9462170665.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als de Tour de France afgelopen is moet ik als liefhebber altijd een beetje afkicken. Dit boek van Fred van Slogteren is daar een prima middel voor. Het heeft de titel Als je de Tour niet hebt gereden….en dat is afgeleid uit een gevleugelde uitspraak van onder meer oud-wielrenner Piet de Vries; “Als je de Tour niet hebt gereden…ben je niet echt wielrenner geweest!”

Nu doet die uitspraak talloze prima amateurs en ook profwielrenners tekort die soms uitstekende uitslagen hebben gereden maar toevallig geen Tour de France, maar het vormt wel een mooi uitgangspunt voor drie boeken met rennersbiografieën van al die renners die wèl in de Tour hebben gereden, ook al was het maar één Tour en zijn ze voortijdig afgestapt. Dit eerste deel gaat over de periode 1936 – 1971.

Het boek is verdeeld in drie hoofdstukken. Het eerste gaat over de geschiedenis van de Tour de France en dan vooral over de Nederlandse inbreng. Hierin komt overal de naam van Kees Pellenaars naar voren. Oud-wielrenner en later ploegbaas van een aantal Nederlandse ploegen. Pellenaars is niet onomstreden. Hij heeft talloze wielrenners kansen gegeven in de Tour en sommigen droegen hem op handen, maar hij heeft er ook tallozen laten vallen als ze niet voldeden. Het klassement deed er niet altijd toe, ritwinsten des te vaker.

Het tweede hoofdstuk gaat over de Nederlandse wielerploegen in de periode 1964 – 1975, zoals de Televizier-ploeg, de Caballero-ploeg, de Willem II-ploeg en de Goudsmit-Hoff-ploeg. Ook hier speelt Kees Pellenaars de absolute hoofdrol. Hoofdstuk 3 bevat maar liefst 100 wielrennersbiografieën. De auteur heeft zich er niet gemakkelijk van af gemaakt. Iedere renner krijgt een mooi monumentje van een aantal pagina’s en zo telt het boek ruim 470 pagina’s aan leesstof.

De verhalen en anekdotes zijn dan ook legio, maar wat duidelijk wordt is hoe zwaar die beginperiode is geweest voor de renners. Etappes van ruim 300 kilometer, zware fietsen, geen asfaltwegen in de bergen en een minimum aan versnellingen en de renners moesten zeer zelfredzaam zijn. In het verhaal van oud-wielrenner Cor Bakker (02/09/1918 – 18/12/2011) staat hoe het er aan toeging als je naar de Tour ging in 1948;

Nadat hij het contract had getekend dat hem recht gaf op dertig gulden dagvergoeding, reisde hij derde klas met de trein naar Parijs. Met een koffer die niet meer dan 25 kilo mocht wegen en een jutezak waarin zijn stuur en zadel zaten. Dat was voor drie weken het enige dat hij nodig had, want voor de rest zorgde de organisatie. Een fiets, twee truien, drie koerspetjes en een regenjasje. Met de mededeling dat als hij onverhoopt iets mocht kwijtraken, de kosten daarvan van zijn prijzengeld en dagvergoeding zouden worden afgetrokken.

Waarom ik van dit boek genoten heb zijn de mooie en soms tragische verhalen, al of niet binnen de Tour, want ook de andere prestaties van al die renners worden breed uitgemeten. Theofiel Middelkamp, die nog nooit een berg van dichtbij had gezien maar in de bergen de koninginnenrit wist te winnen. Huub Zilverberg die tijdens een etappe twintig minuten in een koelcel opgesloten zat. Jan Janssen die zijn leven op het spel zet om Parijs – Tours te winnen. Doping in de vorm van een drinkbus met geklutste eieren vermengd met ouwe klare. Een klein zijpaadje geeft een prachtig verhaal over de Tourwinnaar Charly Gaul, die een hekel had aan warmte maar goed gedijde bij kou, wind en regen;

Toen was er plots Klaas Bakker, het Amsterdamse hulpie van de soigneursploeg, die raad wist. “Als Charly kou wil, dan krijgt-ie kou. Ik gaan het sterreveskoud voor hem moake”, beloofde hij en verliet het hotel. Een uur later kwam hij terug met een damescorset, knipte de jarretels eraf, verwijderde de cups en tornde de naden open om de balijnen eruit te halen. De aldus ontstane ruimtes vulde hij vlak voor de start met ijsblokjes uit de hotelkeuken en het geheel werd de klassementsrijder onder zijn gele trui aangetrokken…Toen hem in de bloedhitte een nieuwe gele trui werd aangetrokken stond het kippenvel nog op zijn armen.

Het meest schrijnende verhaal in het boek is dat van Daan de Groot (25/05/1933 – 08/01/1982). Hij gaat de geschiedenis in als etappewinnaar in de Tour met de grootste voorsprong ooit door een Nederlander gerealiseerd, maar kreeg uiteindelijk geen vat op het leven na zijn carrière. Daarom is het mooi dat hij hier zijn monumentje krijgt. Dat geldt voor talloze andere renners en ook voor Cees Lute (1941). Kent u hem nog? Na het lezen van dit boek wel;

Hoewel je uiterlijk niets meer aan Cees ziet, heeft een bloedpropje toch een beschadiging veroorzaakt in zijn hersenen, reden waarom hij niet alles meer kan onthouden. Dat is een handicap waarin de nu 72-jarige oud-sportman heeft leren berusten. Overal waar hij gaat, behoort een opschrijfboekje en een balpen tot zijn vaste uitrusting. Om te noteren wat hij niet mag vergeten. Als wielrenner is hij helaas ook een beetje vergeten en er zijn nog maar weinig wielerfans die weten dat hij in 1964 glorieus de negentiende etappe in de Giro d’Italia won. Van Alessandria naar Cunea over 205 kilometer voor Diego Ronchini en Graziano Battistini.

De schrijfstijl van de auteur is redelijk ongedwongen en dat past goed in dit boek (“Die had zich die dag de kloten afgedraaid voor de ploeg”) en het enige kritiekpuntje gaat over het stuk van Cees Zoontjens. Als je tot twee maal toe in je stuk hamert op de juiste schrijfwijze van de achternaam, Zoontjens in plaats van Zoontjes, is het niet handig als je het zelf ook niet goed doet in het bijschrift van de foto op pagina 446…

Dat gezegd hebbend is dit een absolute must voor iedere wielerliefhebber en ik ga zeker niet lang wachten met het lezen van de andere twee delen. Ik houd de Tour-koorts nog wel even warm.

9048827345.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als je alle afleveringen van Tour of Duty hebt bekeken geeft je dat niet noodzakelijkerwijs een goed beeld van wat er zich rondom de Vietnam-oorlog heeft afgespeeld. Dan geeft het boek Vietnam van Max Hastings een heel wat completer beeld.

Hastings is een direct betrokkene, want hij behoorde tot degenen die in 1975 tijdens de afsluitende evacuatie met een helikopter uit de Amerikaanse ambassade in Saigon vertrokken. Toch is het niet zijn verhaal dat we horen. Wel het verhaal van de politici en generaals, maar zeker ook de verhalen van de soldaten (van beide zijden), de boeren en burgers. Dat is voor mij de grote meerwaarde van dit dikke boek van 785 pagina’s. Er staan wat foto’s in en een paar kaartjes, de rest is tekst en dus veel informatie.

In grote lijnen is het wellicht bekend. De revolutionair Hồ Chí Minh verklaarde de onafhankelijkheid maar de Fransen zaten nog in de regio. Zij leden een grote nederlaag in Điện Biên Phủ. Ik wist dat, maar ik had er geen idee van hoe dat er aan toe ging daar; al die heuvels die verdedigd moesten worden door de Fransen en daartegenover de vrij briljante strategie van de Vietnamese generaal Giàp.

Om het communisme geen voet aan de grond te laten krijgen raken de Amerikanen betrokken en later Australië en Nieuw-Zeeland ook. Dan volgt het verhaal dat we denken te kennen uit de series en films, maar dat af en toe alle verbeelding tart.

Dat gaat over verschillende dingen. De inzet van Vietnam voor eigen gewin op politiek niveau. Denk aan de rol van de drijvende kracht achter de oorlog, Minister van Defensie Robert McNamara en zijn president Lyndon Johnson. Het gaat over ongetrainde soldaten die gedropt werden in Vietnam die, als ze al overleefden, hun parachutisteninsigne niet kregen omdat ze de vereiste opleiding niet hadden gevolgd.  Het gaat over ‘fragging’, de mogelijkheid dat je als commandant een fragmentatiebom onder je bed vindt van soldaten die je niet meer pruimen. Het gaat over beweegredenen om wel of niet in dienst te gaan, de keuzes die men wel of niet heeft. Het gaat over de doodsangst van soldaten, hun blik fixerend op dat ene steentje of grassprietje, omdat dit misschien het laatste is dat je ziet in dit leven. Het is wel een boek waar je in blijft lezen.

Die soldaten hadden vaak geen idee waarin ze terecht kwamen en Hastings verwoordt dat mooi;

Op de officiersopleiding had John Vanns plan voor de ochtend van 2 januari 1963 wellicht een goede beoordeling gekregen, als tenminste alle menselijke deelnemers hadden gedaan wat was voorgeschreven. Maar in plaats van als balletdansers een tangbeweging uit te voeren, belandden ze even lukraak op het slagveld als speelgoed uit een doos die werd omgekeerd.

Uiteindelijk blijken de Verenigde Staten de oorlog volledig verkeerd ingeschat te hebben. De Vietcong is bereid enorme verliezen te lijden en heeft een eindeloos geduld, waar de sympathie aan het Amerikaanse thuisfront langzaam verdwijnt. Het is schokkend om te lezen hoe het juiste moment wordt afgewacht voor terugtrekking van de troepen, het moet wel goed in de verkiezingscampagne passen. Wat dat voor gevolgen had voor de bevolking van Vietnam was niet eens een issue.

Er staat dus veel informatie in het boek. Het politieke spel wordt uitgebreid beschreven, het Tet-offensief en de gruwelijkheden in Mỹ Lai, maar ook de gebruikte wapens en effectiviteit ervan;

Over het geheel genomen werd geschat dat er in Noord-Vietnam door de bombardementen voor 300 miljoen dollar aan schade was aangericht, maar tegen de prijs van 922 vernietigde vliegtuigen, die driemaal zoveel waard waren.

Ik wist van de beroemde helikopter de Huey (hier komt Tour of Duty toch van pas, want ik kan hem dromen) maar ik wist niet van het nucleaire alarm dat door Nixon werd afgegeven in 1969. Hồ Chí Minh én de Russische ambassadeur werden op de hoogte gesteld dat er eventuele nucleaire wapens gebruikt zouden worden. De reactie van de Russen was duidelijk;

Toch schonken de Russen nauwelijks aandacht aan het alarm, en ook van de andere aanstellerij van de president leek de vijand niet onder de indruk. Ze beschouwden Nixon niet als een gevaarlijke gek, maar als een rationele politicus die wanhopig bezig was om een manier te vinden, niet om aan een Amerikaanse nederlaag te ontkomen, maar om hem niet expliciet te hoeven toegeven.

De afloop is duidelijk. De Verenigde Staten hadden uiteindelijk geen keuze. Het kostte een kleine 60.000 Amerikanen het leven, aan Vietnamese zijde was het aantal 2,5 miljoen. Het hele verhaal is degelijk opgeschreven in dit boek. Neem er even de tijd voor, het is de moeite waard.

Vertaling; Edzard Krol en Wilma Paalman

3a782b3066474a85932436a5551444341587343
Ongewenste zeereis is een bundeling van een aantal essays van Maarten ’t Hart. De meeste artikelen verschenen in het NRC Handelsblad en zijn nog eens bewerkt voor dit in 1979 verschenen boek.

Nu ben ik een liefhebber van het werk van Maarten ’t Hart en zeker van zijn essays, maar dit vond ik toch niet zijn sterkste bundel. De essays zijn verdeeld over vier onderwerpen, te weten vrouwen & discriminatie, biologie, schrijvers & dichters en reizen.

Het onderwerp vrouwen & discriminatie leende zich blijkbaar voor een aantal essays en ’t Hart pakt een aantal clichés bij de kop die volgens de schrijfster Andreas Burnier steeds terugkeren in de top-wereldliteratuur. Zo is er het cliché van de vrouw als held, ‘ondanks dat zij een vrouw is’. Ik moet altijd mild glimlachen als ’t Hart hier zijn belezenheid laat zien;

Bij Dostojewski, bij Ljeskov, bij Gontsjarow en bij Toergenjev vinden we respectievelijk Marja Sjatowa uit De demonen, Lady Macbeth …, de grootmoeder uit De steile helling, en de grootmoeder uit Poenin en Baboerin – vier vrouwen die elke man in heldhaftigheid en grootheid overtreffen. Zelfs meisjes worden vaak voorgesteld als dapperder dan jongens, denk maar eens aan de meisjes uit Other voices, other rooms van Truman Capote…

Ik dacht daar helemaal niet aan en dat weet ’t Hart, maar hij dus wel en ook uit dit boek blijkt weer dat de man een fenomenale kennis heeft van allerlei schrijvers en hun werk. Die sectie vind ik ook verreweg het meest interessant om te lezen. De ontwikkeling van Italo Svevo van pessimist naar optimist, de schrijver Anthony Trollope als inspiratie voor Tolstoj, de rol van de wind in het werk van Joseph Conrad, de classificatie van de romans van Vestdijk, het zijn stuk voor stuk lezenswaardige essays. Het stuk over Leopardi heeft mij direct zijn Canti doen bestellen en wat een geluk dat ik het exemplaar van de overleden dichter Menno Wigman kon bemachtigen.

Omdat ’t Hart van huis uit bioloog is, was ik ook benieuwd naar zijn stukken over dit onderwerp. Dat viel wat tegen. Het zijn maar vijf essays en ik ben nu eenmaal niet heel benieuwd naar het wel en wee van de wimperspitsmuis. We betrappen de auteur, ochtendmens als hij is, wel op een mooi stukje lyriek over de vroege morgen;

Nooit heb ik mooier zonsopgangen gezien dan in die jaren, nooit ook beter beseft dat de mooiste tijd van de zomerdag de heel vroege morgen is. Als van alle sloten en vlieten trage nevels opstijgen en de zon in duizenden dauwdruppels in weilanden wordt weerkaatst terwijl rustige reigers traag over de landerijen vliegen en de lucht nog schoon en fris is, moet je door een polder fietsen om even de illusie te hebben dat je vat kunt krijgen op doel en bestemming van het leven.

Om even later dan weer te keer te gaan tegen de discriminatie van de dauwtrapper. De vroege vogel kan ’s morgens immers geen film of voorstelling bezoeken. De stukjes over het onderwerp reizen boeiden mij maar matig, behalve degene waarin hij op de fiets stapt met Maarten Biesheuvel. Dat had van mij dan weer eindeloos lang mogen doorgaan.

2bcd41b6bd91c3e597458526e41444341587343
Musicoloog Emanuel Overbeeke heeft met zijn boek Een meester zonder hamer een biografisch essay geschreven over componist, schrijver en dirigent Pierre Boulez (1925-2016).

Ik heb een aantal cd’s met werken van Boulez in de kast staan en ik ben dus bekend met zijn muziek, maar dat ging niet vanzelf. Het gaat hier namelijk om seriële muziek. Dat is muziek waarin een rij of serie van muzikale parameters (zoals toonhoogte, dynamiek, toonduur en toonkleur) de grondslag vormt om een muziekstuk te schrijven. Het serialisme borduurde voort op de ook al niet toegankelijke muziek van componisten als Schönberg en Webern.

Nu ben ik helemaal geen musicoloog en ik luister, niet gehinderd door enige kennis van zaken, naar deze muziek. Ik houd er wel van, ik laat mij graag verrassen door de dynamiek, de tomeloze energie of verstilling die er in zit. Daar heb ik zelfs een boek als dit niet voor nodig. Ik zag dit overigens bevestigd door de auteur zelf;

Men begrijpt muziek, elke muziek niet door te weten hoe die in elkaar zit…, maar door affiniteit, emotionele binding en openheid voor de esthetische lading…Analyse van melodieën, ritmen en klanken komt na de emotionele verovering, niet ervoor…

Maar zo’n boek helpt wel. Overbeeke heeft een toegankelijk werk geschreven van ruim 230 pagina’s, waarin er aandacht is voor de verschillende kanten van Boulez. Er zijn hoofdstukken over Boulez als componist, als dirigent, als schrijver, als programmeur en over zijn betekenis voor de muziek.

Die betekenis was enorm groot en daar heb ik als leek wel enige duiding nodig. Overbeeke maakt duidelijk dat wat Boulez deed, niets minder was dan de bestaande muzikale traditie radicaal overboord gooien. Serialisme was op zich niet  nieuw, maar dat was meer het middel dat Boulez gebruikte om dit te doen. Hij gebruikte bouwstenen als melodie, ritme en metrum, gooide alles door elkaar om vervolgens een heel eigen klankwereld op te zetten. Dat wordt dan gelardeerd met voorbeelden uit zijn werken, waardoor je stukken steeds weer opnieuw draait om dingen terug te horen. Er staan ook talloze linkjes in het boek naar verschillende geluidsfragmenten op internet overigens.

Als publicist was Boulez ook iemand van formaat. Hij schreef veel en vaak en was vaak niet mals in zijn kritieken;

…schaamteloos, hoewel op beleefde toon, worden kwaliteitsoordelen geveld en diverse componisten, onder wie Ives en Satie, gediskwalificeerd als niet van het hoogste niveau, interessanter vanwege hun ideeën dan de vormgeving ervan in muziek.

Daar kunnen de heren het mee doen. Ook als dirigent is Boulez een fenomeen. Hij is wars van sentimentaliteit, de volkswijsjes van Mahler en Kodály in hun werken kunnen hem gestolen worden. Van de eerste zal hij dan ook vaker zijn latere symfonieën dirigeren. Hij is zo goed dat hij de orkesten, en vaak de programmering ook, voor het uitzoeken heeft. Zijn eigenzinnigheid komt mooi naar voren als hij bij een instituut als de Wiener Philharmoniker gaat dirigeren;

…hij aarzelt dan ook niet hardhandig te breken met speelwijzen die musici en luisteraars dierbaar zijn. Bij zijn uitvoering van Mahlers Tweede symfonie met de Wiener Philharmoniker negeert hij bewust allerlei dramatische gebaren die niet in de partituur staan, maar die het orkest graag wil spelen omdat het deze ervaart en waardeert als typisch Weens.

Boulez komt naar voren als iemand die zeer goed weet wat hij wil, zowel op compositorisch vlak, als in zijn dirigeren en in zijn programmeringen. Hij was ook de drijvende kracht en directeur van het Institut de Recherche et Coordination Acoustique/Musique (IRCAM), een instituut op het gebied van nieuwe (al dan niet elektronische) muziek, gevestigd naast het Centre Georges Pompidou in Parijs.

Veel van Boulez’ werken worden uiteraard toegelicht en ben je nieuwsgierig naar zijn muziek, dan is het boek zeker aan te bevelen. Gelukkig komen er niet teveel muziektechnische termen in voor en staan er genoeg anekdotes in om het verhaal de nodige vaart te geven.

hqdefault (2)
De Bodleian Library in het Verenigd Koninkrijk herbergt een groot aantal prachtige boeken, waarvan het Liber Bestiarum één van de mooiste is. In 2008 gaf de Folio Society een facsimile van dit boek uit in een gelimiteerde oplage. Het boek is prachtig handmatig gebonden in Nigeriaans geitenleer, maar het gaat mij vooral om de schitterende afbeeldingen die er in staan. Het kleurendrukwerk komt van de pers, maar de 135 afbeeldingen zijn, net als in het origineel, van pure goudfolie voorzien. Bij het Bestiarum wordt een extra boek geleverd met een uitgebreide introductie, een toelichting op alle miniaturen en een vertaling van de complete tekst.

Maar…wat is een Liber Bestiarum? Bestiarum betekent letterlijk ‘beestenboek’. Het laat de dierenwereld zien zoals op dat moment bekend. In beeld, maar ook uitgebreid in tekst. Dit Bestiarum, ook bekend als de Bodley 764, dateert uit het midden van de dertiende eeuw. Het is niet eens het oudste Bestiarum uit de Bodleian Library, het heeft nog een oudere broer uit 1210. Toch springt dit boek eruit omdat het juist ook de dierenwereld laat zien in verhouding tot de mens. Het melken van een koe, de escapades van een kat in de keuken, het houden van duiven in een til en het herbergt waarschijnlijk de oudst bekende tekening in de Engelse kunst van een vogelkooi.

Een Bestiarum is zelden een oorspronkelijk werk. Het wordt vaak samengesteld uit bekende teksten uit vroegere geschriften, zoals uit het oorspronkelijke Griekse werk de Physiologus. Daarbij is dit boek waarschijnlijk het meest uitgebreide zoölogische Bestiarum dat bekend is.

Is het daarmee ook een determineergids om mee het veld in te trekken? Zeker niet. Een Bestiarum is een religieus boek. Ze werden gebruikt in kloosters en werden gelezen tot meerdere eer en glorie van God’s schepping. Monniken bestudeerden en mediteerden over de teksten.

Nu komen er nogal wat fantastische beesten en gebeurtenissen in voor (overigens net als in de Bijbel), maar het waarheidsgehalte was niet zo relevant. In de toelichting wordt beschreven hoe de verhalen gebruikt werden;

The lion is an animal which lives on top of mountains. That is a literal meaning and not a very relevant one to an English monk. The lion, however, is an allegory of Christ, the lion of Juda. That had relevance. The lion sleeps with his eyes open, according to the Bestiary text: this is because even when Christ was buried after his Crucifixion, he was spiritually awake. This characteristic of Christ was prophesied in the Old Testament: ‘I sleep, but my heart waketh’ (Song of Songs 5:2)

Zo staan er constant vergelijkingen in de teksten en die zijn zonder meer boeiend om te lezen. Dat gaat niet altijd zachtzinnig. Ketters en Joden komen er niet goed van af bijvoorbeeld. Het zijn niet allemaal allegorieën en vergelijkingen die erin staan. Veel bijdragen beschrijven ook simpelweg hoe dieren eruit zien en hoe ze zich gedragen.

Dat de wetenschap toen niet hetzelfde was als de onze, blijkt uit talloze verhalen, zoals over de bijen;

They are known, by observation, to be born from the corpses of oxen. In order to obtain bees, the flesh of dead calves is beaten; from its putrefying blood worms emerge, which later become bees. So the insects that come from cattle are called bees; those that come from horses are hornets; mules produce drones and donkeys bring forth wasps.

De beschrijvingen  en afbeeldingen van fabeldieren als de leucrota, de manticore en de parander verdienen een aparte vermelding, maar ook de beschrijving van de sluwe vos is prachtig. Toch, na het lezen van dit boek, is mij de mus het meest bij gebleven. Omdat hij blijkbaar ‘greatly’ kan ‘rejoicen’ en dat naadloos gelijk wordt getrokken met de ziel die het uitjubelt als er een plaatsje in de hemel is voorbereid. Je kijkt nooit meer hetzelfde naar zo’n vogeltje;

The sparrow is very quick and swift, and cannot abide in the woods, but eagerly seeks its home in the cracks in the walls: when it finds such a place it rejoices greatly, because it will no longer need to beware of the snares of its enemies. Thus the soul rejoices when it sees that a dwelling has been prepared for it in the kingdom of heaven.

Vertaling en commentaar: Richard Barber & Christopher de Hamel

IMG_6205
Een bijna paginagrote ‘miniatuur’ met verschillende zeedieren

hqdefault (2)
De namiddag van een schrijver van F. Scott Fitzgerald bestaat uit een aantal autobiografische schetsen die voor de serie Privé-domein bijeen gebracht zijn door Jan Donkers.

Ik heb in maart 2017 een aantal stukken geschreven over het echtpaar Fitzgerald, en deze ontbrak nog in het rijtje. F. Scott Fitzgerald was een zeer succesvolle schrijver in de roemruchte jaren twintig van de vorige eeuw en hij en zijn vrouw Zelda lieten het, vooral in Europa, breed hangen.

Dit boek gaat over de periode erna en is daarom zeer interessant. Zijn verdiensten drogen op en hij voelt (en men laat hem dat ook weten), dat hij er niet meer toe doet. Hij schrijft in die periode gedesillusioneerde stukken proza. Het is niet moeilijk om in het stel Nelson en Nicole Kelly de schrijver en zijn vrouw te herkennen;

…het Meer van Genève dat Nelson en Nicole aantroffen, was het treurige oord van sanatoria en rusthuizen…Nicole lag op het balkon van een hotel langzaam tot leven te komen na twee achtereenvolgende operaties, terwijl Nelson voor zijn leven vocht tegen de geelzucht, in een ziekenhuis twee mijl verderop…
‘Er zijn teveel mensen in ons leven geweest,’ zei Nelson. ‘We hebben nooit weerstand kunnen bieden aan mensen. We waren zo gelukkig het eerste jaar, toen er geen mensen waren.’

Zijn overmatig alcoholgebruik komt ook nu weer terug. Hij loopt in Parijs langs de vroeger zo drukke jazz-bars. Nu staan ze grotendeels leeg. In een ander verhaal probeert hij zijn dochtertje op te halen bij zijn schoonzus, met de plechtige belofte nog maar één drankje per dag te drinken. Dat is een beetje de sfeer van dit boek.

Om de lezer verder op te vrolijken loopt hij al zijn vrienden af die één voor één de dood vonden, uiteraard op veel te jonge leeftijd (zelf zou hij niet ouder dan 40 jaar worden). Soms hebben de autobiografische verhalen andere hoofdpersonen, andere verhalen staan in de ‘ik’-vorm, zoals het verhaal Honderd valse starts. Verhalen die hij ooit wilde schrijven, maar waar niets van terecht kwam. Fragmenten die hij zelf niet meer begrijpt.

De stukken over Hollywood zijn ook de moeite waard. Hij werkte daar als tekstschrijver en had een hekel aan de plaats. Schrijven voor een grijpstuiver, dat was het. Misschien wordt die periode nog het meest gekenmerkt door de volgende anekdote. Fitzgerald las in een krant dat in het Pasadena Playhouse een toneelbewerking zou worden opgevoerd van een van zijn verhalen, The Diamond as big as the Ritz. Hij besloot naar de opening te gaan en ging met zijn vriendin eerst dineren in passende avondkledij;

Toen ze bij het theater arriveerden, zagen ze tot hun verbazing dat er niemand naar binnen ging. De hal was verlaten en Fitzgerald dacht dat hij zich in de datum had vergist. Hij ging informeren en kwam terug met het bericht dat een groep studenten het stuk in een bovenzaaltje speelde…Boven bleek het kleine zaaltje, met vijftien houten banken, ook leeg, maar vlak voor het doek opging kwamen er een paar studenten binnen…

Hij bleef manmoedig zitten maar op de terugrit was hij stil en depressief. Gedempte misère noemt samensteller Jan Donkers dit in zijn nawoord. Verder is in dit boek opgenomen het beroemde interview dat Michael Mok met Fitzgerald had in 1936, tijdens één van diens diepste depressies. Volgens zijn biograaf deed hij een zelfmoordpoging na publicatie ervan. Tragisch, zeker door zijn alsnog voortijdige dood. Terwijl Gertrude Stein, de extraverte schrijfster, zo gelijk had toen ze, in het begin van de jaren dertig, had geschreven dat

‘Fitzgerald gelezen zal worden als veel van zijn beroemde tijdgenoten vergeten zullen zijn’

Dat mijn bescheiden bijdrage hiervan maar weer het bewijs mag leveren dan.

Uit de schaduw
Uit de schaduw, onder eindredactie van Edwin Bloemsaat, is een jubileumbundel die is verschenen ter gelegenheid van het twintigjarig jubileum van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen. Dat is geen genootschap wat overal duchtig aan de weg timmert, maar in dit boek stellen 58 leden zich voor, vertellen over zichzelf als verzamelaar, over hun collectie én ze laten de mooiste stukken uit hun verzameling zien.

Dat geheel wordt in ruim 400 pagina’s gepresenteerd in een prachtig vormgegeven boek, hoe kan het ook anders. Er is gekozen voor een indeling aan de hand van zes motieven, waarbij de leden zelf konden aangeven welk motief het beste bij hen paste. De motieven zijn: het verzamelen voor esthetisch genot, het boek als object, het boek als gereedschap, verzamelen gemotiveerd door levensbeschouwing, verzamelen uit nostalgie en hoeders uit het verleden. De eerste twee motieven zijn verreweg in de meerderheid.

Ik heb het boek achter elkaar uitgelezen. Dat kan ook, want er staan veel prachtig afgedrukte afbeeldingen in van de gekozen boeken. De redenen om te gaan verzamelen zijn legio. Soms wordt een bibliotheek geërfd, soms is het een logisch gevolg van de beroepsuitoefening maar ook zo vaak komt het geleidelijk aan. Zo stelt Frederik Schreuder;

…laat één ding duidelijk zijn: als bibliofiel word je niet geboren, bibliofielen vormen zichzelf.

Ik ben best benieuwd of iedere bibliofiel daar hetzelfde over denkt trouwens. De verzamelgebieden zijn ook legio. Zo is Henriëtte C. Tuynenburg Muys-Lanzing al jong gefascineerd door zeerovers en zeevaart. Boeken over dit onderwerp maken nu deel uit van haar collectie. Jan de Jong verhaalt smakelijk over zijn collectie ‘boeken van de tweede rij’, ofwel erotica. Hij ging ooit mee met zijn baas, een antiquaar, om een bibliotheek op te halen bij een weduwe, waarbij de boeken van vader ook mee mochten;

Ik zette een lege doos op de enige tafel in het vertrek en begon met de bovenste plank links. Toen ik opkeek, leek het of ik niks van de plank had gehaald. Er stonden nog evenveel boeken als ik net had weggenomen. Bij nadere beschouwing bleek dat de kast voorzien was van een dubbele rij boeken. Ik begreep direct waar het om ging: ik had hier een geheime erotische verzameling ontdekt…Heeft de dame in kwestie ooit geweten van de tweede rij in de kast van haar vader?

Sommige verzamelgebieden zijn zeer specifiek, zoals het verzamelen van instructieboekjes over de inkleuring van atlas, boek en prent in de zestiende en zeventiende eeuw. Ook zal niet iedereen warm lopen voor een verzameling van universitaire voordrachten, maar het is zeker mooi om de verzamelaars over hun passie te horen. Dat is de charme juist van deze uitgave.

Het is een misvatting dat collecties alleen mogen bestaan uit oude, zwaarwichtige banden. Ze staan er tussen, dat klopt, maar Jos van Waterschoot is net zo goed lid van het gezelschap. Zijn verzameling is een doorsnee stripcollectie, met veel main stream als Suske & Wiske, Kuifje en Blake & Mortimer. Sterker, in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt is het niet eens nodig dat een bibliofiel zelf een collectie zou moeten hebben.

Dick Coutinho gaf een mooie inkijk hoe hij zijn collectie vormde;

Bij de vorming van mijn collectie heb ik mij de vraag gesteld wat een gemiddelde intellectueel uit de periode 1500-1530 voor boeken…in een bescheiden collectie zou kunnen hebben gehad. Dit is een interessante periode aan het eind van de Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe Tijd. In deze periode vinden allerlei overgangen plaats, niet alleen van het geschreven naar het gedrukte boek, maar ook op het gebied van theologie en wetenschap.

Periode en onderwerp gedefinieerd en je kan los dus, het lijkt me een prima methode.

Interessant zijn ook de boekobjecten, zoals het boekblok van Margarita Bruens-Mulder Dirks. Een stuk hout wat op een dichtgeslagen boek lijkt waarbij een mooie uitleg wordt gegeven. Ook het zelfgemaakte kastje van Cor Knops voor de vier boeken van de Brieven van Vincent van Gogh mag er wezen.

Kortom, er valt zeer veel te genieten in deze prachtige uitgave, al was het maar omdat coryfeeën als dirigent Ton Koopman, eminence grise van de bibliofilie Piet Buijnsters en de onvolprezen blogger Perkamentus allemaal vertegenwoordigd zijn.

Ik werd in eerste instantie opmerkzaam gemaakt op dit boek door de Boekensneuper  en was zo gelukkig om exemplaar nr. 28 te kunnen kopen van de 200 met de hand genummerde exemplaren bestemd voor leden van het Genootschap. In de recensie bij het artikel van Boekensneuper wordt gewag gemaakt van de zeer uitgebreide colofon. Bijna perfect, want de kleuren van de leeslinten zijn vergeten…Samen met wat schoonheidsfoutjes die ik zelf ontdekte zijn dat echt minor details bij een zeer aan te bevelen boek voor liefhebbers van boeken en bibliofilie.

Vormgeving: Hansje van Halem