874f96fda11ae82597a52525367444341587343_v5
De kracht van kunst van hoogleraar (kunst)geschiedenis Simon Schama is een boek dat verscheen als begeleiding van de achtdelige BBC-serie Power of Art. In die serie en dus ook in dit boek, probeert Simon Schama van een aantal meesterwerken het creatieve proces te vangen; werken die onder hoogspanning zijn gemaakt en waardoor je niet hetzelfde meer kijkt naar kunst. Dat zijn nogal pretenties en we gaan zien of die waargemaakt worden.

Hij zet de kunstwerken in hun tijd neer en kijkt naar de ontstaansgeschiedenis ervan en dat resulteert in een aantal minibiografieën van Caravaggio, Bernini, Rembrandt, David, Turner, Van Gogh, Picasso en Rothko. Allemaal schilders, waarbij bij Bernini de nadruk op zijn beeldhouwwerk ligt. Als je geïnteresseerd bent in kunst ken je de namen wellicht, maar van Jacques-Louis David (1748 – 1825) en William Turner (1775 – 1851) wist ik toch verrassend weinig. 

Een van de mooiste verhalen is die van Caravaggio (1571 – 1610) en geeft meteen mooi aan wat Schama met dit boek wil. Caravaggio was een briljante schilder maar ook een wildebras. Constant in conflict met het gezag, hij zocht de foute buurten en vrienden steeds weer op en hij zou uiteindelijk een moord plegen. Tegelijk kwam hij over de vloer bij magistraten en hoogwaardigheidsbekleders en hij zag er geen been in om de figuren voor de schilderijen van die laatsten te halen uit die foute buurten. Schama zegt;

Caravaggio was dan ook absoluut uniek omdat hij de enige schilder in Rome was wiens leven een brug sloeg tussen de wereld van de paleizen van de kardinalen en de grote kerken en die van de gokhuizen, bordelen en wijnlokalen van de popoli.

Een werk als David en Goliath bekijk je anders én wordt anders geschilderd als je weet dat Caravaggio het schilderde vlak nadat hij iemand vermoordde.

Ook Bernini was geen huismus. De dramaturg onder de beeldhouwers verstond de kunst om de rigiditeit van marmer te vertalen naar materialen als staal, bont, huid of zelfs zweet. Zijn werken zijn een lust voor het oog, waaronder de buste van Costanza Bonarelli. Schama legt uit wat hier zo bijzonder aan is, maar het verhaal gaat verder want Costanza was de minnares van Bernini. Hij kwam erachter dat zij hem bedroog met zijn jongere broer. Hij probeerde zijn broer te vermoorden maar dat mislukte. Vervolgens gaf hij een bediende de opdracht het gezicht van Costanza aan flarden te snijden met een scheermes;

Zo werd door dezelfde hand die het mooiste hoofd in de geschiedenis van de beeldhouwkunst had gemodelleerd – zij het via een plaatsvervanger – het levende vlees dat hij had geëerd verminkt.

Misschien proeft u het al een beetje, Schama is een enthousiast verteller en strooit met superlatieven. Zo doet een schilder als Rembrandt niets aan de werkelijkheid af en geeft hij iedereen natuurgetrouw weer. Bij Schama gaat het dan meteen om “symfonieën van cellulitis“. Als Rembrandt overgaat naar wat zwaarmoediger werk is het “Alsof de kunstenaar de volumeknop van de wereld lager heeft gedraaid.” Soms wat over de top, maar van mij mag hij, het stoort me niet.

Het werk van David en Turner waren voor mij eye-openers. Bij de eerste ligt de nadruk op het schilderij À Marat, over de dood van de politicus Jean-Paul Marat. Hij werd in bad vermoord ten tijde van de Franse revolutie en was bevriend met David. Ook David werd bijna veroordeeld maar werd uiteindelijk verbannen. De schilderijen van Turner hebben weer een heel eigen signatuur. Hij is een historieschilder en is beroemd om zijn luchten en dramatische voorstellingen. Hier staat Het Slavenschip centraal, geïnspireerd op een verhaal waarbij een kapitein slaven overboord gooide om zo de verzekeringspremie te incasseren. Een indringend werk waarmee Turner de slachtoffers een podium geeft. Door dit hoofdstuk ben ik instant bewonderaar geworden van de werken van Turner, over wie ik veel te weinig wist.

Bekender was ik met Van Gogh, Picasso en met Rothko. Schama geeft aan hoe de werken van Van Gogh zich hebben ontwikkeld in zijn korte periode als schilder. Mooi dat een redelijk onbekend werk als Boomwortels (dat deze week toevallig ineens in het nieuws was) hier relatief veel aandacht krijgt. Bij Picasso staat zijn magnum opus Guernica centraal. Het is gemaakt naar aanleiding van het bombardement op Gernika, het Baskische dorp dat weggevaagd werd in 1937 en Schama legt uit hoe het schilderij is ontstaan. Nog belangrijker, hij legt de relevantie van het werk, en daarmee van de kunst, uit aan de hand van de terroristische bomaanslagen op een treinstation in Madrid in 2004. De Guernica bevond zich op een paar honderd meter van het station;

Het station werd een gedenkplaats voor de onschuldige gevallenen. Maar toen de kaarsen waren gedoofd en de publieke rouwplechtigheden waren afgesloten, staken duizenden de weg over naar de Guernica en bleven staan voor zijn sluier van rook en verminkte menselijkheid. Ze hadden geen walkmangids nodig om uit te leggen waarom het werk ertoe doet.

Met het werk van Mark Rothko (14903 – 1970) was ik bekend en ik ben er fan van. Ik las zijn biografie en ben in 2015 naar de tentoonstelling van zijn schilderijen in het Gemeentemuseum in Den Haag geweest. Voor wie zijn werk niet kent is dit een prima eerste kennismaking met zijn, op het eerste gezicht, ondoorgrondelijke schilderijen.

Terug naar de stelling aan het begin van dit relaas. Ga je na het lezen van dit boek anders kijken naar kunst? Zeker naar al die werken die besproken zijn. Schama wijst je op talloze details waar ik anders zeker overheen gekeken had. Het boek doet mij ook beseffen dat lezen over kunst, de kunstenaars en hun tijd een meerwaarde heeft dan alleen het werk bekijken, hoewel dit persoonlijk is. Het boek telt 470 pagina’s, maar vele voorbeelden van de besproken kunstwerken en het enthousiasme van de auteur doet de rest.

Vertaling; Karina van Santen en Olaf Brenninkmeijer

 

707d315a34cec52596858356b41433041414141_v5
Het Verzameld werk deel 1 van Maarten Biesheuvel is een dik boek van 985 pagina’s, waarin de bundels In de bovenkooi, De wereld moet beter worden, De Weg naar het Licht en De verpletterende werkelijkheid verzameld zijn. Het is een dikke pil, maar omdat het allemaal kortere verhalen zijn leest het prima door.

Voor dat doorlezen is iets meer nodig dan een kort verhaal, het scheelt als het ook een goed verhaal is. Biesheuvel wordt geroemd om zijn ironische toon en zijn soms absurdistische verhalen en beiden zijn in overvloed aanwezig. Dat, maar het zijn soms ook mooie, ontroerende verhalen, zeker als Biesheuvel er autobiografische elementen in verwerkt. Zoals in het verhaal Slapeloosheid;

Daar is me tijdens mijn manoeuvres Eva donders nog aan toe tóch wakker geworden! Ze geeuwt, draait zich om en kijkt me verbaasd aan. ‘Wat ga je doen?’ ‘Even kakken, misschien neem ik nog een tweede slaappilletje van dokter Verbruggen in.’ ‘Goed jongen, vooruit maar, binnen twee minuten in bed hoor, ik wil geen flauwekul…’

Er zit al veel in dit fragment. Zijn verbondenheid met zijn inmiddels overleden vrouw Eva en zijn openheid over zijn psychische problemen. Met name dat laatste thema komt vaak terug in zijn verhalen. Een ander terugkerend thema is de scheepvaart. Biesheuvel heeft ooit als ketelbinkie meegevaren en hij weet de meest fantastische verhalen over die wereld te schrijven. Beroemd is natuurlijk Brommer op zee, waarin op volle zee iemand doodleuk op een brommer komt aanrijden. Dat geeft al aan dat Biesheuvel wel raad weet met absurde verhalen. Soms beginnen ze ook zo;

Ik wilde zelf ook een wolk zijn, dat was mijn wens en hup, daar ging ik al. Tussen de andere zweefde ik mee. Nooit wist ik waarheen. Zo gaat het nu reeds jarenlang en nog steeds weet ik niet waarheen de tocht voert.

Absurd ja, maar ook met veel humor. Er valt veel te lachen in de verhalen, zoals in het Faustiaanse verhaal De grote gieter. Hierin komt God de vader bij een ijzerhandelaar een gieter voor zijn zoon halen wiens regeninstallatie in de hemel kapot is. De scènes zijn onnavolgbaar, zeker als de ijzerhandelaar later in de hemel komt waar hij God, zijn zoon en diens moeder ontmoet;

Barendsz moet psalmen zingen. Psalmen? Hoe lang is het geleden dat hij verplichte liederen zong? Hij zingt: ‘Waar de blanke top der duinen.’ Dat is volgens de moeder (‘zeg gerust Maartje hoor’)…geen psalm en de zoon zegt het ook, hij kijkt het nauwkeurig in een boekje na….Barendsz probeert het nog eens met “En ik heb jou voor het eerst ontmoet, daar bij de waterkant.’ Abrupt wordt hem de mond gesnoerd.

Soms schiet de absurditeit wat ver door naar mijn smaak, zoals in het verhaal van de aardbei die met behulp van twee wandelende takken een lieveheersbeest wil voorstellen, maar in de regel vind ik de verhalen een feest om te lezen. Het verhaal van Joop en Kornelis, de twee koeien in het hiernamaals vergeet ik nooit meer. De wildebras Joop eindigt als voetbal en staat ineens in het middelpunt van de belangstelling;

Joop zag dat alle ogen op hem gericht waren. Hij kreeg steeds hardere schoppen, maar dientengevolge vloog hij steeds een heel eind omhoog. Dit was wel een erg wild spelletje.

Al lezende vielen mij de overeenkomsten op met die andere Maarten, Maarten ’t Hart. Beiden nemen de godsdienst op de hak, waar ’t Hart Maassluis vaak als decor gebruikt, is dat bij Biesheuvel Schiedam, waar ’t Hart piano speelt, speelt Biesheuvel viool en bij beiden spelen literatuur, klassieke muziek en de studie in Leiden een rol. De heren kennen elkaar ook, zijn lang bevriend geweest maar ook weer een tijd niet, hoewel Maarten ’t Hart in 2018 gewoon opdaagde bij de presentatie van Verhalen uit het gekkenhuis, het nieuwste boek van Biesheuvel. Er staat ook een verhaal in over de beide heren, De Leeuw van Leiden.

En verder? Ik kijk mijn aantekeningen door en zie dat ik veel superlatieven heb gebruikt. Ik heb ook bijna zonder uitzondering van alle verhalen genoten en daarom is het boek niets te dik. Het verhaal over de koning en leeuw met verwisselde hoofden, het verhaal over de kaartenmakers die een globe krijgen toegestuurd waarop iedereen en alles beweegt zoals in het echt, het verhaal over de eerstgevonden jodenkoning in een keukenkastje, de avonturen van Joachim Müller (wat een prachtverhaal) zijn zo maar een paar hoogtepunten. Ik wil verder lezen als er in een verhaal staat;

Het ware beter geweest dat we nooit met vlooiendodende poeders waren gaan strooien, want ten gevolge van deze handelingen kwam zo’n twintig jaar geleden in de bestuurskamer van een belangrijke bankinstelling het prototype van de foeilelijke Jodrell Bank-telescoop tot stand.

Of als er staat;

Toen de zaag, een kwartier later kon het schedeldak gelicht worden. In het felle schijnwerperlicht knipperde met zijn oogjes een wit dwergkonijntje de chirurgen toe.

Maar ook als er staat;

Toch dronk ik bier, wetende dat ik dan mijn portie van dertig of veertig milligram valium niet meer kan innemen die me weer een beetje tot bedaren kan brengen. Ik denk dat ik bij elkaar wel vier flesjes op heb, terwijl ik er van Eva maar één per dag mag drinken.

Er is zoveel te citeren uit dit rijke boek maar een beetje liefhebber van Nederlandse literatuur en verhalen moet dit echt zelf lezen. Ik heb er te lang mee gewacht en ga de verhalen zeker herlezen, dat verdienen ze.

d72c6c8a2ac959e592f70635551433041414141_v5
Het is al even geleden dat ik het eerste deel van de Anathema’s van Rudy Kousbroek las. Dat geeft niet, want Anathema’s 2 gaat over het jaar 1969 dus er was geen urgentie om dit deel direct te lezen. Is het daarmee niet wat gedateerd en wel leuk om te lezen? Ja en ja. Kousbroek schrijft over een andere tijd maar doet dat toch op zodanige wijze dat zijn stukken mij niet vervelen. Dat komt door de manier waarop hij zijn onderwerpen benadert en zijn stijl van schrijven. Je kan er talloze citaten uithalen.

Het openingsverhaal gaat over de gefingeerde Jovinian Brown die de sexualiteit uitvond in 1869. Er waren vier jaar mee gemoeid en hij kon niet zonder zijn laboratorium, maar uiteindelijk;

‘Success! It all fits! Onze uitvinding is nog weliswaar primitief, maar er is geen twijfel meer mogelijk dat het werkt. Wij hebben de droom verwezenlijkt!’

Met licht ongeloof val je vervolgens in een verhaal over ratten en hun al of niet aangeleerde competentie tot het vervullen van de huwelijksplichten. Ratten opgegroeid in gemengd gezelschap blijken hier weinig competent;

Een dergelijke rat dribbelt geïntrigeerd om de meisjesrat heen, met veel plichtplegingen, knievallen en buigingen met de hand op het hart, maar hoe het dan verder moet weet hij niet. Minziek besnuffelt hij haar, streelt haar met zijn snorharen, en declameert gedichten (van Leopold).

We blijven nog even proefondervindelijk bezig want schrijfster Henriette Jelinek begint een etnografisch experiment met een Griek met vet glanzend haar en mollige vingers vol ringen. Zij geeft hem in alles zijn zin, maar houdt hem emotioneel op afstand. Ze spreekt alleen om te antwoorden. Uiteindelijk is het resultaat dat hij niets liever wil dan haar affectie en het resultaat is dat de lezer, wellicht tegen de bedoeling van de schrijfster in, medelijden met de Griek krijgt. Kousbroek prikt er fijnzinnig doorheen met zijn opmerking dat Jelinek wel weet wat zij doet, zij heeft psychologie gestudeerd.

Het boek van 143 pagina’s is verdeeld in een aantal onderwerpen waar dan steeds een paar hoofdstukken onder vallen. Het zijn onderwerpen als Onderdanen, Verdraagzaamheid, Verdwijningen, Media, Natuur of cultuur en Het dier met drie ruggen. Bij Verdwijningen gaat het onder meer om zaken die in de jaren zestig niet meer gezien werden, zoals trams met open balcons, speelgoed van hout en blik, negentiende-eeuwse liften op waterkracht en stoomlocomotieven. Hij vond een peignoir, maar als nieuw, nog in de verpakking. Iets van 75 jaar geleden maar dat niet de gedaante heeft van antiek. Dat leidt tot interessante gedachten;

…met een ongebruikt voorwerp in de oorspronkelijke, zij het enigzins verkleurde en stoffige, verpakking, is er helemaal geen kwestie van tijd die ergens gebleven is…Het voorwerp heeft letterlijk geen geschiedenis. De negentiende eeuw is een stap weg, om de hoek.

Als Kousbroek het over de media heeft ontkomt hij niet aan vergelijkingen met Frankrijk, waar hij jarenlang woonde. Vooral kinderprogramma’s moeten het daarbij ontgelden;

Aan kinderprogramma’s wordt hier tot mijn grote verbazing nog veel minder tijd besteed, en het bestaande  – bv. Pipo de Clown – overtreft niet alleen het Franse equivalent in imbeciliteit, het heeft daarbij ook nog een eigen specifieke erbarmelijkheid waar men niet met woede op reageert, maar met schaamte – iets als bij het zien van armoedige oude mensen in ondergoed.

Aan meningen nooit gebrek bij Kousbroek. Sommigen stukjes zouden wellicht in deze overgevoelige tijden niet meer zo geschreven kunnen worden, zoals zijn stuk over een zekere groep Austraalnegers (of de Tully River blacks) waarvan gedacht wordt dat deze groep in onwetendheid verkeert omtrent de relatie tussen copulatie en bevruchting. Iets dat nader onderzoek vereist natuurlijk.

Het laatste onderwerp Het dier met drie ruggen gaat over het bezoek van Kousbroek aan de eerste sex-beurs ter wereld, gehouden in Kopenhagen van 21 tot 26 oktober 1969. Uiteraard geeft hij hier zijn eigen draai aan en trekt de vergelijking met een jaarbeurs voor electriciteit;

Stekkers, in alle standen en formaten. Nooit geweten dat er zoveel verschillende modellen bestonden, grote en kleine, rechte en kromme, dikke en dunne, gladde en rimpelige. Close-ups van een stekker met stopcontact. Van twee stekkers met één stopcontact. Van drie met één stopcontact. Of met twee stopcontacten.

Zo kan je nog even doorgaan natuurlijk, maar gelukkig is er meer en doet Kousbroek zelf zijn waarnemingen. Hem viel iets op toen hij zijn hotelkamer binnenkwam en zijn oog viel op de deur-terugstoter. U weet wel, dat voorwerp, dat tot doel heeft om te beletten dat deur of muur beschadigd worden. Het had ongeveer de vorm van een zoutstrooier, met een rubberen knop aan het eind;

Ik zweer het, ik verzin het niet, gedurende enkele onderdelen van een seconde zag ik duidelijk aan de basis van dit voorwerp donker kroezend haar zitten. Een hallucinatie! Een van de uitwerkingen van de pornografie, dat is nu empirisch bewezen, is bewustzijnsverruiming!

Waarbij de citaten maar weer aangeven dat de stukken best gedateerd zijn maar stuk voor stuk nog vermakelijk om te lezen.

b6c12686c356dbc59755a4c7651444341587343_v5
De roman Goëtia van Frits Lapidoth verscheen al in 1893 en is daarna nooit meer herdrukt. Ik was het boek al eens tegen gekomen op veilingsites en daar wordt de eerste druk voor hoge bedragen verkocht. Het verhaal was al wel beschikbaar op de Dbnl, maar die tekst is ontdaan van de oude spelling en met een inleiding wordt het verhaal in de juiste literaire context geplaatst. Lapidoth (1861 – 1932) was een belangrijk criticus en journalist die rond 1890 in Parijs woonde en daar voor het Nederlandse publiek verslag deed van het culturele leven. Hij schreef poëzie, romans en verhalen.

En dit is me nogal een verhaal. Hoofdpersoon is Goëtia, het alter ego van de jonge Olga Tredjakow. Zij is een rijke weduwe en heks en houdt salon in het decadente Parijs van 1890. Deze ‘priesteres van de zwarte kunst’ wordt in het verhaal geïntroduceerd door de illusionist Magnus, als zij een toespraak houdt waarmee zij haar publiek direct in vervoering brengt.

Dit alles heeft een voorgeschiedenis en die begint in Rusland, in Charkow. Goëtia heet nog Olga Kostroma en woont bij haar vader. Haar moeder is vroeg gestorven. Zij gaat om met studenten die door haar vader als dokter worden behandeld en ze wordt aanbeden door de dichter Stephan Dourow. Nu hadden die studenten geld aangenomen van een nihilist en zij werden daarvoor allemaal opgepakt, inclusief de vader van Olga. Dourow verdween naar een Siberisch werkkamp en Olga’s vader komt om in de gevangenis.

Dat zet een reeks gebeurtenissen in gang die maar leiden tot één ding; wraak. Olga vertrekt naar Sint Petersburg en via het toneel werkt ze zich op en wordt een bekende society-verschijning;

Zij was begonnen haar vader en haar vrienden te wreken. Dat al meer grote heren verslaafd raakten aan de morfine, aan chloraal, aan ether; déze was gaan drinken tot zijn ondergang in een vreselijk delirium-tremens; dat gene zenuwzwakke was gaan lijden aan toevallen…dat alles had zij bewerkstelligd.

Zij trouwt de oude, rijke graaf Tredjakow en ze gaan in Parijs wonen. Intussen heeft Olga zich zeer verdiept in het occultisme, spiritisme en hypnose, allemaal ter verhulling en uitvoering van haar wraakzuchtige taak. Zij gaat salon houden in Parijs en wordt daar ook een bekende persoon. Ze raakt meer en meer thuis in de occulte wereld maar wil meer leren en vertrekt daarvoor naar New York, waar ze zich inschrijft op de ‘Academy for Physical Research’. Daar leert ze de technieken die spiritisten gebruiken in hun seances en die gaat ze, eenmaal terug in Parijs weer aanwenden in haar eigen voorstellingen als Goëtia.

Haar vroegere vriend Dourow blijkt ondertussen ook in Parijs te zijn. Hij is bevrijd uit het kamphospitaal door de nihilisten en heeft zich aan hen gecommitteerd. Zij willen in Parijs de samenleving ontwrichten door het plegen van aanslagen op justitie en prominenten.

Goëtia verliest haar doel niet uit het oog . Waar zij in Rusland mee was begonnen, dat zet zij in Parijs voort;

Waarom rustte zij niet? Haar slachtoffers waren velen…Want vergiftigd, verdierlijkt, erger dan krankzinnig geworden, bewaakt door de oppassers van speciale ziekenhuizen in Sint Petersburg en elders, lagen te vergaan prinsen en graven en generaals, die door haar zich hadden leren inspuiten met morfine, leren kennen chloraal en ether, leren oproepen geesten van wellustige vrouwen…

Ook in Parijs leidt zij de één na de ander tot hun ondergang. Voor de armen is zij goed, ze doet haar rondes door de stad om armen geld te geven, maar uiteindelijk belandt ze op de dodenlijst van de nihilisten in Parijs. U voelt al aankomen wie dat vonnis moet voltrekken…

Hoe dat allemaal afloopt moet u vooral zelf maar lezen. Het is fijn dat een zo on-Hollands verhaal over occultisme, satanisme en nihilisme opnieuw is uitgebracht. De nieuwe spelling van auteur en docent Nederlands Bas Jongenelen is prima te lezen, hoewel er nog genoeg oude uitdrukkingen en schrijfwijzen in zijn blijven staan;

…de voorhangsels bleven gesloten en twee knechts bewaakten die geheimzinnige retiros.

Het voorwoord van Sander Bink is informatief en geeft een overzicht van de literatuur uit de occulte hoek en de invloed daarvan op de Nederlandse literatuur. Ik kom daar Aleister Crowley weer tegen, waar Jimmy Page weer door werd beïnvloed. Best mooi, literatuur; het verbindt gewoon Lapidoth met Led Zeppelin.

c106a795a22f4c8593647565577433041414141_v5
De correspondentie van Desiderius Erasmus Brieven 1-141. De kop is eraf van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus en het smaakt absoluut naar meer. Dat kan, dit boek van 302 pagina’s is lang niet het dikste deel uit de serie.

De tijdspanne van de brieven is de periode 1484 – 1500. Wij worden in een voorwoord meteen even gewaarschuwd voor de stijlfiguur van de overdrijving en dat is niets teveel gezegd. Erasmus heeft talloze ‘geliefde broeders’ en de ene vriend is nog dierbaarder dan de ander. Het went snel. Het zijn geen spontane, maar weldoordachte, goed uitgewerkte en zorgvuldig geformuleerde brieven die we te lezen krijgen. Erasmus hechtte zeer aan de kunst van de retoriek en die is nu eenmaal bedoeld om mensen, op welsprekende wijze, te overtuigen iets te doen of te laten.

Is het daarmee wellicht niet een tikje saai? Welnee, ik heb zeer geboeid zitten lezen. Het helpt wel om wat voorkennis te hebben, bijvoorbeeld door het lezen van een biografie met een goede tijdtafel. Omdat het een brievenboek is, ontkom je niet aan versnipperde gebeurtenissen, het is geen vloeiend lopend verhaal. Wat hierbij prima helpt is dat, telkens als Erasmus schrijft aan een persoon, deze persoon en de context in een korte inleiding worden toegelicht. Ben je bij brief nummer zoveel even vergeten wie die persoon ook al weer was, dan staat achterin het boek nog eens een personenregister mèt beschrijving van de desbetreffende persoon. Zeer handig.

Dan de brieven zelf. Ik heb talloze aantekeningen gemaakt waaruit ik zou kunnen citeren, maar zal ten behoeve van de leesbaarheid mij trachten te beperken. Allereerst vind ik het mooi dat door zo’n boek historische figuren gaan leven. Ze maken, net als ieder ander, ook alledaagse dingen mee, zoals in het mooie verhaal wanneer Erasmus tips geeft aan het dienstmeisje om haar gewelddadige bazin van het lijf te houden;

Toen ze vroeg wat ik haar dan aanraadde zei ik; ‘Wanneer zij je weer aanvalt, trek je haar dadelijk haar pruik af…en als je dat gedaan hebt, vlieg je haar in de haren.’ Ik meende dat wat ik voor de grap zei, ook als grap zou worden beschouwd.

Dat liep wat anders maar hij komt er mee weg. Het is aanvankelijk even wennen aan de stijl van die tijd en wanneer het ernst is of scherts. Soms denk je dat Erasmus aardig van leer trekt tegen zijn vrienden;

Ik heb al sinds lang mijn pijlen gepunt, mijn spiesen gereedgemaakt; ik zal je een uitdaging tot de strijd sturen die zuurder is dan welke azijn ook en daarna rest je niets anders dan een balk te zoeken om je op te hangen…

Dat gaat nog even zo door tot hij aangeeft genoeg geschertst te hebben. Uiteraard zijn er ook veel brieven bij die gaan over zijn vak, de theologie en het humanisme. Zo is er een belangrijke en interessante briefwisseling met John Colet (1467 – 1519), de humanist en deken van de St. Paul’s in Londen. Hij verschilt met Colet van mening over de uitspraken van Jezus aan het kruis, waarin Jezus vraagt de kelk aan hem voorbij te laten gaan, maar dat niet zijn wil, maar God’s wil geschiedde. Colet ziet hierin het verdriet van Jezus om het Joodse lot, waarin de Joden verantwoordelijk worden gehouden voor de dood van Jezus. Erasmus ziet hierin een menselijke angst voor de dood, maar ook het besef van de noodzaak daarvan. Hij beziet dit van alle kanten legt het Colet uit;

Niemand – hoe levenslustig ook – verlangde zozeer te leven als Hij verlangde te sterven…Hoe rijm je dat, zeg je, vurig de dood te wensen en die tegelijk te vrezen? Eenzelfde ziel kan heel goed in de verschillende organen verschillende gevoelens hebben, vooral bij Christus….Daar waar de ziel van Jezus het dichtst bij de lichamelijke zintuigen was, ervoer hij smartelijke gevoelens; daar waar hij het dichtst stond bij zijn goddelijke natuur, verlangde hij met een onuitsprekelijke vreugde.

Het is uitermate boeiend om Erasmus zijn denkbeelden zelf uit te horen leggen aan een ander. Aan de andere kant is het net zo leuk om een beeld te krijgen van het alledaagse leven in de Renaissance. Erasmus reist veel en dat is niet ongevaarlijk in die tijd. Hij schrijft over een hachelijk avontuur op weg naar Parijs, waarin hij verwachtte beroofd te worden in een herberg;

Intussen zitten wij als twee offerdieren te wachten op de offeraar…Even later treedt die brave kerel binnen alsof hij van de prins geen kwaad weet; ik sla de man nauwlettend gade. Hoe scherper ik hem bekijk, hoe duidelijker ik zie dat ik met een rover te doen heb.

De brieven leveren een veelheid aan onderwerpen op. Erasmus kent zijn klassieken en strooit met citaten uit de literatuur van de grote schrijvers uit het verleden. Die worden toegelicht in noten die, en wat een verademing is dat, onderaan de pagina staan, wat dus een hoop geblader scheelt. Die noten zijn van belang, omdat we nu vaak niet meer snappen wat er bedoeld wordt;

“Jij bent jaloers op hem, denk ik, omdat jij begonnen bent Mercurius en Janus te vereren in plaats van Apollo en de negen zusters.”

Daar kan je overheen lezen, maar in een noot wordt uitgelegd dat Mercurius de god van de handel is en Janus van de beginnende ondernemingen. De zusters van Apollo zijn de muzen. Erasmus bedoelt dus: “omdat jij kiest voor de commercie in plaats van de kunst.”

Het zijn 141 brieven, van Erasmus en aan Erasmus geschreven, soms door Erasmus geschreven voor een vriend aan iemand anders, maar er staan ook brieven in die niet aan of van Erasmus zijn. Uiteraard gaan die brieven wel over hem en zo krijg je, ondanks een versnippering van onderwerpen toch een goed beeld van de man in zijn tijd. Gelukkig kan ik met 19 delen nog even vooruit.

Vertaling; M.J. Steens

9059360958.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik ken de Duitse Ingo Metzmacher als dirigent van de ‘modernere’ klassieke muziek. Wie is er bang voor nieuwe klanken? gaat over zijn persoonlijke belevenissen rondom die muziek, naast een aantal portretten van componisten die voor hem een grote rol spelen. Dat zijn componisten als Mahler, Stravinsky, Messiaen, Schönberg, Cage en Hartmann.

Nu vind ik dat je over moderne klassieke muziek nooit genoeg kan lezen. Het is muziek die ik heb leren waarderen juist door erover te lezen en door het veelvuldig te luisteren, dus ik was benieuwd naar dit boek. Welnu, dat viel een tikje tegen. Waar de pianist Alfred Brendel zeer boeiend over muziek kan vertellen beheerst Metzmacher dat métier iets minder. Dat zit hem vooral in de verbindende stukken tussen de componistenportretten met de titels, Tijd, Kleur, Natuur, Geluiden, Stilte, Bekentenis en Spel. Metzmacher weidt uit over die begrippen en betrekt ze op de muziek, maar hij neemt altijd een lange aanloop, zoals wanneer hij over ‘Kleur’ begint;

Om te begrijpen wat kleur is en wat ze betekent, hoef je maar een ogenblik je ogen te sluiten en je voor te stellen niets anders te zien dan tinten tussen zwart en wit. Het zou afgrijselijk zijn, troosteloos zelfs, als je er goed over nadenkt. Het zou overkomen als de keerzijde van het leven, als het schaduwspel ervan.

Nou, nou. Dan zijn we nog maar drie regels ver in een hoofdstukje van vijf pagina’s. De componistenportretten brachten mij niet echt iets nieuws, hoewel iemand’s visie op hun werk, en zeker van iemand uit de praktijk, altijd interessant is. Metzmacher pakt vaak een paar stukken en bespreekt ze soms wel erg minutieus. Wil je dat volgen dan moet je het stuk opzetten, boek erbij en om de haverklap even stoppen om bij te lezen. Zeker als hij Messiaen’s werk ‘Réveil des Oiseaux’ bespreekt, waarvan de muziek uitsluitend uit vogelzang bestaat;

In die stilte roept de steenuil, driemaal, op een eenzame viool. Een draaihals antwoordt met pedaal, licht nasaal. De steenuil probeert het weer, maar zonder succes. Een Ceti’s zanger komt tussenbeide, lichtelijk geïrriteerd, met de felle kleur van de es-klarinet. De boomleeuwerik zingt zijn zoete lied op de piccolo, de merel kwettert nerveus op een celesta. Nachtzwaluwen zoemen op strijkerstrillers, de xylofoon geeft ons de kwieke tjiftjaf, het roodborstje wordt wakker.

U merkt, dat is behoorlijk aanpoten. Toch laat hij mij gelukkig vaak muziekstukken opzoeken door zijn enthousiasme, zoals het surrealistische stuk van John Cage met de titel ‘Water Music’. Het is een werk waarbij een radio wordt aangezet, de muzikant af en toe een akkoord aanslaat op de piano, met een eendenfluitje in het water blaast, een pak kaarten verdeelt over de snaren in de piano, sirenes aanzet enzovoort. Dat lijkt overbodig gedoe maar ik vind het zeer nodig en leuk.

Diezelfde John Cage geeft Metzmacher vriendelijk advies over hoe hij het beste de muziek van Erik Satie kan spelen en dat zijn de verhalen die mij het meest aanspreken. Even een kijkje in de keuken van de praktijk. Ook als Metzmachter de Vijfde Mahler-symfonie dirigeert blijkt dat niet zo eenvoudig;

Met het adagietto, dat beroemde liefdeslied. En een finale die in zijn overmoed niet wil eindigen. Ik herinner het me nog goed. Niet alles lukte. Niet alle stenen lagen goed op elkaar. Soms dacht ik: dit houd ik niet in het lood. Ik was aan het eind van mijn krachten.

En met die laatste zin gaat het vaak voor mij net een tikje over de top. In Chili begon het publiek ineens een vrijheidslied te zingen en dat zal best indrukwekkend geweest zijn, maar in een paar regels greep het hem diep aan, had hij knikkende knieën en snakte hij naar adem. Dat laat onverlet dat iedereen die iets meer thuis wil raken in de moderne klassieke muziek geen miskoop heeft aan dit boekje van 184 pagina’s, al is het maar om het weetje dat John Cage begon met een gebakschaal en een boek in zijn geprepareerde piano.

Vertaling; Anthony Fiumara

eaa32f00dcfc3c8593768445251444341587343_v5
Na het lezen van zijn Lof der Zotheid wilde ik meer weten over Erasmus, dus pakte ik De biografie van Erasmus erbij van de Belgische historicus Léon Halkin. Het is een boek van 376 pagina’s en al in 1987 uitgekomen, maar het leest prima weg en heeft mij aardig wat wijzer gemaakt. Het helpt dat er veelvuldig uit zijn weken wordt geciteerd om zijn ideeën toe te lichten.

Desiderius Erasmus, of Erasmus van Rotterdam, is in de gelijknamige plaats geboren en wordt er altijd mee geassocieerd, al is het maar door de brug, de universiteit en zijn standbeeld, maar hij heeft er maar een paar jaar gewoond. Zijn ouders overleden toen hij jong was en hij ging naar de parochieschool in Gouda. In Deventer leerde hij Latijn, de taal die hij zijn hele leven zou gebruiken. Ook zou hij Grieks leren. Onder druk van zijn voogden deed hij zijn intrede in het klooster in Gouda maar dat is hem te benauwend. Hij vertrekt naar Kamerijk, als secretaris van de bisschop. Hij heeft zijn priesterwijding dan al gehad.

Vervolgens begint hij aan de Sorbonne in Parijs een theologiestudie. Hij maakt een reis naar Londen en ontmoet daar Thomas More, de Engelse humanist en latere staatsman, met wie hij altijd bevriend zou blijven. Terug in Parijs wordt zijn eerste werk gedrukt, de Adagia. Het is een verzameling van Griekse en Latijnse spreuken van de grote klassieke schrijvers.

Het humanisme, een aan Cicero ontleend concept waarin “menselijkheid” centraal staat, wordt leidend voor het werk van Erasmus. Vanuit die benadering beziet en bekritiseert hij ook het geloof. Hij is wars van dogma’s en rituelen en dan met name de uitwassen daarvan. Een voorbeeld zijn de pelgrimstochten naar bedevaartsoorden. Erasmus ontkent het sacrale karakter hiervan niet, maar wil dat ze hun oorspronkelijke betekenis en zuiverheid terugkrijgen, in plaats van louter reislust of een oervorm van toerisme opwekken.

Naast zijn eigen werk bereidt Erasmus kritische uitgaven voor van Latijnse auteurs en vertaalt hij werken van Cicero, Plutarchus, Horatio, Plautus en Seneca. Verder is hij een begaafd briefschrijver. Zijn brieven zijn toegankelijk en vaak geschreven met het oog op publicatie. Hij gaf ook eigen brieven uit in druk, maar had waarschijnlijk niet kunnen bedenken dat zijn totale correspondentie nog steeds verkrijgbaar zou zijn in de 21e eeuw. Onlangs is de uitgave van de integrale correspondentie voltooid, zoals hier te zien is.

Zijn werk wordt gelezen en doet er toe, en hij is er zich van bewust ook, zoals blijkt bij een verzoek om geld bij de moeder van een leerling van hem;

‘Je zult laten zien hoe ik door mijn wetenschap mevrouw meer tot eer zal strekken dan andere theologen die zij ondersteunt. Want die zeggen alledaagse dingen, maar ik schrijf onvergankelijke dingen. Die domme kletsers hoort men in de ene of andere kerk; mijn boeken zullen worden gelezen door de kenners van Latijn en Grieks, door alle volken op de hele aarde.’

Uiteindelijk behaalt Erasmus in Italië zijn doctorstitel. Hij blijft schrijven en brengt werken uit als het Handboekje van de Christensoldaat, maar ook zijn commentaren op het Nieuwe Testament. Vooral de laatste uitgave zorgt voor grote verontwaardiging aan de theologische faculteiten, omdat zijn tekstkritische werk wordt gezien als een ondermijning en aantasting van het geloof.

Beroemd is ook zijn controverse met die andere geloofscriticus, Luther. Aanvankelijk zijn ze het wel eens, maar voor Erasmus gaat Luther veel te voortvarend te werk. Erasmus blijft het instituut veel meer trouw dan Luther maar nog belangrijker; Erasmus gelooft in de vrije wil, waar Luther betoogde dat God al had beschikt over het heil van de mens. Een zwarter mensbeeld dan waar Erasmus in geloofde.

Een andere pijler van Erasmus’ gedachtegoed is het pacifisme. Daar hangt het kernthema van zijn zedenleer aan vast, namelijk het thema van eendracht. Hij denkt groot, maar vertaalt die gedachte door, dus hij verlangt niets meer of minder dan eendracht tussen volken, kerken, theologische scholen, maar ook tussen vrienden en echtelieden.

Erasmus trouwt nooit en is een onvermoeibare werker. Hij heeft wel lichamelijke klachten als nierstenen, maar dat weerhoudt hem nooit van zijn reizen of van zijn werk. Door zijn kritiek wordt hij vaak aangevallen in geschriften en in de regel reageert hij daar met humor of met ironie op, maar soms geeft hij toe aan zijn verbittering en verweert zich fel;

‘Zolang men mij niets goddeloos te verwijten heeft, sta ik niemand toe mij voor goddeloos uit te schelden…De woorden van sommigen van u zijn mij niet ontgaan: “Als wij eerst Luther te gronde hebben gericht, dan pakken wij Erasmus aan”…Terwijl ik op aanwijzing van de keizer, de paus en andere vorsten…de strijd met Luther heb aangebonden. De inspanningen die ik onder gevaren op mij heb genomen, hebben de vijand verzwakt. En dan valt u mij meteen midden in het gevecht in de rug aan. Wat doet u toch? Misgunt u de kerk soms de overwinning? Wilt u de vijand te hulp snellen?’

Als Erasmus ouder wordt en zijn einde voelt naderen sluipt er in het boek wat drama, waar het verhaal tot nu toe vrij feitelijk was;

In de stilte van de ouderdom doorleeft Erasmus nog eenmaal voorbije dagen, zijn nogal trieste jeugd, de vroege dood van zijn ouders en de vurige hartstocht van zijn jongelingsjaren…Weemoedig leest Erasmus de brieven van zijn weinige trouwe vrienden nog eens door.

Hij overlijdt uiteindelijk in Bazel waar zijn grafsteen nog steeds in De Munster, de voornaamste kerk daar, te bezichtigen is.

Het is een informatieve biografie, die hoewel wat gedateerd, een prima overzicht geeft van leven en werk van Erasmus. Niet altijd chronologisch verteld, maar daar helpt de tijdtafel achter in het boek bij. Soms viel mij een herhaling van zetten op, zoals in welke geschriften Erasmus allemaal voortleeft. Dat wordt een aantal maal herhaald en had wat zorgvuldiger geredigeerd mogen worden. Verder ben ik wel benieuwd geworden naar zijn correspondentie, waaruit veel geciteerd is.

902536800X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Lof der Zotheid van Desiderius Erasmus is een beroemd werk en was eigenlijk niet eens voor publicatie bedoeld. Erasmus kwam op het idee tijdens een tocht over de Alpen, terwijl hij dacht aan het weerzien met zijn vriend, de humanist en filosoof Thomas More. ‘More’ werd ‘Moria’, wat in het Grieks ‘zotheid of dwaasheid’ betekent. Dit leidde uiteindelijk tot een grote lofrede van de godin Zotheid op zichzelf, waarin zij haar algemene weldaden uitvoerig prijst. 

In het eerste deel presenteert de godin Zotheid of de Dwaasheid zichzelf (waarom we verder Dwaasheid gebruiken legt de vertaler uit in zijn nawoord). Hoewel de lofrede bol staat van de satire geeft ze aan dat ze meer op vermaak dan op agressie uit is. Ze stelt haar dienaressen voor, zoals daar zijn Vleierij, Eigenliefde, Vergetelheid en Laksheid. Ze betoogt dat de wereld maar moeilijk zonder haar kan en dat uit zich op allerlei manieren. Zij neemt al snel de vrouw bij de kladden en stelt deze voor als dwaas. Voordat er dames op de achterste benen gaan staan, de godin nuanceert meteen;

Aan de andere kant lijkt de vrouwelijke sekse mij ook weer niet zo dwaas dat ze kwaad op mij zouden worden omdat ik ze dwaasheid toeschrijf; tenslotte ben ik zelf ook een vrouw én Dwaasheid.

Dat toont meteen het slimme aan van deze lofrede. Erasmus, of de godin, kan kritiek leveren of satire bedrijven met wie of wat hij of zij maar wil, want wie spreekt hier nu? En die kritiek is niet van de lucht, want dwaasheid, op zich al een ruim begrip, is overal te vinden. Ze mag graag de tegenstelling zoeken en de strijd aangaan met de Wijsheid. Ze betoogt dat zogenaamde wijzen als Diogenes, Xenocrates, vader en zoon Cato, Cassius en Brutus allemaal de hand aan zichzelf sloegen en dat dit de mensheid niet vooruit helpt;

U ziet wel wat er gaat gebeuren als overal de mensen wijs zouden zijn: dan hebben we weer klei nodig en nog zo’n pottenbakker als Prometheus.

Waarbij Prometheus een Titaan was die de mensheid uit klei gevormd zou hebben. Erasmus kan als criticaster van het christelijk geloof volop zijn ei kwijt in dit werk. Hij geloofde sterk in de naastenliefde maar was wars van dogmatiek. Dwaasheid zegt dan ook;

Zo’n koopman of soldaat of rechter bijvoorbeeld denkt dat hij door één muntje uit zijn enorme buit weg te geven het hele moeras van het leven in één klap heeft drooggelegd en is van mening dat al zijn meineden, al zijn liederlijkheden, al zijn dronkenschappen, al zijn vechtpartijen, al zijn moorden…door een soort contract zijn afgekocht…

Hiervan weten we dus dat Erasmus zijn mening laat doorklinken in de satire. Verder gaat hij los op schoolmeesters, dichters, geleerden en filosofen. Vooral die laatsten beschrijft hij op hilarische wijze. Uiteraard staat Dwaasheid lang stil bij koningen, hovelingen en religieuzen als de paus en zijn bisschoppen. Ook worden haar loftuitingen onderbouwd met passages uit de heilige schrift, dus u weet in één klap waar het woord ‘dwaas’ zoal voorkomt in de Bijbel. Dat gaat nog best ver;

En dat mag ons niet bevreemden, wanneer de heilige Paulus zelfs aan God enige dwaasheid toeschrijft: ‘Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen’, zegt hij.

Koren op de molen van de godin Dwaasheid dus en ze gaat nog even door. Jezus heeft nu eenmaal meer op met dwazen en dat geldt ook voor de dieren waar hij mee omgaat. Hij rijdt immers op een ezel Jeruzalem binnen, waar hij ook een leeuw had kunnen gebruiken. Zijn uitverkorenen zijn ‘schaapjes’, terwijl dat toch het domste dier is dat er bestaat, aldus Dwaasheid.

De lofrede is een geestig en soms scherp verhaal waar veel in zit. Het is geen lang verhaal, ruim 100 pagina’s, maar als je het goed wil lezen kost het wat werk. Er staat een uitgebreid notenapparaat achter in het boek én een namenregister. Dat is erg nodig, want Erasmus, of de godin Dwaasheid zo u wil, is niet van de straat en strooit met namen uit de klassieke oudheid. Dus als u niet direct weet wie Chrysippus en Didymus zijn én de noten wil lezen, bladert u aardig wat heen en weer.

Tot slot een opmerking over de vertaling. In een stuk over tegenstellingen kwam ik de volgende zinsnede tegen;

wie daarnet een vrouw was, is nu een man; wie daarnet een jongen was, nu een bejaarde; wie zojuist een koning was, is plotseling Van Dam;

Van Dam? Zo zal Erasmus het niet opgeschreven hebben. Als ik de tekst nakijk op de Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren (Dbnl), zie ik dat daar stond

de vrouw van zoo aanstonds b.v. zou een man worden: de jongeling een grijsaard: iemand nog pas te voren een koning eensklaps een gemeene kerel

Een grapje van de vertaler? Geen idee, maar ik heb liever dat een vertaler bij de tekst blijft. De vertaling van Dirkzwager/Nielson geeft hier het woord ‘spitsboef’ aan, de vertaling van Petty Bange lost het op met “Dama”. Bange vertaalt deze naam verder niet maar het licht hem toe in een noot.

Vraagtekens had ik ook bij dit deel;

En zo rust deze geïnspireerde interpreet de apostelen uit met speren, katapulten, projectielen en pistolen en laat ze optrekken om het kruis te prediken.

Een apostel met een pistool had ik weinig voorstelling bij en hier bood Dbnl ook uitkomst. Daar staat;

En zoo laat die vertolker van de goddelijke wijsheid de apostelen met lansen, schietwerktuigen, slingers en bomharden uittrekken, om den gekruisigde te prediken.

Nu zal “bomharden” wel “bombarden” zijn, wat een voorloper van het kanon was en hoewel het pistool nog tijdens Erasmus’ leven was uitgevonden zie ik niet precies van waaruit dit vertaald is. Petty Bange vertaalt het in ieder geval met “kanonnen”. Dank aan Danny Habets voor de hulp in deze twee vertaalkwesties.

Dit alles neemt niet weg dat ik dit een prachtwerk vind waar ik langer mee bezig was dan vooraf gedacht en dat is alleen maar prima. Ik ga mij wat meer met Erasmus bezig houden.

Vertaling; Harm-Jan van Dam

9044535226.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
M-Train van singer-songwriter Patti Smith kocht ik ooit in een opwelling, na het lezen van een positieve recensie. Het is het vervolg op Smith’s memoires Just Kids, waarvan het wellicht logischer is om dat eerst te lezen.

Dat deed ik niet en het maakt ook niet uit. Smith beschrijft dit boek als “a roadmap to my life” en het bevat overpeinzingen over de wereld zoals hij is en zoals hij was. Dat levert een onderhoudend boek op van 250 pagina’s, inclusief de door Smith gemaakte foto’s.

Haar gedachten waaieren alle kanten uit, maar een constante zijn haar bezoeken aan de café’s, het liefst met een vaste tafel, om veel koffie te drinken met toast en olijfolie. Daar denkt ze na over haar bezoek aan Frans Guyana en de strafkolonie waarover de Franse schrijver Jean Genet heeft geschreven. Hem zullen we later nog tegenkomen. Ze denkt aan haar lidmaatschap van de Continentale Drift Club, een genootschap waarvan de leden trouw hebben beloofd aan de bestendiging der herinnering, vooral wat betreft Alfred Wegener, die baanbrekend werk heeft verricht over de theorie van de continentale drift. Ze maakt diverse reizen voor die club en ontmoet zo Bobby Fischer, de schaaklegende.

Ik houd van de muziek van Patti Smith, maar die komt, los van een melding dat ze op tournee is, verder niet voor. Daarom was de volgende passage een verrassing;

Plotseling herinnerde ik me dat Fred ooit een kleine draagbare platenspeler had ontdekt in een kast van een huisje dat we hadden gehuurd in noordelijk Michigan. Toen hij hem openmaakte, lag er een single op de draaitafel. Het was ‘Radar Love’, een telepathisch liefdeslied van Golden Earring dat leek te spreken over onze langeafstandsrelatie en de elektrische draad die ons steeds weer bij elkaar bracht. Het was de enige aanwezige plaat, en we draaiden hem steeds opnieuw.

Die Fred was Fred ‘Sonic’ Smith, de man die ze al in 1994 door een hartinfarct zou verliezen, maar die in het hele boek een rol speelt. Patti Smith’s gedachten gaan moeiteloos van Goethe en Schiller naar de schrijver Haruki Murakami en zijn boek De Opwindvogelkronieken. Ik ken het boek niet maar ze raakt geobsedeerd door een gebouw in dat verhaal, het Miyawakihuis.

Er staan ook praktischer zaken in het boek. Ze koopt een huis aan zee omdat ze van de omgeving houdt met die meterslange boardwalk. Dan komt de storm Sandy en raakt haar huis zwaar beschadigd. De boardwalk, het café van haar vriend Zak en de spoorweg worden verwoest;

Ik voelde Fred in de huilende wind, vechtend voor zijn leven. Een grote tak brak van onze eik af en viel dwars over de oprit, een bericht van hem, mijn zwijgzame man.

Herinneringen, dromen en werkelijkheid lopen door elkaar heen in de verhalen. Smith is veel met de dood bezig. Door haar man, maar ook op haar reizen. In Japan bezoekt ze de graven van de schrijver Ryūnosuke Akutagawa (1892-1927) en de cineasten Akira Kurosawa (1910-1998) en Yasujiro Ozu (1903-1963). In Mexico bezoekt ze het huis annex museum van de schilderes Frida Kahlo (1907-1954) waar ze onwel wordt en mag uitrusten in het bed van Frida’s man Diego.

Het graf van Sylvia Plath word bezocht en als ze in Marokko is ook dat van Jean Genet. Nu zoek ik vaak wat na als ik een boek lees dus weet ik dat van Genet een nieuwe vertaling is verschenen van zijn Dagboek van een dief, dus die gaat op de wensenlijst. Leuker vind ik de overeenkomst tussen de opera “Le Balcon” van Péter Eötvös en het popnummer “The Jean Genie” van David Bowie; beiden hebben Jean Genet als basis. Met dank aan Patti Smith voor de verwijzing.

Smith is een fan van crime series en kijkt die regelmatig op haar hotelkamer of in het vliegtuig. Ik ben niet echt fan van haar beschrijvingen van die series maar het boeit haar en ze heeft zelfs een rol weten te bemachtigen in de serie Law and Order in 2011.

Omdat haar gedachten eigenlijk alle kanten uitwaaierden vroeg ik mij eigenlijk af waar ik het in deze bespreking over ging hebben. Ik waaierde eigenlijk gewoon mee.

Vertaling; Ton Heuvelmans

 

9023485955.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het zijn geen vrolijke verhalen in de bundel Gedichten van Yahya Hassan. Hassan was een Deens-Palestijnse dichter, zoon van Palestijnse ouders die via een Libanees vluchtelingenkamp naar Denemarken kwamen. Was, want hij overleed dit jaar op 24-jarige leeftijd. Hassan groeide op in een groot gezin in een achterstandswijk in Aarhus. Zoals zovelen daar was hij een probleemjongere. Hij kwam in aanraking met drugs en criminaliteit en bracht veel tijd door in jeugdinternaten.

Hij zette zich af tegen het geloof en de mores die hem werden opgelegd vanuit dat geloof. Omdat hij merkte dat hij over schrijftalent beschikte, schreef hij gedichten waarin hij zijn leven van zich afschreef, in hoofdletters:

ALS JE NIET OPHOUDT JE BROERTJES EN ZUSJES TE PLAGEN
VERBRAND IK JE
ZEI MOEDER MET VADERS AANSTEKER IN DE LUCHT

En dat was moeder nog maar. Vader was nog een slag erger. Hij was wreed in naam van zijn geloof en dat geloof is verstikkend. Hassan vertelt onverbloemd hoe het is;

DE MAN MET DE LANGSTE BAARD
BEGINT HET GEBED MET ALLAHU AKBAR
EN ZO SCHIJT IK IN MIJN BROEK IN NAAM VAN GOD

Fanatieke moslims, die hij steevast ‘theedoeken’ noemt, sturen hem doodsbedreigingen door dit soort teksten en hij wordt streng beveiligd. Hassan was auteur, maar bleef onder invloed van drugs en geweld. Zijn tweede bundel verscheen eind 2019 (en zal ergens in september in de Nederlandse vertaling verschijnen), maar toen zat hij al weer in een psychiatrische kliniek.

Zijn aanvaringen met de politie, het opkomen voor zijn broers en neven, de haat tegen zijn ouders, het komt in sneltreinvaart voorbij. Ook de nieuwe vrouw van zijn vader ontkomt niet aan zijn pen;

ZE KEEK TV EN ROOKTE LANGE SIGARETTEN
EN BESPUWDE MIJN MOEDER IN DE SUPERMARKT
OP EEN DAG LAG ZE DAAR MET ZIJN INSULINESPUIT IN HAAR NEK
IK GAF HAAR EEN TRAP EN BELDE DE EIGENAAR

Waar zijn taal meestal hard en direct is, komen soms mooie zinnen om de hoek kijken;

IK WILDE JULLIE GELUK IN DE BOMEN HANGEN
MAAR IK HING HET IN DE STROP IK SLIKTE DE SINTELS IN

Zo heeft Hassan twee kanten in zich en was hij zich daar ook van bewust. In zijn laatste gedicht in deze bundel, MEGAGEDICHT, komt alles uit zijn vorige gedichten samen. Het is dan ook een gedicht van ruim 30 pagina’s, waarin hij fulmineert tegen alles en iedereen, maar waar hij begint met die dubbele persoonlijkheid van hem;

DE ENE DAG
IK BEN EEN GEZONDE EN GOEDGEÏNTEGREERDE DICHTER
MIJ IK SCHRIJF EEN MAIL NAAR LARS SKINNEBACH
NAAR PABLO LLAMBIAS NAAR SIMON PASTERNAK
DE VOLGENDE DAG IK MOET VOORKOMEN VOOR AUTODIEFSTAL
VOOR STRAATROOF VOOR INBRAAK

Bij sommige dichters helpt het als je ze een keer hebt horen voordragen. Dat vind ik belangrijk bij Jules Deelder (hoewel van een heel andere orde) maar dat vind ik ook bij Yahya Hassan. Hij draagt zijn werk monotoon, bijna bezwerend voor en daarom voeg ik onderstaand filmpje toe van zijn optreden in Nederland in 2014. Bekijk het eens voordat u aan deze indrukwekkende bundel begint. Ik heb geen officiële doodsoorzaak kunnen vinden, maar waarschijnlijk heeft Hassan hierin zelf zijn keuze gemaakt. Een oneindig triest verhaal natuurlijk.

Vertaling; Lammie Post-Oostenbrink