b96d1f16c110ce9596f44726f51444341587343
Als Murat Isik met zijn boek Wees onzichtbaar niet de Libris-literatuurprijs 2018 had gewonnen, weet ik niet of ik ertoe was gekomen om dit boek te lezen. Maar goed, het boek kreeg publiciteit en ik hoorde iets over een coming-of-age-roman die zich in de Bijlmermeer afspeelde, in een tijd dat ik er ook wel heb rondgelopen en mijn belangstelling was gewekt.

Het is een dikke pil van bijna 600 pagina’s en ik heb mij geen seconde verveeld, het is een prachtig boek. Hoofdpersoon is Metin Mutlu, een jongen geboren in het Turkse Izmir, die vanuit Hamburg met zijn moeder, zus en tirannieke vader naar de Bijlmermeer verhuist. Vader is overtuigd communist, terroriseert zijn gezin en voert zelf niets uit. Hij gaat weg wanneer het hem belieft en komt (want geen moslim) vaak stomdronken thuis.

Zijn kinderen en vrouw proberen de vrede waar het kan te bewaren in een flat zonder comfort, in een gebouw en een omgeving die wordt geteisterd door junks en criminelen en dat valt niet mee. De situatie die Metin schetst is tekenend;

Toen ik die middag thuiskwam van school, hing er een doordringende alcoholwalm in huis. Instinctief liep ik naar de slaapkamer van mijn ouders en deed de deur zachtjes open. Daar lag mijn vader op de matras op de grond. Hij lag zijn roes uit te slapen in zijn onderbroek…’s Avonds schoof hij aan voor het avondeten, met geschoren wangen, heerlijk geurend naar Tabac-aftershave en zijn haar perfect in model alsof er niets was gebeurd. We spraken niet over het incident, zoals we nooit spraken over vervelende dingen die zich in huis voordeden. We slikten het en gingen verder. En zoals altijd aten we zwijgend ons eten en hoopten we dat de vrede zo lang mogelijk stand hield.

Het verhaal ontvouwt zich in een rap tempo in veelal korte hoofdstukken en dat zorgt ervoor dat je blijft lezen. De hoofdstukken handelen ook vaak over op zichzelf staande gebeurtenissen, zoals Koninginnedag, een voetbalcompetitie, de Bijlmerramp, een ontmoeting met een meisje, er wordt nooit lang doorgegaan op een oud gegeven en dat werkt erg verfrissend.

Metin worstelt dus met zijn vader, maar ook met school, waar veel van hem wordt verwacht. Waar hij eigenlijk havo-niveau heeft, wordt hij gepushed naar het vwo waar hij op zijn tenen moet lopen. Hij wordt er gepest en moet alle zeilen bijzetten;

Dino was een kwaadaardig wezen dat ik zorgvuldig moest mijden, maar de grootste slag zou me misschien wel worden toegebracht door iemand die ik niet eerder in het vizier had gehad, iemand die me tot dan toe niet was opgevallen omdat hij er ongevaarlijk en zwak uitzag. Het was een berekenende dwerg die op een dag besloot mijn radar te omzeilen om een onverwachte en verachtelijke aanval uit te voeren, juist op het moment dat het ergste achter de rug leek. Misschien had ik daarom mijn schild even neergelegd, als een soldaat die uitgeput terugkeert van het front en uitziet naar het moment dat hij zich voorgoed kan ontdoen van zijn uitrusting.

Als een hoofdstuk zo begint dan lees ik graag verder. De geschiedenis van de Bijlmermeer wordt mooi in het boek verwerkt als Metin voor maatschappijleer de verhalen aanhoort van meneer Rolf, één van de eerste bewoners van zijn flat Fleerde en die later de laatste, protesterende bewoner zal blijken te zijn.

In het gezin begint langzaam een kentering te komen. Metin’s moeder krijgt werk en leert snel, Metin en zijn zus worden ouder en vader krijgt steeds meer tegengas. Hij wordt met argumenten voorbijgestreefd en ziet dat hij grip verliest. Als u wilt weten hoe dat afloopt, lees dan vooral het boek. Zijn er geen minpunten? Niet echt, of het moet de passage zijn waarin de auteur de moeilijkheden van Metin nèt iets te ver doordrijft door de lerares te laten vragen wie hij dan wel is en hoe hij heet, alsof ze hem echt nog nooit heeft opgemerkt. Voor de rest, wat mij betreft een aanrader.

Advertenties

9023429060.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik heb wel het één en ander over Beethoven gelezen, maar een deugdelijke biografie eigenlijk nog nooit, dus dit boek van Jan Caeyers wilde ik graag lezen. Gottmer heeft ooit een componistenreeks uitgebracht en dat deeltje bezit ik, maar dat las ik lang geleden dus de kennis opfrissen kon geen kwaad, temeer omdat ik Beethoven’s muziek regelmatig afspeel. Ik heb al zijn werken inmiddels beluisterd, maar met een biografie van zo’n 600 pagina’s hoopte ik nieuwe inzichten te krijgen en dat klopte.

Vaak vertellen biografen wat over de voorouders en dat is hier niet anders maar wel erg interessant, want de beroemde componist is de achterkleinzoon van een bakker uit het Vlaamse Mechelen. Hij werd echter in Bonn geboren in een gezin dat niet vrij van problemen was. Zijn vader kampte met psychische problemen en was een dronkaard. Toch zal Beethoven nooit een kwaad woord over hem spreken en dat vind ik meteen de kracht van dit boek. De mythische Beethoven wordt overal tot de menselijke maat terug gebracht. Daar kom ik op terug.

Beethoven bleek muzikaal uitzonderlijk begaafd en speelde uiteindelijk sneller dan dat hij las en er gingen al snel verhalen in het rond over zijn talent;

…nog sterker is het verhaal dat de jonge Beethoven erin is geslaagd de bas Ferdinand Heller – die toch bekendstond als een toonvast zanger – totaal uit zijn toon en zijn lood te slaan door een ter plekke geïmproviseerde en uiterst complexe begeleiding, met het gevolg dat de keurvorst zelf hem moest aanmanen het voortaan allemaal eenvoudig te houden.

Het ontbrak hem niet aan lef en hij zal uiteindelijk in Wenen belanden. Hij ontmoet Mozart en Haydn en de auteur geeft aan waar de verschillen liggen in speelstijl, en waarom Beethoven uiteindelijk zo’n revolutie in de muziek zou ontketenen.

Hij is overtuigd van eigen kunnen en zegt dat ook als het hem uitkomt;

‘Prins, wie u bent, bent u door toeval en geboorte. Wie ik ben, ben ik dankzij mezelf. Prinsen zijn er en zullen er nog duizenden zijn, er is echter maar één Beethoven.’

In de liefde is het een ander verhaal en boekt hij minder succes. Hij heeft één ‘eeuwige’ geliefde die een grote rol zal spelen in zijn leven én daarmee in zijn werk en dat is Eleonore von Breuning. Een andere bepalende factor is zijn gezondheid, of beter, het ontbreken daarvan. Bekend is zijn toenemende doofheid, waarschijnlijk als gevolg van tyfus. Ook zijn zenuwgestel werd daardoor aangetast en zijn overmatige alcoholconsumptie zal ook niet geholpen hebben.

Verder was het hard werken in Wenen. Hij moest leuren om zijn composities ten gehore te kunnen brengen en verkocht daarvoor zelfs eigenhandig toegangskaartjes. Die composities, dat is een verhaal apart. Die waren anders dan alles wat daarvoor was geprobeerd en dat wordt prachtig toegelicht in dit boek. Soms met notenvoorbeelden, maar prima te volgen als je niet muzikaal onderlegd bent. Je wilt die werken meteen opzetten en ik hoorde allemaal nieuwe dingen.

Belangrijke episodes krijgen een eigen hoofdstuk, zoals zijn retraite in het dorpje Heiligenstadt, nu een deel van Wenen. Het werd hem allemaal teveel en hij moest rust houden. Daar wandelde hij veel en hij schreef er van zich af in een document wat nu bekend staat als het Heiligenstädter Testament. Ook zijn zorg voor zijn neef Karl is een constante. Hij had het beste met hem voor maar kon een zelfmoordpoging niet voorkomen. Zijn ontmoeting met Goethe, zijn problemen met betalingen, maar vooral de uitweidingen over zijn muziek zijn fascinerend. Over zijn strijkkwartetten;

…veel ingrijpender waren de gevolgen van de professionalisering onder Shuppanzigh. Daar waar de Strijkkwartetten (op.18), net als alle kwartetten uit die tijd, nog gemaakt waren op maat van de consumenten…waren de Rasumowskykwartetten gedacht voor professionele muzikanten, wat er in de praktijk op neerkwam dat Beethoven met niemand meer rekening hield. Bepaalde passages waren technisch zo moeilijk dat ze enkel nog speelbaar waren door de grootste virtuozen….

En als het zijn meesterviolist Shuppanzigh teveel werd en hij zich beklaagde bij Beethoven, dan was deze niet mals;

‘Denk je werkelijk dat ik aan jouw ellendige viool denk wanneer ik getroffen word door een bepaald gevoel?’

Uiteindelijk werd Beethoven volledig doof en daar begint voor mij het wonder. Hij bleef doorcomponeren maar nu praktisch zonder piano. Zijn ‘inwendig gehoor’ was zo getraind dat hij in staat was totaal nieuwe en nooit gehoorde klankenconstructies te ontwikkelen en die om te zetten naar een concreet notenbeeld. De auteur gaat hierin zo ver dat zijn doofheid wellicht werken heeft opgeleverd die een horend componist nooit had kunnen schrijven.

Maar even terug nar de menselijke maat. Het boek staat vol met materie die je echt wel doen inzien wat voor uitzonderlijk begaafd iemand Beethoven was. Dan is het prettig dat, om de zaak in balans te houden, ook de menselijke maat niet uit het oog verloren wordt. Dat gebeurt. Beethoven had zijn woede-aanvallen en kon nukkig en dwars zijn, allemaal waar. Maar de liefde voor Eleonora, zijn twijfel die hij van zich afschrijft, de capriolen die hij uithaalt om zijn werk maar aan de man te brengen, die worden allemaal uitgebreid beschreven en laten zien dat hij maar mens was. Zijn laatste woorden waren, toen hij naar een paar flessen prima Rüdesheimer keek op het tafeltje naast zijn bed: ‘Jammer, jammer, te laat!’ 

Ik zet zijn bewerkingen nog maar eens op van die Schotse volksliedjes.

FullSizeRender
Jeroen Brouwers heeft een aantal bundels uitgebracht onder de naam Kladboek. Dat zijn verzamelingen van essays over uiteenlopende onderwerpen. In het verleden heb ik de eerste twee kladboeken al gelezen en Het vliegenboek is nummer drie.

Het is een beetje bijeengeraapt boek met verschillende stokpaardjes. Een aantal essays over de zelfmoord van buitenlandse schrijvers, die ook in de (nog te lezen) bundel De zwarte zon staan. Een aantal portretten van schrijvers, als Richard Minne, Karel van het Reve, Rudy Kousbroek en Walter van den Broeck. Een stuk over, onvermijdelijk haast, de uitgeverij Manteau en haar eigenaresse Angèle Manteau, waar Brouwers geen goed woord voor over heeft. Een stuk over het geboortedorp van Hitler en een mini-cursus Vlaanderen.

Het leest allemaal heerlijk weg, maar ik zat me toch een beetje af te vragen wat ik met het boek moest. Het tuurtouw stond er ook in, dat had ik ook al in een aparte uitgave gelezen, maar toen kwam ik bij het stuk over Karel van het Reve. Van hem heb ik het verzameld werk in de kast staan en dan begint Brouwers;

De opinions van Karel van het Reve zijn overwegend gebaseerd op tergende nonsens. Je kan geen deur opentrekken, geen kamer binnenkomen en geen radio aanzetten of iemand zegt dat Karel van het Reve zo’n briljante essayist zou zijn. Voorts kan je geen boekenbijlage of cultureel supplement openslaan of je leest daarin dat Karel van het Reve in zijn hoedanigheid van essayist weliswaar misschien soms een steekje laat vallen, maar dat overeind blijft dat Karel van het Reve een briljant stilist zou zijn. Karel van het Reve is het een noch het ander. Karel van het Reve is maar één ding, en dat is: lui.

En dan komt Brouwers met 38 pagina’s aan onderbouwing van zijn stelling. Fijn dan, ik kan Karel meteen met andere ogen gaan lezen. Zo krijgt ook Rudy Kousbroek een veeg uit de pan. In zijn Anathema’s, waarvan ik deel 1 las en er meer heb staan, staat blijkbaar ook klinkklare onzin. Met name deel 3 moet ik even met de stofkam door begrijp ik.

Maar het is wel Brouwers zoals ik hem graag lees, dus er valt genoeg te genieten. Hij maakt mij nieuwsgierig naar het werk van Walter van den Broeck, die een roman schreef waarin hij de koning vergezelt op een rondrit door zijn dorp. Ook de geschiedenis van de Leo J. Krynprijs (de wat? iets van achtergrond vindt u hier) is de moeite waard. Angèle Manteau krijgt er hier ook weer van langs trouwens;

Het is onterecht Angèle Manteau te bestempelen als degen die de talenten van Louis Paul Boon en Hugo Claus zou hebben ‘ontdekt’: beiden zijn ontdekt door de jury van de Leo J. Krynprijs en Angèle hoefde slechts, als was zij een haai, haar kaken te sperren om beide talenten ter opslokking toegeworpen te krijgen.

Dat kwam door de wurgcontracten die Manteau opstelde, iets waar Claus tot zijn geluk onderuit kwam omdat hij te jong was om te tekenen. Het boek sluit af met wat beschouwingen over zijn vader, die hij slecht kende en weinig gevoelens bij heeft. Het is dus een beetje van alles wat in dit boek, maar ik was snel door de ruim 440 pagina’s heen en blijf fan van Brouwers.

54b73eba30eaa365970776b7141437641414141
In Leven in een doodgeboren droom duikt Rémon van Gemeren in de wereld van Joost Zwagerman. Het is geen biografie, maar een literatuurstudie naar het werk van Zwagerman. De kernvraag daarbij is: Wat doe je als je moet leven in een werkelijkheid die je onaangenaam vindt?

Er komt een soort van antwoord op die vraag en Van Gemeren zegt er dit over in zijn inleiding:

Er zijn mooie dingen, bovenal liefde en kunst, maar de intensiteit die ze teweegbrengen, vervliegt spoedig en laat je achter in leegte en verveling, mismoedigheid en wanhoop…In zijn werk schept Zwagerman een wereld waarin gesmacht wordt naar iets om je aan vast te grijpen…Hij gaat daarin zo ver dat hij zelfs manieren verkent om, als je geen doel of geluk kunt vinden, te leven terwijl je er, al is het maar even, niet meer bent. Je verdwijnt – figuurlijk uiteraard.

Een soort van antwoord, want het gaat over verdwijnen terwijl je blijft leven. We kennen de trieste afloop dus het antwoord was blijkbaar niet voldoende, maar daar gaat het niet om. Wat de auteur doet is aantonen dat dit verlangen een rol speelt in het complete oeuvre van Zwagerman.

Allereerst wordt het verhalend proza bestudeerd. Van Gemeren toont via Gimmick! aan dat het thema er al vroeg in zat. De hoofdpersoon tracht te ontsnappen aan het artistieke milieu waar hij in zit, maar dat dit praktisch onmogelijk is. In Vals Licht is het nog duidelijker; een student krijgt relatie met een prostituee en leeft daarmee in een schijnwereld waarin hij niet gelukkig is. Dat is hij ook niet in de wereld erbuiten, van zijn medestudenten, ouders en vrienden. Die spanning is door het hele boek voelbaar. Het verlangen te verdwijnen is minder evident in het boekenweekgeschenk Duel maar het is er wel. Het gaat over de corrupte kunstwereld en de bijna gedwongen keuze om je hier van af te keren als je er geen deel aan wil nemen;

Wie dat doorheeft en er niet aan wil meedoen, lijkt geen andere keuze te hebben dan de kunst…volledig de rug toe te keren in een dappere poging je er volledig aan te onttrekken, wat bijna neerkomt op het verdwijnen in een welhaast surrealistische wereld waarin geen kunst voorkomt.

Op eenzelfde wijze worden de poëzie en de essays van Zwagerman doorgelicht. Met name van de laatste ben ik een liefhebber (de poëzie ken ik nog niet) en daar was ik dus benieuwd naar. Eerlijk gezegd vond ik het thema er soms met de haren bijgesleept of som te weinig belicht. De maatschappelijke essays van Zwagerman gaan bijvoorbeeld over de zwakke plekken in de Nederlandse samenleving en de conclusie moet dan een pleidooi voor meer beschaving in Nederland zijn, maar de rode draad ontging mij hier.

Zo niet in zijn essays over romantiek. De androgynie van een David Bowie of Prince, dat snap ik. Zijn beschouwingen over Boudewijn Büch, James Frey, de film Blue Velvet, Van Gemeren legt het uit. Soms ligt dat verdwijnen er zelfs een beetje te dik bovenop, zoals bij de schilderijen van Willem Althuis, maar vooruit.

Het is wrang om over zijn essays met betrekking tot zelfdoding te lezen. Zwagerman wijst zelfdoding af maar oordeelt niet. Hij heeft sympathie voor de verbondenheid die het publiek aan de dag legde na de zelfmoord van Herman Brood, maar:

…wijst hij erop dat het voorbijging aan ‘de eenzaamheid die aan een zelfmoord voorafgaat.’

Je gaat onvermijdelijk zijn werk anders lezen na zijn eigen zelfmoord maar ook na het lezen van dit boek. Dat geeft niet, ik hoop dat het mij bewuster laat lezen, want ik heb nog werk van hem in de kast staan. Dat ga ik nog lezen, met in mijn achterhoofd die machteloosheid van de schrijver, zijn besef daarvan en zijn onmacht om die te verlichten of te aanvaarden.

111c541974589f1593030395377444341587343
Ik had Hersenschimmen van J. Bernlef al eens gelezen, maar nog niet zijn pendant Eclips. Hoe zat dat ook al weer dan? Hersenschimmen gaat over Maarten Klein, die kampt met een snel toenemend geheugenverlies. Dat wordt knap verteld door Bernlef en hier vertelt hij zijn verhaal in omgekeerde richting.

Kees Zomer zit in de auto als de eclips plotseling toeslaat. Daarmee opent het verhaal ook;

Ik moet naar rechts, van de weg af. Omdat de linkerkant van de wereld verdwenen is, plotseling weg. Daarom moet ik wel naar rechts, de kaarsrechte vaart in. De achterbumper slaat met een harde klap op de wallekant. Dan begint het zinken.

Hij zinkt, het kanaal en zijn geheugen in. Hij weet zich te redden, komt weer op de wal maar is alles aan de linkerkant kwijt. Hij ontmoet een aantal mensen zoals de zwerfster Toos, die hem al snel in de steek laat. Hij kan zich moeilijk bewegen en komt slecht uit zijn woorden. De muziek uit een transistorradio helpt hem langzaam wat woorden terug te vinden;

Ik draai aan de zenderknop tot ik de muziek hoor…’Kom op, dansen Kees!’ Maar dat durf ik niet, bang in een draaikolk terecht te komen waarin ik ook het restant van mijn lichaam zou kunnen kwijtraken…’Geëxcuseer,’ zeg ik. ‘Ik leef daarvoor nog te gering. Het was niet mijn bedoeling je affront te maken.’

Kees verblijft bij de inbrekers Cor en Karel die zich bruut van hem ontdoen. Daarna wordt hij gevonden door IJe, een oudere man die zich over hem ontfermt. Kees is nog steeds verward, maar hij merkt dat langzaam zich enige verbindingen weer beginnen te herstellen. Toch hapert het nog;

…al die losse flarden vormen niet langer een verhaal. Ze zwerven als losse scherven door mijn hoofd, willen zich niet samenvoegen tot wat je het verloop van een dag zou kunnen noemen. 
Ja, ik herinner mij. Het is beter dan het is geweest, toen het begon met helemaal niets, maar het is niet genoeg. Want als er geen onderlinge verbanden meer bestaan, geen volgorde, zijn je herinneringen waardeloos.

Als hij bij een boekhandelaar binnenstapt, nog steeds redelijk verward, begint het toch steeds meer te dagen. Hij was al als vermist opgegeven en hoe het afloopt, lees dat vooral zelf. Als pendant van Hersenschimmen is het boek de moeite waard om te lezen.

9200000086440941
Omdat ik zo’n plezier beleefde aan Alle vogels van Koos van Zomeren, kon het vervolg Nog meer vogels niet uitblijven. Waarom een vervolg? (overigens maar 115 pagina’s leesvoer dus een stuk dunner dan zijn voorganger). De auteur;

Op donderdag 11 mei van dit jaar zou in kleine kring de verschijning van Alle vogels worden gevierd. In de trein naar Amsterdam moest ik opeens aan twee eksters denken. Ergens in mijn boeken waren ze opgevlogen, en even later kon je al niet meer zien welke de ene was en welke de andere. Zoiets. Vermoedelijk in een van mijn thrillers. Jammer dat ik daar nu pas aan dacht.
Dit was de aanleiding om eens in die thrillers te duiken. Tot mijn niet geringe verbazing, en schrik, bleek het daar te wemelen van de vogels.

Reden voor de schrijver om een aantal van deze fragmenten te bundelen, maar ook andere stukken waar hij nog op geattendeerd werd vonden hun weg naar dit boek. Dat levert weer een aantal mooie fragmenten op, zij het meer versnipperd dan in het vorige deel. In het boek staan ook weer aan groot aantal penseeltekeningen van Erik van Ommen. De schrijfstijl is dezelfde dus ik las het in één adem uit. Een fraai fragment over de zang van vogels is deze;

Op zichzelf geeft een zingende vogel de wereld een buitengewoon eenvoudig signaal. Ik zit hier, hier zit ik. Maar in zijn uitwerking is dit signaal zo eenvoudig niet…Het begint er al mee dat een zingende vogel met een welhaast artistieke bravoure zijn eigen publiek uitkiest. Een vink zingt uitsluitend voor vinken…Je kunt een vink begraven onder de winterkoninkjes, dat doet hem niks…Maar ook binnen het selecte gezelschap van goede verstaanders heeft een vink met één en hetzelfde zangetje een dubbele boodschap. Voor mannetjes-vinken betekent het: ik zit hier, blijf jij maar uit de buurt. Voor vrouwtjes-vinken daarentegen: hier zit ik en ik zou het heerlijk vinden als je bij me kwam zitten.

Deze stukken boeien mij meer dan de bijeengezochte stukken uit zijn fictieve werk, hoewel daar ook moois tussen zit. Maar het liefst hoor ik de schrijver en liefhebber zelf aan het woord, zoals in dit interview met Hans Neervoort;

[,,,] Maar in de eerste plaats geloof ik dat vogels ook wel buiten mijn stukjes om bestaan. Een winterkoninkje dat ik zie heeft mijn stukje helemaal niet nodig om te leven. Ik kan bovendien wat daar zit niet verbeteren, maar ik kan er wel iets anders van maken. En dat anders is gelegen in de vraag: wat doet dat vogeltje met mij? Want dan kan ik weer wat met dat vogeltje doen. Daar gaan al die stukjes over.

Dat is dan ook precies wat mij er zo in aanspreekt.

73bc2e9a5797542596e63327141444341587343
Zeker had ik van Jacob van Lennep gehoord, als schrijver in ieder geval en omdat een straat hierachter naar hem is vernoemd én ik associeerde hem met een flinke wandeltocht. Dat klopt, maar er is zoveel meer en Marita Mathijsen legt dit allemaal uit in zijn biografie Een bezielde schavuit.

De man leefde van 1802 tot 1868 en heeft een groot stempel gedrukt op de Amsterdamse én Nederlandse samenleving van de 19e eeuw. Hij was advocaat, politicus, romanschrijver, dichter, toneelschrijver, historicus, editeur, taalkundige en beschermer van oudheden. Hij stond aan de basis van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, de verbetering van het Nederlands toneel, het Vondel- én het Rembrandtstandbeeld, het behoud van de Ridderzaal, schoon drinkwater in Amsterdam, het Amstel Hotel, het Noordzeekanaal, de uitgave van Max Havelaar én de bescherming van oudheden in Nederland.

Zo begon het echter niet. Van Lennep stond in zijn studententijd onder invloed van de ‘dompers’ Bilderdijk en Da Costa. Streng gelovig en ver verwijderd van de zelfbewuste man die hij zou worden. Dat stelt de auteur ook voor een probleem;

Ikzelf althans heb er moeite mee Van Lennep te portretteren als iemand die werkelijk punnikte aan de pre-destinatiegedachte en gebukt ging onder religieus schuldbesef. Ik zie liever de vrolijke frans, de schaterlachende verteller, de plannenmaker, de oprichter van monumenten, de editeur van Vondel, de monumentenbeschermer, de helper van mensen in nood, en ook de vrouwenjager is me lief.

Van Lennep verloor al jong zijn moeder en dat zou volgens de biograaf een thema in zijn leven blijven. Vrouwenjager was hij ook en hij wordt met 20 jaar al vader van een dochter. Hij zal haar erkennen maar het wordt nooit bekend wie de moeder is. Hij trouwt en zal één dochter en vijf zonen krijgen.

Dat van die wandeltocht klopt, hij maakt met een vriend een voetreis door Nederland. Daarna gaat hij schrijven en publiceert hij romantische gedichten en dito verhalen. Zijn vader is hij opgevolgd als rijksadvocaat, een beroep dat hij tot zijn dood zal uitoefenen. Hij tracht uit zijn huwelijk te breken door met ene Doortje Ringeling naar Engeland te vluchten maar zijn vader belet hem dat. Hij keert terug bij zijn vrouw en Doortje stierf alleen. Dat leidde overigens tot een mooie reactie van een familielid van Doortje op het blog van de auteur.

Het boek geeft een razend interessante inkijk in de 19e eeuw en zijn moraal. De boeken die Van Lennep publiceert worden niet allemaal even goed ontvangen. Hij krijgt een lading kritiek als hij de Vaderlandse geschiedenis met enige humor en illustraties uitgeeft. De wereld was nog niet klaar voor een fragment als dit:

De moord op graaf Floris I wordt gadegeslagen door de keukenmeid die het zonde vindt dat de moordenaar de man in bed doodsteekt door het beddengoed heen:

“Och, meneer! – sprak de meid – wat een zunde veur die mooie noppiesdeken!”
“Hoû je stil, ouê Trijn! dat is gestopt met drie steken.”

De auteur geeft in de epiloog aan dat het een enorme klus is geweest om research voor dit boek te doen, juist omdat er zoveel bewaard is gebleven. Talloze brieven, zijn Vondel-project, rechtbankverslagen, zijn complete oeuvre, vergaderverslagen uit de Tweede kamer en al die instituten waarbij hij betrokken was. Gelukkig is dat wel gebeurd want al die fragmenten vormen de meerwaarde van dit boek. Je bent er zelf bij, zoals bij de verwikkelingen over de grondwetswijziging. Van Lennep uitte kritiek op die wijzigingen met het argument dat de Amsterdamse bevolking daar helemaal niet achter stond. Dat leverde hem de volgende schrobbering op van het Algemeen Handelsblad:

Waarlijk, Mijnheer Van Lennep, nu maakt gij het wat al te bont: Uw brief aan Mr. D. Donker Curtius loopt de spuigaten uit, en gelijk gij durft te veronderstellen, dat de commissie van herziening eenige artikelen der grondwet na den eten of ’s morgens heel vroeg in een uur van slaperigheid zou hebben opgesteld, komen wij tot de stellige overtuiging, dat gij in eene bui van groote opgewondenheid, welligt na een of ander souper, u aan het schrijven hebt gezet, en al schrijvende zulk een welbehagen in u zelven gekregen hebt, dat gij niet kondet uitscheiden, maar u op het laatst wel moest verbeelden, dat gij de ziel waart, zoo niet van het geheele land, dan toch van Amsterdam […]. Waart gij het verzenmaken of romanschrijven beû, gelijk u zeker de rijksbelastingzaken reeds lang de keel uithangen, welnu, goed, bemoei u dan ook eens met andere rijksbelangen dan die van de belasting; maar bemoei u dan alleen met de landstaal: daar zijt gij in uw element.

Die kon hij in zijn zak steken. Het boek staat vol met zulke fragmenten, evenals met prachtige illustraties over de hoofdpersonen en uitgaven van zijn werk. De genoemde epiloog is een mooie afsluiter van dit boek, waarin Mathijsen aangeeft dat ze drie draden heeft proberen te vervlechten tot één draad; de zoektocht naar de moeder, het werken aan maatschappelijke vooruitgang en bekommernis om zwakken. Daarin moest de vreemde tweespalt in zijn karakter ook een plaats krijgen, de religieuze tobber uit zijn vroege jaren en de gedreven en maatschappelijk betrokken burger uit zij latere jaren. Het heeft mij mateloos geboeid.