1473863341.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik kwam dit boek tegen op Twitter en mijn liefde voor geschiedenis en doodgewone nieuwsgierigheid deden mij besluiten om Women and the Gallows van Naomi Clifford te kopen. Het is een boek over de doodstraf in de periode 1797-1837, maar vooral over de vrouwen die ter dood werden veroordeeld.  Het zijn persoonlijke portretten die veel weergeven over de omstandigheden waartoe zij tot hun daad kwamen, waarvoor zij uiteindelijk aan de galg belandden.

Het boek telt rum 200 pagina’s en is verdeeld in drie delen. Een deel over vrouwen die veroordeeld werden voor misdaden ten opzichte van een persoon (in de regel moord), een deel voor misdaden ten opzichte van bezit (valsemunterij, diefstal, fraude) en een chronologisch overzicht van alle bekende verhalen over de vrouwen die de doodstraf hebben gekregen in de beschreven periode.

Het boek maakt al snel duidelijk dat de straffen in onze ogen streng waren. Fraude, het stelen van een schaap, het in brand steken van een hooiberg, het waren redenen om de doodstraf toe te kennen. Daar werd later anders tegenaan gekeken en het boek bevat een tijdlijn over de ontwikkeling van de vergrijpen en de strafmaat. Boeiende materie, maar wat mij het meest aansprak en waarom ik het boek wilde lezen, zijn de persoonlijke verhalen. Zonder uitzondering schrijnend, het maakt veel duidelijk over hoe men leefde in die tijd.

Zo werd Esther Hibner, 61 jaar, tot de galg veroordeeld vanwege de dood van de 10-jarige leerlinge Frances Colpits. Ze moest werken onder loodzware omstandigheden;

…the apprentices were given little to eat. That winter was especially cold but the apprentices, who slept…on the floor of the workshop, were protected only with a thin blanket…They were woken at two or three in the morning and worked until ten or eleven at night…For not working fast enough…the Hibners…beat Frances with a rod, cane or slipper, or knocked her to the floor with her their fists.

Er staan verhalen in over moeders die hun pasgeboren baby’s ter dood brachten. Daar stond ook de doodstraf op, maar rechters waren niet altijd even meedogenloos. Vaak werd driftig gezocht naar redenen om de vrouw vrij te spreken, zoals de “benefit of linen defence”. Het in huis hebben of zelfs maar de vraag om babylinnen te lenen zou aangeven dat een vrouw voor haar kind had willen zorgen en dus vrijgesproken kon worden. Een vrouw kon uitstel van executie proberen te verkrijgen “by pleading her belly”, ofwel aangeven dat ze zwanger is. Er volgt dan wel een onderzoek door een aantal dames maar indien zwanger, dan mocht het kind ter wereld komen.

Het verhaal van Eliza Ross is er ook één. Zij was een ‘burker’, vernoemd naar William Burke, die mensen vermoordde om hun lichaam te verkopen aan chirurgen die het gebruikten voor ontledingen. Hoe wrang dat het lichaam van Eliza datzelfde doel diende na haar dood. William Clift, die haar ontleedde, tekende haar toen ze op zijn tafel lag (zie de tekening hieronder).

Fraude, valsheid in geschrifte en valsemunterij waren ook redenen om gehangen te worden. Charlotte Newman werd veroordeeld en zij schreef een bewogen brief aan de Bank of England (die geen formeel pardon kon geven maar het hielp wel in de praktijk). Die brief ligt nog steeds in hun archieven:

…Let Mercy be blended with justice. It is yet in your power to save the life of an unhappy sufferer which I most earnestly implore of you. How sweet will be the hours of reflection when you can rest upon your pillow and commune with God & yourself that life which if taken from one God’s creatures you have not power to give. A few days, nay hours, will determine this awful event.

Haar verzoek werd afgewezen en ze moest de kar op naar de galg. Ook dat wordt in veel gevallen beschreven uit ooggetuigenverklaringen. Vrouwen die schijnbaar onbewogen hun lot tegemoet treden, vrouwen die hun zinnen verliezen, een touw dat breekt waardoor er een uur uitstel volgt, het boek biedt een fascinerende inkijk in het leven van  “the unfortunate wretches before they were being launched into eternity“.

elizabeth-ross-7
Eliza Ross, getekend door William Clift

Advertenties

be84eb29790c569592b56375251444341587343
Lambert Giebels heeft een uitgebreide biografie geschreven over de eerste president van Indonesië. Soekarno Nederlandsch onderdaan is het eerste deel en beschrijft de periode van 1901 tot 1950. Bijna 500 pagina’s dik en deel twee, dat de jaren 1950 tot 1970 beschrijft is nog net wat dikker. Het is dan ook niet alleen een biografie van Soekarno, het is ook de biografie van Indonesië zelf. Nu heb ik een beetje in dat land rondgereisd dus ik las dit boek met belangstelling.

Soekarno was een intelligente leerling die zich al snel voor politiek begon te interesseren. Hij werd gevormd door de eerste nationalistische partij, de Sarekat Islam, wiens voorzitter nog even zijn schoonvader werd. Hij schopte het tot ingenieur, maar zou al zijn tijd besteden aan politiek. Zijn doel was een onafhankelijk Indonesië en hij voorspelde al een grote oorlog in de Pacific, die voor Indonesië van belang zou kunnen zijn. Hij kon aardig voorspellen….

Hij kon ook aardig praten. Hij was een charismatische man die wel steeds driestere uitspraken deed, waardoor hij uiteindelijk gevangen gezet werd door het Nederlands gezag. Het valt ook te begrijpen waar zijn aversie tegen die Hollanders vandaan kwam. Uitspraken van Gouverneur-generaal De Jonge, een stereotype kolonialist, hielpen niet echt;

‘My predecessor made too many promises. I always preface my remarks to the nationalists with one sentence: “We the Dutch have been here for three hundred years; we shall remain here for another three hundred years. After that we can talk.”‘

In de gevangenis zien we ineens een andere kant van Soekarno. Hij schrijft maar liefst vier smeekbrieven om onder zijn straf uit te komen. Uiteindelijk wordt hij verbannen naar het eiland Flores. Daar schrijft hij de Pantja Sila, de vijf zuilen die tot op heden de staatsfilosofie van Indonesië vormen.

Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Nederland heeft ineens een stuk minder te vertellen en Soekarno zoekt de samenwerking met de bezettingsmacht, met de Japanners. Daar komen ook de termen vandaan waardoor hij niet in een best daglicht staat bij ons. Collaborateur, de Indonesische Mussert enzovoort. Dat heeft twee kanten natuurlijk. Hij zocht de meest pragmatische weg naar onafhankelijkheid. Nederland ging hem die niet geven. Aan de andere kant zorgde hij voor tienduizenden arbeiders voor de Japanners, waarvan hij wist dat het gros niet zou terugkomen. Dat nam hij op de koop toe.

Ondertussen was Soekarno al aan zijn derde huwelijk toe, met de veel jongere Fatmawati. Giebels weet hierover zelfs een cliffhanger te schrijven;

Fatmawati had een vooruitziende blik. Maar als Soekarno de moeder van vier van zijn kinderen later inruilt voor de ervaren courtisane Hartini, zal hij ontdekken dat het dorpsmeisje uit Benkoelen zich heeft ontwikkeld tot een sterke persoonlijkheid, die het hem danig lastig zou maken, tot en met zijn politieke val toe.

Kijk, zo krijg ik zin om verder te lezen. Er volgt dan ook genoeg. De onafhankelijkheidsverklaring en het anarchisme van de Bersiap-periode. Dat laatste hield in het paraat staan ten opzichte van iedereen die “Merdeka” of vrijheid in de weg zou staan. Er volgden pogroms op de Chinese inwoners die er van verdacht werden met de Nederlanders te heulen. De Nederlanders voerden hun politionele acties uit en arresteerden Soekarno weer. Deze werd vernederd wat zijn haat alleen maar meer voedde. Hij kreeg uiteindelijk huisarrest bij het Tobameer op Sumatra, een oord waar hij overigens veel bewegingsvrijheid had en op zijn wenken bediend werd. Uiteindelijk werd hij na een wapenstilstand vrijgelaten en zou hij in 1945 de eerste president van Indonesië worden.

Een dik boek maar het is vlot geschreven, ik heb het achter elkaar uit gelezen. Het duizelt je af en toe wel van de partijen en organisaties die worden opgericht en weer ten onder gaan, maar daar kan je vrij makkelijk overheen lezen. Ik ga niet te lang wachten met deel twee.

9400403100.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Sapiens, Een kleine geschiedenis van de mensheid door Yuval Noah Harari kwam ik tegen op het blog van Jacqueline en verder in iedere boekwinkel waar ik binnen liep. Door de lovende bespreking werd ik nieuwsgierig en ook ik ben enthousiast.

Je moet het maar aandurven om die geschiedenis in een kleine 450 pagina’s weer te geven. Hij doet dat aan de hand van drie grote revoluties. De cognitieve revolutie die 70.000 jaar terug begon, de agrarische revolutie van zo’n 12.000 jaar terug en de wetenschappelijke revolutie die pas 500 jaar terug op gang kwam. Het boek vertelt wat voor impact die revoluties op de mens en haar mede-organismen hadden.

Maar het boek begint bij het begin en drukt ons meteen met de neus op de feiten:

Homo sapiens zag zichzelf lange tijd liever los van het dierenrijk…Maar zo zit het gewoon niet. Of we het nu leuk vinden of niet, wij zijn leden van een grote, opvallend lawaaiige familie, namelijk die der grote mensapen…De chimpansees staan het dichtst bij ons. Nog maar zes miljoen jaar geleden kreeg een vrouwelijke mensaap twee dochters. Eentje werd de voorouder van alle chimpansees, de andere is onze eigen grootmoeder.

Hoofdstuk voor hoofdstuk wordt uit de doeken gedaan hoe we gekomen zijn tot waar we nu staan. Opvallend is dat we vooral heel veel niet weten. Zo weten we niet goed of de homo sapiens de neanderthalers heeft vervangen, of dat ze naast elkaar hebben geleefd. Er zijn verschillende theorieën over. Nieuwe manieren van denken en communiceren kenmerkten de cognitieve revolutie. Harari legt uit waarom de sapiens-taal zo speciaal was, dat hij ons in staat stelde de wereld te veroveren.

Waar wij zo’n 2,5 miljoen jaar lang planten verzamelden en jaagden op dieren, veranderde dit zo’n 10.000 jaar terug met de overgang naar landbouw. Wij gingen dieren domesticeren en Harari laat haarscherp zien dat zij de grootste slachtoffers van deze revolutie zijn.

De auteur maakt talloze uitstapjes naar andere onderwerpen, zoals het geloof, normen en waarden en samenwerkingsverbanden. Ook hier zitten mooie eye-openers tussen. De zinsnede uit de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring bijvoorbeeld, dat alle mensen gelijk zijn geschapen en door hun Schepper begiftigd zijn met onvervreemdbare rechten, wordt biologisch even geduid:

Volgens de wetenschappelijke discipline die we biologie noemen zijn mensen niet ‘geschapen’. Ze zijn geëvolueerd. En ze zijn absoluut niet geëvolueerd als ‘gelijken’…Evolutie is gebaseerd op verschillen, niet op gelijkheid…Volgens de biologie zijn mensen niet alleen niet geschapen, maar er is ook geen ‘Schepper’ die hen met wat dan ook ‘begiftigd’. Er is alleen een blind evolutionair proces zonder enig doel dat leidt tot de geboorte van individuen.

Ook het Franse “vrijheid, gelijkheid en broederschap” kent zo’n contradictie. Gelijkheid impliceert immers het inperken van vrijheden van personen, anders krijgen we de rijken nooit gelijk aan de armen. Verfrissend om te lezen.

Harari stelt zichzelf voortdurend vragen. Hij doet steeds een stap terug om het grote geheel te overzien. Waar was die Franse revolutie nu goed voor? Opgewekte Fransen waren na die revolutie nog net zo opgewekt en depressieve Fransen nog net zo depressief (“Biologen zouden de Bastille nooit bestormd hebben”).

Dan de wetenschappelijke revolutie. In een paar honderd jaar hebben we zo’n vooruitgang geboekt dat zelfs ‘de dood’ wordt aangemerkt als een technisch probleem. Nog even en we kunnen eeuwig leven, dodelijke ongelukken daargelaten. De economische vooruitgang wordt beschreven en het belang van geld. Het wordt ineens heel duidelijk hoe makkelijk een bank kan omvallen.

Toch is Harari niet onverdeeld positief over onze prestaties;

Tot slot kunnen we onszelf alleen feliciteren met de ongekende successen van moderne sapiens als we het lot van alle andere diersoorten volkomen buiten beschouwing laten. De hooggewaardeerde materiële rijkdom die ons behoedt voor ziekte en honger is grotendeels vergaard over de ruggen van laboratoriumaapjes, melkkoeien en lopendebandkippen…Als we ook maar een tiende geloven van wat dierenrechtenactivisten beweren, dan zou de moderne industriële landbouw weleens de grootste misdaad uit de geschiedenis kunnen zijn.

Hij is niet bang stelling te nemen want het is zelfs zijn eindconclusie; dat het sapiensregime op aarde weinig heeft voortgebracht om trots op te zijn. Wellicht dat hij wat lichtpunten geeft in de opvolger van dit boek, Homo Deus, Een kleine geschiedenis van de toekomst.

Vertaling; Inge Pieters

9023454588.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Toen was hij er ineens; de vuistdikke biografie van Jan Wolkers, Het litteken van de dood, door Onno Blom. Ik wist dat hij er aan zat te komen, dat Blom er 10 jaar aan had gewerkt en ik keek er wel naar uit. Waarom? Ik heb maar één boek van Wolkers gelezen en twee films gezien die op zijn boeken zijn gebaseerd. Maar ik was bekend met zijn kunstwerken en ik heb het altijd een markant figuur gevonden, hij was vaak in de media te vinden. Daarom wilde ik die kleine 1000 pagina’s graag lezen.

Toch had het boek bijna niet nu verschenen, er was nogal wat om te doen. Blom zou op de biografie promoveren, maar het manuscript werd in eerste instantie afgewezen door de promotiecommissie. Blom zou te dicht bij zijn hoofdpersoon zijn gebleven en te weinig de tijdsgeest hebben beschreven waarin Wolkers acteerde. Dat is een opvatting, maar de manier van schrijven van Blom is dat ook, dus werd de commissie ontbonden en werd er een nieuwe aangesteld, die wel akkoord ging (overigens geheel volgens de regels). Voilà, het boek kon toch uitgebracht worden, tien jaar na het overlijden van Wolkers.

Blom had de opdracht van Wolkers zelfs gekregen en had de beschikking over zijn uitgebreide archief. Wolkers bewaarde werkelijk alles. Uit het boek wordt duidelijk dat iedere ontmoeting, gebeurtenis of gesprek input vormde voor zijn kunst. Een beeld, boek, artikel, toneelstuk, gedicht, schilderij, hij was van veel markten thuis. Wolkers ging zelfs zover dat hij ongezien een bandrecorder liet meelopen bij gesprekken met zijn ouders, geliefden en zelfs op begrafenissen, om zo puur mogelijke reacties te verkrijgen.

Hieruit volgt ook dat veel van zijn werk een sterk autobiografisch karakter heeft. Zijn leitmotieven zijn ook helder; een liefde voor de natuur, een afkeer van het geloof, fascinatie voor de dood en een ongebreidelde seksuele drift. Bij dat laatste nam hij in zijn boeken geen blad voor de mond, hij noemde alles bij naam, precies zoals we dat in het echt ook doen, zo was zijn redenatie. Hij gooide ‘en passant’ de seksuele moraal er wel even mee om in de tijd dat zijn boeken verschenen.

Zo’n dik boek geeft uiteraard een stortvloed aan informatie. De chronologie wordt keurig gehandhaafd. Er is uitgebreid aandacht voor zijn jeugd en opleiding. Dat geeft een goed beeld van hoe hij tot zijn werken komt. Zijn huwelijken en kinderen spelen ook een grote rol, zeker de dood van zijn dochtertje Eva. Wolkers is niet monogaam en heeft een voorliefde voor jonge vrouwen. Welke relatie hij ook heeft, zij zal andere vrouwen moeten gedogen. Zijn laatste liefde, Karina, kon hier het beste mee omgaan.

Zijn beelden en sculpturen waren alom geliefd en zijn boeken waren dat ook. Bij het publiek dan. Hij was tijdenlang de best verkopende auteur van het land, maar ieder boek kreeg steevast vernietigende kritieken van een vast clubje. Dat was het enige wat een beetje een opsomming werd in dit boek. Het volgende boek, goed verkocht, veel kritiek, verongelijkte Wolkers, volgend boek, goed verkocht enzovoort.

Maar, het leest verder geweldig weg, ik heb mij geen moment verveeld. Wolkers komt naar voren als een authentiek mens. Apart, maar bevlogen en op vele vlakken autodidact. Het moest wel allemaal volgens zijn spelregels. Zo was zijn ex-vrouw Annemarie Nauta verbolgen over het feit dat Olga uit Turks Fruit op haar gebaseerd was. Wolkers had hier zijn eigen verhaal bij;

‘Ik heb natuurlijk autobiografische elementen gebruikt, maar Turks Fruit is een roman, geen autobiografie. Ik heb veel vrouwen gekend en een aantal vrouwenfiguren in elkaar geschoven, gecombineerd tot Olga. Eén echte complete Olga heeft nooit bestaan’. 

Maar tegen regisseur Paul Verhoeven had hij een ander verhaal opgehangen:

‘We waren geschokt’ zegt Verhoeven. ‘Of een deel van de bodem onder ons vandaan was getrokken. Wij dachten allemaal écht dat Olga dood was. En nu bleek ze te leven…En Wolkers had ons toch maar mooi al die tijd de leugen laten verkondigen dat Olga dood was. Daar hebben we echt van moeten bijkomen.’

Het boek staat vol met dergelijke verhalen en je volgt zijn ontwikkeling van tomeloze kunstenaar tot de broze oude man die hij uiteindelijk werd. Broos, maar vol liefde voor zijn tweeling en zijn vrouw. Broos, maar blijvend scherp, zoals toen hij last had van wondroos; ‘Jan Peter Balkenende had dat ook’, zei Wolkers, ‘maar die had het verdiend.’

Wolkers, een grote robuuste vent met aparte trekjes maar een oorspronkelijk mens, die een dergelijke biografie wat mij betreft verdient. Ik mis hier geen tijdsgeestbeschrijvingen. Een gevoelsmens ook en laat ik daarmee afsluiten, als hij beseft dat hij verhuist, weg van het huis waar zijn dochter Eva is overleden;

Van alle plekken in huis waaraan hij herinneringen had, maakte er één hem nog altijd radeloos en misselijk van verdriet. Het was de plek op de muur waar de handjes van Eva hadden gestaan. ‘Godverdomme ja, tiny little finger-prints,’ schreef hij in Een roos van vlees. ‘Het was chocoladepasta. Ze had allebei haar handjes tegen de muur gedrukt. Misschien heb ik haar er wel een standje voor gegeven. Ik probeerde ze weg te wassen nadat ze was doodgegaan. Het ging niet.’

9068687417.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Lezers van dit blog weten dat ik mij al even bezig houd met Parijs en zijn kunstenaars. Van Joke kreeg ik de tip voor dit boek, Nederlanders in Parijs 1789-1914 van Mayken Jonkman. Jonkman is naast auteur ook samenstelster van dit boek, waaraan nog 8 auteurs hebben deelgenomen én zij is de motor achter de gelijknamige tentoonstelling in het Van Gogh Museum in Amsterdam. Jonkman heeft, als conservator bij het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis in Den Haag, de afgelopen drie jaar onderzoek gedaan naar die Nederlanders in Parijs.

Tussen 1789 en 1914 reisden er minstens 1136 Nederlandse kunstenaars naar Parijs. Ze werden aangetrokken door de continue ontwikkelingen in de Franse kunst en door de vele mogelijkheden op het gebied van opleidingen, carrièrekansen, een opkomende kunsthandel, een kooplustig publiek en de vele museale collecties. Omdat 1136 artiesten wat veel wordt, worden er hier negen belicht. Mij bekende schilders als Van Gogh, Mondriaan en Breitner, maar ook mij onbekende schilders als Gerard van Spaendonck, Ary Scheffer en Frederik Hendrik Kaemmerer passeren de revue.

Jonkman begint echter met een inleiding over het Parijs van de 19e eeuw en met een stuk over de Nederlandse schilderkunst op de Wereldtentoonstellingen in Parijs. Die Wereldtentoonstellingen, de Salon (een tweejaarlijkse tentoonstelling van levende kunstenaars) en de Académie des Beaux-Arts waren cruciaal in de kunstwereld van die tijd. Carrière binnen dit circuit stond garant voor succes.

Neem nu Gerard van Spaendonck (1746-1822). Hij was gespecialiseerd in decoratieve bloemschilderkunst. Rond 1770 was er geen betere plaats om daarin carrière te maken dan in Parijs. Hij reisde er naar toe en binnen enkele jaren was hij hofschilder aan het hof van Lodewijk XV, ontwierp hij serviezen voor de porseleinfabriek in Sèvres en was hij botanisch kunstenaar in de Jardin des Plantes. Hij werd ook tekenmeester en werd gezien als een belangrijke katalysator door al zijn functies. Mede door zijn schilderijen kregen Nederlandse 17de-eeuwse stilleven-schilders algemene bekendheid in Frankrijk.

Ary Scheffer (1795-1858) was ook een bijzondere. Hij wist zich op te werken tot vertrouweling van het koningshuis en bewoog zich door het hele kunstenaarsspectrum van Parijs. Hij was één van de kunstenaars die gevraagd werd om stukken te schilderen voor het museum van de Franse geschiedenis dat in het paleis van Versailles zou worden gevestigd. Hij was ook een spil tussen de Nederlandse en Franse kunstwereld, door zijn hulp aan schilders uit beide landen.

Ik kende Johan Barthold Jongkind (1819-1891) niet, maar hij kwam in Parijs terecht op uitnodiging van de Franse schilder Eugène Isabey. Jongkind schilderde er prachtige werken met de Seine-oever als onderwerp. Hij werd bekend en de beruchte criticus Edmond de Goncourt zei over hem;

‘Hij heeft op zijn schildersezel een doek staan van een buitenwijk van Parijs, met een leemachtige oever in een heerlijk mengsel van kleuren. Hij laat ons gezichten van Parijs zien, van de wijk Mouffetard, de omgeving van Saint-Médard, waar de verrukking van de grijze kleuren van de Parijse pleisterkalk door een tovenaar lijkt te betrapt in een waterige schittering’

Zijn stijl veranderde en dat is mooi te volgen in dit boek. Zozeer zelfs, dat hij geprezen wordt als vader van het impressionisme. Ik had geen idee.

Via Jacob Maris (1837-1899) leerde ik over de landschapsschilders en het belang van het plaatsje Barbizon, aan de rand van het Forêt de Fontainebleau. Maris toog erheen om het landschap daar te schilderen. Hij was niet de enige, men spreekt zelfs van de School van Barbizon. Veel Nederlandse schilders waren gevoelig voor deze Franse natuurbeleving en getuigden hier weer van in hun eigen werk.

Frederik Hendrik Kaemmerer (1839-1902) ging met Jacob Maris naar Parijs, op uitnodiging van kunsthandel Goupil & Cie. In dit hoofdstuk wordt duidelijk wat de rol van de kunsthandel is en dat ze vaak, zoals bij Kaemmerer, schilders exclusief aan zich binden en hen zelfs als agenten inzetten om nieuwe schilders voor hen te werven. Zo werd tegenkracht geboden aan de grote invloed van de Salon en de Académie.

Dan George Hendrik Breitner (1857-1923). Hij was een figuurschilder en trok in Den Haag op met Vincent van Gogh. Zijn leertijd in Parijs begon in 1884. Hij zag zichzelf als ‘le peintre du peuple’, zijn werkwijze was vooral het zwerven door de stad en het vastleggen van het alledaagse leven. Breitner schilderde ook, in navolging van Degas, naakten en ballerina’s. Dat was nog niet eerder door een Nederlander gedaan;

Hoewel de aanleiding voor de naakten zeker gezocht moet worden in zijn kennismaking met de moderne Franse schilderkunst, gaf Breitner er een eigen invulling aan: voor de heldere kleur van zijn Franse collega’s ging hij niet overstag. Zijn gamma bleef rembrandtesk, zijn expressiviteit rauwer dan de mondaine sensualiteit van Degas of Manet.

Een mooi voorbeeld van de Franse invloed op een Nederlandse schilder en dat is ook te zien bij Vincent van Gogh (1853-1890). In dit boek is goed zijn ontwikkeling te volgen van de donkere schilderijen uit zijn Nuenense periode, waar hij een realistische boerenschilder was, tot zijn exuberante kleurstellingen in zijn Zuid-Franse periode. Die ontwikkeling liep via Parijs en daar zie je zijn palet, onder invloed van de kleuren van Delacroix, steeds meer opklaren en helderder worden.

Kees van Dongen (1877-1968) vond ik zelf een openbaring. Ik kende zijn schilderij De blauwe japon al vanuit het Van Gogh Museum, maar zijn andere werk was een eye-opener. Hij trok aanvankelijk naar Parijs om zijn krachten te wijden aan het ‘vrijheidslievend’ socialisme. Hij bevond zich onder meer midden in de Dreyfusaffaire. Hij schilderde ook en hoe. Zijn meesterwerk is ‘A la Galette’, een doek op groot formaat dat het uitgaansleven van de ‘arbeidende klasse’ toont. Vreselijk om te lezen en zien dat dit doek versneden is in zes afzonderlijke doeken, die nu wereldwijd verspreid zijn.

Tot slot las ik over Piet Mondriaan (1872-1944). Hij schilderde aanvankelijk volgens de Haagse en de Barbizon-school. Keurig herkenbaar werk dus. Hij toonde zich vooralsnog ongevoelig voor het impressionisme en ander modern werk zoals van Van Gogh. Vanaf 1907 veranderde dat. Zijn belangstelling voor theosofie leidde een zoektocht in naar de verbeelding van een hogere, spirituele levensessentie. Minder tijd en beweging, meer versterkte kleuren. Hij zei;

‘Wat als eerste veranderde in mijn schilderijen was de kleur. Ik zag af van natuurlijke kleuren ten gunste van zuivere kleuren. Ik was tot het inzicht gekomen dat kleuren uit de natuur niet op doek zijn te reproduceren. Instinctief voelde ik dat het schilderen een nieuwe weg moest vinden om de schoonheid van de natuur tot uitdrukking te brengen,’

Mondriaan kwam onder invloed van het ‘luminisme’, een techniek waarmee de verf in korte streken wordt aangebracht in heldere, veelal ongemengde kleuren. Mondriaan maakte een eerste reis naar Parijs en kwam in aanraking met het ‘kubisme’ en met de werken van Picasso, die hij bewonderde. Hij ging meer in die stijl werken en ondervond er kritiek op, onder meer van Willem Steenhoff, onderdirecteur van het Rijksmuseum;

‘zelfs Mondriaan, die op een onzalig oogenblik zich aan het dogma van het Cubisme onderwierp, heeft in een duinlandschap op een volkomen onverantwoorde wijze de methode toegepast, te goeder trouw meenend, dat de stompzinnige regelmatigheid van als langs een lineaal stijf en languit getrokken lijnen, de suggestie zou geven van een strenge rust en ruimte. De ongemotiveerdheid van ’n paar rechtzijdige vlakken, als tapijtjes, bij den voorgrond, versterken slechts de zinledigheid van het geheel.’ 

Gelukkig ging Mondriaan door. Hij vertrok voor een tweede keer naar Parijs en zijn werk werd steeds abstracter. Fascinerend om te zien dat in een volledig abstract werk als Schilderij No.II / Compositie No.XV in de vijf kruizen bovenin toch iets te herkennen is uit de ‘gewone wereld’. Ze komen overeen met het uitzicht uit zijn atelier op de seinbrug (goed kijken) van Gare Montparnasse, die ook dergelijke kruisen heeft. Als om aan te geven dat zijn werk nog steeds wortelt in alledaagse werkelijkheid.

Daarmee is dit een vrij uitgebreide recensie geworden maar ik kon niet anders. Ik heb veel bijgeleerd, vind het erg fascinerend en ik ga zeker de tentoonstelling in het Van Gogh Museum nog bezoeken. Lees hier het verslag van Bettina van haar bezoek.

b82a01d32a1b39459684f686e41444341587343
Ik had de klassieke muziek een klein jaar op een laag pitje gezet en kwam toen dit boek tegen, Alles begint bij Bach van de schrijver en muziekjournalist Merlijn Kerkhof. De auteur wilde een toegankelijk boek schrijven voor diegenen die meer willen weten over klassieke muziek, maar niet goed weten waar te beginnen. Kerkhof zegt;

De angst voor klassieke muziek is de angst voor het onbekende. Veel mensen zijn bang om in een doolhof van terminologie te belanden…Met dit boek wil ik die angst bestrijden. Ik wil de mensen helpen die de weg naar de concertzaal niet weten te vinden en hen verleiden om met mij mee te gaan, zodat de zaal voller en , naar verhouding, iets minder grijs wordt.

Nu reken ik mijzelf niet echt tot de doelgroep dus ik was benieuwd of het boek mij iets kon brengen. Na wat inleidende hoofdstukken belanden we al snel bij Bach, de grootste volgens Kerkhof. Dat alle muziek daar ook begint, daar valt van alles op af te dingen, maar bij dit boek moeten stokpaardjes gedoogd worden. De keuze voor de componisten die voorbij komen is tamelijk arbitrair. Vivaldi, Schubert, Beethoven, Schönberg, Sjostakovitsj en Pärt krijgen bijvoorbeeld eigen hoofdstukken, net als het orgel waar Kerkhof zo van houdt.

Maar…dat maakt allemaal niet zo veel uit. Want dat gezegd hebbend vind ik de auteur erg onderhoudend en met vaart schrijven. Naast componisten worden er thema’s bij de kop gepakt, zoals de populariteit van de requiems. Daar worden de verschillende requiems bijvoorbeeld mooi op een rij gezet. Waarom heeft Nederland wel een Mondriaan en geen Mozart? Waar loopt de Bach van de toekomst? Vragen die mij nieuwsgierig maakten om te gaan lezen.

Kerhkof’s taalgebruik is vlot en van deze tijd. Schubert wordt doodleuk naast Amy Winehouse en Kurt Cobain gezet en je leest over de pornografische ritmes van de Sacre du Printemps. Ik houd van de onderkoelde humor die in het boek zit, zoals over de achtste symfonie van Mahler;

Vanwege de gigantische bezetting wordt het stuk ook wel de Symphonie der Tausend genoemd. Al heb je er niet per se duizend man voor nodig: met vierhonderd lukt het ook wel.

Onvermijdelijk las ik veel bekende verhalen maar ik heb toch wat opgestoken. Ik wist niet dat Wagner onder een pseudoniem een essay had gepubliceerd waarin hij Mendelssohn fileerde. Ook qua muziek heb ik de nodige tips opgedaan, met name over recentere werken, zoals het stuk let me tell you (zonder hoofdletters) van de Deen Hans Abrahamsen (1952) en Become Ocean van John Luther Adams (1953). Voor mij is dat altijd winst. Een absolute meerwaarde van dit boek zijn de luisterlijsten op Spotify. Bij bijna ieder hoofdstuk zijn uitgebreide muziekvoorbeelden ter beschikking gesteld, zodat je echt met dit boek aan de slag kunt. Ze staan op terwijl ik dit schrijf. Wil je alvast wat beluisteren, ze staan hier. Voor beginners een aanrader, maar ik ben blij dat ik het ook gelezen heb.

902257511X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Daar is hij dan, Het Eeuwige Vuur van Ken Follett. De langverwachte opvolger van Pilaren van de aarde en Brug naar de hemel. Het derde boek op rij waarin de fictieve plaats Kingsbridge in Engeland als uitgangspunt wordt genomen. Het eerste deel speelde zich af in de 12e eeuw, het tweede deel in de 14e eeuw en met dit boek bevinden we ons in de 16e eeuw, in het Tudor-tijdperk.

We zien dan ook dat Kingsbridge niet meer de centrale plaats van handeling is. Follett breidt zijn toneel aardig uit, en wel naar Antwerpen, Parijs, Sevilla en zelfs naar De Nieuwe Wereld. Voor fans van de eerste twee, gewoon lezen dit boek want Kingsbridge speelt wel degelijk een rol, er gebeuren genoeg ellendige én mooie dingen volgens het vaste recept van Follett.

Wat is dat recept? Het kundig mengen van historische figuren en gebeurtenissen met verzonnen romanfiguren. Het opstarten van verschillende verhaallijnen op verschillende plaatsen en deze mooi bij elkaar laten komen. Met zijn ruim 850 pagina’s is het boek niet zo dik als zijn voorgangers maar wordt het weer mooi afgerond.

En dan heb ik nog niets over het verhaal zelf gezegd. Hoofdpersonen zijn Ned Willard en Margery Fitzgerald, die we in hun jeugd ontmoeten in 1558. Ze willen trouwen, maar de één is protestant en de ander katholiek. Voilà, de rode draad. Follet creëert zijn drama’s op persoonlijk niveau en vertaalt deze naar het grote politieke toneel, waar het gaat om de strijd tussen de protestantse koningin Elizabeth en de katholieke Maria Tudor. De verhaallijn in Sevilla volgt de broer van Ned, Barney. Hij wordt uiteindelijk kanonnier en kapitein en zal Engeland verdedigen tegen de Spaanse armada. In Frankrijk woedt ook een felle strijd tussen protestanten en katholieken. Centrale figuren zijn hier de protestantse boekverkoopster Sylvie, die later met Ned zou trouwen, en de intrigant Pierre Aumande. Deze wil zich omhoog werken via de adellijke familie De Guise en speelt een rol die leidt tot de beruchte Bartholomeusnacht, waarbij de katholieken meedogenloos afrekenden met de protestantse elite.

Voor de rest geef ik niets weg, lees het vooral zelf. Het is bijna schandalig hoe snel je door dit boek heen bent en daarmee vind ik het dus een goed boek. Ja, er zitten best weer wat toevalligheden in om het verhaal goed te laten lopen (Spaanse schone duikt onverwacht handig op in Parijs om informatie door te spelen) maar dit stoort mij niet, het houdt de vaart erin.

Follett is naar eigen zeggen drie jaar en drie maanden met schrijven bezig geweest. Uiteraard zit er veel research in zo’n boek, zo leer ik uit een interview met hem. Hij heeft alle plaatsen bezocht die hij heeft beschreven, musea bezocht en huizen en kastelen bezichtigd die in die tijd gebouwd waren. Verder natuurlijk literatuuronderzoek. Hoe zag de kleding eruit, waren er al vorken, hoeveel kilometer kan een paard afleggen in een dag, welke wapens werden er gebruikt? Ook dat vind ik de kracht van zijn boeken, de details zijn mooi uitgewerkt, zoals wat er bij komt kijken om een scheepskanon tijdig te laden.

Ik heb geen enkel bericht gehoord over een vervolg, wel over de voltooiing van een trilogie. Follett is nu 68 en hoeft het voor het geld niet meer te doen, met zo’n 160 miljoen verkochte boeken, maar wie weet…hij vindt het ongelofelijk leuk om te doen, dat schrijven.

Vertaling; Joost van der Meer en William Oostendorp