4e8bd4d3101319e593843775451444341587343
Ik ben Vrienden, vreemden, vrouwen van August Willemsen ergens op een blog tegengekomen waar het lovend besproken werd, maar meer wist ik er niet meer van. Ik wist ook niet precies meer wie August Willemsen (1936-2007) was maar doe altijd mijn huiswerk, dus ik leerde dat hij een vooraanstaand vertaler was van Portugese en Braziliaanse lectuur. In dit Privé-domeindeel is het echter nog niet zover. Het is een ego-document over de jaren vijftig en begin jaren zestig, waarin hij nog aan het conservatorium studeert.

Het boek bestaat uit dagboekfragmenten uit het verleden, maar ook uit commentaren uit het heden, waardoor er een completer beeld van de schrijver ontstaat. Dat verleden is eigenlijk niet heel bijzonder. De conservatoriumstudie geeft hij eraan. Het gaat over zijn relaties met meisjes, onzekerheid over zijn uiterlijk en zijn reizen naar Zuid-Frankrijk, Spanje en Portugal. En dan weer opnieuw eigenlijk. Toch heb ik geboeid zitten lezen. Zijn vriendinnen Freddie en Marian blijken bijvoorbeeld belangrijk voor hem, maar Willemsen stelt zichzelf voortdurend vragen:

Ik heb ooit eens geschreven dat ik au fond niet aan de mensen hecht, dat ik uiteindelijk iedereen kan missen. Is dat zo? Freddie bijvoorbeeld, heb ik nooit gemist. Nou ja, af en toe. Als ik aan haar denk. Marian? Niet het minste verlangen. Terwijl ik er toch behoorlijk overstuur van ben geweest. Maar nu? Volmaakte onverschilligheid wanneer ik haar zie. Als ik haar nooit meer zie is het ook goed.

Met Marian zal hij een levenslange correspondentie voeren, die ook in een Privé-domeindeel is verschenen. Verder is het dus niet heel opzienbarend wat er beschreven wordt. Café-bezoeken met overmatig alcoholgebruik (ook daar is een Privé-domeindeel aan gewijd), bezoekjes aan vrienden en zijn reizen. Die laatste vond ik zeer boeiend om te lezen. Dat kan omdat ik het boek zelf in een zinderend heet Zuid-Frankrijk las, maar het is mooi om te lezen hoe het reizen er in de vijftiger jaren aan toe ging:

Wanneer ik achterom keek zag ik de blinkende Sierra Nevada als een fata morgana boven trillende luchtlagen, los van de aarde…Vlak voor de bergen stopte een vrachtwagen. Ik moest in de laadbak, op mijn rug, om niet gezien te worden. De bodem lag vol kalkgruis, dat mijn ogen verstopte zodra de wagen begon te rijden. Ik deed mijn ogen dicht en voelde me gevangen in een kleur van bloed: de binnenkant van mijn schrijnende oogleden.

Aparte vermelding verdient zijn relatie tot zijn vader en diens dood. Vader Willemsen was lid van de NSB en in 1944 ging het gezin naar Duitsland. Na de oorlog bleef zijn vader hangen in zijn jodenhaat en het kost de auteur moeite om erover te schrijven. Hij staat uitgebreid stil bij het overlijden van zijn vader, wat toch een soort van oplossing biedt.

Ik schreef al dat er meerdere Privé-domeindelen van Willemsen zijn verschenen en die heb ik inmiddels in huis. Ook heeft hij een essay over Fernando Pessoa geschreven, Het ik als vreemde, wat ik ook heb besteld. Omdat ik het Privé-domein van Pessoa, Het boek der rusteloosheid, al had maar nog moet lezen begrijpt u, er komt weer een projectje aan….

Advertenties

7affdc65f7014c5597167307141444341587343
Ik ben nog net een kind uit de jaren zestig, maar dat was niet de reden om De jaren zestig van Geert Buelens aan te schaffen. Mijn niet aflatende enthousiasme voor geschiedenis was dat wel. Met zijn 840 pagina’s en kleine lettertype was het een grote, maar erg bevredigende, ‘klus’. Achterin het boek staat een uitgebreid notenapparaat die ik er zeker bij zou houden én er hoort een website bij het boek, waarop bij ieder van de 23 hoofdstukken veel geluidsfragmenten, videobeelden en soms hele films te beluisteren en te bekijken zijn. U kunt even vooruit met dit boek.

De helft van de hoofdstukken heeft als titel één van de jaren uit de sixties, de andere helft gaat over een thema, zoals Liefde, Werk, Spel, Macht of Geweld. Verder staan er talloze lijstjes in het boek, variërend van random lijstjes als “10 liedjes uit 1967” tot interessante overzichten als “10 keer geweld in beeldende kunst, muziek, film en literatuur”, “10 nieuwe huizen voor de moderne kunst” of “10 iconen van de protestmuziek”. Zo kom je aan talloze tips over films, muziek, boeken en kunstwerken.

Vraag je iemand om iets uit de sixties te noemen dan komen onherroepelijk de maanlanding, de moorden op Kennedy en Martin Luther King voorbij, The Beatles en Woodstock, kortom, alles waar ik ook op werd getriggerd toen ik dit boek zag. Uiteraard staat het er allemaal in, maar dat is niet de grote verdienste van dit boek. Ik werd echt gegrepen door mij onbekende verhalen en verbanden, zoals de razendsnelle bouw van Brasilia, de hoofdstad van Brazilië;

Het was natuurlijk een waanzinnig plan: een nieuwe stad bouwen in het hart van het ongerepte, vrijwel onbewoonde binnenland van Brazilië…Tot er een leider opstond die zo megalomaan en visionair was als het plan zelf. Juscelino Kubitschek, een francofiele boekenwurm van Tsjechische afkomst, had als burgemeester van Belo Horizonte blijk gegeven van een ongekende werkkracht en bezat ook nog eens bovengemiddelde bestuurlijke talenten en een opvallend modernistische smaak.

Dan heb je mij en lees ik door. Het boek is vergeven van dit soort verhalen. Soms gaat het behoorlijk snel en moet je er wel je aandacht bijhouden. Waar ik op pagina 139 nog bij de Chinese Grote Sprong Voorwaarts zat, ben ik op pagina 140 al weer bij een concert van Van Morrison op de Rockpalast Nacht.

Dat is wat mij betreft ook de grote aantrekkingskracht van dit boek. Het zwerft over de hele wereld en er worden verwijzingen gegeven naar lijstjes en/of foto’s elders in het boek. Een kenmerkend fragment;

Moderniteit werd ook afgemeten aan kleder- en haardracht. Veel Afrikanen bleven zich in lokale gewaden tooien, maar in de wereld van politiek, diplomatie, economie, media en kunsten werden westerse pakken en jurken geacht uit te stralen hoezeer de drager deel uitmaakte van de moderne wereldcultuur. Een West-Duits fotoboek van Robert Lebeck
[► 10 documentaire fotoboeken] toont hoe de Nigeriaanse omroepster van de eerste tv-zender uit zwart Afrika een…’modern’ kapsel heeft, terwijl op de belendende bladzijde een geluidstechnica in de studio van dezelfde omroep ‘nog een traditionele’ haartooi draagt.

Veel aandacht is er voor muziek en kunst. Natuurlijk, The Beatles, Elvis, Jimi Hendrix, daar wil ik over lezen, maar interessanter zijn de stukken over jazz uit Polen, de muziekcultuur in Japan en Singapore of het even inzoomen op het fenomeen ‘de twist’. Ook de happenings en performances zaten niet direct in mijn geheugen;

Marta Minujín was betrokken bij sommige van de meest uitdagende en agressieve happenings van het decennium. Suceso Plástico (Plastic Event, 1965) was zelfs voor haar doen exuberant. In een voetbalstadion…van Montevideo werden – op tonen van een mis van Bach – motorrijders, twintig volumineuze vrouwen, twintig atleten en twintig huwelijksparen met plakband omwikkeld terwijl jonge zangeressen in het publiek mannen gingen kussen. De artieste zelf arriveerde per helikopter van waaruit ze de deelnemers onder meer bestookte met sla, bloem en vijfhonderd levende kippen. Wie dit teveel vond worden, kreeg geen respijt. Pas acht minuten na het einde van de happening gaf de artieste het signaal dat de deuren van het stadion opnieuw geopend mochten worden. Het zou jaren duren voor Minujín zich opnieuw in Uruguay durfde te vertonen.

Aparte vermelding betreft nog een hoofdstuk over het jaar 1968, wat een uitzonderlijk roerig jaar was met talloze studentenopstanden bijvoorbeeld. Dit hoofdstuk is volledig opgebouwd uit telexberichten, waarin je in sneltreinvaart een stortvloed van gebeurtenissen over je heen gekieperd krijgt.

Dat geldt voor het hele boek eigenlijk. Er staat erg veel informatie in, dus neem er de tijd voor. Beluister de muziek (op de website staan Spotify-fragmenten waar je kan doorklikken naar Spotify voor het complete nummer), bekijk wat fragmenten of een hele film. Ik heb het boek uitgelezen maar ben er zeker nog niet klaar mee en dat zijn vaak de leukste boeken wat mij betreft.

b96d1f16c110ce9596f44726f51444341587343
Als Murat Isik met zijn boek Wees onzichtbaar niet de Libris-literatuurprijs 2018 had gewonnen, weet ik niet of ik ertoe was gekomen om dit boek te lezen. Maar goed, het boek kreeg publiciteit en ik hoorde iets over een coming-of-age-roman die zich in de Bijlmermeer afspeelde, in een tijd dat ik er ook wel heb rondgelopen en mijn belangstelling was gewekt.

Het is een dikke pil van bijna 600 pagina’s en ik heb mij geen seconde verveeld, het is een prachtig boek. Hoofdpersoon is Metin Mutlu, een jongen geboren in het Turkse Izmir, die vanuit Hamburg met zijn moeder, zus en tirannieke vader naar de Bijlmermeer verhuist. Vader is overtuigd communist, terroriseert zijn gezin en voert zelf niets uit. Hij gaat weg wanneer het hem belieft en komt (want geen moslim) vaak stomdronken thuis.

Zijn kinderen en vrouw proberen de vrede waar het kan te bewaren in een flat zonder comfort, in een gebouw en een omgeving die wordt geteisterd door junks en criminelen en dat valt niet mee. De situatie die Metin schetst is tekenend;

Toen ik die middag thuiskwam van school, hing er een doordringende alcoholwalm in huis. Instinctief liep ik naar de slaapkamer van mijn ouders en deed de deur zachtjes open. Daar lag mijn vader op de matras op de grond. Hij lag zijn roes uit te slapen in zijn onderbroek…’s Avonds schoof hij aan voor het avondeten, met geschoren wangen, heerlijk geurend naar Tabac-aftershave en zijn haar perfect in model alsof er niets was gebeurd. We spraken niet over het incident, zoals we nooit spraken over vervelende dingen die zich in huis voordeden. We slikten het en gingen verder. En zoals altijd aten we zwijgend ons eten en hoopten we dat de vrede zo lang mogelijk stand hield.

Het verhaal ontvouwt zich in een rap tempo in veelal korte hoofdstukken en dat zorgt ervoor dat je blijft lezen. De hoofdstukken handelen ook vaak over op zichzelf staande gebeurtenissen, zoals Koninginnedag, een voetbalcompetitie, de Bijlmerramp, een ontmoeting met een meisje, er wordt nooit lang doorgegaan op een oud gegeven en dat werkt erg verfrissend.

Metin worstelt dus met zijn vader, maar ook met school, waar veel van hem wordt verwacht. Waar hij eigenlijk havo-niveau heeft, wordt hij gepushed naar het vwo waar hij op zijn tenen moet lopen. Hij wordt er gepest en moet alle zeilen bijzetten;

Dino was een kwaadaardig wezen dat ik zorgvuldig moest mijden, maar de grootste slag zou me misschien wel worden toegebracht door iemand die ik niet eerder in het vizier had gehad, iemand die me tot dan toe niet was opgevallen omdat hij er ongevaarlijk en zwak uitzag. Het was een berekenende dwerg die op een dag besloot mijn radar te omzeilen om een onverwachte en verachtelijke aanval uit te voeren, juist op het moment dat het ergste achter de rug leek. Misschien had ik daarom mijn schild even neergelegd, als een soldaat die uitgeput terugkeert van het front en uitziet naar het moment dat hij zich voorgoed kan ontdoen van zijn uitrusting.

Als een hoofdstuk zo begint dan lees ik graag verder. De geschiedenis van de Bijlmermeer wordt mooi in het boek verwerkt als Metin voor maatschappijleer de verhalen aanhoort van meneer Rolf, één van de eerste bewoners van zijn flat Fleerde en die later de laatste, protesterende bewoner zal blijken te zijn.

In het gezin begint langzaam een kentering te komen. Metin’s moeder krijgt werk en leert snel, Metin en zijn zus worden ouder en vader krijgt steeds meer tegengas. Hij wordt met argumenten voorbijgestreefd en ziet dat hij grip verliest. Als u wilt weten hoe dat afloopt, lees dan vooral het boek. Zijn er geen minpunten? Niet echt, of het moet de passage zijn waarin de auteur de moeilijkheden van Metin nèt iets te ver doordrijft door de lerares te laten vragen wie hij dan wel is en hoe hij heet, alsof ze hem echt nog nooit heeft opgemerkt. Voor de rest, wat mij betreft een aanrader.

9023429060.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik heb wel het één en ander over Beethoven gelezen, maar een deugdelijke biografie eigenlijk nog nooit, dus dit boek van Jan Caeyers wilde ik graag lezen. Gottmer heeft ooit een componistenreeks uitgebracht en dat deeltje bezit ik, maar dat las ik lang geleden dus de kennis opfrissen kon geen kwaad, temeer omdat ik Beethoven’s muziek regelmatig afspeel. Ik heb al zijn werken inmiddels beluisterd, maar met een biografie van zo’n 600 pagina’s hoopte ik nieuwe inzichten te krijgen en dat klopte.

Vaak vertellen biografen wat over de voorouders en dat is hier niet anders maar wel erg interessant, want de beroemde componist is de achterkleinzoon van een bakker uit het Vlaamse Mechelen. Hij werd echter in Bonn geboren in een gezin dat niet vrij van problemen was. Zijn vader kampte met psychische problemen en was een dronkaard. Toch zal Beethoven nooit een kwaad woord over hem spreken en dat vind ik meteen de kracht van dit boek. De mythische Beethoven wordt overal tot de menselijke maat terug gebracht. Daar kom ik op terug.

Beethoven bleek muzikaal uitzonderlijk begaafd en speelde uiteindelijk sneller dan dat hij las en er gingen al snel verhalen in het rond over zijn talent;

…nog sterker is het verhaal dat de jonge Beethoven erin is geslaagd de bas Ferdinand Heller – die toch bekendstond als een toonvast zanger – totaal uit zijn toon en zijn lood te slaan door een ter plekke geïmproviseerde en uiterst complexe begeleiding, met het gevolg dat de keurvorst zelf hem moest aanmanen het voortaan allemaal eenvoudig te houden.

Het ontbrak hem niet aan lef en hij zal uiteindelijk in Wenen belanden. Hij ontmoet Mozart en Haydn en de auteur geeft aan waar de verschillen liggen in speelstijl, en waarom Beethoven uiteindelijk zo’n revolutie in de muziek zou ontketenen.

Hij is overtuigd van eigen kunnen en zegt dat ook als het hem uitkomt;

‘Prins, wie u bent, bent u door toeval en geboorte. Wie ik ben, ben ik dankzij mezelf. Prinsen zijn er en zullen er nog duizenden zijn, er is echter maar één Beethoven.’

In de liefde is het een ander verhaal en boekt hij minder succes. Hij heeft één ‘eeuwige’ geliefde die een grote rol zal spelen in zijn leven én daarmee in zijn werk en dat is Eleonore von Breuning. Een andere bepalende factor is zijn gezondheid, of beter, het ontbreken daarvan. Bekend is zijn toenemende doofheid, waarschijnlijk als gevolg van tyfus. Ook zijn zenuwgestel werd daardoor aangetast en zijn overmatige alcoholconsumptie zal ook niet geholpen hebben.

Verder was het hard werken in Wenen. Hij moest leuren om zijn composities ten gehore te kunnen brengen en verkocht daarvoor zelfs eigenhandig toegangskaartjes. Die composities, dat is een verhaal apart. Die waren anders dan alles wat daarvoor was geprobeerd en dat wordt prachtig toegelicht in dit boek. Soms met notenvoorbeelden, maar prima te volgen als je niet muzikaal onderlegd bent. Je wilt die werken meteen opzetten en ik hoorde allemaal nieuwe dingen.

Belangrijke episodes krijgen een eigen hoofdstuk, zoals zijn retraite in het dorpje Heiligenstadt, nu een deel van Wenen. Het werd hem allemaal teveel en hij moest rust houden. Daar wandelde hij veel en hij schreef er van zich af in een document wat nu bekend staat als het Heiligenstädter Testament. Ook zijn zorg voor zijn neef Karl is een constante. Hij had het beste met hem voor maar kon een zelfmoordpoging niet voorkomen. Zijn ontmoeting met Goethe, zijn problemen met betalingen, maar vooral de uitweidingen over zijn muziek zijn fascinerend. Over zijn strijkkwartetten;

…veel ingrijpender waren de gevolgen van de professionalisering onder Shuppanzigh. Daar waar de Strijkkwartetten (op.18), net als alle kwartetten uit die tijd, nog gemaakt waren op maat van de consumenten…waren de Rasumowskykwartetten gedacht voor professionele muzikanten, wat er in de praktijk op neerkwam dat Beethoven met niemand meer rekening hield. Bepaalde passages waren technisch zo moeilijk dat ze enkel nog speelbaar waren door de grootste virtuozen….

En als het zijn meesterviolist Shuppanzigh teveel werd en hij zich beklaagde bij Beethoven, dan was deze niet mals;

‘Denk je werkelijk dat ik aan jouw ellendige viool denk wanneer ik getroffen word door een bepaald gevoel?’

Uiteindelijk werd Beethoven volledig doof en daar begint voor mij het wonder. Hij bleef doorcomponeren maar nu praktisch zonder piano. Zijn ‘inwendig gehoor’ was zo getraind dat hij in staat was totaal nieuwe en nooit gehoorde klankenconstructies te ontwikkelen en die om te zetten naar een concreet notenbeeld. De auteur gaat hierin zo ver dat zijn doofheid wellicht werken heeft opgeleverd die een horend componist nooit had kunnen schrijven.

Maar even terug naar de menselijke maat. Het boek staat vol met materie die je echt wel doen inzien wat voor uitzonderlijk begaafd iemand Beethoven was. Dan is het prettig dat, om de zaak in balans te houden, ook de menselijke maat niet uit het oog verloren wordt. Dat gebeurt. Beethoven had zijn woede-aanvallen en kon nukkig en dwars zijn, allemaal waar. Maar de liefde voor Eleonora, zijn twijfel die hij van zich afschrijft, de capriolen die hij uithaalt om zijn werk maar aan de man te brengen, die worden allemaal uitgebreid beschreven en laten zien dat hij maar mens was. Zijn laatste woorden waren, toen hij naar een paar flessen prima Rüdesheimer keek op het tafeltje naast zijn bed: ‘Jammer, jammer, te laat!’ 

Ik zet zijn bewerkingen nog maar eens op van die Schotse volksliedjes.

FullSizeRender
Jeroen Brouwers heeft een aantal bundels uitgebracht onder de naam Kladboek. Dat zijn verzamelingen van essays over uiteenlopende onderwerpen. In het verleden heb ik de eerste twee kladboeken al gelezen en Het vliegenboek is nummer drie.

Het is een beetje bijeengeraapt boek met verschillende stokpaardjes. Een aantal essays over de zelfmoord van buitenlandse schrijvers, die ook in de (nog te lezen) bundel De zwarte zon staan. Een aantal portretten van schrijvers, als Richard Minne, Karel van het Reve, Rudy Kousbroek en Walter van den Broeck. Een stuk over, onvermijdelijk haast, de uitgeverij Manteau en haar eigenaresse Angèle Manteau, waar Brouwers geen goed woord voor over heeft. Een stuk over het geboortedorp van Hitler en een mini-cursus Vlaanderen.

Het leest allemaal heerlijk weg, maar ik zat me toch een beetje af te vragen wat ik met het boek moest. Het tuurtouw stond er ook in, dat had ik ook al in een aparte uitgave gelezen, maar toen kwam ik bij het stuk over Karel van het Reve. Van hem heb ik het verzameld werk in de kast staan en dan begint Brouwers;

De opinions van Karel van het Reve zijn overwegend gebaseerd op tergende nonsens. Je kan geen deur opentrekken, geen kamer binnenkomen en geen radio aanzetten of iemand zegt dat Karel van het Reve zo’n briljante essayist zou zijn. Voorts kan je geen boekenbijlage of cultureel supplement openslaan of je leest daarin dat Karel van het Reve in zijn hoedanigheid van essayist weliswaar misschien soms een steekje laat vallen, maar dat overeind blijft dat Karel van het Reve een briljant stilist zou zijn. Karel van het Reve is het een noch het ander. Karel van het Reve is maar één ding, en dat is: lui.

En dan komt Brouwers met 38 pagina’s aan onderbouwing van zijn stelling. Fijn dan, ik kan Karel meteen met andere ogen gaan lezen. Zo krijgt ook Rudy Kousbroek een veeg uit de pan. In zijn Anathema’s, waarvan ik deel 1 las en er meer heb staan, staat blijkbaar ook klinkklare onzin. Met name deel 3 moet ik even met de stofkam door begrijp ik.

Maar het is wel Brouwers zoals ik hem graag lees, dus er valt genoeg te genieten. Hij maakt mij nieuwsgierig naar het werk van Walter van den Broeck, die een roman schreef waarin hij de koning vergezelt op een rondrit door zijn dorp. Ook de geschiedenis van de Leo J. Krynprijs (de wat? iets van achtergrond vindt u hier) is de moeite waard. Angèle Manteau krijgt er hier ook weer van langs trouwens;

Het is onterecht Angèle Manteau te bestempelen als degen die de talenten van Louis Paul Boon en Hugo Claus zou hebben ‘ontdekt’: beiden zijn ontdekt door de jury van de Leo J. Krynprijs en Angèle hoefde slechts, als was zij een haai, haar kaken te sperren om beide talenten ter opslokking toegeworpen te krijgen.

Dat kwam door de wurgcontracten die Manteau opstelde, iets waar Claus tot zijn geluk onderuit kwam omdat hij te jong was om te tekenen. Het boek sluit af met wat beschouwingen over zijn vader, die hij slecht kende en weinig gevoelens bij heeft. Het is dus een beetje van alles wat in dit boek, maar ik was snel door de ruim 440 pagina’s heen en blijf fan van Brouwers.

54b73eba30eaa365970776b7141437641414141
In Leven in een doodgeboren droom duikt Rémon van Gemeren in de wereld van Joost Zwagerman. Het is geen biografie, maar een literatuurstudie naar het werk van Zwagerman. De kernvraag daarbij is: Wat doe je als je moet leven in een werkelijkheid die je onaangenaam vindt?

Er komt een soort van antwoord op die vraag en Van Gemeren zegt er dit over in zijn inleiding:

Er zijn mooie dingen, bovenal liefde en kunst, maar de intensiteit die ze teweegbrengen, vervliegt spoedig en laat je achter in leegte en verveling, mismoedigheid en wanhoop…In zijn werk schept Zwagerman een wereld waarin gesmacht wordt naar iets om je aan vast te grijpen…Hij gaat daarin zo ver dat hij zelfs manieren verkent om, als je geen doel of geluk kunt vinden, te leven terwijl je er, al is het maar even, niet meer bent. Je verdwijnt – figuurlijk uiteraard.

Een soort van antwoord, want het gaat over verdwijnen terwijl je blijft leven. We kennen de trieste afloop dus het antwoord was blijkbaar niet voldoende, maar daar gaat het niet om. Wat de auteur doet is aantonen dat dit verlangen een rol speelt in het complete oeuvre van Zwagerman.

Allereerst wordt het verhalend proza bestudeerd. Van Gemeren toont via Gimmick! aan dat het thema er al vroeg in zat. De hoofdpersoon tracht te ontsnappen aan het artistieke milieu waar hij in zit, maar dat dit praktisch onmogelijk is. In Vals Licht is het nog duidelijker; een student krijgt relatie met een prostituee en leeft daarmee in een schijnwereld waarin hij niet gelukkig is. Dat is hij ook niet in de wereld erbuiten, van zijn medestudenten, ouders en vrienden. Die spanning is door het hele boek voelbaar. Het verlangen te verdwijnen is minder evident in het boekenweekgeschenk Duel maar het is er wel. Het gaat over de corrupte kunstwereld en de bijna gedwongen keuze om je hier van af te keren als je er geen deel aan wil nemen;

Wie dat doorheeft en er niet aan wil meedoen, lijkt geen andere keuze te hebben dan de kunst…volledig de rug toe te keren in een dappere poging je er volledig aan te onttrekken, wat bijna neerkomt op het verdwijnen in een welhaast surrealistische wereld waarin geen kunst voorkomt.

Op eenzelfde wijze worden de poëzie en de essays van Zwagerman doorgelicht. Met name van de laatste ben ik een liefhebber (de poëzie ken ik nog niet) en daar was ik dus benieuwd naar. Eerlijk gezegd vond ik het thema er soms met de haren bijgesleept of som te weinig belicht. De maatschappelijke essays van Zwagerman gaan bijvoorbeeld over de zwakke plekken in de Nederlandse samenleving en de conclusie moet dan een pleidooi voor meer beschaving in Nederland zijn, maar de rode draad ontging mij hier.

Zo niet in zijn essays over romantiek. De androgynie van een David Bowie of Prince, dat snap ik. Zijn beschouwingen over Boudewijn Büch, James Frey, de film Blue Velvet, Van Gemeren legt het uit. Soms ligt dat verdwijnen er zelfs een beetje te dik bovenop, zoals bij de schilderijen van Willem Althuis, maar vooruit.

Het is wrang om over zijn essays met betrekking tot zelfdoding te lezen. Zwagerman wijst zelfdoding af maar oordeelt niet. Hij heeft sympathie voor de verbondenheid die het publiek aan de dag legde na de zelfmoord van Herman Brood, maar:

…wijst hij erop dat het voorbijging aan ‘de eenzaamheid die aan een zelfmoord voorafgaat.’

Je gaat onvermijdelijk zijn werk anders lezen na zijn eigen zelfmoord maar ook na het lezen van dit boek. Dat geeft niet, ik hoop dat het mij bewuster laat lezen, want ik heb nog werk van hem in de kast staan. Dat ga ik nog lezen, met in mijn achterhoofd die machteloosheid van de schrijver, zijn besef daarvan en zijn onmacht om die te verlichten of te aanvaarden.

111c541974589f1593030395377444341587343
Ik had Hersenschimmen van J. Bernlef al eens gelezen, maar nog niet zijn pendant Eclips. Hoe zat dat ook al weer dan? Hersenschimmen gaat over Maarten Klein, die kampt met een snel toenemend geheugenverlies. Dat wordt knap verteld door Bernlef en hier vertelt hij zijn verhaal in omgekeerde richting.

Kees Zomer zit in de auto als de eclips plotseling toeslaat. Daarmee opent het verhaal ook;

Ik moet naar rechts, van de weg af. Omdat de linkerkant van de wereld verdwenen is, plotseling weg. Daarom moet ik wel naar rechts, de kaarsrechte vaart in. De achterbumper slaat met een harde klap op de wallekant. Dan begint het zinken.

Hij zinkt, het kanaal en zijn geheugen in. Hij weet zich te redden, komt weer op de wal maar is alles aan de linkerkant kwijt. Hij ontmoet een aantal mensen zoals de zwerfster Toos, die hem al snel in de steek laat. Hij kan zich moeilijk bewegen en komt slecht uit zijn woorden. De muziek uit een transistorradio helpt hem langzaam wat woorden terug te vinden;

Ik draai aan de zenderknop tot ik de muziek hoor…’Kom op, dansen Kees!’ Maar dat durf ik niet, bang in een draaikolk terecht te komen waarin ik ook het restant van mijn lichaam zou kunnen kwijtraken…’Geëxcuseer,’ zeg ik. ‘Ik leef daarvoor nog te gering. Het was niet mijn bedoeling je affront te maken.’

Kees verblijft bij de inbrekers Cor en Karel die zich bruut van hem ontdoen. Daarna wordt hij gevonden door IJe, een oudere man die zich over hem ontfermt. Kees is nog steeds verward, maar hij merkt dat langzaam zich enige verbindingen weer beginnen te herstellen. Toch hapert het nog;

…al die losse flarden vormen niet langer een verhaal. Ze zwerven als losse scherven door mijn hoofd, willen zich niet samenvoegen tot wat je het verloop van een dag zou kunnen noemen. 
Ja, ik herinner mij. Het is beter dan het is geweest, toen het begon met helemaal niets, maar het is niet genoeg. Want als er geen onderlinge verbanden meer bestaan, geen volgorde, zijn je herinneringen waardeloos.

Als hij bij een boekhandelaar binnenstapt, nog steeds redelijk verward, begint het toch steeds meer te dagen. Hij was al als vermist opgegeven en hoe het afloopt, lees dat vooral zelf. Als pendant van Hersenschimmen is het boek de moeite waard om te lezen.