904501677X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Goethe en Schiller, het verhaal van een vriendschap kon door niemand anders geschreven zijn dan door Rüdiger Safranski, de biograaf van beide heren. Hoewel dit boek van 311 pagina’s veel biografische elementen bevat en ik het voor het gemak als zodanig rubriceer, ís het geen biografie. Het gaat om de vriendschap tussen Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich von Schiller en hun relatie tot elkaar.

Goethe was tien jaar ouder dan Schiller en aanvankelijk waren ze concurrenten. Goethe voelde zich in het nauw gedreven door de roem van Schiller en Schiller op zijn beurt zag in Goethe een ‘trotse preutse dame, bij wie je een kind moest maken om haar tegenover de wereld deemoed bij te brengen.’ Toch zullen ze goede vrienden worden en die vriendschap zal duren van 1794 tot aan Schillers dood in 1805. Dit boek gaat met name over de temperamenten en karaktertrekken van de mannen en hoe deze bij beiden resulteerde in een toename van hun creatieve krachten.

Goethe was dus al een fenomeen. Hij had zijn Werther geschreven, zijn toneelstuk Götz von Berlichingen en ook als wetenschapper timmerde hij aan de weg door zijn ontdekking van het tussenkaaksbeen. Schiller was een aanstormend talent die furore maakte met zijn toneelwerk Die Räuber. Hij is zeer productief in de jaren 1785-1787, waarin hij de Philosophische Briefe schrijft, het toneelstuk Don Karlos én het beroemde gedicht ‘Ode an die Freude’, wat Beethoven zou gebruiken in de finale van zijn negende symfonie. Na een valse start gaan Schiller en Goethe elkaar ontmoeten en ze waarderen elkaars talent. Zo schreef Goethe wel eens wat voor Die Horen, het tijdschriftproject van Schiller, maar Schiller wilde hem er nauwer bij betrekken en zei tegen zijn uitgever;

‘Een man als Goethe. Die hoogstens eens in de paar honderd jaar leeft, is een te kostbare acquisitie om daar niet de prijs, hoe hoog ook, voor te betalen.’

Waarom werkte het nu zo goed tussen Goethe en Schiller? Dat wordt uitgebreid uitgelegd door Safranski aan de hand van geschriften en ik merkte dat ik hier toch echt mijn aandacht wel even bij moest houden. Je leest er niet even snel doorheen, maar het is de moeite waard. Zo schrijft Schiller aan zijn vriend de jurist Christian Gottfried Körner;

‘Op het eerste gezicht lijkt er weliswaar geen grotere tegenstelling te kunnen bestaan dan die tussen de speculatieve geest, die van de eenheid, en de intuïtieve geest, die van de verscheidenheid uitgaat. Maar als de eerste met zuivere en trouwe bedoelingen de ervaring zoekt, en de laatste met zelfwerkzame vrije denkkracht de wet, dan kan het haast niet uitblijven of ze zullen elkaar ergens halverwege ontmoeten.’ Maar daaraan moet dan wel worden toegevoegd dat eenieder zijn werk op ‘geniale’ wijze moet doen, de een als gevoels-, de ander als begripsmens.

Goethe laat zich dus door intuïtie leiden en Schiller speculeert, gaat uit van algemene begrippen en ideeën voordat hij tot de kern komt. Vraagstukken worden zo vanuit verschillende richtingen benaderd waardoor hun beider kennis toeneemt en versterkt wordt. Goethe gaat zelfs zover dat ‘hij opmerkt dat Schiller hem van de al te strikte waarneming heeft afgehaald en hem geleerd heeft de veelzijdigheid van de innerlijke mens eerlijker gade te slaan,’ waardoor hij hem een tweede jeugd heeft bezorgd en weer een dichter van hem heeft gemaakt.

Het boek staat wel vol met zinsneden als de voorgaande en dat noopt wel tot aandachtig lezen. Maar dat loont en daardoor heb ik talloze aantekeningen gemaakt. Zo is het leuk om te lezen dat deze literaire grootheden vlak bij elkaar in Weimar kwamen te wonen en dus ook gewoon hun huiselijke beslommeringen hadden. Ze kwamen vaak bij elkaar over de vloer en namen geschenken voor elkaar of voor hun kinderen mee. Goethe moest er bij een bezoek aan Schiller altijd even in komen. Hij begon wat stilletjes, pakte een boek of tekende wat, maar speelde af en toe ook met de kinderen als die om hem heen hingen. Vroeg of laat komen de gesprekken dan op gang en gaat het over hen werk. Ze startten ook samen een werk op, een polemiek onder de titel Xenien. Op het hoogtepunt van de Xenien-strijd werken ze beiden ook aan eigen werken. Goethe aan zijn grote gedicht Hermann und Dorothea en Schiller aan zijn drama-trilogie Wallenstein. Vooral Goethe vordert gestaag en Schiller schrijft daarover aan schilder en kunstschrijver Johann Heinrich Meyer ;

‘Terwijl wij…dingen moeizaam moeten verzamelen en uitproberen om stukje bij beetje iets vrij behoorlijks voor elkaar te krijgen, hoeft hij alleen maar zachtjes aan de boom te schudden en de mooiste vruchten, rijp en zwaar, vallen hem in de schoot.’

Zo veranderde hun relatie af en toe wel, vaak gevoed door een creatieve impasse bij een van de twee, maar ergens vond iemand altijd de vonk weer terug en hun vriendschap bleef overeind. Schiller worstelde vaak met zijn gezondheid maar hij blijft zo goed als hij kan schrijven én Goethe van advies voorzien. Zo vraagt Goethe hem om gericht advies over hoe om te gaan met alexandrijnen, de versmaat van de klassieke Franse tragedie;

‘De eigenschap van de alexandrijn,’ schrijft Schiller, ‘om in twee gelijke helften uiteen te vallen en de aard van het rijm om uit twee alexandrijnen een couplet te maken, zijn niet alleen allesbepalend voor de taal, maar ook voor de diepere geest van de stukken, voor de karakters, de mentaliteit en het gedrag van de personages…’

Hij legt het nog verder uit, maar het zijn lessen uit de eerste hand. Het is frappant om te lezen dat Schiller zich heel bewust was van hun vriendschap en dat deze niet alleen een ‘gelukkige’ maar ook een ‘publieke’ gebeurtenis was, waar men toen in de intellectuele wereld aan deelnam en dat hij zelfs vermoedde dat zij geschiedenis zou maken.

Dat laatste klopte. Goethe zou zijn vriend met zo’n 27 jaar overleven, maar er wordt nog steeds over hen geschreven, ze hebben een gezamenlijk standbeeld dat op de voorkant van dit boek staat en ook hun briefwisseling is beschikbaar. Daar ga ik mij nu in verdiepen want dit boek is dermate interessant (en dat vond ik van de Goethe-biografie van Safranski ook) dat ik graag nog even in die wereld verblijf.

Vertaling; Mark Wildschut

666767699
Gesprekken met Goethe is het beroemde boek dat Johann Peter Eckermann schreef over de gesprekken die hij voerde met de Duitse schrijver, dichter, wetenschapper en staatsman Johann Wolfgang von Goethe. In 1821 stuurde Eckermann zijn poëziedebuut al eens naar Goethe, maar daar vernam hij niks op. Twee jaar later lukte het hem wel om contact te leggen en dat beviel blijkbaar zo goed dat hij over de vloer bij Goethe mocht blijven komen en vele gesprekken met hem voerde. Die zijn in dit boek opgetekend.

Als Eckermann op bezoek gaat bij Goethe bewijzen de programma’s van Boudewijn Büch (die ook het nawoord in dit boek verzorgde) hun waarde. Ik kan mij een goede voorstelling van het huis en de verschillende vertrekken maken en dat leest prettig. Eckermann is groot fan van Goethe en dat laat hij ook blijken;

Ik voel dat ik door Goethe’s woorden een paar jaar verstandiger ben geworden en verder ben gekomen en ik bespeur diep in mijn ziel welk geluk het betekent en wat het wil zeggen als men een ware meester ontmoet.

Ik was even bang dat het een dweepziek boek zou worden zo, maar dat viel reuze mee, ik kom er op terug. Het fascinerende aan dit boek vind ik de directe toegang tot Goethe; wat de man dacht en hoe hij te werk ging. Zo licht hij toe hoe hij te werk ging bij Faust, één van zijn grote werken;

‘Wanneer ik me niet mijn leven lang met de beeldende kunst had bezig gehouden,’ zei Goethe, ‘zou het me niet mogelijk zijn geweest. Het was echter wel lastig me tegenover zo’n overvloed te matigen en alle figuren erbuiten te houden die niet bij mijn opzet pasten. Zo heb ik bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van de minotaurus, van de harpijen en van enkele andere monsters.’

Zo zien we Goethe de schrijver en dichter maar maken we ook kennis met hem als wetenschapper. Hij heeft het met Eckermann over zijn kleurenleer, die hij zelf zag als zijn grootste verdienste. Hoewel er op die leer genoeg valt af te dingen (Goethe zette zijn leer tegenover de theorie van Isaac Newton) was Goethe erg overtuigd van zijn gelijk. Hij vertelt dan ook onomwonden;

‘Om een nieuw tijdperk te kunnen inluiden…zijn er zoals bekend twee dingen nodig: ten eerste dat je een knappe kop bent en ten tweede dat je een grote erfenis krijgt. Napoleon erfde de Franse Revolutie, Frederik de Grote de Silezische Oorlog, Luther de duisternis van het papendom en mij is de dwaalleer van Newton ten deel gevallen.’

Last van valse bescheidenheid had hij in ieder geval niet. Eckermann is gelukkig niet alleen fan maar ook voldoende kritisch, want hij voert wat experimenten uit met Goethe’s leer en komt zowaar soms tot andere conclusies. Als hij het waagt die voor te leggen is Goethe daar niet onverdeeld blij mee en wijst het zelfs in eerste instantie zonder veel reden af;

‘…dat ik in mijn eeuw in de moeilijke wetenschap van de kleurenleer de enige ben die weet wat juist is, daar laat ik me op voorstaan en ik ben me bewust dat ik daarin superieur ben aan vele anderen.’

Daar kan Eckermann het even mee doen. Toch komt Goethe hier later op terug en stelt Eckermann in het gelijk. Zo laat dit boek ook een menselijke Goethe zien.

Temeer omdat Goethe soms wonderlijke uitspraken doet. Hij was zelf actief op talloze vlakken, maar verkondigt toch dat het voor een mens de grootste kunst is om zich te beperken. Ook debiteert hij ergens dat het mogelijk is om louter door wilskracht je de vliegende koorts van het lijf te houden. Ook hield Goethe zich bezig met de achterhaalde theorie van zijn vriend Lavater, de fysionomie, waarbij men de persoonlijkheid van iemand aan zijn uiterlijk wil aflezen.

Die merkwaardigheden daargelaten, is het een feest om dit boek te lezen. Het valt op dat Goethe vaak opgewekt en goed geluimd is en keer op keer met kopergravures, boeken en schilderijen komt die worden besproken. Als de heren een ritje in het rijtuig maken volgen er boeiende beschouwingen over het weer. Goethe laat ook van alles bij hem thuis afleveren en dat gaat er dan zo aan toe;

Intussen had de bediende Friedrich een grote kist uitgepakt die uit Parijs was aangekomen. Het was een zending van de beeldhouwer David, gipsafdrukken van portretten, bas-reliëfs, van zevenenvijftig beroemde personen. Friedrich bracht de afdrukken in verschillende schuifladen binnen en het was een zeer onderhoudende bezigheid, al die interessante persoonlijkheden te bekijken.

Verder waren er nog boeken en dichtbundels meegestuurd, waarbij de gedichten van Emile Deschamps weer aanleiding geven tot een gesprek over de invloed van Goethe op de jonge dichters in zijn tijd.

Eckermann gaat nog op reis met August von Goethe, Goethe’s zoon, naar Italië. August zou daar komen te overlijden. Eckermann keert terug en hervat zijn ontmoetingen en komt uiteindelijk overeen met Goethe dat hij hun gesprekken, na Goethe’s dood, op schrijft zou stellen. Dat deed hij uiteindelijk in drie delen, waarvan dit boek van een kleine 500 pagina’s de eerste twee delen integraal bevat.

Het boek leest geweldig door, hoewel er vaak naar de noten achterin gebladerd moet worden. Er staan wat foutjes in, waarvan drie fouten in drie zinnen op pagina 263 het meest storend waren. Verder is dit een absolute must voor iedereen die iets meer over Goethe wil weten.

Vertaling; Gerda Meijerink

873275a2abefe31597438426a67444341587343
Over De Goethe industrie van Boudewijn Büch kan ik eigenlijk vrij kort zijn. Het is een uitbreiding van zijn boek Goethe en geen einde, dat ik hiervoor besprak. Is het daarmee dan een overbodig boek? Niet echt. Büch schrijft dit boek niet in plaats van het vorige boek maar als uitbreiding. Hij verwijst er ook naar. Dat neemt niet weg dat er een aantal doublures in staan, maar er staat genoeg nieuwe stof in. Een voorbeeld, waar Büch eerder melding maakte dat er een kookboek bestaat in relatie tot Goethe, krijgt u nu een hele rij kookboeken voor de kiezen. Je kan er maar om verlegen zitten.

Er staan ook meer interessante feiten in het boek, zoals het feit dat onze staatsman Johan Rudolf Thorbecke Goethe gekend heeft én liefhebber van zijn werk was. Toeval bestaat niet, de biografieën van Goethe en Thorbecke staan in mijn kast gebroederlijk naast elkaar. Als ik in het personenregister van die van Thorbecke kijk (deze heb ik nog niet gelezen) komt Goethe er inderdaad veelvuldig in voor.

Het gaat ook over het oeuvre va Goethe zelf. Dat is zeer omvangrijk en Büch had het compleet op een vrij kostbare cd-rom, de Chadwyck-Healy-editie. Hij geeft wel aan dat Goethe’s oeuvre begin 2000 nog steeds uitermate verspreid uitgegeven wordt en dat er nog steeds geen integraal, laat staan wetenschappelijk verantwoord, volledig werk is uitgegeven.  Ik ben zelf ook wel eens op zoek gegaan naar zijn volledige werk, maar zeker in het Nederlands ken ik nog steeds geen integrale uitgave van Goethe’s werk.

Vooruit; nog even een voorbeeld van de eindeloze stroom wonderlijke boeken die in relatie tot Goethe worden uitgegeven, dat blijft de kern van dit boek. Wat dacht u van een boek met de titel Hier war Goethe nicht. Biographische Einzelheiten zu Goethes Abwesenheit. Zo is er ook een boek dat heet Jefferson und Goethe. Jefferson als in Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten. Kenden zij elkaar dan? Welnee, ze waren slechts synchrone tijdgenoten, maar ene Ekkehart Krippendorff zag kans er een boek vol over te schrijven.

Het helpt overigens wel als u de Duitse taal een beetje machtig bent, want er wordt ruimhartig door Büch geciteerd, soms tot hele krantenberichten aan toe, en dat wordt nergens vertaald. Het is mooi om te lezen dat Büch, in zijn enthousiasme, ook niet schroomt om Goethe even terecht te wijzen. Dat gebeurt als Goethe hoog opgeeft over de kathedraal van Straatsburg als “het grootste meesterwerk van de Duitse bouwkunst”. Büch;

Het is al vaker opgemerkt: hier slaat Goethe door, want toen men in 1015 met de bouw begon, was er nog helemaal geen sprake van de Duitse ‘bouwkunst’ maar van ‘gotisch’.

De auteur gaat in dit boek ook verder met de in het vorige boek geponeerde stelling dat Goethe voor allerlei karretjes gespannen werd. Zo ook door de voormalig leider van de DDR, Erich Honecker. Toen deze voorzitter was van de Freie Deutsche Jugend (FDJ), schreef hij een rede waarin Goethe vrijelijk gebruikt dan wel misbruikt werd;

Goethe was een voorstander van ‘de vooruitgang’ en hij ageerde tegen ‘volkerenhaat’,  Goethes invloed zou onafscheidelijk verbonden zijn met het ‘nationale bewustzijn’ en de Duitse jeugd zou er het beste aan doen voor Goethes ‘Geistergrösse’ te buigen. Kortom: platte retoriek.

Gevaarlijker is het als men hem voor de nationaal-socialistische kar wenst te spannen. Goethe was een kind van zijn tijd en hij heeft, dat valt niet te ontkennen, welzeker uitspraken gedaan die als antisemitisch te classificeren zijn. Hitler kende zijn Goethe en heeft daar meermalen gebruik van gemaakt.

Büch kende zijn Goethe volgens eigen zeggen ook en dat levert dan weer vermakelijke lectuur op, als hij in een archief manuscripten niet mag inzien omdat de Goethe die daarin zou voorkomen niet zou stroken met de ideeën van de toenmalige arbeiders- en boerenstaat-Goethe. Büch daarover;

Het werd mij weliswaar niet met déze woorden meegedeeld, maar toch; ik ken mijn Goethe en ik ken zijn archiefhouders.

Er staat nog veel meer in het boek. Het gerommel met de grafkist van Goethe, waarom werd het ding opengemaakt? Büch maakt een uitstapje naar Mussolini, die zich ook van Goethe bediende en hij verhaalt over hoe Holland een foute Goethe kreeg. Alles op zijn Büch’s en ik vind dat zeer onderhoudend. Voor de geïnteresseerden levert Büch in aparte katernen nog uitgebreide leeslijsten mee. Veelal buitenlandse uitgaven, dat wel.

068e18143fc3f2d596c36556a51444341587343
Goethe en geen einde van Boudewijn Büch heeft niet veel om het lijf. Toch wilde ik het lezen. Sterker, ik had het al gelezen en wilde het hebben én weer lezen. Büch heeft mij namelijk op het pad van Goethe gebracht. Ik was en ben fan van zijn televisie-uitzendingen, ik heb ze ook allemaal op dvd, en ik heb dus ook zijn enthousiasme ooit gezien voor Goethe. Toen ben ik Goethe gaan lezen en het is de enige schrijver die ik meerdere malen herlezen heb.

Dit boek gaat over Büch en zijn relatie tot Goethe. Hij was een verzamelaar van alles wat los en vast zat over de man en dit gaat met name over zijn verwondering over wat er allemaal over Goethe is geschreven. Dat levert soms hilarisch materiaal op, soms is de teneur wat serieuzer. Büch;

Nadat hij overleed in 1832 werd hij voor allerlei karren gespannen, zelfs voor de Albanees-stalinistische Hoxha-kar, ja zelfs voor de kar van Mao…en uiteraard ook voor allerlei andere denkvehikels als de antroposofie en de extreem-rechtse ecologische beweging…

Er komen in dit boek dus talloze haakjes voorbij waar Goethe aangehaakt kan worden. Büch geeft aan dat het niet alleen een onzin-boek is, maar vooral ook een proeve van bibliografische zoekzucht, van letterkundig plezier en de eindeloosheid van literatuur.

Dus daar gaan we. Ik lees over de uitgave van Edwin Redslob, ‘Mein Fest’: Goethes Geburtstage als Stufen seines Lebens, waarin men zich serieus bezig houdt met de psychologie van de personen die Goethe met zijn verjaardag feliciteren. Ik lees dat er een specialist is op het gebied van Goethe en Panama, de heer L. Fränkel. Die heeft stukken geschreven over Goethe’s mening over een Panama-kanaal. Er wordt stilgestaan bij Goethe’s tanden, had hij een kunstgebit of niet? Er is uiteraard een proefschrift over geschreven, Goethes Zahnleiden und Zahnärtze. Er bestaat een boek dat heet Das Kochbuch von Goethes Grossmutter, eenvoudigweg omdat Goethe in 1765 in Leipzig studeerde, hij bij zijn grootouders daar in en uit liep en dus geproefd kán hebben van de recepten die in dat boek staan.

Als Büch in een Amerikaanse atlas de naam Goethe aantreft gaat hij los. Hoe komt dat daar? Wellicht met een paar obscure neven van de schrijver? Hij komt erachter dat er een Goethe township is geweest met een postkantoorvestiging en als Büch Google Maps had gehad dan had hij zo kunnen opzoeken dat er nu een UPS vestiging aan de Goethe Hill Road ligt, maar hoe de naam Goethe er komt? Büch is ook niet vies van losse eindjes in zijn boek, maar ik vind dat wel leuk om te lezen;

De vraag blijft: waar werd het obscure Goaties Mill, de Goethe-township en het opgeheven postkantoor Goethe naar genoemd? In ieder geval niet naar de familie van Johann Wolfgang von Goethe. Maar naar wie dan wel? De goetheologie weet het niet, laat staan dat ik het zal weten.

Ik ben dus zelf ook druk met zo’n boek. Ik zoek bovenstaande op Google Maps op, als Büch zegt dat Hitler in Mijn Kamp Goethe aanhaalt dan zoek ik dat op in mijn versie (in Büch’s vertaling op blz. 353, in die van mij, de eerste druk uit 1982 op blz. 370). De Mozart-biograaf Hildesheimer noemt Goethe op talloze plaatsen in zijn boek en Büch fileert de beste man over zijn Goethe-kennis, maar ik pak dan ook mijn Hildesheimer erbij om het even aan te tekenen. Het werd een interactief geheel zo.

Toch staan er ook serieuzere zaken in. Büch heeft het over het belang van Goethe als wetenschapper, ondanks het feit dat zijn Farbenlere een miskleun bleek. Het gaat over zijn neurotisch gedrag ten opzichte van de dood, terwijl hij toch enige dagen de schedel van zijn goede vriend de dichter Schiller op zijn kamer had (wat overigens later niet zijn schedel bleek te zijn).

Fascinerend is ook de verbinding die gelegd wordt tussen Willem Bilderdijk en Goethe. Goethe bezat een handschrift van Bilderdijk, maar de claim van Albert Verwey dat Goethe in de buurt van Brunswijk de naam van Bilderdijk opgeschreven zou hebben, lijkt in dit boek ontzenuwd te worden.

Verder wordt er onderzoek gedaan naar de herkomst van de naam Werther, uit de gelijknamige roman van Goethe, Die Leiden des jungen Werthers, al komt Büch hier ook niet helemaal uit;

Dus blijf ik met de prangende vraag zitten waarom de ‘Werther’ die naam droeg en geen andere. Er moet natuurlijk ooit iemand iets over geschreven hebben, want na bestudering van artikelen als ‘Het symbool van de metaalsmelterij in Goethes werk’ (1937) en ‘Het beeld van het paard en de koetsier in Goethes poëzie’ (1945) sluit ik het uit dat nog nooit iemand zich over die vraag gebogen zou hebben. Ik kan dat bewuste artikeltje gewoon niet vinden.

En dat is wat dit boek is. Een voortdurende zoektocht naar meer over Goethe. Dat Büch er nog niet klaar mee was bewijst het boek waar ik nu mee bezig ben, iets meer van hetzelfde, maar nog wat uitgebreider. Laat het boek niets te wensen over? Nou ja, Büch maakt er zich soms makkelijk van af door geen bibliografie op te nemen, omdat hij dit boek al een soort bibliografie vindt. Hij heeft het over een essay dat hij schreef over Goethe en zijn filosemitische uitspraken maar nu ‘even niet vinden kan’. Ook moet de lezer hem maar geloven – want hij ziet namelijk af van het geven van precieze bewijsplaatsen – dat Goethe zich in zijn dichtwerk nagenoeg uitsluitend negatief heeft uitgelaten over het fenomeen ‘verveling’. Büch komt er wat mij betreft mee weg omdat ik er lol in heb en toch ook de smaak weer te pakken heb wat Goethe betreft. Dat is toch wat hij weer voor elkaar krijgt.

9045034999.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De boekhandel van de wereld van de historici Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen draagt als ondertitel Drukkers, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw. Op de achterflap staat nog als toevoeging Nederland als centrum van het gedrukte woord. Als lezer, geschiedenisliefhebber en liefhebber van boeken over boeken een onmogelijkheid om dit niet te lezen.

Het interessante aan dit boek is dat het gaat over drukwerk in de dagelijkse praktijk. Boeken, pamfletten, kaarten; er zijn prachtige exemplaren bewaard gebleven en aan sommigen topstukken worden hele boeken of tentoonstellingen gewijd, maar al die stukgelezen boeken voor het dagelijks gebruik, gemeentelijke aankondigingen en kranten uit het verleden zijn veel meer onderbelicht en daar gaat dit boek over. De auteurs zeggen hierover;

In de zeventiende eeuw werden er in de Republiek per hoofd van de bevolking meer boeken uitgegeven dan in enig ander boekenproducerend land…Het was een land waar boeken en lezen ten diepste verbonden waren met het functioneren van de maatschappij…Het is dus des te eigenaardiger dat al die boeken op een of andere manier onder tafel zijn gewerkt in het klassieke succesverhaal van de Nederlandse Gouden Eeuw. Blijkbaar zijn we altijd zo diep onder de indruk geweest van de grote Nederlandse schilders…dat we de stille revolutie die zich afspeelde in de huiskamers van de burgerij over het hoofd hebben gezien.

In de zeventiende eeuw waren er al een aantal grote drukkers. Families die vanuit Vlaanderen vanwege het geloof naar het noorden waren gevlucht, maar ook drukkers als Elzevier, Blaeu (u weet wel, van die grote atlas) en Claesz. De laatste zette de toon voor het Nederlandse boekenbedrijf door zich te richten op een klantenkring uit de middenklasse naast de traditionele elite van boekenkopers.

Er wordt aandacht besteedt aan het drukwerk voor pamfletten. Dat was een niet te onderschatten bron van inkomsten én die pamfletten waren van groot belang voor de polemieken tussen remonstranten en contraremonstranten. Ook raadspensionaris Van Oldebarnevelt was slecht voorbereid op de felheid van de aanvallen tegen hem die in talloze pamfletten werden afgedrukt.

Het boek belicht veel dagelijkse kanten van het drukwerk. Psalmenboeken en catechismussen werden vaak gebruikt en stukgelezen, dus werden steeds opnieuw gedrukt. Atlassen en kaarten waren belangrijk voor de scheepvaart, maar ook de publicaties over de handelsreizen zelf waren van grote invloed op toekomstige investeringen en de handel. Een belangrijk werk is het boek Cijfferinghe van Gerrit Bartjens. Het gold jarenlang als standaardwerk voor de rekenkunst, met honderden voorbeelden van elementaire rekensommen en complexere berekeningen over rentetarieven en wisselkoersen. Mooi dat er ook voorbeelden in het boek zijn opgenomen;

Een schip ten oorlogh zijnde voorsien met 250 koppen, is ghevictualiseert voor 1 jaer; nae 3 maenden worden 50 man overgeset in een ander schip. Vrage, hoe veel langer konnen sy met selve victualie toe-komen?

Omdat Leiden een academisch centrum was vanwege de universiteit was het ook van belang voor de drukkerswereld. Alle oraties werden gedrukt en ik werd getriggerd door het fenomeen van de prijsboeken, een boek dat de beste leerlingen van de Latijnse school ontvingen van hun rector, veelal Latijnse klassiekers, voorzien van een band met gemeentewapen en handgeschreven inscriptie. Ik heb de studie daarover van J. Spoelder meteen maar in huis gehaald.

Andere vormen van drukkunst betreffen liedboeken en toneelwerken en er vindt een verschuiving plaats in de klassieke letteren. Het Latijn maakt plaats voor moderne talen. Er wordt gedicht in de volkstaal met Vondel als grote exponent daarvan. Hij verwerkt kritieken in zijn treurspelen en bereikt daarmee het volk. Datzelfde volk moest ook door de gemeente op de hoogte gehouden geworden van allerhande zaken en dat ging via de stadsomroeper, maar ook via plakkaten. Die plakkaten werden vaak weer van de muren gerukt door de bevolking (zoals door vrienden van een corrupte belastingontvanger die via een plakkaat gezocht werd), waardoor er zelfs plakkaten verschenen die de burgers ervan verwittigden dat het verboden was om plakkaten af te scheuren. Je blijft lezen in zo’n boek.

Het boek maakt ook duidelijk dat de Nederlanders zeer bedreven waren in de drukkunst én in de boekhandel. Ze hadden al talloze veilingen opgezet en dit fenomeen eigenlijk uitgevonden, maar ze bedienden ook de buitenlandse markt. Waar hun forte niet lag, daar kocht men in en verkocht men met winst. Het belang van gedrukte catalogi wordt zo ook duidelijk. Die waren voor geïnteresseerden in binnen- en buitenland van belang om te weten wat er op de markt was om zo de verzameling uit te breiden.

Het is een boek van ruim 500 pagina’s en ik heb er veel uitgehaald. Het geeft inzicht in de ontwikkeling en het gebruik van het drukwerk in Nederland. Dagelijks gebruik, maar ook verzamelingen als die van Johannes Thysius ontbreken niet in dit boek. Voor dit boek is er uitvoering onderzoek gedaan in talloze archieven wereldwijd en dat geeft een hoop informatie. Daarnaast houd ik erg van anekdotes die ook niet worden geschuwd, zoals dat van de predikant die vond dat hij te weinig verdiende én dat op schrift stelde, wat nog prima werd verkocht ook. De auteurs wijzen er op dat hij zich wel de luxe van boter veroorloofde en komen daar later in het boek nog eens fijntjes op terug.

De conclusie is ook een mooie, en wellicht een logische. Indrukwekkende bibliotheekcollecties zijn prachtig, maar;

Uiteindelijk ligt het ware verhaal van de Nederlandse boekenwereld misschien eerder in de alomtegenwoordigheid: boeken die te koop lagen in winkels, die werden gelezen op trekschuiten, die werden uitgedeeld aan gasten bij brouwerijen en promoties van studenten, die lagen te verschimmelen in de vochtige hitte van Oost-Indië, en die voorzichtig uit de boekenkist van Hugo de Groot werden gehaald zodat de staatsman zich daarin kon verstoppen.

Vertaling; Frits van der Waa

f80b6c852da937c5975365a7467444341587343
In zijn boek De emigrés schept W.G. Sebald een aantal portretten van zogenaamde “Ausgewanderten”. Dat is de originele titel van het boek en het slaat op de levens van vier (half)joden die Duitsland verlieten om zich te vestigen in Zwitserland, Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten.

Het is geen dik boek, 254 pagina’s, maar het is prachtige literatuur. Het eerste portret grijpt mij al direct als de schrijver, in zijn zoektocht naar een onderkomen in Norwich, stuit op een chirurg in ruste, dr. Henry Selwyn. Deze was ooit gelukkig met zijn vrouw maar zorgt nu alleen voor de tuin achter het grote, leegstaande appartementencomplex. De mannen spreken elkaar vaker en zo wordt de achtergrond van dr. Selwyn langzaam aan duidelijk. Dr. Selwyn leidt de schrijver rond in de tuin;

Door het struikgewas aan de zuidkant van het gazon leidde een pad naar een met hazelaars omzoomde gang. In de takken, die zich boven ons sloten tot een dak, waren grijze eekhoorns in de weer. De grond was dik bezaaid met de doppen van de opengebroken noten, en honderden herfsttijlozen vingen het spaarzame licht op dat binnendrong door de reeds droog ritselende bladeren. De hazelaarsgang eindigde bij een tennisveld, waar een witgekalkte bakstenen muur langs liep. Tennis, zei dr. Selwyn, used to be my great passion. But now the court has fallen into disrepair, like so much else around here.

Een tuinbeschrijving is één ding, maar Sebald vult dat aan met een in vervalling geraakt tennisveld, een stukje in het Engels én ondersteunt dit nog met een niet eens zo heel duidelijke foto (zie hieronder); dat maakt de vertelling erg sterk.

IMG_7013 (002)
Ook het verhaal van zijn oude schoolmeester, die hij op het spoor komt door een overlijdensadvertentie, is prachtig. Het langste verhaal in het boek gaat over zijn oudoom Ambros Adelwarth. Die heeft een avontuurlijk leven achter de rug en de schrijver gaat dit na, deels door informatie uit een oude agenda van zijn oom, die ook afgebeeld staat in het boek. Hierin speelt hij ook met fictie en werkelijkheid, als hij denkt zijn oudoom Ambros met zijn reisgezel Cosmo denkt te zien;

Soms dacht ik dat ik hen door een deur of in een lift zag verdwijnen of een straathoek zag omslaan. Dan weer zag ik hen werkelijk, zittend aan de thee buiten op de binnenplaats of in de hal, bladerend in de nieuwe kranten waarmee de chauffeur Gabriel elke ochtend vroeg in een halsbrekende rit van Parijs naar Deauville kwam aanrijden. Ze waren, zoals de doden meestal zijn wanneer ze in onze dromen opduiken, stom en leken enigzins bedroefd en gedeprimeerd…Als ik hen naderde, losten ze voor mijn ogen op, niets anders achterlatend dan de lege plek die ze zojuist nog hadden ingenomen.

Het laatste verhaal, over de naar Manchester uitgeweken kunstschilder Ferber vind ik het mooist. De auteur ontmoet hem in zijn atelier in Manchester. Een stad waar de treurigheid vanaf druipt en ook dat wordt fraai weergegeven. Nog mooier is de beschrijving van het atelier van de schilder, waarin stof belangrijk is;

Het was voor hem altijd van het grootste belang geweest, zei Ferber eens terloops, dat er niets in zijn werkruimte veranderde, dat alles bleef zoals het geweest was, zoals hij het had ingericht, zoals het nu was, en dat er niets anders bij kwam dan het afval dat bij het vervaardigen van de tekeningen en schilderijen ontstond, en dat het stof dat onafgebroken neerdaalde en dat hem, zoals hij langzaam leerde begrijpen, vrijwel het dierbaarste ter wereld was. Stof, zei hij, stond hem veel nader dan licht, lucht en water. Niets was voor hem zo onverdraaglijk als een huis waar stof werd afgenomen, en nergens voelde hij zich prettiger dan daar waar de dingen ongestoord en gedempt mochten blijven liggen onder de grijsfluwelen sinter die ontstaat als de materie, ademtocht na ademtocht, tot niets vergaat.

Het zijn soms best lange zinnen, maar in mijn vorige bespreking gaf ik al aan dat dit boeken zijn voor trage lezers. Dat geldt ook hier, hoewel ik er toch vlot doorheen las. Het leent zich echter wel voor herlezing, al was het maar om subtiliteiten niet te missen van de vlindervanger die, hoewel het gaat om verschillende verhalen in verschillende situaties, toch door het hele boek weer opduikt. Dat wil je niet missen.

Vertaling; Ria van Hengel

902953978X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik kan niet zeggen dat ik bekend ben met het werk van Susan Sontag. Ik kende wel haar rol als één van de toonaangevende critici en schrijfsters van haar generatie. Reden genoeg voor mij om nieuwsgierig te zijn naar dit boek van Benjamin Moser.

Susan Sontag (1933-2004) was een kind van Joodse Amerikaanse ouders. Haar vader stierf toen ze jong was en ze nam de achternaam aan van haar stiefvader. Haar leven lang zou de een stormachtige relatie onderhouden met haar aan alcohol verslaafde moeder.

Sontag was als leerling uitzonderlijk begaafd. Ze haalde haar Bachelor of Liberal Arts in de vakken Frans, literatuur en filosofie. Er staan in het boek wat indrukwekkende staaltjes over hoe ze al op jonge leeftijd dacht;

‘Goedbeschouwd zit Schopenhauer ernaast,’ meende ze op haar veertiende. ‘Maar ik heb het daarbij uitsluitend over de kern van zijn filosofie: de deerniswekkendheid van het bestaan.’…En in een opstel voor school in haar laatste jaar omarmt ze Freud…met een hoogmoed die maar zelden bij een scholier zal zijn aangetroffen: ‘Ik zie geen reden om het met de inhoud van het eerste hoofdstuk [van Het onbehagen in cultuur] oneens te zijn,’ schrijft ze.

Ze leest als een bezetene, heeft af en toe vriendje maar beleeft ook haar eerste lesbische liefde. Uiteindelijk trouwt ze op jonge leeftijd met haar docent Philip Rieff.  Het was een verhouding waarin ze zich liet domineren en er werd een zoon uit geboren. Tegelijk liet ze toe dat hij furore maakte met een boek dat zij feitelijk had geschreven, The Mind of the Moralist, waarin Freud en de psychoanalyse in een historische context worden geplaatst.

Sontag wordt aangesteld als de jongste universitaire docent ooit in de Verenigde Staten. Het huwelijk met Rieff houdt geen stand, ze gaat naar New York en stort zich in een relatie met de Cubaanse toneelschrijfster Irene Fornès. Sontag is inmiddels een invloedrijke filosofe, schrijfster en critica;

De tiener die sidderde in het bijzijn van Thomas Mann, was een vrouw geworden die kon zeggen dat Jean-Paul Sartre een slechte smaak had en die sir Isaiah Berlin te kennen kon geven dat hij wat slordig met details omging.

Ze komt in contact met Andy Warhol en heeft een relatie met de schilder Jasper Johns. Ze schrijft een geniaal essay “Notes on Camp”, waarbij ze haarfijn uitlegt dat Cocteau camp is maar Gide niet, Strauss wel maar Wagner niet, waarom Caravaggio en veel van Mozart ingedeeld kunnen worden bij Jayne Mansfield en Bette Davis. Ze legt hierin verbanden bloot die voorheen onzichtbaar waren.

Ondanks haar genialiteit wist ze dit te koppelen aan een soms onvoorstelbare naïviteit. Het belang van tanden poetsen, waar een lichtknopje zich eventueel kan bevinden en in welke kamer de Fiat-erfgename zich bevond op de vijftiende verdieping…het levert fascinerend leesvoer op.

Sontag had een enorme energie en werklust en sliep het liefst zo min mogelijk. Ze rookte als een ketter, dronk sloten koffie en toen ze amfetamines ontdekte, merkte ze dat ze met nog minder slaap toe kon. Ze laat zich ook steeds meer van haar maatschappelijk betrokken kant zien. Ze zet een aanklacht tegen Amerika op papier, die lang niet bij iedereen in goede aarde viel. Hoewel er veel zaken in stonden die klopten, is de eerste zin met name berucht geworden;

‘Het blanke ras is een kankergezwel in de geschiedenis van de mensheid.’

Wellicht wat ongelukkig geformuleerd en ze heeft er haar excuses voor aangeboden, maar eerder voor de metafoor als voor het onderliggend sentiment, want ze was wel degelijk woest. Een reden was de oorlog in Vietnam. Daar laat ze een wonderlijk optreden zien. Ze bezoekt Hanoi en laat zich van alles uitleggen door het regime daar, terwijl op een paar honderd meter van haar hotel Amerikaanse soldaten gemarteld worden. De grote critica was toen wat betreft Vietnam ‘even een blokje om.’ Later zou ze dat vaker doen. Na een reis naar China zou ze ook daar over schrijven, maar geen woord over de Culturele Revolutie en de ellende in dat land.

Privé rolt ze van de ene relatie in de andere, met mannen én met vrouwen. Ze krijgt kanker en overwint deze en schrijft er, uiteraard, een essay over. Dat ging over de bewustwording van de ziekte en over het wegnemen van vooroordelen en velen hebben na het lezen ervan de gang naar de arts gemaakt en zo hun leven gered.

Susan Sontag was, naast een hyperactief en productief mens, ook iemand met twee gezichten. Ze kon mensen eerst de hemel in prijzen, waardoor ze hen aan zich verbond, om ze daarna publiekelijk te vernederen. Dat deed ze zelfs bij Annie Leibovitz, ook een sterke vrouw met een glanzende fotografie-carrière, die dergelijk gedrag toch pikte van Sontag. Wellicht prikten velen toch door haar onzekerheid heen en zagen ze toch haar grote hart.

Dat had ze namelijk wel. Toen er een oorlog woedde op de Balkan, ging Sontag erheen en waagde haar leven. Ze was begaan met de bevolking en organiseerde indrukwekkende toneelvoorstellingen in Sarajevo. Een mede-acteur vertelde wat dit inhield;

Je kon het publiek niet voor de gek houden. Je wist niet eens of je over vijf of tien minuten of de volgende dag nog wel in leven was…Je moest zo eerlijk en goed mogelijk spelen, want je wist niet of je de volgende dag nog een voorstelling kon geven. Ik heb voor gewonde mensen gespeeld, voor blinde kinderen, in het ziekenhuis, op de eerste verdieping terwijl er op de begane grond benen werden geamputeerd, mensen gilden en stierven terwijl ik stond te spelen.

En Susan Sontag dus ook en dat is een prestatie van formaat. Ze stierf uiteindelijk aan leukemie, maar laat best een indruk achter, ook bij mij na het lezen van dit prachtige boek. Het zal wel geen toeval zijn dat op de omslag van het boek dat ik nu lees, “De emigrés” van W.G. Sebald, Sontag als enige genoemd wordt met het citaat ‘De emigrés is grote literatuur.’

Vertaling; Lidwien Biekmann en Koos Mebius