9200000107384454
Je kon de afgelopen tijd niet om de Verzamelde Gedichten van Menno Wigman (1966 – 2018) heen. Hoog opgestapeld in de winkel en zowaar boek van de maand bij een populair televisieprogramma. Ik had het boek direct na publicatie al in huis gehaald dus ik was de hype net voor. Ik had mij eerder al geërgerd aan oneigenlijk gebruik van Wigman’s gedichten door een politicus in de Tweede Kamer en ik vond het hoog tijd zijn werk zelf maar eens goed door te nemen.

Wat een feest was dat. Talloze aantekeningen heb ik gemaakt, de ene zinsnede nog mooier dan de ander. Nu ben ik een vrij opportunistische poëzie-liefhebber. Ik heb weinig verstand van de techniek dus ik zal niet uitweiden over binnenrijmen en vijfvoetige jambes, maar ik kan wel aangeven wat ik mooi vind. Ik lees de gedichten ook achter elkaar door. Dat wordt niet altijd aangeraden, maar dat bevalt mij omdat ik dan in het idioom blijf en eventuele overlappingen of andere zaken mij eerder opvallen.

Wigman staat er om bekend dat de dood prominent aanwezig is in zijn werk en daar kom ik op terug. Er zijn nog wel meer thema’s die opvallen namelijk. Sympathiek aan de man vond ik dat hij nauw betrokken was bij het project Eenzame uitvaart, waarbij dichters een vers voorlezen aan het graf van een verder door iedereen verlaten dode. Het gedicht Eindafschrift is daar een voorbeeld van, waarvan hier een gedeelte;

…en onbevangen tot het duister treedt.
Straks stuurt de ING een eindafschrift.
Uw diepste angsten zijn allang gewist.

De ING in een gedicht. Wigman was, wat je zou kunnen noemen, een dichter van de stad. Geen natuurlijke overpeinzingen voor hem. Als hij het al over de natuur heeft, dan steekt hij kevers dood en noemt zich de Mengele van machteloze mieren. Elders schrijft hij “O sleep me uit dit groene braaksel weg.”

Wigman is dus van de bebouwde kom. Hij heeft het over de Burger King, de V&D, de H&M, bibliotheken, zebrapaden, winkelstraten,  vinexwijken en, wat mooi, de droefenis van copyrettes. Dat is dus een thema bij hem. Nu staan er 188 gedichten in dit boek en ik heb eens gelet op welke thema’s er vaak voor komen. Ik heb dus wat geturfd. De dood, zoals gezegd, is belangrijk en komt als woord, aanverwant woord (graf) of onderwerp minstens 68 maal voor. Een goede tweede is de kroeg of aan drank verwante woorden (zoals wijn, bier, katers, drinken en zuipen); maar liefst 46 maal. Daarna hartstocht en sex; 28 maal. Opvallend vond ik het gebruik van spiegels, ramen en ruiten in zijn gedichten, dat kom ik 16 maal tegen. Ook vervoermiddelen als metro, tram, auto en taxi spelen een belangrijke rol. Om een voorbeeld van dat laatste te geven, ik vind het begin van Ondergrondse, één van de mooiste openingszinnen die ik ken, dan heb je mij meteen;

De metro ramt de voorkant van de dag.
Ochtendvrees en gangpadvee. Een man
hoest of zijn ziel vol gaten zit.
Herfst in zijn broek. Het diepe door,
de onderzee van blauw verlichte schimmen.

Als we op zijn gedichten moeten afgaan was Wigman geen groot vriend van zichzelf. De samenstellers van de bundel, Neeltje Maria Min en Rob Schouten, menen dat we inderdaad op zijn werk mogen afgaan. Het was geen pose. Zij hebben recht van spreken want zij waren goede vrienden van de jong gestorven Wigman en kenners van zijn werk. Ook de poëzie biedt niet altijd uitkomst, getuige het gedicht Misverstand;

Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

Een bijzonder gedicht is het werk met de titel Harba lori fa. Ook Cees Noteboom heeft een gedicht met die titel geschreven en de term komt uit een minnelied van Jan I, hertog van Brabant (1253 – 1294). Het is niet bekend wat het precies betekent maar Wigman gebruikt het als volgt;

Ik hoorde van twee dichters die, jawel,
een botsing kregen – zaten ze te spreken,
geld, vrouwen, Elba, god mag weten, bloed

Tegen de voorruit maar hun voorhoofd heel.
Zo moest het gaan. Zo moeten daar
harba lori fa drie vrouwen hebben gestaan.

Er valt veel te zeggen over zijn gedichten. De vijf gedichten gedichten bij oude politiefoto’s zijn erg mooi, met Sluipwesp als uitschieter voor mij. Veel mooie zinnen als Hij zat zijn dood te voeden in de kroeg of ik wil in zestigduizend hoofden ruisen gaan vaak vooraf aan een fijne twist zoals

Voor ik de weg van alle boeken ga
en roemloos bij De Slegte sta

Menno Wigman besteedde veel aandacht aan zijn werk, aan de cadans en het ritme. Dat blijkt ook. Ik heb de gedichten meerdere malen gelezen inmiddels, soms hardop, en het leest vloeiend. Zoals dat gaat met poëzie hier, het boek zal regelmatig nog uit de kast worden gehaald.

7b6ce0a0a2238da596e416b7251444341587343
Wat ik in de laatste alinea van mijn vorige stuk schreef is prachtig uitgekomen met dit boek. Luc Panhuysen en René van Stipriaan schreven met Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog een prachtig boek met verslagen uit de eerste hand over die roerige periode uit onze geschiedenis.

Zo biedt Oranje tegen Spanje een mooi raamwerk waarin je met dit boek al die gebeurtenissen weer voorbij ziet komen, maar waarbij je nu de diepte ingaat. Het boek biedt 327 pagina’s leeswerk en 134 verslagen door de meest uiteenlopende personen en ook over de meest uiteenlopende onderwerpen. Voor ieder verslag wordt een inleidend stuk(je) geschreven waardoor de geschiedenis chronologisch aan elkaar wordt verteld. Toch helpt het als je al wat over die geschiedenis weet, dan kan je alles sneller en beter plaatsen.

Voorbeelden van die verdieping zijn de verslagen over de belegering van verschillende steden zoals Haarlem, Alkmaar en Naarden. De bevolking van Naarden wordt uitgemoord en in dit boek staat een verslag van Lambertus Hortensius, priester en historicus en één van de naar schatting zestig overlevenden van die slachtpartij.

Grote gebeurtenissen worden door ooggetuigen beschreven, maar er worden ook zijpaden bewandeld, zoals het naspelen van een zeeslag met stenen door de Amsterdamse jeugd, of de beschrijving door een diplomaat over hoe Willem van Oranje gekleed ging. Je komt zo wel dicht op de geschiedenis te staan;

Zijn belangrijkste kledingstuk was een gewaad, van het type waar – zo durf ik oprecht te zeggen – een eenvoudige rechtenstudent niet graag mee over straat zou gaan. Zijn wambuis niet geknoopt, en evenmin kostbare stof. Zijn vest – dat daaronder zichtbaar was – had veel weg van de beste gebreide exemplaren waarin onze bootslui ons voortroeien.

Diezelfde Willem van Oranje wordt vogelvrij verklaard, overleeft een moordaanslag en wordt vervolgens toch gedood. Beide gebeurtenissen komen uitgebreid aan bod. Van de eerste dader wist ik nagenoeg niets tot nu. Dat wordt uitgebreid beschreven door Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, die later blijkbaar ook nog eens een leuk wijsje componeerde.

Toch zijn die grote ijkpunten uit de geschiedenis zeer de moeite waard. Het verhaal van het Turfschip van Breda, ons eigen Paard van Troje, mag genoegzaam bekend zijn, met dit boek stap je in het schip zelf. Je maakt mee hoe stil de mannen moesten zijn om niet ontdekt te worden;

Een zekere Matthijs…werd dermate door hoest gekweld dat hij die onmogelijk kon bedwingen. Hij bood zijn makkers zijn ponjaard aan om hem de hals af te snijden of te doorsteken, omdat hij liever alleen wilde sterven dan dat alle eerlijke soldaten vanwege hem zouden worden ontdekt en gedood. Maar de schipper maakte met pompen en andere werkzaamheden zoveel herrie als maar mogelijk was om het hoesten van zijn turf voor de dragers en de soldaten te overstemmen.

De grote lijnen van remonstranten tegen contraremonstranten en daarmee de tweespalt tussen Prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt (goed beschreven in Oranje tegen Spanje) krijgt in dit boek handen en voeten. Lees de verslagen van Joris de Bie, de thesaurier-generaal die beiden van nabij meemaakte, Johan van den Sanden die een contraremonstrantse jurist was én van Prins Maurits en van Van Oldenbarnevelt zelf. Als de raadspensionaris tenslotte wordt geëxecuteerd is het zijn knecht Jan Francken die verslag doet;

Bij het lezen van het vonnis zat mijn heer verschillende malen te keren en te draaien, en soms rees hij op van zijn stoel, gebaarde dat hij wilde antwoorden, maar Pots las gewoon verder. Nadat het vonnis was gelezen, sprak mijn heer…: ‘Ik dacht dat de Staten-Generaal voldoende zouden hebben aan mijn lichaam en bloed, en dat vrouw en kinderen hun bezit zouden mogen houden. Is dit mijn loon voor 43 jaar dienst aan het land?’

Zo staan er talloze verhalen in het boek. Je maakt mee hoe het was voor Hugo de Groot om te ontsnappen in die boekenkist uit Slot Loevestein. Hoe weinig lucht hij kreeg. Wat er werd gezegd door de dragers toen hij zich even verschoof, hoe zijn dochter gevat reageerde op vragen. Maar je maakt ook mee hoe luitenant-admiraal Maarten Tromp zijn manschappen toesprak toen hij met elf schepen de zeventig Spaanse schepen te lijf wilde gaan (en uiteindelijk vernietigde). Tenslotte moet ik nog even “Het duel van Leckerbeetje” noemen. Een mooi verhaal uit die tijd die feitelijk niet eens met de oorlog te maken had, maar zeker zijn plaats verdient in dit boek.

4509f546e9080a4597332316c41444341587343
Oranje tegen Spanje van Edward De Maesschalck is het derde boek uit de cassette waarvan De Graven van Vlaanderen en De Bourgondische Vorsten ook deel uitmaken. De boeken laten zich in chronologische volgorde lezen, waarvan dit laatste deel de periode beslaat van 1500 – 1648. Eenheid en scheiding van de Nederlanders onder de Habsburgers is de ondertitel en dat is nogal veelomvattend.

Het boek start met de geboorte van Karel V en loopt tot en met het einde van de Tachtigjarige Oorlog, die getekend werd met de Vrede van Münster. Het boek telt zo’n 340 pagina’s en het voordeel van deze uitgaven is dat er prachtige illustraties, stambomen en landkaarten in staan. Het leest zoveel makkelijker.

Want er valt ook veel te lezen. Karel V wordt Keizer Karel en komt tegenover Luther te staan. De religie is allesbepalend en we zien de leer van Calvijn groot worden. Willem van Oranje wordt calvinist en komt in aanvaring met het katholieke Spanje. Als belangrijkste edelman wordt hij als rebel gezien en Spanje zal met zijn generaal Alva een schrikbewind instellen. Don Juan van Oostenrijk, de bastaardzoon van Karel V kwam aan de macht als landvoogd van De Nederlanden, maar hij wist dat dit weinig voorstelde zolang hij Oranje niet wist in te palmen. Die wist natuurlijk wel hoe de hazen liepen, zoals bleek uit zijn onderhandelingen met Don Juan;

Dus begon hij te onderhandelen met Oranje en beloofde hem de hemel op aarde, zoals de terugkeer van zijn zoon Filips-Willem, het herstel van al zijn functies in dienst van de kroon en de teruggave van al zijn bezittingen. Oranje kon het niet geloven, want hij wist zeer goed dat de Spanjaarden zich niet gebonden achtten aan beloften die ze ketters deden…Volgens een verslag van de vredesbesprekingen zei Oranje letterlijk: ‘Wij begrijpen dat u ons wenst uit te roeien en wij wensen niet uitgeroeid te worden.’

Zoals bekend wordt hij toch vermoord en zijn zonen nemen zijn rol over. Eerst Maurits van Nassau die tegenover de nieuw ingevlogen landvoogd Farnese komt te staan. Het beleg van Doornik, van Oudenaarde en van Antwerpen zijn maar een paar voorbeelden van wat de bewoners van De Nederlanden over zich heen kregen. Ondertussen lezen we ook over de verwikkelingen in Spanje, van waaruit de acties veelal geïnitieerd werden, maar ook veronachtzaamd werden vanwege andere belangen. Zo werd er bijvoorbeeld ook een invasie van Engeland voorbereid, die overigens op niets uitliep.

Het mooie van dit boek is dat op zich bekende gebeurtenissen met elkaar in verband worden gebracht. De moord op Willem van Oranje, de Slag bij Nieuwpoort, de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt; het wordt haarfijn uitgelegd. Dat laatste feit is een direct gevolg van de strijd tussen raadspensionaris Van Oldenbarnevelt en Prins Maurits, tussen remonstranten en contraremonstranten ofwel de ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ (vrij vertaald; men is zelf verantwoordelijk voor het eigen lot of alles is al voorbestemd). Met Van Oldenbarnevelt werd ook Hugo de Groot veroordeeld, zij het tot levenslang. Hij wist weer uit Slot Loevestein te ontsnappen in een boekenkist.

Ondertussen ging het wel goed met de Republiek. Ik bracht de opkomst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie én van de West-Indische Compagnie nooit zo in verband met de tijd van Van Oldenbarnevelt, maar het speelde zich in dezelfde tijd af natuurlijk. In Spanje raakt men niet uitgepraat over de hebzucht van de Hollanders. De Spaanse schrijver Gonzalo de Céspedes y Meneses beschouwde de Hollanders zelfs als de bron van alle kwaad in de wereld:

Zeg me hoelang je nog zal dulden, o edel Spanje, dat een stel technologische vaardige rebellen, maar verachtelijke miskramen van de zee en plompe rotsen van het land, met hun boosaardigheid en oproer Duitsland in brand steken. Zij zijn de aanstichters van Bohemen, de opstokers van de Fransen, de omwoelers van de Zwitsers, steunpilaren van de Zweden, de omgooiers van de Polen, de bondgenoten van de Turken, en vrienden en partijgenoten van de Moren.

En zo gaat het nog even door. Wellicht wat teveel eer maar het geeft aan dat De Republiek de gemoederen aardig bezig hield. Dit soort teksten staan veelvuldig in het boek en voegen veel toe aan het verhaal.

Uiteindelijk zal Frederik-Hendrik, de jongste zoon van Willem van Oranje, stadhouder worden. Hij zal vele steden op de Spanjaarden terug veroveren en krijgt de bijnaam ‘Stedendwinger’. Het kon ook, want Piet Hein had er met de verovering van de Spaanse zilverloot voor gezorgd dat de oorlogskas goed gespekt werd. Overigens zou de tweede dochter van Frederik-Hendrik, Albertina-Agnes, trouwen met de Friese stadhouder Willem-Frederik van Nassau-Dietz. Van hen stamt de huidige Nederlandse koninklijke familie in rechte lijn af.

Het belangrijkste dynastieke huwelijk uit die tijd was dat van zoon Willem II, die op veertienjarige leeftijd trouwt met de negenjarige Maria-Henriëtte Stuart, waardoor op termijn een Oranjevorst (Willem III) koning van Engeland zou worden. Overigens grappig dat de auteur zich hier, waar hij overal zakelijk en ‘to the point’ verslag doet, ten opzichte van Maria Stuart even laat gaan;

…al liet het verwaande kind te pas en te onpas horen dat enkel zij van koninklijke bloede was en niet haar gemaal noch haar schoonouders.

Frederik-Hendrik putte zijn prestige uit militaire overwinningen, maar na zijn dood leek de weg vrij voor vredesbesprekingen. Daarvoor stond meer in de weg dan Frederik-Hendrik, er waren nog altijd geloofstegenstellingen maar er was beweging. Uiteindelijk zou de Vrede van Münster getekend worden, waarbij het opvallend is dat de sfeer, na zo’n lange tijd van oorlog en ellende, uiterst vriendelijk en gemoedelijk was.

Dit boek biedt hopelijk een prachtig raamwerk voor het volgende boek dat ik wil lezen. Als het goed is bevat dat verslagen van ooggetuigen uit deze periode, die zo nog meer invulling geven aan één van de roerigste periodes uit onze geschiedenis.

9789057597473
Brieven van belang van Shaun Usher  is de internationale versie van het eerder besproken boek P.S. van Jet Steinz. Het boek bevat 125 brieven, gebaseerd op de website www.lettersofnote.com, een soort online brievenmuseum, opgericht door Usher.

Het is een groot boek wat niet makkelijk in de hand ligt, maar waardoor de brieven, die voor het merendeel als facsimile zijn afgedrukt, wel mooi tot hun recht komen. Ik heb de vertaalde versie gelezen, en ik weet niet of dit de beste keuze was. Zo wordt een ijzingwekkend briefje van Jack the Ripper (of iemand die beweerde dat hij dat was) in verhaspeld Nederlands weergegeven (“als u effe gedult heb“). Dan lijkt me een integrale weergave in het Engels zuiverder.

Verder staan niet alle brieven als facsimile afgedrukt en soms is dat jammer. Zo had ik graag de brief gezien die Louis Armstrong schreef aan een marinier in Vietnam die hij niet kende. Hij doorspekte zijn brief met talloze hoofdletters, apostrofs, streepjes en onderstrepingen, op plaatsen waar je ze niet zou verwachten. Zo’n brief schreeuwt erom om afgedrukt te worden, maar die ontbreekt nu net.

Daar houdt de kritiek dan ook wel op. Het boek is verder een schatkist aan verrassende brieven. Wat te denken van de sollicitatiebrief voor het Amerikaanse leger van de neef van Hitler? Of een briefje van de 24-jarige Fidel Castro aan president Franklin D. Roosevelt? Andersom schreven Amerikaanse presidenten ook wel eens terug. Lincoln was niet te beroerd om een negenjarig meisje terug te schrijven over zijn bakkebaarden.

Het is mooi om te grasduinen door al die verschillende brieven. Soms zijn het geen brieven, zoals de standaard voorgedrukte verontschuldiging uit China voor het gedrag na een teveel aan drankgebruik. Of de krabbels van John F. Kennedy in de bast van een kokosnoot waarmee hij om hulp vraagt na het zinken van zijn torpedoboot.

De mooiste brieven zijn degenen die je niet verwacht. De brief van Ernst Stuhlinger aan zuster Mary Jucunda is ronduit indrukwekkend. Stuhlinger is wetenschapsdirecteur van het Marshall Space Flight Center van de NASA. Zuster Jucunda werkt in Zambia en zij schreef hem met de vraag of de miljoenen voor een bemande reis naar Mars niet beter besteed konden worden aan de bestrijding van armoede. Stuhlinger maakt zich er niet van af en legt in een lange brief uit waarom dat geld gerechtvaardigd is.

Een ander juweel is de brief van de oom van tekenfilmregisseur Chuck Jones. Die oom Lynn stuurde een hartverwarmende brief aan Chuck en zijn broers en zussen na het overlijden van hun hond Teddy. Een lang fragment, maar de brief is nog veel langer;

Lieve Peggy en Dorothy en Chuck en Dick,

Gisteravond werd ik gebeld. ‘Spreek ik met oom Lynn? ‘ vroeg een stem.
‘Jazeker,’ zei ik. ‘Ik heet Lynn Martin. Ben jij een of ander onbekend neefje?’
‘Ik ben Teddy.’ Hij klonk nogal ongeduldig. ‘Teddy Jones, Teddy Jones de hond…ik bel interlokaal.’
‘Pardon,’ zei ik. ‘Ik wil niet onbeleefd klinken, maar ik heb je nooit eerder horen praten – alleen blaffen of janken tegen de maan.’
‘Moet jij nodig zeggen,’ snoof Teddy, met de ongeduldigste snuif die ik ooit had gehoord. ‘Luister eens, het lijkt erop dat Peggy en Dorothy en Chuck en Dick het moeilijk hebben omdat ze denken dat ik dood ben.’ Aarzeling. ‘Nou ja, dat ben ik eigenlijk ook.’
Ik moet toegeven dat het een nieuwe en bovendien onverwachte ervaring voor me was om een hond te horen toegeven dat hij dood was. ‘Als je dood bent,’ vroeg ik, onzeker over hoe je nu precies tegen een dode hond moest praten, ‘waarom bel je me dan op?’ Weer viel er een geïrriteerde stilte. Het was duidelijk dat hij bijna zijn geduld verloor.
‘Omdat,’ zei hij, met de grootste zelfbeheersing die ik ooit in een hondenstem heb gehoord. “Omdat kinderen, wanneer je leeft, zelfs als ze niet precies weten waar je bent, wel weten dat je ergens bent. Dus ik wil ze graag laten weten dat ik misschien wel min of meer dood ben, maar dat ik nog steeds ergens ben.’

Als ik weer door het boek blader dan blijf ik lezen. In de verbijsterende brief van Mark Chapman, John Lennon’s moordenaar. Hij vraagt aan een memorabilia-expert wat zijn door Lennon voor zijn moord gesigneerde album zou kunnen opbrengen. In de prachtige brief van Ronald Reagan aan zijn zoon, in de vergeefse brief van een gedeserteerde soldaat die Eisenhower om genade smeekt voor zijn executie. In de brief van Einstein, die een negenjarig meisje antwoord geeft op de vraag of wetenschappers bidden. In de brief van architect Frank Lloyd Wright die niet te beroerd is om een hondenhok voor Eddie de labrador-retriever te ontwerpen. Een boek om te herlezen dus.

Vertaling; Lidwien Biekmann en Tracey Drost-Plegt

9044537911.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Elisabeth Leijnse heeft twaalf jaar geschreven aan haar dubbelbiografie Cécile en Elsa. Dat zijn de zussen De Jong van Beek en Donk en die krijgen de ondertitel strijdbare freules mee. Dat is niet voor niets, ze maakten meer dan genoeg mee om een biografie te rechtvaardigen.

De zussen groeiden op in een beschermd adelijk milieu. Op jonge leeftijd hadden ze dromen en ideeën te over en ze richtten zowaar een bond op, de ‘Bond ter bestrijding eener Gruwelmode’. Deze bond streed tegen het gebruik van vogelveren op dameshoeden en daaruit is de Vogelbescherming voortgekomen.

Zowel Cécile als Elsa trouwen. Cécile met de steenrijke Adriaan Goekoop, eeen Haagse bouwondernemer. Elsa zal trouwen met de componist Alphons Diepenbrock. Cécile zal zich onderscheiden door de organisatie van de eerste tentoonstelling over vrouwenarbeid en schrijft een zeer populaire feministische roman, Hilda van Suylenburg. Haar huwelijk met Goekoop is geen gelukkig huwelijk, ze zullen uiteindelijk scheiden.

Elsa is ook niet gelukkig met haar componist. Alphons is verliefd op een ander en Elsa gedoogt, tot ze het zelf aanlegt met de componist Matthijs Vermeulen. Dat duurt maar een jaar en ze blijft bij haar man.

Cécile zal na haar scheiding verhuizen naar Parijs waar ze de weduwnaar van haar nicht trouwt. Met hem krijgt ze haar enige zoon. Elsa en Alphons krijgen twee dochters. Alphons kan zijn buitenechtelijke relatie niet voortzetten en het echtpaar blijft bij elkaar tot Alphons overlijdt. Cécile zal in Parijs nog twee romans schrijven en zich uiteindelijk in de oorlog ontwikkelen tot een rabiate antisemiet.

Elsa waakt in Nederland over de nalatenschap van haar man, net als haar dochters dat na haar zullen doen. Odilia Vermeulen, dochter van componist Matthijs Vermeulen en Thea Diepenbrock zet hun werk voort.

Dat is in vogelvlucht de inhoud van het boek en daar doe ik het meteen ongelofelijk mee tekort. Het is heel veel meer dan dat. De auteur had de beschikking over een enorme hoeveelheid aan documentatie. Talloze brieven (alleen de correspondentie van Alphons Diepenbrock omvat al tien omvangrijke boeken), vuistdikke biografieën én veel informatie van nabestaanden én direct betrokkenen. In de epiloog geeft Leijnse ook aan dat ze heeft moeten schrappen; 400 pagina’s alleen voor de jeugdjaren zou wat teveel van het goede zijn.

Dan blijven er altijd nog 500 pagina’s over met een overvloed aan informatie, maar allemaal uiterst leesbaar opgeschreven. Het boek is daarmee meer dan een dubbelbiografie. Het geeft een tijdsbeeld weer. Van de aristocratie in de 19e eeuw, van het muziekleven in die tijd met mensen als Wagner, Mahler, Strauss en Mengelberg. Het gaat over de invloed van het geloof, met name op huwelijken tussen protestanten en katholieken, het gaat over het feminisme en vrouwenarbeid, we gaan van de Eerste naar de Tweede Wereldoorlog en hiermee worden de levens verweven van de zussen, hun mannen, ouders, minnaars en kinderen.

Daarmee zindert dit boek nog een beetje na. Op persoonlijke titel gaat mijn sympathie uit naar Elsa. Dat komt omdat zij de hoofdpersoon was in mijn vorige bespreking, getrouwd was met een componist wiens muziek ik hoog acht, maar ook door de ontberingen die zij heeft moeten doorstaan. Een volledige toewijding aan haar overspelige echtgenoot, waarvoor ze zo weinig terug kreeg en waar zij zich nog schuldig gaat voelen over haar verbittering dat ze bijna geen seksueel leven had bijvoorbeeld;

De meeste menschen vragen ook teveel van het leven, ik deed en doe dat in zulke oogenblikken ook. Een altijd zonnig land is onvruchtbaar, de woestijn, en ik weet ook dat er juist in die beperking van levensvreugde de grootste waarde ligt van het leven én van de vreugde. Il faut faire la part du feu. En mijn leven is naast en door hem toch al zoo heerlijk rijk en warm.

Er staan veel brief- en dagboekfragmenten in dit boek, naast veel foto’s. Dat verlevendigt het boek. Dat geldt ook voor de talloze details, zoals wanneer de componist Schönberg op bezoek komt bij Diepenbrock;

Hij vertelde dat hij twee leerlingen had meegebracht die nog grotere kakafonikers waren dan hijzelf. Het drong tot Fons door dat de schüler waarover Schönberg sprak, beneden in de stromende regen stonden te wachten tot hun onderhoud zou zijn afgelopen. Hij liet ze druipnat naar boven komen.

Niemand minder dan de componisten Alban Berg en Anton Webern stonden lijdzaam in de regen te wachten voor Diepenbrock’s huis. Ik kan daar dagen van nagenieten.

Het is een rijk boek dus en het wordt keurig afgesloten hoe het met de hoofdpersonen afloopt. Wie wanneer overlijdt, dat zie je vaker in biografieën en dat hoort zo. Wat niet per se hoort, is dat deze biografie wordt afgesloten met de  beschrijvingen en het overlijden van de dienstboden van Elsa en Cécile; Koosje en Miss Cappelle. Personen die zij in hun leven en wij in de biografie vaak tegen zijn gekomen, maar die weinig aandacht kregen. Tot nu. Beiden hun leven lang ongetrouwd en in dienst van de familie. Dat verraste en ontroerde tegelijk.

Lees ook vooral de bespreking van Bettina hier.

9028242309.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Soms komen er ineens een aantal lijntjes samen met een boek en dat was het geval met de roman Het grote zwijgen van Erik Menkveld. Ik had dat boek al even in de kast staan en was eigenlijk een beetje vergeten waar het over ging, tot ik het uit de kast pakte.

Het is een roman over de verhoudingen en relaties tussen de componisten Alphons Diepenbrock, Matthijs Vermeulen en de vrouw van Diepenbrock, Elisabeth de Jong van Beek en Donk. Nu gaan Diepenbrock, Vermeulen en ik al even terug. Ik ken hun muziek, ik heb van Diepenbrock de eerste drie delen van zijn correspondentie in de kast staan én gelezen, ik heb deze week de dubbelbiografie over Diepenbrock’s vrouw en haar zus gekocht, ik vind de biografie over Vermeulen van Ton Braas één van de beste biografieën die ik ken en ik kwam er deze week pas achter dat de schrijver van die biografie, Ton Braas, getrouwd is met Odilia Vermeulen, de dochter van Matthijs Vermeulen en Thea Diepenbrock, die weer de dochter is van Alphons Diepenbrock en Elisabeth de Jong. Bent u er nog?

Menkveld beschrijft in zijn boek hoe de jonge criticus (hij is nog geen componist) Vermeulen met Diepenbrock in aanraking komt. Deze is getrouwd met Elisabeth, maar het is geen gelukkig huwelijk. Hij heeft een affaire met Johanna Jongkindt, die hem beurtelings aantrekt en afstoot. Fictie en feiten lopen knap door elkaar heen, zoals het ‘Blasfemie’-incident in 1912. Hierin begon dirigent Willem Mengelberg, na een doorleefde uitvoering van Diepenbrock’s Te Deum, een donderende versie van het Wilhelmus, net als Diepenbrock zijn applaus in ontvangst wil nemen. Vermeulen schreeuwt door het Concertgebouw;

‘Godverdomme! Hoe haal je het in je kop, klootzak!’ roept Vermeulen…Diepenbrock staat nog steeds aan de balustrade, met een gezicht alsof hem zojuist een kaakslag is toegediend…Vermeulen kan zijn verontwaardiging niet langer inhouden, springt overeind en begint als een bezetene met zijn programmaboekje op de balustrade te slaan. ‘Blasfemie! Blasfemie!’

Alsof je er zelf bij bent. Feitelijk gebeurt er niet zo veel in het boek. Het gaat vooral om de relatie tussen Vermeulen en Diepenbrock en Elisabeth, die later op Vermeulen verliefd wordt. Vermeulen zet zijn eerste schreden op het componistenvlak, maar heeft moeite om feedback te krijgen van zowel Diepenbrock als Mengelberg. Die laatste acht hij hoog om zijn vakmanschap, maar als mens en collega blijkt het een ander verhaal. Ook de relatie met Diepenbrock is complex. Ze kunnen het goed met elkaar vinden, maar Vermeulen schroomt niet om de waarheid in zijn kritieken te zeggen als Diepenbrock zijn eigen werken niet goed dirigeert. Dan staat hun relatie weer op springen.

Dat geldt ook voor de relatie tussen Diepenbrock, zijn vrouw en zijn minnares. Die laatste wil weten waar ze aan toe is. Ze trouwt uiteindelijk ook met een ander maar ze kunnen elkaar aanvankelijk niet loslaten. Zijn vrouw Elisabeth komt erachter en schroomt niet om op haar beurt een relatie met Vermeulen aan te knopen. Daar is ze glashelder over tegen haar man;

Op zijn verwijt dat ze Vermeulen in Holtwick had ontvangen, antwoordde ze bits; ‘Holtwick is met mijn geld gebouwd. Ik heb het ingericht en draag er alle zorg voor. Ik ontvang daar wie ik wil.’
‘Gebruik je hem om wraak te nemen op mij?’ vroeg hij nog…’Wraak?’ antwoordde ze. ‘Welnee. Ik hou van Thijs.’ En vervolgens kondigde ze aan op geen enkele manier van plan te zijn zich beperkingen op te leggen in haar omgang met Vermeulen. ‘Jij hebt je geluk gezocht bij Jo. Ik heb ook recht op geluk. De enigen met wie ik rekening zal houden zijn Thea en Johanna.’ En voor hij kon antwoorden liep ze de kamer uit.

Ik ben wel benieuwd of dit een roman voor iedereen is. Het verhaal speelt zich af aan het begin van de twintigste eeuw. Een boeiende periode, waarin de industrialisatie op gang komt en men aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog staat. Er wordt fantastische muziek geschreven, door Diepenbrock, Mahler, Strauss en Willem Mengelberg is op het toppunt van zijn roem. Als muziekliefhebber kan ik hier geen genoeg van krijgen dus ik las het boek in één ruk uit. Sterker, ik blijf nog even in die tijd want ik ben al begonnen in de dubbelbiografie over de vrouw van Diepenbrock, Elisabeth, én van haar zuster Cécile.

De auteur, Erik Menkveld is helaas overleden, maar ik vond wel een mooi interview over zijn boek op Youtube. Lees ook vooral de bespreking van Anna hier.

9200000101990343
P.S. van Jet Steinz heeft als ondertitel Van liefdespost tot hatemail: de 150 opmerkelijkste Nederlandse brieven. In dit boek brengt Steinz 150 Nederlandse (maar niet per se in het Nederlands geschreven) brieven samen van bekende en onbekende personen. Brieven die op één of andere manier getuigen van een historische gebeurtenis of typerend zijn voor een bepaalde tijdsgeest. Soms hebben ze een rel veroorzaakt of zijn ze gewoon grappig of ontroerend.

Het is geen wetenschappelijk boek maar er zijn wel bepaalde criteria toegepast. “Nederlands” was door de eeuwen heen een veranderend begrip, dus het gaat om brieven van inwoners van een gebied dat op dat moment bij (een vorm van) Nederland hoorde. Wel een brief dus van Maeyken Wens (inwoner van wat nu België is) maar toen inwoner van de Habsburgse Nederlanden en dus geen brief van de Vlaamse Willem Elsschot.

De brieven moesten ook origineel zijn overgeleverd want het mooie van dit boek is dat alle brieven als facsimile zijn afgedrukt. Verder mochten afzenders en geadresseerden maar één keer voorkomen. Desondanks lijkt het mij een immens karwei om te kiezen uit al die overgeleverde brieven.

Om die keuze wat te stroomlijnen heeft Steinz gekozen voor een thema-indeling. Zeepost, dreigbrieven, smeekbrieven, fanmail, liefdesbrieven, dankbrieven, brieven met raad enzovoort. Er zijn maar liefst dertig thema’s.

Dat resulteert in een boek dat ik maar moeilijk kon wegleggen. Je stuit al snel op een briefkaart, geschreven aan boord van de Titanic. Dan een uitgebreide brief van arts, dichter en schrijver Slauerhoff en een handgeschreven briefje uit 1753 van een vijfjarige Willem V. Dan zit je pas op pagina 35 van de 529.

Ik ben door een aantal brieven verrast. De brief van de uit Indië gerepatrieerde Tjalie Robinson aan schrijfster Maria Dermoût bijvoorbeeld, die hij als boegbeeld zag van de Indische gemeenschap maar die rol te weinig pakte in zijn ogen. Robinson loopt helemaal leeg in een getypte brief van vier kantjes;

En moeten wij soms het sprookje geloven dat onze kinderen hier in Holland zullen slagen? Néén. De Hollander is incompetent, onvolledig, beperkt. Niet omdat hij inferieur is, maar omdat zijn deur niet open staat naar de tropen…Als ik denk aan al het talent dat in drie en een halve eeuw is weggesmeten, ik huil, ik kan niet slapen. Als ik denk aan het talent dat alsnog weggesmeten zal worden, dan word ik hels.

Een andere verrassing was de brief van oud-premier Colijn, geschreven tijdens de Lombok-oorlog in 1894 aan zijn vrouw. Schokkend om te lezen dat hij vrouwen en kinderen liet executeren en dat heel matter-of-fact in zijn brief zet. Ook een brief die niet voor publicatie bedoeld was, van de PvdA-er Gerard Nederhorst aan zijn partijgenoten kende ik niet en was explosief materiaal. Het ging over het voorgenomen huwelijk van Beatrix met Claus. Daarin meldt hij;

En hiermee komen we op de persoon-Von Amsberg. Eerlijk gezegd maak ik mij persoonlijk veel meer zorgen over kroonprinses Beatrix, wier eigenzinnigheid krachtig in toom zal moeten worden gehouden…

Ze zullen er nu hopelijk om kunnen lachen maar het was een ding midden jaren zestig. Verder zijn de voorbeelden legio van brieven die je wil lezen. De reactie van Harry Mulisch op de schorsing door de bibliotheek, fanmail aan de popgroep Doe Maar, een brief van de beul van Cornelis de Witt aan diens weduwe, het briljante kleine briefje over de verwerving van Manhattan door de Nederlanders, de afwijzing van Jasperina de Jong door Wim Kan, de slechte excuusbrief van Joran van der Sloot aan de media, het advies van het jongetje Arjan Bogaard aan Joop den Uyl hoe om te gaan met de Molukse treinkapers, de sollicitatiebrief van Baantjer bij de politie. Teveel om op te noemen.

Onherroepelijk zijn de afscheidsbrieven het meest schrijnend. Of juist de brieven van mensen die niet wisten dat het hun laatste brief was, zoals die van de in Afghanistan gelegerde Mark Schouwink. Of weer juist die brieven die qua inhoud wellicht niet aanspreken, maar wel hoe ze overgeleverd zijn, zoals de brief aan Ayaan Hirsi Ali, achtergelaten op de vermoorde cineast Theo van Gogh.

Om wat vrolijker te eindigen, ik moest lachen om de brief van de firma Jamin aan acteur Albert Mol. Die had op het hoogtepunt van zijn roem beweerd dat, als hij in zijn blote kont ging staan met een bonbon in zijn hand, hij zo een ton van Jamin kon krijgen. Ik ga niet weggeven hoe Jamin reageerde, maar dat zouden meer bedrijven moeten doen.

Zoals gezegd lijkt het me een klus om te kiezen uit zoveel brieven en wellicht komt er nog een keer een vervolg. Het idee is niet helemaal nieuw want in 2014 kwam Letters of Note uit van Shaun Usher. Dat is de internationale pendant van dit boek, waarvan ik de Nederlandse vertaling net in huis heb, Brieven van belang.

Waar ik altijd wel foutjes in boeken ontdek heb ik die nu eerlijk gezegd niet gezien. Even veerde ik op bij een emigrantenbrief uit Toronto, Australië. Toronto ligt natuurlijk in Canada… Tot ik las dat de brief eerst naar Toronto in Canada gestuurd was, terwijl er toch duidelijk Toronto in Australië op stond. Ik leer steeds weer bij.