9200000099598008
Arjan Visser interviewt al twintig jaar voor het dagblad Trouw dichters, schrijvers en andere personen aan de hand van de Bijbelse Tien Geboden. In 2018 is deze bloemlezing verschenen, waarin ruim honderd interviews met schrijvers zijn opgenomen. Het resultaat: 1 interviewer, 10 geboden, 100 en enige schrijvers.

Voor in het boek zijn de geboden uiteraard opgenomen, in zowel de protestantse als de katholieke variant. Iedereen krijgt de protestantse versie voor de kiezen, of de wortels moeten in het katholicisme liggen, dan wordt deze variant gekozen en soms wordt er een Vlaamse rijmvorm gebruikt.

Nu is het geen dun boek, ruim 800 pagina’s en levert dat dan leuke leesstof op? Dat is een volmondig ja. Ik kon het boek eenvoudigweg niet opzij leggen. Het is ook een sterke formule. We komen van een goed deel van het Nederlandstalige schrijverspantheon te weten hoe zij tegenover godsdienst staan. Wat zij denken over kunst, wat hun verhouding met hun ouders was, hoe zij in hun eigen relatie staan, wat zij denken van stelen (letterlijk of het zich toe-eigenen van ideeën) en ga zo maar door. Dat levert boeiend materiaal op.

Zo bedenkt misdaadauteur René Appel zich bij het gebod Gij zult niet doodslaan het volgende;

Mijn vrouw zei ooit, nadat ze een kort verhaal van mij had gelezen: ‘Ik begrijp het niet. Je brengt je zoon naar bed, je leest hem een verhaaltje voor, je zingt een liedje. Je bent de allerliefste pappa. Dan kom je naar beneden, je neemt een kop koffie, gaat achter de tekstverwerker zitten en je bedenkt zulke verschrikkelijke dingen!’….Eh…ja, ik weet nog steeds niet wat ik daarop moet zeggen.

De interviews maken ook veel los bij de auteurs. Als Conny Braam vertelt over haar woede-uitbarsting op school, waar haar vader én de politie bij werden gehaald schiet ze vol (Zijn dochter. Van wie hij zoveel had verwacht…Het deed zo’n pijn om hem te zien…).

Als je zo achter elkaar doorleest (de schrijvers staan op alfabetische volgorde) dan komen tegenstellingen ook mooi naar voren. Jeroen Brouwers kan dagen boetseren op één zin. Veelschrijver Herman Brusselmans heeft daar niet zo veel mee:

Al die schrijvers die om de drie jaar met een flutromannetje van 128 pagina’s komen – ik begrijp dat niet. Die schrijven een zin per dag, moeten daar achttien uur van bekomen om zich vervolgens vier weken af te vragen waar ze in godsnaam mee bezig zijn…Ik zeg: rammen op die machine!

Er zitten ongemeen prachtige interviews tussen. Met Arthur Japin, die aangeeft hoe moeilijk hij het in zijn jeugd heeft gehad. Met de psychiater en romancier Hans Keilson als hij de honderd al gepasseerd is (wat een ontroerend stuk over zijn ouders), maar ook met Harry Mulisch, onnavolgbaar bij het gebod Gij zult niet stelen:

‘Waarom zou ik van andere schrijvers stelen? Ik weet het zelf veel beter.’

Soms zijn de verhalen echt schrijnend. Omdat het zo’n lange periode beslaat, staan er ook interviews in van personen die er al niet meer zijn. Een ervan is met de schrijver en illustrator Sieb Posthuma. Als hij praat over zijn achtergrond zegt hij, in 2012;

Sinds een jaar ben ik er pas goed van doordrongen dat ik mijn talent niet meer nodig heb om gezien te worden. Ik heb die redenen verwerkt; ik ben er en wat ik doe, doe ik voor mijn plezier…Niet boos of verbitterd zijn. Niet blijven steken in verlangens. Het is mij gelukt.

Twee jaar later zou hij zelfmoord plegen. Ook het hoofdstuk over Joost Zwagerman hoeft denk ik geen nadere toelichting met de kennis van vandaag.

Er staan een paar schoonheidsfoutjes in het boek (Désanne van Brederode was de dochter van een jezuïet en priester, ze was het niet zelf) maar dat zij vergeven. Je komt talloze prachtige uitspraken tegen (Koos van Zomeren – Volgens mij is diefstal van stilte de meest voorkomende vorm van kleine criminaliteit) of ronduit grappige (Midas Dekkers – Overigens geloof ik dat vloeken wèl helpt. Ik zou niet weten hoe ik anders een Lundia-kast in elkaar zou moeten zetten). In ieder geval heb ik echt heel wat auteurs een stukje beter leren kennen.

9400405154.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het boek Over oude wegen van schrijver en radiomaker Mathijs Deen belooft volgens het verhaal op de achterkant een avontuurlijke tocht door Europa en een fascinerende reis door de tijd. Geschiedenis is altijd prima, maar ik moest toch even nadenken over de aanleiding tot dit boek. Het wordt namelijk opgehangen aan de vraag waarom Europeanen zo’n ambivalente houding hebben ten opzichte van de doorgaande routes op hun continent. Daar wil het boek namelijk een antwoord op geven.

Welnu, ik heb nog nooit nagedacht of ik daar een ambivalente houding over heb. Ik denk überhaupt weinig na over doorgaande routes op het continent en of mijn mede-Europeanen daar wel ambivalent tegenover staan, ik hoor het graag van u. Ik heb dan ook niet meteen een antwoord op de vraag kunnen vinden, of het ontgaat mij, dat kan heel goed.

Wat ik wel heb gevonden in dit boek, zijn 11 hoofdstukken in ruim 400 pagina’s met prachtige verhalen, want hiermee is de kritiek zo’n beetje gedaan hoor. Natuurlijk, men kent de verhalen over het afleggen van de Route 66 in de Verenigde Staten en je hoort hier niemand zeggen dat ze nu eens even de A1 af gaan rijden, wellicht wordt dat bedoeld met die ambivalentie en zo trapt de auteur dan ook af. Na een korte verkenning vanuit zijn geheugen over ritjes met zijn vader en over het wegennetwerk van Europa, duikt hij direct ver in de geschiedenis. Dat doet hij ook met een bepaalde onderkoelde humor en dat leest prettig:

Wie ten noorden van de Alpen in Europa wilde wonen…moest zich lekker warm kunnen inpakken, liefst een vuur kunnen maken, met een groep soortgenoten kunnen samenwerken en op zijn minst een seizoen vooruit kunnen denken. En de homo erectus die een kleine twee miljoen jaar geleden in het Midden-Oosten en de Kaukasus rondliep kon dat niet. Die was daar met zijn 600cc hersenen te dom voor. Te dom voor Europa. Daar zijn tabelletjes voor.

Deen gaat verder in op de routes die onze voorouders aflegden om in Europa te geraken en begint dus met de oudste voetstappen die bekend zijn. Dan volgen er een paar prachtige verhalen over een gevonden ketel in Denemarken, de rijk versierde ketel van Gundestrup. Daar kunnen de Denen wel trots op zijn, maar hij kwam niet uit Denemarken en Deen doet uit de doeken welke route door Europa die ketel vermoedelijk heeft afgelegd. Dat geldt ook voor het in het veen in Denemarken gevonden meisje van Egtved. Ook zij blijkt enorme afstanden door Europa te hebben afgelegd en hier doet het boek zijn naam ook eer aan.

Het verhaal over de beroemde Romeinse weg, de Via Appia, is ook prachtig. Dat gaat over de struikrover Bulla. Aanvankelijk ongrijpbaar, uiteindelijk voor de leeuwen geworpen. Soms wijkt de auteur wat af van het thema van de Europese wegen, zoals bij de IJslandse pelgrimsvrouw Gudrid. Daar volgt eerst een lange voorgeschiedenis op IJsland, Groenland en in Amerika, voordat ze daadwerkelijk door Europa naar Rome op pelgrimstocht gaat. Desalniettemin prachtig om te lezen. Dat geldt ook een tikje voor het verhaal over het Amsterdamse toneel van de Gouden Eeuw, wat weliswaar een route volgt van Portugal naar Zweden, maar waar het in mijn beleving geen moment over de reis of de wegen zelf ging.

Dat was anders bij het verhaal van Coenraad, die dienst moest nemen in het Franse leger en op weg ging naar Rusland. Ze moesten dwars door Europa marcheren en Deen verhaalt wat dat met de rekruten doet;

Voortgejaagde boerenjongens zoals Coenraad raakten naarmate ze hongeriger werden, het gevoel van verwantschap met de boeren langs de route kwijt. En dat was een gevaarlijke ontwikkeling voor de gemeenschappen waar het regiment doorheen trok, want met het gevoel van verwantschap verdween ook de bescherming van hun medeleven.

Juist met het doorkruisen van Europa gingen mijn gedachten naar al die autorally’s die er worden georganiseerd zoals de Budapest Rally, de Carbage Run en de Runball Rally. Dat leek me passen in dit boek en ik werd op mijn wenken bediend. Er staat een prachtig verhaal in over pioniers van de raceauto’s en over Charles Jarrott in het bijzonder. Zij raceten in de eerste raceauto’s door Europa op trajecten als Parijs-Wenen, Parijs-Berlijn en de laatste, de “rit van de dood”, Parijs-Madrid. Het waren de tijden dat er talloze handelingen verricht moesten worden voordat een motor überhaupt startte en waar de bijrijder de versnelling onderweg in zijn vier moest houden. Hier kwam beleving van het Europese netwerk wel naar boven, let wel, in een tijd waarin de Frans-Duitse oorlog van 1870 gewoon nog in het geheugen lag. De auteur;

‘Ik heb nou aardig wat reizen door Europa gemaakt,’ begin ik, ‘en eigenlijk heb ik vooral gezien dat mensen die de grenzen over gingen, altijd het min of meer terecht idee hadden dat ze op het territorium van de buren risico liepen….Maar nooit waren ze onbekommerd als de mensen die toen rond de eeuwwisseling gewoon voor hun plezier de grenzen over raceten en dachten dat de wereld hun toebehoorde. Dat waren toch ook oude vijanden die daar tegen elkaar aan het racen waren?’

Ambivalent of niet ten opzichte van die wegen, het levert een aantal mooie verhalen op over Europa in een boek dat vlot doorleest.

8ec2ca84705d0355974304e7241444341587343
Historicus Fred Jagtenberg heeft twintig jaar gewerkt aan zijn biografie over Willem IV en dat zie je er aan af. Het is niet alleen een kolossaal boekwerk (ruim 800 pagina’s leesvoer, los van het notenapparaat), maar het vertaalt zich ook in talloze uitstapjes, beschrijvingen en citaten.

Daarbij komt dat de hoofdpersoon niet bekend staat om zijn lange, roerige leven (hij werd maar veertig jaar) en dan rijst de vraag of zo’n omvangrijke biografie gerechtvaardigd is. Daar kom ik op terug.

De ondertitel, Stadhouder in roerige tijden klopt natuurlijk. Willem heeft zijn vader nooit gekend en zijn moeder nam de zaken waar tot hij benoemd werd tot Stadhouder. Aanvankelijk eerst in Gelderland en Jagtenberg beschrijft tot in detail wat voor voeten het in aarde had om die benoeming zeker te stellen. De erfopvolging (hij stamde via zijn moeder af van Willem van Oranje) was geen zekerheid, want Engeland en Pruisen aasden ook op de titel ‘Prins van Oranje’, met alle bijbehorende emolumenten.

Willem trouwde met de dochter van de Britse koning George II, Anna van Hannover. Het was een gelukkig huwelijk en ze kregen een dochter en een zoon (naast meerdere miskramen). In 1740 brak de oorlog uit tussen Frankrijk en Oostenrijk en daar kreeg Willem mee te maken. Ook had hij zijn handen vol aan het pachtersoproer van 1748. Zijn zwakke gezondheid hielp niet echt en na een kuur in Aken overleed Willem op jonge leeftijd.

Is dan zo’n dikke biografie zinvol? Ten dele. Als je van geschiedenis houdt zoals ik, dan blijf je lezen. Het boek staat vol met details uit talloze brieven en andere documenten. De uitstapjes naar het gebruik van geheimschrift of de “schuitenpraatjes” (gesprekken in de trekschuit) kunnen mij ook niet lang genoeg zijn. Het mooist vind ik de beschrijvingen uit het dagelijks leven van de bevolking, zoals over de vreugde na Willem’s benoeming tot stadhouder;

‘Een troep jongelingen, waarvan de oudste ontrent twaalf Jaren bereikte, hebbende een van dezelve, die aan ’t hoofd was, een Oranje Vaandeltje, en een ander een Trommel, trokken van daar den 29. April langs den Dyk na de stad Schiedam…’ Een van hen, die ‘door den langen marsch verhit’ in Kethel te snel karnemelk gedronken had, kreeg bij thuiskomst ‘groote pyn in de Ingewanden’. De dokter die hem onderzocht, ‘zeide hem, dat hy ‘er van sterven zoude, waarop hy antwoorde: geen nood! ’t is my genoeg dat de Prins Stadhouder zal zyn, begraaf my maar eerlyk onder de Oranje vlag’.

Dit fragment geeft aan hoe je dit boek leest. Het staat vol met dit soort fragmenten die veel toevoegen, maar waardoor het niet vlot doorleest. Helemaal als je ook het zeer uitgebreide notenapparaat erbij houdt. De conclusie heeft dus twee kanten. Het boek doet recht aan de persoon Willem IV én aan de achttiende eeuw waarin het speelt. Als je geduld hebt en van geschiedenis houdt dan vind je dit, zoals ik, een schitterend boek. Maar ik kan mij ook voorstellen dat, met een strakkere redactie en de helft minder pagina’s, je een groter publiek bereikt. Dan mis je wellicht wel een aantal van Willem’s uitspraken, zoals deze;

‘Vrienden, ick ben oock een inboorling van Nederland en door de voorzienigheyd Gods gesteld aan ’t hoofd der regering’ en in die hoedanigheid zou hij altijd trachten zich naar zijn beste vermogen voor het land in te zetten.

7b06c2143e173fa59384a375841444341587343
Remco Campert schreef zijn bekende boek Het leven is vurrukkulluk in 1961. De titel is ook meteen de eerste zin uit het boek, uitgesproken door Panda. Zij is een meisje van 15 loopt door het park in gezelschap van Mees en Boelie. Dit zijn vrienden die er op uit zijn om meisjes te versieren en dat lukt, want Panda gaat met ze mee. Ze gaan naar een café en worden gevolgd door Kees, een oude man. Hij gaat bij ze zitten als ze bier drinken.

Als ze weg gaan blijft Kees hen achtervolgen en dan besluiten ze hem neer te slaan en te beroven van tweehonderd gulden. Er ontvouwt zich een bizarre situatie;

‘Ach, kijk die oude man eens lekker in het zonnetje liggen te slapen’, riep Panda uit. Ze knielde naast hem neer en met een geroutineerd gebaar tastte ze zijn zakken af. ‘Lig je lekker, opa?’ vroeg ze. Voorbijgangers stonden stil en keken vertederd naar het aardige tafereeltje en wensten dat ze ook zo oud waren om zo door hun eigen kleindochtertje vertroeteld en geliefkoosd te worden – en wie weet wel geknepen op gevoelige plekken.

Met het geld gaan ze naar het huis van Boelie en Mees, maar Boelie moet er vandoor naar een afspraak voor een interview met journalist Ernst-Jan Zoon. Mees gaat naar bed met Panda, maar het schiet niet echt op tussen die twee. Boelie gaat mee met Ernst-Jan en probeert diens vrouw Etta te versieren.

Ondertussen kopen Mees en Panda drank van het buitgemaakte geld voor een feest. Ene Tjeerd loopt nog door het verhaal heen die de beroofde Kees probeert te helpen. Kees, die een oude bekende blijkt te zijn van de toiletjuffrouw van bovengenoemd café, en die juffrouw is weer een tante van Tjeerd. Volgt u het nog?

Toch is het een helder verhaal, verteld in zo’n 160 pagina’s. Het eindigt met het grote feest waar bijna alle personages samenkomen. Er is dan ook sprake van een veelheid aan relaties en van geen van die relaties spat het geluk er van af. De eerste zin, ‘Het leven is vurrukkulluk’ mag dan ook ironisch worden opgevat. Is het daarmee ook een triest boek? Welnee. Het is een tijdsbeeld van sex, drank, feesten, muziek en dichtkunst en het wordt allemaal op lichtvoetig ironische toon gebracht. Campert schrijft in eigen stijl en dat valt op door veel woorden fonetisch weer te geven (Tsjoe-win-k’um, nijslollie, Marry-you-Anna, giegullen). Hilarisch zijn de fragmenten waarbij Etta en Boelie het huis van de buren insluipen en er net sex willen hebben als ze betrapt worden, maar ook het verhaal dat Boelie aan Ernst-Jan doet tijdens het interview;

‘Hoe verging het je in Holland?’
‘Uitstekend. Ik bezocht het gymnasium, waar ik een briljant leerling was. Ik vertaalde Sartre in het Grieks en er weer uit. Ik correspondeerde met atoomgeleerden en vond een methode uit om het slijtageproces van vlakgommen te vertragen.’
‘Ik weet niet of ik dit zo grappig vind’, zei Ernst-Jan.
Maar Boelie was niet te stuiten: ‘Ik kegelde met Hegel. Schreef ingezonden stukken in de schoolkrant. Ging vier keer per dag naar de bioscoop. Leerde het alfabet uit mijn hoofd.’

Kortom, het is een verhaal met de nodige vaart en het heeft nog lang geduurd voor er in 2018 eindelijk een film verscheen. Nu zijn die recensies niet helemaal juichend, dus ik laat het in dit geval bij het boek.

9789029580816_cvr
Boekenpest van Boudewijn Büch is het vervolg op zijn boek Bibliotheken. Hetzelfde thema, boeken en bibliotheken maar wat minder gedateerd dan zijn vorige boek omdat de onderwerpen wat algemener zijn. Ondanks de maar 159 pagina’s heb ik toch aardig wat aantekeningen gemaakt.

De openingszin is al een fraaie, daardoor had ik direct zin om door te lezen;

Als ik moest kiezen, was ik liever een zeehondje dan een boek. Wie het boek, het bibliotheekwezen, de bibliofilie en de boekwereld diepgaand beschouwt, zal moeten toegeven dat mensen voorzichtiger met een gestrand beestje omgaan dan met een boek.

De titel geeft het al een beetje aan, het is geen positief verhaal dat hier wordt verteld. Het gaat over boekvijandigheid in de breedste zin van het woord, zoals boekverbrandingen, boekentorren, zwammen en schimmels, natuurrampen en zelfvernietigende boeken door verzuurd papier. Al die boekvijandigheid noemt Büch boekenpest.

Een zelfverzonnen term en ik denk dat hij er meer verzint. Zo stelt hij;

Klimaatwisselingen zijn fataal voor boeken, evenals tocht. Dan ontstaat er ‘boekenschrik’ (een soort boekenverkoudheid).

Ik had er nog nooit van gehoord en kan de term nergens vinden, maar hij zal best een punt hebben. Zijn opsomming over wat boeken allemaal is overkomen stemt treurig maar is zeer informatief om te lezen. De grote brand in de bibliotheek van Alexandrië natuurlijk, de boekverbrandingen door het Derde Rijk, vernietiging door bombardementen, niet in de laatste plaats in Duitsland zelf. Ik had er geen idee van;

Onzegbaar boekenleed. Hoe moet men de vernietiging in Frankfurt van vierhonderdduizend, zeldzame en deels volstrekt onvervangbare, dissertaties beoordelen?…Duitsland heeft zijn boekenleed tot op de dag van heden verbazend lenig genegeerd…Grote delen van de Duitse boekcultuur bestaat nog slechts in repro- en fotokopievorm.

Büch geeft veel informatie in zijn boek en oreert over gestolen boeken, valse boeken, verboden boeken, verdwenen boeken, verschimmelde boeken enzovoort. Natuurlijk bezoekt hij ook bibliotheken, waaronder de gigantische  Library of Congress in Washington. Typisch Büch is dan dat hij het hoofd, een persoon van aanzien in de Verenigde Staten, ziet lopen maar hem niet durft aan te spreken.

Verder laat je hem maar aan het woord. Over bibliopsychopathologie, de leer die zich bezighoudt met gek geworden bibliofielen (het zal een kleine leerstoel zijn) of over schrijvers die hun eigen werk vernietigen, zoals Opal Whiteley. Zij verscheurde haar dagboek in miljoenen stukjes, maar plakte ze naderhand ook weer aan elkaar. Maar het mooist vind ik hem als hij die kleine details oplepelt die de ware liefhebber laat zien, en die ik gewoon leuk vind om te lezen;

Op 20 juni 1984 werd in het Centraal Boekhuis te Culemborg nog een boek uit de roulatie genomen. Het was de Nederlandse vertaling van Barbara Willards The lark and the laurel…waarin de Lespisma saccharina op het voorplat was begonnen met kauwen en zijn schadelijke arbeid tot en met bladzijde 28 met een ingenieus gangenstelsel voltooide. Ik heb deze informatie uit een officiële retourbon van het Centraal Boekhuis. Op het retourbiljet heette dit diertje foutief ‘Lespisma saccharinum’ (de uitgang -um is onjuist).

Kijk, dat zijn zaken die er toe doen.

9038884486.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Vorige week zag ik de dichter Lévi Weemoedt op tv en bedacht ik mij dat ik nog een bundel Verzamelde gedichten van hem in de kast had staan, met de titel Vanaf de dag dat ik mensen zag.

Ik had zin om die bundel te lezen want wat ik op tv hoorde beviel mij en ik vind het een sympathieke vent ook. Deze bundel van goed 260 pagina’s was snel gelezen…en viel mij een beetje tegen. Ik vertel zo waarom.

Weemoedt beoefent de stiel van de zogenaamde ‘light verse’, althans het ligt er vaak dicht tegenaan. Andere exponenten van dit genre zijn Drs. P en Driek van Wissen. Zijn gedichten kennen vaak een droevige ondertoon (zoals bij Hans Dorrestijn) en spelen zich niet zelden af in Vlaardingen.

Waarom viel het mij wat tegen? Misschien verliet ik mij teveel op wat ik op tv hoorde en wat ik ooit in de bespreking van Erik las. Korte grappige gedichtjes, vaak met een twist. Ze zijn er wel, maar niet te veel, of ik vind ze niet grappig (wat dus meer over mijn gevoel voor humor zegt dan over de kwaliteit van de bundel). Deze vond ik okay:

RENDEZ-VOUS

‘k Sta voor
jouw flat

Ik wacht
en rook

De maan
is vol

De maat
ook

Het gedicht Vrees voor de oude tierelier lijkt geïnspireerd door het slotlied van Schubert’s Winterreise en is aardig, maar ik heb ze liever kort en light met die licht droeve ondertoon;

IN AS

’t Was uit, maar hoeveel jaar nog zou ik staren
– terwijl mijn hart van holheid oversloeg –
naar zwartverkoolde plukjes van een panty
die kleefden aan de knalpijp van mijn Puch!

Er staan weinig gedichten in die ik ‘mooi’ zou noemen. Dat deert de maker overigens niet, hij beschouwt ze als vermaak en om een glimlach op je gezicht te toveren. Deze komt voor mij het dichtst in de buurt bij een ‘mooi’ gedicht:

RIJK VERLEDEN

Ik was dronken toen ik je ontmoette.
Ik was dronken toen ik je verloor.
Wat kan er toch veel gebeuren
tussen twee dronkenschappen door.

Gemengde gevoelens dus bij deze bundel. Een aantal aardige gedichten maar ook gedichten waar ik niets mee kan of die ik gezocht grappig vind (De lucht is blauw/ik hou van jou/ik blijf je trouw/dus teken ik gauw/een girocheque voor jou). Het maakt ook niet uit. Bekijk hier het televisiefragment want er is weer hernieuwde belangstelling voor de man en ik zal zijn bundel echt nog wel eens pakken. Zo gaat dat hier.

c3bb75eec47489a5976666f6a77444341587343
De onderaardse wereld van Athanasius Kircher van Anton Haakman is een apart boek. Het staat te boek als een roman en zo zal ik hem opnemen, maar heel veel heeft de auteur er niet aan hoeven te verzinnen. Het materiaal werd hem in de schoot geworpen.

Dat zit zo. De auteur heeft lang onderzoek gedaan naar de figuur van Athanasius Kircher (1602-1680). Kircher was een Duitse jezuïet en werd tijdens zijn leven beschouwd als één van de grootste en meest universele geleerden van zijn tijd. Hij zou zo’n achttien talen beheersen en boeken hebben gepubliceerd over talloze onderwerpen, zoals optica, magnetisme, geologie, geheimschrift en Egyptische hiërogliefen. Het onderzoek van Haakman leidde uiteindelijk tot de productie van een film in 1974 over Kircher.

Het verhaal heeft twee kanten. De moderne zoektocht (let wel, jaren zeventig en tachtig) naar de nalatenschap van Kircher en een beschrijving van Kircher in zijn tijd. Je valt van de ene verbazing in de andere, want lijkt bovenstaande al veel, Kircher deed ook nog aan musicologie, mineralogie, taalkunde, biologie, geneeskunde en ontwierp rekenmachines, toverlantaarns, een kattenpiano, een componeermachine, een metaforenmachine enzovoort. Dat alles onder één motto, “Omnia in omnibus” (alles ligt in alles besloten). Dat wil zeggen dat hij overal samenhang zag en dat er een alomvattende kennis was.

Haakman loopt in zijn onderzoek aan tegen twee Kircher-adepten, de Commendatores Beck en Franzl. Zij zijn de oprichters van de “Internationale Athanasius Kircher Forschungsgesellschaft”. Dat klinkt indrukwekkend, maar de club blijkt uiteindelijk twee leden te hebben. Het lijken oplichters en zwendelaars en dan wordt ook de raamvertelling duidelijk die dit boek is, want er zijn parallellen met Kircher zelf. Ook hij wordt later omschreven als fantast, charlatan en oplichter. Haakman schrijft;

Mijn belangstelling voor Kircher was aanvankelijk vooral gewekt doordat het er alle schijn van had dat hij een bezeten fantast was geweest, een grootmeester in de geheime kunst van het bedriegen, een oplichter zo geniaal als alleen een oplichter kan zijn die zijn eigen leugens gelooft, een man die door grootheidswaan en paranoia gestimuleerd werd bij het vinden van verborgen betrekkingen en het ontraadselen van geheimen. Nu werd mijn belangstelling voor het Kircher-genootschap gewekt door een gevoel dat hier misschien twee grootse fantasten Kirchers voetspoor volgden.

Een lang citaat maar hier gaat het om. Was Kircher een fantast? Misschien, maar wellicht ook niet en daar begint ook mijn nieuwsgierigheid naar de man. Vast staat dat hij dacht de Egyptische hiërogliefen te hebben ontcijferd, maar dat hij er naast zat. Hij voorzag zelfs obelisken in Rome met betekenisloze afbeeldingen waar hij zei de ontbrekende hiërogliefen aan te vullen. Echter, achteraf bleek dat zijn studie van het Koptisch de uiteindelijke ontcijferaar Champollion aardig op weg geholpen heeft.  Ook opperde Kircher als eerste dat de pest werd veroorzaakt door onzichtbare organismen en hij nam ook maatregelen om de pest tegen te gaan. Fantast of wetenschapper? Haakman noemt hem geen wetenschapsman maar een interpreteermaniak. Er waren sceptici genoeg;

Niet iedereen geloofde in Kirchers grootheid. Een grappenmaker die André Müller heette, stuurde Kircher vanuit Berlijn een aantal willekeurige krabbels, met de vraag of het soms hiërogliefen waren. Prompt ontving Müller een bevestigend antwoord en een vertaling. Liet Kircher zich beetnemen, of beantwoordde hij een grap met een grap?

Dit vraagstuk wordt knap door het hele boek gewoven. Met wie hebben we te maken. Ook wat de beide Kircher-adpten Beck en Franzl betreft. Zijn het oplichters of niet? Haakman vindt er bewijzen genoeg voor. Hij ontmoet Beck nog één maal en dan ontspint zich een interessant gesprek wat ik niet zal weggeven, maar waar Beck zijn theorie over Kircher uitéén zet, en misschien daarmee ook over zichzelf.

Geen kritiek op dit boek van 266 pagina’s? Weinig, of een paar herhalingen van zetten. Ik kom informatie op meerdere plaatsen in het boek tegen én alle titels van personen en naslagwerken (en dat zijn er veel) worden allemaal voluit geschreven. Laat het u niet tegenhouden, het is een vermakelijk boek.