9022591107.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Omdat zijn thriller HEX mij goed was bevallen besloot ik ook om het nieuwe boek van Thomas Olde Heuvelt te lezen, Orakel. Een boek van 458 pagina’s, maar ik heb het in één ruk uitgelezen (okay, twee) dus ik heb mij er uitstekend mee vermaakt.

Nu ben ik niet per definitie een fan van het bovennatuurlijke, maar bij deze auteur heb ik daar absoluut geen last van. Hoewel niet-verklaarbare fenomenen wel degelijk de hoofdrol spelen in zijn verhalen is het knappe dat Olde Heuvelt ze weet in te bedden in een omgeving die u en ik kennen uit ons dagelijks leven.

Zo zijn velen vast wel eens naar de bollenvelden geweest, wellicht ook die bij Noordwijk. Luca fietst er ’s morgens met zijn vriendin Emma langs op weg naar school. Het is vrij mistig en wat doemt er op uit die mist, liggend in zo’n bollenveld? Een achttiende-eeuws zeilschip.

U zou daar van op kijken en dat doen Luca en Emma natuurlijk ook. Ze klauteren het schip op en Emma gaat zelfs naar binnen door een openstaand luik. Zij kon het niet weten, maar dat had ze beter niet gedaan, ze verdwijnt spoorloos. Terwijl ze verdwijnt klinkt er een mysterieuze scheepsbel.

Er komen meer mensen op af en stuk voor stuk verdwijnen ze om niet meer terug te komen. Eerst bemoeien een aantal agenten zich ermee maar het wordt al snel overgenomen door de geheime dienst. Niet zomaar de ons bekende AIVD, maar een geheime, uitvoerende arm daarvan, NOVEMBER-6. Luca, zijn moeder en zusje moeten zwijgen over wat er is voorgevallen en worden constant in de gaten gehouden door die diensten.

Dan duikt er een oude bekende op uit de thriller HEX, Robert Grim. Die had vanuit overheidswege al wat ervaring met bovennatuurlijke zaken in het dorp Beek en wordt door het hoofd van NOVEMBER-6, Eleanor Delveaux, opgeroepen om uit te zoeken wat er aan de hand is. Hij vertelt haar meteen dat het zo makkelijk allemaal niet is;

‘U bent bang,’ zei Grim plotseling. ‘U doet wel van niet, maar ik heb genoeg angst in mijn leven gezien om het te herkennen. U zit met een raadsel opgescheept dat u niet kunt oplossen en dat maakt u doodsbenauwd. En terecht…Dit soort dingen,’ zei hij en hij priemde met zijn vinger naar de gevelramen, ‘zijn geváárlijk. In de voedselketen van het onverklaarbare staan wij mensen onderaan de ladder, en waar het in uitmondt is een feestmaal. Met ons op het menu.’

Nu wil ik niet teveel weggeven maar deze auteur staat niet bekend om het feit dat hij iedereen mee laat delen in een ‘happy end’. Waar ik zei dat de verdwenen mensen nooit meer terug werden gezien klopt dat niet helemaal namelijk. Tot zover deze spoiler… Luca vindt aansluiting bij een nieuwe vriendin, Safiya. Samen worden ze opgejaagd door de geheime dienst en Luca krijgt visioenen waardoor hij ontdekt dat hij een cruciale rol heeft in het geheel.

Wat ook een belangrijke rol heeft is een beschadigde boortoren in de Noordzee, de Mammoet III. Die is flink beschadigd tijdens een brand en staat eigenlijk op instorten. Vincent Becker inspecteert het ding en heeft dan nog geen idee dat hij er onder andere omstandigheden nog eens zal terugkeren. Dat er op de binnenkant van dit mooi uitgegeven boek een wolharige mammoet staat afgebeeld op een sterrenkaart is geen vergissing overigens, u komt er wel achter.

Het gevonden schip, de Orakel, blijkt een turbulent verleden te hebben en ook dat wordt langzamerhand duidelijk. Het wordt door de geheime dienst uit het veld gehaald en naar de Vliegbasis Volkel overgbracht voor nader onderzoek. Talloze konijnen ondergaan een droevig lot als ze voor de wetenschap door het luik gekieperd worden en nooit meer terugkomen. Ondertussen trekt de geheime dienst een geweldig rookgordijn op om al die gebeurtenissen een beetje te verklaren voor de bevolking.

Dan zie je weer dat dit verhaal helemaal in deze tijd staat, want die verhalen worden prompt gefact-checked door de site Bellingcat, wat de diensten nog verder in de problemen brengt.

Als alle hoofdrolspelers samenkomen op de vliegbasis Volkel wordt het duidelijk dat we naar de climax toe gaan;

…toen Luca plotseling opstond kwam dat nauwelijks als een verrassing…’Shhh.’ Luca hief zijn hand…Er trad een vreemd geladen moment op en hij was er niet zeker van of de anderen het ook opmerkten, maar hij deed dat wel. Allemaal staarden ze naar Luca. Allemaal waren ze plotseling gealarmeerd…
‘We moeten gaan,’ zei Luca. Zijn stem klonk schel en gespannen en alle kleur was nu uit zijn gezicht weggetrokken. Hij leek niet langer op een hert dat gevaar rook – hij leek op een hert dat besefte dat het al zat ingesloten door de vuurzee….Safiya keek slecht op haar gemak om zich heen en zei: ‘Okay, you’re freaking me out.’

Een terechte opmerking want Olde Heuvelt gaat vanaf hier vol op het orgel. Er gebeuren in razendsnel tempo allerlei dingen in die hangar met het schip en alles wat eromheen hangt. De geheime dienst doet dingen die je niet verwacht in een beschaafd land en uiteindelijk laten ze de vliegbasis achter zich. Had ik al gezegd dat er een Saoedisch moord-commando onderweg was? Het hele gezelschap gaat naar de plaats waar alles tot een nog grotere climax komt, terwijl Gerrit Hiemstra op televisie bezig is de moeder aller stormen aan te kondigen. Het zou er zo maar mee te maken kunnen hebben.

Kortom, onverklaarbare zaken die u en mij ook zouden kunnen overkomen, want het speelt zich gewoon af in het Nederland dat wij kennen. Olde Heuvelt maakt er een erg spannend verhaal van. Wat leuk is, is dat hij een karakter uit Neil Gamans American Gods tot leven wekt in dit boek. Hij heeft er speciaal toestemming voor gevraagd. Verder heeft de auteur voor dit boek gesproken met een ex-medewerker van de AIVD en die gaf een klein inkijkje in de keuken. U weet wel, die persconferentie van de AIVD over die gesnapte Russen die aan het spioneren waren? De AIVD geeft nooit persconferenties. Alleen als onze aandacht moet worden afgeleid van iets anders. Iemand nog ergens een schip in een veld zien liggen?

af5444d19985d8a59734d2b7941444341587343_v5
Wat wij zagen van Hanna Bervoets is het Boekenweekgeschenk van 2021. Anders dan vorig jaar is dit weer een fictieverhaal en wel één die midden in deze tijd staat. Het is namelijk het verhaal van Kayleigh, die moderator is bij Hexa. Hexa is een onderaannemer voor een groot internationaal platform, waarvan de naam nooit genoemd mag worden.

Als moderator bepaalt ze volgens een vastgesteld aantal regels welke content wel en welke niet op internet getoond mag worden. Dat is nog best lastig;

Een pedofiel doodwensen mag, een politicus doodwensen mag niet, een filmpje van iemand die zich vol overtuiging opblaast in een kleuterklas moet worden verwijderd, en wel op grond van terroristische propaganda, niet op grond van geweld dan wel kindermishandeling. Selecteerden we de verkeerde categorie, dan gold de beoordeling als foutief, of het bericht nu terecht was verwijderd of niet.

Dat laatste heeft betrekking op de werkomstandigheden bij Hexa; die zijn niet best. De moderators worden op foutpercentages afgerekend en hebben bijna geen pauzes. Het hele verhaal wordt ook door Kayleigh verteld aan een advocaat, meneer Stilic, die een zaak tegen het bedrijf aan het voorbereiden is.

Het zijn heftige beelden die Kayleigh en haar collega’s voor de kiezen krijgen en dat leidt soms tot uitbarstingen. Ook tot een stukje beroepsdeformatie, als de hele afdeling ineens op het dak van een gebouw iemand ziet staan die zich vast van het leven gaat beroven, maar dit toch iets anders blijkt.

Kayleigh krijgt een relatie met een collega, Sigrid. Die relatie kent ups and downs, zeker als Sigrid geconfronteerd wordt met een filmpje dat ze moet beoordelen waar ze nog lang mee zit. Het wordt al snel duidelijk in het verhaal dat de relatie geen stand houdt, hoewel de omstandigheden waaronder het allemaal eindigt op verschillende manieren uitgelegd kan worden;

Wat gebeurde er op 30 augustus, de dag dat Sigrid bij me wegging? Dat vind ik een lastige kwestie. Soms denk ik het te begrijpen, maar dan sla ik al snel weer aan het malen over wat zij zei, over wat ik zei…Mijn herinneringen aan die een-na-laatste dag van augustus laten zich, kortom, op verschillende manieren uitleggen.

Er gaat ook nogal wat aan vooraf. De stress van het werk dat ze doen is voelbaar bij iedereen. Dan komen er ook nog collega’s die de flat earth-theorie aanhangen, die hun vraagtekens zetten bij de filantropie van de joodse rijkaard George Soros én er meteen een holocaust-ontkenning aan vastknopen. Het heeft te maken met de breuk tussen Kayleigh en Sigrid, maar meer geef ik maar niet weg.

Is het daarmee een geslaagd boekenweekgeschenk? Ten dele zeer zeker. Ik kende nog niets van Hanna Bervoets en zij zet een helder verhaal neer. Er zitten niet veel lagen in maar dat is lastig in een begrenzing van ruim 90 pagina’s. Het is een actueel verhaal en daarom zeg ik ‘ten dele’, want hier zit volgens mij een veel grotere roman in. Alle thema’s zijn er; social media en wat daarop wel of niet te zien is, een relatie tussen twee mensen op het werk maar die ook een achtergrond heeft van financiële ellende, een mogelijke rechtszaak tegen een bedrijf vanwege de werkomstandigheden, complottheorieën, gesprekken die Kayleigh voert bij dokter Ana over wat haar bezig houdt, de relatie van Sigrid met haar ex-man Pete, de collega’s die meer aandacht zouden verdienen, zoals Robert die zijn beoordelaar Jaymie met een taser bedreigt en dan heb ik het nog niet eens over Archibalt de hamster gehad…Kortom, het had voor mij nog wel even door mogen gaan.

9023428293.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Made in Rotterdam bevat de verzamelde gedichten van Cornelis Bastiaan Vaandrager. Het boek is samengesteld door zijn vrienden Hans Sleutelaar en Martin Bril. Of die daarmee goed werk hebben verricht, daar kom ik nog op terug.

Het boek van ruim vierhonderd pagina’s geeft in ieder geval een mooi beeld van de dichtkunst van Vaandrager. Hij behoorde tot ‘de zestigers’, wat inhoudt dat hij zijn inspiratie uit de werkelijkheid haalt, uit de wereld om hem heen met al zijn indrukken. Dat kan de stad zijn (vaak Rotterdam uiteraard), maar dat kunnen ook reclame-uitingen zijn, filmfragmenten of zelfs kassabonnetjes.

Vaandrager speelt met taal en dat zie je in alles terug. Zo gebruikt hij ‘readymades’. Dat zijn fragmenten die al bestaan en die niet als gedicht bedoeld zijn, maar die het worden door ze uit hun context te halen. Een voorbeeld uit deze bundel;

Meneer Dinges
weet niet wat swing is.

De tekst komt uit een refrein van een liedje van het duo Johnny en Jones. Het is zelfs als straatkunst gebruikt op een veegwagen van de Rotterdamse reinigingsdienst. Vaandrager, die het Algemeen Beschaafd Nederlands perfect beheerste, volgde meer en meer zijn eigen regels. Hij paste zijn spelling stelselmatig toe als dichterlijk uitdrukkingsmiddel, zoals in het gedicht Tegel;

God sgiep
land
water
en lug.
maar Zijn mees kreatieve wens
was tog
Rotterdamse mens.

Vaandrager gebruikte zijn ervaringen, zoals zijn opnames in de kliniek, in zijn werk en zo kan het voorkomen dat verpleger Arend zijn plek in de Nederlandse literatuur krijgt. Ook heeft hij het over Jules Deelder, met wie hij het niet goed kon vinden (naar verluidt duwde hij hem zelfs van de trap). Die onmin werd echter door de heren wel gecultiveerd, want toen Herman Brood eens als vredestichter wilde optreden vond hij de heren ineens gezamenlijk tegenover zich.

De dichtbundel Martin, waarom hebbe de giraffe…is ook een pareltje. De gedichten hieruit lijken voor kinderen maar de lovende kritieken zeggen het al; alles wordt hierin teruggebracht tot de essentie van taal. Zo bevat het gedicht Citroen associaties en synoniemen;

Appel, appelsien, sinaasappel,
zure appel, noot, kers, manderijn,
peer, perzik, tomaat.
Eieren, eitje, paaseieren, spiegelei.
Er al heel ver van af: zure bom.

Waar ik u ook Paddestoel uit dezelfde bundel niet wil onthouden:

Kebouters. Kebouterpale, – stoele.
Waar kebouters op zitte, wat
onder kebouters zit.
Kersmis. Bloeme van Kersemis, om
in kersboom te hange, stoeltjes
voor Kersmannetjes.
Nie kwaad: bloemparaplu.
Schemerlampe! Bromtolle!
Vergiftige dinge.
Kappe, lampe, sgilpadde, stokke, tafel.
Bloeme, bloemetjes, bloemestoeltje (!),
bome.

Het is een feest om te lezen en zo gaat het maar door. Opmerkelijk is het gedicht Het verhaal van een ooggetuige met een ecologisch visioen in een tijd dat het milieu nauwelijks een rol speelde. Kleine woordspelingen als (handwasje) achter een Duitse uitdrukking schon gut plaatsen, ik geniet daarvan. Ook het grotere gebaar wordt niet geschuwd, zoals in zijn gedicht over de dichteres Anna Blaman;

Ze was altijd ontzettend hartelijk.
Ik vond haar ontzettend lelijk en ontzettend aardig.
Maar laten we eerlijk zijn:
schrijven kon ze niet.

Dat werd hem uiteraard niet in dank afgenomen en hij ontving de Anna Blamanprijs pas toen haar erven het niet meer tegen konden houden.

Dan de samenstellers, Sleutelaar en Bril. Zij verantwoorden hun keuzes deels achterin dit boek, maar zij hebben behoorlijk in het werk geschrapt. Biograaf Menno Schenke zegt over de bundel Sampleton:

Een aanzienlijk aantal gedichten is door de bezorgers Hans Sleutelaar en Martin Bril verminkt, een ander woord is er niet voor. Uit Vaandragers summiere nalatenschap blijkt dat beide tekstbezorgers rigoureus het rode potlood hanteerden en dat Vaandrager te makkelijk met versies van Sleutelaar en Bril akkoord is gegaan.

Gelukkig vult de biografie ontbrekende delen weer aan. In die biografie staat trouwens veel informatie over de gedichten waardoor het meteen een klein feest van herkening was tijdens het lezen. Ik ben dus enthousiast over het werk van Vaandrager, al was het maar om zoiets eenvoudigs maar ook zoiets bekends, opgenomen in een muurschildering van Klaas Gubbels in de restaurantzaal van Hotel New York op de Wilhelminapier in Rotterdam;

De kroketten in het restaurant
zijn aan de kleine kant.

 

dff4522e5f48f6e597546346b77444341587343_v5
Vaan. Het bewogen bestaan van C.B. Vaandrager is de ambivalente titel van de biografie van schrijver en dichter Cornelis Bastiaan Vaandrager van Menno Schenke. Ambivalent, omdat de titel zowel zijn afgekorte naam Vaan bevat, als zijn officiële naam C.B. Vaandrager. Ik had de gedichten van Vaandrager al enige tijd in huis en heb zijn novelle Leve Joop Massaker gelezen en was benieuwd naar deze markante Rotterdammer.

Die was al jongeman al zeer goed met taal, met name op het gebied van vertalen. Waar de hele klas zwoegde op een vertaling, schudde Cor zo’n vertaling in no time uit zijn mouw. Het veelsoortige spel met taal, de dubbelzinnigheid die je in taal kunt leggen en de meervoudige betekenis van woorden ontdekt hij al snel en zal een kenmerk van zijn schrijverschap worden.

Cor raakt bevriend met Hans Sleutelaar en ze beginnen een literair tijdschrift. Bijkomend voordeel is dat je dan automatisch in je eigen tijdschrift je literair debuut kan maken en dat doet Cor op twintigjarige leeftijd, met het korte verhaal Vrienden. Waar Cor en Hans in Nederland aan de weg timmeren met hun tijdschrift doen de Vlamingen Paul Snoek en Gust Gils dat met hun eigen literaire tijdschrift, Gard Sivik. Cor en Hans raken hier bij betrokken en langzamerhand trekken ze dit tijdschift naar zichzelf toe, met als uitvalbasis Rotterdam. Later zal Gard Sivik overgaan in hun nieuwe tijdschrift De Nieuwe Stijl. Ze krijgen bekendheid in het literaire milieu en bij Simon Vinkenoog komt Cor in aanraking met marihuana. Het zal een dagelijks genotmiddel worden.

Cor schrijft gedichten en die worden niet altijd even goed ontvangen. Zo zegt uitgever Ad den Besten over zijn bundel East Coast;

Het spijt me dat ik je geen voorstel tot uitgave van je bundel East Coast kan doen. Je gedichten blijven voor mij grotendeels woorden…ze ballen zich niet samen tot een frappante suggestie. Daarbij is de vorm uiterst zwak: vers voor vers zie ik geen enkele reden de regels af te breken waar jij het doet; zoiets zou immers op ritmische gronden moeten worden vastgesteld.

Daar kan Cor het mee doen. De bundel zou nooit worden uitgegeven. Wat wel wordt uitgegeven is zijn novelle Leve Joop Massaker. Dat boek krijgt prima kritieken en geeft hem bekendheid. Hij komt tijd tekort en heeft het gevoel dat hij door moet schrijven. Hij gaat pillen slikken om maar weinig te hoeven slapen en ook de speed is dan niet meer weg te denken uit zijn leven. Dat schrijven concentreert zich voornamelijk op gedichten en samen met Hans Sleutelaar, Hans Verhagen en Armando vormen ze zich tot ‘de zestigers’. ‘De vijftigers’ als Lucebert, Gerrit Kouwenaar en Hugo Claus zijn geweest, het is tijd voor een nieuw geluid. Hierin wordt realiteit als een vorm van kunst gepresenteerd. Weg met de traditionele lyriek, de werkelijkheid dient nu als inspiratie, bijvoorbeeld zoiets als reclameteksten.

Privé heeft Cor het niet makkelijk. Geld is altijd een probleem en hij heeft gedoe daarover met uitgeverijen en de belastingdienst. Na een paar relaties trouwt hij met Hetty en ze krijgen een dochter. Zijn vele drugsgebruik beïnvloedt echter zijn persoonlijkheid en hij gaat aparte trekken vertonen. Hij verzamelde altijd al van alles en nog wat, maar dat gaat uit de hand lopen. Simon Vinkenoog daarover;

‘Je kon van Cor de gekste dingen verwachten. Hij logeerde bij ons in Amsterdam. Ik kom ’s ochtends beneden in de keuken, waar een grote eettafel stond. Cor was ’s nachts gaan wandelen en had overral naamplaatjes van afgetrokken en losgeschroefd. De keukentafel lag er vol mee. In die namen ontdekte hij allerlei verbanden; een berg naast een dal.’

Dat gedrag wordt van kwaad tot erger en er volgen periodes met depressies, opnames en pogingen tot zelfmoord. Gelukkig heeft hij inmiddels twee boeken uitgebracht, De Hef en De reus van Rotterdam en is hij ook gedichten blijven schrijven. Die boeken en die gedichten zijn een verhaal apart. Gelukkig staan er talloze voorbeelden in deze biografie, want het is handig om enige duiding in de schrijfstijl te krijgen, anders knoop je er geen touw aan vast. Zeker een boek als De Hef is speedproza. Zonder verhaallijn, hooguit thematisch aan elkaar geplakte hoofdstukken. Sommigen kunnen er niets mee, maar dichter Rien Vroegindeweij zegt erover;

‘De Hef is een subliem boek, dat een wereldseller zou zijn geweest als het in New York zou zijn geschreven. Ik vind ’t een Andy Warhol-achtig boek.’

Het maakt mij nieuwsgierig en dat ben ik ook naar zijn gedichten, die ook de makkelijkste niet zijn. U zult er nog meer over lezen op mijn blog.

De biografie is een vlot geschreven verhaal met als voordeel dat veel van de hoofdrolspelers nog in leven waren toen dit boek verscheen. Daarom hebben we informatie uit de eerste hand van Simon Vinkenoog, Hans Sleutelaar, Hans Verhagen, Armando, Jules Deelder en musicus Teddy Treurniet. Allen zijn inmiddels overleden. Jammer dat er één grote fout in staat; de jonge componist Hans van Sweeden nam geen overdosis, hij maakte met een geweer een einde aan zijn leven.

Cor Vaandrager is niet oud geworden, slechts 56 jaar, maar dit boek doet hem, zijn tijd en zijn stad Rotterdam mooi herleven. Ik ga zeker meer van hem en zijn mede-zestigers lezen.

 

9024564867.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Wolf van Mo Hayder is het zevende boek in de thriller-serie over de Britse rechercheur Jack Caffery. Het boek is als afzonderlijk deel te lezen, maar het helpt wel als u de voorgaande delen ook hebt gelezen, want er zit iets van een rode draad in.

Die rode draad gaat over Caffery en een zwerver die hij De Wandelaar noemt. Beiden zijn ze iemand verloren aan een pedofiel. Caffery zijn broertje, in zijn jeugd toen beiden nog klein waren en De Wandelaar zijn dochter. Van beide slachtoffers is het lichaam nooit gevonden en dat verdriet verbindt hen.

Maar Caffery is ook rechercheur en hij belandt in de zaak die in dit boek de hoofdrol speelt. De Wandelaar geeft Caffery een hond met een halsband waaraan een klein stukje papier zit met de tekst ‘help ons’. Verder blijkt de hond een maaginhoud te hebben die je niet bij een doorsnee-hond aantreft. Caffery moet uitzoeken waar die hond vandaan komt in ruil voor informatie over zijn overleden broertje, waar De Wandelaar meer van schijnt te weten.

Dat doet hem belanden in een omgeving waar vroeger een gruwelijke moord is gepleegd door ene Minnet Kable. Die heeft twee tieners afgeslacht, iets met ze gedaan wat alle verbeelding tart en dat u maar mooi zelf moet gaan lezen, én ook nog de misdaad bekend waarop hij achter de tralies verdween.

Eind goed, maar verder helemaal niet goed. Want in de buurt woont een gezin dat direct betrokken was bij die moord, en dat gezin krijgt bezoek van twee heren die zich aanvankelijk als politie-agenten voordoen. Maar dat natuurlijk niet zijn.

De leden van dat geteisterde gezin zijn wapenhandelaar Oliver Anchor-Ferrer, zijn vrouw Matilda en hun dochter Lucia. Die laatste heeft een connectie met de moorden van veertien jaar terug, want één van de slachtoffers was haar ex-vriendje Hugo. Maar wie zijn die twee ongenode gasten dan? Dat wordt niet meteen duidelijk, maar de auteur brengt de spanning er lekker in. De gezinsleden worden ieder in een aparte kamer van hun afgelegen huis opgesloten en we keren steeds weer terug naar zo’n kamer, die allen een eigen naam hebben als ‘de pepermuntkamer’, ‘de rozenkamer’ of ‘de amethistkamer’. De twee mannen, Molina en Honey leggen even de bedoeling uit;

‘We willen jullie bang maken.’
Er valt een korte stilte. Dan zegt Oliver: ‘Oké. Nou, dat is jullie gelukt. Gefeliciteerd.’
‘Dank u. Maar als ik bang zeg, bedoel ik wel écht bang. Laten we zeggen dat het huidige niveau op de schaal van angst – o, ik weet niet, ik zeg maar wat, laten we uitgaan van een vier. Waar ik en mijn partner naar toe willen is een tien.’

Of dat allemaal gaat lukken zeg ik natuurlijk niet, maar wat de auteur prima doet, en dat herken ik uit de vorige delen, is in korte hoofdstukjes toch subtiele cliffhangers neerleggen waardoor ik het boek maar moeilijk weg kan leggen. Als één van die twee de kamer in komt lopen waar een gezinslid ongemakkelijk aan de radiator vastgebonden zit, denk je niet ‘dat komt morgen wel’.

Caffery ondertussen moet met onmogelijk materiaal aan de slag om wat van deze situatie te maken en zijn gedachten gaan uit naar de vrijmetselarij, naar het leger en langzaam maar zeker komt hij stapjes dichterbij. Dan is het fijn dat de twee heren in het huis alle tijd lijken te hebben, wellicht komt hij nog op tijd.

Veel meer kan ik niet zeggen zonder teveel weg te geven. Wellicht dat, want die moet het altijd ontgelden, de huishoudster van het gezin ineens vermist wordt. Of dat de titel van het boek, Wolf, te maken heeft met een wapensysteem van Oliver Anchor-Ferrer én dat de moorden uit het verleden als inspiratie dienden voor dat wapentuig.

Zoals het een goede thriller betaamt is de uitkomst tamelijk verrassend en wel op twee fronten. Op dat van het huis, het gezin en wat er allemaal is gebeurd én op dat van waar het mee begon, de informatie over het verdwenen broertje van rechercheur Caffery. Er is nog genoeg rode draad over voor een nieuw deel, dus wij wachten rustig af.

Vertaling; Yolande Ligterink

0cb686a5b79e07e593653565577437641414141_v5
De corespondentie van Desiderius Erasmus Brieven 298-445. Deel 3 van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus is ook de moeite waard. Dit deel telt 284 pagina’s en waar we zien dat de eerste twee delen (hier en hier) zo’n 300 brieven weergaven over een periode van 27 jaar, telt dit deel zo’n 150 brieven over een periode van 2 jaar. Dat is de frequentie die we in de komende delen ook zullen tegenkomen.

De beschreven jaren zijn de jaren 1514-1516 en in 1514 is Erasmus 46 jaar (nemen we even aan, zie de biografie voor meer informatie). Hij kent de noordelijke en zuidelijke Nederlanden, heeft in Parijs gestudeerd en is in Engeland geweest, waar hij kennis heeft gemaakt met veel vooraanstaande maatschappelijke figuren. Ook is hij in Italië geweest waar hij getuige was van de intocht van paus Julius II in Bologna. Met uitgevers en drukkers maakt hij plannen om zijn werken uit te geven en dan in het bijzonder zijn werken over de Latijnse kerkvaders Gregorius, Ambrosius, Augustinus en Hiernonymus.

Eén van zijn grootste criticasters is de Leuvense theoloog Maarten van Dorp. Het mooie van deze boeken is dat ze niet alleen brieven van Erasmus bevatten, maar ook brieven aan Erasmus. Van Dorp geeft in zo’n brief de kern van zijn kritiek aan op de herziening van Erasmus op de dan zo belangrijke bijbelvertaling, de Vulgaat;

Het is immers niet te accepteren dat de universele kerk, die deze vertaling altijd gebruikte en nog steeds gebruikt en haar goedkeurt, zo veel eeuwen gedwaald zou hebben.

Geduldig legt Erasmus aan hem en aan anderen zijn werkwijze toe. Hij legt uit dat hij de teksten van Hieronymus, de vertaler van de Vulgaat, zuivert en van fouten ontdoet. Zo schrijft hij aan de kartuizer Gregor Reisch;

Met enorm veel zwoegen heb ik geprobeerd…een gezuiverde tekst van de brieven van Hieronymus uit te geven, die in een onvoorstelbaar en onbeschrijfelijk slechte staat verkeert…Ten derde voeg ik alle vervalsingen toe die een mij onbekende zoutloze en schaamteloze windbuil ertussen heeft gestopt.

Hij is er druk mee en dan moet hij ook nog in de pen om over de uitgaven van zijn werk te corresponderen. Ook dat is niet altijd makkelijk, zeker als de leerling-drukker niet het scherpste potloodje in het etui blijkt. Wilhelm Nesen namelijk schrijft Erasmus;

Gegroet, zeergeleerde Erasmus. In het werk van Seneca, dat dankzij jouw energie weer ter beschikking staat van de liefhebbers van de beschaafde literatuur, tref ik in de marge een paar notities aan van jouw hand…met de woorden; ‘Dit heeft een of andere windbuil er aan toegevoegd.’ Schrijf me of ik die woorden moet weglaten of met de andere moet drukken, al ben ik te dom om van een zeergeleerde een brief daarover te mogen afwachten.

Die ‘windbuil’ gebruikte Erasmus nogal eens dus. Erasmus schrijft soms lange brieven, zoals aan paus Leo X, aan wie hij zijn editie Hieronymus wil opdragen. Ook criticaster Maarten van Dorp krijgt lange epistels toegestuurd, Erasmus maakt zich er niet snel van af. Het is fascinerend om die twee met elkaar in conclaaf te zien gaan. Lof der Zotheid was volgens Van Dorp niet zo nodig maar als het toch moet, dan ook graag een Lof der Wijsheid alstublieft, zo schrijft hij. Erasmus wimpelt dit beleefd maar stellig af in zijn schrijven aan Van Dorp.

Al dat erudiete heen- en weergeschrijf is prachtig om te lezen, maar wat ik net zo mooi vind zijn de inkijkjes in een ander tijdperk, zo net na de Middeleeuwen. Zo was het nog steeds redelijk gevaarlijk om een reis te ondernemen, zoals Erasmus bericht in een brief aan zijn goede vriend, de Engelse humanist en staatsman Thomas More;

… toen ik overal groepen soldaten zag, overal boeren die van het land naar de stad trokken, en het gerucht de ronde deed dat er een grote troepenmacht in aantocht was, veranderde ik van gedachte en ontvluchtte niet, maar verruilde het gevaar. In Keulen trof ik een paar afgezanten uit Italië, bij wie we ons hebben aangesloten, bij elkaar zo’n tachtig ruiters. Zelfs met dat aantal was de reis niet ongevaarlijk.

De uitgave van de correspondentie is zeer verzorgd zoals in de vorige delen, hoewel ik in dit deel voor het eerst wat schoonheidsfoutjes aantrof en een verminkte pagina. Hopelijk niet in het volgende deel, want ik lees de brieven met veel belangstelling.

Vertaling; M.J. Steens

 

9403120312.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Af en toe heb je mensen nodig die van de gebaande paden afwijken om de mensheid vooruit te helpen. Erasmus is zo’n persoon en ik was al benieuwd waar hij die reputatie aan te danken had. Daarom las ik zijn Lof der Zotheid, zijn biografie en heb ik zijn correspondentie aangeschaft. Maar als Sandra Langereis dan komt met een nieuwe biografie met de titel Erasmus dwarsdenker, dan ben ik daar uiteraard zeer benieuwd naar.

Met 700 pagina’s is deze biografie een keer zo dik als bovengenoemde biografie van Léon Halkin, dus ik ben aardig wat wijzer geworden. De inleiding echter zette mij wel even op het verkeerde been. Die begint namelijk met

Op 27 juni 1598 vertrok Erasmus uit de haven van Rotterdam.

Voor een reis naar het westen zelfs, om Zuid-Amerika heen helemaal naar Japan. Die reis was ik even niet tegengekomen in de andere biografie en dat kon ook niet, gezien het sterfjaar van 1536 van Erasmus. Het blijkt om een houten beeld van hem te gaan. Afijn, het is een verrassend begin van de biografie en de inleiding verklaart ook waarom de grote humanist in een bloemetjeshemd op de omslag staat.

Dan de biografie zelf. Langereis heeft er werk van gemaakt. Dat is te zien aan het uitgebreide notenapparaat, dat veel informatie bevat en zeer de moeite waard is. Zo is er geen zekerheid over de geboortedatum van Erasmus, maar de auteur weet het aannemelijk te maken dat dit 28 oktober 1469 is geweest. Zeer fascinerend om te lezen hoe ze tot die hypothese komt en het geeft aan dat hier geen gemakzuchtig werk is afgeleverd.

Wat dit boek ook heel duidelijk maakt is de grote verdienste van Erasmus. Waarom was hij zo’n vernieuwer? Dat begint al bij zijn leergierigheid als kind. Hij raakt thuis in de teksten van de Bijbel maar is een kritisch lezer. Hij raakt er meer en meer van overtuigd dat de bekende teksten van de kerkgeleerden die iedereen nu voor lief neemt opnieuw beoordeeld moeten worden en wel vanuit de oerteksten. Daarom is het van belang om, naast Latijn, ook het Grieks uitstekend te beheersen.

Na jaren doorgebracht te hebben in een abdij besluit hij dat dit niets voor hem is. Hij wil zich gaan toeleggen op het schrijven. De teksten van de Bijbel begrijpelijk maken voor iedereen en uitleggen hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. Wat Langereis dan echt prima doet is ons eerst uitgebreid bijpraten over wat die teksten zijn die Erasmus zonodig moest herzien. De Summa theologiae van Thomas van Aquino en de commentaren van Hiëronymus van Stridon, die de Vulgaat maakte, een Bijbelvertaling in alledaags Latijn.

Wat opvalt is de ijzeren wil van Erasmus om die geweldige taak te volbrengen. Hij moet er veel voor laten. Hij reist door Europa, afhankelijk van giften en zal bijvoorbeeld nooit trouwen of zelfs maar een relatie aangaan. Daarnaast schrijft hij ook nog werken als zijn beroemde Lof der Zotheid en de Adagia, een verzameling Griekse en Latijnse spreuken. Maar de kern was toch wel een juist begrip van de Bijbel, van de teksten die golden als de standaard;

Die voorkeur voor schoolse Latijnse vertalingen…had tot gevolg dat in de vulgaatbijbel zoals die sinds het jaar 400 was doorgegeven – de door de paus gecanoniseerde vulgaat… – allerlei Griekse zegswijzen zó letterlijk in het Latijn waren omgezet dat de beeldspraak gemankeerd raakte en de betekenis van de bijbeltekst in het geding kwam. Daarom begrepen geestelijken die een millenium later de bijbel in het Latijn van de vulgaat lazen terwijl ze geen enkel benul hadden van het achterliggende Grieks de betekenis van allerlei bijbelfrasen verkeerd.

Erasmus’ publicaties hierover waren niet meer dan revolutionair. Het is indrukwekkend om te lezen hoeveel geschriften hij overal opduikelt en hoe grondig hij te werk gaat. Zo brengt hij het complete Nieuwe Testament uit. In twee kolommen, links in het Grieks van de oertekst en rechts in het Latijn van de Vulgaat, zij het dat de Latijnse kolom niet de officiële vulgaatvertaling afdrukte, maar de vulgaat zoals die op basis van de meegeleverde Griekse oertekst was verbeterd door Erasmus. Vervolgens kreeg de lezer nog 400 pagina’s met aantekeningen van Erasmus over zijn keuzes én bronvermeldingen.

Erasmus wordt één van de grootste schrijvers van Europa. Uiteraard volgen er dan kritieken en zijn werken worden door de inquisitie verboden. Zijn botsing met Luther wordt ook uitgebreid toegelicht en dat is prachtige leesstof want de kritiek van Luther is niet mis;

‘En als het gaat over de erfzonde: die erkent hij wel, maar hij wil niet waar hebben dat de apostel daarover spreekt in de brief aan de Romeinen. Laat hij toch Augustinus lezen!’, klonk het kribbig in dezelfde brief. ‘Ik lees Erasmus, en mijn zin in hem verschrompelt met de dag’…

Erasmus negeert de kritiek van Luther aanvankelijk maar zal hem later toch aardig van repliek dienen als het echt een haatcampagne wordt. In geschrift natuurlijk en dat is Erasmus ten voeten uit.

Ik heb genoten van deze vlot geschreven biografie. Die volgt natuurlijk het leven van Erasmus, maar geeft vooral inzicht in waarom hij zo’n groot denker was én geeft een hoop informatie over al die teksten die hij onderhanden nam. Dat is mooi om mee te nemen als ik verder ga met het lezen van zijn correspondentie, want ik ben nog lang niet klaar met die man.

9493081303.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Wat doe je als er een lijst bekend is met honderd boeken die David Bowie beschouwde als de belangrijkste en invloedrijkste boeken van al die duizenden boeken die hij blijkbaar in zijn leven heeft gelezen? Dan schrijf je een boek met de titel Bowie’s boekenkast. Tenminste, John O’Connell doet dat.

Die lijst met boeken werd in 2013 gepubliceerd door het Londense Victoria & Albert Museum, in navolging van de tentoonstelling ‘David Bowie Is’ die daar werd gehouden. Die tentoonstelling vormde een terugblik op de carrière van de zanger met zo’n vijfhonderd voorwerpen afkomstig uit zijn persoonlijke archief, waaronder kostuums, schilderijen, handgeschreven songteksten en storyboards van videoclips.

En die lijst dus. Let wel, het zou hier gaan om de belangrijste en de invloedrijkste, dus niet zijn favoriete boeken. Ik zeg ‘zou’, en daar gaan we al. Want levert dit een leuk en informatief boek op? Ten dele. Want dat ‘zou’, kom je door het hele boek tegen. Het staat bol van de aannames. Soms valide, soms er met de haren bijgesleept wat mij betreft.

Wat wel een feit is, is dat David Bowie een veellezer was. Hij bracht dat naar voren in interviews en op reis voerde hij een draagbare bibliotheek met zich mee in speciale kisten waarin zijn boeken keurig gerangschikt op planken stonden.

Ik weet niet of er een speciale rangschikking op de lijst van toepassing is, maar het boek op nummer één is een klassieker, namelijk A Clockwork Orange van Anthony Burgess. De link naar Bowie’s beroemde personage Ziggy Stardust is wel te leggen want daar bestaan hele artikelen over dus dat beloofde veel goeds voor het vervolg. Maar dat gevoel werd bij het boek Awopbopaloobop Alopbamboom van Nik Cohn al iets minder;

Zeer waarschijnlijk heeft Bowie Awopbopaloobop Alopbamboom direct na verschijnen niet alleen gelezen, maar ook als handboek bestudeerd. Naar verluidt was Ziggy mede geïnspireerd op de hoofdpersoon van Cohns roman I Am Still the Greatest Says Johnny Angelo (1967).

‘Zeer waarschijnlijk’, ‘naar verluidt’, zo gaat het het hele boek wel door. Ik wil dan weten waar zoiets staat, klopt het of niet? Weten we het niet, vermeld dat dan of laat het weg. Als Dante Alighieri met zijn Goddelijke Komedie genoemd wordt, wil ik geen overpeinzing lezen of Dante misschien een van de redenen was achter de keuze van Bowie en Iman om in Florence in het huwelijk te treden. Als hij dat ergens gezegd heeft, prachtig. Maar laat anders zulke speculaties weg.

Is het boek daarmee mislukt? Nou nee, dat ook niet. Er staan genoeg mooie verhalen in over zijn leven of boekentips waar je iets aan hebt. Er staan ook zeker verhalen in die het werk van Bowie verbinden aan de boeken die genoemd worden. Zo is Hall’s Iconografisch Handboek van James Hall gebruikt bij het maken van de video’s van ‘Lazarus’ en ‘Blackstar’. Dankzij Hall weten we dat de geblinddoekte bedelaar die Bowie in de video’s speelt, een heilige vlak voor zijn terechtstelling is of een symbool van spirituele danwel morele blindheid.

Ook wil je het verhaal niet missen van de Russische undergroundheldin Octobriana, bedacht door de Tsjechische kunstenaar Petr Sadecký. Bowie liet er zelfs een jack van maken dat later door de Nederlandse popjournaliste Elly de Waard achterovergedrukt is. Zij schreef er zelfs een boek over, Het jasje van David Bowie.

Ook On the road (Onderweg) van Jack Kerouac had invloed op Bowie, en dat weten we tenminste uit wat bronnen, zo blijkt;

Er zaten drie kanten aan de enorme invloed van Onderweg op Bowie’s leven en werk. De eerste was dat hij door het boek zin kreeg om, zoals hij in 1999 aan Q vertelde, ‘dat te doen [dwars door Amerika rijden] en niet opnieuw naar Bromley South te gaan om daar zo’n kuttrein naar Victoria te nemen en naar mijn werk bij dat klotereclamebureau te gaan.’

Gaat u de andere redenen vooral zelf lezen, maar dit doet er dus wel toe. Net als het boek A grave for a dolphin van Alberto Denti di Piranjo. U kent vast wel de zin uit zijn lied ‘Heroes’, ‘Like dolphins can swim’. Wellicht weet u niet dat Bowie een tatoeage had van een dolfijn op de achterkant van zijn kuit. Soms komen de dingen dus wel mooi samen bij zo’n boek.

De invloed van Little Richard, van het vorticisme, van In koelen bloede van Truman Capote of de invloeden van het boeddhisme (we waren hem als monnik bijna eraan kwijt geweest), het is allemaal lezenswaard, maar het heeft dus iets van beiden. Soms zijn de verbanden vergezocht, soms wordt u echt wat wijzer en u kunt het natuurlijk ook gebruiken als een leuke tiplijst van nog niet gelezen boeken. Aan het einde van iedere boekbeschrijving staat een luistertip en een boekentip, voor als het genoemde boek u bevalt. Hier geldt ook weer, soms is de link met de luistertip duidelijk, soms zou ik echt willen weten waarom dit aangeraden wordt bij dit verhaal.

En oh ja, die onvermoede verbanden in een boekenkast, ik houd ervan en schreef er hier ook over. Ik kom de schrijver van het boek Een samenzwering van idioten, John Kennedy Toole tegen in dit boek. Ik kwam hem ook tegen in mijn vorig gelezen boek van Jeroen Brouwers, wat verder geen enkele connectie met dit Bowie-boek heeft.

Vertaling; René van Veen 

 

185d6a6da4532755970466c6677444341587343_v5
Het circus der eenzaamheid van Jeroen Brouwers is het vierde en laatste deel van de serie Kladboeken. Het is met 196 pagina’s een stuk dunner dan deel drie, Het vliegenboek en wat mij betreft minder boeiend.

Toch is een Brouwersboek nooit verloren tijd en haal ik er altijd wel iets uit. Zo ben ik benieuwd naar Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere. Dat komt goed uit want die is verschenen in de serie Privé-domein en die verzamel ik zo’n beetje. Vervolgens krijg ik besprekingen van werken van Benno Barnard, Leonard Nolens en Christine D’haen. Geen grote namen alhier en dat moest maar zo blijven lijkt mij. Als ik een plank mis sla, corrigeert u mij dan vooral.

Maar…als Brouwers het over Elsschot gaat hebben ben ik geïnteresseerd. Als Vlaams schrijver moest Elsschot af en toe zoeken naar Nederlandse woorden en hij kreeg daarbij hulp van ene Anna Christina van der Tak. Hij kende haar uit zijn Schiedamse periode en zij was aanjager van zijn debuut, Villa des Roses. Hij droeg het werk ook aan haar op. Curieus is dat Walter, die als zoontje van Alfons de Ridder (Elsschot was zijn schrijversnaam) een luxe-exemplaar van dat debuut naar Anna op de post deed, het vijftig jaar later weer te koop kreeg aangeboden. Overigens bleef de relatie niet zo goed want Anna was er niet over te spreken dat zij figureerde in Elsschot’s boek Kaas.

Nog mooier wordt het als Brouwers los gaat op het boek Het Ridderspoor van Johan Anthierens, waarin de laatste verklaart innig van Elsschot te houden en hem te beschouwen als ‘literaire vader’. Ik ga er eens goed voor zitten;

Het boek is een opeenstapeling van bric-à-brac, verzameld door iemand die van de glans van een koperen punaise zal beweren dat het het licht van een komeet is…En nog wat: toen Anthierens op dinsdag 23 juni 1992 te Antwerpen door de Verdussenstraat slenterde, de straat waar romanpersonage Laarmans woonde, was daar, neen maar, een straatwals bezig met de restauratie van het wegdek, precies zo’n straatwals als voorkomt in Elsschots novelle De leeuwentemmer! Dit alles is van groot gewicht voor de Elsschot-exegese…

Zo voel ik mij weer helemaal thuis bij Brouwers. Hij vindt het werk van Anthierens niets en vraagt zich af waar de definitieve biografie blijft. Deze is inmiddels door Vic van de Reijt geschreven, alleen heb ik Brouwers daar nog niet over gehoord eigenlijk; het zal vast ergens te vinden zijn.

Na deze Elsschot-wetenswaardigheden komt het hoofdstuk dat je wist dat zou komen; over uitgeefster en vroegere werkgever van Brouwers, Angèle Manteau. Gretha Segers heeft namelijk een boek over haar geschreven, Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau. Wellicht had ze dat beter niet kunnen doen want het vindt geen genade in de ogen van Brouwers. Hij onderbouwt dit uiteraard want hij zat in het oog van de storm en heeft dus de kennis over Manteau wel paraat.

De onderwerpen gaan een beetje van de hak op de tak. Hoofdstukken over André Baillon en Daniël Robberechts boeiden mij maar matig en een verhaal over Janis Joplin is zelfs een beetje vreemde eend in de bijt.

Maar dan komt het stokpaard van Brouwers de hoek om draven; zelfmoord in de literaire wereld. Het verhaal rondom Adriaan Venema is ronduit intrigerend en was bij mij al een beetje weggezakt. Venema was kunsthandelaar maar ook schrijver. Hij wist dat hij geen groot romancier zou worden en legde zich toe op zijn magnum opus, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie. Vijf delen die behoorlijk bekritiseerd zijn vanwege de vele slordigheden en fouten. Brouwers sprak hem wel eens, maar

Nooit heeft hij adequaat antwoord kunnen geven op de vraag wat hem dreef het oorlogsverleden van kunstenaars, schrijvers, uitgevers tot in de wortels uit te vezelen, niet terugschrikkend voor tendentieusheden, valse betichtingen, aantoonbare onwaarheden, om nog maar te zwijgen van de moraliserende praatjes waarmee hij de zaken nog extra orkestreerde.

Venema was alle kritiek zat en maakte een eind aan zijn leven. Brouwers gaat dieper in op gelijke gevallen. John Kennedy Toole en Alexander Ziegler pleegden ook zelfmoord na kritiek op hun werk. Brouwers is hier in zijn element, want expert op dit gebied, gezien zijn boek over dit onderwerp, De laatste deur. Zijn verhaal over Harry Mulisch en Klaus Mann mag er ook zijn. De zoon van de grote schrijver Thomas Mann zette een soort van familietraditie voort; ook hij benam zich het leven.

Brouwers maakt nog wat zijstapjes naar Adolf Hitler en zijn wegbereider Oswald Spengler en onderhoudt ons over een aantal vriendelijke Duitse seriemoordenaars om er met een knaller uit te gaan. Ik miste hem al; Rudy Kousbroek. Die moest het in Het vliegenboek al ontgelden maar Brouwers is nog niet klaar met hem;

‘Zonder er iets aan te veranderen,’ snottert Kousbroek nu verongelijkt in dat Maagpijn-opstelletje van hem. Zonder dat die Brouwers, dat lijk, ‘het fatsoen’ heeft gehad een en/of ander te ‘herroepen’, zo weeklaagt hij verontwaardigd. In snotteren en weeklagen, daar is hij goed in, Kousbroek. Staat altijd te stampvoeten in zijn eigen waterlanders.

Het ging er altijd pittig aan toe tussen de heren; toch mag ik ze beiden graag lezen. Van Brouwers heb ik nog genoeg boeken liggen, die blijft op gezette tijden gewoon voorbij komen.

 

78c943bea0c94975936352b5551444341587343_v5
Verzonken boeken van Gerrit Komrij heeft zich elf jaar lang genegeerd zitten voelen in mijn boekenkast en dat zeer ten onrechte. In dit boek van zo’n 230 pagina’s trekt Komrij boeken uit de vergetelheid, vaak nog uit de krochten van de negentiende eeuw. Komrij heeft een heel eigen stijl van schrijven die ik erg prettig vind om te lezen. Redelijk archaïsch maar met prachtige woorden, vergelijkingen en humor.

Hij begint meteen maar met één van zijn favoriete boeken, The Cardinal’s Snuff-Box van Henry Harland. Geen hoogstaand literair werk maar iets dat Komrij voor zijn plezier leest. Dat plezier is een beetje in ongenade geraakt; de één moet dingen gelezen hebben voor een goed cijfer, de ander om den brode en

Zo klost avond na avond het moede circuspaard door de piste, want na afloop wacht het klontje.

Plezier dus, en dat verschaft dit boek Komrij. Dat geldt ook voor The Green Carnation van Robert Hitchens. We leren en passant waar een sleutelroman (want dat is het) aan moet voldoen maar ook dat dit boek een tijdsbeeld is en een scherts op Oscar Wilde. Oscar kon er zelf wel om lachen en Hitchens was zo fair om het boek even uit de handel te laten nemen toen Oscar Wilde maatschappelijk gezien niet zo lekker lag. Komt u het tegen, schaf dit zeldzame boek onverwijld aan, zegt Komrij. Of doe rustig aan, want tegenwoordig kan het met een paar muisklikken ook.

Der Garten der Erkenntnis van Leopold Andrian intrigeert ook. Andrian publiceert dit dunne boekje van eenenzestig pagina’s op zijn negentiende. Hij wordt zesenzeventig maar publiceerde na dit ene werkje nooit meer iets. Toch wordt dit boekje beschouwd als de quintessens van ‘het moderne levensgevoel’ en Komrij is er lyrisch over. Toen moeilijk verkrijgbaar, nu te bestellen met een nawoord van Komrij zelf.

Ik kom Voyage autour de ma chambre van Xavier de Maistre weer tegen waarover ik ook al las in Reis in drukken en wat dacht u van de voorloper van Portnoy’s Complaint, namelijk Charlotte s’amuse van Paul Bonnetain. U kunt nu wel ongemakkelijk om u heen kijken maar Komrij heeft het hier over de ‘bijbel van de ruggemergtering’, ofwel hoe onanie tot verwoesting kan leiden;

Het ontstaat, zonder iemands tussenkomst, door de samenvoeging van twee bewegende delen van het menselijk lichaam, te weten de hand en zekere helse machine, in corresponderend ritme.

En zo gaat het door; het ene interessante verhaal na het ander. De jonge maar rijke baron Jacques d’Adelsward-Fersen die Parijs na wat schandalen moest ontvluchten en op het Italiaanse Capri een villa liet bouwen, Villa Lysis. Ook hij schreef een roman, Lord Lyllian, die ook voor een tijdsbeeld staat en wel ‘met de geur van Dorian Gray’. Oscar Wilde is nooit ver weg. Ook de Death’s Jest-Book van Thomas Lovell Beddoes lijkt een pareltje. De dood als grap, of als pure poëzie;

Transparent as the glass of poisoned water
Through which the drinker sees his murderer smiling

Ook dit boek kunt u nog gewoon verkrijgen. Komrij beklaagt zichzelf in een apart hoofdstuk over zijn bibliofiele aandoening. Hij blijft maar boeken kopen en eigenlijk hebben wij onlangs geleerd dat dit een bibliomane aandoening is; de wetenschap schrijdt voort. Het hoofdstuk over literaire blunders is ook om te smullen, net als het stuk over ‘mystificaties’. Hierin wast Komrij ene Jaap Buurman de oren die een literair boek geschreven heeft, Lepels en vorken. Buurman wordt door zijn uitgever groots weggezet en daar vindt Komrij iets van, ook omdat in dit boek blijkbaar ‘de verbeeldingswereld van een vrouw op schokkende wijze belicht wordt’ ;

Wie in Nederland door zijn uitgever al bij zijn debuut zonder blikken of blozen onder de reuzen wordt gerangschikt, is nooit meer dan een kabouter op stelten…misschien dat er, in Oostkapelle, een in duisternis wandelende huisvrouw, die haar verbeeldingswereld ook eens gaarne belicht zag, intrapt – ik betwijfel het.

Dit boek zult u dan weer niet terugvinden en daar zijn redenen voor. Over vrouwen gesproken, Komrij wijdt een deel in dit boek aan uitspraken over vrouwen door allerlei schrijvers. Daar brand ik mij niet aan, leest u dat maar mooi zelf.

Wel leert u nog bij over het catlinisme. De oplossing voor allerhande kwalen en problemen, louter veroorzaakt door het feit dat u met de mond open slaapt. George Catlin heeft het uitgevogeld en opgeschreven. Komrij schrijft voorts verder over jonggestorven dichters, waarbij de grens op vierendertig jaar ligt. Jacob van Eeghen voldoet hieraan, hij werd slechts zestien. Zijn niet bijster goede gedichten (aldus Komrij) worden wel mooi door hem geduid.

Dat kan hij als geen ander en zo doet hij dat ook met schalkse raadseltjes;

Als ik in mijn tuintje spit:
Ben ik ongemeen verhit:
En, na slechts een vierde stond,
Ligt mijn spade reeds op den grond

‘K geef het daarom zijnen zin,
En steek ’t spaadje er weder in.
Netje, ‘k wed gij raad gewis,
Niet wat ding mijn tuintjen is.

Als dat domme Netje het inderdaad niet begrijpt kan ze achterin zo’n raadselboekje vinden dat het hier om ‘het propertje van de vrouwen’ gaat. Je woordenschat wordt weer lekker opgefrist bij het lezen van zo’n Komrij-boek.

Als u nog niet enthousiast was over dit boek, wellicht kan het tijdschrift Maledicta u nog over de streep trekken. Dat was een periodiek op het gebied van de verbale agressie, met broodnodige wetenswaardigheden over

het uitslaan van smerige taal in het Cubaans
obscene plaatsnamen in Macedonië
Venetiaanse blasfemieën
het vloeken van apen
de vuilbekkerij van Marlon Brando
kwetsende epitheta in de Alpen

Enzoverder. Komrij was erop geabonneerd maar het ging in 2005 ter ziele. Uiteraard nog her en der wel verkrijgbaar in losse volumes. Ik kan nog wel even doorgaan, het boek had wat mij betreft een keer zo dik mogen zijn. Mijn lange bespreking van een niet zo’n dik boek moge getuigen van mijn enthousiasme hiervoor. Ik mis zulke schrijvers.