2bcd41b6bd91c3e597458526e41444341587343
Musicoloog Emanuel Overbeeke heeft met zijn boek Een meester zonder hamer een biografisch essay geschreven over componist, schrijver en dirigent Pierre Boulez (1925-2016).

Ik heb een aantal cd’s met werken van Boulez in de kast staan en ik ben dus bekend met zijn muziek, maar dat ging niet vanzelf. Het gaat hier namelijk om seriële muziek. Dat is muziek waarin een rij of serie van muzikale parameters (zoals toonhoogte, dynamiek, toonduur en toonkleur) de grondslag vormt om een muziekstuk te schrijven. Het serialisme borduurde voort op de ook al niet toegankelijke muziek van componisten als Schönberg en Webern.

Nu ben ik helemaal geen musicoloog en ik luister, niet gehinderd door enige kennis van zaken, naar deze muziek. Ik houd er wel van, ik laat mij graag verrassen door de dynamiek, de tomeloze energie of verstilling die er in zit. Daar heb ik zelfs een boek als dit niet voor nodig. Ik zag dit overigens bevestigd door de auteur zelf;

Men begrijpt muziek, elke muziek niet door te weten hoe die in elkaar zit…, maar door affiniteit, emotionele binding en openheid voor de esthetische lading…Analyse van melodieën, ritmen en klanken komt na de emotionele verovering, niet ervoor…

Maar zo’n boek helpt wel. Overbeeke heeft een toegankelijk werk geschreven van ruim 230 pagina’s, waarin er aandacht is voor de verschillende kanten van Boulez. Er zijn hoofdstukken over Boulez als componist, als dirigent, als schrijver, als programmeur en over zijn betekenis voor de muziek.

Die betekenis was enorm groot en daar heb ik als leek wel enige duiding nodig. Overbeeke maakt duidelijk dat wat Boulez deed, niets minder was dan de bestaande muzikale traditie radicaal overboord gooien. Serialisme was op zich niet  nieuw, maar dat was meer het middel dat Boulez gebruikte om dit te doen. Hij gebruikte bouwstenen als melodie, ritme en metrum, gooide alles door elkaar om vervolgens een heel eigen klankwereld op te zetten. Dat wordt dan gelardeerd met voorbeelden uit zijn werken, waardoor je stukken steeds weer opnieuw draait om dingen terug te horen. Er staan ook talloze linkjes in het boek naar verschillende geluidsfragmenten op internet overigens.

Als publicist was Boulez ook iemand van formaat. Hij schreef veel en vaak en was vaak niet mals in zijn kritieken;

…schaamteloos, hoewel op beleefde toon, worden kwaliteitsoordelen geveld en diverse componisten, onder wie Ives en Satie, gediskwalificeerd als niet van het hoogste niveau, interessanter vanwege hun ideeën dan de vormgeving ervan in muziek.

Daar kunnen de heren het mee doen. Ook als dirigent is Boulez een fenomeen. Hij is wars van sentimentaliteit, de volkswijsjes van Mahler en Kodály in hun werken kunnen hem gestolen worden. Van de eerste zal hij dan ook vaker zijn latere symfonieën dirigeren. Hij is zo goed dat hij de orkesten, en vaak de programmering ook, voor het uitzoeken heeft. Zijn eigenzinnigheid komt mooi naar voren als hij bij een instituut als de Wiener Philharmoniker gaat dirigeren;

…hij aarzelt dan ook niet hardhandig te breken met speelwijzen die musici en luisteraars dierbaar zijn. Bij zijn uitvoering van Mahlers Tweede symfonie met de Wiener Philharmoniker negeert hij bewust allerlei dramatische gebaren die niet in de partituur staan, maar die het orkest graag wil spelen omdat het deze ervaart en waardeert als typisch Weens.

Boulez komt naar voren als iemand die zeer goed weet wat hij wil, zowel op compositorisch vlak, als in zijn dirigeren en in zijn programmeringen. Hij was ook de drijvende kracht en directeur van het Institut de Recherche et Coordination Acoustique/Musique (IRCAM), een instituut op het gebied van nieuwe (al dan niet elektronische) muziek, gevestigd naast het Centre Georges Pompidou in Parijs.

Veel van Boulez’ werken worden uiteraard toegelicht en ben je nieuwsgierig naar zijn muziek, dan is het boek zeker aan te bevelen. Gelukkig komen er niet teveel muziek technische termen in voor en staan er genoeg anekdotes in om het verhaal de nodige vaart te geven.

hqdefault (2)
De Bodleian Library in het Verenigd Koninkrijk herbergt een groot aantal prachtige boeken, waarvan het Liber Bestiarum één van de mooiste is. In 2008 gaf de Folio Society een facsimile van dit boek uit in een gelimiteerde oplage. Het boek is prachtig handmatig gebonden in Nigeriaans geitenleer, maar het gaat mij vooral om de schitterende afbeeldingen die er in staan. Het kleurendrukwerk komt van de pers, maar de 135 afbeeldingen zijn, net als in het origineel, van pure goudfolie voorzien. Bij het Bestiarum wordt een extra boek geleverd met een uitgebreide introductie, een toelichting op alle miniaturen en een vertaling van de complete tekst.

Maar…wat is een Liber Bestiarum? Bestiarum betekent letterlijk ‘beestenboek’. Het laat de dierenwereld zien zoals op dat moment bekend. In beeld, maar ook uitgebreid in tekst. Dit Bestiarum, ook bekend als de Bodley 764, dateert uit het midden van de dertiende eeuw. Het is niet eens het oudste Bestiarum uit de Bodleian Library, het heeft nog een oudere broer uit 1210. Toch springt dit boek eruit omdat het juist ook de dierenwereld laat zien in verhouding tot de mens. Het melken van een koe, de escapades van een kat in de keuken, het houden van duiven in een til en het herbergt waarschijnlijk de oudst bekende tekening in de Engelse kunst van een vogelkooi.

Een Bestiarum is zelden een oorspronkelijk werk. Het wordt vaak samengesteld uit bekende teksten uit vroegere geschriften, zoals uit het oorspronkelijke Griekse werk de Physiologus. Daarbij is dit boek waarschijnlijk het meest uitgebreide zoölogische Bestiarum dat bekend is.

Is het daarmee ook een determineergids om mee het veld in te trekken? Zeker niet. Een Bestiarum is een religieus boek. Ze werden gebruikt in kloosters en werden gelezen tot meerdere eer en glorie van God’s schepping. Monniken bestudeerden en mediteerden over de teksten.

Nu komen er nogal wat fantastische beesten en gebeurtenissen in voor (overigens net als in de Bijbel), maar het waarheidsgehalte was niet zo relevant. In de toelichting wordt beschreven hoe de verhalen gebruikt werden;

The lion is an animal which lives on top of mountains. That is a literal meaning and not a very relevant one to an English monk. The lion, however, is an allegory of Christ, the lion of Juda. That had relevance. The lion sleeps with his eyes open, according to the Bestiary text: this is because even when Christ was buried after his Crucifixion, he was spiritually awake. This characteristic of Christ was prophesied in the Old Testament: ‘I sleep, but my heart waketh’ (Song of Songs 5:2)

Zo staan er constant vergelijkingen in de teksten en die zijn zonder meer boeiend om te lezen. Dat gaat niet altijd zachtzinnig. Ketters en Joden komen er niet goed van af bijvoorbeeld. Het zijn niet allemaal allegorieën en vergelijkingen die erin staan. Veel bijdragen beschrijven ook simpelweg hoe dieren eruit zien en hoe ze zich gedragen.

Dat de wetenschap toen niet hetzelfde was als de onze, blijkt uit talloze verhalen, zoals over de bijen;

They are known, by observation, to be born from the corpses of oxen. In order to obtain bees, the flesh of dead calves is beaten; from its putrefying blood worms emerge, which later become bees. So the insects that come from cattle are called bees; those that come from horses are hornets; mules produce drones and donkeys bring forth wasps.

De beschrijvingen  en afbeeldingen van fabeldieren als de leucrota, de manticore en de parander verdienen een aparte vermelding, maar ook de beschrijving van de sluwe vos is prachtig. Toch, na het lezen van dit boek, is mij de mus het meest bij gebleven. Omdat hij blijkbaar ‘greatly’ kan ‘rejoicen’ en dat naadloos gelijk wordt getrokken met de ziel die het uitjubelt als er een plaatsje in de hemel is voorbereid. Je kijkt nooit meer hetzelfde naar zo’n vogeltje;

The sparrow is very quick and swift, and cannot abide in the woods, but eagerly seeks its home in the cracks in the walls: when it finds such a place it rejoices greatly, because it will no longer need to beware of the snares of its enemies. Thus the soul rejoices when it sees that a dwelling has been prepared for it in the kingdom of heaven.

Vertaling en commentaar: Richard Barber & Christopher de Hamel

IMG_6205
Een bijna paginagrote ‘miniatuur’ met verschillende zeedieren

hqdefault (2)
De namiddag van een schrijver van F. Scott Fitzgerald bestaat uit een aantal autobiografische schetsen die voor de serie Privé-domein bijeen gebracht zijn door Jan Donkers.

Ik heb in maart 2017 een aantal stukken geschreven over het echtpaar Fitzgerald, en deze ontbrak nog in het rijtje. F. Scott Fitzgerald was een zeer succesvolle schrijver in de roemruchte jaren twintig van de vorige eeuw en hij en zijn vrouw Zelda lieten het, vooral in Europa, breed hangen.

Dit boek gaat over de periode erna en is daarom zeer interessant. Zijn verdiensten drogen op en hij voelt (en men laat hem dat ook weten), dat hij er niet meer toe doet. Hij schrijft in die periode gedesillusioneerde stukken proza. Het is niet moeilijk om in het stel Nelson en Nicole Kelly de schrijver en zijn vrouw te herkennen;

…het Meer van Genève dat Nelson en Nicole aantroffen, was het treurige oord van sanatoria en rusthuizen…Nicole lag op het balkon van een hotel langzaam tot leven te komen na twee achtereenvolgende operaties, terwijl Nelson voor zijn leven vocht tegen de geelzucht, in een ziekenhuis twee mijl verderop…
‘Er zijn teveel mensen in ons leven geweest,’ zei Nelson. ‘We hebben nooit weerstand kunnen bieden aan mensen. We waren zo gelukkig het eerste jaar, toen er geen mensen waren.’

Zijn overmatig alcoholgebruik komt ook nu weer terug. Hij loopt in Parijs langs de vroeger zo drukke jazz-bars. Nu staan ze grotendeels leeg. In een ander verhaal probeert hij zijn dochtertje op te halen bij zijn schoonzus, met de plechtige belofte nog maar één drankje per dag te drinken. Dat is een beetje de sfeer van dit boek.

Om de lezer verder op te vrolijken loopt hij al zijn vrienden af die één voor één de dood vonden, uiteraard op veel te jonge leeftijd (zelf zou hij niet ouder dan 40 jaar worden). Soms hebben de autobiografische verhalen andere hoofdpersonen, andere verhalen staan in de ‘ik’-vorm, zoals het verhaal Honderd valse starts. Verhalen die hij ooit wilde schrijven, maar waar niets van terecht kwam. Fragmenten die hij zelf niet meer begrijpt.

De stukken over Hollywood zijn ook de moeite waard. Hij werkte daar als tekstschrijver en had een hekel aan de plaats. Schrijven voor een grijpstuiver, dat was het. Misschien wordt die periode nog het meest gekenmerkt door de volgende anekdote. Fitzgerald las in een krant dat in het Pasadena Playhouse een toneelbewerking zou worden opgevoerd van een van zijn verhalen, The Diamond as big as the Ritz. Hij besloot naar de opening te gaan en ging met zijn vriendin eerst dineren in passende avondkledij;

Toen ze bij het theater arriveerden, zagen ze tot hun verbazing dat er niemand naar binnen ging. De hal was verlaten en Fitzgerald dacht dat hij zich in de datum had vergist. Hij ging informeren en kwam terug met het bericht dat een groep studenten het stuk in een bovenzaaltje speelde…Boven bleek het kleine zaaltje, met vijftien houten banken, ook leeg, maar vlak voor het doek opging kwamen er een paar studenten binnen…

Hij bleef manmoedig zitten maar op de terugrit was hij stil en depressief. Gedempte misère noemt samensteller Jan Donkers dit in zijn nawoord. Verder is in dit boek opgenomen het beroemde interview dat Michael Mok met Fitzgerald had in 1936, tijdens één van diens diepste depressies. Volgens zijn biograaf deed hij een zelfmoordpoging na publicatie ervan. Tragisch, zeker door zijn alsnog voortijdige dood. Terwijl Gertrude Stein, de extraverte schrijfster, zo gelijk had toen ze, in het begin van de jaren dertig, had geschreven dat

‘Fitzgerald gelezen zal worden als veel van zijn beroemde tijdgenoten vergeten zullen zijn’

Dat mijn bescheiden bijdrage hiervan maar weer het bewijs mag leveren dan.

Uit de schaduw
Uit de schaduw, onder eindredactie van Edwin Bloemsaat, is een jubileumbundel die is verschenen ter gelegenheid van het twintigjarig jubileum van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen. Dat is geen genootschap wat overal duchtig aan de weg timmert, maar in dit boek stellen 58 leden zich voor, vertellen over zichzelf als verzamelaar, over hun collectie én ze laten de mooiste stukken uit hun verzameling zien.

Dat geheel wordt in ruim 400 pagina’s gepresenteerd in een prachtig vormgegeven boek, hoe kan het ook anders. Er is gekozen voor een indeling aan de hand van zes motieven, waarbij de leden zelf konden aangeven welk motief het beste bij hen paste. De motieven zijn: het verzamelen voor esthetisch genot, het boek als object, het boek als gereedschap, verzamelen gemotiveerd door levensbeschouwing, verzamelen uit nostalgie en hoeders uit het verleden. De eerste twee motieven zijn verreweg in de meerderheid.

Ik heb het boek achter elkaar uitgelezen. Dat kan ook, want er staan veel prachtig afgedrukte afbeeldingen in van de gekozen boeken. De redenen om te gaan verzamelen zijn legio. Soms wordt een bibliotheek geërfd, soms is het een logisch gevolg van de beroepsuitoefening maar ook zo vaak komt het geleidelijk aan. Zo stelt Frederik Schreuder;

…laat één ding duidelijk zijn: als bibliofiel word je niet geboren, bibliofielen vormen zichzelf.

Ik ben best benieuwd of iedere bibliofiel daar hetzelfde over denkt trouwens. De verzamelgebieden zijn ook legio. Zo is Henriëtte C. Tuynenburg Muys-Lanzing al jong gefascineerd door zeerovers en zeevaart. Boeken over dit onderwerp maken nu deel uit van haar collectie. Jan de Jong verhaalt smakelijk over zijn collectie ‘boeken van de tweede rij’, ofwel erotica. Hij ging ooit mee met zijn baas, een antiquaar, om een bibliotheek op te halen bij een weduwe, waarbij de boeken van vader ook mee mochten;

Ik zette een lege doos op de enige tafel in het vertrek en begon met de bovenste plank links. Toen ik opkeek, leek het of ik niks van de plank had gehaald. Er stonden nog evenveel boeken als ik net had weggenomen. Bij nadere beschouwing bleek dat de kast voorzien was van een dubbele rij boeken. Ik begreep direct waar het om ging: ik had hier een geheime erotische verzameling ontdekt…Heeft de dame in kwestie ooit geweten van de tweede rij in de kast van haar vader?

Sommige verzamelgebieden zijn zeer specifiek, zoals het verzamelen van instructieboekjes over de inkleuring van atlas, boek en prent in de zestiende en zeventiende eeuw. Ook zal niet iedereen warm lopen voor een verzameling van universitaire voordrachten, maar het is zeker mooi om de verzamelaars over hun passie te horen. Dat is de charme juist van deze uitgave.

Het is een misvatting dat collecties alleen mogen bestaan uit oude, zwaarwichtige banden. Ze staan er tussen, dat klopt, maar Jos van Waterschoot is net zo goed lid van het gezelschap. Zijn verzameling is een doorsnee stripcollectie, met veel main stream als Suske & Wiske, Kuifje en Blake & Mortimer. Sterker, in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt is het niet eens nodig dat een bibliofiel zelf een collectie zou moeten hebben.

Dick Coutinho gaf een mooie inkijk hoe hij zijn collectie vormde;

Bij de vorming van mijn collectie heb ik mij de vraag gesteld wat een gemiddelde intellectueel uit de periode 1500-1530 voor boeken…in een bescheiden collectie zou kunnen hebben gehad. Dit is een interessante periode aan het eind van de Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe Tijd. In deze periode vinden allerlei overgangen plaats, niet alleen van het geschreven naar het gedrukte boek, maar ook op het gebied van theologie en wetenschap.

Periode en onderwerp gedefinieerd en je kan los dus, het lijkt me een prima methode.

Interessant zijn ook de boekobjecten, zoals het boekblok van Margarita Bruens-Mulder Dirks. Een stuk hout wat op een dichtgeslagen boek lijkt waarbij een mooie uitleg wordt gegeven. Ook het zelfgemaakte kastje van Cor Knops voor de vier boeken van de Brieven van Vincent van Gogh mag er wezen.

Kortom, er valt zeer veel te genieten in deze prachtige uitgave, al was het maar omdat coryfeeën als dirigent Ton Koopman, eminence grise van de bibliofilie Piet Buijnsters en de onvolprezen blogger Perkamentus allemaal vertegenwoordigd zijn.

Ik werd in eerste instantie opmerkzaam gemaakt op dit boek door de Boekensneuper  en was zo gelukkig om exemplaar nr. 28 te kunnen kopen van de 200 met de hand genummerde exemplaren bestemd voor leden van het Genootschap. In de recensie bij het artikel van Boekensneuper wordt gewag gemaakt van de zeer uitgebreide colofon. Bijna perfect, want de kleuren van de leeslinten zijn vergeten…Samen met wat schoonheidsfoutjes die ik zelf ontdekte zijn dat echt minor details bij een zeer aan te bevelen boek voor liefhebbers van boeken en bibliofilie.

Vormgeving: Hansje van Halem

07eac51f0a9874559326c685251444341587343
Het feuilleton Satans Potlood van Jeroen Brouwers is het vervolg op het laatste feuilleton, Extra Edietzie. Het is geen dik boek, 146 pagina’s maar vintage Brouwers.

Het boek begint met een aantal losse verhalen zoals een beschouwing over de ‘pil van Drion’ en een aantal uitspraken van schrijvers die aangeven dat de mens maar beter voortijdig kan sterven.

Gerard Reve; ‘mensen van boven de zestig en zeker van boven de vijf en zestig die moeten weg. Ze werken niet meer maar leggen wel een zware tol op de samenleving, ook financieel.’

Hugo Brandt Corstius concludeerde ook dat rationeel gezien vijfendertig de beste leeftijd zou zijn om maar eens met leven op te houden. De voordelen zijn enorm; geen werkloosheid, nauwelijks ziekenhuizen, geen familieruzies, geen scheidingen. De wereldvrede is verzekerd.

Laat het maar aan Brouwers over om hier nog even op door te gaan. Dan is hij meteen bij één van zijn favoriete thema’s; de dood (eventueel door middel van zelfmoord). Het gaat over de schrijver Jan Hanlo, die in Zuid-Limburg tussen de familieleden ligt van een autochtone Limburger, over Heinrich von Kleist die een privé-begraafplaats geniet en Brouwers schrijft een mooi verhaal over de acteur Max Linder (1883-1925). Deze acteur in stomme films en inspirator van Charlie Chaplin verkoos samen met zijn vrouw de dood. Ik kende het verhaal eigenlijk niet en op Youtube staat een mooi fragment waarin Linder en Chaplin elkaar ontmoeten.

Brouwers bezoekt ook de graven van de fraters waarbij hij vroeger op kostschool heeft gezeten. Hij loopt er rond met de plaatselijke graftuinier en heeft het over de fraters;

Hij prees mij om mijn sterke, visuele geheugen. Geen wonder, – en ik liep daar op de goudmijn van mijn schrijverij: een ongelukkige, volledig verpeste jeugd. Hoe dikwijls is het pensionaat de locatie geweest in mijn romans en andere geschrevenheden?

Zo heeft hij het ook over de dood van frater Adalbertus. Hij hoort van de graftuinier dat deze door zelfmoord om het leven is gekomen. Toen men hem vond, vond men ook wat boekjes met ontuchtig drukwerk die allerminst in overeenstemming waren met de heilige gelofte van kuisheid die hij bij zijn professie had afgelegd. Satans potlood was blijkbaar maar al te duchtig ter hand genomen.

Er staan ook luchtiger verhalen in, zoals over de, toen nog, kroonprins Willem-Alexander. De strekking daarvan is dat de koninklijke kroonkurk wel de volledige werken van welke Nederlandse schrijver dan ook in ontvangst neemt, plechtig belooft deze te lezen en te verwerken in zijn toespraken, maar dat de auteur Brouwers daar geen jota van gelooft.

Brouwers heeft dan de smaak te pakken en pakt door met een hoofdstuk over plagiaat. Daar moeten professor doctor René Diekstra en schrijver Adriaan van Dis het ontgelden;

Niet hoefde Dis, zoals Diekstra, een prijs terug te geven. Integendeel, hij ontving er een. Werd Diekstra zijn baan aan de universiteit van Leiden afgenomen, Dis mocht er gastcolleges komen geven…En op het tijdstip dat ik dit schrijf, lees ik in de krant, echt waar, zo beroemd, gevierd en gerespecteerd is hij, zijn plagiaatje is allang dichtgegroeid tot een nog nauwelijks meer zichtbaar littekentje zonder blaam, dat hij gastcolleges gaat geven aan de, wat zegt u?, aan de Sorbonne. In Parijs…En…ik kan nog vermelden, dat het tijdens de ‘lintjesregen’ 1997 Beatrix heeft behaagd Dis zo’n regenlint op zijn jasje te doen spelden en te benoemen tot Soldaat van Oranje. Pleeg plagiaat. Je brengt het er ver mee.

Er komt ook een follow-up over het onderwerp van het vorige feuilleton, dat ging over Ronald Dietz. Dat heeft natuurlijk reacties opgeroepen, zoals die van de Vlaamse auteur Guido van Heulendonk. Brouwers wast vervolgens Van Heulendonk op zijn kenmerkende wijze de oren;

‘Welk polemisch beestje? De mug Dietz? De beunhaas Dietz? Of bedoelt Van Heulendonk zichzelf als Vlaams schaapje met Dietz in zijn wollen krullenvachtje?’

Een volgend hoofdstuk pakt Brouwers de voetbalclub Ajax aan en dan met name vraagt hij zich af wie het heeft bedacht om de Griekse Ajax als boegbeeld te kiezen. Hij zoekt haarfijn uit wat Ajax zoal heeft bereikt en dat blijkt weinig heroïsch. In de Ilias van Homerus staat dat de Trojaan Hektor het Griekse spul uitdaagde voor een duel en dat iedereen fluitend de andere kant opkeek. Uiteindelijk wees het lot Ajax aan. Het duel was bij zonsondergang onbeslist en de strijders hielden toen gewoon op met vechten. Niet verloren dus, maar ook niet de sterkste. Zo gaat Brouwers nog even door. Als de directie van Ajax dit leest kiezen ze terstond een andere held….

Brouwers keert even later weer terug naar het thema zelfmoord en wel bij de illustrator Tinus van Doorn. Die zou tekeningen maken bij een aantal gedichten van Jan van Nijlen, maar pleegde ook samen met zijn vrouw zelfmoord toen de Duitsers binnenvielen.

Tenslotte wijdt hij nog een prachtig hoofdstuk aan de schrijver Lodewijk Henri Wiener (1945). Weinig bekend maar Brouwers roemt het oeuvre van deze melancholicus. Hij doet dat naar aanleiding van zijn achtste boek Wegens mensenkennis gesloten. Een prachttitel en ik ga mij er zeker nog eens in verdiepen, het hoofdstuk over Wiener maakt mij erg nieuwsgierig.

Een redelijk lange bespreking over een toch kort boekje maar ik vind de schrijfsels van Brouwers, hoewel onvermijdelijk soms ingehaald door de tijd nu, onverminderd interessant.

9045000571.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De wereld zonder ons van journalist Alan Weisman gaat over het volgende;

…stel dat het ergste is gebeurd. De mens is definitief uitgestorven…Kijk om u heen, kijk naar de wereld van nu. Uw huis, uw stad. Het land eromheen, het plaveisel onder uw voeten en de grond eronder. Laat het allemaal daar, maar haal de mensen weg. Hoe zou de rest van de natuur reageren als ze ineens werd verlost van de genadeloze druk die we op haar en op onze medeorganismen uitoefenen? Hoe lang zou het duren voordat het klimaat zou terugkeren naar het punt waar het gebleven was, voordat wij al onze motoren startten?

Intrigerende vragen en er zijn er meer. Zouden er nooit mensen zijn ontstaan, hoe zou het de planeet dan zijn vergaan, of was het onvermijdelijk dat wij ontstonden? Als we verdwenen, zouden wij, of iets dat even complex is, dan opnieuw ontstaan? Dit zijn vragen die mij uitnodigen tot verder lezen en ik vond dit boek een redelijke eye-opener. Goed 300 pagina’s razend interessant leesvoer.

Allereerst begint het redelijk dicht bij huis. Wat gebeurt er met een huis, een gebouw. Het zet uiteen, krimpt en onder de weersinvloeden komen er lekken. Vocht en schimmel zullen het gebouw uiteindelijk onderuit halen. Er kan natuurlijk bliksem inslaan waarbij branden uitbreken. Ik wist niet dat structuren als de grote bruggen in de Verenigde Staten waarschijnlijk heel lang mee zullen gaan wegens de gigantische overconstructie. Die zijn zo degelijk gebouwd dat al het verkeer dat er dagelijks overheen gaat niet meer dan een vlieg op een olifant is…

Onvermijdelijk komt in een boek als dit onze erfenis aan bod. Wat laat de mens na als hij er niet meer is. Ik zei al dat het een eye-opener was en de feiten liegen er niet om. Plastic om te beginnen. Plastic wordt namelijk niet afgebroken. Het wordt kleiner, zeer klein zelfs, maar ieder stukje plastic dat de afgelopen zestig jaar is gefabriceerd op deze wereld is nog steeds aanwezig en bevind zich ergens in het milieu. We hebben het dan over meer dan 1 miljard ton plastic…Toch is expert dr. Anthony Andrady, schrijver van het boek Plastics in the Environment, ‘optimistisch’;

‘Ik weet zeker dat je vele soorten microben zult vinden met genen die geschikt zijn om dit enorm heilzame werk te doen…Het zal honderdduizenden jaren duren voordat de hedendaagse hoeveelheid plastic verteerd is, maar uiteindelijk zal het allemaal biologisch worden afgebroken.’

Maar onze invloed reikt nog verder. Sommigen metalen als lood en chroom blijven griezelig lang bewaard in de bodem. Lood verdwijnt met 35.000 jaar, chroom met 70.000 jaar. Ook een aantal menselijke creaties zullen de tand des tijds aardig doorstaan. Zo is er de Kanaaltunnel. Die wordt beschermd door een verzonken mergelbedding en heeft daardoor de kans om nog miljoenen jaren te blijven bestaan, tot hij door continentverschuiving uiteengerukt of in elkaar geperst wordt. En de portretten van Amerikaanse presidenten op Mount Rushmore, gehouwen uit precambrisch graniet? Die zullen, rekening houdend met de huidige erosie, gerust nog 7,2 miljoen jaar zichtbaar blijven…

Een apart hoofdstuk is onze nucleaire erfenis. Daar ligt een geweldig risico. We zien aan het gebied rondom Tsjernobyl wat een nucleaire nalatenschap kan doen, maar de risico’s voor natuur en milieu zijn met onbemande centrales en opslagplaatsen levensgroot. Onvermijdelijk komt er door brand een enorme hoeveelheid radioactiviteit in de lucht en in nabijgelegen waterlopen. Toch laat het boek ook zien dat de natuur zich hierop ook weer aanpast. Wel bizar om te lezen dat de mens nucleaire opslagplaatsen heeft waar de komende 10.000 jaar zich geen mens mag vertonen…

Als je dit boek leest maakt het je bewust van het feit dat we er nog maar net zijn, als mens. Toen we nog maar één continent hadden, Pangea, is er een vulkanische uitbarsting geweest die zich stormenderhand een weg baande over het continent en
1 miljoen (!) jaar duurde. In combinatie met, waarschijnlijk, een inslag van een asteroïde (vele malen groter dan degene die de dinosauriërs omlegde), verdween toen 95% van het leven op aarde. De curator van de afdeling paleobiologie van het Smithsonian’s National Museum of Natural History, Doug Erwin, hierover;

‘Dat was echt een heel goed idee….Het baande de weg voor het Mesozoïcum. Het Paleozoïcum had al bijna 400 miljoen jaar geduurd. Dat was allemaal prima, maar het was tijd om iets nieuws te proberen.’

Dat maakt meteen duidelijk dat de mens maar een stipje op de tijdlijn van onze aarde is. De mens zal uitsterven, zoals alles tot nu toe, maar het leven zal voortgaan. Het boek staat vol met beschouwingen over de wereld voor én na de mens. Toch zal het zo’n vaart niet lopen. Nick Bostrom, hoofd van het Future of Humanity Institute in Oxford zegt:

‘Geen enkel virus kan ooit de hele wereldbevolking van meer dan 6 miljard mensen wegvagen. Met een sterfte van 99,9 procent zou je altijd nog 650 000 van nature immune overlevenden overhouden. Epidemieën maken een soort in feite sterker. Binnen 50 000 jaar zouden we makkelijk weer terug kunnen zijn op het punt waar we nu zitten.’

Daarover maak ik me dus vooralsnog weinig zorgen. Des te meer om wat we achterlaten in het milieu, want als we toch ineens zouden vertrekken moet moeder aarde een aardig tandje bijzetten. Het lukt haar, dat is zeker.

Vertaling; Peter Diderich

6d68b89e5948f0259674d477367444341587343
Martinus Nijhoff n.v. 1853-2002 vertelt het verhaal van de bekende boekhandel, uitgeverij en antiquariaat, verteld door een oud-medewerker van het bedrijf, Bob Jongschaap.

Zo’n 260 pagina’s leesvoer met een schat aan fotomateriaal en als ik al mijn aantekeningen zou verwerken zou het een heel lange bespreking worden. Want wat leest dit fijn weg. Het begon allemaal met Martinus Nijhoff (1826-1894) die zich als wetenschappelijk boekhandelaar, uitgever en antiquaar vestigde in Den Haag. Als uitgever vestigde hij zijn naam met het Woordenboek der Nederlandse Taal. De meest lucratieve inkomstenbron was de export van wetenschappelijke boeken en tijdschriften.

In 1891 trad zijn zoon Wouter in dienst van de firma. Een klein maar eigenzinnig man en zeer belangrijk voor het bedrijf. Hij zal ook een machtig man in het boekenvak worden. De antiquaar Hertzberger herinnerde zich Wouter Nijhoff maar al te goed;

‘In 1917 kwam ik er als volontair…In die tijd kwam in Amsterdam de bibliotheek van Vincent van Gogh, de oom van de schilder in veiling. De kijkdag was op zondag en ik ging er heen. De volgende dag werd ik door Wouter op het matje geroepen: ‘Wat ik in Amsterdam deed.” “Ik heb vrienden opgezocht.” “Dat lieg je. Je bent op de kijkdag geweest.” Dat moest ik dus wel toegeven, maar ik verontschuldigde me: “Zo leer ik boeken kennen.” Dat antwoord beviel Nijhoff blijkbaar, want hij gooide wat later een tientje voor me op tafel. “Dat is voor de onkosten,” grauwde hij.’

Later komt zijn neef, ook een Wouter in dienst maar na diens pensioen viel het concern uiteen. De aandelen waren versnipperd en verdeeld onder de erfgenamen die het uiteindelijk aan Kluwer verkochten waar het bedrijf ontmanteld werd. Een triest einde van een beroemd bedrijf.

De grote aantrekkingskracht van dit boek zijn de vele anekdotes en foto’s. De katholieke geestelijke Schaepman die nogal eens een boek in zijn jaszakken liet glijden, Wouter Nijhoff die een sjofele man de winkel uit liet zetten (de man kocht een peperdure atlas en vertrok per limousine) en de ceremonie van de postbehandeling. De auteur komt tijdens zijn onderzoek voor dit boek bijvoorbeeld te weten waarom er bij Nijhoff nooit werd geïnventariseerd. Dat was omdat de gewoonte was ontstaan niet-verkochte boeken over te hevelen naar het antiquariaat. Een ‘boekhoudkundige frivoliteit.’

Sommige gebeurtenissen worden in aparte stukjes door de auteur verteld, zoals het stukje “Afdalen”;

Het antiquariaat van Nijhoff was niet zomaar toegankelijk. Belangstellenden moesten altijd een afspraak maken, maar sowieso liepen particuliere klanten ook het sortiment nauwelijks binnen. Mocht er toch iemand de stoute schoenen aantrekken, dan werd er vanuit het sortiment naar boven gebeld. Na geruime tijd kwam mejuffrouw Sobels in een harnas van terughoudendheid naar beneden en vroeg dan met overduidelijke tegenzin minzaam aan de klant wat hij wenste.

De auteur is natuurlijk bekend in het pand van Nijhoff en leidt ons daadwerkelijk van verdieping naar verdieping. Zo werd er in kamer 10 niet alleen gewerkt, maar ook geknipt. Medewerker Krijgsman was namelijk kapper geweest voordat hij bij Nijhoff kwam werken. Hij overleed toen hij de laatste directeur, Wouter Nijhoff Pzn., aan het knippen was.

Zo heb ik nog veel meer aantekeningen. Prachtige verhalen, maar ook de minder mooie kanten komen aan bod. Er waren managers die niet voldeden en de auteur schroomt niet om man en paard te noemen. Dat geldt ook voor de teloorgang van het bedrijf zelf. Jongschaap noemt onverbloemd de personen die in zijn ogen hiervoor verantwoordelijk zijn.

Een goed verteld verhaal van een betrokken oud-medewerker van een overbekend bedrijf.