Verzameld werk deel 4 van Plato heet Faidon en is het laatste deel van de tetralogie die ik noemde in de bespreking van deel 3. Het gaat over de terechtstelling van Sokrates door het drinken van de gifbeker en over de laatste gesprekken die hij voerde met zijn vrienden.

Het verhaal wordt verteld door de persoon van Faidon, die aan anderen vertelt hoe het er in die laatste uren aan toe ging. Faidon was bij Sokrates in de uren voor zijn dood, evenals Kriton die we in het vorige deel tegenkwamen en nog heel wat andere vrienden. Opmerkelijk is dat Faidon weet te melden dat Plato er niet was; Plato was ziek, geloof ik.

Dit boek is dus te beschouwen als het filosofisch testament van Sokrates. Hoewel, het is goed om te beseffen dat hier niet per se de historische Sokrates aan het woord is. Plato is immers de auteur (en kan zich derhalve ziek melden) dus Sokrates is hier meer een literair personage dat de opvattingen van Plato vertolkt.

Faidon was dus getuige van het overlijden van Sokrates en ene Echekrates vraagt hem om verslag daarvan te doen. We zijn aardig geïnformeerd over Faidon. Hij was een trouwe volgeling van Sokrates en na het overlijden van zijn leermeester keerde hij terug naar zijn geboorteplaats Elis, in het noordwesten van de Peleponnesos en stichtte daar een filosofische school.

Waar ging het dan over in die laatste uren van Sokrates en hoe was deze eronder? Kriton gaf aan dat hij zich wat rustig moest houden;

‘Alleen maar, Sokrates,’ zei Kriton, ‘wat de man die je het gif gaat geven me al een tijdlang voorhoudt. Namelijk dat ik je moet vragen zo min mogelijk te debatteren. Hij beweert dat je door debatteren te verhit raakt, wat men dient te vermijden bij toediening van het gif. Soms zijn mensen die zich zo opwinden genoodzaakt twee of drie keer te drinken.’

Dan kennen ze Sokrates nog niet. Die gaat juist het debat aan maar doet dat op zijn kenmerkende kalme en weloverwogen manier. Allereerst geeft hij aan niet bang te zijn voor de dood. Een filosoof zoekt zijn leven lang naar inzicht en hoopt dit bij of door zijn dood te verwerven.

Dat kan wel zijn, maar zijn vriend Kebes is bang dat, naast het lichaam, de ziel ook sterft. Wat dan volgt is een interessante zoektocht naar het bewijs of die ziel onsterfelijk is of niet. Anders gezegd, kunnen we vaststellen dat de levenden weer uit de doden geboren worden en dus dat de zielen ergens in Hades wachten op een terugkeer? Ik geef u een voorbeeld van de redeneertrant van Sokrates;

‘Laten we nagaan of het onvermijdelijk is dat alles wat een tegendeel heeft, slechts uit dat tegendeel voort kan komen. Bijvoorbeeld: wanneer iets groter wordt, dan dient het toch eerst kleiner te zijn geweest om daarna groter te worden?’
‘Ja’
‘En wanneer iets kleiner wordt, moet het toch eerst groter zijn geweest om later kleiner te worden?’
‘Dat klopt’, zei hij.
‘Uit het sterkere komt het zwakkere voort, en uit het langzamere het snellere?’
‘Zeker.’
‘Wanneer iets slechter wordt, komt dat dan uit het betere voort, en wanneer iets rechtvaardiger wordt uit het onrechtvaardige?’
‘Natuurlijk.’
‘Dan hebben wij voldoende aannemelijk gemaakt,’ zei Sokrates, ‘dat alles op deze wijze ontstaat, het tegendeel uit het tegendeel, nietwaar?’

U voelt hem al aankomen, het leven zou dan volgens deze redenering moeten ontstaan uit zijn tegendeel, de dood. Sommigen vrienden zijn om, anderen blijven sceptisch en met name vriend Kebes is bang dat de ziel toch zal vergaan waarna Sokrates het nog even verder voor hem en u uitdiept tot zelfs Kebes overtuigd is. Het is boeiende materie om te lezen.

Uiteindelijk is het uur van zijn dood daar. U krijgt nog een klein lesje gifmengen in de noten van het boek en we leren dat het gif bestaat uit de zaden van de gevlekte scheerling en dat de intoxicatie leidt tot vanaf de benen opstijgende verlamming. Sokrates gaf geen krimp, hij pakte de beker opgewekt aan en onderging zijn lot.

Ik gaf het al aan in deel 3 maar ook dit deel is fascinerend om te lezen. Om het bekende verhaal van de dood van Sokrates, maar het is een feest om de redenaties en heldere uiteenzettingen van Plato bij monde van Sokrates te lezen over, in dit geval, het leven na de dood.

Vertaling; Hans Warren en Mario Molegraaf

Verzameld werk deel 3 van Plato is een interessant deel. Het bestaat uit de werken Euthyfron, Apologia en Kriton en samen met Faidon uit deel 4 van de Verzamelde Werken vormen zij de tetralogie over het lot van de Grieks Atheense filosoof Sokrates.

De werken werden niet na elkaar geschreven. Euthyfron en Kriton zouden tot Plato’s vroegste werken behoren, terwijl Apologia en Faidon wellicht veel later ontstonden. Maar na elkaar gelezen, ontstaat een reeks rond het proces en de terechtstelling van Sokrates in 399 voor Christus. U voelt hem al aankomen, na dit deel zadel ik u direct op met nog een deel Plato.

Zover is het nog niet. De reeks begint met Euthyfron als er net een aanklacht tegen Sokrates is ingediend. Die aanklacht behelst godsdienstige nieuwlichterij en het bederven van de jeugd van Athene. Sokrates ontmoet Euthyfron die van plan is zijn eigen vader te vervolgen wegens dood door schuld. Zijn vader zou verantwoordelijk zijn voor de dood van een dagloner. In het gesprek wat Sokrates en Euthyfron vervolgens voeren gaat het over het dilemma of het recht zwaarder dient te wegen dan de familiebanden, of dat gevoel moet wijken voor consequentheid. Uiteindelijk gaat het over de tegenstelling tussen goed en kwaad en Sokrates wil Euthyfron de essentie van die definities ontlokken. Dat is van belang, omdat wat voor de een als goed geldt, voor de ander een kwaad kan zijn, zeker als je het wispelturige Griekse godenpantheon erbij betrekt. Sokrates;

Overweeg eerst eens: wordt het goede omdat het goed is door de goden bemind, of is het goed omdat het door hen bemind wordt?

Hier moet Euthyfron even over nadenken en Sokrates probeert dit te verduidelijken. U mag uitmaken of dat lukt;

Iemand leidt niet iets omdat het wordt geleid, het wordt juist geleid omdat iemand het leidt. Iemand draagt niet iets omdat het gedragen wordt, het wordt juist gedragen omdat iemand het draagt.

Gaat u zelf vooral lezen of de heren hier uitkomen. Sokrates heeft namelijk wat anders aan zijn hoofd als hij zichzelf moet verdedigen in zijn Apologia tegen de aanklacht die tegen hem is ingediend. Die aanklacht is ingediend door ene Meletos. Die zegt niet heel veel in dit werk, het is vooral een monoloog door Sokrates zelf.

Dit werk bestaat uit drie delen. In het eerste deel geeft Sokrates commentaar op de tegen hem ingediende aanklacht. In het tweede deel stelt hij een alternatieve strafmaat voor nadat de doodstraf tegen hem is geëist. In het derde deel spreekt hij, na ter dood te zijn veroordeeld, een laatste woord uit. U leert overigens door het informatieve nawoord van de vertalers meteen iets bij over de rechtspraak in Athene.

Die rechtspraak was een juryrechtspraak en Sokrates spreekt hen aan met ‘Mannen van Athene’. Hij weerlegt de beschuldiging van Meletos maar weet niet of dit genoeg is. Overigens verdedigt hij niet alleen voor zichzelf maar ook in het belang van de stad;

Wanneer jullie mij doden, zullen jullie moeite hebben weer iemand te vinden die in opdracht van god letterlijk – ook al klinkt het belachelijk – als een stekende horzel de stad boven op het lijf zit. Vergelijk het met een groot en edel paard, dat door zijn formaat wat traag is en ter opwekking de stekende sporen moet voelen. Evenzo heeft denk ik god mij op de stad gezet, als iemand die jullie opwekt, overreedt, ieder afzonderlijk berispt.

Tegelijkertijd vreest hij de dood niet en stelt dat de dood ook een zegen kan zijn. Het kan twee kanten op; ofwel er is een soort niets waarbij de gestorvene geen besef kent, ofwel er is sprake van een bepaalde verandering waarbij de ziel een soort verhuizing kent. In het eerste geval is dit te vergelijken met een diepe slaap en welke nachten zijn mooier als je niet wakker wordt maar lekker blijft doorslapen? De eeuwigheid duurt zo niet langer dan een goede nachtrust. In het andere geval zou je ergens naar toe verhuizen waar alle doden bij elkaar zijn en je zou je gestorven familie en vrienden weerzien. What’s not to like zou je bijna zeggen?

Daar denken de vrienden van Sokrates wat anders over en dat blijkt uit het laatste deel van dit boek. Kriton is een vriend die Sokrates in zijn cel opzoekt. De voltrekking van het doodvonnis is uitgesteld en Kriton ziet hierin een laatste kans om Sokrates te redden. Hij stelt een ontsnapping voor maar Sokrates maakt hem duidelijk, onder meer door de Atheense wetten aan te halen, dat hij daar niets voor voelt;

Bekijk het dan eens zo. Als ik op het punt stond me hier uit de voeten te maken – of hoe men dat ook mag noemen – en de wetten zouden, met de staatsgemeenschap, bij me komen staan en de vraag stellen: ‘Zeg me eens, Sokrates, wat ben jij van plan? Jij kunt toch met hetgeen je nu probeert geen andere bedoeling hebben dan ons wetten te vernietigen, en als het aan jou ligt de hele stad?

Dat is geen logische stap op het aanvaarden van de wetten op het moment dat hij verkoos om in Athene te verblijven dus Sokrates blijft zitten waar hij zit.

Het is geen dik boek, 90 pagina’s leeswerk, maar het verrast mij steeds weer hoeveel er over zo’n deel te vertellen is; de bespreking had ik nog een keer zo lang kunnen maken. Op naar het laatste deel van dit drama.

Vertaling; Hans Warren en Mario Molegraaf

Geluksvogels is de titel van een bundel verzamelde verhalen van de Italiaanse schrijver Luigi Pirandello (1867-1936). Deze bij leven al beroemde schrijver ontving in 1934 de Nobelprijs voor de Literatuur en dit is het eerste boek dat ik van hem las. Tot mijn grote plezier mag ik wel zeggen.

Pirandello had het plan opgevat om 365 novellen te schrijven, één voor iedere dag van het jaar. Hij wilde daarmee de traditie voortzetten van Boccaccio’s Decamerone en van De vertellingen van duizend-en-één-nacht. Hij gaf zelf al aan dat dit een ambitieus project was en hij zou het ook niet voltooien. Hij kwam tot 211 novellen en dit boek is een keuze daaruit, 80 verhalen in ruim 800 bladzijden.

De verhalen zijn grofweg te verdelen in twee categorieën: verhalen die zich afspelen in de provincie (waarbij Sicilië een hoofdrol vervult) en verhalen die zich afspelen in de grote stad (met name Rome, maar ook in New York waar Pirandello regelmatig kwam). Ook zijn er wat subcategorieën als verhalen die zich afspelen in treinen, op stations of aan het strand, verhalen waarin dieren de hoofdrol hebben of verhalen waarvan de locatie onbekend blijft.

De verhalen zelf zijn als het leven, soms ernstig, vrolijk, tragisch, bizar en soms verrassend actueel zoals het verhaal over het misbruik van een kind door een priester. Pirandello is er goed in om uw en mijn nieuwsgierigheid te wekken zoals in het verhaal Dikke vrienden. Hierin ontmoet ene Gigi iemand die hem zeer goed kent van vroeger, alleen heeft Gigi geen idee wie het is. Hij doet alle moeite om de man zijn naam te laten noemen en of dat gebeurt leest u zelf maar.

Net als in het echt leven wordt er heel wat afgestorven, zoals in De vlieg. Zo is Zarù druk bezig met sterven en legt een dokter even uit waar dit door komt;

Er was daar in de buurt vermoedelijk een beest aan miltvuur gestorven, en daar waren vervolgens, nadat het kadaver in een of ander ravijn was gegooid, een heleboel insecten op afgekomen; en een daarvan was vervolgens naar de stal gevlogen en had daar de ziekte op Zarù kunnen overbrengen.
Terwijl de dokter aan het woord was, had Zarù zijn gezicht naar de muur gekeerd.
Niemand wist het, maar de dood was daar intussen nog steeds aanwezig – zo klein dat die zelfs iemand die er op gespitst was niet zou zijn opgevallen
.

Suspense op het platteland en verwarring in de collegezaal. Professor Lamis schrijft namelijk het college van zijn leven en ik laat u in het ongewisse voor wie hij zijn verhaal staat af te steken. Soms druipt de tragiek van de verhalen af en ook dat is mooi.

Moeders en zonen is ook een terugkerend thema. Maragrazia die blijft schrijven naar haar zonen in Amerika en maar geen antwoord krijgt. Ze heeft nog een zoon in de buurt wonen maar heeft ook een heel goede reden om daar niet langs te gaan. De verwisseling van twee treinwagons die allebei een stoffelijk overschot bevatten is ook een mooie vondst in het verhaal De illustere overledene.

Pirandello verstaat de kunst om personen en situaties mooi te beschrijven, zoals dit kerkhof in het verhaal De weggezette kist;

En de mussen, die deugnieten, die niet wisten dat de lapidaire stijl geen interpunctie behoeft, hadden met hun vogelpoepjes de vele deugden waaraan de opschriften van die grafstenen rijk waren wellicht iets te uitbundig bezaaid met komma’s en uitroeptekens.

Verder wilt u lezen over de wonderbaarlijke terugkeer van een doodgewaande echtgenote. Natuurlijk is de weduwnaar in kwestie hertrouwd. U wilt lezen over de jongen die een Mariabeeldje wint in een loterij terwijl hij niet mee deed. U wilt zeker lezen over de man die een grote kruik lijmt terwijl hij er zelf nog in zit, maar ook de filosofische bespiegelingen over wat werkelijkheid nu is.

Het meest geniet ik van die arme sloebers die een ellendig bestaan hebben en eraan proberen te ontsnappen, zoals Belluca;

Hij woonde onder één dak met drie blinde vrouwen: zijn echtgenote, zijn schoonmoeder en de zuster van zijn schoonmoeder….Zijn twee verweduwde dochters, die Belluca in huis had genomen na het overlijden van hun echtgenoten, de ene met vier, de andere met drie kinderen, hadden nooit tijd of zin om voor de drie blinden te zorgen.

Collega’s van Belluca denken op een gegeven moment dat hij gek wordt en ijlt als hij het heeft over dat de trein heeft gefloten, maar niets is minder waar. In dit verhaal wordt het op het laatst duidelijk hoe het zit en ook dat doet Pirandello goed. Het verhaal Een zuchtje wind kent een mooie opbouw. De knorrige grootvader merkt dat iedereen zich opeens anders gedraagt en wil weten wat er is. De oplossing staat in de laatste zin en is van een ontroerende eenvoud.

Het zijn prachtige verhalen van gemiddeld tien pagina’s per verhaal en het boek leest als een trein. Dat lijkt mij een compliment aan de vertalers die een informatief nawoord hebben geschreven. Geen idee hoe je zoiets vertaalt van iemand die zich een gezegde niet precies herinnert maar ik vind het prachtig;

Het zou ook beter zijn als je bij hun komst heel druk aan het werk bent, in het zweet…hoe zeg je dat ook alweer? In het brood…nou ja, in het zweet van het brood van je aanschijn.

Vertaling; Yond Boeke en Patty Krone

Ik heb het al vaker gezegd, we vergeten van alles in Europa. Volkeren, hele koninkrijken en daar voegen we nu de vergeten afstammelingen van de Vikingen bij. De Normandiërs van Levi Roach gaat over de geschiedenis van Europa en niet alleen over het stukje Normandië in Frankrijk dat u bekend voor zal komen vanwege de geallieerde landing uit de Tweede Wereldoorlog. De auteur is hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de universiteit van Exeter dus uitermate bekend met de materie.

We beginnen wel in Frankrijk en wel met een hoofdrolspeler die ik ook in het boek Noormannen al was tegengekomen, de viking Rollo. Die hield aardig huis in Frankrijk en om de zaken niet uit de hand te laten lopen sloot koning Karel een pact met Rollo waarbij de laatste land kreeg toegewezen. Dit waren de eerste contouren van het latere hertogdom Normandië. Rollo bekeerde zich tot het christendom en zijn zoon Willem (die al geen Noordse naam meer droeg, want Guillaume heet in Frankrijk) gedroeg zich al meer als een Franse edelman dan als een Noordse viking.

De zoon van Willem is Richard en hij zorgt ervoor dat Normandië gevestigd wordt en de naam van het vorstendom is direct te linken aan de herkomst van hun bewoners. Het wordt uitgebreid beschreven in dit boek.

Dan verlaten we Frankrijk en dat is waar het ook om draait in dit boek. Het gaat niet over Normandië maar over de Normandiërs en die hadden, net als hun Noordse voorvaders weinig last van heimwee. Ze zwermden uit over een goed deel van Europa en de auteur neemt u mee op hun reizen. We beginnen dicht bij huis want de dochter van Richard, Emma, trouwt met de Engelse koning Æthelred. Die laatste maakte het niet lang en Emma huwde de Deense veroveraar Knoet. Daarmee kreeg ze twee kinderen die ze voortrok op haar eigen kinderen die ze met Æthelred had. Ze was een overlever maar weinig geliefd bij haar eerste zonen.

Ik zal u niet vermoeien met alle opvolgende vorsten want het gaat snel, maar de les is dat de Normandiërs danig hun stempel drukten op het leven in Engeland. Dat leidt tot een boeiende beschrijving van de Slag bij Hastings die werd uitgevochten door een Normandisch-Frans leger onder leiding van hertog Willem I van Normandië en het leger van de Angelsaksische koning Harold II. Die laatste kwam in de slag om het leven en dat is weer prachtig weergegeven op het beroemde Tapijt van Bayeux. Grappig is dat de dood van Harold er op wordt weergegeven, maar dat kunnen twee figuren zijn;

de twee stervende figuren worden heel verschillend afgebeeld. De sokken van de vallende man hebben een andere kleur dan die van de figuur met een pijl in zijn oog; en de eerste draagt een schild en speer, terwijl de andere net een bijl heeft laten vallen. Tenzij we ervan uitgaan dat hij in zijn doodsstrijd van garderobe is gewisseld, is het moeilijk te geloven dat dit dezelfde man moet voorstellen. Wie van beiden Harold is, is natuurlijk de hamvraag.

Ik houd van dit soort details en klikt u vooral op bovenstaande link van het Tapijt van Bayeux, u kunt het tot in het kleinste detail bekijken.

Maar de Normandische aanwezigheid ging veel verder dan Engeland. Uit het boek leert u dat ze in Ierland en Schotland aanwezig waren en bijdroegen tot het samengaan van de Schotse en Engelse kroon en dus aan de wieg stonden van Groot-Brittannië.

Normandiërs waren er ook in Zuid-Italië in de persoon van Willem met de Ijzeren Arm en zijn familie. Zij mochten Sicilië innemen met de pauselijke zegen omdat dit een Moors bolwerk was. Normandiërs namen deel aan de Eerste Kruistocht waarbij Bohemund Antiochië in het huidige Turkije veroverde.

De Normandiër Rogier van Hauteville werd door Genua en Pisa uitgenodigd om de kust van het huidige Tunesië aan te vallen maar ging daar niet op in, volgens de Arabische chroniqueur Ibn al-Athir;

In diens verslag was de sluwe Hauteville niet onder de indruk. Hij lichtte zijn dij op en liet een daverende scheet, en legde vervolgens uit waarom deze flatulentie een beter advies was dan wat de knappe koppen aan het hof te berde brachten. Want volgens Rogiers observatie zouden de Normandiërs zich al snel in de slechtst denkbare situatie bevinden als ze aan de onderneming deelnamen.

Wie zegt dat geschiedenis niet leuk is? Het geeft ook iets aan over de schrijfstijl van de auteur. Deze passages zorgen voor vaart in het verhaal en dat is fijn want soms buitelen de namen over je heen en zeker in Ierland is dat wat, als we het achter elkaar hebben over Gruffudd ap Cynan, Bleddyn ap Cynfyn en Gruffudd ap Llywelyn.

Als u ook nog leert dat de Normandiërs in Portugal waren omdat ze een uitstapje maakten van hun Tweede Kruistocht en in Duitsland dan merkt u dat ze in heel Europa en een stuk daarbuiten hun sporen hebben nagelaten. Hun meest blijvende erfenis ligt in het verbinden en integreren van grote delen van Europa en het Middelandse Zeegebied. Dat is mooi, maar ook weer niet. Ze werden uiteindelijk wel slachtoffer van hun eigen succes. Ze gingen zozeer deel uitmaken van die Europese samenleving dat ze nauwelijks meer opvielen. Ze waren verdwenen en dus… juist, vergeten.

Vertaling; Auke van den Berg en Wilfried Simons

Charlie’s Good Tonight van Paul Sexton is de geautoriseerde biografie van Charlie Watts, de drummer van The Rolling Stones. Watts overleed op 24 augustis 2021 op 80-jarige leeftijd, op het moment dat ik de biografie van zijn frontman Mick Jagger aan het lezen was. Omdat ik ook de autobiografie van Stones-gitarist Keith Richards gelezen heb mocht deze niet in het rijtje ontbreken wat mij betreft.

De titel slaat op een uitspraak van Mick Jagger over Watts tijdens een concert in Madison Square Garden in New York in november 1969. Natuurlijk was hij goed, hij was dat altijd tijdens concerten en opnames. In al die tijd mistte hij maar één concert, iets dat uitgebreid beschreven wordt in dit boek.

Is dat zo bijzonder dan? Nee, en dat duidt meteen deze biografie. Het is geen dik boek, een kleine 330 pagina’s en verwacht u geen ontstaansgeschiedenis en beschrijving van de groep The Rolling Stones. Daar leest u beter de biografie van Mick Jagger voor. Dat zegt de auteur ook zelf. Dit gaat meer over de drummer Charlie Watts zelf en wat hem onderscheidde ten opzichte van zijn mede-bandleden.

Hij week namelijk in gedrag redelijk af van zijn kompanen. Als drummer kwam hij uit de jazz-wereld en daar lag zijn grote liefde wat muziek betreft. Daarvoor was hij nog werkzaam als grafisch ontwerper. Hij kon erg goed tekenen en heeft schetsboeken vol getekend van de meest gewone zaken op zijn tournees, meestal uit het interieur van zijn hotelkamer. Niet zelden als de rest aan het stappen was.

Maar even terug naar het begin. Charlie Watts begon ooit op een banjo maar vond al snel het drumstel als zijn instrument. Omdat hij kennismaakte met jazzmuziek en zich daarin ging bekwamen ging hij in bandjes spelen die al snel naam maakten. Mick Jagger, Keith Richards en Brian Jones vormden The Rolling Stones en zochten een drummer en kwamen bij Charlie Watts uit. Die hield niet per se van de muziek van The Stones maar hij liet zich overhalen in de veronderstelling dat het maar een tijdelijke baan was. Dat liep wat anders, hoewel Keith Richards nog wat sceptisch was;

‘Charlie swingt heel aardig, maar hij kan niet rocken. Wel een geweldige kerel…’ In zijn autobiografie Life, die uitkwam in 2010, voegt Keith eraan toe: “Op dat moment had hij rock-‘n-roll nog niet in de vingers. Ik wilde dat hij de drums wat harder zou raken. Hij was nog te veel jazz voor mij.’

Het kwam goed en in het boek staan ook voorbeelden waarin die jazz-achtergrond weer luid werd bejubeld. Watts zou naast Jagger en Richards een vaste waarde in de groep worden, anders dan de (bas)gitaristen die met Brian Jones, Bil Wyman en Mick Taylor een wisselende bezetting kenden. Ron Wood vulde de leemte later aan als gitarist. Een boek als dit geeft wel een inkijkje in hoe de grote successen werden beleefd, in dit geval door Watts. Hij zei over de succesvolle tournees die steeds weer op het programma stonden;

‘…Ik haat het. Ik heb het altijd gehaat,’ zei hij zonder wrok. Mijn idee van werken is dat je opstaat en de straat oversteekt naar de club van Ronnie Scott, tot drie uur ’s nachts speelt, naar huis gaat en in je bed kruipt. Dat is voor mij een baan hebben. Het gedoe rond de twee uur durende optredens in het Wembley Stadium heb ik nooit leuk gevonden. Het is geweldig om te dóén. Het is een geweldig gevoel dat zoveel mensen naar je komen kijken.

Waar zijn bandleden behoorlijk wat relaties versleten bleef Watts altijd getrouwd met zijn grote liefde Shirley Ann Shepherd. Op een paar jaar na heeft hij zich nooit bezondigd aan grote uitspattingen op het gebied van drank en drugs. Die paar jaar bevielen hem slecht en hij bleef er op eigen kracht van af.

Hij verdiende grote sommen geld en besteedde dat in grote bedragen aan zijn liefhebberijen. Die komen uitgebreid aan bod in dit boek. Hij was een liefhebber van kleding en stoffen. Hij zag er altijd goed verzorgd uit en besteedde veel geld aan pakken en schoenen. Op tournee kwam hij rustig een uur eerder zijn bed uit om een paar nieuwe schoenen in te lopen.

Ook was hij een liefhebber van kunst en geschiedenis. Hij had een verzameling antieke wapens en een klein museum met voorwerpen uit de Amerikaanse Burgeroorlog. Hoewel hij geen rijbewijs had verzamelde hij auto’s enkel en alleen voor het design. Samen met zijn vrouw begon hij een stoeterij met Arabische volbloeden. Van die dingen genoot hij én hij genoot van zijn familie; zijn vrouw, dochter en later van zijn kleindochter.

Die laatste, Charlotte, ging net als haar moeder vaak mee op tournee met The Rolling Stones en was wel iets gewend maar door haar ogen krijg je toch iets mee van hoe groot de band was. Gastoptredens tijdens de 50 & Counting Tour waren van een hoog kaliber, zoals Ike & Tina Turner, B.B. King en Stevie Wonder. Er waren gastoptredens van Bruce Springsteen, Katy Perry, Taylor Swift en iemand die tiener Charlotte het ware perspectief liet zien;

‘Toen ik in 2012 het jubileumconcert in New Jersey bezocht, verzorgde Lady Gaga het gastoptreden,’ vertelt ze. ‘Ik was opgegroeid terwijl ze haar intrede deed, en ze was de grootste artiest ter wereld. Dat was mijn generatie. En doordat zij een gastoptreden deed dacht ik: aha, oké. Het is heel wat groter dan ik besefte…Ik dacht: hoe bedoel je, Lady Gaga heeft een trailer aan de rand van het terrein, terwijl pa een eigen kleedkamer heeft! Hoe zit dat?! Oké, nú snap ik het.’

Voor de goede orde, Charlotte noemde Charlie Watts ‘pa’, net als haar moeder Seraphina dat deed. Het zijn leuke inkijkjes in de wereld van een Stones-lid waar ik niet zoveel van wist.

Charlie Watts overleed in 2021. De doodsoorzaak staat ook niet in het boek genoemd, net als dat die niet in het nieuws kwam. Zijn geliefde vrouw Shirley Ann overleed onlangs pas, op 16 december 2022.

Is dit een onmisbare biografie? Nee, dat niet. Leuk voor de liefhebber van de muziek van The Rolling Stones en de leden van de band en daarmee vond ik het een prima boek. Het enige minpunt vond ik het voorwoord van zowel Keith Richards als dat van Mick Jagger. Korte, plichtmatige en ongeïnspireerde verhaaltjes. Ik snap dat je er als auteur mee wil pronken op de kaft (en daarmee staat er een hoop tekst op de voorkant) maar deze verhaaltjes voegen niets toe.

Vertaling: Karin de Haas

Jahrestage, ofwel Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl is het magnum opus van de Duitse schrijver Uwe Johnson. Het is geen boek voor tussendoor, deze pil telt 1573 pagina’s puur leeswerk. Verder is er nog een nawoord van de vertaler en de uitgever en een beschouwing van het boek door journalist John Albert Jansen.

In het boek volgt u een jaar lang het leven van Gesine Cresspahl, van 21 augustus 1967 tot en met 20 augustus 1968. Dat lijkt vrij overzichtelijk maar dat ligt toch iets genuanceerder. Ik kom er nog op terug. Gesine is een Duitse vrouw die met haar tienjarige dochter Marie in New York woont. Ze werkt bij een bank en hun leven in Manhattan vormt een grote verhaallijn in het boek. Hun dagelijks leven wordt minutieus beschreven en er is een grote rol voor The New York Times weggelegd. Bijna dagelijks wordt het nieuws ook aan u als lezer geserveerd;

Kerstmis is voorbij en The New York Times vindt dat ze alweer achtenzestig pagina’s nodig heeft om ons koopjes alsook de wereld te presenteren. De luchtmacht bombardeert opnieuw het noorden van Vietnam. Brand op een Noorse vrachtboot in de haven. De Vrijstaat Beieren ziet zichzelf als bruggenhoofd naar Oost-Europa. Peking blijft zwijgen over zijn atoomexplosie.

Een tweede grote verhaallijn is die van wat Gesine aan haar dochter vertelt over haar ouders en jeugd in nazi-Duitsland en later in de Sovjetsector en de DDR. Uit de hoofdlijnen komen nevenlijnen voort. Een belangrijke nevenlijn is de omgang van Duitsland met het naziverleden. De dames Ferwalter en Blumenroth in New York representeren de nazislachtoffers en de omgang van Gesine met hen laat zien hoe Duitsers die de schuld van de Holocaust accepteren omgaan met de slachtoffers ervan. Grote issues teruggebracht tot een behapbaar niveau, Johnson is er een meester in.

Dat doet hij ook met een andere nevenlijn, de positie van de zwarte burger in de Verenigde Staten. Door het opvoeren van het zwarte meisje Francine laat hij het ongemak zien van de witte burger met de Afro-Amerikaanse bevolking. Weer een andere lijn is de confrontatie tussen het werkelijk bestaande socialisme uit die dagen en de hoop op een humaner socialisme zoals dat lijkt op te bloeien na de Praagse lente.

Tot zover nog een overzichtelijk geheel maar als u gaat lezen wordt het wat gecompliceerder. Johnson heeft een geheel eigen schrijfstijl en hij laat de verhalen overal in elkaar overlopen. De ene zin zit je nog in New York, in de volgende zin alweer in de (fictieve) plaats Jerichow in het oude Duitsland;

En kapitein Bacel Winstead in Hué zei bij het zien van mariniers die op uit privébezit ‘bevrijde’ motorfietsen naar het front vertrokken: het Amerikaanse leger is toch het godverdommeste van de wereld.
Rond 20 oktober 1938 werd in Dassow bij Jerichow een man veroordeeld tot acht maanden gevangenis en proceskosten, omdat hij niet bij de partij van de nazi’s zat maar desondanks het speldje van deze partij had gedragen om aan zijn ‘innerlijke overtuiging’ uitdrukking te geven.

Dit is nog een redelijk duidelijke overgang maar Johnson doet het ook subtieler, soms binnen een zin. Bovendien gebruikt Johnson personages uit andere romans en korte verhalen van zichzelf en u wordt veronderstelt die wereld maar te kennen want hij introduceert ze verder niet. Dan is de lijst met Dramatis personae achterin het boek een welkom hulpmiddel.

Verder gebruikt Johnson verschillende verteltechnieken. Naast innerlijke monologen en door Gesine en Marie aan anderen vertelde verhalen komen er veel dialogen in voor. Vaak dient u maar te gissen wie er überhaupt aan het woord is, soms krijgt u alleen brokstukken waarmee u zich een beeld dient te vormen. Filosofische gedachten, brieven, artikelen en geschiedenislessen; het trekt allemaal in hoog tempo aan u voorbij.

Ik had het al over het magnum opus van Uwe Johnson en dat is niets teveel gezegd. Hij werkte vijftien jaar aan dit boek dat oorspronkelijk in vier delen verscheen. Een zenuwinzinking, een writer’s block, een stukgelopen huwelijk, een stevige alcoholverslaving en een zichzelf opgelegde verbanning naar een klein dorpje in het graafschap Kent; het schrijven van Jahrestage was een beproeving. Een van zijn vrienden zou later zeggen dat Johnson zich letterlijk dood had geschreven. Hij overleed een jaar na de voltooiing van dit boek aan een hartaanval.

Johnson heeft zich wel de geschiedenis in geschreven. Jahrestage heeft in Duitsland een canonieke status. Zodanig, dat er op het internet verrijkend en gedetailleerd commentaar beschikbaar is. U kunt er hier mee aan de slag. Ook publiceerde journalist Rolf Michaelis (met hulp van Uwe Johnson zelf) een Kleines Adressbuch für Jerichow und New York, een register met alle personages en adressen uit het boek.

De Nederlandse vertaling van Marc Hoogma verdient een aparte vermelding. Deze niet-professionele vertaler heeft er, ondanks de kronkels van de auteur, een zeer leesbaar verhaal van gemaakt. Passages in het Hoog-Duits worden onder aan de pagina in vertaling weergegeven.

Het is dus veel leeswerk en u dient het hoofd erbij te houden. Johnson heeft het liefst dat u net zo snel of liever langzaam leest als dat hij schreef. Vijftien jaar is wellicht wat lang en het mag ook sneller maar neemt u de tijd. U wordt dan meegesleept in de wereld van Johnson maar ook van die van Gesine en haar dochter. Bent u klaar, dan gaat u ze nog missen.

Vertaling; Marc Hoogma

Ik ben een fan van W.G. Sebald, zo betoogde ik hier en hier. De Ringen Van Saturnus vormt daar geen uitzondering op. De ondertitel luidt Een Engelse pelgrimage en het gaat dan ook om iemand die een voettocht maakt door het Engelse Suffolk in 1992.

Die iemand lijkt de schrijver te zijn maar dat wordt nergens expliciet vermeld. Het is ook geen reisverslag. Het is geen autobiografie, het is feit en fictie door elkaar heen en waar de een begint en de ander ophoudt is lastig uit elkaar te houden. Het maakt niet uit. Het is prachtig om mee te reizen met de wandelaar en hem te volgen op zijn overdenkingen en mijmeringen.

Overigens kwam het idee voor de optekening van dit verhaal tijdens een ziekenhuisopname van de verteller. Die was een jaar na het begin van de tocht opgenomen wegens vrijwel volledige immobiliteit;

In elk geval moest ik na mijn tocht niet alleen vaak terugdenken aan die heerlijke ongedwongenheid, maar ook aan het verlammende afgrijzen waardoor ik herhaaldelijk was overvallen wanneer ik de sporen van vernietiging zag die zelfs in dit afgelegen gebied tot ver in het verleden teruggingen.

Die vernietiging blijkt wel een thema dat in het hele boek terug is te vinden, in verschillende hoedanigheden. Ik houd van de gedachtensprongen van de verteller. Hij komt via de herinnering aan vrienden terecht bij Thomas Browne, een arts uit Norwich uit de zeventiende eeuw. Via Browne komen we uit bij het schilderij Van Rembrandt, De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp, waar deze Browne zomaar eens op zou kunnen figureren. Omdat Browne ook heeft geschreven over de mutaties der natuur leest u over de fabeldieren die Jorge Luis Borges beschreef in zijn Libro de los seres imaginarios, zoals de Baldanders die ook Simplicius Simplicissimus later tegen zou komen.

Een hoop namen en zou ik ze niet even toe moeten lichten? Nee, u komt ze ook zo tegen in het boek van Sebald, dus u weet maar waar het over gaat of u zoekt het op. In die zin doet het boek mij ook denken aan het boek Donau van Claudio Magris. Die maakte ook dergelijke uitstapjes gedurende een tocht en ook daar was ik erg over te spreken.

Als de verteller uitkomt bij de spoorbrug over de Blythe meldt hij ons dat de treinwagons die er overheen reden oorspronkelijk bedoeld waren voor de keizer van China. Dat mondt uit in een verhaal over de Taipingopstand in Zuid-China van 1850 tot 1864. Een grote burgeroorlog waarbij de vernietiging niet moeilijk is voor te stellen. Maar het leidt ook tot een verhaal over de zijde-industrie en de teelt van de zijderups. Dat is een verhaal dat aan het eind van het boek weer terugkomt. Subtiele verwijzingen naar verhangingen met een zijden strop vind je weer elders in het boek. Sebald doet dat vaker, onderwerpen terug laten komen in verhalen die in eerste instantie los van elkaar staan.

Een gesprek met de Nederlander Cornelis de Jong in Southwold over de suikerindustrie in Indië trekt natuurlijk direct mijn aandacht gezien mijn eerdere artikel over die industrie. In Ilketshall St. Margaret rust hij uit op het kerkhof en begint meteen een verhaal over de predikanten daar;

Een van de predikanten van Ilketshall St. Margaret was Reverend Ives, een wiskundige en hellenist van enig aanzien, die met zijn vrouw en dochter in Bungay woonde en van wie is overgeleverd dat hij in het schemeruur graag een glas kanariechampagne dronk. Men schrijft het jaar 1795. In de zomermaanden komt er regelmatig een jonge Franse edelman op bezoek, die voor de verschrikkingen van de Revolutie naar Engeland is gevlucht.

Kanariechampagne? Ik kon het niet vinden en dat heb ik vaker met Sebald. Verzint hij nu iets of niet? Maar goed, de Franse edelman identificeert u aan zijn geschrift Herinneringen van over het graf als François René de Chateaubriand; zijn naam volgt pas veel later. Bovenstaande is wel het recept voor dit boek. De wandelaar komt ergens aan, ziet iets of denkt aan iets en er volgt een prachtig geschreven en erudiet verhaal. Over Joseph Conrad en het Belgische wanbeleid in de Congo, over het wel en wee van de haring of over de zijdeteelt in Duitse vorstendommen of all places.

Dat laatste lijkt dan een voorbeeld van een verbluffend staaltje kennis of onderzoek over de materie. De Beierse staatsraad Joseph von Hazzi (1768-1845) heeft inderdaad een Lehrbuch des Seidenhaus für Deutschland gepubliceerd en zo staan er nog wat leerzame handboeken over de materie in. Ook de topografie is op orde. Een kolonel uit een Gradiskaans regiment? Gradiska is een plaatsje in Bosnië-Herzegowina. Een Walachijs-Illyrisch grensregiment uit Carancebes? Richting Roemenië. Een Duits-Banaats regiment? De Banaat is ook richting Roemenië. Ik zoek het allemaal uit en ik houd daar erg van. Het is een prachtig reisverhaal, geschiedenisverhaal en een reis tussen feit en fictie in een mooie stijl opgeschreven. Lees het aandachtig en u mist zinnen als deze niet, het zou jammer zijn;

De grootste geslachten hebben nauwelijks drie eiken overleefd.

Vertaling: Ria van Hengel

De last van de wereld van Peter Handke is een lastig boek om te bespreken. Uitgaven in de serie Privé-Domein bevatten vaak dagboeken of delen daaruit. Dit is een journaal uit de periode november 1975 – maart 1977 uit de tijd dat Handke in Parijs woonde. Daarmee is dit niet precies een dagboek (hoewel ik hem daar voor het gemak maar wel onder categoriseer). Aanvankelijk was er het plan om de aantekeningen in een kader te plaatsen van bijvoorbeeld een verhaal maar gaandeweg kreeg Handke het idee teveel zaken te vergeten en zo begon hij ook niet relevante zaken vast te houden.

Op die manier wordt het vol in het brein dus streefde hij ernaar zich te bevrijden van de gegeven literaire vormen zoals dat verhaal of een dagboek. Handke zegt daarover;

Ik trainde mij er nu in om op alles wat op mij afkwam onmiddelijk met taal te reageren, en ik ontdekte dat op het moment van het beleven juist deze tijdsprong lang ook de taal ging leven en meedeelbaar werd; een moment later zou het al weer de dagelijks gehoorde, van vertrouwdheid nietszeggend geworden, hulpeloze ‘je begrijpt-wel-wat-ik-bedoel’-taal van het communicatietijdperk zijn geworden.

Alle waarnemingen dus direct omzetten in taal. Hij noemt het zelf meer een reportage. Geen relaas van een bewustzijn, maar de directe, simultaan vastgehouden reportage daarvan.

Levert dit dan een leesbaar boek op? Jawel, het is een boek vol korte zinnen, soms wat langere fragmenten en dat leest prima door. Het chronologisch verhaal is minder van belang. Hij vertelt niet dat hij in het ziekenhuis ligt, je merkt dat aan zijn observaties ter plekke.

De teneur van die observaties gaan, zoals in het echte leven, alle kanten op. Soms grappig, soms banaal, melancholisch, het zit er allemaal in. Soms zijn het gewoon overpeinzingen of iets tussen dat alles in;

Degene die me elke dag opbelt zonder te zeggen wie hij is; misschien wil hij er zich alleen maar van vergewissen dat ik nog leef, dat ik er nog ben – en dan handelt hij dus uit bezorgdheid en niet om me dwars te zitten

Zoals gezegd bevindt hij zich ineens in het ziekenhuis;

Het knipperlicht op het cardiogramtoestel, en het knipperlicht van de voor het raam landende vliegtuigen.

Als hij later het ziekenhuis uit is en naar beneden kijkt ziet hij uiteraard het ziekenhuis liggen en volgen er omgekeerde observaties.

Verder valt er niet bijster veel over dit boek te vertellen, het gaat zo ruim 300 pagina’s lang door. Soms is dat vermakelijk;

‘Ik heb de voorschriften niet gemaakt en ben er ook niet op gesteld. Maar als we voor u een uitzondering maken, moeten we er voor de volgende ook een maken.’ – ‘Dat zou toch prachtig zijn – op die manier zouden er op het laatst geen voorschriften meer bestaan die u niet hebt gemaakt en waar u ook niet op gesteld bent’

Vraag van de telefoniste als ik een hotelkamer reserveer: ‘Êtes-vous une société?’ – ‘Non, au contraire.’ (Daarbij keek er een Amerikaan uit het raam en zei: ‘What a gloomy weekend.’)

Soms is het…tja, hoe noem je dit, heel erg jaren zeventig?

De voorstelling van de ontelbare huisvrouwen die zich in de loop van de dag in hun vingers snijden en bij wie de pleister er ’s avonds onder de afwas weer af gaat; opgerold liggen op dit moment de natte pleisters in ontelbare keukens naast de druipende vaat.

Maar soms is het pure poëzie;

Duiven, die ver weg tussen de huizen onverwachts opflitsen als steensplinters van een explosie

Het enige minpunt van deze uitgave is dat er maar liefst acht blanco pagina’s in het boek staan waarvan het lijkt of er daadwerkelijk tekst mist.

Vertaling; Hans Hom

De titel De Zonnekoning, Glorie & schaduw van Lodewijk XIV van geschiedkundig auteur Johan Op de Beeck vat dit dikke boek van ruim 700 pagina’s goed samen. De beroemde Franse koning die leefde van 1638 tot 1715 regeerde met absolute macht over zijn land van 1643 tot aan zijn dood in 1715.

Uit bovenstaande blijkt dat hij zeer jong op de troon kwam. Uiteraard moet hij de stiel nog leren en zijn leermeesters zijn de kardinalen De Richelieu en diens opvolger Mazarin. Na de dood van die laatste neemt hij de macht in handen en doet dat op een zeer doortastende manier;

Het hof en iedereen van belang moest weten dat er een nieuw soort koning was opgestaan en wat die wilde: de macht. De toon was gezet. Maar ook de ministers zou nog een verrassing van formaat te wachten staan. Nog voordat de ministerraad begon, had Louis XIV in alle vroegte aan zijn secretaris Toussaint Rose een nota gedicteerd. ‘Alle aandacht is gericht op de koning, hij is het aan wie alle wensen gericht worden.’

Het gaat als een rode draad door zijn leven. Het is een absolutistische vorst. Hij neemt alle beslissingen en wil van alles op de hoogte zijn. Hij trouwt met Maria Theresia, de dochter van de Spaanse Felipe IV en neemt zo een voorschot op de Spaanse grondgebieden. Na de geboorte van een zoon verliest hij alle aandacht voor zijn vrouw en er volgt een onwaarschijnlijke stoet aan minnaressen. Bij één van hen, Madame de Montespan, zou hij nog zeven kinderen krijgen.

Natuurlijk voert het te ver om dit boek samen te vatten. De Zonnekoning leefde lang en heeft onwaarschijjnlijk veel meegemaakt. De bouw van zijn paleis Versailles wordt natuurlijk uitgebreid beschreven. De dagelijkse en ijzeren discipline van Lodewijk XIV komt aan bod, net als zijn tomeloze werklust én eetlust.

Hij moet talloze uitdagingen het hoofd bieden. De Fronde of binnenlandse opstand waar hij al vroeg mee geconfronteerd wordt bijvoorbeeld. De oorlogen die hij moet voeren en waarin hij zelf te paard in de frontlinie te vinden is. De Devolutieoorlog, de oorlog met de Republiek, de oorlog tegen de Liga van Augsburg, de Spaanse successieoorlog, hij hoefde zich niet te vervelen. Het boek staat boordevol informatie en natuurlijk wil ik weten dat de beroemdste musketier, d’Artagnan, gesneuveld is bij Maastricht (ik wist niet dat er een standbeeld van hem in Maastricht stond). Schokkender is dat in die oorlogen de zwakte van die absolute heerschappij naar voren komt. Lodewijk raakt soms vervreemd van de werkelijkheid en dat leidt tot massale slachtpartijen en plunderingen onder zijn bewind. Onprettige feiten worden voor hem verborgen dus hij grijpt er niet op in.

Er is veel te vertellen over de kunsten. Lodewijk laat prachtige schilderingen in Versailles aanbrengen en is een groot muziekliefhebber. De componisten Lully, Delalande, Couperin en De Visée en hun werken komen allemaal voorbij. Ook is hij zelf een prima danser en staat aan de basis van de Franse voertaal in de balletwereld.

De auteur besteedt veel aandacht aan het karakter van Lodewijk. Zoals gezegd heeft hij een ijzeren discipline en het protocol is heilig. Hij kwakkelt nogal eens met zijn gezondheid, zoals met zijn gebit door alle zoetigheid die hij eet. Het is verbluffend om te lezen dat als zijn tanden getrokken worden dit met zoveel geweld gepaard gaat dat er een stuk van zijn linkerkaakbeen afbreekt. U begrijpt, zonder verdoving. Dat zorgt ervoor dat eten en drinken lastig wordt. Vloeistoffen belanden zo direct in zijn neus. Daarop wordt besloten het ontstane gat dicht te schroeien. Veertien keer gloeiende ijzers in de mond, zonder verdoving. De man was geen watje.

Dat was hij ook niet voor zijn tegenstanders. Als de stad Genua in opstand komt legt hij een bommentapijt neer op de stad tot de stad zich gewonnen geeft. Lodewijk ontvangt de opstandige bestuurder op Versailles;

Bekeken en omringd door het voltallige hof van Versailles moest het Genovese staatshoofd de hele zeventig meter van de galerij af schuifelen naar het podium waar de Zonnekoning hem opwachtte. Daar maakte hij een diepe buiging en bood zijn nederige excuses aan voor alle dwaasheden die zijn republiek jegens Frankrijk en zijn vorst had uitgehaald. Verontschuldigingen die vanop het podium met een knikje werden in ontvangst genomen.

Waarna Lodewijk het staatshoofd de kunstcollectie, de tuinen en appartementen liet zien en hem tien dagen lang liet logeren.

Er valt zoveel meer te vertellen want het is een rijk boek. Over de gevangene met het ijzeren masker. Over de gifmoorden aan het hof. Over de hygiëne aan het hof, over de opvolging van Lodewijk, over de strijd met Willem III van Oranje. Over de strijd tegen de protestanten. Over de uitsluiting van homo’s aan het hof. Een lachertje, want zijn broer was de grootste nicht aan het hof (hij was als meisje opgevoed om geen bedreiging voor Lodewijk te vormen). Bovendien was er een homogenootschap waarvan zijn eigen zoon en de hofcomponist Lully lid waren en zou hij echt homofilie willen verbieden dan was hij zijn halve legertop ook kwijt.

Het wordt allemaal in een zeer prettige stijl opgeschreven en het leest geweldig door. Enige humor ontbreekt zeker niet (een lelijke sladood met varkensoogjes) en er staan afbeeldingen en kaarten in het boek van verschillende veldslagen. Een klein minpuntje; als je een grote stamboom in het boek zet is dat prachtig, maar dan moet je juist bij Lodewijk XIV niet de jaartallen van zijn vader onder zijn naam zetten. Dat is maar een kleine kanttekening in een prachtig leesbaar boek die iedere geschiedenisliefhebber in de kast moet hebben staan.

Vaste lezers van mijn blog weten wel dat ik veel met muziek bezig ben. Ik lees erover, luister veel en vaak wil ik veel meer over die muziek kwijt dan ik kan op dit blog. Dus….denk ik erover om een muziekblog te starten. Daar kan ik wat dieper op de muziek ingaan uit de boeken die ik lees, maar ook muziek toelichten die ik verder interessant vind, want ik beluister heel veel muziek in allerlei genres.

U kunt hier terecht voor klassieke muziek (oud en modern), populaire muziek (rock, singer/songwriter, soul, disco, rap, country etc.), wereldmuziek (chansons, fado, etc.), nederlandstalig en ga zo maar door.

Het nieuwe blog is net opgezet en ik moet nog een beetje zoeken naar een goede indeling en lay-out, maar het is hier te vinden, Quis hoc audiet?

Zegt het voort, maar misschien nu nog niet want ik moet mijn eerste muziekblog nog plaatsen….

Nabrander; u kunt er terecht, de eerste berichten zijn inmiddels geplaatst.