f80b6c852da937c5975365a7467444341587343
In zijn boek De emigrés schept W.G. Sebald een aantal portretten van zogenaamde “Ausgewanderten”. Dat is de originele titel van het boek en het slaat op de levens van vier (half)joden die Duitsland verlieten om zich te vestigen in Zwitserland, Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten.

Het is geen dik boek, 254 pagina’s, maar het is prachtige literatuur. Het eerste portret grijpt mij al direct als de schrijver, in zijn zoektocht naar een onderkomen in Norwich, stuit op een chirurg in ruste, dr. Henry Selwyn. Deze was ooit gelukkig met zijn vrouw maar zorgt nu alleen voor de tuin achter het grote, leegstaande appartementencomplex. De mannen spreken elkaar vaker en zo wordt de achtergrond van dr. Selwyn langzaam aan duidelijk. Dr. Selwyn leidt de schrijver rond in de tuin;

Door het struikgewas aan de zuidkant van het gazon leidde een pad naar een met hazelaars omzoomde gang. In de takken, die zich boven ons sloten tot een dak, waren grijze eekhoorns in de weer. De grond was dik bezaaid met de doppen van de opengebroken noten, en honderden herfsttijlozen vingen het spaarzame licht op dat binnendrong door de reeds droog ritselende bladeren. De hazelaarsgang eindigde bij een tennisveld, waar een witgekalkte bakstenen muur langs liep. Tennis, zei dr. Selwyn, used to be my great passion. But now the court has fallen into disrepair, like so much else around here.

Een tuinbeschrijving is één ding, maar Sebald vult dat aan met een in vervalling geraakt tennisveld, een stukje in het Engels én ondersteunt dit nog met een niet eens zo heel duidelijke foto (zie hieronder); dat maakt de vertelling erg sterk.

IMG_7013 (002)
Ook het verhaal van zijn oude schoolmeester, die hij op het spoor komt door een overlijdensadvertentie, is prachtig. Het langste verhaal in het boek gaat over zijn oudoom Ambros Adelwarth. Die heeft een avontuurlijk leven achter de rug en de schrijver gaat dit na, deels door informatie uit een oude agenda van zijn oom, die ook afgebeeld staat in het boek. Hierin speelt hij ook met fictie en werkelijkheid, als hij denkt zijn oudoom Ambros met zijn reisgezel Cosmo denkt te zien;

Soms dacht ik dat ik hen door een deur of in een lift zag verdwijnen of een straathoek zag omslaan. Dan weer zag ik hen werkelijk, zittend aan de thee buiten op de binnenplaats of in de hal, bladerend in de nieuwe kranten waarmee de chauffeur Gabriel elke ochtend vroeg in een halsbrekende rit van Parijs naar Deauville kwam aanrijden. Ze waren, zoals de doden meestal zijn wanneer ze in onze dromen opduiken, stom en leken enigzins bedroefd en gedeprimeerd…Als ik hen naderde, losten ze voor mijn ogen op, niets anders achterlatend dan de lege plek die ze zojuist nog hadden ingenomen.

Het laatste verhaal, over de naar Manchester uitgeweken kunstschilder Ferber vind ik het mooist. De auteur ontmoet hem in zijn atelier in Manchester. Een stad waar de treurigheid vanaf druipt en ook dat wordt fraai weergegeven. Nog mooier is de beschrijving van het atelier van de schilder, waarin stof belangrijk is;

Het was voor hem altijd van het grootste belang geweest, zei Ferber eens terloops, dat er niets in zijn werkruimte veranderde, dat alles bleef zoals het geweest was, zoals hij het had ingericht, zoals het nu was, en dat er niets anders bij kwam dan het afval dat bij het vervaardigen van de tekeningen en schilderijen ontstond, en dat het stof dat onafgebroken neerdaalde en dat hem, zoals hij langzaam leerde begrijpen, vrijwel het dierbaarste ter wereld was. Stof, zei hij, stond hem veel nader dan licht, lucht en water. Niets was voor hem zo onverdraaglijk als een huis waar stof werd afgenomen, en nergens voelde hij zich prettiger dan daar waar de dingen ongestoord en gedempt mochten blijven liggen onder de grijsfluwelen sinter die ontstaat als de materie, ademtocht na ademtocht, tot niets vergaat.

Het zijn soms best lange zinnen, maar in mijn vorige bespreking gaf ik al aan dat dit boeken zijn voor trage lezers. Dat geldt ook hier, hoewel ik er toch vlot doorheen las. Het leent zich echter wel voor herlezing, al was het maar om subtiliteiten niet te missen van de vlindervanger die, hoewel het gaat om verschillende verhalen in verschillende situaties, toch door het hele boek weer opduikt. Dat wil je niet missen.

Vertaling; Ria van Hengel

902953978X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik kan niet zeggen dat ik bekend ben met het werk van Susan Sontag. Ik kende wel haar rol als één van de toonaangevende critici en schrijfsters van haar generatie. Reden genoeg voor mij om nieuwsgierig te zijn naar dit boek van Benjamin Moser.

Susan Sontag (1933-2004) was een kind van Joodse Amerikaanse ouders. Haar vader stierf toen ze jong was en ze nam de achternaam aan van haar stiefvader. Haar leven lang zou de een stormachtige relatie onderhouden met haar aan alcohol verslaafde moeder.

Sontag was als leerling uitzonderlijk begaafd. Ze haalde haar Bachelor of Liberal Arts in de vakken Frans, literatuur en filosofie. Er staan in het boek wat indrukwekkende staaltjes over hoe ze al op jonge leeftijd dacht;

‘Goedbeschouwd zit Schopenhauer ernaast,’ meende ze op haar veertiende. ‘Maar ik heb het daarbij uitsluitend over de kern van zijn filosofie: de deerniswekkendheid van het bestaan.’…En in een opstel voor school in haar laatste jaar omarmt ze Freud…met een hoogmoed die maar zelden bij een scholier zal zijn aangetroffen: ‘Ik zie geen reden om het met de inhoud van het eerste hoofdstuk [van Het onbehagen in cultuur] oneens te zijn,’ schrijft ze.

Ze leest als een bezetene, heeft af en toe vriendje maar beleeft ook haar eerste lesbische liefde. Uiteindelijk trouwt ze op jonge leeftijd met haar docent Philip Rieff.  Het was een verhouding waarin ze zich liet domineren en er werd een zoon uit geboren. Tegelijk liet ze toe dat hij furore maakte met een boek dat zij feitelijk had geschreven, The Mind of the Moralist, waarin Freud en de psychoanalyse in een historische context worden geplaatst.

Sontag wordt aangesteld als de jongste universitaire docent ooit in de Verenigde Staten. Het huwelijk met Rieff houdt geen stand, ze gaat naar New York en stort zich in een relatie met de Cubaanse toneelschrijfster Irene Fornès. Sontag is inmiddels een invloedrijke filosofe, schrijfster en critica;

De tiener die sidderde in het bijzijn van Thomas Mann, was een vrouw geworden die kon zeggen dat Jean-Paul Sartre een slechte smaak had en die sir Isaiah Berlin te kennen kon geven dat hij wat slordig met details omging.

Ze komt in contact met Andy Warhol en heeft een relatie met de schilder Jasper Johns. Ze schrijft een geniaal essay “Notes on Camp”, waarbij ze haarfijn uitlegt dat Cocteau camp is maar Gide niet, Strauss wel maar Wagner niet, waarom Caravaggio en veel van Mozart ingedeeld kunnen worden bij Jayne Mansfield en Bette Davis. Ze legt hierin verbanden bloot die voorheen onzichtbaar waren.

Ondanks haar genialiteit wist ze dit te koppelen aan een soms onvoorstelbare naïviteit. Het belang van tanden poetsen, waar een lichtknopje zich eventueel kan bevinden en in welke kamer de Fiat-erfgename zich bevond op de vijftiende verdieping…het levert fascinerend leesvoer op.

Sontag had een enorme energie en werklust en sliep het liefst zo min mogelijk. Ze rookte als een ketter, dronk sloten koffie en toen ze amfetamines ontdekte, merkte ze dat ze met nog minder slaap toe kon. Ze laat zich ook steeds meer van haar maatschappelijk betrokken kant zien. Ze zet een aanklacht tegen Amerika op papier, die lang niet bij iedereen in goede aarde viel. Hoewel er veel zaken in stonden die klopten, is de eerste zin met name berucht geworden;

‘Het blanke ras is een kankergezwel in de geschiedenis van de mensheid.’

Wellicht wat ongelukkig geformuleerd en ze heeft er haar excuses voor aangeboden, maar eerder voor de metafoor als voor het onderliggend sentiment, want ze was wel degelijk woest. Een reden was de oorlog in Vietnam. Daar laat ze een wonderlijk optreden zien. Ze bezoekt Hanoi en laat zich van alles uitleggen door het regime daar, terwijl op een paar honderd meter van haar hotel Amerikaanse soldaten gemarteld worden. De grote critica was toen wat betreft Vietnam ‘even een blokje om.’ Later zou ze dat vaker doen. Na een reis naar China zou ze ook daar over schrijven, maar geen woord over de Culturele Revolutie en de ellende in dat land.

Privé rolt ze van de ene relatie in de andere, met mannen én met vrouwen. Ze krijgt kanker en overwint deze en schrijft er, uiteraard, een essay over. Dat ging over de bewustwording van de ziekte en over het wegnemen van vooroordelen en velen hebben na het lezen ervan de gang naar de arts gemaakt en zo hun leven gered.

Susan Sontag was, naast een hyperactief en productief mens, ook iemand met twee gezichten. Ze kon mensen eerst de hemel in prijzen, waardoor ze hen aan zich verbond, om ze daarna publiekelijk te vernederen. Dat deed ze zelfs bij Annie Leibovitz, ook een sterke vrouw met een glanzende fotografie-carrière, die dergelijk gedrag toch pikte van Sontag. Wellicht prikten velen toch door haar onzekerheid heen en zagen ze toch haar grote hart.

Dat had ze namelijk wel. Toen er een oorlog woedde op de Balkan, ging Sontag erheen en waagde haar leven. Ze was begaan met de bevolking en organiseerde indrukwekkende toneelvoorstellingen in Sarajevo. Een mede-acteur vertelde wat dit inhield;

Je kon het publiek niet voor de gek houden. Je wist niet eens of je over vijf of tien minuten of de volgende dag nog wel in leven was…Je moest zo eerlijk en goed mogelijk spelen, want je wist niet of je de volgende dag nog een voorstelling kon geven. Ik heb voor gewonde mensen gespeeld, voor blinde kinderen, in het ziekenhuis, op de eerste verdieping terwijl er op de begane grond benen werden geamputeerd, mensen gilden en stierven terwijl ik stond te spelen.

En Susan Sontag dus ook en dat is een prestatie van formaat. Ze stierf uiteindelijk aan leukemie, maar laat best een indruk achter, ook bij mij na het lezen van dit prachtige boek. Het zal wel geen toeval zijn dat op de omslag van het boek dat ik nu lees, “De emigrés” van W.G. Sebald, Sontag als enige genoemd wordt met het citaat ‘De emigrés is grote literatuur.’

Vertaling; Lidwien Biekmann en Koos Mebius

7fbefaf51b7f1c059686d507467444341587343
John Barton heeft met zijn boek De Bijbel een lijvig werk geschreven van zo’n 623 pagina’s. Ik was getriggerd door de ondertitel Het boek, de verhalen, de geschiedenis (oplettende lezers zien dat deze ondertitel iets afwijkt van de ondertitel op bovenstaande afbeelding, maar zo staat het echt op mijn stofomslag). Het gaat over al die verhalen die in de Bijbel staan en hoe die verhalen, wetten, spreekwoorden, profetieën, gedichten en brieven uit de Bijbel tot stand zijn gekomen en wat we weten, maar ook vooral niet weten, over hun auteurs.

Vanuit mijn jeugd heb ik al die verhalen wel meegekregen. Ik wist van profeten, alle boeken van het Oude én het Nieuwe Testament kon ik opdreunen, maar er is nooit vertèld over die profeten of al die anderen die blijkbaar nodig waren om het belangrijkste boek van de westerse cultuur te schrijven.

Daarom was ik nieuwsgierig naar dit boek. John Barton is hoogleraar en priester van de Anglicaanse kerk en geeft zelf aan wat hij met dit boek beoogt;

Ik wil laten zien hoe het boek is ontstaan, zich heeft ontwikkeld en in de loop der eeuwen is gebruikt en geïnterpreteerd zowel binnen het christendom als het jodendom…Al doende zal ik vraagtekens zetten bij de neiging van bepaalde groepen godsdienstige gelovigen om van de Schrift zoiets bijzonders te maken dat zij niet meer gelezen kan worden als willekeurig welk ander boek ‘doordat men aan de Schrift meer toekent dan zij kan hebben’

Gezond kritisch dus en dat sprak mij aan. Hij trapt af met het Oude Testament en het wordt al snel duidelijk dat veel verhalen komen uit een lange traditie van vertelkunst. Vaak, en het verhaal van de Zondvloed is daar een voorbeeld van, lijken diverse verhalen met elkaar te zijn verweven. Barton geeft aan dat verhalen ook zijn geredigeerd en zelfs aangevuld met verzonnen gedeeltes, zoals in het verhaal van de boosaardige koning Manasse van Juda. Hij gaat ook in op de waarschijnlijk fictieve personages van Ruth, Jonas en Ester.

Het Oude Testament kent een veelheid aan bronnen. Spreuken kan deels worden teruggevoerd op een Egyptisch document, de wetboeken in de Bijbel vertonen sterke verwantschap met andere bekende wetboeken uit het Nabije Oosten. Barton staat stil bij de Tien Geboden die door Mozes ontvangen zouden zijn. Die geboden en wetten duiden namelijk op een agrarische gemeenschap, terwijl Mozes toch echt als een nomade op reis was met zijn volk toen hij ze ontving.

De profetische boeken zijn ook een verhaal apart. Profeten schreven in de regel geen lange, samenhangende boeken, maar deden korte, bondige uitspraken. Deze zijn verzameld en waarschijnlijk door discipelen opgeschreven, waardoor de profetische boeken zijn ontstaan. De profeet Jeremia is de enige die wel zijn gedachten liet opschrijven door zijn secretaris. En passant toont de auteur ook even aan dat de tekst van Jesaja niet minder dan een knoeiboel is.

Het Nieuwe Testament is ontstaan vanaf ongeveer 70 na Christus, waarbij sommigen menen dat het evangelie van Marcus het oudst bekende is. De evangeliën zijn gebaseerd op herinneringen die mondeling overgeleverd zijn, maar waar, na de dood en opstanding van Jezus, wel een generatie overheen ging. Het vormt ook geen consistent geheel. Soms is er overeenstemming, maar vaker zijn er verschillen en soms tegenstellingen. De datering is ook lastig;

De datering van nieuwtestamentische boeken is wel omschreven als een lange rij dronkenlappen die elkaar overeind houden zonder een stevige muur om tegenaan te leunen.

De datering van Paulus’ brieven is nog te doen, tussen de jaren 40 en 60. Die brieven zijn de vroegst bekende christelijke literatuur en waren bedoeld om voor te lezen aan christelijke geloofsgemeenschappen. Interessant is ook weer te lezen dat de Paulus uit zijn brieven weer verschilt van de Paulus uit het boek Handelingen. Barton legt het allemaal uit. Ook gaat hij uitvoerig in op de oorsprong van de evangeliën en waarom ze onderling verschillen.

Eigenlijk vind ik dat het meest interessante deel van het boek, maar er zijn ook nog deel drie en vier. Die gaan over de Bijbel en zijn teksten en de betekenissen van de Bijbel als boek. Hier volgt voor mij een beetje de makke van dit boek. De auteur weet vreselijk veel en hij etaleert die kennis met verve, maar het gaat soms wel diep. Zo staat hij uitgebreid stil over het woord ‘rustplaats’;

…waarin staat dat God boos was op de generatie Israëlieten die met Mozes uit Egypte vertrok: vanwege hun hardnekkige ongehoorzaamheid zwoer hij: ‘Nooit gaan zij mijn rustplaats binnen.’ Daarop volgt…een lange preek die om het woord ‘rustplaats’ draait, en tracht aan te tonen dat de passage in wezen een voorspelling was van de ‘rustplaats’ die Jezus zijn volgelingen zou schenken.

En dat gaat dan zo nog even door. Ontegenzeggelijk boeiende materie, maar houdt u de aandacht er even bij. Makkelijker te lezen zijn de verhalen over de gruwelijkheden die in de Bijbel staan, of de ogenschijnlijk onmogelijke verhalen zoals het doodslaan van kinderen tegen de rotsen of het scheppingsverhaal dat ergens met de evolutieleer in het reine moet komen. Barton geeft precies weer hoe men daar mee om gaat.

Tenslotte is er aandacht voor de Bijbel door de geschiedenis heen. De Bijbel in de Middeleeuwen, de invloed van Luther, Erasmus, Calvijn en Spinoza op de teksten, de verspreiding ervan én de verschillende vertalingen.

Het boek bevat dus een stortvloed aan informatie en het leest niet altijd even makkelijk weg, maar toch een aanrader voor wie nieuwsgierig is naar het ontstaan van de Bijbel.

Vertaling; Ton Heuvelmans, Aad Janssen en Marianne Palm

IMG_6817 (002)
En dan weet je ineens een stuk meer over ruiterstandbeelden. ‘Helden’ op hengsten is net verschenen en is het resultaat van een jarenlange zoektocht naar ruiterstandbeelden, waar dan ook ter wereld, door Kees van Tilburg. Dat idee is niet helemaal nieuw, de auteur werd geïnspireerd door een klein bericht in The New York Times van 1899, waarin ene S.H. Kaufmann ook een poging waagde om alle ruiterstandbeelden ter wereld in kaart te brengen.

Zo’n project heeft kaders nodig, want wat verstaan we onder een ruiterstandbeeld? Van Tilburg definieert het als volgt; het beeld moet vrij staan, publiek toegankelijk zijn, het beeld moet uniek zijn, een zekere monumentaliteit hebben, het moet een combinatie van paard en mens afbeelden (jawel, er bestaat een beeld van een man op een schildpad), de ruiter moet hebben bestaan en het beeld moet van duurzaam materiaal gemaakt zijn.

In het inleidende verhaal staat de auteur ook stil bij de redenen om zo’n beeld op te richten. Belangrijke redenen zijn zelfverheerlijking, een eerbetoon door de bevolking en het versterken van de (nationale) identiteit.

Als we kijken naar het ontstaan van deze traditie, dan komen we in Italië uit. Het oudste bestaande ruiterstandbeeld is dat van Marcus Aurelius, waarschijnlijk uit 176. Door een misverstand bestaat het beeld nog steeds. Voor bekende beelden daarna moeten we toch een paar honderd jaar verder maar de grootste kunstenaars zijn dan nog steeds in Italië te vinden. Niet alle standbeelden blijven bewaard. Ze worden vaak gebruikt om kanonnen van te gieten als er een stad veroverd was, maar andersom gebeurde het ook, dat de kanonnen van de vijand gebruikt werden om een mooi standbeeld van de overwinaar te vervaardigen.

De standbeelden worden steeds spectaculairder. Een steigerend paard ziet er indrukwekkend uit, maar is lastig te vervaardigen. Voor zo’n beeld van Filips IV komt Galileo Galilei er aan te pas om te berekenen hoe zo’n beeld overeind kan blijven staan. Het zwaartepunt moet achterin liggen en het paard kreeg, naast de twee achterbenen, een derde steunpunt in een massief bronzen staart.

Brons is één ding, maar het kan ook in marmer. Ik kende Gian Lorenzo Bernini wel als fenomenaal beeldhouwer in marmer, maar wist niet dat hij zich ook aan ruiterstandbeelden had gewaagd. Niet tot tevredenheid van de Franse koning Lodewijk XIV overigens.

Ik associeer ruiterstandbeelden uit gewoonte maar vooral met Europa, maar in de Verenigde Staten kunnen ze er ook wat van. De meeste beelden daar betreffen de generaals en andere helden uit de Onafhankelijkheidsoorlog en de Burgeroorlog.

Zo’n oorlog is voor een ruiterstandbeeld wel een kritiek moment, naast revoluties en onafhankelijkheidsverklaringen;

Zo sneuvelt tijdens het uitroepen van de Amerikaanse Onafhankelijkheid het beeld van de Engelse koning George III in New York…Een groot deel van het beeld wordt gebruikt om er ruim 42.000 kogels van te maken. Zo kan het gebeuren dat niet lang na de ontmanteling van dit ruiterstandbeeld de Engelse troepen van George III stukjes van zijn beeld om de oren krijgen.

In India gaan ze veel rustiger om met beelden van de vroegere overheersers. Ze worden teruggestuurd naar Engeland, blijven staan of worden verplaatst naar minder prominente locaties. Dat laatste levert de auteur nog een arrestatie op in India. Een mooi verhaal en er staan meer anekdotes in dit boek. Zo wordt het beeld van Filips III in Madrid aanvankelijk omver getrokken door vandalen, tot er ineens honderden botjes uitrollen. Dat is een slecht teken en het beeld wordt met rust gelaten. Een cliffhanger; leest u vooral zelf wat hier achter steekt.

Ruiterstandbeelden lijken iets uit het verleden, maar dat klopt niet helemaal. Het grootste standbeeld staat op dit moment in Mongolië en is het veertig meter hoge beeld van Dzjengis Kahn. India wil daar nog een schepje bovenop doen, die zijn bezig met een beeld van Shivaji Chhatrapati, een 17e eeuwse Indiase leider, van maar liefst 126 meter hoog.

Ook in Nederland is er onlangs nog een ruiterstandbeeld bijgekomen, in Weert, van de in Brussel onthoofde graaf van Horne. Bijzonder; het beeld gaat eerst op wereldreis, zoals naar Hangzhou in China, een zusterstad van Weert. Het nieuwe geld zorgt nog steeds voor de productie van ruiterstandbeelden, maar ook regeringsleiders in bijvoorbeeld Noord-Korea onthullen nog steeds nieuwe standbeelden.

In het boek staat wat geschreven over de technieken om zo’n beeld te gieten en de moeilijkheden die bij het ontwerpen ervan worden ondervonden, maar het is vooral een boek over de schoonheid van de beelden zelf. Er staan dan ook talloze foto’s in. Ik kom er de mij zeer bekende Willibrord tegen die in Utrecht staat, maar ook het prachtige beeld van Wenceslaus I dat ik onlangs nog in Praag zag.

De auteur vertelt ons in de inleiding van het boek;

En wie weet, ik hoop het, dat u na het lezen van al die verhalen, ook een beetje gefascineerd raakt door die beelden…Een ding is zeker…na het lezen van al die verhalen zult u voortaan anders naar ruiterstandbeelden kijken.

Daar heeft hij gelijk in. Gefascineerd was ik al wel, maar door dit prachtige boek ga ik anders kijken omdat ik weet waar ik op moet letten en heb ik eigenlijk gewoon zin om er op uit te gaan; standbeelden kijken.

P.S.; Omdat niet alle beelden in een boek van 287 pagina’s passen, is er ook een website, http://www.equestrianstatue.org. Zeer de moeite waard.

9083014002.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Niets menselijks is mij vreemd, ik mag graag aan het eind van het jaar naar de Top 2000 luisteren. Een paar dagen de grootste hits op een rij. Bij wijze van voorpret las ik dit boek, 20 jaar Top 2000, geschreven door Leo Blokhuis, Dirk Jan Roeleveen. Norbert Pek en Arjan Vlakveld.

Het is een “koffietafelboek” inclusief een 10’’ lp, waarop een aantal nummers staan die in het boek worden toegelicht. “Koffietafelboek” impliceert meestal veel foto’s en weinig tekst en dat klopt voor een groot deel. Gelukkig valt er in die 239 pagina’s genoeg in te beleven.

In het boek staan afwisselend zogenaamde “docu’s”, achtergrondverhalen over een artiest of een bepaald nummer, “petit histoires”, kortere verhaaltjes over een thema of artiesten en “Top 2000 Specials”. Dat zijn achtergrondverhalen over het begin en de opzet van de lijst, de verwante quiz op televisie en bijzondere verhalen over de lijst zelf.

Zo’n boek bevalt mij het meest als ik het moeilijk weg kan leggen en dat begon eerlijk gezegd wat aarzelend. De verhalen over Amy MacDonald en The Lovin’ Spoonful waren weinig diepgravend, maar dat mag wellicht ook niet verwacht worden van een koffietafelboek.

Ik begon erin te komen met de verhalen over de opzet van de lijst. Dat was in het begin een vooraf opgestelde lijst die eigenlijk door de luisteraar in de goede volgorde moest worden gezet. We praten dan over het jaar 1999, waarin de eerste uitzending vorm krijgt. Internet speelt nog geen rol, dus er komen stapels met antwoordcoupons binnen. Er wordt gezocht naar het juiste format om uit te zenden en daarbij werd er wel eens gesjoemeld;

Marketeer Bart de Voogd; “Zo’n Echoes van Pink Floyd is natuurlijk killing. Met een nummer van 23 minuten verlies je luisteraars. Die ging dan naar de avond of nacht toe.”

Als de televisie erbij komt is dat ook even zoeken en wennen. Een café waar over muziek gepraat wordt en waar een quiz wordt gedaan, prima, maar trekt dat geen luisteraars weg van de radio? Hoe gaan die televisiejongens met een radiolijst aan de haal?  Ook dat was even zoeken. Leo Blokhuis is wel eens stevig onderhouden over het feit dat hij tè kritisch was over bepaalde nummers. Het zijn, zeker nu de keuze vrij is, toch vaak nummers met voor iedereen een persoonlijk verhaal erachter. Het zijn boeiende afwegingen om te lezen en ze vormen een mooie kijk achter de schermen.

Het leukste aan een boek als dit vind ik de achtergrondinformatie. Dat een wereldhit als Thriller van Michael Jackson een beginversie heeft die Starlight heet én dat deze tegenwoordig op Youtube te vinden is. Ik wil weten waar een nummer als Black Betty van Ram Jam vandaan komt. Dat blijkt dan een oude worksong te zijn die ook terug te vinden is, gezongen door James “Iron Head’ Baker. Overigens wordt hier een gouden tip aan de hand gedaan, want Blokhuis en consorten weten ook niet alles; zij gaan te rade bij Arnold Rypens uit België, die er zijn levenswerk van heeft gemaakt om de ontstaansgeschiedenis uit te vissen van bekende hits. Die staan inmiddels in zijn boek Originals en u begrijpt dat deze inmiddels besteld is.

Het verhaal van Rita Coolidge kende ik ook niet. Zij en de drummer Jim Gordon staan aan de basis van een mij geliefd nummer Layla van Derek & The Dominos (Eric Clapton is de zanger), met name het pianodeel ervan. Rita zou nooit de credits krijgen, Jim eindigt in de gevangenis na de moord op zijn moeder.

Ook het verhaal van de titelsong van de Korea-serie en -film M*A*S*H is opmerkelijk, Suicide is painless. Als artiest wordt vaak M*A*S*H aangeduid, maar dat is natuurlijk geen artiest. Componist Johnny Mandel schreef de muziek, maar als tekstschrijver staat Mike Altman genoemd. Dat is de dan veertienjarige zoon van de regisseur. Een tiener die zo’n eigenaardige tekst schrijft? Arjan Vlakveld vertelt;

Als ik Mandel later in Los Angeles interview, legt hij uit hoe dit zo gekomen is. Robert Altman wilde voor een speciale scene een ‘raar’ nummertje. Mandel piekerde hierover en dronk iets te veel en componeerde naar eigen zeggen voor het eerst in zijn leven een nummer dronken. Hij is geen tekstschrijver en weet zich dan verder ook geen raad met de opdracht. De regisseur stelt voor om zijn tienerzoon te vragen, aangezien die een ‘raar’ jong is. Als beloning vraagt de jongen een gitaar, maar de producent van de film schrijft gewoon alle rechten toe aan Mike Altman.

Goede zet, zoonlief verdiende met het nummer vele malen meer dan zijn vader met de film. Het nummer wordt overigens gezongen door The Ron Hicklin Singers. Dat zijn sessie-zingers, die de studio inlopen, het nummer inzingen en alle vier een cheque van honderd dollar ervoor toucheerden.

Dat zijn toch verhalen die ik wil horen. De verhalen over het tot stand komen van die verhalen mogen er ook zijn. Er moet vaak wat gedraaid worden voor de televisie en dat valt niet altijd mee. Rickie Lee Jones gedraagt zich een beetje vreemd als zij categorisch weigert om haar hitsingle Chuck E.’s In love te willen zingen. Toch lukt het en dat levert een mooi verhaal op.

Ik snap dat een boek als dit geen diepgravende reportages kan bevatten, maar soms leidt het geschrevene toch tot meer vragen. Als men de oorspronkelijke schrijver van de Bløf-hit Zoutelande opzoekt, gaat het meerdere malen over royalties. De zanger Axel Bosse van het origineel, Frankfurt Oder zegt over de cover;

Ze hebben het mooi gedaan. Ik was meteen fan. En natuurlijk trots en blij dat zo’n bekende band mijn lied speelt. Als ik de royalty’s krijg, ga ik daarvan met vakantie naar Nederland’.

Hij maakt er blijkbaar geen punt van, maar als lezer ben ik dan toch benieuwd hoe het zit met die afrekening. Verder, los van wat slordigheden als “Nooit niet” en “vingerstoppen” is dit een prima boek waar ik toch weer een hoop uit geleerd heb. Prima opmaat voor de komende Top 2000.

902956170X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Stefan Zweig (1881–1942) was een Oostenrijkse schrijver van Joodse komaf. In zijn autobiografie De wereld van gisteren vermengt hij zijn eigen geschiedenis met het tijdsbeeld van rond de eeuwwisseling tot vlak voor zijn zelfgekozen dood in 1942.

Zweig werd geboren in Wenen. Dat was een stad waar het goed toeven was aan het eind van de 19e eeuw en Zweig zingt de lof over zijn stad;

Gastvrij en met een bijzonder assimilatievermogen trok deze stad de meest ongelijksoortige krachten aan en ontspande ze, maakte ze los en bracht ze tot rust; het was een mild klimaat om in te leven, deze atmosfeer van geestelijke tolerantie, en onbewust werd elke burger van deze stad tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap opgevoed.

Iedere burger een wereldburger; dat is het gevoel wat Zweig zal vasthouden. Voorlopig vindt hij zijn weg in de stad, waar kunstenaars rondlopen als Brahms en Mahler en waar de joodse burgerij een voorname rol in speelde;

…negen tiende van wat de wereld als Weense cultuur van de negentiende eeuw bejubelde, was een door de joodse Weners gestimuleerde, gevoede of zelfs zelf gecreëerde cultuur.

Tock waren veranderingen onontkoombaar. Goede veranderingen, een verschuiving in de kunsten bijvoorbeeld. Jonge kunstenaars stonden op en Zweig en zijn vrienden zogen alles in zich op. Ze maakten kennis met Hugo von Hofmannsthal, een komeet van een schrijver en dichter én met Rainer Maria Rilke, een dichter die veel geleidelijker tot wasdom zou komen.

Minder goede veranderingen waren er ook. De eerste scheuren dienden zich aan in de maatschappij in de vorm van grof geweld in de politiek, terwijl Zweig en de zijnen daar nog weinig oog voor hadden. Zij schreven en bediscussieerden hun gedichten, maar

In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen.

Zweig studeert ondertussen onder meer filosofie in Wenen en Berlijn. Hij komt in aanraking met verschillende kunstvormen en ontmoet de door hem bewonderde dichter Emile Verhaeren in België. Hij zal zijn werk ook vertalen. In Parijs ontmoet hij de dichter Rilke en de beeldhouwer Rodin. Er volgt een mooi portret van deze Fransman als hij Zweig meeneemt naar zijn atelier, nog wat begint te schaven aan één van zijn beelden en vervolgens zo volledig in zijn werk opgaat dat hij Zweig vergeet.

Zweig reist ook naar Engeland waar een evenzeer mooi portret wordt gegeven van een vrouw bij wiens doop Goethe nog aanwezig is geweest. Hij reist zelfs naar India om zijn blik te verbreden, om van buitenaf eens Europa te beschouwen.

In dat Europa waait een nieuwe wind. Het was de tijd van uitvindingen en ontdekkingen, maar met die wind kwamen er ook donkere wolken mee. Er was trots en zelfvertrouwen, maar dat bracht ook expansiedrift met zich mee. Industrieën draaiden op volle toeren en dat gistende vat kwam ergens tot ontploffing. Zweig vertelt;

Als je je nu in alle rust afvraagt waarom Europa zich in 1914 in een oorlog stortte, vind je geen enkele zinnige reden en zelfs geen aanleiding. Het ging niet om ideeën, het ging niet werkelijk om de kleine grensgebieden; ik kan geen andere verklaring vinden dat dit overschot aan energie…

Toch komt die oorlog er en de beschrijving van de rekruten die zich opmaken om naar het front te gaan vind ik treffend. Of je er zelf bij bent. Gedurende de oorlog toont Zweig zich als de Europeaan die hij zich voelt. Hij probeert de contacten te onderhouden met zijn vrienden die nu tot ‘de vijand’ behoren en die vriendschap krijgt hij terug, bijvoorbeeld van de Franse dichter Romain Rolland.

Als de oorlog afgelopen is, heeft iedereen, logischerwijs, hoop op een goede toekomst. De kunsten gingen verder op de schop. Melodie in de muziek hoefde niet meer, er golden nu andere principes. Klassieke schilders gingen het depot in, kubisme deed zijn intrede, schrijvers en dichters vonden alles opnieuw uit, weg met de lidwoorden bijvoorbeeld. Ook Zweig was kritisch ten opzichte van zijn vroege werk en bedacht;

De tijd was voorbij waarin ik mijzelf had kunnen wijsmaken dat alles waar ik aan begon maar voorlopig was. Ik had het midden van mijn leven bereikt, de leeftijd van louter beloften was voorbij. Nu was het zaak het beloofde waar te maken, mijzelf te bewijzen of het definitief op te geven.

Opgeven hoeft niet, Zweig is zeer succesvol. Zijn werken worden in allerlei talen vertaald. Hij bezoekt vrienden door heel Europa en merkt dat het Europese gevoel nog springlevend is, ook bij de vroegere ‘vijand’. De propagandamachine was blijkbaar toch minder binnengekomen als gevreesd.

Toch, en dat beschrijft Zweig heel goed, komen er weer verschuivingen. Er zijn steeds kleine opstootjes en brandjes waar niemand veel aandacht aan schenkt. Ze komen op en verdwijnen weer. Er staat wel iemand met een grote mond te brallen in de Beierse bierhuizen, maar dat is plaatselijke amok. Tot deze figuur rijkskanselier wordt. Er verschijnen ineens goed getrainde ordetroepen op straat en de sfeer wordt grimmiger.

Zweig onderkent de gevaren en zal zijn woonplaats Salzburg verlaten. Hij laat alles achter, inclusief zijn immense verzameling handschriften, en vertrekt naar Engeland. Vanuit Londen ziet hij hoe Europa langzaam een nieuwe oorlog inglijdt en hij lijdt mee. Toen zijn moeder op sterven lag ging hij nog een laatste keer naar Wenen, voor een laatste afscheid van alles en iedereen;

Ik heb die laatste twee dagen in Wenen elke vertrouwde straat afzonderlijk, elke kerk, elke tuin, elk oud hoekje van de stad waar ik geboren ben, bekeken met een vertwijfeld, onuitgesproken ‘nooit meer’.

Zweig laat Europa achter zich en zou uiteindelijk met zijn vrouw in Brazilië zelfmoord plegen, gedesillusioneerd over de vernietiging van ‘zijn’ Europa.

Het is een boek van ruim 400 pagina’s en het geldt als een autobiografie, maar het is natuurlijk veel meer dan dat. Het laat Europa zien aan het eind van de negentiende eeuw en hoe dat continent twee oorlogen over zich heen kreeg. De hoop die ontstond in het interbellum, de ontzetting over hoe het toch weer fout ging. De onderkenning daarvan door hemzelf, de ontkenning van zoveel anderen, die daarvoor ook een hoge prijs zouden betalen. Prima lessen voor de toekomst, maar een levensgrote spiegel tegelijkertijd, want zoals het toen was is het nu; we zijn er zelf bij.

Vertaling; Willem van Toorn

c5445462db6a15d5976655a7467444341587343
Ik ben soms een hopeloos opportunistische boekenkoper, maar soms leidt dat tot mooie ontdekkingen. Ik kwam overal de nieuwe uitgaven van W.G. Sebald tegen en dus ook commentaren op zijn werk. Sebald zou de schrijver zijn die een Nobelprijs was misgelopen. Ik had wel eens van hem gehoord maar nooit iets van hem gelezen dus verdiepte mij in zijn werk, ik werd geïntrigeerd en schafte de nieuwe vertalingen aan. Dit is zijn debuutroman, Duizelingen, die eerder werd uitgegeven als Melancholische dwaalwegen.

Eerst iets over de auteur zelf. Hij werd in Duitsland, Beieren, in 1944 geboren als Winfried Georg Maximilian Sebald. Hij studeerde literatuurwetenschap en vestigde zich vanaf 1970 in Norwich in Groot-Brittannië. Hij werd professor in de Europese Letterkunde aan de Universiteit van East Anglia en begon te schrijven. Hij overleed aan de gevolgen van een auto-ongeluk in 2001.

Hoe ga je nu een boek als dit toelichten? Navertellen heeft weinig zin, het is geen boek dat toewerkt naar een plot. Het is een boek over geschiedenis, reizen, herinneringen, observaties en overpeinzingen. Toch start het ergens en wel met het verhaal van Henri Beyle die met Napoleon over de Alpen naar Italië trekt. Of het helpt dat je weet dat Beyle het pseudoniem is van de schrijver Stendhal, geen idee. Volgens mij niet. De reis die Beyle maakt, zien we later deels terug in de reis die de auteur als verteller maakt.

Die verteller bevindt zich bijvoorbeeld in Wenen om te ontsnappen aan een moeilijke tijd in Engeland. In prachtige zinnen vertelt hij hoe hij toch contact zoekt;

Er ontstaat een bijzonder soort leegte wanneer je in een vreemde stad tevergeefs telefoonnummers staat te draaien. Als er niemand opneemt, is dat een teleurstelling met een enorme betekenis, alsof het bij dit cijferspel werkelijk om leven en dood gaat. Als ik dan de munten die uit het toestel rinkelden weer in mijn zak had gestopt, restte mij dus niets anders dan weer doelloos tot diep in de nacht buiten te blijven rondlopen.

Nu heeft u wellicht de indruk dat dit één roman is, maar het boek (ruim 200 pagina’s) bestaat uit vier verhalen. In al die verhalen wordt er gereisd door de verteller, door Duitsland, Oostenrijk en Italië. In Verona volgt hij het spoor van Kafka, waarna een hilarisch fragment volgt als hij in een bus twee jongens ziet die sprekend op de schrijver lijken. Hij wil graag een foto van ze hebben maar hun ouders verbieden dat waar hij zich maar bij neerlegt om niet als een Engelse pederast weggezet te worden.

Venetië wordt onder meer het decor van de geschiedenis van Casanova en in Riva wordt er gekuurd. In de haven daar legt een schip aan en Sebald beschrijft dat als volgt;

Het duurt drie volle jaren voordat het schip, alsof het over het water wordt gedragen, zachtjes de kleine haven van Riva binnen zweeft. In de vroege ochtenduren legt het aan. Een man in blauwe overall stapt aan land en haalt de trossen door de ringen. Twee andere mannen in donkere jassen met zilveren knopen dragen een baar achter de bootsman aan, waarop onder een grote gebloemde doek duidelijk een mens ligt. Het is Gracchus de jager.

Die baar en die jager komen we later in Tirol weer tegen en dat is het vernuftige aan dit boek. Er zijn ontmoetingen met open eindes, maar ook namen en gebeurtenissen die in andere verhalen terug komen. Soms zit de verwijzing in een naam, soms in een beeld zoals het golvende riet, dat ik voorin en achterin het boek tegenkom.

Het boek is een mengeling van feiten en fictie en speelt met herinneringen en het vergeten daarvan. Kenmerkend zijn ook de foto’s die hij gebruikt en die echt onderdeel van het verhaal zijn.

Geen navertelling van het verhaal dus maar hopelijk geef ik zo een impressie van wat het boek te bieden heeft. Ik geniet van zinnen als

Ze was rijzig, had een breed, open gezicht met watergrijze ogen en een dikke bos vlaskleurig haar als van een halflingerpaardje.

Of wanneer een sfeer als volgt wordt neergezet;

Op de geoliede plankenvloer lagen plassen bier en sneeuwwater, en de rook, die in dichte wolken door de gelagkamer trok en uiteindelijk naar de gammele ventilator toe dreef, vermengde zich met de zure stank van nat leer en loden jassen en gemorste gentiaan.

Als ik er zo van kan genieten is dit meteen een compliment aan de vertaalster. Ik las ergens dat het geen boek is voor luie lezers maar wel voor trage lezers. Ik legde het soms even opzij om het te laten bezinken en dat beviel goed. Het is een boek om te herlezen en ik kijk uit naar zijn andere werk.

Vertaling; Ria van Hengel