9463453709.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Een os op het dak van musicologe en muziekjournaliste Thea Derks heeft als ondertitel Moderne muziek na 1900 in vogelvlucht. Dat is ook precies wat het inhoudt. In 94 pagina’s geeft Derks een overzicht van de “klassieke” muziek na 1900, onderverdeeld in vier hoofdstukken; Harmonie, Ritme, Klankkleur en Belangrijke cultuurcentra.

Die moderne of eigentijdse muziek is niet altijd makkelijk en dit boek wil een handleiding bieden voor de geïnteresseerde beginner of een naslagwerk zijn voor de gevorderde luisteraar. Nu beschouw ik mijzelf niet als kenner maar ook niet helemaal als beginner omdat ik veel beluisterd heb en ook het nodige gelezen heb over de modernere muziek, dus ik was wel benieuwd wat het boek mij te bieden had.

Allereerst vind ik de indeling prima. We worden door de auteur meegenomen van tonaliteit naar atonaliteit, naar twaalftoonsmuziek, naar het serialisme en naar toevalsmuziek enzovoort. We leren bij over de verschillende soorten ritmiek, nieuwe instrumenten, speelwijzen en elektronische en spectrale muziek. De toon is helder en de meerwaarde van dit boek vond ik al snel in de genoemde muziekvoorbeelden. Ik bleef rennen naar mijn cd-kast, naar Youtube en Spotify. Waar ik het af en toe kwijtraakte, als niet-muzikant, waren de technische termen in de uitleg van bijvoorbeeld de twaalftoonstechniek;

Dan is er de inversie of omkering, waarbij de afstand tussen twee tonen stijgend wordt in plaats van dalend, of omgekeerd: B-C stijgend wordt dalend B-BES (een halve toonsafstand), waardoor de volgorde van de tonen verandert. Verder is er nog de inversie van de kreeftgang.

Dit heeft een beetje te maken met het schrijven voor zowel de leek als de gevorderde; hier ging ik snel langs. Dat neemt niet weg dat Derks strooit met talloze feiten en weetjes waar ik erg enthousiast van wordt. Ik was bekend met de muziek van La Monte Young en zelfs met zijn werk Composition #7, waarin een tweeklank van de componist lang aangehouden moet worden. Ik wist niet dat er een uitvoering geweest was waarbij men stenen op de pedalen van het orgel legde, die pas na een week verwijderd werden. Dat wil ik weten!

Zo had ik nog nooit gehoord van de componist Remko Scha (1945-2015). In zijn stuk The Machines worden gitaarsnaren aangeslagen door elektronisch aangedreven ventilatormotoren, kabels, boormachines en zagen. Geen muziek om je roman bij uit te lezen, maar ik wil het wel weten. Dat geldt ook voor de muziek van Alvin Lucier (1931), die via elektroden op het hoofd via ‘alfagolven’ slagwerkinstrumenten tot klinken brengt in zijn Music for solo performer. Misschien ook geen luistermuziek, maar daardoor zoek ik wel verder en kom uit bij Lucier’s stuk voor trombone en piano, Panorama. Ik kende het niet en ik vind het prachtig.

De hoofdstukken over nieuwe instrumenten en nieuwe speelwijzen deden mij weer luisteren naar de muziek van Olivier Messiaen en van Sofia Goebaidoelina. Niet nieuw voor mij, wel weer even opfrissen en dat was prima. Even stilstaan bij al die ‘extended techniques’;

En passant ontwikkelden componisten een oor voor de ‘onmuzikale bijgeluiden’ van instrumenten. Zij laten musici ratelen met kleppen, alleen op het mondstuk spelen, met het hout van de stok strijken, hiermee op de klankkast tikken of slaan en achter of precies óp de kam van een strijkinstrument spelen.

In het nawoord legt Derks nog eens uit hoe dit boek tot stand is gekomen, eigenlijk als resultaat van de cursussen over moderne muziek die zij verzorgde in het Concertgebouw in Amsterdam. Ik was daar niet bij, maar zij vertelde vast vaak:

Tijdens mijn studie leerde ik van Charles Ives dat je je oren ‘niet lui in een leunstoel moet leggen’, maar moet inspannen om ongebruikelijke of zelfs onaangename klankspectra te doorgronden. Zijn aansporing mijn grenzen te verleggen heeft mij vele spannende ervaringen opgeleverd.

Ik kan mij daar alleen maar bij aansluiten.

b18c42bbd1a4856593061535877444341587343
De Wereldgeschiedenis van Nederland is een omvangrijk boek van ruim 730 pagina’s, onder redactie van Lex Heerma van Voss, nog vijf anderen en geschreven door meer dan honderd Nederlandse onderzoekers op het gebied van geschiedenis en cultuur. Ze vertellen in 116 essays hoe Nederland invloed heeft gehad op de wereld en hoe buitenlandse invloeden in Nederland terecht zijn gekomen.

Aanvankelijk wist ik niet goed wat ik er van moest denken. Waarom werd dit boek geschreven? Werkt het om aan de hand van zoveel, schijnbare arbitraire, onderwerpen door de geschiedenis van Nederland en de wereld heen te lopen? Heerma van Voss legt uit;

Nog steeds onderzoeken veel Nederlandse historici aspecten van het Nederlandse verleden…Maar ze kijken veel meer dan vroeger naar de manier waarop de Nederlandse geschiedenis beïnvloed is vanuit het buitenland en Nederlandse ontwikkelingen verwikkeld zijn met internationale…Het is niet onze bedoeling om één doorlopende geschiedenis van Nederland te geven…De beschreven gebeurtenissen zijn interessant, dat is de eis die we gesteld hebben.

Een andere kijk op geschiedenis dus aan de hand van een groot aantal verschillende invalshoeken. Beginnend in het jaar 70.000 voor Christus en eindigend in 2017 met de orkaan Irma op Sint Maarten. Voor mij werkt het. Er zitten talloze eye-openers in het boek of verhalen waar ik gewoon niets van af wist.

Een paar voorbeelden dan. Er wordt overtuigend betoogd dat de Nederlandse handelsgeest eerder ontstond in 1700 voor Christus dan in 1700 na Christus. ‘Toen wij nog in berenvellen’ rondliepen, bleken wij al deel uit te maken van een internationaal handelsnetwerk dat reikte tot in het Nabije Oosten. De geschriften van onze bekende rechtsgeleerde Hugo de Groot reikten verder dan ons land. Ze werden vertaald in het Arabisch en in het Urdu. Het is bekend dat Rembrandt van Rijn mensen van Afrikaanse afkomst schilderde, maar hij woonde zelf dicht bij een wijk waar een omvangrijke gemeenschap woonde met mensen uit Nederlands-Brazilië. Ronduit schokkend vond ik het essay over 1777, over het beleid van de VOC ten aanzien van de San in Zuid-Afrika;

Tijdens deze vergadering nemen de raadsleden een catastrofaal besluit: de boeren mogen voortaan elke San die zij tegenkomen zonder aanleiding doodschieten…de San zijn immers nagenoeg dieren, zielloze figuren die je kunt neerknallen, waarop gejaagd kan worden. Maar het raadsbesluit ging nog verder dan dat: naast het vogelvrij verklaren van de San, wordt besloten tot volkerenmoord: ‘dat alle middelen om de Roofzugtige Bosjesmans [en] Hottentotten tot stilstand te brengen, vrugteloos zijn aangewend, heeft men dierhalve moeten besluijten, om […] dezelve door sterkere Commando’s te doen attacqueeren, en langs dien weg uijt te roeijen.’

De donkere kanten van onze geschiedenis wordt niet gemeden, zoals ook bij de politionele acties in Nederlands-Indië wordt beschreven. Donkere kanten, maar er is ook veel te leren. Het verhaal van Hans Brinker (u weet wel, met die vinger in de dijk) blijkt zo Amerikaans als wat en hij heet ook al geen Hans Brinker. Het boeiende verhaal van Anthony Fokker en hoe Lindbergh hem aftroefde, internationale kennis in een kuipje margarine van Unilever, Amsterdammers die Duitsers kraakles geven en ga zo maar door. Je valt van het ene onderwerp in het andere. Arbitrair wellicht, nooit saai. Je kan hoogstens betogen dat de onderwerpen wat evenwichtiger over de jaren verdeeld hadden kunnen worden. Sommige jaren krijgen twee onderwerpen, terwijl de laatste 25 jaar afgedaan wordt met drie essays. Het is maar een kanttekening in een zeer lezenswaardig boek, al is het maar om dit soort fragmenten, over de oprichting van de firma Conimex;

Zelfs binnen Conimex bleef Indonesië vaak op afstand. Zo stelde mede-oprichter Fons Sternenberg bij zijn pensioen in 1972 opgewekt dat hij misschien voor het eerst van zijn leven naar de archipel zou gaan: ‘Kijken hoe het daar smaakt.’

b18c42bbd1a4856593061535877444341587343
Musch van Jean-Marc van Tol is het eerste deel van wat een trilogie moet worden over het leven van Johan de Witt. Deel 1 is 500 pagina’s dik en wordt verteld via de fictieve memoires van Cornelis Musch, de griffier van de Staten-Generaal in de periode 1628 tot 1650.

De memoires van Musch worden afgewisseld en ingekleurd door het leven van de gebroeders De Witt. De jongste, Johan is advocaat bij het Hof van Holland én wiskundige en zijn oudere broer Cornelis is schepen van Dordrecht. Op een dag wordt hun vader, oud-burgemeester van Dordrecht, samen met andere bestuurders gevangen gezet op Slot Loevestein door de Stadhouder Willem II. Tegelijkertijd pleegt deze met zijn neef, graaf Willem-Frederik van Nassau-Dietz een aanval op Amsterdam, die jammerlijk mislukt omdat een deel van de troepen in het slechte weer op de heide verdwaalt.

Die aanval was Willem II ingefluisterd door Musch vanwege onenigheid over het afbreken van de Tachtigjarige Oorlog. Sommigen varen nu eenmaal beter bij ellende en Musch was er zo één. Hij was getrouwd met de dochter van Jacob Cats, dichter en raadspensionaris van Holland. Verder was Musch hopeloos corrupt en belust op macht;

Het ging mij nooit om status. Ik streefde altijd naar hogere doelen. Rijkdom was slechts bijvangst; macht, werkelijke macht, dát was mijn streven. En met een raadspensionaris als schoonvader en een onervaren prins die mijn advies in alles volgde, was ik niet alleen de rijkste maar ook de machtigste inwoner van Den Haag. Nee, van de Republiek. En daarmee, waarschijnlijk, van de wereld.

Hoe het afloopt met Musch geef ik niet weg, dat doet hij zelf al vrij snel, maar hij vertelt vooral het verhaal van de aanval op Amsterdam en van de intriges in en om het hof. Het boek is een afwisseling van de memoires van Musch, brieven en dagboeken van regenten en zelfs gedichten van Cats. Dat maakt het een erg afwisselend boek. Zo staan er delen in uit een zogenaamd blauwboekje, een pamflet om mensen te informeren of te overtuigen, in dit geval een samenspraak tussen vier mensen over wat er is voorgevallen tussen Willem II en de stad Amsterdam;

AMSTERDAMMER: ‘Waren onze heren van Amsterdam niet ontboden om diezelfde morgen bij Zijne Hoogheid te komen?’
BODE: “Neen, niet dat ik weet. De heren van Amsterdam waren vroeg bij het Hof gekomen. De heer Cats…was nog boven bij Zijne Hoogheid. Ze wachtten, terwijl het regende, onder de galerij op het Binnenhof en gingen daarna, nadat de heer Cats weer van boven was gekomen, naar de vergadering. Toen hoorden ze van de arrestatie. De heer Cats zei dat Zijne Hoogheid er niet aan twijfelde dat de troepen onder leiding van Zijne Excellentie graaf Willem Frederik, stadhouder van Friesland, reeds binnen Amsterdam waren.’
BURGER: ‘Dus de heer Cats deelde mee wat Zijne Hoogheid hem gezegd had?’
BODE: ‘Ja, in goed vertrouwen. Dat had Zijne Hoogheid ook van hem verlangd. Maar hij was zo geëxalteerd, wat niet verwonderlijk is, dat hij nauwelijks uit zijn woorden kon komen.’
WAARD: ‘Dat kan men zich waarachtig wel voorstellen.’

Een levendig stuk geschiedenis dus, origineel en afwisselend verteld. Illustere figuren uit de geschiedenis als de gebroeders De Witt, Jacob Cats, Frans Banninck Cock en Nicolaes Tulp (u weet wel, geschilderd door Rembrandt), Hugo de Groot, Johan van Oldebarnevelt, Christiaan Huygens, ze komen allemaal voorbij en de meesten tot leven (Van Oldebarnevelt was al onthoofd). Ik heb in recensies gelezen dat er wel heel veel personen voorbij kwamen, maar ik heb dat geen enkel moment als bezwaar gezien. Het verhaal is prima te volgen en anders staat er achterin het boek een volledige lijst met alle Dramatis personae. Overigens is het boek prachtig uitgegeven, maar leg de omslag even weg tijdens het lezen, die schijnt af te geven…Ik kijk uit naar deel 2.

b18c42bbd1a4856593061535877444341587343
Ik lees niet veel thrillers, maar het verhaal achter het Pilgrim Fathers-complot van Jeroen Windmeijer is wel bijzonder. In het voorjaar van 2017 vond taalwetenschapper Piet van Vliet in het archief van Leiden en Omstreken een manuscript dat een uniek inkijkje biedt in het leven en denken van de Pilgrim Fathers. Dat waren Engelse puriteinse protestanten die in 1609 in Leiden verbleven en waarvan een deel met het schip de Mayflower naar Amerika zouden vertrekken. Zij zouden daar een belangrijke rol spelen bij de invoer van moderne ideeën als scheiding van kerk en staat, het burgerlijk huwelijk, vrijheid van meningsuiting enzovoort.

Piet van Vliet benaderde de auteur Windmeijer met dit manuscript, omdat hij het te belangrijk vond om het alleen in vakbladen te publiceren. Hij zocht een breder podium en zo ontstond dit boek. Omdat er een link is tussen de vrijmetselarij en de Pilgrim Fathers is hier een verhaal omheen geweven dat zich in Leiden, Boston en in de Sinaï-woestijn afspeelt. Daartussenin zijn hoofdstukken opgenomen met de zeven hoofdstukken van het gevonden manuscript, over de tocht van de Pilgrim Fathers, overgezet in hedendaags Nederlands. Ik vind het een originele opzet.

De voorzitter van de Leidse vrijmetselarij wordt gruwelijk vermoord en hij wordt gevonden door de universitair docent Peter de Haan en zijn vriendin Fay Spežamor. Fay is vrijmetselaar en blijkt een intensief mailcontact met de voorzitter te hebben. We maken kennis met de rechercheurs die de zaak in handen krijgen en met wat direct betrokkenen, zoals de Amerikaan uit Boston Tony Vanderhoop. Hij is ook vrijmetselaar en nazaat van de Pilgrim Fathers en op bezoek in Leiden.

Er wordt nog een lijk gevonden en die wordt gelinkt aan de dood van de voorzitter. Als Peter in Boston een vriendin bezoekt, ontmoet hij ook Tony weer. In Boston zijn ook twee vrijmetselaars vermist en het blijkt dat in Jeruzalem ook twee vrijmetselaars zijn vermoord. Langzaam gaan alle puzzelstukjes in elkaar passen. De uitkomst is iets wat aan de grondvesten van de wereldorde knaagt zoals wij hem kennen. Alles kan op de schop…

Ik zal niets weggeven want als je van geschiedenis houdt is dit boek de moeite waard. Je leert in korte tijd snel bij over de achtergronden en riten van de vrijmetselarij. De link met de Pilgrim Fathers was mij eerst wat onduidelijk maar ook die wordt helder. Absolute meerwaarde vind ik de ontsluiting van het gevonden document op een toegankelijke wijze;

De Mayflower bleef gelukkig tot maart 1621 bij ons. Zo hadden we altijd het schip om op terug te vallen. Maar we konden niet voorkomen dat de helft van de nieuwe kolonisten tijdens dat eerste jaar al stierf. Daar in het dorp begonnen sommigen van het volk zich te beklagen. ‘Had de Heer ons maar laten sterven in Leiden’, zeiden ze tegen William en John. ‘Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten.’

Wat de auteur ook knap doet is het terug laten komen van het thema vrijheid en wat dat inhoudt. Hij verbindt daarmee de reis van de kolonisten naar het beloofde land en de genocide op de indianen met de Bijbelse exodus onder leiding van Mozes en de genocide in hùn beloofde land. Hij is ook niet vies van het ontkrachten van Bijbelse verhalen en speelt daarbij leentjebuur bij Maarten ’t Hart (die hij overigens met name noemt in het boek) die in zijn boek De schrift betwist nog dieper op de materie ingaat.

De spanning zit erin, soms is het boek een tikje voorspelbaar (niemand gelooft dat Peter iemand gedood heeft in Boston) én de knipogen naar de realiteit zijn leuk. De Amerikaanse vrijmetselaar Walter over zijn vermiste collega’s;

“Tot nu toe wordt het behandeld als een gewone vermissingszaak, een ongeluk zoals ik al zei. Maar stel nou eens dat er wel degelijk een verband is tussen al die zaken? Dat is meer stof voor een van mijn romans, maar de waarheid is soms vreemder dan fictie.”

Ik had die kleine 500 pagina’s met een weekend uit, was deze zomer nog in Leiden maar moet eigenlijk snel weer terug. Achterin het boek staat een plattegrond van de stad met alle genoemde plekken uit het boek.

b18c42bbd1a4856593061535877444341587343
Diep van Mo Hayder is precies het boek dat je verwacht te lezen. Spannend, soms ijzingwekkend en vermakelijk. De trouwe lezer weet dat ik al een paar thrillers van haar heb gelezen en dit is de volgende in de rij. Hoofdpersonen zijn weer rechercheur Jack Caffery, politieduiker Flea Marley en de mysterieuze Wandelaar, bij wie Caffery af en toe zijn oor te luister legt.

De inleiding tot het verhaal is snel verteld. Er wordt in Bristol een auto gestolen. Een man met een Kerstmannenmasker slaat de bestuurster neer en scheurt weg in haar auto, met haar vierjarig dochtertje op de achterbank. Dat gebeurt vaker en vaak worden die kinderen weer vrijgelaten want dan gaat het om de auto; maar nu even niet….

Er worden meer meisjes ontvoerd en dan begint er een beklemmend verhaal met steeds nieuwe wendingen. Zo hoort dat natuurlijk, maar de details zijn bizar af en toe. Het tandje van je vermiste dochter in een stukje taart tegenkomen…verzin het maar. Ook de brieven van de kidnapper mogen er zijn;

Lieve mama van Martha,
Ik weet zeker dat Martha zou willen dat ik contact met je opneem, hoewel ze er niets over gezegd heeft of zo. Ze is op het moment niet erg SPRAAKZAAM…Ze GENOOT van de dingen die ik afgelopen nacht met haar gedaan heb…Maar nu gaat ze opeens tegen me liegen. Je zou haar gezicht moeten zien als ze dat doet. Lelijk, dat wil je niet weten. Gelukkig heb ik het nu een beetje VERBOUWD. Ze ziet er nu veel beter uit.

U begrijpt, de wanhoop spat af en toe van de pagina’s. Zeker als je een foto ontvangt van de dader die boven op het bed van je kind ligt…

Hayder mengt het werk van de hoofdpersonen weer met hun privé-leven en het blijft nog steeds handig om de boeken in volgorde van verschijnen te lezen, dan volg je het allemaal wat makkelijker. In dit boek ligt de nadruk echter op de verdwenen kinderen en minder op het privé-leven.

Soms denken ze de dader te hebben. Maar als dat op pagina 197 van de 399 al lijkt te gebeuren weet je al dat ze er naast zitten. Gelukkig is er nog de eigenwijze Flea Marley die haar eigen gang gaat, in dit geval heel erg letterlijk. Ze graaft zich door een tunnel om uiteindelijk een deel van de oplossing te leveren. Daar ligt mijn enige kritiekpunt bij dit boek. Ondanks mijn levendige fantasie kon ik moeilijk die tunnel voor ogen halen met onmogelijke doorgangen, nauwe luchtschachten maar waar toch oude, verroeste vaartuigen in lagen. Verder, spannend, zoals het hoort.

Vertaling; Yolande Ligterink

f89bec82d1121e1593837765241444341587343
Via August Willemsen ben ik dan beland bij Fernando Pessoa en zijn magnum opus, Het boek der rusteloosheid. Pessoa heeft het grootste deel van zijn leven aan dit boek gewerkt, zonder het ooit te voltooien. Na Pessoa’s dood in 1935 werden uit 27.000 vel manuscripten in totaal 520 fragmenten geselecteerd die naar alle waarschijnlijkheid deel hadden moeten uitmaken van Het boek der rusteloosheid. Toch zou het nog tot 1982 duren voor het tot een eerste uitgave komt.

Het boek der rusteloosheid is het dagboek van een hulpboekhouder in Lissabon, Bernardo Soares. Dit is geen heteroniem zoals beschreven in het essay van Willemsen, maar een semi-heteroniem. Pessoa zelf zegt daarover;

Het is een semi-heteroniem omdat het een ander is dan ik, maar een ander die niet zozeer verschillend is van mij, dan wel een verminking van mijn persoonlijkheid. Ik ben het, zonder het verstand en de affectiviteit.

Het is de reden dat ik het boek wel onder de autobiografieën zet in mijn overzicht. De overeenkomsten zijn ook legio. Pessoa en Soares leven alleen, op een kamer en hebben praktisch hetzelfde beroep. Beiden komen hun leven lang niet tot nauwelijks buiten Lissabon en zijn weinig sociaal. Overdag werken ze in hun monotone baan en ’s avonds schrijven ze. Daar begint de magie, want dit boek biedt een ongekende rijkdom aan ideeën, gedachten en gevoelens.

Ik geef toe, ik moest er even inkomen, maar ik werd al snel meegenomen in de mijmeringen en overpeinzingen van de hulpboekhouder;

De eentonigheid, de doffe gelijkheid van alle dagen…moge ik die altijd behouden, met een wakkere ziel om te genieten van de vlieg die mij verstrooit doordat ze toevallig voor mijn ogen langsvliegt, van de schaterlach die in golven opstijgt uit de vage straat, van de grootse bevrijding dat het kantoor dichtgaat, van de eindeloze rust van de vrije dag.

Je gaat ineens heel anders naar je werk. Die gave om de kleine dingen te waarderen komt overal weer terug. De hulpboekhouder (ik blijf maar even bij Soares die toch ook Pessoa is) wordt zowat poëtisch als hij betoogt dat het evenveel waard is liefde te geven aan de geringe verschijning van een inktpotje als aan de grote onverschilligheid van de sterren.

Toch worden er ook meer concrete zaken beschreven. Zo beschrijft hij de zelfmoord van de bediende uit de tabakszaak. Hij was hem nooit opgevallen, tot zijn dood. Daardoor gaat hij over hem nadenken;

Arme stakker, hij bestond dus toch! Dat waren wij allen vergeten, wij allen die hem hadden gekend op dezelfde manier als allen die hem niet hebben gekend…Maar hij had een ziel, welzeker, want hij pleegde zelfmoord. Hartstochten? Angsten? Ongetwijfeld…En ineens besef ik dat de kassier van de tabakszaak op een bepaalde manier, met zijn scheefhangende jas en alles, de gehele mensheid was.

In het boek komen, naarmate je vordert, steeds meer gedachten voorbij die naar poëzie gaan. Het helpt als je van dat genre houdt en het lijkt me een compliment aan de vertaler, want het is allemaal glashelder te volgen;

Sporen van beter uren, ergens beleefd in lanen…Uitgedraaide lamp wier goud in het donker glanst door de herinnering aan het gedoofde licht…Woorden gericht tot de grond en niet gesproken in de wind, door de gespreide vingers gegleden als dorre bladeren uit een onzichtbaar eindeloze boom…

Dat werk dus en ik kan nog talloze citaten opnoemen die ik heb aangetekend, na mijn eerste kennismaking met dit boek. Dit is namelijk een boek wat niet na één maal lezen opzij moet worden gelegd, het moet herlezen worden. Al is het maar om dit soort prachtige zinnen, waar ik er vast nog een paar van heb gemist:

Het houdt op met regenen en heel even dwarrelt er een atmosferische stof van kleine diamanten neer, alsof hoog boven een groot blauw tafelkleed wordt leeggeschud om het te ontdoen van die kruimeltjes.

Vertaling: Harrie Lemmens

1d23f592f3016cc592f624a5267444341587343
Als je je verdiept in August Willemsen kan je niet om Fernando Pessoa heen. Willemsen vertaalde zijn gedichten en schreef een essay over hem, Fernando Pessoa: het ik als vreemde.

Het is een boekje van 100 pagina’s en het geeft een korte biografische inleiding, maar het gaat vooral om de heteroniemen die Pessoa in zijn werk gebruikt. Daar kom ik op terug.

Eerst de man zelf. Hij groeide op in Zuid-Afrika maar keert op zeventienjarige leeftijd terug naar Lissabon, zijn geboortestad. Hij werkt er al vertaler, hulpboekhouder en als handelscorrespondent en schrijft in de avonduren aan zijn proza en gedichten. Hij is nooit getrouwd, had voor zover bekend één (vrij platonische) relatie met Ofélia, een secretaresse, en leidde eigenlijk een eenzaam leven. Hij vond ook dat dit moest en hij verbrak zijn relatie met Ofélia met de woorden:

‘Mijn lot behoort een andere Wet toe, waarvan jij het bestaan niet bevroedt, en het is steeds meer ondergeschikt aan de gehoorzaamheid van de Meesters die niet vergunnen noch vergeven.’

Daar kon ze het mee doen. Pessoa bleef werken tot aan zijn dood, die hij zelf veroorzaakte door zijn enorme alcoholgebruik. Beroemd is de opmerking hierover:

‘Maar meneer Pessoa, u drinkt als een spons!’
‘Als een spons? Als een sponzenwinkel, zul je bedoelen. Met het magazijn erbij!’

Zijn werk schreef hij onder verschillende heteroniemen. Behalve onder zijn eigen naam schreef hij ook als Alberto Caeiro, Ricardo Reis, Álvaro de Campos en nog zo een aantal anderen. Dit zijn geen pseudoniemen. Een pseudoniem is een andere naam voor het eigen ik en een heteroniem is een eigen naam voor een ander ik. Er is veel gespeculeerd over het gebruik hiervan en Willemsen geeft aan dat zijn werk zo divers is, dat ze dienen om zijn diversiteit te kanaliseren.

Willemsen pakt de belangrijkste heteroniemen in dit boek bij de kop en licht de verschillen keurig toe. Aan de hand van voorbeelden in zijn poëzie wordt het duidelijk en dat is nodig, want soms moest ik mijn hoofd er wel even bij houden. Zo moest ik even kauwen op de volgende zin:

Waar ik sprak van een mislukking van de heteronieme onderneming ‘als zodanig’, was dat om het verschil duidelijk te maken tussen, enerzijds, de heteronymie als mystificatie, onomastisch spel, literaire strategie – en anderzijds de intrinsieke waarde van het werk.

Toch is het een belangrijke zin, want het geeft aan dat de heteronymie als namenspel misschien niet noodzakelijk is om de absurditeit van de werkelijkheid te vangen, maar dat het prima naast de proza en poëzie an sich kan staan. Zo raak je in kort bestek toch weer aardig bijgespijkerd. Op naar Pessoa zelf.