7aab7300f92fbe359344a685251437641414141
Na het overlijden van uitgever Geert van Oorschot, schreef Jeroen Brouwers een ‘in memoriam’. Dat is Het tuurtouw, een boekje van 67 pagina’s. Van Oorschot overleed in 1987 en Het tuurtouw kwam twee jaar later uit.

Nu heb ik net de biografie over Van Oorschot gelezen, dus dit boekje bevatte weinig nieuws, anders dan wat gedachten van de schrijver over de uitgever. Zo is er aardig wat gecorrespondeerd tussen de twee. Van Oorschot was überhaupt iemand die vaak en veel brieven schreef. Brouwers;

Zijn brieven waren de bliksemafleiders van zijn momentane stemmingen, – hij moet er, zegt men, in de loop van zijn leven ongeveer dertigduizend of meer hebben geschreven: zouden die ooit worden gepubliceerd, dan vullen ze een plank vol dundrukdelen…Mochten al die brieven even schitterend zijn als het merendeel van de brieven die ik van hem heb ontvangen, moet het nageslacht niet nalaten subsidies bij elkaar te harken ter bekostiging van de integrale publikatie ervan.

Inmiddels zijn we wat jaren verder en is niet alles integraal gepubliceerd, maar is Brieven van een uitgever inmiddels nog her en der te koop.

Van Oorschot ‘bevaderde’ graag de schrijvers met wie hij omging, maar Brouwers liet dat niet toe. Toch was hij niet ongevoelig voor zijn kritiek en adviezen. Zo vertelde hij Brouwers dat hij zich op zijn schrijverschap moest concentreren;

Jij moet hier weg, zei hij.
Om hem exact te citeren, hij zei; ‘Je moet van je tuurtouw los’. Die uitdrukking hoorde ik toen voor het eerst. Dat is het touw waarmee een schaap aan een paaltje vastzit om hem een bepaald stuk land te laten afgrazen. Ik moest weg uit ‘het verdomde Vlaanderen’, ik moest een andere, een Nederlandse uitgever zoeken…

Hoewel Van Oorschot niet zijn uitgever zou worden bleven de twee contact houden. Soms was er ruzie, maar dat contact bleef, hoewel Van Oorschot daar ook wel eens onrustig over was;

Toen ik met de samenstelling van mijn brievenboeken bezig was, vond Geert het niet goed dat mijn brieven aan hem daar ook in terecht zouden komen: ‘laten wij de wonden die we elkaar hebben toegebracht barmhartig afgedekt houden’, zei hij.

Wat mij toch nieuwsgierig maakt naar zijn brievenboek, ik vermoed dat ik nog niet uitgelezen ben over de man. Het einde van dit in memoriam is des Brouwers en toch weer mooi;

In ieder mensenbestaan keert bij tijden éénzelfde feit terug, uit welke constante zich geleidelijkaan een levensthema ontwikkelt, steeds in varianten herhaald, zoals in een symfonisch werk. (‘Een witte ijsmuts met zo’n bolletje had hij op zijn kop. Ga nou maar slapen Geert zei hij, godverdomme.’)

Advertenties

9044634674.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Frits van Oostrom heeft met Nobel Streven het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode verteld. Dat is meteen de ondertitel van het boek, die ik een tikje hysterisch vond en nog steeds vind, maar ik werd er wel door aangespoord om de achterkant te lezen én het boek aan te schaffen…

Jan van Brederode maakte deel uit van een roemrucht geslacht wat verweven is met de Nederlandse geschiedenis. Omdat zijn oudste broer het klooster in ging werd Jan de heer Van Brederode in het graafschap Holland. Hij vocht tegen de Friezen en werd commandant in Staveren. Door zijn huwelijk met Johanna van Abcoude werden de bezittingen uitgebreid en het vermogen vergroot. Het huwelijk bleef kinderloos, wat een reden zou kunnen zijn voor zijn pelgrimstocht naar Ierland. Omdat het land werd verscheurd door Hoekse en Kabeljauwse twisten én de Arkelse oorlogen, werd het slot van Van Brederode verwoest en raakte hij in financiële problemen.

Hij en zijn vrouw Johanna besloten om in te treden in het klooster. Die keuze was nogal radicaal. Van krijgsheer tot kartuizer, Van Oostrom beschrijft het treffend;

Dit werd nu Jan van Brederodes leven…Geen kasteel meer maar één kamertje. Geen personeel om te bevelen; hij werd nu zelf bediende. In plaats van lange adellijke lokken, helemaal kaal en met een baard…Geen handschoenen maar blote handen, geen laarzen maar sandalen, en van luxe kledij naar alle dagen in hetzelfde habijt.

Van Brederode werd er schrijver en zou de tekst van een Frans biechtboek, La Somme le Roi, (Des coninx summegrotendeels in het Nederlands vertalen. Hij liet het klooster en de vertaling voor wat het was toen er een mooie erfenis in de familie daagde en zijn opvolger, broer Walraven in het gevang zat. Overigens had die uittreding erg veel voeten in de aarde, iets dat prachtig wordt beschreven in dit boek. Hij trachtte vervolgens zijn vrouw uit haar klooster bij Wijk bij Duurstede te ontvoeren, maar dat mislukte. Jan van Brederode werd gevangen gezet. Na zijn vrijlating was hij heer af en trok hij als huurling naar Frankrijk, waar hij uiteindelijk sneuvelde in de slag bij Azincourt. Aan welke zijde, de Franse of de Engelse, dat is onbekend maar de auteur bespreekt dit uitgebreid en maakt aannemelijk dat dit aan de verliezende Franse zijde is geweest.

Wat maakt dit boek zo bijzonder? Meerdere zaken. Allereerst het taalgebruik. De ondertitel geeft het al aan, het mag allemaal wetenschappelijk onderbouwd zijn, het wordt allemaal zeer toegankelijk opgeschreven. Over Engelse boogschutters;

…zullen deze Engelsen ternauwernood hebben geweten waar ze waren en waarom het ging. Laat staan dat ze Woudrichem konden uitspreken.

Vervolgens de wetenschappelijke onderbouwing; de auteur gaat na de dood van Jan van Brederode nog een paar hoofdstukken door, waarin wordt ingegaan op het boek zelf en hoe dit tot stand kwam. Uitermate boeiend en verhelderend. De auteur;

Hetgeen bijvoorbeeld impliceert: durven veronderstellen dat Jans gang naar de kartuis Zelem (mede) bedoeld was om ruimte te maken voor Walraven als nieuwe heer van Brederode…Of (re)construeren dat Jans tweede Engelse koningsoorkonde kan zijn voortgevloeid uit deelname aan zijn priors visitatie van de kartuis in Londen…Maar een kaartenhuis blijft het. Of met een ander beeld: dit boek is als een gobelin dat aan de voorzijde een rijk geweven panorama biedt, maar aan de achterzijde tal van stopgaatjes vertoont.

Tenslotte; het bredere perspectief. Het geslacht Van Brederode wordt uitgebreid in kaart gebracht (uiteraard met stamboom in het boek) en de verwevenheid met de Nederlandse geschiedenis daarmee ook. Ik vond het mooi om te lezen wat zich in het gebied waar ik zelf woon heeft afgespeeld in de middeleeuwen en ik moet dat praalgraf van de familie in Vianen maar eens gaan bezichtigen. Voetnoten staan er niet in het boek, er wordt verwezen naar een website die bol staat van de informatie en waar de liefhebber nog even voort kan met zich te verdiepen in de wereld van Van Brederode.

d2960be853099d759384b335877437641414141
Het eerste deel van de complete werken van Lev Tolstoj was mij destijds prima bevallen. Deel 2: Verhalen en novellen zou vast niet anders wezen bedacht ik mij, maar dat liep toch even anders. Het boek van zo’n 670 pagina’s bevat 16 verhalen, waarvan De kozakken het langste verhaal is met 176 pagina’s.

Dan de verhalen. Ik heb best veel aantekeningen gemaakt om de inhoud even terug te halen en je kan het eigenlijk wel een beetje uittekenen. Verloren liefdes, eenzame oude mannen, koude tochten door de sneeuw, het soldatenleven in de Kaukasus en een paar mooie fabels met een moraal erin. Eerlijk gezegd lezen de verhalen best snel weg, maar om nu te zeggen dat ik er veel plezier aan beleefde, ten dele.

Hoewel…des te meer ik naar het einde van het boek kwam, des te sterker ik de verhalen vond. Vaak probeer ik een ter zake doend citaat te vinden om iets te illustreren maar ik wist lange niet tijd wat ik er uit moest halen. Iets met een koude sledetocht leek mij teveel voor de hand liggen. Tot ik bij het verhaal Cholstomjer kwam. Het verhaal van een paard, gezien door de ogen van datzelfde dier. Dat doet de schrijver dan toch weer erg mooi;

De ruin keek even naar hen en wreef toen met zijn wang tegen de hand die hem beet hield. “Ze willen me zeker beter maken”, dacht hij. “Vooruit dan maar!” En inderdaad hij voelde dat ze iets deden met zijn hals. Het deed pijn. Hij huiverde, sloeg met een been, maar vermande zich en wachtte af, wat er verder zou gebeuren. Toen voelde hoe iets nats in grote stromen over zijn hals en borst liep. Een siddering trok door zijn flanken. En hij voelde zich veel lichter worden. Heel de zwaarte van zijn leven viel van hem af.

Er wordt in dit boek aardig wat afgestorven, maar daar vind ik dan blijkbaar wel de mooiste passages in. Dat geldt ook voor het laatste verhaal, waarin Iwan Iljitsj weet dat hij gaat sterven. Hij wil dat niet en heeft daar zijn gedachten over. Het toeval wil dat ik gisteravond een interview zag van Wim Brands met Rene Gudde. Die laatste was toen al ziek en wist ook dat hij niet lang meer te leven had en daarna las ik dit verhaal van Tolstoj over Iljitsj. Die zat er wat minder rationeel in dan Gudde;

– Wanneer ik er niet meer ben, wat zal er dan zijn? Niets zal er zijn. Waar ben ik dan, als ik er niet meer zal zijn? Is dat de dood? Neen, ik wil niet. Hij sprong op, wilde de kaars aansteken, tastte met bevende handen om zich heen, liet de kaars en de kandelaar op de grond vallen en wierp zich op zijn kussen terug. “Waarom? Wat doet het er toe?”zei hij…Hij hoorde ver weg…gegons van stemmen en de piano. Het kan hun niet schelen, maar zij zullen toch ook eens sterven. Dwazen! Ik eerder, zij later; voor hen komt het ook. En zij maken plezier. Dat vee! Zijn woede verstikte hem.

Ook dat vond ik een sterk verhaal, maar verder dus een beetje een dubbel gevoel. De meest rare zin trof ik overigens aan in het verhaal De kozakken. Wat te denken van;

Marjanka zat als een wilde geit, met haar benen opgetrokken onder haar lichaam, op de ovenkachel of in een donkere hoek.

Ben toch ineens benieuwd hoe de geiten in de Kaukasus zitten…

Vertaling: Dunya Breur, P. Charles, Wils Huisman, D. Peet, Bessie Schadee, Kees Verheul en A. van de Zande

 

9028208119.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Door Geert van Oorschot ben ik de Verzamelde gedichten van Chr. J. van Geel gaan lezen. Hoewel ik er een aantal opgezocht had op internet, blijft zoiets een beetje een gok, maar die pakte goed uit. Ik had al gelezen dat Van Geel een natuurdichter was en ik had er een paar voorbeelden van gezien, maar dat heeft hij meer dan waar gemaakt. Op meer dan 760 pagina’s maak je kennis met zijn scherpe blik op de natuur. Ik weet niet hoe vaak er bomen, zee, zwanen, sprinkhanen, padden en eenden in voor komen, maar in het merendeel van zijn werk.

In zijn eerste bundel Spinroc (een omkering van de achternaam van zijn toenmalige vrouw, de vertaalster Thérèse Cornips) zijn nog invloeden te zien van Van Geel’s surrealistische verleden (hij was van oorsprong beeldend kunstenaar) maar geleidelijk aan begint hij zijn eigen taal te vinden in zijn gedichten. Die gedichten heb ik bijna altijd twee keer gelezen, om ze goed tot mij door te laten dringen. Ze staan meestal niet mooi op rijm, zinnen worden vaak afgebroken dus je moet er even je hoofd bijhouden, maar Van Geel heeft een heel eigen manier van observeren en beschrijven. Zo ook met het gedicht Bij;

De bij, een engel die gesard zich wreekt, volstrekt, tot in de dood, het fronsen van de aarde over het met aarde bedolven graf, het fronsen van wolken over de aarde, de doodval van een op een aambeeld in duizenden vonken vervaardigd angelversierd juweel, één noot op zijn zang, één toon van blijvende toorn die zingt wat hij dacht toen hij door mokers en schroeiende lucht gemaakt wist, dit begeleidt tot het eind een gonzende, brommende bij.

Dit lees ik met aandacht. Beginnen en eindigen met de “bij”, een “angelversierd juweel”, “één noot op zijn zang”, het is zonde om dit gedachteloos tot je te nemen. Ik heb er te veel aangekruist om te citeren, maar deze twee wil ik u niet onthouden, gewoon, omdat ik ze mooi vind;

Gotisch

De bomen schragen mist,
vertakte zuilen.
Het regent in het schip,
nevel hangt aan het hout
en regen tikt.
Je hoort de koster sluipen,
op zandmanvoeten graaft
hij kuilen voor de mist.

Dood van een wielrenner

Het najaar viel augustus binnen,
In de verlichte oven van de maan
zit hij rechtop, buigt hij voorover, trekken
sprinters met licht op ronden, komt hij drijfnat
van zweet en welkom op de eindstreep aan.

Uiteraard is alles subjectief en moet het je aanspreken maar voor mij werkt het. Ik wil zinsneden onthouden als “in lange strepen woeien de ogen van de plassen dicht“. Met zoveel gedichten frons ik natuurlijk ook af en toe mijn wenkbrauwen, ik kan niet overal mee uit de voeten. Waar in hetzelfde gedicht eerst merels zich dood staan te talmen op een dak, bouwen ze doodleuk twee regels verder fel aan hun voortbestaan, maar goed.

Waar ik ook minder goed mee uit de voeten kan, zijn de stukken van het laatste deel, teksten die bestemd zijn voor het tijdschrift Barbarber. Dit periodiek was bedoeld voor lichter dichtwerk, gevonden teksten en grapjes en dat is soms aardig, maar niet meer dan dat. Ik ben echter zo enthousiast over zijn gedichten, dat ik inmiddels ook de bundel Onverzamelde gedichten van Van Geel heb aangeschaft, met gedichten die buiten de samenstellingseis van deze bundel vielen. Wordt ergens vervolgd dus.

9028261400.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Met mijn interesse voor het Nederlands literatuurlandschap kon ik niet om Geert van Oorschot, uitgever van Arjen Fortuin heen. Met ruim 600 pagina’s is dit een biografie die mij veel heeft bijgebracht over het literaire klimaat in Nederland uit de vorige eeuw.

Het vak leerde hij bij Uitgeverij Stols en bij Uitgeverij Querido. Na de oorlog vestigde hij zich als zelfstandig uitgever in Amsterdam, inmiddels met zijn tweede vrouw Hillie Munneke. Eigenlijk begint daar het grote uitgeversavontuur en blijkt waar de grote kracht van Van Oorschot in zit. Hij zorgt allereerst voor een goede catalogus met auteurs als Multatuli, Du Perron en Couperus. Hij wordt wel de uitgever van de dode schrijvers genoemd. Dat deert hem niet, ook nieuwe talenten als Hermans en Van het Reve gaan met hem in zee.

Vervolgens zorgt hij voor herkenbaarheid, door de vormgever Helmut Salden aan te trekken. Een nukkige, compromisloze Duitser maar een vakman, onder meer verantwoordelijk voor het vignet dat nog altijd de boeken van Van Oorschot siert.

Verder was Van Oorschot niet bang voor grote projecten. De complete Multatuli, de Russische Bibliotheek, de complete Belle van Zuijlen, er waren astronomische investeringen voor nodig maar Van Oorschot praatte en sleurde onvermoeibaar, net zolang tot hij het voor elkaar had. Het boek maakt zeer duidelijk dat hij heel nauw naar de kosten keek; erven liet hij van royalty’s afzien, kosten werden links en rechts ingehouden op honoraria van schrijvers en vertalers en als er werd geklaagd dan kon hij een waar rookgordijn van cijfers optrekken ter verantwoording.

Dat was dan ook zijn valkuil. Een enorm temperament en enorme gedrevenheid waardoor hij mensen aantrok en afstootte. Hermans, Van het Reve, Salden en een hele berg anderen, hij ging er mee in zee en kreeg er de grootste ruzie mee. Anderen konden beter met hem omgaan, zoals de weduwe van Menno ter Braak, van wie hij ook het complete werk uitgaf;

‘Natuurlijk is van O. een gek en een barbaar en een fantast en een bezetene en wat je maar wilt. Maar zonder die eigenschappen had hij nooit deze uitgeverij gehad en was ook het Verzameld werk van Ter Braak nooit verschenen. Het kan best zijn dat hij mensen heeft bedonderd en dan was hij slimmer dan die mensen. Ik heb zelf enorme ruzies met hem uitgevochten en een grote bek gezet tegenover de zijne.’

Van Oorschot dendert door. Met zijn blad Tirade bijvoorbeeld. Hij had al eerder bladen uitgegeven en talloze redacties versleten, maar Tirade zou hem overleven. Een blad vond hij nodig om aan het maatschappelijk debat deel te nemen. Waar Van Oorschot altijd dichter wilde worden, brak hij door als schrijver met zijn boek Twee vorstinnen en een vorst, onder het pseudoniem R.J. Peskens. Daar hield het succes als schrijver ook wel op;

‘R.J. Peskens is reeds geruime tijd aan het nadenken of de boeken welke hij in portefeuille heeft wel goed genoeg zijn voor publicatie,’ schreef hij eind 1978 aan criticus Wam de Moor. En het was niet goed genoeg. Achteraf beschouwd was R.J. Peskens bij het verschijnen van zijn debuut al uitgeschreven.

Privé kreeg van Oorschot een dreun te verwerken met de zelfmoord van zijn zoon Guido. Er kwam druk te staan op zijn huwelijk met Hillie maar ze bleven bij elkaar tot haar dood in 1979. Een andere constante in zijn leven was zijn goede vriendin, schrijfster, dichteres en psychiater Vasalis met wie hij in contact bleef tot aan zijn dood in 1987.

Ik vond het een prachtig boek om te lezen. Ik heb de liefde voor poëzie van Van Oorschot nog niet genoemd maar die komt uitgebreid aan bod en deed mij een aantal bundels bestellen, onder meer van Jan van Nijlen, Christiaan J. van Geel, Richard Minne en Jan Emmens. Zijn omgang met de literaire grootheden zoals wij ze kennen is fascinerend. De clashes met Hermans en Van het Reve, het afserveren van Biesheuvel, een A.F. Th. van der Heijden die met het zweet in zijn handjes Van Oorschot niet durft aan te spreken (hoewel hij voor een kop koffie was uitgenodigd) en ga maar door. Een eigenzinnig man die uiteindelijk een pracht van een bedrijf heeft nagelaten.

9200000085676582
Journalist Aad Kamsteeg reisde in 2014 naar West-Papoea, een deel van het huidige Indonesië. Hij schreef daar een boek over wat ik op dit blog al eens besprak, Ooggetuige in Papua. Toch voelde hij de behoefte om nog een boekje te schrijven over het leven van zijn gids daar, Chris Padwa. Dat deed hij en daarom ligt Vandaag heb ik een Papoea ontmoet nu voor me.

Het is geen dik boek, 79 pagina’s, en ik verwacht niet dat veel mensen het zullen lezen. Ik hoop het wel, want het boekje is bedoeld om de aandacht voor de schrijnende situatie in West-Papoea onder de aandacht te houden. Ik heb zelf een veel persoonlijker reden om het te lezen; Chris Padwa was ook mijn gids in zijn prachtige land.

Zo’n dun boekje mag geen biografie heten en zo is het ook niet bedoeld. Kamsteeg wil het leven van Chris Padwa plaatsen in de geschiedenis en het heden van zijn land. Dat begint in dit geval met Padwa’s geboorte, in 1942. De oorlog is nog bezig maar daarna wordt het gezag over Nieuw-Guinea door de Amerikanen weer aan Nederland overgedragen. Nederland zet een politiek van versnelde ontwikkeling in waardoor er onder meer geschoolde Papoea’s komen, bijvoorbeeld voor de overheid. Ook Chris gaat naar school en begint een opleiding als verpleger. Dat stopt als hij de directeur van het internaat met een bord nasi bestookt omdat hij een ‘vieze, domme en onbeschaafde Papoea’ werd genoemd. Zijn politieke bewustzijn werd in die tijd gevormd.

Uiteindelijk zou Indonesië zeggenschap over West-Papoea krijgen door druk van de Verenigde Naties en door de gefingeerde “Daad van vrije keuze”, de telling waarbij aangewezen kiesmannen door Indonesië werden gedwongen om te kiezen voor aansluiting bij Indonesië. Chris Padwa raakt betrokken bij de verzetsbeweging, de Organisasi Papua Merdeka (OPM). Hij wordt uiteindelijk gevangen gezet en gemarteld.

Kamsteeg wisselt het persoonlijke verhaal van Padwa af met de gebeurtenissen in West-Papoea. Hij vertelt over het grote transmigratie-programma, waardoor er inwoners uit andere delen van Indonesië worden ingevlogen, zodat de Papoea geleidelijk aan een minderheid in eigen land wordt. Hij vertelt over het drama bij de Watertoren, waar de vlag van Papoea werd gehesen en waar een demonstratie werd georganiseerd. Die werd keihard neergeslagen. Grote groepen Papoea’s werden naar de haven van Biak gedreven en naar de fregatten gebracht. Naar later bleek vonden er zware martelingen plaats, eindigend in executie. Ook vertelt Kamsteeg over de Amerikaanse deal met betrekking tot de Freeport Mijn in West-Papoea. De Amerikanen én Indonesië verdienen kapitalen aan die mijn, de Papoea’s zien er niets van terug.

Chris wordt vrij gelaten maar wordt in de gaten gehouden. Door zijn activiteiten kunnen ook zijn kinderen moeilijk werk vinden. Uiteindelijk mag hij wel in het openbaar getuigenis afleggen van wat hij heeft meegemaakt. Chris vertelt;

“Onder de belangstellenden bevond zich…een hoge Indonesische generaal, Wiyottu. Zijn interesse vloeide voort uit het feit dat zijn eigen vader in 1965 bij de massaslachtingen tegen de communistische PKI was doodgeschoten. Ik herinner me dat hij onder de indruk was toen ik in een toespraak zei dat ik mijn excuus wilde aanbieden voor het feit dat ik in het verleden Indonesiërs heb gehaat. Ik voegde daaraan toe dat ik nu niet meer haat en dat we het land samen moeten opbouwen met de taal der liefde. Want, zei ik, met de taal der liefde kan een blinde zien en een dove horen.” Wiyottu omarmde me en zei: “Chris, vandaag heb ik een Papoea ontmoet.”

Het is zoals ik mij Chris ook herinner. Trots op wie hij is en op zijn land, vriendelijk en positief, maar ook duidelijk in waar hij voor staat. Kamsteeg ervaart dat ook zo:

Voor wat de toekomst betreft, heeft Chris een duidelijke boodschap aan Indonesië. Hij wil iedereen eraan herinneren dat een piano niet alleen blanke toetsen heeft, maar ook zwarte. Alleen als beide in ere worden gehouden, klinkt de muziek mooi.

De toekomst stemt nog steeds niet hoopvol. Mensenrechtenschendingen zijn er aan de orde van de dag en het grote geld regeert. Het blijft dus zaak om aandacht hiervoor te vragen en daarom is dit boekje toch belangrijk. Daarnaast is het een mooi monumentje voor een bijzondere vent.

1001004000009678
Soekarno President is deel twee van de omvangrijke biografie over de eerste president van Indonesië, geschreven door Lambert Giebels. Om direct met de deur in huis te vallen, de kwaliteit ligt in het verlengde van deel één, dus ook dit deel vond ik zeer de moeite waard.

Het helpt wel als je een beetje belangstelling hebt voor de regio en er in rondgereisd hebt, want in totaal is het meer dan 1000 pagina’s leesvoer, maar dan ben je ook aardig ingevoerd over de persoon Soekarno én in het ontstaan en de geschiedenis van Indonesië.

Soekarno is inmiddels president (dit boek beschrijft de periode 1950-1970)  en focust in beginsel op het buitenlands beleid van Soekarno en de Nieuw-Guineakwestie. Soekarno had ooit beloofd om Nieuw-Guinea in te lijven in zijn rijk en daar slaagde hij uiteindelijk in. Het wordt uitgebreid beschreven, evenals de talloze staatsbezoeken die Soekarno aflegt. Veel ervan waren bedoeld om support te krijgen voor deze kwestie. Veel, want hij gebruikte zijn staatsbezoeken ook voor een merkwaardig soort struisvogelpolitiek.

Soekarno had een broertje dood aan economie en binnenlandse moeilijkheden. Hij zag er geen been in om, bij problemen waar zijn aanwezigheid vereist was, langer in het buitenland te verblijven in de hoop dat alles wel zou overwaaien. Toch ging Soekarno ook met de binnenlandse politiek aan de haal en hij introduceerde de ‘geleide democratie’. Een vorm waarin de oppositie monddood werd gemaakt en het parlement zijn macht moest inleveren. Soekarno vertegenwoordigde de wil van het volk, gesteund door het leger.

Waar Soekarno succes boekte met de inlijving van Nieuw-Guinea, ging hij onderuit in de confrontatie met Maleisië. Het voert te ver om dit hier uit te leggen (meer informatie vindt u hier), maar de gekwetste trots van de president was hier een grote factor en dat maakt het boeiende lectuur. Dat geldt overigens voor de hele biografie. Soekarno was een charismatisch spreker, een promiscue flierefluiter (en liet zich daar in ieder gezelschap op voorstaan) maar ook een sluwe en soms opportunistische politicus. Zo is nooit duidelijk geworden wat precies zijn rol is geweest tijdens de coup van 1 oktober 1965, toen een aantal generaals werden vermoord. Het was wel het begin van het einde, want Soekarno verloor zijn macht en moest uiteindelijk de controle over het leger overdragen aan de opkomende generaal Soeharto. Dat deed hij op ontluisterende wijze, wetend dat zijn macht gebroken was;

De president…verscheen met zijn hemd uit de broek op een inderhaast belegde internationale persconferentie voor de camera’s. Op hoge toon verklaarde hij: ‘I, President of the Republic of Indonesia, Supreme Commander of the Indonesian allied forces, Great Leader of the Revolution, appoint hereby general Suharto…’ Om zich heen kijkend onderbrak hij zich zelf met de onnozele vraag: ‘Where is that man?’ – alsof hij wilde zeggen: wat meet die man zich aan?’ Toen Soeharto met een duistere blik enkele passen naar voren deed…ging Soekarno verder: ‘I appoint him as commander and as minister.’ Met een schaapachtig lachje sloot hij de benoeming van Soeharto…af met: ‘And that is all.’

Dat was het begin van de opkomst van Soeharto. De gezondheid van Soekarno ging achteruit en hij overleed op 21 juni 1970. Daarmee was zijn gedachtegoed nog niet ten einde, want zijn dochter Megawati zou later nog een drietal jaren president zijn van Indonesië.

Net als het eerste deel leest het boek prima door, als je een beetje over al die organen heen kunt lezen die opgericht en weer ontbonden werden. Er staat niet voor niets een lange afkortingenlijst achterin het boek. Giebels geeft tegen het einde van het boek een aardig slotbeeld van de persoon en president Soekarno. Dat gaat over zijn rol als rechtvaardige vorst waar behoefte aan was, die rol vervulde hij voor de gewone Javaan die niet zat te wachten op een parlementaire democratie. Zijn oratorische gave en charisma stelden hem in staat om deze leidersrol voor zich op te eisen, los van de instituten van de parlementaire democratie die er wel degelijk waren. Aan de andere kant bleef Soekarno revolutionaire leuzen roepen waar hij vervolgens hard achteraan holde, zoals “Vrijheid voor Irian” en “Naar de hel met je ontwikkelingshulp”. Dat helpt je als staatsman niet altijd per se verder. Er valt nog oneindig veel meer te vertellen, lees het vooral zelf, behalve het opmerkelijke feitje dat Soekarno dol was op het zingen van Nederlandse liedjes en het tappen van moppen. Voor dat laatste had hij een abonnement op De Lach. Ook dat staat in deze biografie en maakte het lezen ervan leuk.