9492020262.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Klinkenke alchemie is de titel van 98 verzamelde muziekessays van musicoloog Maarten Brandt. Het zijn stukken die eerder zijn verschenen in het muziektijdschrift Mens en melodie, op de door mij regelmatig geraadpleegde website www.opusklassiek.nl of die gebruikt zijn bij lezingen of programmatoelichtingen.

U kunt die stukken dus soms afzonderlijk opzoeken, maar dan doet u dit lijvige boek van 667 pagina’s tekort. De stukken zijn herschreven naar deze tijd en zorgvuldig in een bepaalde volgorde gepubliceerd. Dat heeft te maken met de rode draad in dit boek. Die gaat namelijk over composities, maar vooral over de uitgekiende combinaties van die composities, die samen een meerwaarde opleveren voor de luisteraar.

Dat is een kunst op zich en het boek is tevens een pleidooi voor eerherstel van de artistiek directeur bij de verschillende concerthuizen. Componist en musicoloog Marius Flothuis (1914-2001) was een meester in het samenstellen van dergelijke avontuurlijke programma’s en aan hem is dit boek dan ook opgedragen. Of dit al niet genoeg was; Brandt trekt het verhaal nog breder, het boek is bovenal bedoeld als signaal om een traditie in stand te houden die door zoveel factoren wordt bedreigd; de uitvoeringspraktijk van symfonische muziek in de ruimste zin van het begrip.

Voor de klassieke muziekliefhebber biedt dit boek een schat aan informatie. Ik geef direct maar een voorbeeld van die rode draad. Een orkest programmeerde een concert als volgt;

Stravinsky                          Scherzo à la Russe
Chopin                               Eerste pianoconcert in e, opus 11
——-
Stravinsky                          Symfonie in drie delen
Debussy                             Petite suite (instrumentatie: Henri Büsser)

Dat lijkt een mooi en afwisselend programma maar Brandt toont aan waarom dit niet werkt. Die symfonie van Stravinsky is van zodanige allure dat niemand op een mondain stuk Debussy daarna zit te wachten (hoe mooi het werk ook is). Brandt geeft vervolgens andere suggesties en onderbouwt deze ook. Zo leert u bijvoorbeeld ook waarom de componist Henze prima samengaat met Mozart. U heeft geen idee natuurlijk en het hangt af van welke compositie er op welk tijdstip gespeeld wordt, maar het zijn regelrechte eye-openers.

Zo staan er talloze voorbeelden in het boek. Brandt stelt zelfs zijn ideale seizoensprogramma samen en met behulp van de tegenwoordig beschikbare streamingdiensten of wellicht uw eigen collectie kunt u eindeloze programma’s beluisteren. Ik ben nog lang niet klaar met dit boek.

Naast programmatoelichtingen zijn er ook andere stukken als interviews, cd-besprekingen en overpeinzingen over het Nederlandse concertleven. Ik heb een lange luisterlijst samengesteld naar aanleiding van de besproken werken. Zo was de componist Rudi Martinus van Dijk met zijn Kreitens-Passion een ontdekking, net als het hoornconcert van Oliver Knussen, de werken van de Indiase componist Param Vir en de McGonegall-Lieder van Rob Zuidam. Het is wel handig om enige kennis te hebben van de wat modernere klassieke muziek, of hier tenmiste iets over te willen opzoeken, anders heeft u geen idee waarom hoofdstuk 33 met de titel Over vier minuut drieëndertig ruim vier blanco pagina’s telt.

Natuurlijk gaat het over de Mahler-traditie in dit land. Ongekend populair en het mag soms wat minder volgens de auteur. Dat geldt helemaal voor Sjostakovitsj. Die moet het door het hele boek ontgelden, dat viel wel op (niet zozeer omdat zijn muziek slecht zou zijn maar eerder doordat deze te vaak of onjuist geprogrammeerd wordt). Als er een zwaar bezette Mahler-symfonie (weer) wordt geprogrammeerd, gaat dat direct ten koste van het budget en dus van vaak minder gehoorde en nieuwere stukken die net zo belangrijk zijn of kunnen worden voor het muzikale landschap.

De interviews en artikelen over en met Pierre Boulez en Bernard Haitink zijn prachtig om te lezen. De laatste kon zeer goed overweg met Marius Flothuis en beiden zorgden voor prachtige programma’s bij het Concertgebouworkest met veel Nederlandse muziek. En passant wordt aangetoond dat de beruchte Notenkrakersactie voor een groot deel onterecht was. Die actie, een verstoring van een concert van Bernard Haitink, was een protest door een aantal componisten tegen de ondervertegenwoordiging van hun werken in de programmering.

Het pleidooi van een juiste programmering, waarbij ‘de klassieken’ gecombineerd worden met recentere werken, wordt mooi verwoord door de Hongaarse componist en dirigent Peter Eötvös;

“Je mag nooit zeggen ‘we spelen dit niet, omdat het publiek er niet van houdt’,” is zijn stellige overtuiging. “Er zijn weliswaar managers die dat beweren, maar dit klopt eenvoudig niet. Waar het om gaat is het uitstralen van visie en kwaliteit. De realiteit is dat het telkens binnen een andere programmatische context herhalen van een moeilijk stuk vruchten afwerpt…”

U kunt dat met dit boek in ruime mate zelf uitproberen, al is het maar met de bijgeleverde cd, waarop de goed in het gehoor liggende Serenade nr.10Gran Partita’ van Mozart wordt gevolgd door de Variationen für Orchester van Anton Webern en wordt afgesloten door het voor pianisten moeilijke maar prachtige Piano Concerto van Elliott Carter.

Ik ben een redelijk gevorderde liefhebber (doch musicologisch volslagen ongeschoold) en ik hoefde al niet enthousiast gemaakt te worden voor modernere muziek, maar dit boek heeft mij talloze tips opgeleverd voor nieuwe luisterervaringen en veel extra kennis opgeleverd. De bespreking zou te lang worden om dieper in te gaan op Cristina Deutekom die Varèse zingt, de start van de traditie van extra paukenslagen in Bruckner of de weelderige bewerking van De Matthäus-Passion door Robert Franz. Dan moet u het boek echt zelf lezen.

 

9029094206.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Papyrus van de Spaanse schrijfster Irene Vallejo wordt aangeprezen als een ‘ontroerende en eigentijdse hommage aan het boek’ op de achterkant en de voorkant spreekt van ‘Een geschiedenis van de wereld in boeken’. Dat is nogal een breed begrip maar als liefhebber van boeken over boeken kon ik dit maar moeilijk laten liggen. Het is een boek van bijna 500 pagina’s. Pure tekst, geen afbeeldingen, uw verbeelding moet het hem doen.

Dat was geen probleem. Het is een vlot geschreven boek, waarbij enige voorliefde en misschien kennis van de klassieke oudheid best handig is. Het boek is namelijk verdeeld in twee delen. Deel 1 heet Griekenland bedenkt de toekomst en deel 2 De wegen van Rome. Hebt u die kennis of voorliefde (nog) niet; niet getreurd, saai en stoffig wordt het nergens.

Dat heeft te maken met de vertelkunst van Vallejo. We sluiten in de eerste zin meteen aan bij een stel ruiters die in Griekenland op zoek zijn naar boeken in opdracht van Ptolemaeus, de farao van Egypte, die boeken nodig had voor de bibliotheek van Alexandrië. Niet minder dan alle boeken ter wereld (die gelukkig wat overzichtelijker was dan de onze) moesten daar terecht komen. Zo komen we dus in Alexandrië, gesticht door Alexander de Grote. De grote veroveraar die nooit ging slapen zonder een dolk en de Ilias van Homerus onder zijn kussen. Alexandrië, waar de legendarische bibliotheek onderdeel was van het Mouseion, of de Tempel der Muzen. Een centrum van geleerdheid en wetenschap van de toenmalige hellenistische wereld. Talloze boekrollen moeten er hebben gelegen, die wat anders ter hand werden genomen dan een boek in onze dagen;

Een boekrol werkte heel anders dan een boek met bladzijden. Bij het openen van een rol papyrus trof je een lange rij tekstkolommen aan, die van links naar rechts liepen. Al lezend rolde de lezer met zijn rechterhand de rol af en met zijn linkerhand rolde hij op wat hij net gelezen had. Een kalme, ritmische, verinnerlijkte beweging; een trage dans.

Die boekrollen werden gemaakt van papyrus en er wordt uitgebreid stilgestaan bij het belang hiervan én de verschillen ten opzichte van het perkament. Dat werd namelijk belangrijk toen er een boycot kwam van papyrus en men in het (nu) Turkse Pergamon een oude oosterse techniek perfectioneerde om op dierenhuid te schrijven.

In dit deel van het boek staat Vallejo uitgebreid stil bij het belang van de Ilias en Odyssee van Homerus. Wat erg aangenaam is dat ze moeiteloos verbanden legt met het heden. Zo stond de wereld op zijn kop toen Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur toebedeeld kreeg, maar Vallejo geeft subtiel aan dat de oude barden een goed deel van de klassieke literatuur uit hun hoofd kenden en in die liederen uitlegden wat er in de wereld aan de hand is. Zo is die Nobelprijs ineens niet zo vreemd meer. In haar woorden;

Een Nobelrpijs voor Oraliteit. Hoe oud kan de toekomst zijn.

Die verbinding met het heden zoekt Vallejo vaker en dat maakt het een levendig boek. In de dystopische roman Fahrenheit 451 van Ray Bradbury worden alle boeken verbrand. Zo dystopisch was dat echter niet, want in het jaar 213 v.Chr. beval de Chinese keizer Qin Shi Huangli precies hetzelfde. Alle boeken moesten weg, de geschiedenis diende bij hem te beginnen. Ik houd erg van dit soort weetjes. Nog mooier is het verhaal van de ‘schildsmijter’ Archilochus. Je schild wegsmijten en wegrennen was de grootste schande die een Griekse krijger kon overkomen, maar hij deed het en stond zich er op voor. Hij vond het grappig zich te presenteren als anti-held, hoewel hij wel degelijk moedig was;

‘Het schild dat ik tot mijn spijt in een struik gooide, een uitstekend ding, daar zwaait nu een Thraciër mee. Maar ik heb mijn huid gered. Wat kan me dat schild schelen? Weg ermee. Ik koop wel weer een nieuw, dat net zo goed is.’

Maakt u zich geen zorgen, hij stierf volgens goede gewoonte keurig op het slagveld.

Maar er staat zo veel meer in dit boek. In het deel De wegen van Rome wordt uitgebreid stilgestaan bij de boekhandelaars uit het verleden en het heden, het begrip ‘klassieker’ en vrouwenstemmen uit heden en verleden. Ook de toekomst van het boek krijgt aandacht. Vallejo ziet het, bij monde van professor Victor Lapuente Giné, niet zo somber in;

Als we iets ouds met iets nieuws vergelijken – zoals een boek met een tablet, of een non die in de metro naast een chattende puber zit – , denken we dat het nieuwe meer toekomst heeft. In feite is het precies omgekeerd. Hoe langer een voorwerp of een gewoonte onder ons is, hoe meer toekomst dat voorwerp of die gewoonte heeft…Het is waarschijnlijker dat er in de 22e eeuw nog nonnen en boeken zijn dan Whatsapp en tablets.

Van die nonnen ben ik niet zeker, maar ze heeft een punt, sommigen zaken kunnen moeilijk verbeterd worden (boek, stoel, wiel, u kent ze wel). Daarom hoop ik dat er nog lang boeken verschijnen en dit soort boeken over boeken; ze zijn beiden zeer noodzakelijk.

Vertaling; Adri Boon

9089898433.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De ontdekking van de natuur van Hans Mulder is een verzameling van twintig verhalen die vertellen hoe West-Europeanen tussen ongeveer 1500 en 1900 de natuur hebben ontdekt, beschreven en soms ook geclassificeerd. Hans Mulder is historicus en werkt als conservator natuurlijke historie van van de Universiteit van Amsterdam, nu ondergebracht in het Allard Pierson. In die functie geeft hij veel lezingen en er was hem gevraagd deze lezingen op een toegankelijke manier in een boek te verwerken en daarvan is dit het resultaat.

Het is qua afmetingen een fors boek, ruim 33 bij 25 centimeter, en dat is maar goed ook. Het staat namelijk vol met prachtige, vaak paginagrote illustraties, veelal uit de collectie van het Allard Pierson. Als u even dit filmpje bekijkt ziet u er iets meer van.  

Het eerste hoofdstuk is een wat algemener verhaal wat ingaat op enkele gebeurtenissen die belangrijk waren voor wat er daarna op het gebied van de natuurlijke historie plaatsvindt. Denk dan aan de uitvinding van de boekdrukkunst, de Reformatie en de ontdekkingsreizen van die tijd. De Reformatie? Jawel, de vertaling van de Bijbel leidde volgens verschillende historici tot een toenemende interesse in de natuur. Een interessante opvatting en die had ik graag nader toegelicht gezien. Voor de leesbaarheid heeft de auteur er echter voor gekozen om geen notenapparaat toe te voegen, we moeten het doen met een beknopte literatuurlijst.

Laat u dat echter niet weerhouden om dit boek te lezen want eerlijk is eerlijk, het is een plezier om door dit boek heen te bladeren en de bijbehorende verhalen te lezen. We lezen over vreemde vogels zonder vleugels en poten;

De verklaring voor het vaak ontbreken van vleugels en poten bij deze vogels wanneer ze in Europa aankomen, is simpel; de mensen die de vogels prepareerden, gebruikte de vogels voor versiering. Het ging dan vooral om de (staart)veren. Vleugels en poten konden gaan rotten en dus stinken.

Logisch, maar als je zo’n incomplete vogel natekent krijgt Europa af en toe een wat vertekend beeld van wat voor vogels er in het Verre Oosten leven. Antoni van Leeuwenhoek met zijn ontdekkingen van ‘kleine dierkens’ is redelijk bekend, maar Maria Sybilla Merian is dat veel minder. Deze vrouw vertrok met haar dochter naar Suriname om daar onderzoek te doen naar de metamorfose van inheemse insecten. Ook Georg Rumphius kent niet iedereen. Hij bracht onder meer het plantenleven en de schaal- en schelpdieren op Ambon in kaart. Pioniers van de natuurwetenschap dus.

Er komt een heel scala van andere natuurvorsers aan bod, waarvan Carolus Linnaeus, Alexander von Humboldt en Charles Darwin de bekendste zijn. Leuk, maar ik vind het net zo interessant om te lezen over de wetten van Lamarck, die gaan over de evolutie. Ik kende ze niet;

De eerste luidt dat bij een dier dat niet het einde van zijn ontwikkeling heeft bereikt, organen die veel worden gebruikt, sterker worden en andere die niet of nauwlijks worden gebrukt, steeds zwakker. En de tweede wet zegt dat onder invloed van de omgeving een bepaald orgaan dat intensiever wordt gebruikt, bij voortplanting voor de nakomelingen wordt bewaard.

U snapt dat de lange nek van een giraffe die alsmaar hoger reikt naar smakelijk voedsel een onomstotelijk bewijs is. Maar uiterst interessant om te lezen, ik krijg veel mee over de heersende opvattingen van een paar eeuwen terug. Die vinden we ook terug in de creationistische denkbeelden van William Paley; als je een horloge aandachtig bestudeert, ga je beseffen dat zoiets niet spontaan is ontstaan maar gemaakt. Datzelfde zou moeten gelden voor de natuur, aldus Paley.

Uiteraard besteedt Mulder aandacht aan de natuur in de binnenstad, zoals een dierentuin als Artis, de werkplek van Mulder. Ook de dierentuin in Utrecht van professor Theodoor van Lidth de Jeude krijgt aandacht. Hij was buitengewoon hoogleraar natuurlijke historie aan de Universiteit van Utrecht en legde de basis voor een enorme verzameling van afbeeldingen van dieren, die hij alle zorgvuldig classificeerde en gebruikte voor zijn onderwijs. Ze zijn terug te vinden op Wikimedia Commons onder de naam Iconographia Zoologica.

Kortom, twintig mooie verhalen die je wat bijbrengen over hoe de natuur ‘ontdekt’ en in beeld is gebracht, door bekende en minder bekende vorsers, met mooie anekdotes (‘onze’ Nederlandse mosasaurus is geruild met een Fransman voor 600 flessen wijn en bevindt zich nog steeds in Parijs) maar vooral met prachtige illustraties die een feest voor het oog zijn.

9f5fec959ae647f59384d615851444341587343_v5
Verzameld werk 2 van Karel van het Reve begint met twee romans, te weten Twee minuten stilte en Nacht op de kale berg. Daarna volgen zijn literatuuropstellen in Rusland voor beginners, zijn Siberisch dagboek en een grote verzameling ongebundeld werk over een groot aantal onderwerpen. Het zal niet verbazen dat het zwaartepunt van die onderwerpen bij Rusland en haar literatuur ligt.

De romans zijn vermakelijk om te lezen. In Twee minuten stilte komt de directeur van het Instituut voor Oost-Europese Cultuurgeschiedenis om het leven door een bomaanslag en gaat de hoofdpersoon op onderzoek uit. Later in zijn stukken vernemen we van de auteur dat in die directeur de Nederlandse vader aller Slavisten is geportretteerd, prof. dr. Bruno Becker;

In Twee minuten stilte heb ik hem het slachtoffer doen worden van een bomaanslag. Ook hierin heeft hij mij woensdag gecorrigeerd door een benijdenswaardige dood te sterven: herstellend van een korte ziekte, zittend in een stoel, zoals Goethe en Schopenhauer.

De tweede roman is een raamvertelling over een weddenschap tussen twee mannen en een jonge vrouw waarin men, volgens de originele stofomslag, krijgt;

Nuttige wenken voor kampeerders, een gedetailleerde handleiding voor het verwerven van een miljoen, een vergelijkende studie van protestantse en katholieke radiosprekers, levensbizonderheden…een onverwacht sterfgeval…een recept voor het maken van gloeiwijn, citaten uit andere bekende boeken.

Beide verhalen zijn met humor en vaart gesschreven. Toch gaat mijn echte belangstellig uit naar het beschouwend werk van Van het Reve. Zijn opstellen zijn stuk voor stuk interessant om te lezen, zeker als je van Russische literatuur houdt (hoewel ik daar nog niet heel grote stappen in heb gezet eerlijk gezegd). Maar hij legt uit waar Toergenjev zijn roem aan dankt of hij beschrijft, en dat is nog mooier, de koele nuanceringen op diens werk door de Britse schrijver Somerset Maugham.

Van het Reve zet Poesjkin neer als de vader van de Russische literatuur en Tsjechov als detectiveschrijver. Ook zijn Siberisch dagboek is een plezier om te lezen. Van het Reve maakt een reis met de Transsiberië Express en doet verslag. Daarin maakt hij gerust uitstapjes naar herinneringen, zoals naar de anekdote die zijn vader hem vertelde over een rondleiding die de communist Louis de Visser genoot door een fabriek;

De Russische communist Karl Radek leidt hem rond…Vroeger, legt Radek uit, was hier een verlaten, tsaristische vlakte. Nu staat hier die geweldige socialistische fabriek. En die geweldige fabriek produceert niets anders dan email naamplaten! Louis de Visser is onder de indruk van zoveel specialisatie. Sterker nog, zegt Radek; al die naamplaten dragen hetzelfde opschrift! Wat dan? vraagt Louis. ‘Lift werkt niet’ zegt Radek.

Belevenissen onderweg, beschrijvingen van het Bajkalmeer (ontploffen vissen nu wel of niet als je ze van 1600 meter naar boven haalt?) en ontmoetingen maken het allemaal zeer lezenswaardig.

De ongebundelde stukken zijn een grote verzameling van kort werk en beslaan 300 van de in totaal 886 pagina’s. Uiteraard veel publicaties over Russische literatuur, zoals over Alexander Blok, Maxim Gorki, Ivan Boenin, Alexander Fadejev en Sergej Jesenin. Die laatste was een tragische figuur. Uiteindelijik gevierd als dichter maar al jong zelfmoord gepleegd na een turbulent leven. Hij had, net als iedere dichter en schrijver te maken met de censuur van de overheid, dus het is interessant om te lezen hoe schrijvers gebruik maken van ‘locomotieven’ in hun werk. Dat kan een gedicht of passage in hun werk zijn over een elektrische centrale of over de stuwdam bouwende jeugd, over de misdaden van de Amerikanen in Vietnam of over de deugden van het Cubaanse volk, bedoeld om een bundel of werk door de censuur heen te trekken.

Dat is toch de verdienste van Van het Reve. Ik ben niet direct thuis in de Russische literatuur, maar hij slaagt erin om het allemaal zo te beschrijven dat ik het met plezier lees. Het is niet alleen literatuur wat de klok slaat; ik wil nog steeds graag weten welk lid van het Koninklijk huis hij is tegengekomen die met de eerste elpee van Tom Lehrer onder de arm door Den Haag fietste.

9029092963.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Utopia Avenue van David Mitchell is een boek over het succes van een Britse band in de jaren zestig. Een dik boek van bijna 650 pagina’s over die muzikale periode kan ik onmogelijk laten liggen, zeker als er zoveel lovende woorden over gesproken worden. Of ik mij daarbij aansluit gaan we zien.

Dean is een bassist zonder band en die wordt door een manager, Levon, samengebracht met folkzangeres en toetseniste Elf, met de gitarist Jasper en met drummer Griff. Zo wordt de band Utopia Avenue geboren. Ze schrijven bijna allemaal nummers voor de band en boeken al snel hun eerste successen. Dan begint er een werkelijk duizelingwekkend verhaal waar alle ingrediënten van een band uit de jaren zestig wel in zitten.

In grote lijnen dan; vroeg succes, maar de tweede single doet weinig. Er is een grote afhankelijkheid van de platenmaatschappij die botst met de eigen wil van de bandleden;

‘Nee, nou moet jíj eens fokkin goed luisteren!’ Griff boog zich naar voren. ‘Wie reizen d’r midden in de nacht stad en fokkin land af terwijl jij knus in je bedje ligt te pitten? Wij…Dus als jij die dertienduizend pietermannen terug wilt zien, laat je óns die fokkin single uitkiezen. Óns. En “Abandon Hope” is de volgende single.’
…’Dus waar jullie mee dreigen,’ vatte Günther samen, ‘is het volgende. “Doe wat wij zeggen, anders saboteren we onze eigen carrière”?’

Dan gaat het lopen en volgen er optredens, ook internationaal. Er komt een optreden bij het programma Fenklup bij de AVRO, met een interview door Henk Teuling (hier weeft Mitchell mooie dingen door elkaar; een bestaand programma, andere omroep, niet bestaande presentator). Tijdens een reis naar Italië wordt Dean gearresteerd voor drugsbezit en belandt in de cel. Het komt hun populariteit allen maar ten goede.

Ze worden zo groot dat ze in de Verenigde Staten belanden. Uiteraard logeren ze in het beroemde Chelsea Hotel in New York en ontmoeten ze alle grote artiesten van die tijd. Hun optredens zijn een belevenis en waar dit eindigt zult u echt zelf moeten lezen.

Dat lijkt het verhaal, maar er is zoveel meer te vertellen. Allereerst de talloze verhalen die naast die grote hoofdlijn bestaan. Het auto-ongeluk van Griff en de relatie tussen Dean en zijn gewelddadige en alcoholistische vader. Het neefje van zangeres Elf en de relaties die zij aangaat. Een belangrijk verhaal is Klop Klop, die in het hoofd van gitarist Jasper de Zoet bestaat, samen met de Mongoliër die hem in eerste instantie voor de dood behoedt.

Mitchell-lezers kijken op van de naam De Zoet en dat klopt, de auteur gebruikt personages uit andere romans in Utopia Avenue, in dit geval een nazaat van Jacob de Zoet uit zijn roman De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet. Ik zag de term ‘Cloud Atlas’ ook voorbij komen en Crispin, de zoon van actrice Tiffany Hershey waar Dean het bed mee deelt, komt weer voor in de roman Tijdmeters.

Mitchell doet nog meer, hij trekt alle registers open. Crispin is een onhebbelijk ventje en op een feest met allerlei beroemdheden schiet hij denkbeeldig Jimi Hendrix, Brian Jones en Keith Moon dood. Inderdaad artiesten die iets te snel het tijdige met het eeuwige verwisselden. Het is mooi gevonden om David Bowie op de trap naar boven tegen te komen, als diens carrière in de lift zit. Uiteraard komen we hem tegen op de trap naar beneden bij tegenslag in zijn leven. Mitchell weeft al die bekende artiesten knap door zijn verhaal, maar soms wordt het iets teveel uitgemolken. Elf komt in het Chelsea Hotel ene Lenny tegen, die haar uitnodigt voor het feest van Janet. Wat had het subtiel geweest om het daarbij te laten…liefhebbers zijn immers bekend met de affaire van Leonard Cohen en Janis Joplin in dat hotel wat tot een prachtige songtekst leidde…Mitchell legt het echter helemaal uit en we maken het hele feest mee.

Daar is het dus soms wat teveel van het goede. Dat geldt ook voor de krantenartikelen die in het boek zijn opgenomen, zoals over Dean’s arrestatie in Italië. Via dat artikel lezen we alles voor de tweede keer. Verder bekroop mij af en toe het gevoel dat alles wat ik in muzikanten-biografiën heb gelezen over die tijd in dit verhaal geperst moesten worden. De werkelijkheid is juist soms fantastischer dan de roman zelf.

Dat neemt niet weg dat het verhaal met vaart geschreven is en dat ik het met plezier gelezen heb.. Mitchell springt heen en weer in de tijd, maar je raakt nooit de draad kwijt, alles is helder. Niet zo helder als de onvermijdelijke lsd-trip die zo bij die tijd hoort en die Dean bij Jerry Garcia van The Grateful Dead ondergaat;

Het broodje is een echt, zacht sponzig broodje dat in- en uitademt, in- en uitademt. ‘Jouw grote misvatting,’ zegt het broodje tegen Dean, ‘is dat je ervan uitgaat dat je brein een bubbel van bewustzijn genereert die je “ik” noemt…In de schaduw van een muziektent plast Dean diamanten…

Vertaling; Harm Damsma en Niek Miedema

 

9046827577.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Shuggie Bain is de debuutroman van de Schots-Amerikaanse schrijver Douglas Stuart die hem direct de prestigieuze Booker Prize 2020 opleverde (niet te verwarren met de International Booker Prize van dat jaar die Marieke Lucas Rijneveld won). Het boek gaat over het jongetje Hugh ‘Shuggie’ Bain, die in de jaren tachtig zijn jeugd doorbrengt in een vervallen sociale huurwoning in Glasgow.

Zijn vader is Shuggie senior, een taxichauffeur die nachtdiensten draait en iedere vrouw probeert te versieren die hij kan. Zijn moeder, Agnes, is verslaafd aan alcohol. Verder heeft hij een zus Catherine en een broer Leek. Wat Stuart meteen goed doet is de sfeer en het tijdsbeeld van Glasgow beschrijven waarin het gezin woont. Het is een prettige constante in dit boek;

Shug drukte het gaspedaal dieper in. De stad was aan het veranderen, hij zag het aan de gezichten. Glasgow was zijn bestemming kwijt…Hij hoorde zijn klanten klagen over Thatcher, die neerkeek op eerlijke arbeid en meer zag in technologie, kernenergie en particuliere gezondheidszorg. De tijd van industrie was voorbij en de geraamtes van Clyde Shipworks en Springburn Railworks lagen als rottende dinosuarussen verspreid over de stad.

Shug senior is zijn gezin en vooral zijn vrouw zat en laat ze achter in een kleine huurwoning aan de rand van Glasgow. De sociale controle is er groot en het nieuwe gezin ligt er onder een vergrootglas. De kleine Shuggie heeft het moeilijk want de buurtkinderen komen er al snel achter dat hij ‘anders’ is. Zijn moeder Agnes verliest zich in de drank. Zus Catherine vertrekt naar Zuid-Afrika en zijn grotere broer Leek verdwijnt meestal en gaat zijn eigen gang.

Door het wegvallen van de taxi-inkomsten is er armoede. Het gezin leeft van de bijstand en leert al snel om te sjoemelen met de electriciteitsmeter; met een haarspeld het kastje openwrikken om de muntjes terug te pakken die je er voor de electriciteit in moet gooien.

Agnes heeft het moeilijk als alleenstaande moeder. Haar geld maakt ze direct op aan de drank. Toch moet ze keer op keer haar buurtbewoners onder ogen komen en dan zorgt ze dat ze er tiptop uitziet. Shuggie wordt tegen wil en dank haar steun en toeverlaat en draait op voor de incasso van de bijstand. Hij staat haar bij waar hij kan;

Haar lichaam hing over de rand van het bed en aan de rare kromming zag Shuggie dat ze de hele nacht had liggen tollen van de drank…Shuggie zette drie mokken op een rij: één met kraanwater om de barstjes in haar keel te verzachten, één met melk als beschermlaagje voor haar zure maag en de derde met alle verschaalde restjes Special Brew en Sweetheart Stout die hij bij elkaar had gesprokkeld en met een vork had opgeschuimd.

Agnes bezoekt AA-bijeenkomsten en het lukt haar om een tijdje van de drank af te blijven. Ze krijgt een relatie met Eugene, maar vervalt uiteindelijk weer in oude gewoonten. Shuggie heeft zijn eigen problemen. Hij valt op jongens en dat helpt niet in de macho-cultuur waarin hij opgroeit. Hij wordt regelmatig in elkaar geslagen en opgejaagd.

Het gezin blijft niets bespaard. Agnes doet een zelfmoordpoging en Shuggie gaat tijdelijk bij zijn vader wonen en diens nieuwe gezin. Een plek waar hij ook niet welkom is. Als Agnes weer op de been is besluit ze tot een huizenruil. Ze wil terug naar de stad om een nieuw begin te maken met Shuggie. Zijn broer Leek is dan al naar Glasgow vertrokken. Of dat nieuwe begin er komt moet u vooral zelf gaan lezen.

Het is een rauw verhaal met een sterk autobiografische inslag. De auteur is zelf opgegroeid in armoede in Glasgow en is homoseksueel. Hij kent de sfeer daar dus als geen ander, maar je moet het wel kunnen verwoorden en dat kan hij. Het boek is zeer vlot leesbaar en alles wordt beeldend beschreven. Interieurs, de stad, maar dus ook het tijdsbeeld van de jaren tachtig met de regering-Thatcher en de tegenstellingen tussen katholieken en protestanten. Het is een boek over verval en armoede, alcoholisme en het achterlaten van mensen, met af en toe een lichtpuntje van liefde en genegenheid. De moeite waard wat mij betreft.

Vertaling; Inger Limburg en Lucie van Rooijen

1a56c0bff157501597449507851444341587343_v5
Op 22 februari van dit jaar is de schrijver Arnon Grunberg 50 jaar geworden. Ter gelegenheid daarvan bedacht Boekhandel Broekhuis een actie waarvoor Grunberg het verhaal Een kind, 50, Amerikaan schreef. Dat verhaal is uitgegeven in een boekje met een gelimiteerde en genummerde oplage van 200 stuks. Het is niet in de winkel verkrijgbaar en is verstuurd naar de eerste 200 klanten die voor minimaal € 50 aan literatuur bij Broekhuis hebben gekocht.

Blijkbaar heb ik dat gedaan want ik heb het boekje in mijn bezit. Het is een kort verhaal van nog geen vier pagina’s geschreven tekst, maar Grunberg laat toch drie voor hem actuele thema’s aan bod komen. Het kind dat hij en zijn vriendin verwachten, zijn verjaardag en zijn naturalisatie tot Amerikaan. U begrijpt, de thema’s staan al in de titel.

Een korte proeve dan van de drie thema’s, te beginnen met het kind;

Als ik midden in de nacht wakker word, ben ik ervan overtuigd dat Frummel licht zal verspreiden op deze wereld.

Grunberg appt met een ex over zijn vijftigste verjaardag;

Ik appte terug: ‘Nee, ik ben niet nerveus dat ik bijna VIJFTIG ga worden, zijn er dingen die jou nerveus maken?’
Op die vraag is nog geen antwoord gekomen.*

*Inmiddels wel. Ze schreef: ‘Ik ben nerveus vanwege het feit dat mijn ex-vriend straks VIJFTIG is.’

En over zijn naturalisatie tot Amerikaan mag dit fragment niet ontbreken, al was het maar omdat ik net iets van James Baldwin heb gelezen;

Het waarlijke geheim van de eeuwige jeugd is natuurlijk de juiste dosis fatalisme. En om Amerikaan te worden en te blijven, Amerika is niet voor niets door James Baldwin omschreven als een adventure in real estate, heb je behoorlijk wat fatalisme nodig.

Als u dit verslag gelezen hebt, hebt u ook meteen een goed deel van het boek gelezen, dat scheelt. Het is natuurlijk een bibliofiel hebbeding, maar zeer verzorgd uitgegeven door uitgeverij Sunny Home en dit is, om precies te zijn, nummer 76 van deze jubileumuitgave.

1e95109228be255596c57707841444341587343_v5
Bij de Verzamelde werken van Plato heeft vertaler Mario Molegraaf een biografische schets van Plato geschreven. Het is een dun boekje van 48 pagina’s maar interessant om door te nemen als je Plato’s werk leest.

Molegraaf kan in een biografische schets niet anders dan verwijzen naar de Plato-biograaf en classicus Ulrich von Wilamowitz-Moellendorff (1848-1931). Zijn biografie over Plato is nog altijd lezenswaardig, maar hij ontkomt er niet aan, zoals veel andere biografen, om feiten met anekdotes te verwarren. Molegraaf licht het keurig toe. Von Wilamowitz liet zich niet altijd in de luren leggen overigens. Plato was een groot verhalenverteller en hij is de eerste benoemer van het verzonken eiland Atlantis, maar waar velen naarstig naar dit oord op zoek gingen stelt de biograaf;

‘Daarom schiep Plato voor zichzelf een fabelrijk in het westen (…) op een eilandengroep in de oceaan, die hij op het eind door een aardbeving in de diepte kon laten verdwijnen, waaruit die vanuit zijn fantasie was opgeheven (…)’

Molegraaf gaat in op de vraag of we de geschriften van Plato nu moeten rekenen tot de filosofie of tot de literatuur. Het grappige is dat daar geen eenduidig antwoord op komt, want;

…misschien hoeven we helemaal niet zo bangelijk te doen over deze vraag. Filologen en filosofen hebben een eeuw of vijfentwintig de kans gehad en die grondig verbruid.

Er gaan nog al wat partijen aan de haal met de leer van Plato, maar wat hij vooral nodig heeft zijn lezers, stelt Molegraaf. Daarom is ook getracht van de vertalingen leesbare teksten te maken met een bewust klein notenapparaat en toelichtingen achter in de delen. Ik moet zeggen, dat werkt prima voor mij. Zoals bekend gebruikt Plato de dialoogvorm en Molegraaf zegt daar het volgende over, wat voor mij heel herkenbaar is en aansluit op wat ik in mijn bespreking over deel 1 schreef;

Plato koos niet voor de dialoog om aan te geven: ik wil standpunten verzoenen. De polemist in hem was te sterk om naar compromissen te zoeken. Hij lijkt zelfs vaak de conclusie te vermijden. De debatten eindigen waar ze zijn begonnen, of komen nog voor het beginpunt uit. Zoals in een echt gesprek. Hij laat mensen praten zoals ze nu eenmaal praten, met tussenwerpsels en tegenwerpingen, zinnen die breken en worden geplakt, haperingen en aarzelingen. Het is deze gave waardoor de lezer een omstander wordt, het gevoel krijgt ik ben erbij, ik kan in de rede vallen of ineens een lastige vraag stellen.

Verder is het lastig om het leven van Plato te beschrijven. Als je streng bent past zijn levensloop in twee regels, aldus Molegraaf. We moeten het meeste uit zijn eigen werk halen, waar hijzelf maar twee maal in voorkomt. Zijn leerling Aristoteles heeft ook niet echt bijgedragen aan een beter begrip van zijn leermeester, omdat hij veel té letterlijk nam. Toch zie je zo wel de lijn ontstaan van Sokrates, zijn leerling Plato, diens leerling Aristoteles die weer de leermeester was van Alexander de Grote.

Plato had verder weinig vertrouwen in het politieke klimaat in Athene. In zijn langste dialoog De Wetten geeft hij zijn eigen visie op staatsinrichting en wetgeving. Zijn scepsis werd bewaarheid toen zijn leraar Sokrates tot de dood werd veroordeeld door het leegdrinken van een gifbeker. Plato’s beschrijving van het proces tegen Socrates in de Apologie en diens dood in de Phaedo behoren tot de bekendste werken uit de filosofie. Molegraaf geeft verder in vogelvlucht een beschrijving van de inhoud van het werk van Plato en betreurt dat het vertaalwerk af is;

Het is een gevoel dat ik niet anders dan als heimwee kan omschrijven. Heimwee is verlangen naar huis, dit huis vol trappen, kelders en geheime zolders. Nergens een teken, tot je er niet meer op bedacht bent. Een beetje zoals in het gedicht van Hans Warren: ‘Nu de wind van alle kanten komt/ ontvang ik vaak een boodschap/ geur uit je straat, stof van je drempel.’ Plato verschuilt zich niet in de zoveelste anekdote, maar ergens in een bijzin. Gezond en wel, lokkend in het labyrint.

9035113810.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_ (2)
De kop is er af, Verzameld werk deel 1 van Plato is gelezen. Nog 16 delen te gaan in deze mooie serie in een vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf. Dit deel bevat vier kleinere werken met een ironische ondertoon, te weten Euthydemos, Ion, Menexenos en Hippias. De hoofdrol in al deze verhalen is weggelegd voor de leraar van Plato, Sokrates. Plato vertelt in wezen zijn eigen verhaal door de mond van zijn meester; Sokrates zelf heeft niets op schrift nagelaten.

Plato des te meer en al zijn werken zijn goed bewaard gebleven. Toch geloofde hij dat een gesprek filosofie beter kon overbrengen dan een geschrift, vandaar de gekozen dialoogvorm. Daarbij is dialoog dan weer een groot woord, het zijn ook vaak lange monologen van Sokrates met korte antwoorden van zijn gesprekspartner. Wellicht was ik wat beducht om filosofische verhandelingen te gaan lezen maar dat was onterecht. De verhalen zijn prima te volgen, hoewel ik mij kan voorstellen dat de vertaling af en toe aardig wat hoofdbrekens gekost heeft.

Het eerste verhaal Euthydemos is een vrolijk gesprek tussen Sokrates en Kriton over twee woordkunstenaars, Euthydemos en Dionysodoros. Sokrates vertelt hoe de twee allerlei stellingen van Kleinias weerleggen en dat ook vooraf hadden aangekondigd. De onderwerpen zijn onder meer verworven kennis en het belang van het juist aanwenden van die kennis;

…moet je alles kennen om een kenner te zijn?’
‘Welnee, bij Zeus,’ was mijn reactie, ‘er zijn zo veel andere zaken waar ik geen kennis van heb.’
‘Als je iets niet kent, ben je geen kenner.’
‘Daarin niet, m’n beste,’ zei ik.
‘Desondanks ben je geen kenner!’ zei hij. ‘Terwijl je zojuist zei een kenner te zijn. Je ziet het: je bent wat je eigenlijk bent en toch ook weer niet, op hetzelfde moment en met betrekking tot hetzelfde.’

En dit soort redeneringen zitten er veel meer in, daarom leek mij een vertaling niet makkelijk. Ik kreeg vaak de neiging om in zo’n discussie te springen om mijn eigen argumenten aan te dragen of zaken te weerleggen waar de heren wat al te kort door de bocht gingen. Dat leek mij geen slecht teken, het was vermakelijk om te lezen.

In het tweede verhaal Ion steekt Sokrates de draak met de rapsode Ion. Een rapsode is een rondtrekkende zanger die gememoriseerde gedichten en verhalen voordraagt, waarvan Homeros de bekendste is. Plato, bij monde van Sokrates, geeft er zijn visie op het dichterschap en kunstenaarschap in het algemeen. De conclusie is uiteindelijk dat grote kunst ontstaat in momenten van vervoering, niet als het verstand in de weg staat. De kunstenaar als tolk van de goden. Ook dat gaat weer volgens onnavolgbare dialogen;

‘En ben jij niet de beste rapsode van Griekenland?’
‘Vèruit, Sokrates’
‘Ben je ook de beste veldheer van Griekenland, Ion?’
‘Nou en of, Sokrates, en dat komt door mijn Homeros-studie.’
‘Maar hoe is het dan in godsnaam mogelijk, Ion, dat jij, die van de Grieken de beste veldheer én de beste rapsode bent, als rapsode door Griekenland rondtrekt maar nog nooit een leger leidt?’

In Menexenos gaat het over een redevoering waartoe Sokrates wordt uitgedaagd om die te houden bij een jaarlijkse plechtigheid in Athene, waarbij de gevallenen in een gemeenschappelijk graf werden bijgezet. Sokrates geeft aan dat hij dit zou kunnen, maar het verwordt tot een parodie op de redenaars van zijn tijd. Hij houdt een betoog waarin geen enkele twijfel doorklinkt, terwijl hij juist gewoon is alle zekerheden te ondergraven. Het is een verhaal vol roem en glorie, terwijl het Atheense rijk juist in die periode ten onder ging.

In Hippias tenslotte praat Sokrates met de sofist Hippias. De sofistiek is een filosofische periode in de 2e helft van de 5e eeuw v.C. waarin de nadruk ligt op het spreken en debatteren in het openbaar waarbij gebruik werd gemaakt van een grote encyclopedische kennis en eigen waarneming. Ook dit is een prachtig gesprek wat leidt tot een opmerkelijke conclusie;

‘Wie zich dus opzettelijk misdraagt, slechte en onrechtvaardige dingen doet, Hippias – àls er zo iemand bestaat – moet wel de goedheid in eigen persoon zijn.’

Gaat u vooral zelf eens lezen hoe Plato, hier Sokrates, bij deze conclusie is uitgekomen. Het is wel kenmerkend voor hoe Plato werkt overigens. Zijn leraar Sokrates wordt wel gerekend tot de sofisten, hoewel Plato keer op keer in zijn werk het tegengestelde wil aantonen. Als het al zo is, dan bestrijdt hij hen met eigen wapens en laat hij hier de sofist Hippias in zijn eigen zwaard vallen.

Vertaling: Hans Warren en Mario Molegraaf

9045037726.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In het huis van de dichter is het relaas van een vriendschap tussen Jan Brokken en de Russische pianist Youri Egorov (1954-1988). Het boek heet een roman en daar zal ik hem onder classificeren, maar Brokken stelt dat alles gebaseerd is op feiten. Het verschil met een biografie is marginaal. Waarom noemt Brokken het dan toch een roman? Hij geeft het zelf aan in de verantwoording achterin het boek;

Ik koos voor de romanvorm omdat ik vijf verhalen wilde samenballen tot één; het verhaal van een vriendschap, het verhaal van een vlucht, het verhaal van een pianist, het verhaal van een bestaan en het verhaal van een tijd.

Het begint natuurlijk met die vlucht. Egorov is een getalenteerd pianist maar kan in Rusland niet alles spelen wat hij wil. Bovendien is hij homseksueel en daar kan je niet voor uitkomen in Rusland. Zijn grootste angst is om in een kamp terecht te komen waar zijn vingers gebroken zouden kunnen worden. Hij vlucht daarom in 1975 naar het westen en komt uiteindelijk in Amsterdam terecht. Daar leert hij Jan Brokken kennen en omringt hij zich met een vaste club vrienden, waaronder zijn partner Jan Brouwer. Hij krijgt al snel uitnodigingen om op te treden met gerenommeerde orkesten. Het is interessant om te lezen dat het dan natuurlijk om de pianist Egorov gaat, maar nog meer om de mens Egorov. Hij kampt met onzekerheid, podiumvrees en zijn vrienden zijn daarvan op de hoogte;

Ik kreeg het benauwd wanneer Youri de lange trap naar het podium afdaalde. Van alle vrienden maakte ik me misschien wel de meeste zorgen, omdat ik in Engeland had meegemaakt wat er allemaal mis kon gaan voor en tijdens een concert. Sinds Salisbury vertrouwde hij me toe of hij helemaal klaar was voor het grote werk dat hij zou gaan uitvoeren of nog niet. Of dat hij in een snelle passage telkens last kreeg van een hinderlijke kramp in de rechterpink. Ik was op de hoogte van alle kwalen, pijntjes en onzekerheden, een dubieus voorrecht dat ik met Tatjana deelde.

Zijn ster rijst snel en Egorov geeft zijn geld net zo snel uit als dat hij het verdient. Hij zoekt graag de anonimiteit op van het uitgaansleven in Amsterdam en New York. Hij wordt een vrijgevochten Rus, die evengoed maar beter niet mag vergeten waar hij vandaan komt. Dat blijkt als hij een neptelefoontje krijgt waarin hem wordt verteld dat zijn vader overleden is; de overheid wil hem teruglokken naar Rusland.

Egorov vindt het fijn om anoniem te feesten, maar privé staat hij graag in het middelpunt. Hij zorgt voor het inkomen, zijn vrienden worden geacht voor de rest te zorgen. Soms is zijn gedrag onhebbelijk, zoals toen hij met het Concertgebouworkest moest optreden. Hij ziet er geen been in om weg te blijven bij de repetitie. Hij is er bij de uitvoering wel en het is zelfs een succes, maar het zorgt ervoor dat hij jarenlang niet meer wordt gevraagd om met hen op te treden.

Toch is hij ook een serieus artiest. Hij speelt een stuk pas als hij het totaal en muzikaal kan doorgronden;

…bij de grondige voorbereiding van een concert hield hij minimaal vijf uur studie per dag aan, zaterdag en zondag inbegrepen. Het memoriseren van partituren telde hij dan niet mee. Dikwijls begon zijn dag met geconcentreerd noten lezen; deed hij dat vijf keer achtereen, dan zat een stuk muurvast in zijn geheugen – een zeldzame gave.

Zijn hedonistische levensstijl wordt hem uiteindelijk fataal. Hij is seropositief en in de jaren tachtig zijn de medicijnen nog niet zo ver dat je hier mee door kan leven. Hetzelfde geldt voor zijn partner Jan. Zijn afweersysteem laat hem in de steek en hij krijgt koorts en hersenvliesontsteking. Zijn zicht wordt zo slecht dat hij niet meer kan spelen en hij zal uiteindelijk op 33-jarige leeftijd overlijden.

Het is een prachtig document over een muzikant met een bijzonder talent. Gelukkig is zijn spel te beluisteren via internet. Brokken geeft aan wat hem onderscheidt van andere grote pianisten;

In zijn streven naar helderheid en analyse gaat hij voort op de weg van Gould. Maar hij voegt er een dosis lyriek aan toe. Niet de lyriek van Rubinstein, Horowitz en andere grote romantici, maar een beredeneerde lyriek…De vleugel laat hij als een sopraan zingen of als een hamerklavier stamelen, zonder ook maar één moment de bedoelingen van de componist uit het oog te verliezen.

Schrijven over muziek blijft lastig, je moet het horen maar ook daarom is het een fijn boek. Je doet veel tips op over andere pianisten en hun werken. Er staan mooie anekdotes in, zoals over de pianiste waar Stalin naar luisterde ten tijde van zijn overlijden, of het meest indrukwekkende verhaal; dat Russische muzikanten komen spelen bij de doodskist als één van hen overlijdt, als een soort wake. Ook als ze niet meteen goed bevriend zijn doen ze dat uit respect. Zo speelde de pianiste Elisabeth Leonskaja bij zijn kist toen deze in zijn woonkamer stond, evenals de cellist Mischa Maisky. Egorov’s partner Jan Brouwer overlijdt kort na hem en beiden zijn ze gecremeerd, maar hun as is verwerkt in de grafsteen van Egorov’s moeder, die ook in Nederland begraven is.