47b49f85c265ccc596932377267444341587343
De biografie van Nina Simone door muziekjournalist Alan Light was gepland als aanvulling op de documentaire What Happened, Miss Simone, door Liz Garbus. Deze documentaire is te zien op Netflix en het boek is bedoeld om het verhaal verder in te vullen en verbanden te leggen die in de film niet konden worden gelegd.

Nu moet ik de film nog zien en het boek maakt me erg nieuwsgierig. Ik was bekend met haar muziek maar niet met de verscheidenheid ervan. Blues, gospel, jazz, dat wist ik, maar Israëlische volksliedjes, composities van Bertold Brecht en Kurt Weill, nummers van The Bee Gees, kinderliedjes…ik moest mijn huiswerk opnieuw doen. Dat ze goed piano kon spelen wist ik ook, niet dat ze echt een klassiek geschoold pianiste was en Bach en Chopin veelvuldig door haar songs werden geweven.

Haar jeugd was niet bepaald makkelijk. Ze had een uitzonderlijk muzikaal talent waar haar ouders niet bepaald oog voor hadden. Haar moeder was predikante en altijd onderweg, haar vader had moeite om zijn werk te behouden. Nina, eigenlijk Eunice Kathleen Waymon, ging in clubs spelen onder een artiestennaam, zodat haar moeder daar niet achter zou komen. Uiteindelijk komen ze wel naar een optreden en dan komt Nina in aanraking met een ander fenomeen; rassenscheiding. Haar ouders werden achterin de zaal gezet en Nina weigerde te spelen tot ze weer vooraan plaats mochten nemen.

Dat zou een andere belangrijke peiler worden, Nina Simone werd een fervent burgerrechtenactiviste, tot aan het militante aan toe. Privé was het ook niet makkelijk. Ze trouwde een nietsnut en scheidde, tot ze politie-agent Andy Stroud ontmoette. Hij werd haar manager en ze kregen een dochter. Muzikaal gezien was ze een fenomeen. De auteur en haar gitarist voor het leven, Al Shackman, lichten toe;

Ze kon inmiddels verschillende onafhankelijke muzikale draadjes door elkaar spelen. Ze verwerkte allerlei dingen die ze van Bach had geleerd in popliedjes en geïmproviseerde stukken. Dankzij dit fijnzinnige vermogen kon ze uniek creatief terrein afbakenen. Shackman; ‘Miles Davis vroeg me ooit: “Hoe doet ze dat?” ik heb geen idee hoe iemand zo veel verschillende stukjes muziek kan isoleren’.

Langzaam maar zeker wordt de chaos in haar leven groter. Ze radicaliseert meer, gaat een relatie aan met de minister-president van Barbados en Simone en Andy groeien uit elkaar. Haar dagboekfragmenten laten dit zien;

Andrew & ik gingen in het vliegtuig op de vuist. Hartstikke leuk, de andere passagiers waren doodsbang…Misschien is mijn doodswens een protest tegen verveling.

De moorden op Malcolm X en Martin Luther King hebben een grote impact op Simone. Ze zet haar activisme onverminderd voort en vertoont steeds wispelturiger gedrag op en naast het podium. Het nummer Mississippi Goddam is één van haar beroemde protestsongs, ongehoord met een vloek in de titel. Een schijnbaar futiel voorval met haar vader maakt dat ze hem niet meer wil zien, ook niet op zijn sterfbed. Daar schrijft ze dan weer een huiveringwekkend nummer over (luister naar het pianospel!), vrij op de tekst van Gilbert O’Sullivans hit ‘Alone Again’.

Door belastingperikelen (en racisme volgens Simone) ontvluchtte ze de Verenigde Staten en ging in Liberia wonen. Later verhuisde ze naar Zwitserland, naar Nijmegen en Amsterdam en uiteindelijk naar Frankrijk. Ze kampte met haar bipolaire stoornis en ging eens met een mes achter een fan aan en schoot met een hagelgeweer op twee jongens. Toch trad ze ook nog op, zo goed en kwaad als het ging waarbij ze onverminderd succes had. Uiteindelijk overleed ze op zeventigjarige leeftijd aan borstkanker.

Een paar zaken deden mij vreemd aan in dit boek (met drie jaar haar vader verzorgen en met 6 maanden bekend met notenschrift?) maar verder is het prettig leesbaar. Ik denk dat het boek wat uitvoeriger had gekund (het is zo’n 280 pagina’s lang) want er is erg veel materiaal beschikbaar maar het is bedoeld als aanvulling op de documentaire. Gelukkig is er veel aandacht voor haar rol als activiste maar vooral als muzikante. Dat lijkt me ook belangrijker dan de sensatiekant van haar, door ziekte, soms markante gedrag.

9023473485.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Deel 4 van de volledige werken van Willem Frederik Hermans bevat de romans Herinneringen van een engelbewaarder en Het Evangelie van O. Dapper Dapper. De verschillen tussen deze romans zijn aanzienlijk, maar ik heb ze beiden met plezier gelezen.

Herinneringen van een engelbewaarder speelt zich af in de eerste dagen van de Tweede Wereldoorlog. Bert Alberegt is officier van justitie en rijdt een meisje dood. Hij verbergt haar en probeert aan geld te komen om zijn joodse vriendin achterna te reizen die al op de boot naar Engeland zit. Van zijn goede vriend Erik hoort hij wat later dat de dochter van twee oudere mensen vermist is en of hij via zijn werk hier wat meer van te weten kan komen. Ook komt hij te weten dat de Gestapo achter zijn broer Rense aan zit, die kunstschilder is. Met deze ingrediënten wordt een onderhoudend verhaal verteld, gezien vanuit het perspectief van de engelbewaarder van Alberegt. Bijvoorbeeld als Alberegt’s kantoor wordt opgeblazen;

Ik duwde hem achteruit. Een hoog suizen sloot zijn oren af. Een tweede slag weerklonk…Een vrouwtje liet zich op haar knieën vallen en begon hardop tot de Moedermaagd te bidden. Geheiligd ogenblik. Geen schoner muziek kan mij ooit in de oren klinken, dan het bidden van mensen in nood.

Ik vroeg mij in het begin af wat die alwetende figuur van de engelbewaarder toevoegde. In enkele recensies na het verschijnen van de roman werd het afgedaan als een goedkope truc, zeker omdat ook de duivel ten tonele verschijnt. Een naïeve voorstelling van goed tegen kwaad stond er te lezen (achter in het boek staan de recensies in een toelichting genoemd). Toen ik wat aangekruiste citaten bekeek, bleken ze allemaal uit passages te komen die met deze figuur te maken hadden, dus voor mij voegde het zeker wat toe.

Het is een boek van zo’n 390 pagina’s in een stijl die ik erg prettig vind om te lezen;

Het was of een ijskoude wind uit een later leven dat nog zwarter was dan zijn heden hem in het gezicht blies.

Die stijl is radicaal anders in de tweede roman, Het evangelie van O. Dapper Dapper. Het is een vervolg op de experimentele roman De God Denkbaar Denkbaar de God, die ik in een ver verleden al eens heb gelezen. Ik wist dus een beetje wat ik kon verwachten, want ook dit is een absurdistisch verhaal. Hermans wijkt af van iedere gebruikelijke verteltechniek, als hij het verhaal vertelt van de evangelist, geïnspireerd door Olfert Dapper (u weet wel, van de Dapperstraat). Dat verhaal begint als volgt;

Vijf miljard jaar geleden was de wereld herschapen en O. Dapper Dapper liep. Het was een elektrische schrijfmachine waar hij uit voortkwam, want de levenslopen van apostelen werden in dat tijdperk niet meer met de hand geschreven.

Die schrijfmachine gaan we nog tegenkomen, die wordt ergens gebouwd, “uiteraard” zo groot als twee handelsmaatschappijen. Maar niet voordat we kennis hebben gemaakt met de Heilige Nefeline, Professor Doctor Monique Santiago, Hank de hippie en de oude geilaard. De vliegtuigscene en kaping met een sinaasappel is er eentje die je wel bijblijft uit dit boek. Dat klinkt absurd en dat is het ook. Het is een spelen met taal, ik verwachtte op een gegeven moment dat kleuren of gebeurtenissen terug zouden komen en dat deden ze ook, ik werd er aardig in meegenomen. Je kijkt niet gek op als, rekening houdend met het openingsfragment, de schrijfmachinemonteur zijn intrede doet bijvoorbeeld.

Hermans veroorlooft zich zelfs een verwijzing naar Gerard van het Reve als hij zegt;

Zoals er mannelijke katholieken zijn die met mannelijke ezels paren, zo bestaan er mannelijke vleermuizen die geen goddelijker genoegen kennen dan het bevruchten van vrouwelijke katholieken.

Ook uitgeverij Van Oorschot krijgt nog een sneer maar het zijn vooral de bizarre wendingen die verrassen;

Een krankzinnig idee kwam op in het geteisterde brein van de palingboer, namelijk dat ze moesten proberen de biljartbal tot het rooms-katholicisme te bekeren.

Bizar, maar passend in het verhaal. En die schrijfmachine? Die wordt gebouwd, van gigantische afmetingen, voor O. Dapper Dapper. Hij wordt gebruikt ook;

Een afgrijselijke gil. Juist op dat ogenblik zwaait toevallig de letter X omhoog, grijpt in zijn vlucht het vallende kind en slaat het te pletter tegen de papierrol. De moeder krijst en rukt zich de haren uit het hoofd. Een rode X staat, druipend van het bloed, op het papier en lijkt, door zijn grootte, de ondertekening van het doodvonnis voor de gehele wereld.

Het is geen verhaal waar iedereen mee uit de voeten kan denk ik, maar ik heb er van genoten. Ik bevind me in goed gezelschap, want Martin Ros zei er destijds over in het Algemeen Dagblad;

‘Het evangelie van Dapper is […] met bloed geschreven…en elke bladzij is een giller van zwarte humor. Hermans’ grote woede heeft zich weer eens ontladen in een nog wel wat duistere, maar toch ontzettend vermakelijke persiflage.’

Ik sluit mij daar bij aan.

graven-van-vlaanderen-861-1384 (2)
Afgelopen jaar bezocht ik Gent en de burcht het Gravensteen. Via de audiotour hoor je dan de namen van de Vlaamse graven die er resideerden, zoals Filips van de Elzas en Lodewijk van Male. Het interesseerde mij zo dat ik er meer over wilde weten, het bleven nog een beetje losstaande namen in een verhaal. Toen zag ik het boek De Graven van Vlaanderen van Edward De Maesschalck en dat was precies wat ik zocht. Klein detail, het maakte deel uit van een cassette met drie boeken. Dezelfde auteur schreef ook twee prachtige boeken over De Bourgondische Vorsten en over Oranje tegen Spanje. Ze laten zich in de tijd achter elkaar lezen, te beginnen met dit boek.

En prachtige boeken zijn het. Dit deel telt 340 pagina’s en naast veel tekst staan er prachtige afbeeldingen in van miniaturen uit die tijd, verhelderende kaarten, plattegronden en stambomen. Zo is de hele lijn van de eerste graaf Boudewijn I de IJzeren (ca. 840-879) tot en met Lodewijk van Male (1330-1384) gedetailleerd beschreven.

Wat mij daarbij opviel is de verwevenheid van de Vlaamse graven met de Europese geschiedenis. Zo wordt Mathilde, de dochter van Boudewijn V, de vrouw van de Engelse Willem de Veroveraar en wordt daarmee de stammoeder van de Engelse royals. Blanca van Namen, de kleindochter van graaf Gwijde van Dampierre wordt koningin van Zweden en Noorwegen en gravin Johanna van Constantinopel werd keizerin van de gelijknamige plaats.

Dat laatste geeft al aan dat de edelen niet in de lage landen bleven hangen. De complete geschiedenis wordt aan de hand van hun levens behandeld. De invallen van de Noormannen, de kruistochten, de handel en economie maar ook zee- en veldslagen als de Slag bij Zierikzee, de Guldensporenslag of de minder bekende (maar veel grotere) Slag op de Pevelenberg.

Als ik dit lees zijn het geen losstaande namen meer van een uitstapje in Gent, maar krijgt het een kader. Als ik nu lees over een protest van Robrecht van Béthune in het Gravensteen, zie ik het voor me. Dat protest staat er overigens integraal in en dat geldt voor meer citaten en brieven, het maakt het boek een levendig geheel. Zo staat er een prachtig smeekschrift in van gravin Margaretha aan de paus, waarin ze verzoekt om heffingen op de inkomsten van kerken en abdijen. Ook het verslag een opstand in Kortrijk is indrukwekkend:

Toen het volk van Kortrijk besefte dat de graaf en zijn mannen wilden vertrekken en door hun schuld alles in de vlammen zou opgaan. stormden ze met veel kabaal en wapengekletter op de graaf en zijn mannen af. Ze waren in razende woede omdat al hun bezit door het vuur werd verteerd en achtten zich enkel nog gelukkig als ze de vluchters konden doden. Vrouwen, die zich hun sekse niet herinnerden, sloegen paarden en ridders neer en gooiden uit de vensters van hun huizen alle mogelijke obstakels naar beneden om de ruiters te beletten te ontkomen.

Het waren woelige tijden. Geweld was aan de orde van de dag, vele graven werden niet oud en ze moesten constant op de hoede zijn om hun bezit veilig te stellen. Hun macht varieerde van een bijna bankroet tot bezittingen die groter waren dan die van het Franse hof. Toch vind ik die kleine weetjes de leukste, zoals de oorsprong van de naam Vlaanderen, of te weten dat ons begrip van “De Beurs” (als in aandelenbeurs) stamt van de Brugse herberg Ter Beurse van de familie Van der Beurse, waar de kooplui praatten over hun winsten en verliezen.

De illustraties verdienen echt een aparte vermelding. Er staan talloze miniaturen in het boek, allemaal voorzien van bijschrift en het wordt keurig aangegeven als de artiest in kwestie er even naast zat (de afbeelding staat onder dit stuk);

In een Chronique de Flandre….zien we een impressie van de slag van Westkapelle (1253). Deze veldslag draaide voor de Dampierres uit op een catastrofe, want zowel Gwijde als Jan werd gevangengenomen en zou slechts tegen een hoog losgeld uitgeleverd worden….De miniaturist heeft duidelijk Zeeland nooit met eigen ogen gezien en de beslissende strijd speelde zich ook niet af op zee, maar op het strand van Walcheren.

Geen goedkoop boek, zeker niet als je de cassette koopt, maar wel zeer de moeite waard.

img_5692
De slag van Westkapelle

e9afa7b340e9ae45935676a5767444341587343 (3)
Giacomo Leopardi (1798-1837) was het beste jongetje van de klas. Voor zijn achttiende had hij al een aantal literaire en wetenschappelijke werken op zijn naam staan. Hij was verder geleerde, dichter en filosoof. Die veelzijdigheid komen het best tot uiting in zijn Zibaldone, een intellectueel dagboek dat hij bijhield van 1817 tot 1832.

Het is een immens werk van in totaal 4526 schriftvellen en dit boek is een bloemlezing daaruit. Nu houd ik van dagboeken en essays dus ik was benieuwd naar de gedachtesprongen van deze alleskunner. De inhoud gaat over van alles; schrijvers en literatuur, filosofie, psychologische observaties, onvoltooide proza- en poëziefragmenten enzovoort.

Dat viel me dus nog niet mee. Het is geen dik boek, zo’n 248 pagina’s, de hoofdstukken over verschillende onderwerpen zijn niet lang maar ik vond het niet lekker weglezen. Een willekeurig voorbeeld van het begin van een nieuw hoofdstuk;

De uitspraak dat de mensen in alle tijden en landen steeds hetzelfde zijn, is alleen maar waar in deze zin. De perioden die de mens (en ook ieder volk) doorloopt, vertonen, evenals de tijdsperioden onderling, globaal gezien steeds een duidelijke gelijkenis en overeenkomst; maar de diverse tijdvakken waaruit deze grotere perioden bestaan, zijn onderling zeer verschillend, en datzelfde geldt voor de mensen van het ene tijdvak ten opzichte van die van het andere, en voor een volk dat zich op dit moment in het ene tijdvak bevindt tegenover een volk dat zich momenteel in het andere bevindt.

Bent u er nog? De zinnen zijn vaak erg lang. Op pagina 134 staan 4 volledige zinnen. Als zin 5 gelezen is zitten we halverwege pagina 135. Dat hielp ook niet mee. Is er ook iets positiefs te melden? Natuurlijk. Als je je even concentreert zijn er mooie quotes op te halen;

Wie op deze wereld een beroep wil uitoefenen, en daaruit ook nog enig rendement wil halen, kan alleen maar dat van oplichter kiezen, welk terrein hij ook betreedt.

Ik werk in de verzekeringsbranche maar heb hier vooralsnog geen conclusie aan verbonden. Leopardi stelt ook dat als ongeletterden een beroemd auteur lezen, ze hier geen genoegen aan beleven, omdat ze een onmogelijk genot verwachten, een niveau van perfectie waartoe de menselijke geest niet in staat is. Daarom lachen ze om die auteur of minachten hem zelfs. Dat laatste doe ik zeker niet, maar misschien verwachtte ik toch een wat hoger genot dan dit boek mij verschafte. Wat natuurlijk ook aan mijn geletterdheid kan liggen.

Het was wel leuk om de naam van Bilderdijk tegen te komen in Leopardi’s werk en ik blijf onverminderd benieuwd naar zijn Canti, ofwel gedichten. Dat zijn er niet veel maar zouden van een ongehoorde schoonheid zijn. Leopardi zelf? Hij had een zwakke gezondheid en was ook niet direct het zonnetje in huis. In zijn Zibaldone is de natuur aanvankelijk nog ‘de enige bron van het schone, het grote, het leven en de afwisseling’ maar allengs wordt zijn toon donkerder en pessimistischer. Uiteindelijk is de natuur ‘een valse stiefmoeder die haar kinderen alleen maar wil zien lijden’. Jammer dat hij er niet langer van mocht genieten.

Vertaling; Frans van Dooren

9045032988.01._sx450_sy635_sclzzzzzzz_
In het restaurant van Christoph Ribbat is een verrassend leuk boek over de cultuurgeschiedenis van het restaurantwezen. Dat wordt gedaan in kort bestek, namelijk in 216 pagina’s en in heel korte verhaaltjes, waarvan sommigen door elkaar heen lopen.

Ik moest er even aan wennen, maar achterop het boek wordt keurig vermeld dat het om een vertel-experiment gaat, tussen cultuurwetenschap en docu-roman in, dus ik gaf het een kans. En ja hoor, ik werd vanzelf meegenomen en kwam en passant best veel te weten over een voor mij onbekende wereld.

We gaan eerst even terug in de tijd en leren dat het woord “restaurant” afkomstig is van de restauratieve bouillons die eind achttiende eeuw geserveerd werden in luxueus gemeubileerde eethuizen. Het begin van de restaurants zoals wij ze kennen. We zijn dan in Parijs, maar surfen even makkelijk door naar Frances Donovan in Chicago in 1917. Zij zoekt werk als serveerster. Niet om het werk, maar om wetenschappelijk onderzoek te doen voor haar studie sociologie. Even later volgen we Eric Blair, die zich afslooft in Franse hotelkeukens. Het leuke aan dit boek is dat je pas later in het verhaal leest dat het hier gaat om George Orwell, die informatie verzamelt voor zijn roman Down and out in Paris and London.

Het interessante aan dit boek is dat het op verschillende manieren te lezen is. Als een verzameling losse verhalen, maar het gaat ook over rassenscheiding. Het gaat over sociale verschillen; de hardwerkende en laagbetaalde koks en keukenhulpen achter de keukendeur en de obers en betalende clientèle voor de keukendeur. Schrijver James Baldwin wordt zo kwaad over die discriminatie dat hij een kan water naar een serveerster smijt. Over het harde werken staan er talloze voorbeelden in het boek, met de meest ludieke de jacht op de kipuitbeenmachine waar de keukenhulp zich helemaal gek voor rent.

Ik leer over de eerste pizzeria in Duitsland in 1952, die overigens voornamelijk spaghetti with meatballs serveert aan Amerikaanse soldaten. Ik lees het verhaal van de Duitse soldaat Hans Schilling die met zijn Tsjechische geliefde Margareta naar Spanje reist en een midgetgolfbaan met café begint;

Bijna geen mens komt er een balletje slaan. Het terrein ligt te geïsoleerd en het kronkelweggetje dat van het dichtstbijzijnde dorp naar de golfbaan leidt, is te lang. Maar het café loopt helemaal niet zo slecht…In 1964 is het café uitgegroeid tot een grillrestaurant…Bar Alemany heette het café vroeger. Maar die tijden zijn voorbij. Margareta vernoemt het restaurant naar haar favoriete hondenras.

Als je, zoals ik, niet zo thuis bent in die wereld begint het mij bij dat hondenras pas te dagen dat we het over het ontstaan hebben van het wereldberoemde restaurant El Bulli. Je had overigens al kunnen spieken in het uitgebreide (33 pagina’s!) notenapparaat. We volgen verder kort de beroemde Engelse chef Heston Blumenthal en de onlangs overleden chef/enfant terrible Anthony Bourdain. Mooi is ook het verhaal van de recensente Marilyn Hagerty, die positief berichtte over een grote keten in Amerika, de Olive Garden. De onbedoelde humor werd wijdverspreid;

De inrichting van het restaurant maakt indruk op haar…Nuchter beschrijft Hagerty de salade als ‘vertrouwd’ – ze vindt het heel passend dat er hier in de Olive Garden ook een paar zwarte olijven opduiken. Ze prijst de chicken alfredo: de portie is ‘royaal’. Samenvattend noemt ze de Olive Garden het ‘grootste en mooiste restaurant’ van Grand Forks.

Prompt wordt mevrouw uitgenodigd om eens in het sterrenrestaurant Le Bernardin van topchef Eric Ripert te komen eten en zowaar, ook daar is ze over te spreken, vooral over de kleine tafeltjes waarop de dames hun handtasje kwijt kunnen.

Verder gaat het over MacDonalds, over foodies maar ook over het feit dat de koks, ooit onzichtbaar, nu soms sterren zijn en in open keukens werken. Er zit dus van alles wat in dit boek;

Wie alleen ingaat op de details waarmee het aanbod voor de lagere middenklasse en de hogere middenklasse zich onderscheidt, kan heel wat over hoofd zien; de ongelijkheid tussen keukenpersoneel zonder papieren en wereldberoemde koks, tussen scheldende gasten van luxerestaurants en een burgerrechtenactiviste die aan haar haren door een restaurant wordt gesleurd, tussen bedienend personeel dat op de armoedegrens leeft en foodauteurs die hun diensten aanbieden om culinaire verfijning op te hemelen dan wel af te kraken.

Vertaling; Marianne van Reenen

940160746x.01._sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Toen iedereen in Nederland met buttons op liep van de populaire popgroep Doe Maar, dompelde ik mijzelf onder in de reggae-muziek van Bob Marley, Peter Tosh, Third World en Burning Spear. Roger Steffens is een auteur/producer met een immens reggae-archief en hij heeft talloze interviews gehouden met mensen uit de reggae-wereld. Zo is deze biografie van ruim 400 pagina’s ook opgebouwd. Het is de weergave van zijn gesprekken met mensen om Bob Marley heen, terwijl hijzelf die gesprekken aan elkaar praat.

Er is ook veel te vertellen. Over zijn vroege jeugd in het dorp Nine Mile. Zijn moeder was achttien en zijn blanke vader was een Engelsman van vierenzestig. Die was al snel uit beeld. Bob kwam terecht in de beroemde wijk van Kingston, Trench Town. Daar verzamelde hij vrienden om zich heen om muziek te maken. De meest beroemde daarvan zijn Bunny Wailer en Peter Tosh. In deze fase is de al bekende Joe Higgs erg belangrijk als mentor voor de beginnende muzikanten. Marley ontmoet Rita en ze trouwen vrij snel en in het geheim.

Bob is enorm gedreven en is altijd bezig met zijn muziek én met sporten. Hij voetbalt wanneer hij maar kan. Ook raakt hij onder invloed van het Rastafari-geloof. Eén van de zangeressen van de Wailers, Beverly Kelso, zegt daarover;

Dat hele rastagedoe begon bij Rita’s broer. Ik geloof dat hij studeerde aan de University of the West Indies. Hij kamde zijn haar niet. Ik herinner me dat hij tegen ze preekte en ze van alles vertelde over Babylon. Ik weet niet wat hij allemaal preekte. Toen dat preken begon, gingen ze allemaal meer roken.

Het geloof zou een belangrijke rol spelen in de teksten van Marley. Er worden platen opgenomen en ze moeten moeite doen om gedraaid te worden. Allan ‘Skill’ Cole, de manager van Marley, geeft aan in wat voor wereld zij zich moesten begeven;

De fabrieken waren in het bezit van de producers, die dus alles in handen hadden; de radiostations, payola, de hitlijsten, alles. Pas toen we erin zaten, konden we ook een deel opeisen, maar daarvoor was soms brute kracht nodig…niemand accepteerde het geld van de rastaman…Als iemand onze muziek niet wilde draaien, gingen we bij hem langs om met hem te praten, hem te bedreigen. Soms moesten we autobanden lekprikken en dat soort dingen…Maar we hebben nooit iemand vermoord.

Dat is dan weer fideel. Andersom was dat wel bijna het geval. Marley en zijn groep worden beroemd en even voor een groot festival wordt er een aanslag gepleegd door gewapende mannen. Tijdens de repetitie worden ze beschoten en zowel Bob als Rita Marley worden geraakt maar overleven het. Sterker, een paar dagen erna doen ze toch dat optreden, het nu beroemde Smile-concert. Het is nooit helemaal duidelijk geworden waarom die aanslag is gepleegd en het was een risico om op te treden. Het zijn indrukwekkende beelden. Het podium staat propvol (“als we gaan, dan met z’n allen”) en de auteur vertelt hierover;

Het was naar mijn smaak het meest ongelooflijke moment van de geschiedenis van de twintigste-eeuwse popmuziek: Bob, met een kogel in zijn arm. die tachtigduizend mensen luttele dagen voor een cruciale verkiezing toezong met aan zijn zijde zijn vrouw die een kogel in haar schedel had. Waar valt zoiets in vredesnaam mee te vergelijken?

Marley maakt reizen naar Afrika en tourt door Europa. In Parijs wordt in zijn teen een melanoom geconstateerd. Dat wordt behandeld, maar niet adequaat genoeg. Deels een medische nalatigheid, deels koppigheid van Marley zelf. Hij wordt zieker en zieker, blijkt doodziek toch geweldige concerten te geven tot het niet meer gaat. Hij sterft op 36-jarige leeftijd.

Ik kende wel wat achtergronden van de man en zijn muziek, maar het is verfrissend om alles in interview-vorm terug te lezen. Je hoort zo ook verschillende kanten van een bepaalde gebeurtenis. Soms spreken personen elkaar faliekant tegen, maar de auteur kiest ervoor om die versies naast elkaar te laten bestaan en dat lijkt me prima. Fijn om weer ondergedompeld te worden in die prachtige muziek.

Vertaling; Robert Neugarten

25b50e7e6d8e17b59362b5a5a41444341587343
Ik zou niet zo snel aan Aantekeningen van een stambewaarder van Walter van den Broeck begonnen zijn, als Jeroen Brouwers mij er niet op had gewezen. Hij zegt hierover:

De roman…is een omvangrijke familiekroniek waarin de auteur het hele geslacht Van den Broeck vanaf de diepten der tijden, ergens vroeg in de achttiende eeuw, tot heden portretteert en vereeuwigt ‘opdat het definitief geschied zou zijn, zò en niet anders’.

Brouwers kent geen ander voorbeeld in de Nederlandstalige literatuur en noemt het een schitterend boek over de ‘grauwte van eeuwen’. Het is een verhaal dat bestaat uit authentieke, uit historische bronnen opgedolven feiten, over echt geleefd hebbende personen, omtrent wie niets is ‘verzonnen’.

Het is een verhaal dat begint met een aantal mogelijke inleidingen. Die hoofdstukken heten dan ook “Het eerste begin” tot en met “Het vierde begin”. Hierin ligt meteen besloten waarom het boek destijds, in 1977, niet unaniem lovend werd ontvangen in de pers, want België en haar bevolking krijgen er direct van langs:

…ik heb geen goed woord over voor dit kultuurloze, hebzuchtige, onbeschofte en onbeschaafde, domme volk, dat uitblinkt in egoïsme, dat bulkt van aanstellerij…Neen, ik ben er helemaal niet fier op tot dit volkje te behoren…Ik heb leren leven met dit volk, en met niet geringe tegenzin biecht ik op dat ik het lief heb zoals een knaapje zijn debiele broertje, dat hem enerzijds een blok aan het been is, maar hem anderzijds voortdurend door zijn geblunder ontroert en een zin aan zijn leven geeft.

Vervolgens doen we de ronde langs zijn voorvaderen. Dat is een nogal bont gezelschap. De plaats van waaruit alles zo’n beetje begint is Lichtaart, in de Kempen, lang voordat het bekend werd door Bobbejaanland… Daar woont Jan-Baptiste van de Broeck (?-1794) en zijn kleinzoon Petrus van den Broeck woont er ook. Deze is schoenmaker en zal wat klimmen op de sociale ladder, de floskaarten lagen wat gunstiger voor hem.

Zo gaan we door de geschiedenis en belanden we ook in andere werelddelen. De geschiedenis van de Filipijnen komt voorbij en we maken uitstapjes naar Mexico en Duitsland. Dat heeft te maken met andere voorvaders en met name met Peter Jules van den Broeck (1880-1958). Hij zal naar de Verenigde Staten reizen, gaat daar in dienst en komt in de Filipijnen terecht, waar hij ook zou trouwen, met een Mexicaanse schone. Uiteindelijk komt hij ook terug naar Lichtaart, om in een radium laboratorium te gaan werken. Radium, dus we maken ook een uitstapje naar het echtpaar Curie.

Het is een divers boek. De zoektocht naar een voormalig woonhuisje is ontroerend, de documenten waaruit geciteerd wordt zijn divers, variërend van een achttiende eeuwse donderpreek, tot de brieven van de Mexicaanse familie uit de Filipijnen en het oorlogsdagboek van zijn vader. De mooiste stukken echter zijn de gedachten van de auteur zelf, waarin hij dichter tot zijn familie wil komen;

Ach, Jan-Baptiste, Jan-Gerard, Petrus, hoe onbevredigend deze onderneming me lijkt! Ik kan wel eeuwig blijven doorgaan met het opperen van allerhande hypothesen, toch zal ik er nooit in slagen jullie dichterbij te halen…Wist ik bijvoorbeeld maar hoe jullie er uitzagen! Maar van jullie werden geen schilderijen, tekeningen of foto’s gemaakt en/of bewaard. Zelfs jullie graven zijn al lang verdwenen.