0816665478.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
To Be, or Not…to Bop is de illustere titel van de autobiografie van jazztrompettist Dizzy Gillespie. Hij vertelt zelf zijn levensverhaal en dat is met wat hulp opgetekend van zijn vriend en professor Afro-Amerikaanse Studies Al Fraser.

Het boek telt ruim 500 pagina’s en het leest makkelijk weg. Dat komt door de vertelkunst van Gillespie zelf, maar ook door de talloze verhalen van personen en artiesten om hem heen. Die verlenen een grote meerwaarde aan het boek, want gebeurtenissen worden vanuit verschillend perspectief verteld en Gillespie wordt ook tegengesproken als dat zo uitkomt.

John Birks wordt in 1917 geboren in een klein plaatsje Cheraw in South Carolina. Hij blijkt uitzonderlijk muzikaal getalenteerd en weet alles op een trompet na te spelen. Dat zorgt ervoor dat hij op highschool in een schoolband belandt en daarna in Philadelphia bij ‘echte’ orkesten auditie doet. Daar doet hij zijn bijnaam ‘Dizzy’ op; ‘That little dizzy cat’s from down South’

Uiteindelijk belandt hij in de band van Cab Calloway (u weet wel, Minnie the Moocher ofwel Hi-de-hi-de-hi-de-ho). Hoe hij daar weer vertrekt is een mooier verhaal; hij krijgt knallende ruzie met Calloway en steekt hem uiteindelijk in zijn dijbeen. De verhalen worden verteld door Dizzy zelf, door Cab Calloway én door bassist Milton Hinton, de enige die het over een steekpartij heeft.

Dizzy ontmoet altsaxofonist Charlie Parker en er is meteen een verwantschap. Dizzy heeft een eigen stijl ontwikkeld en herkent dat in die van Parker. Ze spelen allebei snel en het zijn alleskunners, waarbij Parker het op gevoel doet en uit creativiteit. Dizzy heeft dat ook maar kan het ook nog eens muzikaal onderbouwen, hij is de technische virtuoos. Samen leggen ze de basis voor de bebop en luiden ze het swing-tijdperk uit.

Zijn talent beperkt zich niet tot de trompet alleen. Hij kan zijn ideeën toelichten op de piano en als een drummer niet begrijpt wat hij bedoelt, neemt hij zelf achter het drumstel plaats en doet hij het voor. Drummer Stan Levey zegt;

“As a drummer, the thing I learned from him…is that the drums are also a ‘musical’ instrument…He was the only guy that took the drums outta the straight ‘clunk…clunck…clunck…,’ or whatever the hell we were doing in those days, into a more musical situation where you really had something to say in relation to him and Charlie Parker…”

Dizzy speelt in verschillende bands, formeert ook zijn eigen groep en maakt reizen naar Europa. Charlie Parker maakt aanvankelijk deel uit van zijn band maar als deze herhaaldelijk niet op komt dagen vanwege zijn drugsgebruik wordt hij toch door Dizzy ontslagen. Uiteindelijk wordt Dizzy zelfs verzocht om als muzikale ambassadeur voor de Verenigde Staten naar Afrika, het Midden-Oosten en Azië te reizen. Dat levert een aantal smakelijke verhalen op over avonturen in Pakistan en Turkije, iets met slangen en riksja’s; gaat u het vooral lezen.

Al die verhalen vormen de grote aantrekkingskracht van het boek. Zo vertelt trombonist Jesse Tarrant over de keer dat er geen muziek was bij een optreden in San Fransisco, alles moest uit het hoofd;

So Diz was standing there kidding us, ‘Well, this is gonna separate the men from the boys.’ He was so happy about it, and everybody else was all sweating and nervous. He seemed to relax us. That night was the best the band had ever sounded. He said, ‘I think I’ll keep the music away from you!’…It was funny to him. I was gonna crack up, cause I knew I was gonna catch hell trying to remember the music, but it all fit right in.

Nu kent u Dizzy Gillespie wellicht van zijn karakteristieke bolle wangen en zijn trompet die in een hoek de hoogte in steekt. Ook aan die kenmerken zijn hoofdstukken gewijd. Vooral die trompet is een mooi verhaal. Comedian James “Stump” Cross leunde ooit met een borrel teveel op een beetje raar tegen de trompet van Dizzy waardoor het uiteinde niet brak maar verboog. Dizzy merkte dat hij er toch nog op kon spelen en de toon beviel hem zelfs zo zeer, dat hij trompetten liet maken met die vorm.

Dan is er het verhaal dat de politie een inval deed tijdens een concert waar Dizzy optrad met Charlie Parker, Lester Young, Willie Smith, Illinois Jacquet en Ella Fitzgerald. Dizzy, Young en Jacquet waren aan het dobbelen toen ze even niet op moesten treden, Ella at een taartje en toen viel de politie binnen en iedereen moest mee naar het bureau vanwege illegaal gokken. Omdat ze weer moesten optreden ging het allemaal erg snel. Dizzy;

They asked everybody their names, and I told them my name was “Louis Armstrong”. I acted pretty smart.

Armstrong was trouwens geen grote fan van de nieuwe bebop-beweging maar was wel een goede vriend van Dizzy. Op zijn beurt had Dizzy weer geen problemen met de nieuwe stijl ‘cool jazz’, waar Miles Davis de frontman van was. Dizzy zag dat als een natuurlijke vooruitgang en als een stroming die voortkomt uit de bebop, net zoals de bebop voortkomt uit de swing van Louis Armstrong. Het is mooi dat met het lezen van al die biografieën en die andere boeken over jazz de contouren van dat muzikale landschap steeds duidelijker worden.

Dizzy heeft daar een grote rol in gespeeld. Hij is niet ten onder gegaan aan drank en drugs zoals zoveel van zijn collega’s en zijn gelukkige huwelijk met de oud-danseres Lorraine heeft daar een grote rol in gespeeld. Toch hoeft hij volgens eigen zeggen niet direct als een groot trompettist herinnerd te worden;

That’s the way I would like to be remembered, as a humanitarian, because it must be something besides music that has kept me here when all of my colleagues are dead…So maybe my role in music is just a stepping-stone to a higher role. The highest role is the role in the service of humanity, and if I can make that, then I’ll be happy. When I breathe the last time, it’ll be a happy breath.

be9f64afc5ffac2593779415a41437641414141_v5
De correspondentie van Desiderius Erasmus Brieven 446-593. Deel 4 van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus gaat over de jaren 1516 en 1517. Erasmus vertrok naar de Nederlanden en zijn naam was gevestigd. Hij kreeg van alle kanten lof toegezwaaid. De Duitse filosoof en theoloog Melanchthon eerde hem met een gedicht. Hertog George van Saksen, de aartsbischop van Mainz en de bisschop van Bayeux nodigden hem uit zich in hun gebied te vestigen. Er was sprake van een aanstelling aan het nog op te richten Collège Royal in Parijs en de Duitse theoloog Spalatinus vestigde Erasmus’ aandacht op een opmerkelijke confrater, de augustijner monnik Luther.

Toch moet hij zich ook zorgen hebben gemaakt over de ontvangst die hem van de kant van de theologen te wachten stond. Hij was natuurlijk een lastpak. Hij riep onophoudelijk dat de theologen hun Latijn moesten verbeteren en riep op tot terugkeer tot de helderheid en eenvoud van het evangelie en de Latijnse kerkvaders. Hij verkondigde dat een theoloog die aanspraak wilde maken op die titel zich moest bekwamen in het Grieks en de Griekse theologische werken moest bestuderen. Eigenlijk vroeg Erasmus om een totale mentale omschakeling.

Verder is er een rode draad in dit boek en dat is het verzoek aan de paus om hem te ontslaan van zijn kloostergeloften en als seculier priester te mogen leven, de zogenaamde dispensatie. Genoeg stof dus voor correspondentie.

Voor die dispensatie schreef Erasmus een bijzondere brief die uniek is in zijn oeuvre. Hij schreef een brief aan Lambert Grunnius, een fictieve pauselijke secretaris, waarin Erasmus de jeugd van Floris beschrijft (Erasmus zelf) en zijn broer Anton (Erasmus’ broer Pieter). Hij vertelt hoe Floris tegen zijn zin moest intreden bij de augustijner kanunniken en hoe hij nu dispensatie wenst te ontvangen. Erasmus verzoekt Grunnius om de zaak van Floris bij de paus te bepleiten. De brief wordt vervolgd door een antwoord waarin Grunnius meedeelt dat de paus de gevraagde dispensatie verleent.

In het echte leven werd de fictieve brief met het daadwerkelijke verzoek om dispensatie verstuurd naar paus Leo X. Het was niet voor niets, want Erasmus kreeg antwoord van de paus;

Beminde zoon, groet en apostolische zegen. De eerzaamheid van je leven en karakter en andere bewijzen van je prijzenswaardige oprechtheid en deugd…brengen ons ertoe je speciale gunsten en voorrechten te verlenen. Daarom willen we jou…genadig onze gunst tonen en je op de voorwaarden van deze brief vrijstellen en als vrijgesteld verklaren van alle kerkelijke sententiën, censuren en straffen van excommunicatie, opschorting of verbod en alle andere straffen die jou zijn opgelegd bij wet…

Zo gaat het nog even door want de paus is lang van stof maar het is een opmerkelijk inkijkje in de geschiedenis. Zo zijn er veel meer en dat is het aantrekkelijke van deze correspondentie. Het biedt een venster op de geschiedenis van de wereld waarin wij leven. Zo is er een uitgebreide correspondentie met de Franse humanist Guillaume Budé. Die heeft te maken met de oprichting van het Collège Royal, de voorloper van het Collège de France, een beroemd onderzoeksinstituut in Parijs.

De brieven maken ook duidelijk dat Erasmus nogal wat teweeg brengt in Europa. Hij ontvangt brieven waarin hem om uitleg van zijn standpunten wordt gevraagd, zoals van de Duitse hoogleraar theologie Hieronymus Dungersheim. Zo wordt je heel direct betrokken bij de geloofsbeleving in die tijd.

De correspondentie bevat niet alleen brieven van Erasmus, maar ook brieven aan Erasmus en zelfs brieven van anderen over Erasmus. Het zal niet verbazen dat er veelvuldig bijbelteksten aangehaald worden en onderaan de brieven wordt consequent de vindplaats in de bijbel vermeld. Ik zoek niet alles op maar als de geestelijke en hoveling Hieronymus Emser Erasmus een ‘uitverkoren vat’ noemt kijk ik toch even in Handelingen 9;15 wat hiermee bedoeld wordt. Ook Erasmus’ eigen verzameling van Latijnse en Griekse spreuken, de Adagia, wordt veelvuldig geciteerd, meer nog door anderen dan door hemzelf zoals wanneer de Nijmeegse humanist Gerard Geldenhouwer aan Erasmus schrijft;

Het bevalt me goed dat je de theoloog Michael wel mag; misschien heeft hij dat te danken aan zijn leermeester Lebrixa, want het is erg belangrijk door wie je in je jeugd wordt opgeleid. Maar dit is het zwijntje dat Minerva onderwijst.

Waarmee Geldenhouwer zegt dat hij Erasmus verder niets te leren heeft.

Erasmus brengt ook mensen bij elkaar en dat blijkt uit correspondentie van de Engelse jurist Cuthbert Tunstall aan de eerdergenoemde Franse humanist Budé. Tunstall was geïnteresseerd in oude munten waarin Budé gespecialiseerd was. Verder staan er brieven in die gebruikt zijn als voorwoord bij uitgaven, zoals die van Erasmus over Suetonius waarin de levens worden beschreven van Romeinse keizers die regeerden tussen 117 en 284.

Genoeg te lezen en te beleven in dit deel en ik wil u niet de alledaagse beslommeringen onthouden van Erasmus en de zijnen, want dat zijn ook mooie delen tussen de theologische beschouwingen door. Zo schreef hij zijn goede vriend de staatsman Thomas More over hoe zijn portret werd geschilderd samen met dat van Pieter Gillis, de gemeentesecretaris van Antwerpen;

Met mij ging het uitstekend, totdat de dokter, Joost mag weten hoe, op het idee kwam mij enige pillen voor te schrijven om mijn gal te reinigen en wat hij me aan doms aanraadde, volgde ik, nog dommer op. De schilder was al aan mijn portret begonnen, maar toen ik na het slikken van de medicijnen bij hem terugkeerde, weigerde hij te geloven dat het mijn gezicht was.

Tenslotte kwam Guy Morillon, secretaris van Jean le Sauvage, hoveling van Karel V er maar amper toe om Erasmus te schrijven, getuige het einde van zijn brief;

Het overige, wat voor u van belang kan zijn, kunt u beter horen als u hier zelf bent. Mijn vrouw roept me steeds weer naar bed. Vaarwel, heer.

Het zijn maar twee jaar uit het leven van Erasmus maar er valt veel te halen en te genieten uit deze brieven. Gelukkig heb ik nog een paar delen in het vooruitzicht.

eaef5c0dd654e3f593358335541444341587343_v5
Remco Campert schreef met Somberman’s actie het Boekenweekgeschenk 1985. Toen was het recept ook om een korte novelle van goed 90 pagina’s te schrijven en dat gaat Campert prima af.

Het is de 156e dag van Somberman’s werkloze bestaan. Hij deed de boekhouding van een groot warenhuis, maar dat ging failliet. Campert zag het Vroom & Dreesmann-debacle al vroeg aankomen blijkbaar. Somberman’s naam is niet toevallig gekozen. Hij weet niet wat hij met zijn tijd aan moet en gaat weinig vrolijk door het leven. Zijn vrouw, Bezig, heeft wel werk. Zij is receptioniste van een hotel en Somberman is licht jaloers op het feit dat zij wel werkt;

Soms betrapt hij zich op het verlangen dat ze ook haar ontslag zal krijgen, zo ver gaat het al bij hem. Waarom de een wel werk en de ander niet?…Zou het niet veel eerlijker verdeeld zijn als niemand werk had?
Even vermeit hij zich met die gedachte. Voor zijn ogen verschijnt een zonnig beeld van gelukkige families die wandelen in een park. Er klinkt hemelse muziek. Somberman en Bezig lopen er ook, hand in hand, het lijkt wel of ze zweven.
Dit is de dood, beseft Somberman huiverend, en razendsnel doet hij het beeld verdwijnen.

Somberman heeft een vriend, Domoor, die af en toe langs komt. Hij werkte ook in het warenhuis maar was net op tijd met pensioen. Bezig mag Domoor niet, het is een kleurloze man volgens haar. Soms zoekt Somberman haar op in het hotel, zoals wanneer hij zijn haar heeft laten knippen. Zwart, bij de kapper die officieel dicht is op dinsdagmiddag maar wel een borreltje schenkt.

Af en toe gaat Somberman naar een café, waar hij Blufkaak en zijn actievoerende zoon en kraker Lubbe ontmoet. Daar staat het meisje Soeza achter de bar en Somberman vraagt haar in een opwelling mee uit. Zijn vrouw Bezig ziet volgens hem wat in de barman Harry, dus hij mag ook wat afspreken nietwaar? Zo leert hij langzamerhand ook de andere kant van het leven kennen en hij bloeit zowaar een beetje op;

Hij denkt aan zijn nacht met Soeza en heeft moeite een Tarzankreet te onderdrukken. Alles wijst erop dat zijn nieuwe leven is begonnen en hij verbaast zich over zijn onverhoeds teruggekeerde vitaliteit, want op de keper beschouwd zijn de omstandigheden nauwelijks veranderd.

Dat gaat verder. Lubbe is erachter gekomen dat Somberman in het warenhuis heeft gewerkt en wil hem daarover spreken. Hij stemt toe en bevindt zich ineens in een krakersbeweging die het warenhuis wil bezetten. Hij geeft hen nuttige tips en verschijnt zelfs op het journaal. Domoor zit op de bank het journaal te kijken;

Domoor valt bijna van de bank van verbijstering. Het is Somberman! Domoor staat op en loopt naar het televisietoestel toe. Even heeft hij het gevoel dat er iets mis is met het toestel, een technische storing van kosmische aard. Somberman hoort nu thuis te zitten en met zijn vrouw naar het journaal te kijken, in plaats van eròp te zijn.

Domoor heeft weing tijd meer over om van zijn verbazing te bekomen, maar dat moet u zelf maar gaan lezen. Net als hoe het Somberman vergaat. Hij heeft zijn kleurloze leven wat invulling weten te geven en wacht tot de politie het warenhuis in komt. Dan gaat hij over tot wat we nu kennen als Somberman’s actie, maar ook die geef ik niet weg hier. Al met al een vermakelijk boek waarin Campert met een vleug humor een licht tragisch leven neerzet.

047208643X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Na de interviews met jazz-saxofonist John Coltrane gelezen te hebben en een uitgebreid standaardwerk over hem te hebben gelezen was het nu tijd voor een biografie over hem. John Coltrane His Life and Legacy van Lewis Porter is een degelijke biografie die zijn leven en muziek volgens de regels der kunst behandelt, maar een kanttekening is wel op zijn plaats en daar kom ik nog op terug.

Lezers van mijn blog weten dat ik gek ben op triviale feitjes en dat begint al met de herkomst van de naam Coltrane. Die is van Schotse origine en het is waarschijnlijk dat de achternaam van John Coltrane afstamt van een Schotse slavenhouder. De zangeres Chi Coltrane (u weet wel, van de hit Go Like Elijah) is ook van Schotse afkomst dus dat vond ik een mooie link.

Het lezen van deze biografie moet mij dichter bij de muziek van Coltrane brengen en dat is wel gelukt. Ik lees dat hij oefent. Heel veel oefent. Op jonge leeftijd als hij met de saxofoon begint, maar hij blijft dat zijn leven lang volhouden; hij vindt dat hij minstens vier uur per dag moet oefenen, maar zeker later komt hij daar maar moeilijk toe. In zijn jongere jaren oefent hij veel meer, bijna de hele dag door. Zijn grote inspiratiebronnen zijn altsaxofonist Charlie Parker en trompettist Dizzy Gillespie.

Hij komt, zoals veel muzikanten, in aanraking met alcohol en drugs en die verslavingen gaan hem al snel in de weg zitten. Hij speelt met pianist Thelonious Monk en trompettist Miles Davis maar wordt door Davis ook ontslagen vanwege drugsgebruik. Als hij weer door Davis in genade wordt aangenomen gaat hij naar Europa en treedt onder meer op in Parijs. Daar wordt zijn optreden niet door iedereen gepruimd. Hij speelt lange solo’s die afwijken van het gedistingeerde geluid van Miles Davis. Zoekt u eens op Youtube naar ‘Miles Davis with John Coltrane in Paris’ en luister vanaf 1;10;59, het publiek is niet onverdeeld enthousiast.

Toch laat Coltrane zich niet uit het veld slaan en richt een kwartet op. Dat wordt soms een kwintet als hij saxofonist, fluitist en klarinettist Eric Dolphy erbij kan krijgen. Hij wordt ook beïnvloed door andere culturen en door wereldmuziek, maar ook door avant-garde musici zoals saxofonist Ornette Coleman. Coltrane over de Indiase sitar-speler Ravi Shankar;

I like Ravi Shankar very much. When I hear his music, I want to copy it – not note for note of course, but in his spirit.

Hij heeft hem ontmoet en zelfs zijn zoon naar hem vernoemd. Maar Coltrane haalde overal inspiratie vandaan. Schotse muziek, Afrikaanse muziek of de Engelse standard Greensleeves, hij kon het allemaal gebruiken. Luister eens naar het album Olé, één van mijn favorieten. Spaanse invloeden en natuurlijk schatplichtig aan Sketches of Spain van Miles Davis.

Het gaat mij om de ontwikkeling van een artiest als Coltrane en dat komt gelukkig terug in dit boek. Zijn eerste albums zijn prima te beluisteren voor iedereen, maar zijn latere muziek wordt al lastiger. Porter beschrijft dit als volgt;

His lines are not “tunes” in the usual sense – there is no long hummable phrase that comes out of Coltrane’s playing, and people who are looking for that had to be frustrated. But if one could go along with him and get involved in his concentrated and focused discipline of improvisation, and get involved with the powerful energy and passion of the whole group at each moment, it is…like no other experience in jazz.

En die volg ik wel. Ik houd van ‘ouderwetse’ jazz, mooie ballads met volgbare melodieëen, maar ik houd ook erg van jazz die de randen opzoekt. Waar geen melodie meer is maar alleen geluid en energie en dat is wat Coltrane ook doet.

Porter laat Coltrane vaak aan het woord, zoals over de lange solo’s die hij speelt. Dat is een behoorlijk verhelderend verhaal en helaas te lang om weer te geven hier, gaat u dat zelf lezen. Verder krijgt u nog een apart hoofdstuk over zijn beroemdste album A Love Supreme, waarin uit de doeken wordt gedaan wie die tweede saxofonist toch is (want dat wilt u weten) en natuurlijk hoe het met Coltrane afliep. Hij kickte af van drank en drugs maar overleed toch jong aan leverkanker op 40-jarige leeftijd.

Ik zou nog terugkomen op een kanttekening en dat is de volgende. Ik ben niet bijzonder muzikaal onderlegd en er staan behoorlijk wat musicologische toelichtingen in dit boek, compleet met notenvoorbeelden. Dat pleit voor volledigheid van het boek, maar ik was genoodzaakt als leek toch wat passages over te slaan. Dat neemt niet weg dat ik toch behoorlijk wat relevante informatie uit deze biografie heb gehaald.

Ik ben nog bezig met mijn luistertocht naar 120 van Coltrane’s albums en het verveelt mij nog geen moment.

3f1a7dffa22584e5933412b5267444341587343_v5
De heer Gerrit Komrij en ik verstaan elkaar. Ik houd van zijn schrijfstijl en ik kwam in Humeuren & temperamenten een paar observeringen tegen die ik herken en waar ik glimlachend mee instemde.

We hebben zowaar Een encyclopedie van het gevoel in handen waarin Komrij zijn bespiegelingen loslaat op allerhande emoties. Waar emoties heersen zwijgt het verstand, zo zegt men en onze gevoelens worden gezien als monsters die ons uit ons evenwicht brengen en ons uiteindelijk verslinden.

Zo wordt deze encyclopedie op de achterkant ingeluid en ik lees graag wat Komrij te zeggen heeft over al die humeuren en temperamenten. Hij gaat daarbij systematisch te werk zoals het een encyclopdie betaamt, te beginnen met de letter A en eindigend met de Z. U begrijpt, zelfs obscure letters als de X en Y worden niet overgeslagen. Dat het werk niet kan bogen op volledigheid is evident, Komrij grijpt de emoties bij de lurven zoals het hem uitkomt.

Zo’n boek leent zich prima voor citaten, niet in de laatste plaats door het bloemrijke taalgebruik van Komrij. Zo zegt hij bij de Ambitie;

Neerwaarts gericht is het menselijk lot, maar tijdens de korte vergissing tussen geboorte en dood klapwiekt hij amechtig voorwaarts en opwaarts.

Het zijn de ambities die de sterveling aandoenlijk maken. Schrijvers die weten dat hun novelle in een ommezien in de uitverkoop ligt hunkeren toch naar de goedkeuring van een criticus. Daar heeft Komrij geen last van. Wel van Briefangst. Hoe goed hij ook kan schrijven, hij verlamt als hij een brief moet schrijven. U zult vergeefs naar uitgebreide correspondentiebundels van Komrij zoeken. Hij heeft er één, met Jeroen Brouwers, van slechts 72 pagina’s.

Het woord Creativiteit is zo’n begrip waarin ik het zeer eens kan zijn met Komrij. Het wordt te pas en vooral te onpas gebruikt. Als iemand een paar kussens in een bank gooit is er tegenwoordig al een sfeer gecreëerd. Komrij vindt dat creëren iets uit niets maken is en stelt dan de vraag of hier wel gecreëerd wordt of slechts een bestaande creatie verrijkt? Komrij;

Het populaire woord ‘creatief’ is eigenlijk het zeldzaamste van alle begrippen. Er is maar één keer werkelijk sprake geweest van iets dat uit het niets kwam. Creatief was alleen God. Wie de precisie liefheeft gebruikt het woord creativiteit niet ijdel.

Ik had graag gezien dat hij ook het begrip ‘Inspiratie’ bij de hand had genomen, maar dat blijft helaas onbesproken. Ik vind het net zo’n jeukwoord als creativiteit. Gelukkig blijft er genoeg te genieten en is hij vaak lekker tegendraads. Hier bijvoorbeeld, bij Drift;

Wie, bezeten van drift, een ambtenaar aan zijn revers door een loket naar buiten sleurt, over een bebloed spijkerbed van glasscherven en verwrongen traliewerk, of een hele woonwijk in as legt waarbij honderden mensen aan hun verwondingen bezwijken, handelt als een heilige.

Dat kan niet zult u zeggen en u leest zelf zijn toelichting maar, er staan er wel meer zo in het boek, zoals het begin van het hoofstuk Haat. Zulke stukjes leveren hem tegenstanders op maar daar past Komrij zijn gedrag op aan, zo zegt hij in Imitatio. Hij past zijn mening direct aan als iemand hem tegenspreekt en probeert voortdurend te zeggen wat iemand van hem wil horen. Zijn reden;

Ik vind het onzin voor alle gelegenheden onmiddelijk een oordeel paraat te hebben. Opinies zijn vermoeiend omdat het zo gemakkelijk is ze te hebben.

Herkenbaar, zeker in de huidige tijd van social media. Ik vond al die meninkjes van Jan en vooral alleman ook erg vermoeiend en heb mijn social mediakanalen lekker opgedoekt.

De Liefde mag niet ontbreken in dit overzicht en een goede test van ware liefde is blijkbaar of je de gedachte kunt verdragen de teennagels van je beminde te knippen. Een andere gedachte is die aan de dood van dat vogeltje dat je met je auto hebt doodgereden. Een levend wezentje, een klein universum is uiteen gespat;

‘Die verdomde auto’, mompel je . En zonder het te weten sprak je daar een cruciale zin uit. Je vond het wel even vervelend, de dood van het vogeltje, maar een ander, iets anders, heeft het omgebracht. Dat maakt het je mogelijk meteen weer over te gaan tot de orde van de dag, desnoods tot het vermoorden van het volgende hoopje veren. Moordpartijen lijken ineens onvermijdelijk en marginaal.

Komrij trekt het verhaal in het stuk over Verantwoordelijkheid nog even door tot miljoenen doden uiteindelijk maar een vogeltje zijn.

Verder kent Komrij geen Verveling. Hij probeert het zich voor te stellen maar komt niet verder dan iemand die nergens trek in heeft, doelloos in het niets staart, de tijd tergend langzaam aan zich voorbij ziet trekken en voor het slapen gaan nog even een boek van Willem Brakman leest. Ik houd van die humor. Tenslotte wil ik u nog even meegeven, als we toch bij het einde zijn en Komrij al bij de letter W van Walging is, dat we zelfs op de toppen van extase altijd dicht bij de stront blijven. Komrij;

Iedere onsterfelijke dichtregel, ieder visioen, iedere uitvinding die de wereld een ander aanzien gaf is onveranderlijk ontstaan op, laat ons zeggen, vijfenvijftig centimeter afstand van een hoop stront – een ondraaglijke gedachte.

Het is Komrij ten voeten uit, ik moet zijn Encyclopedie van de Stront nog lezen, die komt vanzelf een keer voorbij.

c55ab340402e37a5975797a3067444341587343_v5
Ik had het Boekenweekgeschenk van dit jaar nog liggen en omdat ik een liefhebber ben van de boeken van Ilja Leonard Pfeijffer, was ik ook benieuwd naar Monterosso mon amour. Het blijkt nogal eens lastig om in zo’n 90 pagina’s een onderhoudend verhaal te schrijven maar Pfeijffer is wat mij betreft daarin geslaagd.

Het thema van de Boekenweek 2022 is Eerste liefde en daar draait het om in dit boek. Carmen is de vrouw van een gepensioneerde diplomaat en zo rond de zestig jaar. Kinderen hebben ze niet en ze vindt eigenlijk dat ze een weing opzienbarend leven heeft geleid;

Ik heb over de wereld gereisd zonder de wereld te zien, ik heb tennisballen in een net geslagen en sherry ontdekt, ik ben zomaar opeens oud geworden zonder daarvoor moeite te doen.

Ze organiseert lezingen voor de plaatselijke bibliotheek, is verder niet ongelukkig maar het grote gebaar ontbreekt gewoon. Als op één van die lezingen de schrijver Ilja Leonard Pfeijffer optreedt en spreekt over het Italiaanse Monterosso, denkt Carmen terug aan haar eerste liefde die ze daar ooit ontmoette.

Kinderen waren ze nog en Carmen en Antonio waren onafscheidelijk op hun vakantie. Ze hebben onder water zelfs hun eerste zoen uitgewisseld. Na die lezing besluit Carmen alleen naar Monterosso te gaan voor een korte voorjaarsvakantie. Haar man Rob vindt het allemaal prima.

Eenmaal daar aangekomen vindt ze snel de online besproken Bed & Breakfast van Tiziana. Ze raken in gesprek, ook over die eerste liefde en Tiziana wordt enthousiast en wil Antonio voor haar vinden. Daar was het Carmen nu niet om te doen, hoewel ze ooit had beloofd om terug te keren naar Monterosso;

‘Echt, Tiziana, het is goed zo…Ik heb geen enkele behoefte om mij in mijn nadagen op te dringen aan een Italiaanse heer van min of meer mijn leeftijd die zijn eigen leven heeft, met hypotheeklasten, huisdieren, pensioenpremies en waarschijnlijk ook een vrouw, en die er met zekerheid niet op zit te wachten om het wrede verval waaraan een vroegere vakantieliefde ten prooi is gevallen met eigen ogen te aanschouwen.’

Dat mag zo zijn, ondertussen is Carmen natuurlijk wel naar de zee gegaan en heeft daar een jongen ontmoet, Oronzo, die haar doet denken aan de jonge Antonio. Oronzo trekt even bij Carmen en Tiziana in het Bed & Breakfast in, omdat de oma waarbij hij woont opgenomen is in het ziekenhuis vanwege een virus dat ineens overal heerst. Door dat virus zijn er ook beperkingen en kan Carmen niet terug naar Nederland vliegen. De actualiteit is keurig in het verhaal opgenomen.

De lijntjes komen in het verhaal uiteindelijk keurig bij elkaar. Misschien ziet u hem aankomen, misschien niet maar het leest prettig weg. De leuke twist zit op het einde, als Carmen weer naar huis vliegt. Op het vliegveld van Genua ziet ze, u gelooft het niet, de schrijver Ilja Leonard Pfeijffer weer;

Hij ziet haar niet. Hij is te druk met haar espresso en met het negeren van het gewone volk.

Natuurllijk zitten ze naast elkaar en komen ze met elkaar in gesprek. Ze herinnert hem aan de lezing in de bibliotheek én aan het feit dat ze voorkomt in één van zijn boeken, de relatie gaat nog veel verder terug. Uiteindelijk is de les dat alles op een misverstand berust.

Ik ben niet altijd enthousiast over de Boekenweekgeschenken maar ik heb dit met plezier gelezen. Het is onmiskenbaar Pfeijffer en het bevalt me dat hij zichzelf met enige zelfspot opvoert in het boek.

0415634636.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
The John Coltrane Reference is een dik boek van 779 pagina’s, samengesteld door Lewis Porter en nog wat andere kenners van de jazz-saxofonist John Coltrane. ‘Reference’ doet u wellicht vermoeden dat dit een naslagwerk is en dat klopt. Het is een uitputtend overzicht van ieder bekend optreden van John Coltrane in de periode 1926–1967, zowel als frontman én als bandlid van een andere frontman.

Daarnaast is het een volledige discografie, die alle informatie verstrekt over zijn opnames, gemaakt in de periode 1946–1967. Plaatopnames, maar ook privé-opnames die niet zijn uitgebracht maar waarvan bekend is, of soms vermoed wordt, dat ze bestaan. Ook hier weer alle plaatopnames waar hij als bandleider fungeert, maar ook die waar hij op meespeelt bij anderen.

Is zo’n boek dan te lezen, laat staan te bespreken? Natuurlijk wel. Je moet er een beetje gek voor wezen, maar er is genoeg uit te halen. Wat het leesbaar maakt zijn de besprekingen die zijn opgenomen in het boek van de concerten die hij geeft. Zo was hij beroemd om zijn lange solo’s, maar daar moest het publiek aanvankelijk aan wennen, getuige het eerste gedrukte commentaar dat men hierover vond over een optreden in 1960 met het Miles Davis Sextet;

Then there is John Coltrane. Jazz practitioners are constantly in search for novelty in rhythm, harmony or dynamics. But Coltrane is taking as long as a half hour on some numbers to hunt and feel his way on tenor sax into new harmonic structures. It is interesting, perhaps, to other musicians, but agonizing to the casual listener who expects to hear something polished and assured from a jazz artist of Coltrane’s stature. The practice session is a much better place for experimentation.

Je krijgt veel mee over de manier waarop Coltrane speelt. Zijn geluid wordt uitgelegd als ‘sheets of sound’. Een beetje technisch, maar hij legt het zelf in een interview uit in dit boek. Het gaat niet alleen over Coltrane, uiteraard ook over zijn bandleden, zoals de drummer Elvin Jones. Er staan wat prachtige anekdotes over hem in het boek, zoals na een concert in Los Angeles;

The two drum shops in Los Angeles reported a gratifying increase in the sale of drum sticks…There were other incidents: An elderly accountant wandered into Shelly’s one night by mistake, heard Elvin play one set, and rushed out to leave his wife and four children to seek his fortune in Borneo…Local zoo officials reported an unusual amount of activity in the dangerous animal cages between the hours of 9 and 2 during Elvin’s tenure.

Ook optredens in het Concertgebouw krijgen een bespreking. Coltrane trad er op in 1963, begon er om middernacht en zo’n concert duurde tot in de ochtenduren. Kom daar nu nog maar eens om. Het mooie is dat, hoewel ik zijn biografie nog wil lezen, het boek je ook dichter bij de mens Coltrane brengt. Hoeveel drank en drugs hij ook gebruikte, hij bleef een aardig en beminnelijk mens. Zelfs toen hij op het podium werd aangevallen door een vrouw bleef hij vriendelijk. Jazzmuzikant Anthony Braxton vertelt erover in een interview;

Graham Locke: “She just walked into the club and attacked him?”
Anthony Braxton: “Yeah, she came in off the street. She said, ‘Stop playing this crazy music, it’s too loud and the drummer’s tired, just stop it!’ And she took her umbrella and began poking at him. You can imagine how I hated her. To see Mr. Coltrane talk so nicely to her taught me that you have to develop more understanding…

Uiteraard ontbreekt ook de naam van Nederlands bekendste jazz-criticus Michiel de Ruyter niet en worden zijn interviews met Coltrane genoemd. De website waar deze terug te vinden zouden zijn is helaas gewijzigd, het is handiger om naar de site over Coltrane zelf te verwijzen, daar staan ze ook.

De discografie is een verhaal apart. Zoals gezegd staat daar iedere bekende opname, op welke geluidsdrager dan ook, in vermeld. Van de meeste opnames staan details genoemd, zoals welke opmerkingen of andere geluiden er te horen zijn. Dit gaat behoorlijk ver. Zo is er een opname bekend van (waarschijnlijk) 1 maart 1950. De opname is van de Billy Valentine Group met Valentine op trompet, Coltrane op tenorsaxofoon, wellicht John Collins of Floyd Smith op gitaar en wellicht Ray Brown op bas. Veel ‘waarschijnlijk’ en ‘wellicht’ maar zelfs deze opnames worden dus genoemd.

Ik heb een uitgebreide luisterlijst samengesteld voor mijzelf van zo’n 120 albums die hij heeft gemaakt en dan heb ik ze nog lang niet allemaal, maar het is een mooi begin. U valt van de ene verbazing in de andere. Zoek Lover eens op Youtube op van de Prestige Recordings en verbaas je over de duizelingwekkende snelheid waarmee Coltrane speelt (vanaf 0;30). Of leer waarom Giant Steps zo’n moeilijk nummer is voor de pianist om op te improviseren en zoek daarvoor op Youtube naar The most feared song in jazz, explained. Of, als u lef heeft, luister eens naar het experimentele album Om; laat me weten of u het uit hebt gezeten. Is dit teveel dan is Blue Train of A love Supreme veel toegankelijker. Maar dat is wat mij zo aantrekt in dergelijke muzikanten en dat blijkt uit dit boek, ze staan nooit stil en ontwikkelen zich of het publiek nu meegaat of niet.

Gelukkig is er in de discografie ook ruimte voor informatie en anekdotes, zoals in de beschrijving van de videotape (want ook die staan ertussen) van het Festival International du Jazz Antibes-Juan les Pins 1965. Daar stond het nummer Ascension op het programma;

This quartet version of “Ascension” is listed as “Blue Valse” or “Blue Waltz” on most issues. Michel Delorme…: “I once asked Jean-Christophe Averty, who was in charge of filming the festival for Radio France, where he got the title. He said he sent his secretary to ask Coltrane and she came back with something that sounded like ‘Blue Vase’. So he decided it was ‘Blue Valse’. French for ‘Blue Waltz’”

Het is maar een greep uit talloze stukjes informatie over al die opnames. In de bijlagen achterin zijn nog een lijst opgenomen van alle televisie- en filmopnames die van hem bekend zijn en een lijst van alle interviews die hij heeft afgegeven. U begrijpt, een beetje liefhebber kan aardig uit de voeten met dit boek, ik zet nog even een elpee op.

0393068617.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als u zich wenst te verdiepen in het fenomeen Jazz en de muziek wil beluisteren die daar bij hoort, dan is dit boek van de heren Gary Giddins en Scott DeVeaux een must read. ‘De muziek die daar bij hoort’ is een ruim begrip en daarom is dit boek 664 pagina’s dik en dat is niets teveel, het is een prima gids voor een uitgebreide ontdekkingstocht.

Om maar direct het grootste pluspunt te noemen; het boek zet u aan het werk want er staan maar liefst 87 luistergidsen in het boek. Allemaal sleutelopnames uit een bepaalde periode, van een stijl of van een artiest die tot op de seconde uitschrijven wat u hoort en waar u op dient te letten bij de opname. Ik geef er hieronder nog voorbeelden van. Alle opnames heb ik op Youtube kunnen vinden dus excuses heeft u verder niet.

Voordat de auteurs de opnames bespreken krijgen we een introductie over welke instrumenten we zoal in de jazz tegenkomen en hoe ze werken. Daarna gaan we terug naar het eerste begin van de jazz, de invloed van de blues en de ragtime, u weet wel, die snelle pianomuziek. Als we toch een uitvinder van de jazz moeten noemen is dat cornettist Buddy Bolden. Geboren in New Orleans en die stad is dan ook zo’n beetje de bakermat van de jazz.

Er kwamen grote orkesten als die van Fletcher Henderson, Paul Whiteman en later van Duke Ellington en Count Basie. Dat waren prima kweekvijvers voor latere grootheden als Louis Armstrong, Lester Young en Coleman Hawkins. Ook cornettist Bix Beiderbecke wordt eruit gelicht door de auteurs en er staat een luistergids in het boek van het nummer Singin’ the Blues van Frankie Trumbauer and His Orchestra waarin Beiderbecke een hoofdrol vervult. U zoekt het nummer op Youtube op en luistert aldus mee (let wel, de volledige 2:58 worden beschreven, dit is maar een stukje);

2:00  The band states the original melody of the song, disguised by a mild version of New Orleans
polyphony. The drummer adds accents on the cymbals.
2:15  Dorsey’s clarinet solo loosely suggests Beiderbecke’s restrained style.
2:26  Dorsey’s break ends almost in a whisper.
2:29  The band returns with collective improvisation, with Beiderbecke’s cornet on top
2:46  A one-measure break features Lang playing a rapid upward arpeggio on guitar
2:51  Beiderbecke begins his last line with another aggressive rip, followed by short riffs on a
repeated note.
2:58  A cymbal stroke brings the piece to a close.

Zo nemen de auteurs je mee door de tijd en beluister je nummers van alle grote namen in de jazz. Daar zitten soms regelrechte ‘ear openers’ tussen. Het doet je veel bewuster luisteren naar de muziek. Een saxofoon op de voorgrond hoor je wel, maar die luistergidsen wijzen je ook op de baslijn of wat voor melodie een piano of gitaar ineens op de achtergrond speelt. Zo wil ik de volgende opmerking over pianist Gil Evans lezen in het nummer King Porter Stomp, want je luistert er geheid overheen;

1:29  He accidentally makes a distorted honking sound on a low note. Emboldened, he returns to this
sound again and again – essentially turning a mistake into a motive.

Ogenschijnlijk complexe stukken worden ineens een stuk helderder. Er staan geen biografieën in het boek hoewel vaak in het kort de levens geschetst worden en ondertussen krijgt u ook een aardig tijdsbeeld mee met wrange verhalen over rassenscheidingen of wat een uitvinding als de radio deed voor de jazz. Zo werd de muziek van Benny Goodman aan de oostkust op een obscuur tijdstip uitgezonden, maar bleek hij tot zijn grote verrassing mateloos populair aan de westkust, waar datzelfde obscure tijdstip dus ‘prime time’ was en hij door iedereen gehoord werd.

De auteurs geven prima de overgangen weer van het swingtijdperk van de bigbands naar het bebop-tijdperk van Dizzy Gillespie en Charlie Parker. Verderop in de tijd gaan we naar cooljazz als reactie op bebop met muzikanten als Stan Getz, Dave Brubeck en Miles Davis. Dan volgt freejazz met artiesten als Albert Ayler en Cecil Taylor. Hier wordt het interessant, want dit vinden velen al niet meer te beluisteren en dan zijn die luistergidsen goud waard. Ik heb het makkelijk, want ik ben redelijk thuis in de ‘moderne klassieke muziek’ (u weet wel, piep-boem-knars-muziek), dus ik vind het allemaal prima te verteren en ik heb talloze nieuwe ontdekkingen gedaan.

Het is een objectief boek, hoewel enige humor de heren auteurs ook niet ontbreekt. Smoothjazz komt er namelijk niet zo goed van af;

There are many things to dislike about smooth jazz – for example, everything.

Een voorbeeld is saxofonist Kenny G. met wat wel ‘muzikaal behang’ wordt genoemd en die toch 48 miljoen albums heeft verkocht. Ook daar is een markt voor.

Het boek sluit af met de huidige lichting jazzmusici en wat de toekomst zou zijn voor jazz. Ook is er een hoofdstuk over het aanleggen van een jazzcollectie (u begrijpt, ik ben al bezig) en een lijst van 100 opnames die kan dienen als startpunt voor een verdere ontdekkingstocht. Verder is er een opsomming van films, documentaires en televisieseries waarin jazz de hoofdrol speelt.

Ik ben dus enthousiast over dit boek, het heeft mij enorm veel doen luisteren en nog meer tips gegeven. Luistert u eens naar het ongemeen mooie A Remark You Made van Weather Report, of naar You’ve Got To Be Modernistic van James P. Johnson en dan naar hetzelfde nummer maar in de moderne versie van Jason Moran. Of kent u Piece Three van Anthony Braxton? Het begint als een normale mars, maar luister wat er dan gebeurt. Diezelfde Anthony Braxton heeft ook een heel album volgespeeld met stukken voor solo altsaxofoon en dat is ook prachtig. U wilt ook Donna Lee horen voor solo-elektrische basgitaar van de jonggestorven bassist Jaco Pistorius of het prachtige El Matador met zijn Spaanse invloeden van saxofonist David Murray (zijn album staat hoog op mijn wensenlijst). Ik kan nog even doorgaan maar een beetje jazzliefhebber moet dit boek in huis halen en aan de slag.

0472037897.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik schreef hier al eens over de altsaxofonist Charlie Parker. Ik wil weten wat hem zo’n grootheid maakt in de jazzmuziek en hoopte dat dit boek van saxofonist Carl Woideck mij verder zou helpen. Charlie Parker His Music and Life heeft mij inderdaad een stuk verder geholpen en heeft mij positief verrast.

Ik was daar eerst niet zo zeker van, want ook dit is geen dik boek, 248 pagina’s, en er staan best wat notenvoorbeelden in dus ik was bang dat het toch een boek was voor musicologisch gevorderden. Dat viel mee, ik heb er veel uitgehaald.

Het boek begint met een biografische schets van Parker. U wordt op pagina 1 al uit de droom geholpen als u precies de vinger op zijn legendarische status wil leggen;

Charlie Parker had an artistic brilliance that can never be adequately explained. The overused term “genius” truly describes his gift. He was capable of making remarkable leaps of understanding, conception, and execution.

U ziet, gelukkig begint Woideck toch meteen een beetje met duiden en hij komt een heel eind in dit boek. De biografie laat ik even voor wat het is, vanaf pagina 55 begint de uitleg van zijn muziek en dat is de grote meerwaarde van dit boek. Er volgen vier hoofdstukken die zijn eerste opnames beschrijven, de periode waarin hij kennis opdoet en waardoor hij werd beïnvloed. Vervolgens wordt zijn artistieke volwassenheid beschreven, de periode waarin hij zijn eerste meesterwerken opneemt. Dan volgt zijn meest productieve periode en tenslotte zijn laatste jaren, waarin hij artistiek gezien weinig meer presteerde, maar waarin hij wel degelijk zijn muzikale horizon wenste te verbreden.

Wat echt fantastisch is van dit boek is dat er verschllende solo’s van Parker worden beschreven (de notenvoorbeelden), inclusief de opnames waarop ze verkrijgbaar zijn en zelfs op welk tijdstip de solo’s beginnen, op de seconde af. Met de mogelijkheden van tegenwoordig via Youtube en de streamingdiensten is dat allemaal vrij nauwkeurig op te zoeken en zo heb je ineens een kleine goudmijn in handen. Ik ben er erg druk mee geweest.

Verder, want wij willen weten waarin Parker zo uitblinkt, worden de volgende kwaliteiten uitgebreid besproken; gemak en virtuositeit, intensiteit van swing en drive, inventiviteit, speelsheid en gevoel voor humor, gevoel voor blues en poëtische kwaliteiten, het karakter van zijn repertoire, zijn tempi, zijn notenwaarden, het gebruik van ‘double time’ (twee maal zo snel spelen als het standaardtempo), het gebruik van accenten, het gebruik van vibrato en timbre en tenslotte de melodielijn. U leert met reuzensprongen over zaken waar u nog nooit bij stil stond.

Eén ervan is dat Parker zijn klassieken kende. Hij hield van klassieke muziek en stond erom bekend dat hij naadloos werk van anderen in zijn solo’s kon inpassen. Zo kwam Stravinsky eens naar Parker luisteren;

As Parker’s quintet walked onto the bandstand, trumpeter Red Rodney recognized Stravinsky, front and almost center. Rodney leaned over and told Parker, who did not look at Stravinsky. Parker immediately called the first number for his band…At the beginning of his second chorus he interpolated the opening of Stravinsky’s Firebird Suite as though it had always been there, a perfect fit, and then sailed on with the rest of the number. Stravinsky roared with delight, pounding his glass on the table, the upward arc of the glass sending its liquor and ice cubes onto the people behind him…

Het is maar een voorbeeld van zijn virtuositeit. Toch heeft zijn destructieve levensstijl ook invloed op zijn optredens en ook die worden aangestipt. Zoek eens op Youtube naar ‘Charlie Parker – Lover Man Dial ‘, het is een beruchte opname waarin hij niet op zijn best was. Het is fascinerend dat zijn privé-problemen met drank en drugs op zijn opnamen terug zijn te horen. Op (ook op Youtube) ‘Charlie Parker – Jazz At The Philharmonic – Sweet Georgia Brown’ is op 1;08 te horen dat iemand zegt ‘Say man, where you been?’ Parker kwam te laat op zijn optreden omdat hij drugs wilde scoren. Op (weer op Youtube) ‘Charlie Parker – Bebop Bird: Charlie Parker on Dial (Volume 1)’ was hij zo dronken dat hij weg dreigde te vallen tot trompettist Howard McGhee hem op 0;38 toeroept ‘Blow!’ Ik vind het fascinerend materiaal.

Er staan ook talloze voorbeelden in van hoe het wel moet en ik heb inderdaad veel bijgeleerd. Parker was zo groot omdat hij, naast zijn virtuositeit en techniek, enorm veel inzicht had hoe hij zijn muziek naar een hoger plan kon brengen. Zijn solo’s zijn inventief (je hoort ineens Bizet voorbijkomen in Cool Blues) en ze zijn nooit hetzelfde. Dat hoor je als je de complete opnames beluistert van The Savoy and Dial Studio Recordings. Dat zijn onmisbare opnames waarin de verschillende takes zijn opgenomen van zijn nummers. Hij gebruikt steeds weer andere solo’s. Wat mij ook erg heeft geholpen bij dit boek (hoewel zelf gevonden en niet opgenomen in het boek) is het Youtube-kanaal van de Canadese saxofonist en componist Remi Bolduc. Hij heeft de moeite genomen om alle solo’s van Charlie Parker van 1940-1948 op zijn Youtube-kanaal te zetten, een schat aan informatie.

Charlie Parker is maar 34 jaar oud geworden. Hij heeft nog prachtige opnames gemaakt met strijkkwartet en had plannen om zich verder te bekwamen op het klassieke vlak. Hij hield erg van Stravinsky, Hindemith en Debussy. Hij had al contact gelegd met componist Edgard Varèse, één van mijn favoriete componisten. We zullen nooit weten wat daar uit was gekomen, maar met Charlie Parker ben ik nog even niet klaar, door dit prima boek ben ik alleen maar nieuwsgieriger geworden.

1556520042.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Coltrane on Coltrane is een boek dat samengesteld is door schrijver en jazz-kenner Chris DeVito. Ik heb inmiddels aardig wat muziek beluisterd van jazz-saxofonist John Coltrane (1926-1967) en hij wordt gezien als één van de grootsten in dat genre en ik ben druk bezig mijn vinger daar achter te krijgen. Net als bij zijn collega-saxofonist Charlie Parker overigens, zoals u hier kunt lezen.

Het lezen van biografieën helpt mij daarbij, maar bij Coltrane koos ik eerst voor dit boek. Dit boek bevat ieder bekend interview met Coltrane, evenals artikelen, overdenkingen en liner notes (u weet wel, die verhalen achterop elpees) die uitspraken van Coltrane bevatten. Het materiaal dateert voor het grootste deel uit de periode 1958-1966 en het boek telt 374 pagina’s.

Dat lijkt niet veel als je bedenkt hoe vaak succesvolle artiesten tegenwoordig interviews doen, maar met Coltrane lag dat allemaal wat anders. Hij was terughoudend met interviews, hoewel hij beleefd en nauwgezet was als hij ze wel gaf. Zijn antwoorden zijn vaak bedachtzaam en afgemeten en het leek mij een mooie manier om de mens achter de muziek wat beter te leren kennen. Bovendien werd Coltrane niet ouder dan veertig jaar (hij stierf aan leverkanker). Leuk is dat er ook een paar interviews in staan met de Nederlandse jazzcriticus en -programmamaker Michiel de Ruyter (1926–1994).

Werkt dit dan ook om een musicus en de muziek beter te leren kennen? Ja, voor een deel zeker. Het is leuk om Coltrane te horen in een gesprek met August Blume van Baltimore’s Jazz Society over pianist Thelonious Monk, als die onder het spelen het podium afloopt of een dansje doet (karakteristiek voor Monk, ik schreef er hier en hier al over);

Blume: Why do you think he did it?
Coltrane: I don’t know. He said he wanted to hear us, he said he wanted to hear the band. [Blume laughs] When he did that, he was in the audience himself, and he was listening to the band. Then he’d come back, you know, he got somethin’ out of that thing, man.
Blume: I got the biggest kick out of the way he’d do this little shuffle dance on the side.
Coltrane: Yeah, I wanted to see that myself, you know, I couldn’t see.

Zelfs Monk’s bandleden konden het niet altijd plaatsen wat hij deed. Coltrane vertelt in interviews uitgebreid over de invloed van Monk en van Miles Davis op hem. Die laatste noemt hij ‘leraar’ en Davis moedigde hem aan om zijn eigen stem te vinden en niet alleen maar ‘mee’ te spelen in een band.

Waar ik Coltrane voornamelijk als tenorsaxofonist zag, leerde ik uit dit boek dat hij ook de sopraansaxofoon ter hand nam en er werk mee heeft opgenomen. Het was een beetje toeval hoe hij daarmee begon, want een collega waar hij mee in een taxi zat liet zijn sopraansaxofoon liggen en John nam hem mee naar zijn hotelkamer en begon er wat op te oefenen. Snelle leerling als hij was zag hij de grote mogelijkheden van het instrument en hij ging er mee verder. Dat ging zo ver dat een journalist hem vroeg of hij ooit de keuze moest maken tussen de sopraan- en tenorsaxofoon;

John Coltrane: I haven’t solved that problem yet. The soprano requires a particular way of holding the lips, it requires more muscles than the tenor, and, because of that, one’s lips get hurt quickly. If I develop the habit of playing very ‘tight’, my embouchure will maybe become too tight for the tenor; that’s the problem.

Zover liet hij het niet komen, hoewel hij prachtige opnamen heeft gemaakt met de sopraansaxofoon. Het is interessant om te lezen hoe zijn carrière zich heeft ontwikkeld. Van bandlid tot leadman met zijn eigen kwartet, en soms kwintet als saxofonist en klarinettist Eric Dolphy hem kwam versterken. Coltrane was, net als bassist Charles Mingus, erg enthousiast over de (ook jong gestorven) Dolphy. Het is interessant om te lezen dat Coltrane zich soms niet eens bewust lijkt van de ontwikkeling die hij doormaakt. Het volgende fragment uit een interview met journaliist Bob Dawbarn laat dat zien, na een optreden van het kwintet met Eric Dolphy;

I found your Quintet’s music completely bewildering. Can you explain what it is you are trying to do? Surely you and Eric Dolphy are not following the normal chord sequences?
Coltrane: I can’t speak for Eric – I don’t know exactly what his theory is, I am playing on the regular changes, though sometimes I extend them…

It seemed to me that the three members of the rhythm sections were playing completely different things – often in different time signatures.
Coltrane: They are free to play anything they feel. Tyner plays some things on piano. I don’t know what they are, but they are based on the chords.

Your playing seemed so different from anything we have heard on your records here.
Coltrane: So many people have told me that, it must be true. I’ve got to listen to those records again. I guess I’ve changed in the last year. I’m in the process of changing things around here and finding areas that haven’t been explored.

Het fragment geeft aan dat a. De muzikanten elkaar blindelings moeten aanvoelen omdat ze ruimte krijgen én pakken, b. Dat journalisten ook af en toe naar adem moeten happen bij de wegen die Coltrane’s band bewandelt (luister eens naar het album Coltrane “Live” at the Village Vanguard”) en c. Dat Coltrane zich dus niet eens altijd bewust lijkt van die progressie.

Ik zei eerder dat dit boek voor een deel zeer zeker werkt bij het beter leren kennen van Coltrane en zijn muziek. Voor welk deel niet dan? Je ontkomt niet aan informatie die vaker terugkomt in interviews omdat journalisten vaak dezelfde vragen stellen. Omdat alle interviews uitgeschreven staan, zijn er ook vaak korte, nietszeggende antwoorden en helaas blinken niet alle interviewers uit in het stellen van relevante vragen. Helaas vond ik de interviews van De Ruyter niet best. Dat wil niet zeggen dat ik veel uit het boek heb gehaald en ik ben bang dat ik het grote standaardwerk over Coltrane, The John Coltrane Reference, van dezelfde auteur als dit boek ook nog eens ga doorvorsen. Excuus voor de lezers die geen jazz meer kunnen velen, ik ben nog even niet klaar.