f7ff2e2c8ffb55d597456317577444341587343_v5
Ik had Treindromen al een gelezen van Denis Johnson en dat beviel erg goed. De naam van de wereld is ook weer een ijzersterke novelle. Het boek verscheen al in 2000 maar is nu pas vertaald.

Het is het verhaal van Mike Reed, een assistent-professor en voormalig medewerker van een senator in Washington. Hij is vier jaar geleden zijn vrouw en dochter kwijtgeraakt bij een auto-ongeluk. Dit is het verhaal van zijn onthechting daarvan. Een rouwverhaal, maar het is veel meer dan dat.

Als we aanhaken in het leven van Mike zien we dat hij langzaamaan weer dingen onderneemt. Hij bezoekt etentjes, een museum, maar hij vindt baat bij rituelen. Het kunstwerk in een museum, gemaakt door een slaaf, dat hem raakt en dat hij vaak opzoekt. De gesprekken die hij in zijn hoofd voert met zijn denkbeeldige vriend Bill, waarvan Bill bestaat maar de vriendschap niet.

Hij ontmoet vrouwen, wat de eerste paar jaar ondenkbaar was. Dat voelde als verraad aan zijn eigen vrouw en aan zijn rouw. Nu raakt hij geïntrigeerd door Flower Cannon, een meisje van 26. Zij is studente, performance artieste, celliste en naaktmodel en Reed komt haar overal tegen. Zij leidt hem onbewust wegen op die hij voorheen nooit betrad.

Dat gebeurt helemaal als hij ook nog zijn baan kwijtraakt. Hij bezoekt een goktent waar hij klappen krijgt. Met Flower, die daar ook een act doet rijdt hij weer terug, maar eerst belandt hij in een geloofsgemeenschap van het Friesland Fellowship. De zinnen die Johnson achteloos in het rond strooit zijn soms prachtig;

Ieder geluidje steeg krokant op en werd dan ver weg gevoerd door de bries, de lichte gestage wind over de korst van de wereld, het klikken van haar portier en haar hakken en tenen op het grind.

Flower is een sterk personage en belangrijk in het verhaal. Hoe ver ze gaan zal ik niet verklappen, maar het verhaal van haar jeugd en de verklaring van haar naam doen hem denken aan zijn eigen dochter;

Wat verbond deze woorden van Flowers lippen met het ongeluk dat mijn gezin het leven kostte? Door die woorden begreep ik dat ik de dood van mijn dochter niet langer kon verdragen. Het zou me kapotmaken. En ik zou het moeten laten gebeuren.

Reed laat uiteindelijk los. Hij vertrekt en wordt oorlogsverslaggever in Irak. Maar het had wat voeten in aarde en dat leest u in dit verhaal. Daarmee is het een rouwverhaal, maar het is ook een kritiek. Op de maatschappij zo u wilt, er wordt geschoven met mensen en posities en daar moet men maar mee omgaan. Het is ook een psychologisch verhaal. Is hij nu uit de rouw of niet? Waar zitten zijn emoties nu precies? Hij koopt een BMW in een opwelling, zoekt ruzie met in een auto passerende jongeren maar houdt vast aan bepaalde gewoontes. Het zou een van emoties bolstaand verhaal kunnen zijn maar dat is het niet. De lezer zit er maar mooi mee.

Johnson beschrijft het allemaal zeer to the point, zonder opsmuk. In het nawoord van Auke Hulst lezen we dat Johnson dit ‘naakt schrijven’ noemde. Hij hield het zijn studenten voor;

‘Schrijf in bloed, alsof inkt zo kostbaar is dat je het niet kan verkwisten.’

Het lijkt of het korte verhaal Johnson past als een jas maar ik heb inmiddels Een zuil van rook in huis van hem en dat telt dan weer 658 pagina’s. Ik ben daar erg benieuwd naar.

Vertaling; Peter Bergsma

9025364039.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik weet niet of de titel De gang naar Canossa van Tom Holland nu zo’n wervende titel is voor een geschiedenisboek, of je moet het meteen kunnen plaatsen. De waanzinnige veertiende eeuw van Tuchman lokt misschien meer, maar dit boek is net zozeer de moeite waard.

De gang naar Canossa verwijst naar de boetetocht van keizer Hendrik IV, toen hij zich te voet door de Alpen naar de burcht Canossa sleepte, om vergeving te vragen aan Paus Gregorius VII voor zijn excommunicatie. Uiteraard was dat cruciaal voor zijn zieleheil en wilde hij graag van die ban af.

Dit gegeven grijpt Tom Holland aan voor een duizelingwekkende reis door Europa rondom de eeuwwisseling en daarvoor. In die zin is het interessant de oorspronkelijke titel van het boek erbij te halen, namelijk Millenium. Het boek gaat over de ‘investituurstrijd’, de strijd tussen de Katholieke Kerk en koningen om bisschoppen te benoemen. Koningen legden met hun legers de macht op aan bisdommen en Gregorius VII wilde de Kerk aan die macht onttrekken;

In zijn persoonlijke leven durfde Gregorius nog verder te gaan als hij zijn gedachten wilde ordenen over het lot waartoe God hem bestemd had. Aan een niet-gepubliceerd memorandum vertrouwde hij een reeks opzienbarende gedachten toe: ‘Dat alleen de paus van Rome het recht heeft op de benaming “universeel”; ‘dat alle vorsten alleen de voeten van de paus kussen’; dat hij de bevoegdheid heeft keizers af te zetten’. Beweringen die zo boud waren dat zelfs de schrijver ze niet hardop had durven uitspreken.

Dit alles kon niet los worden gezien van de Openbaring van Johannes, die had voorspeld dat over 1000 jaar na de geboorte van Jezus het einde der tijden zou aanbreken, voorafgegaan door de komst van de Antichrist. Dit beeld speelt constant door het panorama dat Holland neerlegt in de aanloop naar die gang naar Canossa in 1077. Frankrijk was een lappendeken van vorstendommetjes waar de kastelen als paddestoelen uit de grond rezen. Er staat een prachtig verhaal in over de voor mij volslagen onbekende graaf van Anjou, Fulk ‘Nerra’. Het gaat over de Noormannen die Europa teisteren en zich via Rusland een weg banen naar de Zwarte Zee, maar ook over de opkomst en dreiging van de Saracenen, die het dan nog christelijke Constantinopel belagen. Het gaat over de machtsstrijd in Engeland en over Spanje aan het begin van de herovering van dat gebied op de moslims. Interessant hier is de vergelijking van de Islam met het Christendom. De Islam kent immers geen scheiding tussen religie en staat en heeft volgens Holland ‘geen Canossa gekend’, wat voor mij het belang van de Nederlandse titel weergeeft.

Het is verrassend om te lezen hoeveel voortekenen er gezien werden in die tijd van de naderende apocalyps. Sommigen prima verklaarbaar in de ook nu nog bekende kometen, sommige verschijnselen traceerbaar door vergelijkbare waarnemingen, maar Holland noemt er ook die helemaal niet verklaard worden;

Binnen vijf maanden na het concilie van Clermont, terwijl de paus in hartje Frankrijk Pasen vierde, verscheen er inderdaad een mysterieus kruis aan de hemel. Net als vele eeuwen daarvoor tijdens het legendarische bewind van de eerste christelijke Romeinse keizer, vatten degenen die het zagen het op als een teken van zekere overwinning.

Geen noot ter verklaring of onderbouwing hier. Holland heeft verder wel een losse hand van schrijven die mij bevalt. Een millenium beschrijven binnen 400 pagina’s is geen kleine opgave en de hoofdstukken wijzen op grote stappen, maar hij schroomt niet om allerlei details te noemen, soms met de nodige humor en daar houd ik van;

…de Wenden, een volk dat nog steeds schaamteloos zijn afgoden vereerde, mensenoffers bracht, en beleidskwesties oploste door vragen te stellen aan een paard.

Het boek sluit voor mij mooi aan op het eerder genoemde boek van Tuchman. Ze geven samen een mooi beeld van het Europa in de Middeleeuwen en daarvoor en juist dit boek gaat over een periode die bij mij nogal onderbelicht was.

Vertaling; Christien Jonkheer

dcbd46b64bc752a596e73537577437641414141_v5
De Verzamelde Werken deel 3 van Fjodor Dostojewski uit de serie Russische Bibliotheek bevat maar twee verhalen; Aantekeningen uit het dodenhuis en De vernederden en gekrenkten. Verhalen met een totaal verschillend karakter maar beiden vintage Russisch.

Aantekeningen uit het dodenhuis is het verhaal van een banneling uit een Siberisch werkkamp. Dostojewski zelf werd ooit ter dood veroordeeld, werd zelfs voor het vuurpeloton gezet maar op het laatst werd zijn straf omgezet tot acht jaar dwangarbeid. Uiteindelijk heeft hij daar vier jaar doorgebracht, maar het leverde voldoende stof op voor dit verhaal. Hoewel er een romanpersonage wordt opgevoerd, Aleksandr Petrowitsj, die tien jaar arbeid moet verrichten is het eigenlijk geen roman, maar meer een autobiografisch verslag.

Dat het geen vrolijke verhalen zijn mag evident zijn, toch heb ik uitermate geboeid zitten lezen. Dostojewski doet aan de hand van de opgeschreven herinneringen van Petrowitsj het verhaal. Zo is er een gedetailleerd verslag van zijn de eerste dag in het kamp, van zijn eerste klus als dwangarbeider en van de mede-gevangenen waar hij het de komende jaren mee moet doen. De Jood Isaj Fomitsj is een portret dat bij blijft;

Eens kwam de plaatsmajoor, begeleid door een officier van de wacht en enige escortesoldaten het vertrek binnen, juist toen Isaj Fomitsj op het hoogtepunt van zijn gebed was. Alle gevangenen gingen in de houding naast hun britsen staan. Isaj Fomitsj echter begon nog harder te schreeuwen en zich nog erger aan te stellen dan hij al deed. Hij wist, dat bidden geoorloofd was, dat men hem niet mocht onderbreken…

De scène in het badhuis is er ook één die altijd bij blijft, net als het toneelstuk dat de gevangenen mogen opvoeren. De straffen zijn zwaar en Petrowitsj legt uit wat het verschil in zwaarte is tussen stokslagen en spitsroeden lopen (waarbij een gevangene door een haag van mensen loopt die hem met puntige takken of stokken op de rug slaan). De verhalen uit het ziekenhuis blijven bij, van simulanten en waanzinnigen en de artsen die een ieder van hen toch correct behandelen. Hij vertelt wat enkelbanden met je doen en waarom langgestrafte gevangenen “hun lot willen veranderen.” Zij die weten dat ze nooit kunnen ontsnappen proberen het toch, om maar ergens anders heen gestuurd te worden. Niet omdat het beter is, maar anders. Het hele verhaal leest als een documentaire.

Heel anders is het verhaal De vernederden en gekrenkten. Geen documentaire hier maar wel het grote Russische gebaar. De verteller is de arme schrijver Wanja (kort voor Iwan Petrowitsj). Hij is verliefd op Natasja maar die heeft haar hart verloren aan de vorstenzoon Aljosja. Dat is echter een ongelofelijke losbol en hoezeer hij denkt verliefd te zijn op Natasja, zijn vader heeft hem uit economische overwegingen gekoppeld aan Katja en daar voelt hij ook wel iets voor. De pleegouders van Wanja hebben een vete met de vorst en Wanja loopt van hot naar haar tussen alle salons in Sint Petersburg om te bemiddelen. Zelf woont hij op de zolder van een overleden Engelsman, met wiens kleindochter Nellie hij ineens opgescheept zit. Nellie is meteen de meest hartveroverende persoon in het hele verhaal en zal belangrijker blijken dan verwacht. De meest irritante figuur is Aljosja, die blijft schipperen tussen Natasja en Katja. Ik vond hem ronduit vervelend en dat doet de auteur dus goed, want het deed iets met mij;

– Wat hebben jullie toch! vervolgde Aljosja met klagelijke stem. Zo ben je nu altijd Katja! Je denkt altijd het slechte van me…Om van Iwan Petrowitsj nog maar te zwijgen! U denkt, dat ik niet van Natasja houd. Zo heb ik het niet bedoeld toen ik zei, dat ze een egoïste was. Ik wilde alleen maar zeggen dat ze te veel van me houdt, dat haar liefde te ver gaat en dat dat voor ons allebei een druk is.

De emoties en ellende lopen af en toe hoog op en dat is eigenlijk wat ik verwacht in zo’n verhaal. Hoewel het wellicht niet Dostojewski’s meest diepgravende werk is heb ik mij er prima mee vermaakt. In dit deel van zo’n 700 pagina’s zijn de verhalen van ruwweg dezelfde lengte, beiden ruim 300 pagina’s lang.

Vertaling; Heleen A. Bendien

9048815835.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Kent u hem ook nog? Van vroeger? Die jongen met dat mes op zak? Altijd wat stoerder dan de rest? Daarover gaat de novelle Leve Joop Massaker waarmee Cornelis Bastiaan Vaandrager debuteerde in 1960. Helemaal onbekend was Vaandrager niet want in de jaren vijftig maakte hij al zijn debuut in tijdschriftvorm, maar hij zou doorpakken als dichter, romanschrijver, journalist en literator; hij stond aan de wieg van Ik Jan Cremer. Verder runde Vaandrager met Armando, Verhagen en Sleutelaar het literaire tijdschrift Gard Sivik, dus hij speelde zeker in de jaren zestig een rol in het Nederlandse literaire leven.

Deze korte novelle van 88 pagina’s is de herdruk van de eerste uitgave. De hoofdpersoon is nu vernoemd naar de auteur en heet niet meer Casper Benjamin Lampe. Vaandrager heeft voor deze versie de tekst herzien en zijn zinnen nog korter en radicaler gemaakt. Drinken wordt zuipen, een geslacht een stijve en braaksel wordt kots. Rotterdamser eigenlijk, want het is een Rotterdams verhaal. Dit debuut wordt door sommigen even hoog geschat als De Avonden van Gerard Reve. Of dat klopt weet ik niet, het is in ieder geval een mooie Rotterdamse pendant voor Reve’s Amsterdamse decor.

Het verhaal begint in de vakantiekolonie op een Waddeneiland, waar Cornelis kennis maakt met Joop Massaker en zijn zusje Thea;

Thea is weer naar ons toe komen schuiven. Ze friemelt aan Joops kontzak. Hij slaat haar hand weg. Ze blijft aandringen. Hij geeft haar het mes. Ze gaat verderop zitten en klikt het mes open. Dat doet ze verrekt handig.
Joop: ‘Nou moet je opletten, Cornelis.’
Met de punt trekt ze langzaam witte lijnen op de rug van haar hand, haar arm en het vel van haar onderbenen. Dan zet ze het mes opeens loodrecht in de palm van haar hand en steekt door.

Cornelis laat zich meeslepen door Joop en wordt uiteindelijk van kamp gestuurd, terug naar Rotterdam. Hij heeft wel afgesproken om Joop daar weer te ontmoeten. In Rotterdam ziet hij zijn oude vriend Frans Verstruik weer maar daar krijgt hij ruzie mee. Opeens staat Joop weer achter hem en Cornelis wordt bij hem thuis uitgenodigd. Hij mag komen eten en alledaagser kan het niet, maar Vaandrager maakt daar wel een prachtig tafereel van. Een bomvol huis met kinderen, vader, moeder en een herdershond. Overal tijdschriften, veel boeken en een schedel in de kast die ze Asklepios noemen met een kaars erin. Ze eten stamppot;

‘Eten wat de pot schaft!’ roept de grote broer aan de andere kant lijzig.
Joop: ‘Bemoei je met je eigen zaken, Schotel!’
De lange, die Schotel genoemd werd, gooit zijn stoel achteruit en wil achter mij op Joop afvliegen. Ook Joop is opgesprongen, hij houdt zijn vuisten gebald voor zich uit. Mijnheer Massaker trekt Schotel aan zijn schouder terug. Hij slaat hem twee keer met de vlakke hand in zijn smoel.

Onverbloemd taalgebruik in deze versie en hoewel het geen lang verhaal is zitten er toch genoeg thema’s in. Het gaat over de vrijheid die nog voor je ligt als je jong bent, er zit seksualiteit in vanwege het gedrag van Thea en Joop op het strand én vanwege het verhaal dat Cornelis hen verteld als hij uitgedaagd wordt door Joop om iets over zijn ervaringen met meisjes te vertellen. Er zit sadisme in waar zuster Worm Cornelis belachelijk maakt om zijn kleine lulletje en hem in zijn ballen knijpt en iets van nostalgie voor de lezers van nu waar we nog telefooncellen en Dick Bos-boekjes tegenkomen.

Met de auteur Cornelis Vaandrager liep het niet goed af. Zijn werk werd overvleugeld door het daverende succes van Ik Jan Cremer. Op poëzie-gebied snelde de onlangs overleden Hans Verhagen hem voorbij en tot slot was Vaandrager zelf zijn grootste tegenstander. Hij publiceerde weinig, maakte ruzie met uitgevers en kwam onder invloed van speed. Hij verbleef enkele malen met depressies in een psychiatrisch ziekenhuis en hij stierf op 56-jarige leeftijd tijdens een zwervend bestaan. Gelukkig is de belangstelling voor zijn werk er nog, getuige de verschijning van een biografie over hem in 2005 en een uitgave van zijn verzamelde gedichten in 2008. Daar ga ik nog achteraan, mijn belangstelling is gewekt.

9054523670.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De herinnerde soldaat van Anjet Daanje kwam in november 2019 uit, stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2020 maar bereikte helaas niet de shortlist. Helaas? Jawel, ik vond het een schitterend boek.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt achter de Belgische frontlinie een soldaat gevonden. Niet gewond, maar de man weet zich niets meer te herinneren. Geen naam, geen herkomst, totaal niets. Hij wordt opgenomen in een gesticht voor krankzinnigen en krijgt de naam Noen Merckem. Dan komt er een vrouw, Julienne, die zegt dat zij met hem getrouwd is en dat hij in werkelijkheid Amand Coppens is. Ze neemt hem mee naar huis en vertelt hem langzaam het verhaal van hun leven voor de oorlog. Ze hebben twee kinderen en zij heeft hun fotozaak voortgezet die ze samen ooit zijn begonnen.

Het is wennen voor beiden. Aanvankelijk slapen ze niet samen, maar langzaam bouwen ze samen een nieuw leven op, op nieuwe herinneringen. Maar er zijn nachtmerries. Amand ziet ’s nachts beelden van de oorlog;

…dat verdomde lijf opent de ogen alsof het ochtend is en tijd om op te staan, en het ziet een poes, ze loopt voor het prikkeldraad langs waarin honderden malen kapotgeschoten lichamen hangen te wiegen, ze is zwart en ze heeft witte pootjes en een witte vlek op haar neus, en ze maakt een elegant sprongetje over een bebloed hoofd en dan over een been dat bij niemand meer lijkt te horen….

Die beelden laten ook zien wat hij zelf deed, daar misschien ook wel van genoot en daar schrikt hij van. Hij heeft veel woede in zich en zijn vrouw en kinderen zijn soms bang voor hem. Amand en ook Julienne worden steeds heen en weer geslingerd tussen hun gevoelens voor elkaar. Wat Daanje heel knap doet is het weven van twijfel in het verhaal. Houdt Julienne iets achter, vertelt zij de waarheid? Waarom is hun oude foto-studio nog intact, waarom spreekt zij vloeiend Duits?

Ook Amand lijkt meer met zich mee te dragen dan aanvankelijk wordt voorgespiegeld. Waarom blijkt hijzelf ook prima Duits te spreken bijvoorbeeld? Waarom duikt er steeds een zwarte hond op? Toch lijkt hij zijn draai te vinden. Hij helpt mee in het bedrijf en de zaken gaan goed. Ze kunnen zich zelfs een groter pand veroorloven. Maar zijn herinneringen lijken weer te vervagen en het is wachten op het moment dat hij zijn vrouw niet meer herkent. Dat leidt uiteindelijk tot een best verrassend plot dat ik uiteraard niet ga weggeven hier.

Daanje heeft een dik boek geschreven van 536 pagina’s met veel lange, meanderende zinnen. Er komen geen actieve dialogen in voor. Sterker, het merendeel van de zinnen begint met “En…”. Daar was ik aanvankelijk wat beducht voor, het lijkt een eindeloze opsomming van gebeurtenissen maar het heeft mij geen moment gestoord;

En hij is blij dat er weer een dag voorbij is en dan een nacht zonder dat het opnieuw is gebeurd, hij zorgt dat hij zoveel mogelijk uit haar buurt blijft, overdag is hij in de winkel terwijl zij zich in de keuken verschuilt, maar ’s avonds komt ze bij hem in de studio zitten en retoucheert ze de negatieven van de dubbelportretten die hij van zichzelf heeft gemaakt, en het schijnsel van de lamp dat het negatief verlicht, snijdt haar verminkte gezicht in nachtmerrieachtige stukken, en de schemerige stilte benauwt hem, hij bidt dat het niet misgaat, hij concentreert zich op het afdrukken van de foto’s en zijn horloge heeft hij voor zich op tafel gelegd zodat hij zeker weet dat er niet ongemerkt een gat in zijn tijd is gevallen, de minuten kruipen tergend langzaam voorbij, alsof alles met ingehouden adem wacht, net als hij, en hij met dat wachten juist zal uitlokken wat hij probeert te voorkomen.

Eén zin, weinig actie, heel het boek lang. Het verveelde mij geen moment. De kracht van de herhaling vind ik erg sterk in dit boek. Iedere morgen de kolen doen, iedere avond zijn horloge opwinden en onder al die rituelen de onderhuidse spanning of het goed blijft gaan tussen Amand, Juliette en de kinderen, met soms een nieuwe aanwijzing die op een heel andere uitkomst kunnen wijzen. Voeg daarbij soms prachtige zinnen waarbij “de betovering als een trouwe hond op hen ligt te wachten” en dan spreek ik van een volledig geslaagde roman.

9c69d57c0ca22775971315a7567444341587343
Ik ben niet meer bekend met het Insectenrijk dan óf een gerichte mep naar een irritante mug, óf wat ongecontroleerde bewegingen naar geel-zwart vliegend gespuis óf oprechte bewondering voor een mooie vlinder of libelle. Op jonge leeftijd had schrijfster Aglaia Bouma daar ook weinig mee, zeker niet nadat ze in het ziekenhuis belandde na door een hoornaar gestoken te zijn. Vanwege een allergische reactie overleefde ze dat maar net.

Toch wist ze haar fobie, want dat werd het, via gezonde nieuwsgierigheid om te zetten naar een passie voor die kleine wezentjes en dat is best knap. Ze heeft er ook een interessant en uiterst leesbaar boek over geschreven. Dat boek kent een logische opbouw in hoofdstukken die gaan over de flirt, liefde, bevruchting, groei, metamorfose en de ontpopping. Na ruim 230 pagina’s ben je ineens een stuk wijzer.

Want het is nogal wat. Het begint in de flirt al met die aantrekkingskracht en de ‘bruidsvlucht’ van de vliegende mieren. U weet wel, die beesten die het allemaal op dezelfde dag op hun heupen krijgen en je tuin bestormen. Feromonen spelen hier een rol en dat is ook zo bij die mierenpaadjes die u vast wel eens gezien hebt. Ieder hoofdstuk kent interessante zijpaadjes, Bouma geeft keurig aan als we daar op zitten, over de bouw van een insect of wie er nu precies steken of bloed drinken. U hoeft hier geen conclusies aan te verbinden, maar in dit rijk zijn de dames de gemeneriken.

Als u ook zo van krekelgeluiden houdt, of de herrie van de cicaden uit Zuid-Frankrijk u lief is, hierin staat hoe zij dit geluid precies maken. Wespen- en libellenogen zijn heel gevoelig voor beweging en meppen naar een wesp is dus de minst goede optie. Dat blijft wellicht een uitdaging want die had ik al eens geprobeerd; toen landde de wesp op mijn lip.

Om toch maar even bij de wesp te blijven, en dan zijn we al bij de liefde in het boek, daar neemt Bouma het tóch voor op;

‘Limonadewespen’ komen niet pas in augustus uit hun verder ongedefinieerde schuilplaatsen om ons te pesten terwijl we zoete jam op een broodje smeren of een slok bier nemen. Tegen die tijd zit hun leven, of vooral dat van hun kolonie, er juist al bijna op. Het zijn de laatste stuiptrekkingen van een stervende. Zo bezien zouden we ze juist liefdevol moeten vertroetelen. Ze hebben namelijk een zomer lang hard gewerkt, en daar plukken mensen de vruchten van. Letterlijk.

Er staan talloze verhalen in het boek en je valt van de ene verbazing in de andere. Wellicht had u wel eens gehoord bij kannibalisme onder bidsprinkhanen. Maar het gaat verder. De sabelsprinkhaan gaat over tot verkrachting. Maar het gaat verder. De mannelijke bedwants doet aan traumatische inseminatie. Leest u dat maar eens na; toch ook mannelijke gemeneriken in dit rijk. Het is maar een klein voorbeeld van de onvoorstelbare wereld die vaak zo onzichtbaar is maar toch zo dichtbij.

Het is de auteur gelukt mij bewondering bij te brengen voor de strontvlieg. Een vrouwtje paart met meerdere mannen en bewaart hun sperma in meerdere spermathecae (dit kunt u opzoeken in de handzame lijst achterin het boek). Vervolgens kiest ze het zaad van de meest geschikte partner en dus de hoogste kwaliteit. We hebben het nog steeds over een strontvlieg.

Ook de bladluis bekijkt u nooit meer hetzelfde. U weet wel, drommen van die zwarte beestjes op je goeie planten. Wordt het te druk en teveel dringen, dan ontwikkelen ze vleugels om weg te vliegen. Dat kan dus. Ze paren niet en leggen geen eieren, maar planten zich maagdelijk voort. Dat kan dus ook. Het jong dat gebaard wordt, is op haar beurt ook al weer zwanger. Ook dat kan. Bladluizen scheiden een voor mieren lekker goedje af, honingdauw. Mieren beschermen daardoor de bladluizen. Sterker, ze hoeden ze en houden ze bij elkaar. Nog sterker, ze bouwen overkappingen of een afdak voor ze. Je blijft lezen zo.

Het zijn veel verhalen maar de grote lijn van de in het begin beschreven cyclus wordt nergens uit het oog verloren. Bouma gebruikt wetenschappelijke termen maar die worden overal toegelicht of zijn achter in het boek weer terug te vinden. Af en toe neemt ze haar persoonlijke ervaringen in het verhaal mee om haar eigen transformatie kleur te geven, van fobie naar passie.

We weten natuurlijk wel dat er ontzagwekkend veel insecten zijn maar in kort bestek krijg je ineens heel veel mee van die diversiteit. Bouma licht toe hoe insecten onderverdeeld zijn in het dierenrijk en hoe ze gedetermineerd worden. Zo weten we dat bidsprinkhanen geen sprinkhanen zijn, vuurvliegjes geen vliegjes en bladvlooien geen vlooien. Het boek geeft informatie over de ‘muggenwolken’ die we allemaal in onze tuin wel eens zien dansen, over die verfoeide eikenprocessierups en zelfs over het ‘spuugbeestje’ waar Jan Wolkers zo aandoenlijk over vertelde.

Tot slot, ik had geen idee, een verbluffend verhaal over de bij, die ons toch redelijk bekend voorkomt;

Een bij die voedsel heeft gevonden, vliegt eerst een aantal keer heen en weer tussen de bron en het nest…Op een zeker moment besluit ze dat het tijd is om te gaan dansen…Als de voedselbron zich op grotere afstand bevindt, is in het wilde weg rondvliegen op zoek naar de juiste geur minder efficiënt. Dan wordt de waggeldans ingezet. Deze dans geeft een behoorlijk nauwkeurige indicatie van de richting en de afstand van het voedsel ten opzichte van het nest.

Bouma legt het nog verder en duidelijker uit en je kijkt nooit meer hetzelfde naar een bijenkast of -korf. Informatie over voortplanting, voedselinname, hemolymfe in plaats van bloed; er is veel onderzocht en ik bedenk me steeds op wat voor een schaal dit moet zijn gebeurd. Microscopisch klein soms en ik snap de fascinatie van de auteur voor een heel groot deel wel. Ik keek in de tuin ook om mij heen en wilde op internet opzoeken hoe tripsen eruit zagen; om daar te lezen dat er zo’n 7400 soorten bestaan. Een rijk rijk, dat insectenrijk.

1001004006549969
Hebben is houden van Jaco Berveling heeft als ondertitel Wat iedere verzamelaar en boekenliefhebber over zichzelf moet weten. Ik voelde mij aangesproken want liefhebber ben ik zeker en verzamelaar; een beetje zoals het uitkomt.

Het boek is bedoeld om een antwoord te krijgen op de vraag wat een verzamelaar, en dan in het bijzonder een boekenverzamelaar, drijft. Uit interviews blijkt dat er in eerste instantie drie motieven te noemen zijn; instinct, verzamelen als investering en het ‘redden’ van bedreigde objecten. Rasverzamelaar Boudewijn Büch gaf daar nog een heel eigen draai aan ;

“…ik heb een gestoorde verhouding met mijn – al lang overleden – vader. En zo is het eigenlijk met al die grote verzamelaars van wie ik de bibliografieën en autobiografieën gelezen heb….met alle bibliofielen is hetzelfde aan de hand: het zijn treurige, lelijke mannen met een meestal ernstig gestoorde vaderbinding en met een droevig seksueel leven.”

Voordat er enige lezers verschrikt afhaken hier; daar valt van alles op af te dingen maar het boek biedt wel verschillende invalshoeken om wat meer inzicht te verkrijgen. Een historische, psychologische, sociologische, economische, biologische en filosofische invalshoek.

Historisch gezien blijken Nederlanders ‘schrapers’, we willen verzamelen.  Dat begint met de rariteitenkabinetten van vroeger tot en met de verzamelbeurzen van tegenwoordig. Er wordt dus aandacht besteed aan de verzamelaar maar aan de bibliofiel en bibliomaan in het bijzonder. Voor de niet ingewijden, de bibliomaan is de overtreffende trap van de bibliofiel. Volgens de Duitser Bogeng (hij wordt niet toegelicht maar het gaat om de jurist en verzamelaar Gustav Adolf Erich Bogeng, 1881-1960);

“Der Bibliophile ist der Herr, der Bibliomane der Knecht seiner Bücher.”

Dat dit ver kan gaan blijkt uit de zelfmoord van een boekhandelaar van de Utrechtse boekhandel Broese, toen hij betrapt werd op het stelen van talloze boeken uit zijn eigen winkel. Een voorval dat ik toevallig zelf meemaakte toen ik daar werkte.

De psychologische factor speelt ook mee al is het niet zo eenzijdig als Büch hierboven weergeeft. Voor dit boek zijn veel interviews gehouden en het merendeel der bibliofielen had een geweldige jeugd met prima ouders en is gelukkig getrouwd.

De motieven worden overigens niet in aparte hoofdstukken behandeld, het loopt allemaal een beetje door het boek heen. Economie wordt behandeld in termen van schaarste en de mogelijkheid om de boeken als investering te zien. Dat kan, maar verwacht er niet teveel van. De zeven grondregels die daarvoor worden aangedragen snijden wel hout maar leuker vind ik de verhalen van mensen die het verzamelen in de praktijk brengen. Mannen (bibliofielen zijn meestal mannen en ook dat wordt verklaard in het boek) die omzichtig hun aankopen het huis in halen bijvoorbeeld;

“Het thuisfront speelt voor verzamelaars een buitengewoon belangrijke rol. Je moet zelf naar een evenwicht zoeken. Niet iedereen lukt dat. Ik kan mij nog goed de verhalen herinneren over bekenden van mijn vader. Mannen die op veilingen stevig inkochten. Dat ging dan niet mee naar huis, maar naar kantoor. Daarna moest het in een tasje stuksgewijs naar huis. Wanneer de hele doos in één keer naar huis kwam, ontplofte mevrouw.”

Zo staat er ook wat geschreven over biologische motieven en dan weidt de schrijver wat uit over hamsterende eekhoorns, aanleg en stoornissen. Dat heeft wel enige grond en is aardig om te lezen, alleen stoorde het mij dat dit in het laatste hoofdstuk weer herhaald werd in een soort samenvatting, maar met precies dezelfde informatie. Binnen een boek van ruim 220 pagina’s hoeft dat niet, ik had het net gelezen. Wat wel verhelderend is zijn de gesprekken die gevoerd zijn met de leden van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen. Zij geven goed inzicht in wat verzamelen is en wat de verzameling voor hen betekent en wat er bijvoorbeeld mee moet gebeuren na hun overlijden.

Ben ik meer over mijzelf te weten gekomen door dit boek? Welnee. Ik heb iets met muziek en boeken en ik koop een beetje zoals het mij uitkomt. Vroeger lag die focus op de muziek, maar sinds de opkomst van streamingdiensten koop ik dat een stuk minder. De focus ligt nu op de aanschaf van boeken. Ik verzamel niet heel gericht, dat laat ik lekker afhangen van mijn interesses, luim en mogelijkheden en dat bevalt mij erg goed.