plankenkoorts en ik u moed wil geven. Dit is een zeer goed nummer. Als het even goed eindigt als het begint, zing ik het vanaf morgen. Begin opnieuw en wees niet bang. Over een half jaar zult u bekender zijn dan ik.’

Ik kende Brassens al wel maar heb talloze liedjes van hem weer beluisterd. Tip van mij; pak echt zijn teksten erbij en zet het niet zomaar op. Die teksten, en dat geldt voor heel veel chansons, zijn erg belangrijk. Brassens wordt wel de tedere anarchist genoemd. Geen zin om op te staan bij het volkslied, verheerlijking van dieven, hoertjes en zwervers of hij komt met een aanklacht tegen het kaalscheren van dames wegens horizontale collaboratie in La tondue. Hij schildert zichzelf af als ‘de deugniet van het lied’ in Le pornographe, wat weer komt door zijn lied Le gorille, waarin een ontsnapte en hitsige gorilla zich afvraagt of hij het met een oude dame of een rechter moet doen.

Ook bij Jacques Brel zijn de teksten heel belangrijk. Ik had al veel beluisterd van hem na het lezen van zijn biografie, maar Orly, Jojo en Vesoul waren weggezakt en moet je af en toe tot je nemen. Wat een muziek.

Het boek is dus een mix van geschiedenis en muziek maar met de nadruk op de muziek. U leert waar die rare zin vandaan komt in dat sensuele nummer van Gainsbourg en Birkin, Je t’aime…moi non plus, dus ‘ik hou van je…ik ook niet’. U moet echt even lezen hoe Christophe aan zijn hitsingle Aline kwam (‘et j’ai crié! Crié!), u kunt opzoeken hoe de geëngageerde en vroeggestorven zanger Daniel Balavoine helemaal leegloopt tegen president Mitterand (het staat ook op Youtube) en zoek het surrealistische nummer eens op over stripalbums van Serge Gainsbourg en Brigitte Bardot, Comic strip, waarin Bardot vol overgave haar onomatopeeën vertolkt als: Clip! Crap! Bang! Vlop! Shebam! Pow! Blop! Wizz!. Ik ben echt nog lang niet klaar met dit boek.

db779f10a35e5fb59724d676b77444341587343_v5
Napoleon en De schaduw van de Revolutie. Met deze twee titels brengt Bart van Loo twee verhalen bijeen in een portret van de beroemdste persoon uit de Franse geschiedenis en de meest tot de verbeelding sprekende gebeurtenis; de Franse Revolutie. Omdat ik mij toch in Frankrijk bevond leek mij dit een prima gelegenheid voor een nadere kennismaking met Napoleon en zijn tijd.

Er zijn boekenkasten vol geschreven over Napoleon dus je moet van goede huize komen om er één aan toe te voegen. Van Loo gebruikt hiervoor de Franse Revolutie als uitgangspunt en wil uitzoeken hoe de wisselwerking tussen Napoleon en de Revolutie was om te begrijpen wie Bonaparte geworden is. Hoe slaagde hij erin de Franse bevolking te overtuigen dat hij de man was op wie ze zaten te wachten.

Als de Revolutie uitbreekt is Napoleon, de geboren Corsicaan, al in Parijs. Koning Lodewijk XIV en zijn vrouw Marie-Antoinette vluchten maar worden opgepakt en eindigen onder de guillotine. Napoleon is getuige van de bestorming van het Paleis bij de Tuilerieën en kijkt met afgrijzen naar het bloedvergieten. Toen nog wel;

Napoleon Buonaparte, die op 10 augustus 1792 onwel wordt bij het zien van enkele honderden doden, zal een model zijn voor dictators die hun jonge mannelijke bevolking gebruiken als kanonnenvoer. Zijn Grande Armée zal onophoudelijk blijven putten uit het gespuis, het rapaille, het door de jonge Buonaparte zo gehate gepeupel.

Een kleine doorkijk naar de toekomst maar zover is het nog niet. Napoleon maakt snel carrière in het leger. We zien kopstukken uit de oude adel als Talleyrand en Fouché naar voren komen en die zullen een rol blijven spelen, ook als vertrouwelingen van Napoleon. Robespierre is een ander verhaal. Die komt juist niet uit de oude adel maar zal toch veel macht krijgen en uiteindelijk zijn hand overspelen. Ook hij eindigt op het schavot.

Als Napoleon een overwinning behaalt op de Royalisten wordt hij opperbevelhebber van de binnenlandse strijdkrachten. Hij trouwt met Joséphine de Beauharnais en behaalt nieuwe overwinningen in Noord-Italië. Hij weet inmiddels dat hij onmisbaar is geworden voor de gevestigde macht in Parijs.

Uiteindelijk vertrekt hij met een leger naar Egypte en daar blijkt dat zijn scrupules al een stuk minder zijn geworden. Toen hij optrok naar Akko (nu in het noorden van Israël) liet hij 3000 mannen fusilleren die zich al aan hem hadden overgegeven. Toen hem berichten bereikten dat de tijd rijp was om zelf de macht in Parijs te grijpen zag hij er ook geen been in om zijn leger in Egypte aan haar lot over te laten en alleen terug naar Frankrijk te vertrekken.

Daar grijpt hij de macht en creëert een nieuw staatsbestel. Voor het gemak worden er zestig van de drieënzeventig kranten verboden; stabiliteit is even belangrijker dan democratie. Ook gaat hij weer op veldtocht, ditmaal over de Alpen. Niet op een heroïsch wit strijdros zoals u wellicht kent van het schilderij van Jacques-Louis David, maar koukleumend op een ezel, zoals te zien op het schilderij van Paul Delaroche. Het doel van die tocht was om in Italië de Franse troepen te versterken en gebied te heroveren. Hij zou bij Marengo een beslissende overwinning behalen.

Als hij zichzelf uiteindelijk tot keizer kroont begint zijn queeste naar Europese almacht. Bij Austerlitz (in het tegenwoordige Tsjechië) verslaat hij de Oostenrijkse en Russische legers. Voor de bulletins krikte hij de slachtofferaantallen aardig op, in zijn brieven aan Joséphine gebruikte hij gewonemensentaal;

‘Gisteren heb ik de Russen en Oostenrijkers verslagen. Ik ben redelijk moe. Ik heb een week lang buiten geslapen, en de nachten waren redelijk koud.’

Napoleon blijkt een man van vele gezichten maar bovenal valt op dat zijn ambitie boven alles gaat. Hij boezemt zijn manschappen vertrouwen in maar is nooit oprecht bezorgd. Ze moeten zo goed mogelijk het gevecht in geleid worden. Aanvallen is altijd belangrijker dan verzorgen, winnen belangrijker dan zijn mannen sparen.

Uiteindelijk zal hij zelfs de Russische tsaar de oorlog verklaren. Die veldtocht loopt uit op een totale mislukking en de ooggetuigenverklaringen zijn schrijnend. Soldaat Henri Ductor schrijft;

‘Hoe vaak heb ik me niet op mijn buik op de grond geworpen om uit de sporen van paardenhoeven water van een gelige kleur te drinken.’

Zijn leger verdwijnt in het niets en niet eens zozeer door verloren veldslagen, wel door alle ontberingen. Ook hier laat Napoleon iedereen in de steek want hij dreigt zijn macht te verliezen in Frankrijk. Dat gebeurt ook en hij moet abdiceren. Hij vertrekt in ballingschap naar het eiland Elba.

Dat verblijf duurt echter maar tien maanden en dan vertoont hij zich weer met een snelgroeiend leger van aanhangers in de hoofdstad. In Parijs heerste namelijk grote onvrede over het Verdrag van Parijs waarmee de oorlog tegen Frankrijk beëindigd was. Napoleon wist dat en kwam om orde op zaken te stellen.

Koning Lodwijk XVIII, die inmiddels aan de macht was, vluchtte naar Gent. De hertog van Wellington formeert zijn troepen en zal Napoleon treffen bij het plaatsje Waterloo in de Zuidelijke Nederlanden. Napoleon wordt er verslagen en dat betekent zijn einde. Hij wordt definitief verbannen naar een eilandje in het zuiden van de Atlantische Oceaan, Sint-Helena. Daar zal hij ook overlijden.

Bart van Loo heeft een prachtig boek geschreven dat constant de aandacht weet vast te houden. De handige chronologie achter in het boek zet je altijd op het goede spoor als je de weg kwijt bent, maar het is zelden nodig. De houding van de Fransen ten opzichte van Napoleon is interessant; in de verkiezingen voor de grootste Fransman aller tijden staat hij steevast samen met De Gaulle bovenaan, hoeveel doden hij ook op zijn geweten heeft. De Slag bij Austerlitz wordt dan weer niet gevierd, maar een veroordeling van zijn oorlogsmisdaden is er ook nooit gekomen. Waarschijnlijk heeft Napoleon zelf dit al voorvoeld, getuige zijn uitspraak;

‘Elke dag verdampt de herinnering aan mijn tirannie een beetje meer.’

7b6ce0a0a2238da596e416b7251444341587343
Wat ik in de laatste alinea van mijn vorige stuk schreef is prachtig uitgekomen met dit boek. Luc Panhuysen en René van Stipriaan schreven met Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog een prachtig boek met verslagen uit de eerste hand over die roerige periode uit onze geschiedenis.

Zo biedt Oranje tegen Spanje een mooi raamwerk waarin je met dit boek al die gebeurtenissen weer voorbij ziet komen, maar waarbij je nu de diepte ingaat. Het boek biedt 327 pagina’s leeswerk en 134 verslagen door de meest uiteenlopende personen en ook over de meest uiteenlopende onderwerpen. Voor ieder verslag wordt een inleidend stuk(je) geschreven waardoor de geschiedenis chronologisch aan elkaar wordt verteld. Toch helpt het als je al wat over die geschiedenis weet, dan kan je alles sneller en beter plaatsen.

Voorbeelden van die verdieping zijn de verslagen over de belegering van verschillende steden zoals Haarlem, Alkmaar en Naarden. De bevolking van Naarden wordt uitgemoord en in dit boek staat een verslag van Lambertus Hortensius, priester en historicus en één van de naar schatting zestig overlevenden van die slachtpartij.

Grote gebeurtenissen worden door ooggetuigen beschreven, maar er worden ook zijpaden bewandeld, zoals het naspelen van een zeeslag met stenen door de Amsterdamse jeugd, of de beschrijving door een diplomaat over hoe Willem van Oranje gekleed ging. Je komt zo wel dicht op de geschiedenis te staan;

Zijn belangrijkste kledingstuk was een gewaad, van het type waar – zo durf ik oprecht te zeggen – een eenvoudige rechtenstudent niet graag mee over straat zou gaan. Zijn wambuis niet geknoopt, en evenmin kostbare stof. Zijn vest – dat daaronder zichtbaar was – had veel weg van de beste gebreide exemplaren waarin onze bootslui ons voortroeien.

Diezelfde Willem van Oranje wordt vogelvrij verklaard, overleeft een moordaanslag en wordt vervolgens toch gedood. Beide gebeurtenissen komen uitgebreid aan bod. Van de eerste dader wist ik nagenoeg niets tot nu. Dat wordt uitgebreid beschreven door Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, die later blijkbaar ook nog eens een leuk wijsje componeerde.

Toch zijn die grote ijkpunten uit de geschiedenis zeer de moeite waard. Het verhaal van het Turfschip van Breda, ons eigen Paard van Troje, mag genoegzaam bekend zijn, met dit boek stap je in het schip zelf. Je maakt mee hoe stil de mannen moesten zijn om niet ontdekt te worden;

Een zekere Matthijs…werd dermate door hoest gekweld dat hij die onmogelijk kon bedwingen. Hij bood zijn makkers zijn ponjaard aan om hem de hals af te snijden of te doorsteken, omdat hij liever alleen wilde sterven dan dat alle eerlijke soldaten vanwege hem zouden worden ontdekt en gedood. Maar de schipper maakte met pompen en andere werkzaamheden zoveel herrie als maar mogelijk was om het hoesten van zijn turf voor de dragers en de soldaten te overstemmen.

De grote lijnen van remonstranten tegen contraremonstranten en daarmee de tweespalt tussen Prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt (goed beschreven in Oranje tegen Spanje) krijgt in dit boek handen en voeten. Lees de verslagen van Joris de Bie, de thesaurier-generaal die beiden van nabij meemaakte, Johan van den Sanden die een contraremonstrantse jurist was én van Prins Maurits en van Van Oldenbarnevelt zelf. Als de raadspensionaris tenslotte wordt geëxecuteerd is het zijn knecht Jan Francken die verslag doet;

Bij het lezen van het vonnis zat mijn heer verschillende malen te keren en te draaien, en soms rees hij op van zijn stoel, gebaarde dat hij wilde antwoorden, maar Pots las gewoon verder. Nadat het vonnis was gelezen, sprak mijn heer…: ‘Ik dacht dat de Staten-Generaal voldoende zouden hebben aan mijn lichaam en bloed, en dat vrouw en kinderen hun bezit zouden mogen houden. Is dit mijn loon voor 43 jaar dienst aan het land?’

Zo staan er talloze verhalen in het boek. Je maakt mee hoe het was voor Hugo de Groot om te ontsnappen in die boekenkist uit Slot Loevestein. Hoe weinig lucht hij kreeg. Wat er werd gezegd door de dragers toen hij zich even verschoof, hoe zijn dochter gevat reageerde op vragen. Maar je maakt ook mee hoe luitenant-admiraal Maarten Tromp zijn manschappen toesprak toen hij met elf schepen de zeventig Spaanse schepen te lijf wilde gaan (en uiteindelijk vernietigde). Tenslotte moet ik nog even “Het duel van Leckerbeetje” noemen. Een mooi verhaal uit die tijd die feitelijk niet eens met de oorlog te maken had, maar zeker zijn plaats verdient in dit boek.

4509f546e9080a4597332316c41444341587343
Oranje tegen Spanje van Edward De Maesschalck is het derde boek uit de cassette waarvan De Graven van Vlaanderen en De Bourgondische Vorsten ook deel uitmaken. De boeken laten zich in chronologische volgorde lezen, waarvan dit laatste deel de periode beslaat van 1500 – 1648. Eenheid en scheiding van de Nederlanders onder de Habsburgers is de ondertitel en dat is nogal veelomvattend.

Het boek start met de geboorte van Karel V en loopt tot en met het einde van de Tachtigjarige Oorlog, die getekend werd met de Vrede van Münster. Het boek telt zo’n 340 pagina’s en het voordeel van deze uitgaven is dat er prachtige illustraties, stambomen en landkaarten in staan. Het leest zoveel makkelijker.

Want er valt ook veel te lezen. Karel V wordt Keizer Karel en komt tegenover Luther te staan. De religie is allesbepalend en we zien de leer van Calvijn groot worden. Willem van Oranje wordt calvinist en komt in aanvaring met het katholieke Spanje. Als belangrijkste edelman wordt hij als rebel gezien en Spanje zal met zijn generaal Alva een schrikbewind instellen. Don Juan van Oostenrijk, de bastaardzoon van Karel V kwam aan de macht als landvoogd van De Nederlanden, maar hij wist dat dit weinig voorstelde zolang hij Oranje niet wist in te palmen. Die wist natuurlijk wel hoe de hazen liepen, zoals bleek uit zijn onderhandelingen met Don Juan;

Dus begon hij te onderhandelen met Oranje en beloofde hem de hemel op aarde, zoals de terugkeer van zijn zoon Filips-Willem, het herstel van al zijn functies in dienst van de kroon en de teruggave van al zijn bezittingen. Oranje kon het niet geloven, want hij wist zeer goed dat de Spanjaarden zich niet gebonden achtten aan beloften die ze ketters deden…Volgens een verslag van de vredesbesprekingen zei Oranje letterlijk: ‘Wij begrijpen dat u ons wenst uit te roeien en wij wensen niet uitgeroeid te worden.’

Zoals bekend wordt hij toch vermoord en zijn zonen nemen zijn rol over. Eerst Maurits van Nassau die tegenover de nieuw ingevlogen landvoogd Farnese komt te staan. Het beleg van Doornik, van Oudenaarde en van Antwerpen zijn maar een paar voorbeelden van wat de bewoners van De Nederlanden over zich heen kregen. Ondertussen lezen we ook over de verwikkelingen in Spanje, van waaruit de acties veelal geïnitieerd werden, maar ook veronachtzaamd werden vanwege andere belangen. Zo werd er bijvoorbeeld ook een invasie van Engeland voorbereid, die overigens op niets uitliep.

Het mooie van dit boek is dat op zich bekende gebeurtenissen met elkaar in verband worden gebracht. De moord op Willem van Oranje, de Slag bij Nieuwpoort, de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt; het wordt haarfijn uitgelegd. Dat laatste feit is een direct gevolg van de strijd tussen raadspensionaris Van Oldenbarnevelt en Prins Maurits, tussen remonstranten en contraremonstranten ofwel de ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ (vrij vertaald; men is zelf verantwoordelijk voor het eigen lot of alles is al voorbestemd). Met Van Oldenbarnevelt werd ook Hugo de Groot veroordeeld, zij het tot levenslang. Hij wist weer uit Slot Loevestein te ontsnappen in een boekenkist.

Ondertussen ging het wel goed met de Republiek. Ik bracht de opkomst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie én van de West-Indische Compagnie nooit zo in verband met de tijd van Van Oldenbarnevelt, maar het speelde zich in dezelfde tijd af natuurlijk. In Spanje raakt men niet uitgepraat over de hebzucht van de Hollanders. De Spaanse schrijver Gonzalo de Céspedes y Meneses beschouwde de Hollanders zelfs als de bron van alle kwaad in de wereld:

Zeg me hoelang je nog zal dulden, o edel Spanje, dat een stel technologische vaardige rebellen, maar verachtelijke miskramen van de zee en plompe rotsen van het land, met hun boosaardigheid en oproer Duitsland in brand steken. Zij zijn de aanstichters van Bohemen, de opstokers van de Fransen, de omwoelers van de Zwitsers, steunpilaren van de Zweden, de omgooiers van de Polen, de bondgenoten van de Turken, en vrienden en partijgenoten van de Moren.

En zo gaat het nog even door. Wellicht wat teveel eer maar het geeft aan dat De Republiek de gemoederen aardig bezig hield. Dit soort teksten staan veelvuldig in het boek en voegen veel toe aan het verhaal.

Uiteindelijk zal Frederik-Hendrik, de jongste zoon van Willem van Oranje, stadhouder worden. Hij zal vele steden op de Spanjaarden terug veroveren en krijgt de bijnaam ‘Stedendwinger’. Het kon ook, want Piet Hein had er met de verovering van de Spaanse zilverloot voor gezorgd dat de oorlogskas goed gespekt werd. Overigens zou de tweede dochter van Frederik-Hendrik, Albertina-Agnes, trouwen met de Friese stadhouder Willem-Frederik van Nassau-Dietz. Van hen stamt de huidige Nederlandse koninklijke familie in rechte lijn af.

Het belangrijkste dynastieke huwelijk uit die tijd was dat van zoon Willem II, die op veertienjarige leeftijd trouwt met de negenjarige Maria-Henriëtte Stuart, waardoor op termijn een Oranjevorst (Willem III) koning van Engeland zou worden. Overigens grappig dat de auteur zich hier, waar hij overal zakelijk en ‘to the point’ verslag doet, ten opzichte van Maria Stuart even laat gaan;

…al liet het verwaande kind te pas en te onpas horen dat enkel zij van koninklijke bloede was en niet haar gemaal noch haar schoonouders.

Frederik-Hendrik putte zijn prestige uit militaire overwinningen, maar na zijn dood leek de weg vrij voor vredesbesprekingen. Daarvoor stond meer in de weg dan Frederik-Hendrik, er waren nog altijd geloofstegenstellingen maar er was beweging. Uiteindelijk zou de Vrede van Münster getekend worden, waarbij het opvallend is dat de sfeer, na zo’n lange tijd van oorlog en ellende, uiterst vriendelijk en gemoedelijk was.

Dit boek biedt hopelijk een prachtig raamwerk voor het volgende boek dat ik wil lezen. Als het goed is bevat dat verslagen van ooggetuigen uit deze periode, die zo nog meer invulling geven aan één van de roerigste periodes uit onze geschiedenis.

4bba7cab41471665971444b6c51444341587343
In de boeken over de Bourgondiërs die ik las kwam Jeanne d’Arc ook voor en de door Larissa Juliet Taylor geschreven biografie had ik in de kast staan, dus dat was reden genoeg om het boek te lezen.

Larissa Juliet Taylor is een Amerikaanse mediëvist met het Franse katholicisme als specialisatie. Haar biografie van Jeanne d’Arc is een wetenschappelijke biografie, gebaseerd op de primaire bronnen die zijn overgeleverd. Dat zijn er nogal wat. De stukken van het proces waardoor Jeanne op de brandstapel belandde zijn bewaard gebleven, evenals de stukken met betrekking tot haar rehabilitatie, de zogenaamde nullificatieprocedure.

Wetenschappelijk staat gelukkig niet gelijk aan gortdroog. In een kleine 300 pagina’s wordt een levendig beeld geschetst van een meisje uit Lotharingen, dat in haar korte leven en in een periode van twee jaar de loop van de Franse geschiedenis zou veranderen.

Als tiener begon Jeanne stemmen te horen, die haar opdroegen Frankrijk te bevrijden van de Engelsen, zodat Karel VII tot koning gekroond kan worden. Jeanne geeft gehoor aan die stemmen en verlaat haar geboortedorp. Het kost haar, uiteraard, de nodige moeite om serieus genomen te worden en ze moet talloze vragen beantwoorden en onderzoeken ondergaan. Daar blijkt ze niet voor één gat te vangen. Ze is scherpzinnig, doortastend, topfit én maagd. Bovendien weet ze feilloos Karel VII aan te wijzen terwijl ze hem nooit gezien heeft én geeft ze en passant aan waar haar droomzwaard zich bevindt, ergens begraven in een kerk waar ze ook nooit is geweest.

Deze zaken worden als wonderbaarlijk gezien en Jeanne wordt toegelaten tot het leger. Ze meet zich een harnas aan en begeeft zich naar Orléans om de stad te ontzetten. Dat wordt haar eerste grote overwinning. Het wordt beeldend beschreven en het is verbijsterend om te beseffen dat het hier om een zeventienjarig meisje gaat;

Voor de inwoners van Orléans en de soldaten beloofde Jeannes komst verlossing…Terwijl haar vaandel voor haar uit werd gedragen, reed ze door de straten van de stad, met de Bastaard naast haar en gevolgd door edelen, schildknapen, commandanten en eenvoudige soldaten…De drang om haar en haar paard aan te raken was zo groot dat een van de mensen met een fakkel zo dichtbij kwam dat haar lansvaantje in brand vloog.

Hierna zouden er meer veldslagen én overwinningen volgen. Jeanne geeft blijk van grote moed, van militair inzicht en raakt gewond. Ook dat laatste lijkt ze uit te buiten, want hoewel ze serieus gewond lijkt blijkt ze even later wonderbaarlijk hersteld. De Engelsen zijn verbijsterd en de Fransen krijgen enorme moraal.

Uiteindelijk bereikt Jeanne haar doel, Karel VII kan in Reims tot koning gekroond worden. Toch wil ze meer en ze houdt geen rekening met krachten die haar uit de weg willen hebben. Uiteindelijk wordt ze gevangen genomen en belandt ze op haar negentiende op de brandstapel. Schrijnend is dat Karel VII erg weinig moeite doet om haar hiervoor te behoeden.

Het is een onvoorstelbaar verhaal waar natuurlijk talloze vragen bij te stellen zijn en daar helpt dit boek enorm bij. Voor uiteenlopende zaken worden logische of pragmatische verklaringen gezocht. De stemmen kunnen hallucinaties zijn geweest, het herkennen van Karel VII en het zwaard dat ze weet te liggen; het is allemaal minder wonderbaarlijk als het lijkt. De plotselinge opstanding na haar wond kan heel goed een list zijn, iets wat vaker toegepast werd. Toch blijven er genoeg vragen over. Tijdens haar proces wordt ze eindeloos ondervraagd en blijft ze overeind tegenover haar ondervragers. Hoe kan dat? Hoe kwam ze aan het militaire inzicht en de vaardigheden die haar vooraan deden strijden? Waar mogelijk worden er verklaringen gegeven door de auteur.

Het boek heeft ervoor gezorgd dat de figuur Jeanne d’Arc meer is gaan leven. Vastberaden, koppig, streng, slim maar ook vroom. Op enig moment lijkt ze te breken, als ze een document moet ondertekenen waarin ze al het haar ten laste gelegde moet bekennen, maar dan toont ze ongekende veerkracht. Voor de duidelijkheid, in eerdere (gedicteerde) brieven zette ze soms een kruisje als teken dat men niet moest geloven wat ze had opgeschreven. Toen moest ze de verklaring dus ondertekenen;

Op spottende wijze tekende Jeanne een soort cirkel. Hoewel Jeanne inderdaad niet kon lezen en schrijven, kon ze wél haar handtekening zetten. Dat ze dit niet deed is veelzeggend. Was dit een kruisje in een cirkel dat Jeanne naar eigen zeggen had gebruikt om haar volgelingen te laten weten dat ze niet moesten geloven wat ze had geschreven? Anderen zeiden dat ze lachte toen ze het document tekende. De bisschop van Noyon herinnerde zich dat na de herroeping velen zeiden dat het slechts komedie was en ze alleen maar de spot met hen dreef. Vermoedelijk had hij gelijk.

Het komt allemaal naar voren uit de bronnen die er nog zijn. Achterin het boek staat dit in bijlagen toegelicht, evenals namen van de getuigen die ondervraagd zijn in verband met haar rehabilitatie en de belangrijkste personages in Jeanne’s leven.

Vertaling; Rob Hartmans

4bba7cab41471665971444b6c51444341587343
Ik had elders al aangegeven dat ik met die Bourgondiërs nog niet klaar was en
De Bourgondische vorsten van Edward De Maesschalck stond dus nog in de kast te branden. Het boek is 237 pagina’s dik en bestrijkt de periode 1315-1530. Uiteraard heeft het veel overlap met het boek van Bart van Loo, wat ik onlangs heb gelezen en dat meer tekst bevat. Is dit boek daarmee dan overbodig? Zeer zeker niet.

Allereerst vind ik het prettig om het verhaal in andere woorden opnieuw te lezen, ik onthoud het dan beter. Er staan handige stambomen en kaarten in het boek die veel verduidelijken. Verder staan er werkelijk prachtige foto’s in, soms paginagroot en zelfs over twee pagina’s.

Het boek is verdeeld in zeven delen en beschrijft achtereenvolgend Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria van Bourgondië en hun kinderen. Omdat veel verhalen mij nu bekend voorkomen kan ik mij verliezen in al die details waar ik zo van houd. Zo werd ik getriggerd door de huisdieren van Margaretha van Male. Zo had zij papegaaien en die associeerde ik niet direct met de Middeleeuwen, maar niets is minder waar. Ik zocht dat even op en in het midden-Nederlands was het pape gaie (gaai van de paap?) en ze waren alom aanwezig aan de hoven in Europa. Die details zijn prachtig maar onherroepelijk word je ook meegezogen in de grote gebeurtenissen van die tijd.

De kruistochten en het verschrikkelijk pak slaag dat Jan zonder Vrees kreeg in Bulgarije. De koppige Fransen die de fiere ridder wilden uithangen en bij Azincourt werden verslagen door de Engelse boogschutters en die later bij Poitiers precies dezelfde fout maakten. De moorden op Lodewijk van Orléans en op Jan zonder Vrees. Het doorlopende politieke spel om de macht en om zo gunstig mogelijke huwelijken en verbintenissen te sluiten. Een opvolger was van levensbelang en het ging zover dat Maria van Bourgondië moest bewijzen dat ze een jongen had gekregen en geen meisje. Dat deed ze;

Zij ontdeed het kind van zijn zwachtels, toonde het midden op de markt naakt aan de samengestroomde menigte en ‘nam sijn cullekens in haer hant’.

Uiterst interessant is het inkijkje in de hofhouding van de vorsten, ofwel het hôtel;

Het hôtel van Isabella van Portugal kende een hoogtepunt rond 1445, toen er sprake was van 25 eredames en samen meer dan 300 personen of 480 monden…Met monden bedoelde men ook de paarden, want die kosten aan onderhoud ongeveer evenveel als een mens.

Die paarden waren voor een vorst van cruciaal belang dus werden ze goed verzorgd. Een detail in een stukje over wijn;

De mindere wijn werd gebruikt om er na een zware rit de poten (sic) van de paarden mee te wassen.

De Bourgondische feesten ontbreken ook in dit boek niet en prachtig is het verhaal waarin Filips de Goede zich verplicht tot een kruistocht door een eed op een goudkleurige, levende fazant. Die kruistocht zou er overigens niet komen. Kortom, de grote lijnen zijn prima te volgen en het is smullen van al die details, ook in de talloze miniaturen die in het boek staan.