9029542845.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Begin vorig jaar las ik van journalist Ronit Palache haar bloemlezing over Ischa Meijer en aan het einde van 2020 verscheen haar nieuwe boek in de Privé-Domein serie over Renate Rubinstein; Bange mensen stellen geen vragen.

Ik heb het werk van Rubinstein niet gelezen maar weet wel dat ze haar stem deed gelden in haar boeken en colums, zoals die in Vrij Nederland onder haar pseudoniem Tamar. Voordat ik dit boek las keek ik naar een boeiend gesprek over Renate Rubinstein door onder meer Ronit Palache, Theodor Holman en Roxane van Iperen, waarbij actrice Olga Zuiderhoek fragmenten van dit boek voorleest.

Palache geeft aan in haar inleiding dat Rubinstein de eerste columnist in Nederland was. Dat hield ze 29 jaar vol, met twee korte tussenpozen. Ze begon op de vrouwenpagina en in haar eerste stuk maakte ze daar op kenmerkende wijze al gehakt van:

‘Ik ken geen krant die er een mannenpagina op na houdt.’

Zo, de toon is gezet. Rubinstein neemt geen blad voor de mond en was, ook volgens eigen zeggen, lang niet altijd aardig. In een interview met Theo van Gogh noemt Boudewijn Büch haar zelfs een ‘naar mens’ (het is terug te vinden op YouTube). Palache laat haar aan het woord door artikelen, columns, boekfragmenten en brieven op te nemen met thema’s als haar jonge jaren, oorlog en jodendom, zelfportret, maatschappij, liefde, feminisme en ziekte en gezondheid. Je krijgt zo een behoorlijk goed beeld van waar Rubinstein over schreef en hoe ze over die zaken dacht.

Net zoals bij Ischa Meijer is het niet verwonderlijk dat de oorlog een thema is in haar leven en werk. Haar vader werd vermoord en zij heeft de oorlog lang op zijn terugkomst gewacht. Over de oorlog zegt zij;

Wat in die tijd nog het meeste indruk op mij maakte, waren de verhalen over meisjes die kaalgeschoren werden omdat ze in de Jeugdstorm gezeten hadden of met moffen gingen. Hun lot beangstigde mij omdat het de vraag opwierp hoe je van tevoren zou kunnen weten wat goed was en wat fout. Mijn ouders waren Duitsers, dus ik ook en als mijn vader niet joods was geweest dan had ik misschien iets gedaan wat door en door verkeerd was, dacht ik…hoe moet je handelen en hoe kun je weten wat goed is en wat slecht voor het te laat is?

De Weinreb-zaak was mij bekend maar ook daar staat een prachtig verhaal over in. Het is een polemiek tussen Rubinstein en ‘die ophitser in Parijs’, de schrijver Willem Frederik Hermans over het gedrag van de joodse schrijver Weinreb in de oorlog.

Het mooie van de stukken in dit boek is dat ze soms een tijdsbeeld geven, maar ze zijn er ook op uitgekozen omdat ze voor deze tijd ook nog zeer relevant zijn. Als Rubinstein het heeft over antisemitisme stelt ze;

Ik bedacht…dat voor extreem domme mensen het antisemitisme een vorm van intellectualiteit (intellectuality) is, de enige vorm waartoe zij in staat zijn. Het vertegenwoordigde, op rudimentaire wijze, het vermogen om in categorieën te denken en te generaliseren.

Er zijn er genoeg die dit vandaag de dag in hun zak kunnen steken en je zou het ook kunnen doortrekken naar de complotdenkers en corona-ontkenners van vandaag. De beeldenstorm die we onlangs in Nederland hebben gehad, waarbij beelden werden aangevallen van historische figuren met een bedenkelijke rol in de geschiedenis? Rubinstein schreef er al over en het staat in dit boek.

Er is veel te lezen in ruim 500 pagina’s. Over haar verhouding met Simon Carmiggelt, over haar ziekte multiple sclerose en over haar opvattingen over de maatschappij en het feminisme. Maar ook over alledaagse zaken als roddelen komt ze scherp uit de hoek. Je kan roddelen over rare gewoontes van mensen, hun onhebbelijkheden soms, maar:

Al deze dingen zijn ongetwijfeld…van een bepaalde hoek bekeken heel verkeerd, maar het lukt mij niet de hoek te vinden waarvandaan zij er allemáál verkeerd uitzien.

Inlevend vermogen is haar geenszins vreemd. Humor touwens ook niet;

En toen hij doodging was hij niet tevreden en niet ontevreden, wel dood.

Ik heb talloze citaten opgeschreven en dat geeft voor mij aan dat ik dit boek met interesse en plezier gelezen heb. Als laatste wil ik nog wijzen op het prachtige portret dat er in staat van de Duits-Britse socioloog Norbert Elias, een goede vriend van Rubinstein. Het is nu dertig jaar geleden dat Renate Rubinstein overleed. Hans Goedkoop is al in 1994 met haar biografie begonnen, maar zoals Theodor Holman betoogde in zijn column in Het Parool, wellicht moet hij zijn geloofsbrieven overhandigen aan Ronit Palache; ik zou het toejuichen.

 

1fa3918ad118f51597868775467444341587343_v5
Françoise Sagan was achtien jaar toen ze het manuscript inleverde voor haar beroemdste roman, Bonjour tristesse. Dat was in 1954 en het boek deed aardig wat stof opwaaien in die tijd. Het is geen dik boek en de plot is snel verteld. De zeventienjarige Cécile is met haar vader Raymond op vakantie in een villa aan de Middellandse Zee. Raymond is al vijftien jaar weduwnaar maar een behoorlijke losbol en hij wordt vergezeld van zijn vriendin op dat moment, Elza. Die is aardig wat jaren jonger dan Raymond en ze is een danseres in de bars op de Champs-Elysées in Parijs.

Raymond vertelt hen plompverloren dat Anne op bezoek komt. Anne was een vriendin van Cécile’s moeder en meer van Raymond’s leeftijd. Dat valt niet goed bij Elza en die pakt haar koffers. Cécile ziet de bui al hangen en dat klopt, Raymond verkondigt met Anne te gaan trouwen. Anne is rustig en bestendig, heel wat anders dan het leven dat Cécile en haar vader nu leiden.

Cécile heeft inmiddels een leuke jongen ontmoet op vakantie, Cyril. Met de komst van Anne verandert er inderdaad het nodige. Cécile wordt door Anne naar haar kamer gestuurd om te studeren en Cyril mag ze niet meer zien. Dat staat haaks op het levensmotto van Cécile dat ze ontleent aan Oscar Wilde;

‘De zonde is het laatste beetje kleur, dat in onze moderne wereld nog overgebleven is.’

Ze komt in opstand maar soms denkt ze er ook anders over. Ze kijkt op tegen Anne, is soms een beetje bang voor haar maar toch…;

Was ik trouwens niet gelukkig? Anne was immers goed en vrij van alle bekrompenheid? Zij zou me leiden, de verantwoordelijheid voor mijn leven op zich nemen en mij onder alle omstandigheden de weg wijzen die ik moest volgen. Ik zou volmaakt worden en vader met mij.

Uiteraad loopt het anders. Zij smeedt met Elza en Cyril een complot om Anne weg te krijgen. Cyril en Elza moeten doen of ze verliefd op elkaar zijn om haar vader jaloers te krijgen. Waar ze al eens gezakt was voor haar examen en er verder maar wat op los leefde met haar vader, merkt Cécile ineens dat ze met dit plan de aandacht heeft en dat iemand moeiteloos kon doorgronden en voor zich kan gebruiken, in dit geval Elza die haar vader graag terug wil winnen.

Ze moeten geduld hebben en Cécile en Cyril ontmoeten elkaar tussendoor in het geheim om elkaar te beminnen, maar langzamerhand lijkt hun plan te slagen. Cécile denkt in haar opportunisme dat het wel goed komt met haar vader;

Toen ik het plan had opgevat Anne uit onze kleine gemeenschap te stoten, had ik niet aan hem gedacht; ik wist immers dat hij wel troost zou vinden, zoals hij zich steeds had weten te troosten: een breuk met Anne zou voor hem minder erg zijn dan een ordelijk leven; werkelijk lijden en ten onder gaan kon hij alleen door een sleurleven zonder opwindende verrassingen, evenals ikzelf trouwens. Wij behoorden tot hetzelfde ras, hij en ik; nu eens noemde ik het in mezelf een prachtig ras van nomaden, dan weer een miserabel zooitje genieters.

Ik geef weinig weg hoop ik als ik zeg dat het verhaal niet voor iedereen goed afloopt. Wat bijzonder is aan het verhaal dat het een hedonistisch leven schildert van een zeventienjarig meisje en haar losbandige vader. Ze drinkt whisky, rookt en heeft onbekommerd sex met haar vriend en dat was nogal een ding in die tijd. Sagan was even oud als haar hoofdpersoon en soms vond ik het opmerkelijk hoe je op die leeftijd dialogen kan schrijven vanuit de veel oudere Anne:

‘Je vormt je van de liefde een al te simplistisch denkbeeld. De liefde heeft niets te maken met een opeenvolging van op zichzelfstaande lichamelijke gewaarwordingen…’…’Er is ook blijvende tederheid, de zachtheid, de pijn van het gemis…Allemaal dingen, waar jij nog niets van kunt begrijpen.’

Daar komt bij dat Sagan een tweedeling heeft gemaakt tussen de naïeve Cécile in het eerste deel en de veel meer berekende Cécile in het tweede deel die denkt de personages naar haar hand te kunnen zetten. Het verhaal eindigt tenslotte met de titel, Bonjour tristesse, als laatste woord, dat Sagan ontleende aan het gedicht ‘A peine défigurée’ van Paul Eluard, dat begint met de verzen ‘Adieu tristesse / Bonjour tristesse’. Kortom, er valt genoeg te beleven en te vertellen over een roman van toch maar 159 pagina’s.

Vertaling; Hubert Lampo

 

9000373735.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
U kent natuurlijk de term ‘de donkere middeleeuwen’. Dat lijkt een door ons bedachte term om een periode vol geweld, ziektes en andere ellende aan te duiden en het was ook niet altijd aangenaam toeven in die tijd, maar als het gaat om kennis en wetenschap, dan kunnen we dat begrip gerust omzetten en dat is wat Seb Falk doet met De Verlichte Middeleeuwen. Het is een ontdekkingsreis door de middeleeuwse wetenschap, zo zegt de ondertitel, en dat was een aspect wat gerust onderbelicht was in de boeken die ik tot nu toe over dit tijdperk las.

Het begint met de wetenschapper Derek Price, die in 1951 in de bibliotheek van Cambridge een manuscript ontdekt dat ‘aanwijzingen voor de vervaardiging van een astrolabium’ bevat. Een astrolabium is een instrument om de banen en posities van planeten en vaste sterren te bepalen. Omdat Price het woord ‘chauc’ in dat manuscript herleidde tot ‘Chaucer’, als in Geoffry Chaucer, de schrijver van de Canterbury Tales, vond hij dat een ontdekking van formaat, hoewel hij wist dat diezelfde Chaucer al een handleiding had geschreven dat Treatise on the Astrolabe heette.

Lang verhaal kort, het manuscript (dat de naam Equatorie of the Planetis kreeg) bleek toch van een monnik, broeder Johannes Westwyk. Falk gebruikt deze monnik en zijn reizen om het verhaal van de middeleeuwse wetenschap aan ons te vertellen. Dat doet hij in 346 pagina’s en ik waarschuw maar vast, daar moet u soms aardig het hoofd bij houden.

Het begint nog allemaal overzichtelijk met een hoofdstuk over tijdrekenkunde. Toen er nog geen mechanische klokken waren moesten monniken toch iets bedenken om op tijd op te staan voor hun gebeden en daar gebruikten ze een waterklok voor. Rond 1300 begon echter de uurwerkrevolutie en Falk noemt de mechanische klok meteen de belangrijkste uitvinding uit de middeleeuwen. De uren werden toen gelijkgeschakeld, want ‘ongelijke uren’ waren nog gangbaar. In de zomer waren de twaalf dag-uren langer dan de twaalf nacht-uren en in de winter was dat omgekeerd. Natuurlijk komen in de rekenkunde de ‘oude’ Romeinse cijfers voor, maar werden de nieuwe Arabisch-Indische cijfers al snel omarmd. Als u even oplet leert u zelfs hoe u tot duizend kunt tellen op één hand. Die nieuwe cijfers bereikten al snel alle verhandelingen over rekenkunde – door middeleeuwse vertalers aangeduid als algorismus als eerbetoon aan Musa al-Khwarizmi, een negende-eeuwse geleerde uit Centraal-Azië. Ons woord ‘algoritme’ is nog aan hem ontleend.

Van al die rekenkunde is het dus een kleine stap naar astronomie en alles wat daarmee samenhangt. De mythe dat men in de middeleeuwen dacht dat de aarde plat was kan overboord, want de Griekse filosoof Eratosthenes wist al een vrij nauwkeurige schatting van de omtrek van de aarde te maken. Falk legt nauwkeurig uit hoe hij dat aanpakte. De middeleeuwse wetenschappers borduurden dus voort op kennis die terugging tot de oude Grieken. Daarbij werden instrumenten ontwikkeld om de baan en posities van sterren en planeten te bepalen zoals genoemd astrolabium, een armillarium of een torketum. We komen zelfs uit bij een albion, een planetaire supercomputer uit die tijd, die alle beschikbare functies in zich verenigde. Onbekende termen? Falk legt het u haarfijn uit en hij weet zelf ook wel dat hij gedetailleerd is;

Lezers wie het na deze laatste twee alinea’s is gaan duizelen verkeren in goed gezelschap. Mensen hebben altijd grote moeite gehad met driedimensionaal denken. Daarom waren armillaria zo nuttig. Het probleem was dat ze ook buitengewoon lastig te maken en dus duur waren.

Waarbij een armillarium weer een model is in een sferische kooi van een globe met koperen ringen om de kosmos uit te beelden. Als daar dan de snarentabellen van Ptolemaeus nog bijgehaald worden die in de middeleeuwen nog steeds als trigonometrische tabellen worden gebruikt werken mijn hersenen op volle toeren om het bij te benen (met mijn Alpha-achtergrond). Toch vind ik het razend interessant om te lezen. Het blijkt dat al die moeite om kennis te vergaren van de astronomie én de astrologie (wat nu als een pseudo-wetenschap wordt beschouwd maar toen serieus werd beoefend) belangrijk was voor navigatie op land, op zee maar ook bijvoorbeeld voor de geneeskunde. Falk maakt dat hier duidelijk;

Het idee dat de mens, bestaand uit elementaire materie, een micro-kosmos en dus een afspiegeling van het heelal was, manifesteerde zich het duidelijkst in de geneeskunde. Ieder lichaamsdeel van hoofd tot voeten werd geregeerd door een zodiakteken, van Ram tot Vissen. ‘Een arts kan niet genezen,’ schreef Robertus Angelicus in zijn commentaar op Sacrobosco’s De Sphaera Mundi, ‘als hij de oorzaak van de ziekte niet kent. En die oorzaak kan niet worden gekend als de beweging en de positie van de hemellichamen niet worden begrepen.’

Wij kijken daar iets anders tegenaan nu maar het belang van de ontwikkelingen in die tijd is onmiskenbaar. De monnik Johannes Westwyk neemt deel aan een kruistocht waar navigatie en geneeskunde uitgebreid aan bod komen. Hij zal later, na terugkomst, nog een belangrijk astronomisch werk schrijven, zijn Traktaat over het Equatorium. Met dit planetaire instrument kon men de positie van planeten in een paar minuten bepalen. Falk legt geduldig de stappen uit hoe je met zo’n equatorium de astronomische lengte van een planeet bepaalt. Voor een complete horoscoop zou je dat met iedere planeet moeten doen maar hij verwijst meteen naar een website waar u dat fijn zelf kunt uitproberen.

Het is een zeer interessant boek dat helder de lijnen uitzet van de klassieke en Arabische werken en geleerden die in de middeleeuwen werden vertaald. Universiteiten werden opgericht en theorieën over astronomie en astrologie werden verfijnd. Er werden klokken ontworpen en vraagtekens gezet bij de gebruikte kalenders. Arabisch-Indische cijfers werden omarmd en men experimenteerde met geneesmiddelen uit de hele wereld. Wiskunde, navigatie en zelfs alchemie zorgden voor technieken die we nog steeds gebruiken. Het komt allemaal aan bod. Is het een lastig boek? Ja, soms wel maar een beetje inspanning voor zo’n boek is niets vergeleken met de inspanningen die men in het verleden heeft gedaan om alles te doorgronden. Om met Isaac Newton te spreken, ‘we staan op de schouders van reuzen’.

Vertaling; Conny Sykora

09db4af6242315b5971394a7751444341587343_v5
Mijn lieve gunsteling van Marieke Lucas Rijneveld is de opvolger van De avond is ongemak en speelt zich ook af op het platteland waar de auteur zelf zo bekend mee is. Dat spreekt uit het hele boek. De hoofdpersoon is een veearts, die liefde opvat voor een veertienjarig meisje. Hij komt voor de dieren bij haar vader op de boerderij en verliest daar zijn hoofd en hart aan haar.

De veearts wordt Kurt genoemd en het verhaal wordt vanuit hem verteld. Dat verhaal wordt opgetekend in 363 pagina’s en is het is een behoorlijke rollercoaster waar je in stapt. Waarom? We lezen voornamelijk gedachten. Zijn gedachten, maar je leert ook het meisje, zijn lieve gunsteling, goed kennen. Er zijn wel hoofdstukken, maar verder wordt het verhaal achter elkaar verteld, zonder witregels of alinea’s.

Dan moet je aardig kunnen schrijven om mijn aandacht vast te houden, zeker omdat Rijneveld er niet voor terugdeinst om lange zinnen te gebruiken. Toch vormde dit geen enkel probleem, ik las het boek achter elkaar uit.

Het is schokkend om te lezen hoe Kurt het vertrouwen van het meisje weet te winnen. Hij speelt in op haar interesses die liggen in de muziek, maar ook in toneel en film (de clown uit Stephen King’s horrorfilm It is een constante in dit boek). Hij speelt met songteksten en met haar fantasie. Zij zegt hem namelijk met Hitler en Freud te spreken en vertelt dat zij verantwoordelijk is voor de ramp met de Twin Towers in 2001. Zij is die tweede toren naar binnen gevlogen. Hij hoort het aan, gebruikt het en komt steeds meer nader tot haar.

Rijneveld heeft zich ook goed ingelezen want ze gebruikt veel fragmenten uit de Bijbel, uit de wereldliteratuur en uit allerlei film- en songteksten en doet dat zo dat het iets aan het verhaal toevoegt. Kurt noemt haar zijn ‘praaldier’ en dat lijkt rechtstreeks ontleend aan Gerard Reve (zijn boek Lieve Jongens wordt ook genoemd) en de termen ‘hazengrauwen’ en ‘deemstering’ kom ik weer bij Maarten ’t Hart vaak tegen. Waar ze in haar vorige boek strooide met (overigens goed gevonden) vergelijkingen is ze daar nu zuiniger mee, maar ze zijn stuk voor stuk raak en hebben vaak betrekking op het leven op de boerderij of Kurt’s werk als veearts. Ook de herhalingen werken prima. Al snel koopt Kurt een matras van ‘koudschuim en traagschuim’ die hij achterin zijn Fiat legt voor hen en die matras komt vaak terug en wordt pas op het einde naar de stort gebracht.

Het is natuurlijk een heftig verhaal maar het wordt in haarfijn taalgebruik toch duidelijk verteld. Reviaans soms, als het gewei (dat ook op de voorkant van het boek niet ontbreekt) dat overal opduikt;

…ik fluisterde dat het volgende keer geweientijd was, alsof we naar een toneelstuk gingen, naar een vertaling van Beckett, ik fluisterde dat er verschillende geweien bestonden, mooier en groter dan die van het kindeke Jezus, dan die van het engeltje, dat je het gewei zou mogen strelen zo lang je maar wilde, en toen schokte je nimfijne lichaam, het schokte zo prachtig mooi, zo verrukkelijk, als een onderhuidse aardbeving en ik zou daarna de stilte willen wegpraten, ik wilde niet zien hoe ontheemd je was, hoe je jezelf voor het eerst echt verloren had en de aardbeving botscheurtjes veroorzaakte, nee, ik praatte over Beckett, over zijn beroemdste stuk Waiting for Godot…

De zin was al begonnen en gaat nog door na dit fragment, in een lange maalstroom van gedachten. Soms is er een glimp van de toekomst, als Kurt praat tegen de magistraten waarvoor hij zich moet verantwoorden. Het komt allemaal uit door haar broer die haar dagboekfragmenten leest en als Kurt zijn mail open laat staan. Zijn vrouw Camillia komt erachter en confonteert hem ermee, maar verlaat hem wonderlijk genoeg niet.

Al met al een rijk boek dat ik met veel plezier las en wat mij betreft een bevestiging van de Bookerprize die Rijneveld vorig jaar ontving.

9025464122.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Een man met goede schoenen is een verhalenbundel van Rob van Essen. Van Essen heeft deze verhalen in de afgelopen zes jaar geschreven en deels eerder gepubliceerd in De Gids, het NRC Handelsblad of op zijn eigen blog. Het zijn twintig verhalen in 254 pagina’s, dus dat leest prettig door.

Wat moet ik hier nu over vertellen? Het zijn in ieder geval verhalen zoals ik ze nooit eerder gelezen heb en ik vind ze prachtig. Ik heb het afgelopen jaar de verhalen van Maarten Biesheuvel gelezen en daar heb ik echt van genoten, maar dat heb ik dus ook van deze verhalen. Waar zit hem dat in? Dat ga ik proberen uit te leggen.

Van Essen schrijft verhalen die ogenschijnlijk normaal beginnen. Normale mensen in normale situaties. Maar geen enkel verhaal is normaal. Ieder verhaal krijgt een bijzondere, soms absurde wending.

Hoe reageer je als je in de supermarkt ziet dat iemand exact hetzelfde als jij hebt gekocht en het in dezelfde volgorde op de band heeft gelegd? Waarom neem je een zwerver in huis en knipt en schrobt hem tot hij piekfijn in orde is? Misschien is dat nog te volgen, maar in het verhaal De therapeut bezorgde Van Essen mij echt een ervaring door een wending die ik niet had voorzien en mij bedacht ‘wat is hier nou aan de hand?’. Dat ga ik u niet verklappen, maar het gaat om David die gesprekken voert bij een therapeut, met hem moet meerijden naar zijn geboortedorp en dan een eind voor dat dorp wordt afgezet om naar zijn geboortehuis te lopen. Als hij daar aankomt en naar binnen kijkt…heel apart…en dat is het mooie aan dit boek, er gebeuren dingen die de verteller niet begrijpt, maar wij dus evenmin.

Stelt u zich eens voor dat er iemand bij u aanbelt en die besluit bij u te blijven. En u en uw wederhelft gaan hier in mee, ondanks het feit dat deze jongeman ’s avonds laat met een tamboerijn op de gang een hoop herrie maakt. Voorstelbaar? Toch gebeurt het in De lastigste logé sinds tijden.

U zit op een terras bij een café en kijkt naar een man die een jenevertje drinkt. Als hij klaar is, weet u nog niet dat u hem de rest van de avond gaat volgen…dergelijke zinnen gebruikt Van Essen trouwens ook in zijn verhalen en ook die houden de aandacht vast;

In Bier van Hier zaten Joost en André aan een tafeltje bij het raam. Ze keken uit op de plek aan de rand van het Sarphatipark waar Scipio zou worden doodgeslagen. Er stond nog geen monumentje, want Scipio leefde nog, hij stond naast me.

Lang niet alles wordt verklaard. Waarom jongens eerst vijftien kilometer naar school moeten fietsen en na een bezoek aan de kruidenier met een paar minuten op school zijn, moet u vooral zelf gaan lezen. Bijzonder is ook het verhaal van de man die iedere dag een vaste wandeling maakt. Als hij een keer van zijn route moet afwijken komt hij in een buurt terecht waar men hem kent, en waar hij de buurt kent. Hij gaat zelfs met de buurtbewoners naar zijn graf kijken. Vreemd? Lees het maar.

Net zo fascinerend is het verhaal over de man in een revalidatiecentrum. Aangereden door een dame die is doorgereden na het ongeluk. Alleen zit zij ook in dat centrum, in een rolstoel. Vreemd? Jazeker, maar dit maakt echt dat ik maar blijf doorlezen in dit boek.

Hoe is het nu te vatten hoe dat werkt, die wendingen in een verhaal, zonder teveel prijs te geven? Misschien door te citeren uit het korte verhaal De man die weer naar buiten wilde. Een man loopt over de Reguliersgracht en loopt voorbij een donkergroene deur van een pand;

Achter de donkergroene deur van het pand waar ik langsliep, hoorde ik geklop. ‘Binnen!’ riep ik joviaal. De deur werd geopend en er stapte een magere man naar buiten. Hij droeg een grijs pak en een loshangende regenjas.

‘Ja?’ vroeg hij aarzelend.
‘Goedemiddag,’ zei ik opgewekt, ‘ komt u verder.’
De man daalde de stenen treden af en keek om zich heen. ‘Hier woont u?’ vroeg hij.
‘Hier woon ik,’ knikte ik.
‘Ruim,’ zei de man terwijl hij naar het water en naar de wolken keek.

Als u denkt dat dit vreemd is dan is er nog het verhaal over de jongen in de boekhandel die met een klant meegaat om zijn boeken tot zijn huis te brengen, en zich even later afvraagt hoe hij kan ontsnappen aan zijn leven om met andere jongens metro’s schoon te maken die niet komen voorrijden zoals u en ik gewend zijn. Ik ga het ook verder niet uitleggen, lees het allemaal zelf maar, het zijn prachtige verhalen.

9403118415.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In Berlijn laat muziekjournalist Leo Blokhuis zien wat de invloed is van de muziek die in de loop der jaren in de Duitse hoofdstad is gemaakt. Het is de plek waar verschillende muziekstijlen samen zijn gekomen. Theater- en klassieke muziek, popmuziek en het gebruik van (vaak primitieve) elektronica zorgen voor iets wat kosmische Musik wordt genoemd en Blokhuis toont de invloed aan op de hedendaagse popmuziek.

Het vertrekpunt is de Eerste Wereldoorlog en de staat van het land Duitsland in die tijd. De Weimarrepubliek is jong en er is politieke onrust. Rosa Luxemburg, een jonge politica wordt vermoord en hier duiken we meteen de muziek in. Bertold Brecht schrijft een lied over de moord, ‘Ballade vom ertrunkenen Mädchen’. We nemen dan een reuzensprong naar David Bowie, die het nummer ook heeft vertolkd als ‘The Drowned Girl’. En dat is ook de opzet van het boek, om de hele boog te maken van de ontwikkeling tot aan de muziek van David Bowie en de muziek die deze vernieuwer in Berlijn heeft gemaakt, tot aan zijn invloed en de invloed van andere Duitse bands op de muziek van nu.

In die vroege periode zijn vernieuwers belangrijk zoals de componisten Arnold Schönberg en Paul Hindemith. Componisten, maar ook schilders als Kandinsky en Kokoschka passen in dat beeld. Het gaat hen om het uitdrukken van emoties en expressionisme, niet zozeer om mooie klanken en beelden. De Amerikaanse componist Edgar Varèse komt naar Berlijn en hij experimenteert met elektronische muziek, net als Hindemith. Frank Zappa is fan van Varèse en wordt door hem beïnvloed. Ook de film is belangrijk en films als ‘Metroplis’ inspireren bands Queen en Kraftwerk.

In de Tweede Wereldoorlog vluchten veel kunstenaars naar het buitenland. Veel kunst wordt in Duitsland door Hitler en zijn bewind als Entartet beschouwd en wordt verboden. Maar er gebeurt ook iets belangrijks, voor de muziek wel te verstaan;

In de donkeren jaren waarin de nationaalsocialisten voor een creatieve kaalslag in Duitsland zorgen, bloeit er nog een roos door de scheur in het zwarte asfalt. Harold Bode werkt in 1937…aan het Warbo Formant Orgel.

Dat orgel overleeft de oorlog niet maar Bode ontwikkelt door en komt met de Melochord. Als Bode in Amerika belandt bouwt ene Robert Moog verder op zijn werk en een beetje muziekliefhebber weet dan dat de eerste commerciële synthesizer het licht ziet. Het geluid van de Moog is op talloze hits te horen (‘I Feel Love’ van Donna Summer en ‘Autobahn’ van Kraftwerk om maar iets te noemen).

Na de oorlog is de scheiding tussen de Duitslanden een feit en wordt de muur gebouwd. Berlijn is cultureel kapot en achtergebleven geallieerden worden op hun rock-‘n-roll getrakteerd door Nederlandse indo-rockers, maar ook door The Beatles die daar optreden. Gelukkig wordt er volop geëxperimenteerd en Pierre Schaeffer is daar een voorloper in. Hij gebruikt concrete geluiden voor zijn opnames, zoals treingeluiden in zijn ‘Etude aux chemins de fer’. Zijn invloed op Kraftwerk en Bowie is onmiskenbaar. Amon Düül is zo’n experimentele band die oerklanken gebruikt in zijn optredens. Ook Popol Vuh is een band die bekend wordt met zijn dromerige muziek en is een vertegenwoordiger van de kosmische Musik.

De Duitse experimentele muziek slaat aan in Groot-Brittannië. Brian Eno is fan en Mike Oldfield laat zich met zijn ‘Tubular Bells’ ook inspireren. David Bowie wordt ook aangetrokken door de ontwikkelingen in Berlijn en verhuist naar de stad. Blokhuis besteedt relatief veel aandacht aan de drie ‘Berlijnse albums’ die Bowie uitbrengt en die, soms tot verdriet van zijn platenmaatschappij, afwijken van wat hij daarvoor uitbracht. Ook zijn vriendschap met Iggy Pop en diens belangrijke album ‘The Idiot’ worden toegelicht. Blokhuis legt uit hoe de invloeden van de Berlijnse muziekscene doorwerken in hun muziek, met name de invloed van groepen als Kraftwerk en Neu!. Ook Kraftwerk krijgt veel aandacht en dat is niet voor niets. Hun invloed op groepen als U2, The Human League en Orchestral Manoeuvres in the Dark is onmiskenbaar. Tenslotte besteedt Blokhuis nog aandacht aan de Neue Deutsche Welle. Dat is de stroming die de punk en new wave voortzet in Duitsland. Een groep als Einstürzende Neubauten is de grondlegger van de industrial; muziek met een straffe Motorik-beat gemaakt met bouwmateriaal, elektrisch gereedschap, gebroken glas en metalen voorwerpen. Blokhuis waagt zich aan beluistering;

…feit is dat je veel doorzettingsvermogen nodig hebt om het debuutalbum Kollaps uit 1981 integraal te beluisteren. Ik heb het gedaan, huisgenoten en passanten kwamen regelmatig vragen wat er precies gesloopt werd, terwijl de Poolse bouwvakkers bij de buren zich waarschijnlijk afvroegen of iemand hen in de zeik zat te nemen. Maar toch, bleef ik mezelf voorhouden: luister, vrij van alle bestaande conventies die over muziek bestaan, omarm Varèses definitie van muziek, namelijk dat het ‘georganiseerd geluid’ is en vind iets niet meteen ‘gek’ of ‘raar’.

Het is met 227 pagina’s geen dik boek en er zitten veel prachtige illustraties in, maar de grote meerwaarde zit hem erin dat Blokhuis in kort bestek een heldere uiteenzetting geeft van de ontwikkeling van de muziek in Berlijn vanaf de Eerste Wereldoorlog tot nu. Hij schetst ook het tijdsbeeld waarin die muziek gemaakt werd en het allerbelangrijkste; Blokhuis heeft een lange Spotify-lijst gemaakt met alle muziekfragmenten die hij in het boek noemt (zoek op Spotify naar Leo Blokhuis Berlin). Je gaat van Schönberg en Stockhausen via Marlene Dietrich en Bertold Brecht naar David Bowie, Kraftwerk, Brian Eno en U2. Neem de tijd om ook te luisteren naar Einstürzende Neubauten en Neu!, Amon Düül, Wolf Biermann en Pierre Schaeffer. Dat is zeer de moeite waard.

 

c6f0aaf3f0be953596c71387651444341587343_v5
The Game of the Name is een vermakelijk boek van Aad Knikman en Menno Evers, waarin zo’n 2000 namen worden verklaard van popgroepen uit het verleden en heden. Nu is ‘verklaard’ wel een wat ambitieus verhaal hier, want in een aantal gevallen is er toch weinig tot niets bekend over de herkomst van zo’n naam.

Het boek is in eigen beheer uitgegeven en dat heeft voor- en nadelen. Een voordeel is dat de auteurs geen last hebben van een scherpe redactie. Ze schrijven voor de vuist weg met licht ironische toon en soms met humor. Een nadeel is dat de auteurs geen last hebben van een scherpe redactie. Er staan wel wat foutjes in bij het afbreken van woorden of verwijzingen naar foto’s die ontbreken. Dat neemt niet weg dat ik het boek met plezier heb gelezen.

Veel van die namen zijn natuurlijk overbekend maar ik heb er zelden bij stil gestaan waar ze vandaan komen. AC/DC is een prima band maar dat de afkortingen stonden voor wisselstroom/gelijkstroom wist ik niet. The Commodores is ook een beroemde band en die haalden hun naam uit…het woordenboek. Soms is de kennis die je opdoet een tikje teleurstellend, want ook een band als The Grateful Dead bediende zich van deze methode.

Dan liever een mooi verhaal en gelukkig zijn die er ook genoeg. De Britse groep Keane werd vernoemd naar de beste vriendin van de moeder van de zanger. Zij pastte op hem toen zijn moeder aan kanker overleed. De band Level 42 dankt zijn naam weer aan het getal 42, dat immers het antwoord op alles is, zoals blijkt uit het boek The Hitchhikers Guide to the Galaxy. Nog mooier is het verhaal van Amerikaanse band Lynyrd Skynyrd. Die is bij wijze van subtiele wraakoefening vernoemd naar de nogal rechtlijnige gymnastiekleraar van de bandleden, Leonard Skinner.

De meest onbegrijpelijke bandnamen hebben vaak begrijpelijke verklaringen, zoals Hootie and the Blowfish;

Vrijwel iedereen lijkt het er over eens te zijn dat met de bandnaam (twijfelachtige) eer wordt bewezen aan twee vroegere schoolkameraden van zanger Darius Rucker. De ene kameraad, met een bolle kop en een ziekenfondsbrilletje op, werd Hootie genoemd vanwege zijn uilachtig uiterlijk (Amerikaanse uilen zeggen geen oehoe, maar hoot). De andere kameraad beschikte over geprononceerde wangen à la Dizzy Gillespie, wat hem de bijnaam Blowfish opleverde.

Met humor, maar de auteurs worden soms vilein in hun stukjes, zoals wanneer de Eurythmics zangeres Annie Lennox omschreven wordt als een zangeres met een ‘Anita Witzierachtige verschijning maar dan met tienmaal zoveel talent’. Tikje onnodig wat mij betreft. Verder zijn de mogelijkheden en redenen om bandnamen te verzinnen eindeloos. Steden, straten, huisnummers en afritten dienen als inspiratie. De Bijbel, literatuur (Shakespeare, Wiliam S. Burroughs, Ayn Rand, Aldous Huxley en Sylvia Plath), merknamen van snoep of apparatuur, films, het komt allemaal voor en dat zijn niet de meest interessante verhalen wat mij betreft.

Of er moets iets meer verhaal achter zitten, zoals bij de bandnaam A Wilhelm Scream. Die komt uit een film en is vernoemd naar een geluidseffect dat wordt gebruikt als in een film iemand wordt geraakt of anderszin pijn lijdt en een schreeuw slaakt. Voor het eerst gebruikt in de film Distant Drums maar het geluid kreeg een naam toen ene Wilhelm in de film The Charge at Feather River in zijn been werd geschoten. Zoek het eens op Youtube op, steeds dezelfde schreeuw in verschillende films.

Verder worden namen stategisch gekozen zoals bij The Beau Brummels, zodat ze in de platenbakken direct achter The Beatles kwamen te staan. Ze werden gekozen voor de lol, zoals Gratis Bier (leuk om dat als organisator op je affiche te moeten zetten) of The 6ths (spreek dat eens soepel uit, zeker als hun albums nog Wasps’ Nests en Hyacinths and Thistles heten).

Er valt heel veel meer te vertellen, zoals dat Spandau Ballet vernoemd is naar het dansje dat je maakt als er kogels rond je voeten inslaan van een Spandau-machinegweer, dat Rowwen Hèze naar een controversiële dorpsfiguur Christaan Hesen uit het Limburgse America is vernoemd, dat de zanger van Nickelback bij de Starbucks met zijn prijzen van iets,95 dus steeds vijf cent (een nickel) terug moest geven, dat Lady Gaga haar naam dankt aan een autocorrect op iemands telefoontoestel en ga zo maar door.

Verder valt er best wat op het boek af te dingen hoor. Er wordt veelvuldig verwezen naar Wikipedia, wat niet de meest betrouwbare bron is. Het woord ‘zou’ staat er nogal eens in, zoals bij The Simple Minds;

De term simple mind zou uit een nummer van David Bowie zijn getrokken, te weten The Jean Genie, een track die voorkomt op het album Aladin Sane.

Dat klopt, maar of het echt de bandnaam verklaart is een tweede. Het boek is ook verre van volledig. Bettie Serveert, The Amazing Stroopwafels en De Dijk staan in het boek, Het Goede Doel, Doe Maar en Toontje Lager bijvoorbeeld niet. Er wordt soms in een verklaring een band aangehaald (Evanescence) die vervolgens zelf weer niet verklaard wordt. Laat u dat niet weerhouden om het boek toch door te lezen. Wellicht niet meteen van kaft tot kaft zoals ik, maar af en toe een stukje, dan mist u ook het verhaal van Coolio niet;

De als Artis Leon Ivey Jr. In Compton, Californië geboren rapper Coolio kan uitstekend uit de voeten als het om West Coast, Hip-Hop, Gangsta Rap of G-Funk gaat. En dan te bedenken dat hij zijn bühnenaam dankt aan zijn eerste, nogal eiïge schreden op het muzikale pad: Artis betokkelde ooit de Spaanse gitaar, wat hem onder vrienden en kennissen de bijnaam Coolio Iglesias opleverde.

5dbc2c0b2a7b095592f53385967444341587343_v5
Van Nijlens poëzie is slechts genietbaar voor hen die zijn ‘voorname weemoed om het voorbijgaan der dingen delen’, aldus Menno ter Braak in de krant Het Vaderland. Na het lezen van De Verzamelde Gedichten 1903-1964 van Jan van Nijlen deel ik deze mening zeker, maar ook niet altijd. Het helpt wel om de biografie van Jan van Nijlen te lezen voor men aan zijn gedichten begint, dat maakt duidelijker waar zijn weemoed vandaan komt.

De gedichten die in deze bundel zijn opgenomen zijn bezorgd in 1964 door de goede vriend en kenner van Van Nijlens werk Clem Bittremieux, een jaar voor het overlijden van de dichter. In een kleine 400 pagina’s is er een keuze gemaakt uit twaalf bundels, samen met nog wat losse gedichten die opgedragen zijn aan vrienden.

Een keuze is natuurlijk altijd arbitrair en soms miste ik gedichten die in de biografie uitgebreid werden besproken. De eerste bundel wilde Van Nijlen aanvankelijk niet opnemen omdat de gedichten eigenlijk een relaas zijn van zijn persoonlijke crisis. Als er dan maar 11 van de 68 gedichten zijn opgenomen ben ik benieuwd naar de rest, zeker als je leest dat aan het eind de zomer een beetje doorbreekt maar dat in de bundel vooralsnog niet blijkt.

Die weemoed waar Ter Braak het over heeft zit er vaak in, maar ik werd af en toe gegrepen door een deel waar ik geen weemoed voor nodig heb. Hoe mooi kan je de herfst vatten in zinnen als

O volle lach van ’t leven dat voor ’t laatst
in kleur zich uitviert als een late avondzon
die stervensmoe in ’t water zich weerkaatst!

Vergankelijkheid, de diepe herfstkleuren en dat nog vermenigvuldigd ook, in een gedicht dat Levensvreugd is genoemd.

Het aangezicht der aarde wordt als Van Nijlens eerste belangrijke bundel gezien na zijn jeugdwerk. Toegegeven, de critici hadden het destijds over ‘een bundel gedichten van statige voornaamheid, die vaak zoo aandoenlijk wegsmelt tot teederen weemoed.’  Of dat nu nog als aanbeveling geldt weet ik niet, maar ga die gedichten eens onbevangen lezen. Wel met aandacht. Ik heb veel gedichten vaker gelezen omdat je in een onbewaakt ogenblik over de prachtigste dingen heen kan lezen, zoals dit deel uit Gedroomde reis;

Aleer de dageraad uit goudbeslagen deuren
treedt van den horizon, en eer de blauwe rust
der nacht in licht zich oplost, ruikt hij reeds de geuren
van vreemde bloesems bloeiend aan nog vreemder kust.

De natuur, verre horizonten en bespiegelingen zijn thema’s die vaak terugkomen in Van Nijlens poëzie. Het wemelt van druive- en kastanjelaren, er roepen en koeren ik weet niet hoeveel merels en duiven en de omgeving van zijn jeugd is een dankbare bron van inspiratie. Het interessante is dat de levensloop van Van Nijlen deels uit zijn gedichten is te herleiden. De bundel De vogel Phoenix laat de plattelandsidylle meer los en het decor wordt stedelijker. We zien een worsteling met het wereldbeeld en er zijn zelfs momenten van crisis, waardoor sommige gedichten een pijnlijke toets krijgen;

De trouwe sterren in den nacht,
pianospel in duistre straat…
Mijn God, wie had het ooit gedacht
dat ’t schone leven zó vergaat

Ik vond het fijn om de biografie erbij te hebben om per bundel te lezen hoe deze werd ontvangen en vaak werd ik gewezen op bepaalde gedichten en de reden waarom ze werden geschreven. Maar het is geen must. Van Nijlen schrijft in een prettige cadans en zijn gedichten lezen dus fijn weg, maar echt, lees ze niet te snel want ik heb bij het terugkijken vaak bemerkt dat ik toch prachtige delen gedachteloos weg heb zitten lezen. Tot slot zijn gedicht Onrust, waar hij zijn thema’s mixt met een vleugje humor in een bundel die zeer de moeite waard is;

Waarom zingt midden in den nacht
die vogel plots het lied
dat, naar de wet, hij wordt geacht
te zingen als in ’t weiflend uur
de daagraad wordt geboren?
– En jij dan, waarom slaap je niet?
Dan zou je hem niet horen.

 

7782e817ed32bef596c354d6d51444341587343_v5
De Vlaamse dichter Jan van Nijlen moest een beetje overgehaald worden om zijn Herinneringen aan E. Du Perron op schrift te stellen. De Nederlandse dichter, criticus en prozaschrijver Eddy du Perron (1899-1940) was een goede vriend van Van Nijlen, maar Van Nijlen was een dichter en niet iemand die graag met zijn persoonlijke verhalen en herinneringen te koop liep. Toch besteedde hij er de nodige aandacht aan, in overleg met de weduwe van Perron, Bep de Roos, zoals in zijn biografie staat beschreven;

Begin maart voltooide hij het mansucript en stuurde hij het aan Van Oorschot, die het spoedig wilde laten verschijnen. Van Nijlen vroeg de uitgever uitdrukkelijk het werkje aan Du Perrons weduwe voor te leggen om eventuele vergissingen te corrigeren. In zijn karakteristieke bescheidenheid schreef Van Nijlen aan Bep dat de brieven van Eddy gelukkig voldoende interessant zouden zijn. Niettemin vroeg ook hij haar de tekst na te lezen omdat hij zelf de spanwijdte van zijn geheugen in twijfel trok. Het boekje verscheen in april 1955. De Nederlandse vrienden – vooral dan Bloem en Roland Holst – waardeerden het in hoge mate.

Het is een boekje van 64 pagina’s en u hoeft het niet zelf aan te schaffen, het is te raadplegen op Dbnl. Het is mooi om de man zelf eens aan het woord te horen over een vriend, hoewel er wel een paar brieven integraal in staan afgedrukt van Perron aan Van Nijlen die een aardig deel van het boek beslaan.

Van Nijlen en Du Perron hebben elkaar ontmoet bij Jan Greshoff en vonden elkaar in hun gezamelijke belangstelling voor de Franse literatuur. Het klikte en al snel betrok Du Perron Van Nijlen bij alles wat hij schreef. Van Nijlen;

Ik had dus dit vreemde stel boekwerkjes ter lezing gekregen met het verzoek, of liever met de opdracht, er mijn gemotiveerd oordeel over uit te brengen. Ik moet bekennen dat ik er een beetje mee verlegen zat. Du Perron praatte graag en uitvoerig over eigen werk…Het was volstrekt niet uit ijdelheid; in strijd met wat men vaak heeft beweerd, kon hij best kritiek verdragen, als die kritiek tenminste niet het gevolg was van een volledig onbegrip.

Want dat was het beetje het beeld over Du Perron. Een rijke jongen, vol van zichzelf en zijn werk en aanwezig. Van Nijlen nuanceert dat wel mooi in dit boekje. Hij geeft ook een beschrijving van die zogeheten rijkdom en het kasteel waar moeder Du Perron de scepter zwaaide. Het kasteel viel hem bar tegen;

Het was niet groots, niet indrukwekkend en ook niet lieflijk noch riant; het leek evenmin somber en onherbergzaam als sommige oude burchten. Met veel goede wil was het wel een kasteel, maar met iets onechts, iets karikaturaals.

Nog leuker is de beschijving van moeder Du Perron, maar er moet iets te lezen overblijven voor u nietwaar? Je zou wel op zoek willen gaan naar de boeken die Eddy du Perron in zijn boekenkast had, want hij had zo zijn bibliofiele eigenaardigheden. Ieder boek liet hij binden in monotoon grijs linnen, zonder titels, zodat men de plaats en formaat van elk boek moest kennen om het in de kast terug te vinden. Ook had hij de gewoonte om boeken te verminken, plaatjes eruit te halen, pagina’s te vervangen of te verwijderen, voetnota’s door te halen enzovoort. Hoogst opmerkelijk maar we worden niets wijzer over het hoe en waarom. Hopelijk geeft de (door mij nog te lezen) biografie over Du Perron daar meer zicht op.

Eddy du Perron roept de hulp in van Jan van Nijlen na het overlijden van zijn moeder. Het wordt duidelijk dat, ondanks het bezit van een kasteel, moeder er een financiële janboel er van heeft gemaakt. Van Nijlen zegt toe te helpen waar hij kan. Du Perron vertrekt naar Indië maar kan uiteindelijk daar ook niet aarden en zal weer terugkomen. Van Nijlen herinnert  zich hun laatste ontmoeting;

Een maand na zijn terugkeer in Europa ontmoette ik Du Perron voor de laatste maal. Wij brachten de namiddag door in een café aan de boulevard te Brussel. Ik vond hem niet erg veranderd, althans uiterlijk. Geestelijk leek hij mij wel iets ouder geworden, meer bezadigd en kalmer…Over zijn verblijf in Indië was hij niet zo goed te spreken, maar hij betreurde die jaren niet…Hij had nu voorgoed afgerekend – voor zover men dat ooit geheel kan doen – met zijn jeugd en met het land…Wat mij betreft, hoe vaak, sedert zijn dood, als ik een boek of een artikel onder de ogen krijg, heb ik mij niet afgevraagd: wat zou Du Perron daarvan hebben gedacht? En ik weet dat ook nog enige anderen, oudere en jongere, zich diezelfde vraag stellen.

 

7c3ec7bc211c7c2597251776951444341587343_v5
Waarom zou je een biografie over de Vlaamse dichter Jan van Nijlen (1884-1965) gaan lezen? Ik ben benieuwd hoeveel mensen hem überhaupt kennen. Toch was ik erg benieuwd naar De wereld is zoo schoon waarvan wij droomen door Stefan van den Bossche.

Ik kwam Jan van Nijlen tegen in de boeken over Jan Greshoff en Geert van Oorschot en zijdelings in die van Jeroen Brouwers. Mijn interesse in de Nederlandstalige literatuurwereld en poezië deed de rest. Het is een prima leesbare biografie van 670 pagina’s en dat was geen makkelijke opgave, want Jan van Nijlen heeft zijn leven lang zijn best gedaan om weinig tot niets over zijn privé-leven prijs te geven.

Nu is ‘prima leesbaar’ wellicht geen jubelende kwalificatie en dat heeft te maken met de gebiografeerde zelf én de auteur. Heel eerlijk gezegd; er gebeurt ook weing in het leven van Jan van Nijlen. In ieder geval weinig dat hijzelf initieert. Hij is honkvast en reist weinig tot niet, hij schrijft gedichten en kritieken over (met name Franse) literatuur en hij is ambtenaar met een smetteloze carrière op een vertaalbureau van het Ministerie van Justitie, waar hij het schopt tot directeur. Ook trouwt hij en krijgt twee kinderen. Als ik het dan over ‘prima leesbaar’ heb, geeft dat aan dat Van den Bossche een voor mij interessant boek heeft geschreven die weliswaar Jan van Nijlen als vertrekpunt heeft, maar evenzeer een beeld geeft van de Nederlandstalige literaire wereld in die tijd.

Zijn jonge jaren leveren nog wat turbulentie op door een vlucht naar Parijs en een verblijf in een Arnhems sanatorium. In de Eerste Wereldoorlog vlucht Van Nijlen met zijn vrouw ook naar Nederland waar ze opgevangen worden door Jan Greshoff. Na de oorlog keert hij terug naar België waar hij zich stort op zijn bijdragen voor allerlei literatuurtijdschriften, zijn gedichten en zijn werk bij de vertaaldienst. Zo bescheiden als hij is als persoon, zo stevig kunnen toch de kritieken zijn die hij schrijft. Hij ziet er geen been in om af te rekenen met het letterkundig leven van die tijd;

Ook gebeurt het wel eens dat men in de boeken en tijdschrift-bijdragen van dit zestig man sterke leger van Vlaamse letterkundigen een goede brok proza aantreft of een lief vers. Dit is echter zeldzaam, en het zou dan ook heel verwonderlijk zijn dat na jaren stiel, zelfs de minst bevoordeelde, niet eene toevallige vaardigheid verkreeg. Men voelt zich wee worden van al dat geliteratuur waar zoo weinig menschelijkheid in steekt en zoo bitter weinig leven!

Voilà, daar kunnen ze het mee doen. In de Tweede Werledoorlog maakt Van Nijlen een persoonlijk drama mee als hij zijn zoon verliest. Charles overlijdt aan dysenterie in een kamp nadat hij is gearresteerd voor verzetswerk. Hij blijft wel dichten en put vaak uit zijn herinneringen maar ook uit ontmoetingen of alledaagse dingen. Hij breekt door als dichter en Greshoff zorgt voor een hulde-nummer voor Jan van Nijlen van zijn eigen tijdschrift De Witte Mier. Simon Vestdijk verwoordt het weer in het tijdschrift Groot Nederland als volgt;

Men maakt kennis met een vers van Van Nijlen, men kent het al, men heeft het altijd al gekend, het lijkt een ietwat vervelend, een wat mat en onbeduidend vers. Totdat men merkt, dat enkel Van Nijlen dit vers had kunnen schrijven, en wat meer zegt, dat het, in plaats van vervelend, alleen maar niet briljant is. Deze verzen zijn mat en dof op de goede wijze…; en leest men er tien, of twintig van, dan zullen ze elkanders schaduw ondersteunen, zoals bladeren, die hun picturale waarde ontlenen aan het gezamelijk gevormde lommer.

Van Nijlen ziet zijn vakmanschap bevestigd in verschillende prijzen. Toch blijft hij zijn teruggetrokken zelf. Op zijn gemak bij vrienden, maar hij blijft waar hij is. De vrienschap met Eddy du Perron is erg belangrijk en over hem zal hij zijn herinneringen te boek stellen. Die bespreking volgt nog. Ook maakt hij nog mee dat zijn zus, die in een klooster zit, vastgezet wordt vanwege financiële malversaties. Het zijn de weinige privé-gebeurtenissen die wel naar buiten komen, of het moet de getuigenis zijn van mevrouw Greshoff, die uit de doeken doet dat Jan van Nijlen, toen hij te diep in het bierglas gekeken had, in het bed van zijn dochter in slaap was gevallen. Zijn vrouw voer daarop verschrikkelijk tegen hem uit (’Jan van Nijlen, ge zijt een zot!’).

Natuurlijk wordt de biografie gelardeerd met foto’s en delen uit zijn gedichten. Die laat ik even voor wat ze zijn, zijn gedichten ga ik nog bespreken. Hoewel, voor als niemand Jan van Nijlen denkt te kennen; zijn gedicht “Bericht aan de reizigers” staat al sinds 2011 op het Centraal Station Antwerpen aangebracht. Het begin daarvan luidt;

Bericht aan de reizigers

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen,

dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.