9200000051759408
Aan de Amstel in Amsterdam staat een familiehuis. Die staan er meer in de hoofdstad, maar dit is het familiehuis van de familie Six. Een familie, die al vanaf de 16e eeuw met Amsterdam is verbonden, tot aan de dag van vandaag. In dat huis ligt een enorme verzameling aan materiaal opgeslagen over de geschiedenis van deze familie. Schrijver Geert Mak had gedurende drie jaar onbeperkt toegang en dat leidde tot het boek De levens van Jan Six. De ondertitel is Een familiegeschiedenis en dat klopt, maar het is evenzeer een geschiedenis van Amsterdam en Nederland door de eeuwen heen.

Dat is meteen de grote kracht van dit boek. We volgen de opeenvolgende Jannen Six door de eeuwen heen maar net zo interessant is de tijd waarin zij leefden. Die wordt door de auteur in talloze eindeloos interessante details weergegeven. Omdat er zo’n ontzettend groot archief is, zou dit een ontzettend dikke pil kunnen zijn, maar Mak houdt het in ruim 400 pagina’s zeer overzichtelijk en uitstekend leesbaar. Geen minpunten? Wel iets, maar niets schokkends, ik kom er nog op terug.

Het verhaal begint bij Charles Six, die in de 16e eeuw vanuit Saint-Omer in Vlaanderen naar Amsterdam trekt. De familie is in goeden doen door de lakenhandel en neemt al snel een prominente plaats in. Het verhaal van de Jannen begint met Jan Six I (1618-1700). Dit is de Jan waar in het boek steeds op wordt teruggegrepen en het is de Jan wiens portret door Rembrandt is geschilderd. Het hangt nog steeds in het huis aan de Amstel. Naast Rembrandt was Vondel een huisvriend en was de beroemde art Nicolaas Tulp de vader van zijn vrouw. Dat geeft een prachtige inkijk in onze vaderlandse geschiedenis. Mak vertelt uitgebreid over Jan Six I en zijn illustere vrienden en dat is meteen het minpuntje, de andere Jannen passeren veel sneller de revue, soms ook omdat ze minder interessant zijn of omdat er minder materiaal voorhanden is, dat wel. Overigens is achter in het boek een handige tijdlijn opgenomen met de verschillende “Jannen”, die bovendien een bijnaam hebben gekregen als ‘de rentenierende Jan’ of als ‘de professor’, zodat je altijd weet met welke Jan je van doen hebt.

Terug naar het verhaal. Ik ga geen chronologie weergeven van de inhoud, lees daar vooral het boek voor, maar ik tracht weer te geven waarom ik bleef lezen in dit boek. Dat zijn vooral de details en feiten die Mak geeft, zoals wanneer hij de inboedel van het huis aan de Amstel beschrijft;

Er staat Venetiaans glaswerk en sommige smalle drinkglazen van de 17e-eeuwse voorouders zijn er ook nog, dun en hoog om de enorme kanten kragen te ontzien. Er hangt een pomander, een fraai bewerkt korfje met amber dat deftige dames vroeger aan een kettinkje tussen de plooien van hun rokken hingen om luizen en schaamlucht te weren.

Je leert in rap tempo bij zo. Het leukst vind ik misschien wel de zijpaadjes die Mak bewandelt. Zo is er een Haagse tak die hij links laat liggen, maar waar wel snel vermeld wordt dat een achterachterkleinzoon van die tak in Tolstoj’s Oorlog en Vrede opduikt als Hollandse ambassadeur.

Jan Six II is heer van Hillegom, waar hij veel land heeft opgekocht. Dat land wordt veelal begrensd met grenspalen, die nog steeds her en der zijn terug te vinden (zie de foto hieronder). De familie blijft in goede doen en verzamelt enorm veel kunst door de eeuwen heen. Er is zoveel geld, dat Jan Six III, geheel conform de mores van zijn tijd, zelfgenoegzaam rentenierend het leven doorgaat. Dat staat synoniem voor de staat van het land. volgens sommige historici:

Johan Huizinga schilderde…de periode als een ‘grote inzinking op bijna het gehele veld van de beschaving’: ‘In de plaats van de 17e eeuw, vol leven en gedruis, schuift zich het beeld naar een 18e eeuw waarin ons land in de late middagzon van een lange zomerdag lijkt te sluimeren.’ dat beeld is, terecht, omstreden. Maar het stemt wel overeen met de bevindingen van onderzoekers naar vergelijkbare elitefamilies uit die tijd…De ondernemingslust was verdwenen, het politieke leven was gestold, maar dat was niet het enige. De mensen zelf waren veranderd.

En dat laatste is iets wat mooi wordt aangetoond in het boek. Tijden veranderen, de maatschappij verandert en een grote familie als de familie Six tracht hierin mee te gaan, terwijl ze eigenlijk vast zit in een ijzeren korset van mores en tradities. Een enkeling in de familie breekt hieruit, zoals de aangetrouwde Lucretia van Merken die een groot dichteres zou worden, of Henriette Six, die het bestond om er met een burgerman vandoor te gaan.

Wat lang in stand bleef was de immense kunstcollectie van de familie. Op enig moment hingen er honderden schilderijen in het huis, waaronder ettelijke werken van Rembrandt (waaronder Maerten en Oopjen, onlangs samen met Het Louvre teruggekocht door het Rijksmuseum), Vermeer (Het Melkmeisje en Het Straatje van Vermeer), Hals, Van Ruysdael enzovoort. Daarbij nog serviezen, glaswerk, munten, kostuums en manuscripten. Het is een geluk dat de contacten met het Rijksmuseum altijd prima waren.

Aparte vermelding verdient nog Pieter Jacob Six, zoon van Jan Six VII. Ogenschijnlijk een op zijn landgoed rondscharrelend heerschap, maar in werkelijkheid het hoofd van de Ordedienst, een op militaire leest geschoeide verzetsbeweging in de Tweede Wereldoorlog. Voor zijn daden is hij beloond met de Militaire Willems-orde en je zou een apart boek aan hem alleen kunnen wijden.

Bovenstaande geeft al aan, er is eindeloos meer te vertellen en Geert Mak doet dat een stuk meer coherent dan ik hier. Er is nog zoveel meer, de Arabische sjeik die met een Six een goed heenkomen zoekt in de V&D, het gedwongen dansje van de Hillegomse burgervader Jan Six na de Franse aftocht en waarom Lucretia pas begraven mocht worden ‘tot zij begon te rieken.’

Prachtige verhalen allemaal, maar wat ik het meest interessant vind is dat je een verhaal leest over een familie die op veel vlakken erg verstrengeld is met onze geschiedenis en waar nog talloze tastbare herinneringen van zijn overgebleven, zoals de huizen in Amsterdam, de kunstcollectie, gedichten van Vondel, hun kostuums, de grenspalen van hun landerijen of het stadhuis in Hillegom. De collectie in het huis aan de Amstel 2018 is nog steeds te bezichtigen op afspraak, maar de site leert ons wel dat, door dit boek, alles al wel volgeboekt zit tot in oktober 2017.

Lees vooral ook de besprekingen van Joke en Bettina

DSCN4425.JPG
Grenspaal landgoed Jan Six

b20a11d4dfb12ec5974634c6f41444341587343
In Wat zegt? Wat doet? Verzameld Herenleed van Armando en Cherry Duyns zijn de verzamelde teksten opgenomen van het televisieprogramma Herenleed. Dit programma werd van 1971 tot 1995 uitgezonden. Absurdistische humor in korte sketches, gespeeld door Man 1 (Armando als ‘het bescheiden heertje met bril, hoge schoenen en te krappe jasje’) en Man 2 (Cherry Duyns als ‘de verwaten heer met bolhoed, sik, opstaande snor, pandjesjas en horlogeketting’). Johnny van Doorn figureerde ook in vele gedaanten (Moeder, Kabouter, Koning) in de serie tot aan zijn dood in 1991. Het decor, vaak duinen en zandverstuivingen op de Veluwe.

Je moet er van houden en ik kan er erg om lachen. Eigenlijk werd ik hieraan herinnerd door een Facebookvriend, die hele discussies voert op het internet in de stijl van Herenleed. Ik vermaak mij daar erg mee en het deed mij op zoek gaan naar de teksten. Ik vond dit boek, ongelezen en gesigneerd door beide auteurs.

Waarom spreekt de humor mij zo aan? Ik houd van taal en het spelen met taal en dat gebeurt hier. Er worden zinnen afgekort, gezegden verzonnen en de meest kolderieke verbanden gelegd. Zomaar een voorbeeld;

Man 1 tot Man 2: Wat kunnen vaders weten hè?
Man 2: Ja, dat komt dus door die toespraak van mij, hè, dat die lui alles weten.
Man 1: Staat er nou bijvoorbeeld in uw redevoeringspapieren waarom vogels geen kuiten hebben?
Man 2: Eh…Dat zal ik even moeten nakijken…Ja, het staat erin, ja. Ja, hoor…
Man 1: O, gelukkig. Ik zag laatst een mus met boter aan z’n snaveltje.
Man 2: Vinken?
Man 1: Nee, spechten.
Man 2: O!
Man 1: Er is een giraffenmeisje geboren, overigens.
Man 2: Bah.
Man 1: Ze weegt 60 kilo en de ouders zijn overwegend trots voornamelijk.

En zo gaat het 263 pagina’s door. De teksten zijn uit de periode 1971 tot en met 1985 en ik herkende nog wel een aantal uitdrukkingen, die ik ook in de Facebookconversaties voorbij zie trekken (Vrouwen zijn touwenVogeltjes zijn rotkerels!). Door het succes op televisie is het later ook nog in de theaters gebracht, aanvankelijk met Johnny van Doorn en na zijn dood nog twee maal zonder hem. Nog een kleine proeve van de dialogen dan:

Man 2: Meneer, staat u toch eens even stil, wilt u.
Man 1: Ja, dat is het danseresje in me, dat doet me steeds bewegen, het danseresje.
Man 2: Ach juist.
Man 1: Want wat ik niet al in me heb, ik heb in me: het pelgrimmetje, het bloemenverkoopstertje, het roverhoofdmannetje, en het danseresje natuurlijk, dat zei ik al.
Man 2: Dat is veel te weinig om prat op te gaan, wilt u.
Man 1: Ik ga niet prat!
Man 2: U ging heel erg prat.
Man 1: Ja, soms ga ik wel es een beetje prat ja.

De programma’s zijn ook uitgebracht op dvd, daar moest ik maar eens achteraan gaan.

9026338090.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik kocht Catch-22 van Joseph Heller eigenlijk een beetje in een opwelling. Het boek viel op door de helgroene kaft, het is een bekende titel en levendige dialogen op de eerste pagina. De achterkant leerde mij dat dit de oorlogsroman is die alle andere overbodig maakt, dus dan schiet je meteen een eind op.

En dan ga je lezen…en wordt alles weer anders. Jazeker, het is een oorlogsroman. Het gaat over een luchtmachtbasis op het (niet bestaande) eilandje Pianosa voor de Italiaanse kust. Hoofdpersoon is Yossarian, de bommenrichter die er vast van overtuigd is dat de vijand en wellicht vele anderen er op uit zijn om hem te vermoorden. Goed, de term absurd staat op de achterkant, maar dit verwachtte ik ook niet;

‘Ze proberen me te doden,’ zei Yossarian kalm.
‘Niemand probeert jou te doden!’ schreeuwde Clevinger.
‘En waarom schieten ze dan op me?’ vroeg Yossarian.
‘Ze schieten op iederéén,’ antwoordde Clevinger…Clevinger dacht echt dat hij gelijk had, maar Yossarian had de bewijzen, omdat vreemdelingen die hij niet eens kende, telkens als hij de lucht inging om bommen op hen te laten vallen, met kanonnen op hem schoten, en dat was allesbehalve grappig.

Met stijgende verbazing en geamuseerd las ik door en snorde wat achtergrondinformatie op. Satire en absurdisme dus. Prima, daar kan ik ook mee uit de voeten. Yossarian denkt ook dat zijn eigen superieuren op zijn dood uit zijn. Het aantal gevechtsmissies dat hij moet vliegen om op lang verlof te gaan wordt telkens verhoogd. Hij verzint uitvluchten, wendt ziekte voor maar bevindt zich uiteindelijk in een catch-22 situatie. De dokter legt het uit;

‘Natuurlijk is er een catch,’ antwoordde doc Daneeka. ‘Catch-22. Iemand die geen gevechtsmissies meer wil vliegen is zo gek nog niet.’…iemand die…een bezorgdheid over zijn eigen veiligheid aan de dag legde, bewees daarmee dat hij geestelijk normaal was. Orr was gek en kon worden afgekeurd. Hij hoefde er maar om te vragen, maar zodra hij dat deed, zou hij niet gek meer zijn en zou hij meer gevechtsmissies moeten vliegen.

Het is dus een oorlogsroman, maar de vijand is niet aanwezig, hoogstens op de missies die worden gevlogen. Het boek is verdeeld in hoofdstukken die handelen over de personages op de luchtmachtbasis of over de plaatsen die worden bezocht, zoals Rome op verlof. Het zijn er veel, er trekken zo’n 50 personages in totaal voorbij en het boek telt ook goed 500 pagina’s. Boeklog vond het wat té veel, ik had er geen last van en heb mij uitstekend vermaakt. Een sterk karakter is Milo Minderbinder, die groot wordt in de zwarte handel. Hij gaat zover, hoezo absurdisme,  dat hij zelfs zijn eigen basis bombardeert;

Hij had weer een contract afgesloten met de Duitsers, ditmaal om zijn eigen onderdeel te bombarderen…Zijn bemanningen spaarden de landingsbaan en de messrooms, zodat ze netjes konden landen na hun opdracht te hebben uitgevoerd en nog een warm hapje konden eten voordat ze gingen slapen.

Er vallen talloze citaten te geven, over de legerpredikant, over de volledig ingezwachtelde soldaat in het wit (Misschien zit er niemand in), over Nately’s hoer die een grotere rol speelt dan aanvankelijk gedacht, over Majoor Major Major Major (geen tikfout) en ga zo maar door. Lees het vooral zelf.

Het is een absurdistische oorlogsroman maar ook meer dan dat. Er is aandacht voor oorlogstrauma’s en er vallen wel degelijk slachtoffers. Daarmee is het ook een anti-oorlogsroman én een aanklacht tegen het kapitalisme, in de vorm van de ongebreidelde hebzucht en expansiedrift van Milo Minderbinder. Het boek verscheen in dezelfde tijd als Norman Mailers The Naked and the Dead en Kurt Vonneguts Slaughterhouse Five en bevindt zich daarmee in een illuster gezelschap van oorlogsromans.

Achter in het boek staan een aantal documenten opgenomen die de achtergronden van het boek toelichten, onder meer één door de auteur zelf. Zo leer ik dat de titel eerst Catch-18 was, maar omdat de auteur Leon Uris een oorlogsroman uitbracht met de titel Mila-18, moest de titel aangepast worden. Het werd Catch-22 en deze term is inmiddels toegevoegd aan de Engelse woordenschat. Veel meer erkenning is er niet lijkt me.

Vertaling; J.F. Kliphuis

 

9025303560.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik zag De ballade van het treurige café van Carson McCullers toevallig liggen in de boekenweek. Opnieuw vertaald, vriendelijk geprijsd en hij stond op de verlanglijst dus die was snel aangeschaft. Daar heb ik geen spijt van.

Honderdtwaalf pagina’s, maar wat een prachtig boek. Ik word al blij van de eerste zinnen;

Het plaatsje zelf is saai. Het heeft niet veel te bieden, afgezien van een katoenfabriek, de huisjes waar de arbeiders wonen, wat perzikbomen, een kerk met twee gebrandschilderde ramen en een troosteloze hoofdstraat van nog geen honderd meter lang. Op zaterdag komen de pachters van de nabijgelegen boerderijen een dagje buurten voor een praatje. Voor de rest is het een godverlaten oord, ver weg en vervreemd van alle andere plaatsen op de wereld…Op zulke middagen in augustus, als het werk erop zit, is er helemaal niets te doen. Je kunt net zo goed naar de Forks Falls Road lopen om te luisteren naar de dwangarbeiders.

Een lang citaat om te beginnen maar het zet direct de sfeer neer waarin dit verhaal zich afspeelt. Langzaam wordt het grote, dichtgetimmerde huis geïntroduceerd, half geschilderd en verzakt, waar wellicht toch nog iemand woont.

Ooit was dat huis van Miss Amelia. Een lange, rijke, stuurse vrouw die een winkel drijft. Ooit was ze tien dagen getrouwd, maar ze heeft haar man al snel de deur gewezen. Dan komt haar neef Lymon langs. Deze gebochelde dwerg maakt iets in haar los. Ze ontdooit wat en Lymon mag bij haar intrekken. De winkel wordt langzaam omgetoverd tot een café met Lymon als stralend maar intrigerend (in letterlijke zin) middelpunt. McCullers wist mij hier te pakken met haar schrijfstijl;

Uiteraard waren ze elke ochtend in het café en vaak zaten ze uren samen bij het haardvuur boven in de woonkamer. Want ’s nachts voelde de gebochelde zich niet lekker en was bang als hij in het donker lag te staren. Hij had een diepe angst voor de dood. Daarom wilde Miss Amelia hem niet alleen onder die angst laten lijden. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het succes van het café voornamelijk aan hem te danken was. Het verschafte hem gezelschap en plezier, en het hielp hem de avond door te komen. Stel dan aan de hand van die vluchtige impressies een totaalbeeld van die jaren samen. En laat het maar even betijen.

Het maakt mij direct benieuwd naar het vervolg. Ik zal er niet teveel over weggeven. De ex van Miss Amelia verschijnt weer en dat is geen goed nieuws. Uiteindelijk verwordt het populaire café tot het dichtgetimmerde huis aan het begin van het verhaal. Dan hebben we verraad, liefde, jaloezie en geweld achter de kiezen in een ijzersterk verhaal. En het einde? Het laatste hoofdstuk heet “De twaalf stervelingen” en gaat over de dwangarbeiders op Forks Falls Road, die zingend hun werk verrichten. Wellicht zitten er wat van de hoofdpersonen tussen, misschien niet. Maar ze werden niet voor niets al genoemd aan het begin van het boek en dat maakt het verhaal prachtig rond.

Vertaling: Molly van Gelder

Overigens heeft Suzanne Vega muziek geschreven bij het werk van en over Carson McCullers, zoals Twelve Mortal Men.

1782b687ea4ebe7596933476e77444341587343
Het thema van de Boekenweek 2017 is ‘Verboden Vruchten’, en Herman Koch mocht daar met zijn novelle Makkelijk Leven inhoud aan geven. Dat heeft hij gedaan. U leest het goed, ik zeg niet ‘Dat is hem gelukt’, dat is wat anders.

Tom Sanders is een rijke en succesvolle schrijver. Zijn zelfhulpboek Makkelijk Leven is vertaald en is een regelrechte bestseller. Hij gelukkig getrouwd met Julia en heeft een zoon Dennis in Canada wonen (Mijn oudste zoon is saai – het heeft geen zin om eromheen te draaien) en een andere zoon Stefan, die getrouwd is met Hanna:

Met zijn huwelijk is het precies andersom als met Dennis. Wij vinden zijn vrouw niet leuk. Echt niet leuk.

Op een verjaardagsfeestje komen Hanna en Stefan dan ook niet opdagen. Totdat…er gebeld wordt. Hanna staat voor de deur en wil praten met Tom. Stefan, zijn favoriete zoon is over de schreef gegaan en heeft haar geslagen.

Hoe gaat de succesvolle auteur van het zelfhulpboek om als hij zelf met tegenslag wordt geconfronteerd? Hij schreef het toch zo duidelijk op voor zijn publiek. Sterker, achterin dit boek staan de regels, die feitelijk op een A4 passen keurig opgesomd;

Probeer problemen niet altijd op te lossen door eraan te denken; vaak worden ze eerder opgelost door er niet aan te denken.

Tom zoekt dus niet de confrontatie met zijn zoon. Hij ontmoet hem, maar het onderwerp wordt vermeden. Hij denkt er wel over na. Wat heeft Hanna gedaan om zijn zoon zo ver te krijgen? Hoe staat ze er zelf in?

In plaats van haar te zien als de verwende, ontevreden vrouw met wie mijn zoon nooit had moeten trouwen kon ik haar misschien wel helpen…Misschien had ze mijn zoon ook wel zo gezien: als een nieuwe aanschaf. Een espressoapparaat. Ze had hem ergens zien staan op een feestje…en ze had hem mee de dansvloer opgetrokken…En daarna was ze net als met alle voorgaande nieuwe aanschaffen ontevreden geworden.

Wellicht voelt u hem al aankomen, de hulp wordt geboden en de verboden vrucht wordt inderdaad geplukt. De succesvolle schrijver vindt overigens niet dat hij hierdoor diep valt;

Nee, ik ben niet ten val gekomen. Er zijn hooguit een paar dingen gebeurd die mij aan het denken hebben gezet. Niet meer dan een appendix…die ik vandaag de dag aan Makkelijk Leven zou kunnen toevoegen…En het opgepimpte eindresultaat vervolgens voor het volle pond in de boekwinkel leggen.

Waarbij ik overigens ‘gepimpt’ zou gebruiken in plaats van ‘opgepimpt’, maar dat terzijde.

Ik was niet helemaal tevreden met dit boek. Ik heb destijds de roman Het Diner gelezen en hier wordt toch een beetje teveel dezelfde thematiek aangehaald. Ook daar wordt men geconfronteerd met ontoelaatbaar gedrag van een zoon. Ik had wat originelers verwacht. De schrijfstijl is zoals we gewend zijn van Koch, prettig licht-ironisch, maar in die 94 pagina’s emmerde het mij af en toe wat te lang door, bijvoorbeeld over de uitweiding over de bediening in restaurants.

Samenvattend dus keurig binnen het thema maar voor mij niet zo verrassend. Op naar de volgende.

ba073eee04ebead59765a6d6e77444341587343
Twee jaar voordat F. Scott Fitzgerald zijn roman Teder is de nacht uitbracht, met veel autobiografisch materiaal, had zijn vrouw Zelda Fitzgerald al een portret gemaakt van haar leven met Scott in de, eveneens autobiografische, roman Mag ik de wals?

Zij had dat boek geschreven als werktherapie toen ze voor de tweede keer wegens mentale labiliteit was opgenomen in een kliniek in Baltimore. Haar man reageerde woedend toen ze het manuscript naar zijn uitgever stuurde. Zijn beschuldigingen waren dat Zelda hetzelfde materiaal gebruikte als waar hij mee werkte voor zijn roman, iets met gras voor de voeten wegmaaien dus. Scott beschouwde Zelda’s leven als privé-materiaal, waarop hij, als vakman, het alleenrecht bezat. Dat liep anders, het boek kwam er en de uitgever kon er wat voorschotten mee terug verdienen die al aan Scott waren uitgekeerd.

Het is een autobiografische roman, maar het was toch een wat ander boek dan ik mij had voorgesteld. Dat heeft te maken met het feit dat er toch een wat beperkter deel van hun leven wordt beschreven als dat ik in Fitzgerald’s biografie heb gelezen, ik was te verwend. Scott en Zelda worden beschreven als Alabama en David Knight. Alabama’s jeugd, hun ontmoeting en huwelijk, hun verblijf in Frankrijk, het mislukken van hun relatie en haar ineenstorting komen allemaal wel voorbij, hoewel in aangepaste vorm. Zo wordt Alabama niet wegens geestelijke ineenstorting opgenomen, maar wegens een bloedvergiftiging. Er wordt vrij lang stilgestaan bij de pogingen van Alabama/Zelda om balletdanseres te worden. Alabama zou zelfs in Napels optreden, iets dat Zelda nooit heeft gedaan.

Hoe is het boek geschreven dan? Daar is wel iets over te zeggen, de kwaliteit wisselde namelijk nogal. Allereerst, het is geen hogere wiskunde. Het is een keurig, chronologisch verteld verhaal. De tijdsprongen die er voorkomen zijn lineair, recht naar voren dus. Wat mij vooral opviel waren enkele draken van zinnen tegenover een paar prachtige vondsten en dat naast weer veel meer onbegrijpelijke (althans, voor mij) vergelijkingen. Ik wil graag vanaf het begin meegenomen worden door een verhaal. Dan helpt zin 4 van dit boek niet echt;

De meeste mensen bouwen de kantelen van hun leven met compromissen, trekken hun onneembare forten op uit verstandige toegeeflijkheid en timmeren hun filosofische ophaalbruggen met behulp van een emotioneel opportunisme en verschroeiende strooptochten in de kokende olie van zure druiven.

En dan moet je nog 230 pagina’s. Maar zet door, er komen ook mooie dingen. De volgende zin, met name het laatste deel, is prachtig:

Alabama droeg roze en gebleekt linnen en samen met David zat ze onder de vinnen van de plafondventilator die de zomer aan draaglijke stukjes sloeg.

Wauw. Dat op pagina 46 en ik ging er nog eens goed voor zitten. Zo fijn zag ik ze niet meer, maar wat ik wel veel zag waren vergelijkingen. Zo veel dat het ging opvallen. Vergelijkingen dienen een doel, ter beschrijving van een plaats of situatie, maar het moet wel hout snijden. Wellicht snap ik het niet, maar wat te denken van:

  • haar moeder verrichtte haar werk als een kasteelvrouwe die zich met een arme boer bemoeit
  • Lady Sylvia fladderde door de zaal als een ondoorschijnende massa protoplasma die over een zandbank beweegt
  • haar armen deden haar denken aan een zijlijn van de Siberische spoorwegen
  • ze werkte tot ze zich voelde als een opengereten paard in de arena dat zijn ingewanden achter zich aansleept

Geloof me, er zijn er meer, tot en met het Nederlandse jongetje dat de dijken redde. Al met al is het best een vermakelijk boek, waarvan de meerwaarde voor mij er vooral in schuilde dat er, na het lezen van de romans en biografie van F. Scott Fitzgerald, herkenbare patronen verschenen, maar nu verteld door Zelda.

Waar Scott op 44-jarige leeftijd aan een hartaanval overleed, kwam Zelda op 47-jarige leeftijd om door een brand in de kliniek waar zij toen verbleef. Tijd voor andere boeken, maar het was aangenaam vertoeven met die twee.

Vertaling; Keith Kanger Snell en Geerten Maria Meijsing

 

013d4514cd3ebfe597052696e77444341587343
Omdat ik mij wat aan het verdiepen ben in het echtpaar F. Scott Fitzgerald en zijn vrouw Zelda, mag de biografie over Fitzgerald, The Far Side of Paradise van Arthur Mizener niet ontbreken. Het boek kwam uit in 1951, dus 11 jaar na de dood van Fitzgerald. Dat heeft voor- en nadelen. Het boek kan wat gedateerd overkomen, aan de andere kant is het redelijk heet van de naald, want de primaire bronnen (zoals Ernest Hemingway) kunnen allemaal nog geraadpleegd worden.

Wat dit boek zo interessant maakt is het kijkje in de keuken van een wereldberoemd schrijver. De chronologische levensloop staat er ook in, maar die kunt u op het internet makkelijk zelf terugvinden. Wat daar niet op staat is hoe hij zijn leven van alledag terug liet komen in zijn werk. Mizener maakt veelvuldig gebruik van citaten uit het werk van Fitzgerald, om te laten zien hoe gebeurtenissen uit zijn leven omgezet werden in proza;

The code of the Southern gentleman which his father taught him at this time – the belief in good manners and right instincts – stayed with him as an ideal all his life. Nick Carraway, the narrator in The Great Gatsby who is from St. Paul, Minnesota, has been told by his father to remember, when he is tempted to criticize others, that “a sense of the fundamental decencies is parcelled out unequally at birth”. In Tender Is the Night Dick Diver’s father…has taught him the need for ‘good instincts, honor, courtesy, and courage…

Zijn verhouding en later zijn huwelijk met Zelda is een complex verhaal. Beiden zijn ze jaloers, Scott wordt een steeds grotere alcoholist en Zelda wordt gediagnosticeerd met schizofrenie. Ook met de verdiensten gaat het op en neer. Hij schrijft grote romans en veel korte verhalen maar het geld wordt er doorheen gejaagd in de periodes waarin hij niet actief is. Ze verblijven zowel in Europa, voornamelijk in Frankrijk, als in de Verenigde Staten. Hij wisselt periodes af van grote productiviteit, vaak ingegeven door geldnood, met periodes van nietsdoen. Dat is wel eens lastig toegeven:

It was a brave show, and publicly Fitzgerald did his best to make it appear that they had their lives under control; privately however, he was discouraged about the way they were living and its effect on his work. Out of one of those states of depression…he wrote…: “I’m having a hell of a time because I’ve loafed for 5 months and I want to get to work…I should like to sit down with 1/2 a dozen chosen companions and drink myself to death but I am sick of life, liqour and literature…”

Triest genoeg is dat wel wat hij deed. Zijn vrouw werd permanent opgenomen in een sanatorium. Fitzgerald bleef schrijven maar lichamelijk was hij er steeds slechter aan toe. Uiteindelijk overleed hij aan een hartaanval op 44-jarige leeftijd.

Ik heb maar twee romans van de man gelezen en die bevielen best maar hij heeft ontzettend veel meer geschreven. Mizener zet het even in perspectief:

While Hemingway was producing “the first forty-nine stories” and Faulkner around fifty, Fitzgerald was producing one hundred and sixty – not to mention thirty-odd articles, a scattering of poems, plays, and radio work, and a three years’ supply of movie scripts. Of Fitzgerald’s one hundred and sixty stories, at least fifty…are serious and succesful stories, and perhaps half of these are superb. Even if we assume that Hemingway’s forty-nine and Faulkner’s fifty are all first-rate – and this is evidently a false assumption – Fitzgerald as a serious writer of short stories compares very favorably with them both.

Voor de liefhebber is er dus genoeg te lezen. Ik ga door met werk van zijn vrouw, Zelda. Zij schreef een autobiografische roman. Zo zie ik het weer eens vanuit een ander gezichtspunt.