archiveren

Europa

902956170X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Stefan Zweig (1881–1942) was een Oostenrijkse schrijver van Joodse komaf. In zijn autobiografie De wereld van gisteren vermengt hij zijn eigen geschiedenis met het tijdsbeeld van rond de eeuwwisseling tot vlak voor zijn zelfgekozen dood in 1942.

Zweig werd geboren in Wenen. Dat was een stad waar het goed toeven was aan het eind van de 19e eeuw en Zweig zingt de lof over zijn stad;

Gastvrij en met een bijzonder assimilatievermogen trok deze stad de meest ongelijksoortige krachten aan en ontspande ze, maakte ze los en bracht ze tot rust; het was een mild klimaat om in te leven, deze atmosfeer van geestelijke tolerantie, en onbewust werd elke burger van deze stad tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap opgevoed.

Iedere burger een wereldburger; dat is het gevoel wat Zweig zal vasthouden. Voorlopig vindt hij zijn weg in de stad, waar kunstenaars rondlopen als Brahms en Mahler en waar de joodse burgerij een voorname rol in speelde;

…negen tiende van wat de wereld als Weense cultuur van de negentiende eeuw bejubelde, was een door de joodse Weners gestimuleerde, gevoede of zelfs zelf gecreëerde cultuur.

Tock waren veranderingen onontkoombaar. Goede veranderingen, een verschuiving in de kunsten bijvoorbeeld. Jonge kunstenaars stonden op en Zweig en zijn vrienden zogen alles in zich op. Ze maakten kennis met Hugo von Hofmannsthal, een komeet van een schrijver en dichter én met Rainer Maria Rilke, een dichter die veel geleidelijker tot wasdom zou komen.

Minder goede veranderingen waren er ook. De eerste scheuren dienden zich aan in de maatschappij in de vorm van grof geweld in de politiek, terwijl Zweig en de zijnen daar nog weinig oog voor hadden. Zij schreven en bediscussieerden hun gedichten, maar

In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen.

Zweig studeert ondertussen onder meer filosofie in Wenen en Berlijn. Hij komt in aanraking met verschillende kunstvormen en ontmoet de door hem bewonderde dichter Emile Verhaeren in België. Hij zal zijn werk ook vertalen. In Parijs ontmoet hij de dichter Rilke en de beeldhouwer Rodin. Er volgt een mooi portret van deze Fransman als hij Zweig meeneemt naar zijn atelier, nog wat begint te schaven aan één van zijn beelden en vervolgens zo volledig in zijn werk opgaat dat hij Zweig vergeet.

Zweig reist ook naar Engeland waar een evenzeer mooi portret wordt gegeven van een vrouw bij wiens doop Goethe nog aanwezig is geweest. Hij reist zelfs naar India om zijn blik te verbreden, om van buitenaf eens Europa te beschouwen.

In dat Europa waait een nieuwe wind. Het was de tijd van uitvindingen en ontdekkingen, maar met die wind kwamen er ook donkere wolken mee. Er was trots en zelfvertrouwen, maar dat bracht ook expansiedrift met zich mee. Industrieën draaiden op volle toeren en dat gistende vat kwam ergens tot ontploffing. Zweig vertelt;

Als je je nu in alle rust afvraagt waarom Europa zich in 1914 in een oorlog stortte, vind je geen enkele zinnige reden en zelfs geen aanleiding. Het ging niet om ideeën, het ging niet werkelijk om de kleine grensgebieden; ik kan geen andere verklaring vinden dat dit overschot aan energie…

Toch komt die oorlog er en de beschrijving van de rekruten die zich opmaken om naar het front te gaan vind ik treffend. Of je er zelf bij bent. Gedurende de oorlog toont Zweig zich als de Europeaan die hij zich voelt. Hij probeert de contacten te onderhouden met zijn vrienden die nu tot ‘de vijand’ behoren en die vriendschap krijgt hij terug, bijvoorbeeld van de Franse dichter Romain Rolland.

Als de oorlog afgelopen is, heeft iedereen, logischerwijs, hoop op een goede toekomst. De kunsten gingen verder op de schop. Melodie in de muziek hoefde niet meer, er golden nu andere principes. Klassieke schilders gingen het depot in, kubisme deed zijn intrede, schrijvers en dichters vonden alles opnieuw uit, weg met de lidwoorden bijvoorbeeld. Ook Zweig was kritisch ten opzichte van zijn vroege werk en bedacht;

De tijd was voorbij waarin ik mijzelf had kunnen wijsmaken dat alles waar ik aan begon maar voorlopig was. Ik had het midden van mijn leven bereikt, de leeftijd van louter beloften was voorbij. Nu was het zaak het beloofde waar te maken, mijzelf te bewijzen of het definitief op te geven.

Opgeven hoeft niet, Zweig is zeer succesvol. Zijn werken worden in allerlei talen vertaald. Hij bezoekt vrienden door heel Europa en merkt dat het Europese gevoel nog springlevend is, ook bij de vroegere ‘vijand’. De propagandamachine was blijkbaar toch minder binnengekomen als gevreesd.

Toch, en dat beschrijft Zweig heel goed, komen er weer verschuivingen. Er zijn steeds kleine opstootjes en brandjes waar niemand veel aandacht aan schenkt. Ze komen op en verdwijnen weer. Er staat wel iemand met een grote mond te brallen in de Beierse bierhuizen, maar dat is plaatselijke amok. Tot deze figuur rijkskanselier wordt. Er verschijnen ineens goed getrainde ordetroepen op straat en de sfeer wordt grimmiger.

Zweig onderkent de gevaren en zal zijn woonplaats Salzburg verlaten. Hij laat alles achter, inclusief zijn immense verzameling handschriften, en vertrekt naar Engeland. Vanuit Londen ziet hij hoe Europa langzaam een nieuwe oorlog inglijdt en hij lijdt mee. Toen zijn moeder op sterven lag ging hij nog een laatste keer naar Wenen, voor een laatste afscheid van alles en iedereen;

Ik heb die laatste twee dagen in Wenen elke vertrouwde straat afzonderlijk, elke kerk, elke tuin, elk oud hoekje van de stad waar ik geboren ben, bekeken met een vertwijfeld, onuitgesproken ‘nooit meer’.

Zweig laat Europa achter zich en zou uiteindelijk met zijn vrouw in Brazilië zelfmoord plegen, gedesillusioneerd over de vernietiging van ‘zijn’ Europa.

Het is een boek van ruim 400 pagina’s en het geldt als een autobiografie, maar het is natuurlijk veel meer dan dat. Het laat Europa zien aan het eind van de negentiende eeuw en hoe dat continent twee oorlogen over zich heen kreeg. De hoop die ontstond in het interbellum, de ontzetting over hoe het toch weer fout ging. De onderkenning daarvan door hemzelf, de ontkenning van zoveel anderen, die daarvoor ook een hoge prijs zouden betalen. Prima lessen voor de toekomst, maar een levensgrote spiegel tegelijkertijd, want zoals het toen was is het nu; we zijn er zelf bij.

Vertaling; Willem van Toorn

9400405154.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het boek Over oude wegen van schrijver en radiomaker Mathijs Deen belooft volgens het verhaal op de achterkant een avontuurlijke tocht door Europa en een fascinerende reis door de tijd. Geschiedenis is altijd prima, maar ik moest toch even nadenken over de aanleiding tot dit boek. Het wordt namelijk opgehangen aan de vraag waarom Europeanen zo’n ambivalente houding hebben ten opzichte van de doorgaande routes op hun continent. Daar wil het boek namelijk een antwoord op geven.

Welnu, ik heb nog nooit nagedacht of ik daar een ambivalente houding over heb. Ik denk überhaupt weinig na over doorgaande routes op het continent en of mijn mede-Europeanen daar wel ambivalent tegenover staan, ik hoor het graag van u. Ik heb dan ook niet meteen een antwoord op de vraag kunnen vinden, of het ontgaat mij, dat kan heel goed.

Wat ik wel heb gevonden in dit boek, zijn 11 hoofdstukken in ruim 400 pagina’s met prachtige verhalen, want hiermee is de kritiek zo’n beetje gedaan hoor. Natuurlijk, men kent de verhalen over het afleggen van de Route 66 in de Verenigde Staten en je hoort hier niemand zeggen dat ze nu eens even de A1 af gaan rijden, wellicht wordt dat bedoeld met die ambivalentie en zo trapt de auteur dan ook af. Na een korte verkenning vanuit zijn geheugen over ritjes met zijn vader en over het wegennetwerk van Europa, duikt hij direct ver in de geschiedenis. Dat doet hij ook met een bepaalde onderkoelde humor en dat leest prettig:

Wie ten noorden van de Alpen in Europa wilde wonen…moest zich lekker warm kunnen inpakken, liefst een vuur kunnen maken, met een groep soortgenoten kunnen samenwerken en op zijn minst een seizoen vooruit kunnen denken. En de homo erectus die een kleine twee miljoen jaar geleden in het Midden-Oosten en de Kaukasus rondliep kon dat niet. Die was daar met zijn 600cc hersenen te dom voor. Te dom voor Europa. Daar zijn tabelletjes voor.

Deen gaat verder in op de routes die onze voorouders aflegden om in Europa te geraken en begint dus met de oudste voetstappen die bekend zijn. Dan volgen er een paar prachtige verhalen over een gevonden ketel in Denemarken, de rijk versierde ketel van Gundestrup. Daar kunnen de Denen wel trots op zijn, maar hij kwam niet uit Denemarken en Deen doet uit de doeken welke route door Europa die ketel vermoedelijk heeft afgelegd. Dat geldt ook voor het in het veen in Denemarken gevonden meisje van Egtved. Ook zij blijkt enorme afstanden door Europa te hebben afgelegd en hier doet het boek zijn naam ook eer aan.

Het verhaal over de beroemde Romeinse weg, de Via Appia, is ook prachtig. Dat gaat over de struikrover Bulla. Aanvankelijk ongrijpbaar, uiteindelijk voor de leeuwen geworpen. Soms wijkt de auteur wat af van het thema van de Europese wegen, zoals bij de IJslandse pelgrimsvrouw Gudrid. Daar volgt eerst een lange voorgeschiedenis op IJsland, Groenland en in Amerika, voordat ze daadwerkelijk door Europa naar Rome op pelgrimstocht gaat. Desalniettemin prachtig om te lezen. Dat geldt ook een tikje voor het verhaal over het Amsterdamse toneel van de Gouden Eeuw, wat weliswaar een route volgt van Portugal naar Zweden, maar waar het in mijn beleving geen moment over de reis of de wegen zelf ging.

Dat was anders bij het verhaal van Coenraad, die dienst moest nemen in het Franse leger en op weg ging naar Rusland. Ze moesten dwars door Europa marcheren en Deen verhaalt wat dat met de rekruten doet;

Voortgejaagde boerenjongens zoals Coenraad raakten naarmate ze hongeriger werden, het gevoel van verwantschap met de boeren langs de route kwijt. En dat was een gevaarlijke ontwikkeling voor de gemeenschappen waar het regiment doorheen trok, want met het gevoel van verwantschap verdween ook de bescherming van hun medeleven.

Juist met het doorkruisen van Europa gingen mijn gedachten naar al die autorally’s die er worden georganiseerd zoals de Budapest Rally, de Carbage Run en de Runball Rally. Dat leek me passen in dit boek en ik werd op mijn wenken bediend. Er staat een prachtig verhaal in over pioniers van de raceauto’s en over Charles Jarrott in het bijzonder. Zij raceten in de eerste raceauto’s door Europa op trajecten als Parijs-Wenen, Parijs-Berlijn en de laatste, de “rit van de dood”, Parijs-Madrid. Het waren de tijden dat er talloze handelingen verricht moesten worden voordat een motor überhaupt startte en waar de bijrijder de versnelling onderweg in zijn vier moest houden. Hier kwam beleving van het Europese netwerk wel naar boven, let wel, in een tijd waarin de Frans-Duitse oorlog van 1870 gewoon nog in het geheugen lag. De auteur;

‘Ik heb nou aardig wat reizen door Europa gemaakt,’ begin ik, ‘en eigenlijk heb ik vooral gezien dat mensen die de grenzen over gingen, altijd het min of meer terecht idee hadden dat ze op het territorium van de buren risico liepen….Maar nooit waren ze onbekommerd als de mensen die toen rond de eeuwwisseling gewoon voor hun plezier de grenzen over raceten en dachten dat de wereld hun toebehoorde. Dat waren toch ook oude vijanden die daar tegen elkaar aan het racen waren?’

Ambivalent of niet ten opzichte van die wegen, het levert een aantal mooie verhalen op over Europa in een boek dat vlot doorleest.

902257511X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Daar is hij dan, Het Eeuwige Vuur van Ken Follett. De langverwachte opvolger van Pilaren van de aarde en Brug naar de hemel. Het derde boek op rij waarin de fictieve plaats Kingsbridge in Engeland als uitgangspunt wordt genomen. Het eerste deel speelde zich af in de 12e eeuw, het tweede deel in de 14e eeuw en met dit boek bevinden we ons in de 16e eeuw, in het Tudor-tijdperk.

We zien dan ook dat Kingsbridge niet meer de centrale plaats van handeling is. Follett breidt zijn toneel aardig uit, en wel naar Antwerpen, Parijs, Sevilla en zelfs naar De Nieuwe Wereld. Voor fans van de eerste twee, gewoon lezen dit boek want Kingsbridge speelt wel degelijk een rol, er gebeuren genoeg ellendige én mooie dingen volgens het vaste recept van Follett.

Wat is dat recept? Het kundig mengen van historische figuren en gebeurtenissen met verzonnen romanfiguren. Het opstarten van verschillende verhaallijnen op verschillende plaatsen en deze mooi bij elkaar laten komen. Met zijn ruim 850 pagina’s is het boek niet zo dik als zijn voorgangers maar wordt het weer mooi afgerond.

En dan heb ik nog niets over het verhaal zelf gezegd. Hoofdpersonen zijn Ned Willard en Margery Fitzgerald, die we in hun jeugd ontmoeten in 1558. Ze willen trouwen, maar de één is protestant en de ander katholiek. Voilà, de rode draad. Follet creëert zijn drama’s op persoonlijk niveau en vertaalt deze naar het grote politieke toneel, waar het gaat om de strijd tussen de protestantse koningin Elizabeth en de katholieke Maria Tudor. De verhaallijn in Sevilla volgt de broer van Ned, Barney. Hij wordt uiteindelijk kanonnier en kapitein en zal Engeland verdedigen tegen de Spaanse armada. In Frankrijk woedt ook een felle strijd tussen protestanten en katholieken. Centrale figuren zijn hier de protestantse boekverkoopster Sylvie, die later met Ned zou trouwen, en de intrigant Pierre Aumande. Deze wil zich omhoog werken via de adellijke familie De Guise en speelt een rol die leidt tot de beruchte Bartholomeusnacht, waarbij de katholieken meedogenloos afrekenden met de protestantse elite.

Voor de rest geef ik niets weg, lees het vooral zelf. Het is bijna schandalig hoe snel je door dit boek heen bent en daarmee vind ik het dus een goed boek. Ja, er zitten best weer wat toevalligheden in om het verhaal goed te laten lopen (Spaanse schone duikt onverwacht handig op in Parijs om informatie door te spelen) maar dit stoort mij niet, het houdt de vaart erin.

Follett is naar eigen zeggen drie jaar en drie maanden met schrijven bezig geweest. Uiteraard zit er veel research in zo’n boek, zo leer ik uit een interview met hem. Hij heeft alle plaatsen bezocht die hij heeft beschreven, musea bezocht en huizen en kastelen bezichtigd die in die tijd gebouwd waren. Verder natuurlijk literatuuronderzoek. Hoe zag de kleding eruit, waren er al vorken, hoeveel kilometer kan een paard afleggen in een dag, welke wapens werden er gebruikt? Ook dat vind ik de kracht van zijn boeken, de details zijn mooi uitgewerkt, zoals wat er bij komt kijken om een scheepskanon tijdig te laden.

Ik heb geen enkel bericht gehoord over een vervolg, wel over de voltooiing van een trilogie. Follett is nu 68 en hoeft het voor het geld niet meer te doen, met zo’n 160 miljoen verkochte boeken, maar wie weet…hij vindt het ongelofelijk leuk om te doen, dat schrijven.

Vertaling; Joost van der Meer en William Oostendorp

9085425735.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Aan de rand van de wereld van historicus Michael Pye heeft als ondertitel Hoe de Noordzee ons vormde. Het is een boek over zo’n 1000 jaar geschiedenis van de landen in het Noordzeegebied, ruwweg in de periode van het jaar 700-1700. Als geïnteresseerde in geschiedenis boeit mij dat, omdat het gaat over de plek waar ik woon en omdat ik de ‘duistere middeleeuwen’ graag wat minder duister laat maken. Pye geeft het al aan;

Als we spreken over de ‘duistere middeleeuwen’ denken we aan oorlogen, invasies, invallen en veroveringen, zelfs aan genocide; maar dat alles hebben we ook nu, in onze eigen tijd, en toch leiden we gewoon ons leven.

Dat gebeurde toen dus ook en Pye beschrijft dat met een veelheid aan thema’s, waarin de handelsroute en commercie de rode draad vormen van het boek. Zo valt hij direct met de deur in huis door aan te geven dat niemand minder dan de Friezen het gebruik van geld geherintroduceerd hebben. Uiteraard was geld al bekend bij de oude Romeinen maar sinds hun vertrek in onbruik geraakt. Ze maakten gebruik van het begrip ‘waarde’ en men begon de wereld in wiskundige termen te bekijken. Iets wat eeuwen later door de wiskundige Simon Stevin veel verder uitgewerkt zou worden.

Pye laat zien dat de beruchte Vikingen niet voor niets berucht waren, maar ook veel meer dan dat. Het waren ontdekkingsreizigers, die hun voetsporen nalieten van Noord-Amerika tot aan Byzantium in het huidige Turkije én tot aan de grenzen van het Chinese rijk. Zij konden als enig zeevarend volk laveren en waren dus niet afhankelijk van een goede windrichting.

Stap voor stap neemt Pye ons mee door de geschiedenis van de landen rondom de Noordzee. Hij laat zien hoe het geschreven woord steeds belangrijker werd. Er kwamen wetten en daarmee vormde zich een beroepsgroep die zich met de uitleg hiervan bezig hield, de advocatuur. Er ontstonden commerciële facties tussen steden die de naties overstegen, zo ontstonden de Hanzesteden.

Ook de strijd met de natuur wordt niet vergeten. De Nederlanden liggen laag en we zien hoe de strijd aangegaan wordt met het water. Molens worden gebruikt om stukken land droog te leggen maar ook voor tal van andere toepassingen. Ook hier wordt weer wetgeving voor opgesteld. De pest doet zijn intrede en dat heeft een enorme impact op de handel en de beschikbaarheid van mankracht. Pye legt het allemaal uit.

Hij baseert zijn verhaal op een groot arsenaal aan geschriften, variërend van de beroemde Engelse historicus Beda (672/673-735) tot aan de Vlaamse wiskundige, natuurkundige en ingenieur Simon Stevin (1548-1620). Deze laatste beijverde zich voor gelijke reken- en maateenheden in Europa en voegde woorden aan onze taal toe als driehoek, evenredig, langwerpig, loodrecht, middelpunt etc.

Ik heb in recensies wel gelezen dat de makke van dit boek de veelheid aan informatie is, het sluit allemaal niet even mooi aan (bron hier). Mij stoorde het niet. Pye’s vertelkunst lost het voor mij op. Ik wil weten waarom er bij een Zweedse boerderij een boeddha is gevonden, ik wil weten waarom de stokvis een pijler van politieke macht is, waarom kloosters experts waren in valsheid in geschrifte en ik houd van deze details die Pye vrijgeeft, als hij het heeft over waar de Friezen zich allemaal hebben gevestigd;

Ze vestigden zich zelfs aan de buitengrenzen van hun handelswereld. Er was een Fries huis in Kaupang aan de monding van de Oslofjord in het zuiden van Noorwegen…De glazen bekers die hier zijn aangetroffen, lijken op die van de Franken en de Friezen, wat wijst op zuidelijke drinkgewoonten, en ze hadden dubbele kledinghaakjes, die nutteloos waren voor de plaatselijke dracht, maar die iedere Friese vrouw nodig had.

Zo staat het boek vol met wetenswaardigheden, in zo’n 380 pagina’s prima behapbaar. Een feest voor iedere geschiedenisliefhebber.

Vertaling; Arthur de Smet, Pon Ruiter en Frits van der Waa

2bb209fcfb000e5593830575841437641414141
Na het lezen van De waanzinnige veertiende eeuw van Barbara Tuchman, kan het adagium “Vroeger was alles beter” voorgoed de prullenbak in. Dit is toch een tijdperk waarin je beter niet geleefd kan hebben. Ik wist er wel iets van, maar mijn liefde voor geschiedenis kon dit boek absoluut niet laten liggen, ik leer vast iets bij in zo’n 660 pagina’s.

Tuchman stelt niet teleur. Om de ellende meteen maar te benoemen, de veertiende eeuw werd geteisterd door vier gesels, namelijk niet-aflatende oorlogen, de pest, de vrije benden en het pauselijk schisma. Die thema’s worden, met talrijke uitstapjes, belicht aan de hand van het leven van een belangrijke edelman uit die tijd, Enguerrand VII van Coucy (1340-1397). Wat mij betreft een prima formule. Waar in een geschiedenisboek de valkuil van dorre feiten dreigt, wordt met een hoofdpersoon het verhaal leven ingeblazen.

De oorlogen dan. Eigenlijk een stroom van niet-aflatende conflicten tussen Engeland en Frankrijk. Frankrijk, dat van zichzelf vond de dapperste ridders ter wereld te hebben moest bijvoorbeeld het onderspit delven tegen de Engelsen die zowaar voetvolk inzetten met een nieuw apparaat, de handboog. Fransen zijn hardleers, onbesuisde dapperheid zou ze veel vaker de kop kosten.

De pest deed zijn intrede en decimeerde uiteindelijk 40 tot 50% van de Europese bevolking. Men wist eenvoudig niet waar de ziekte vandaan kwam en wat er tegen te doen. Joden werden beschuldigd van het vergiftigen van bronnen en er werden onvoorstelbare wreedheden tegen hen begaan. Er ontstonden gemeenschappen van geselbroeders die door zelfkastijding de pest trachtten te weren, zonder resultaat uiteraard.

Had men de pest overleefd, dan waren er nog de vrije benden. Als de oorlog op een laag pitje stond, vormden zich benden van voetvolk en al of niet verarmde ridders, die het land werkelijk teisterden. Niemand was veilig. Moord, plundering en verkrachting was aan de orde van de dag.

Het schisma in de kerk is wat ingewikkelder, maar kort gezegd was er een paus in Rome en een tegenpaus in Avignon. Beiden werden gesteund door andere machtsblokken en dat hielp niet mee voor het machtsevenwicht in Europa. Hoe belangrijk dit was geeft Tuchman zelf aan:

De verkiezing van een tegenpaus zou onvermijdelijk verdeeldheid brengen…De verkiezing van een man die in heel Italië werd gevreesd en veracht doet denken aan een machtswaan die bijna even waanzinnig was als het gedrag van Urbanus. Misschien was op dit tijdstip de 14de eeuw zelf wel niet helemaal bij haar verstand.

Het boek staat vol met beschrijvingen van allerlei veldslagen (de Gulden Sporenslag bijvoorbeeld) vol wapperende banieren en glanzend gepoetste harnassen. Geweldig om te lezen vind ik, maar wat ik minstens zo mooi vind zijn de beschrijvingen van alledag, hoe de mensen leefden:

’s Zomers werden de vloeren bestrooid met welriekende kruiden en grassen en in andere jaargetijden met biezen of stro dat viermaal per jaar werd verwisseld of, zoals in de armere huizen, eens per jaar; tegen die tijd wemelde het van de vlooien en was bezaaid met hondepoep en afval. Een welgestelde koopman strooide vóór een feestmaaltijd viooltjes en andere bloemen op de vloer en sierde zijn muren en tafels met vers groen dat in de vroege morgen op de markt werd gekocht.

Dit zijn inkijkjes die er toe doen. Lees over de mechanieken om elkaar voor de gek te houden, zoals die van graaf Robert van Artois:

In zijn tuin stonden standbeelden die de bezoekers natspoten als zij er langs liepen (14de eeuw, I remind you – kdj) of als papegaaien woordjes naar hen krijsten; door een valluik viel men op een verenbed in de diepte; in een vertrek werd er bij het openen van de deur regen, sneeuw of onweer geproduceerd, er waren leidingen die onder een bepaalde druk ‘de dames van onderen natspoten’.

Een persoonlijke noot dan; uit mijn jeugd staat één boek mij het meest bij en dat is Het rad van fortuin van Thea Beckman. Gefascineerd was ik door de heroïsche figuur Bertrand du Guesclin. Ook hij krijgt in dit boek zijn plaats in de geschiedenis als connétable, opperbevelhebber, van de Franse troepen.

‘Vroeger was alles beter’? Welnee. Dit boek laat zien dat de gruwelen die we vandaag op tv zien vroeger ook voorkwamen, soms op nog veel grotere schaal ook. Ik denk dat we wel moeten leren van de geschiedenis en daar mag best een paar tanden bijgezet, maar ik ben prima tevreden in dit tijdsgewricht. Een must-read voor geschiedenisliefhebbers, dit boek.

Vertaling; J.C. Sliedrecht-Smit

3a1313cf7840e935937376a5341444341587343
I
k had Met fiets en tent naar de Oriënt van Gerard Monnink al eens gelezen maar wilde het zelf hebben. Toen ik laatst voor een paar euro een gesigneerd exemplaar kon kopen dacht ik niet lang na. Waarom ik dit boek persé moest hebben kom ik op terug.

Gerard Monnink heeft het plan opgevat om naar Palestina te fietsen. Het is dan kort voor de Tweede Wereldoorlog. Hij zoekt iemand om hem te vergezellen en hoort dat Toon Damhuis een ervaren fietser is en die is toevallig in de buurt. Monnink wil Damhuis vragen of hij mee wil. Dan volgt het welhaast legendarische gesprek;

“Hm, waar wilde je dan naar toe?”
“Nou, een wat excentrieke tocht”, en ietwat verlegen ga ik verder: “een lange reis, helemaal naar Palestina.” Een moment slechts denkt hij na. Dan volgt in zijn sappig Twents dialect: “Ja, dan konk wa metgaon.”
Alsof het een reisje van een paar dagen gold!
“Wanneer wilde je vertrekken?”
“Aanstaande zaterdag liefst”, stamelde ik perplex.
“Goed – dan ben ik hier wel. Daar kun je van op aan.”

Hij was er. Monnink had twee stevige Veeno’s van een sponsor gekregen en hij heeft perskaarten laten maken want onderweg schrijven ze artikelen voor kranten en tijdschriften om zo aan geld te komen. Wat volgt is een heroïsche tocht dwars door Europa en Turkije om uiteindelijk aan te komen in Palestina. Wat het zo fascinerend maakt is dat het toen een heel andere wereld was. Het is oppassen geblazen voor de Födl-zigeuners in Roemenië. Ze komen in gevecht met ze en weten zich alleen te redden door te dreigen met een nep-revolver. Als ze geen vergunning krijgen om door Europees Turkije te fietsen moeten ze 500 kilometer om rijden naar Sofia in Bulgarije. Ze moeten daarvoor de bergruggen van de Stara Planina over. Er is niet overal eten te krijgen dus ze lijden honger, komen in ontzagwekkende regenbuien terecht en zeulen hun fietsen over slechte weggetjes naar boven, meer lopend dan fietsend. Er breekt een fietsas en ze raken in gevecht met een Bulgaar die Monnink uiteindelijk met een zweep te lijf gaat. Monnink weet hem buiten westen te slaan.

In Turkije worden ze aangevallen door de wolfshonden van een aantal herders. Ze worden goed toegetakeld maar weten zich te redden door de “klootschiet-vaardigheden” van Monnink. Uiteindelijk bereiken ze Palestina. Daar maken ze kennis met Sefania. Zij komt uit Egypte en doet daar iets met het hof, maar duidelijk wordt het ze niet. Tot ze Egypte niet in kunnen komen vanwege geldgebrek:

Ik stond op ’t punt om ondanks mijn machteloosheid toch een scherp antwoord te geven, toen vriend Toon me rustig aan mijn jas trok en lakoniek opmerkte: “Doe zos dat wicht toch opbellen.”…Na afloop van het telefoongesprek boog de politie-autoriteit naar ons: “Had u toch direkt gezegd, dat u relaties had au palais royal en journalisten bent van Nederlands grootste dagblad.”

Sefania blijkt gouvernante van de Egyptische koning en zal later met Gerard Monnink trouwen. Het boek staat vol prachtige verhalen en die hebben mij ooit geïnspireerd om ook zo’n tocht te maken, zij het in een ander deel van de wereld. Daarom moest dat boek persé de kast nog in hier.

                       Gerard Monnink over zijn boek bij Kopspijkers

9085423813.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
S
oms verschijnt er een boek en dan weet ik meteen; die komt hier in de kast. Dit boek (een kleine 800 pagina’s leesvoer) van Norman Davies is er zo één. Vergeten Koninkrijken; De verborgen geschiedenis van Europa. Dat komt door mijn interesse in geschiedenis en dit boek geeft voor mij wat extra’s. De Visigoten, Bourgondië, Galicië, Aragon, ik had er wel van gehoord maar het fijne wist ik er niet van. Het wordt me nu op een presenteerblaadje aangeboden.

Het boek gaat over koninkrijken (hoewel, niet allemaal koninkrijken, maar allà) die ooit in Europa hebben bestaan. In vogelvlucht zijn dat Tolosa, Alt Clud, Bourgondië, Aragon, Litva, Byzantion, Borussia, Sabaudia, Galicië, Etrurië, Rosenau, Tsernagora, Rusyn, Eire en CCCP. Dat zal bij de meesten ergens een belletje doen rinkelen, maar in sommige gevallen zoek je behoorlijk naar de klepel. Des te leuker wat mij betreft. De hoofdstukken zijn opgebouwd volgens een vast stramien. Deel I schetst een beeld van de Europese locatie zoals we die vandaag kennen. Deel II vertelt het verhaal van het ‘verdwenen koninkrijk’ dat daar ooit bestond. In deel III wordt bekeken in welke mate de herinnering aan dat verdwenen koninkrijk bewaard is gebleven of verloren is gegaan.

Werkt deze opzet ook? Jazeker, voor mij wel. Enige helderheid is ook wel geboden, want het is wel een boek om het hoofd erbij te houden. Je wordt namelijk gebombardeerd met namen en feiten. Wat niet helpt is dat vroeger veel namen op elkaar leken. Wat wel helpt is dat Davies uitgebreide stambomen in het boek heeft opgenomen zodat men snel kan opzoeken over welke Wilhelm of Frederik het ook al weer ging. Ook zijn er veel landkaarten opgenomen die ook veel toevoegen. Voor de rest, laat een fragment als het volgende, over het kleine Britse koninkrijkje “Alt Clud”, gemoedelijk over u heen komen:

Later in de zesde eeuw werden de Britten in het noorden zich bewust van de groeiende dreiging van de Angelen en smeedde Urien een grote coalitie tegen hen. Onder zijn bondgenoten waren Rhydderch Hael van de Rots, Guallauc van Lennox, Morgant van Zuid-Gododdin, Aedan macGabrain van Argyll en koning Fiachna van Ulster.

Machtig mooi, maar ik onthoud het niet. Dat hoeft ook niet, je leert met reuzensprongen toch veel bij. Natuurlijk had ik van Bourgondië gehoord, maar ik wist even niet dat er wel 16 verschillende Bourgondiës waren. Waar ik het in Frankrijk situeerde, wat deels klopt, begint het verhaal toch echt op Bornholm, een klein Deens eiland halverwege Zweden en Polen. Ik had geen idee en dat is het leuke aan zo’n boek.

Wat het boek ook sterk maakt zijn de vele citaten en verslagen van ooggetuigen die Davies opneemt in zijn boek. Zo is daar het zeldzame portret van Theodorik II (regerend van 453-466), leider der Visigoten, geschreven door zijn tijdgenoot, de Latijnse schrijver Sidonius Appolinaris (432-488);

Wel, hij is een man die het waard is te kennen…Hij is goed gebouwd, langer dan de gemiddelde man, maar geen reus. Zijn hoofd is rond, met krullend, wijkend haar…Zijn nerveuze hals is vrij van ontsierende knobbels. De wenkbrauwen zijn borstelig en gebogen; als hij zijn oogleden neerslaat, reiken de wimpers bijna tot halverwege de wangen. De oren gaan van boven schuil onder haarlokken, naar de mode van zijn ras. De neus is mooi gekromd; de lippen zijn dun en niet overmatig vergoot…Het haar dat uit zijn neusgaten komt wordt elke dag bijgeknipt…

Enzovoort. Hoe duidelijk wilt u het hebben? Ik zou nog even door kunnen gaan met mooie feiten. In het hoofdstuk over Aragon wordt de oorsprong van het Roelantslied duidelijk en wordt het verhaal van El Cid verteld. Lees je over Etrurië, dan weet je meer over Nabuleone Buonaparte, de generaal uit die Florentijnse familie. Het hoofdstuk Rosenau leert ons dat de Lady Diana Spencer toch echt de allereerste persoon van primair Britse komaf was in dat koningshuis daar, in het hele driehonderdjarig bestaan ervan. Ik vind het mooi feitenmateriaal.

Anekdotes zijn er ook, zoals het beroemde verhaal dat door de Galiciërs over het Galicische front van 1914 werd verteld;

Een Duitse officier rapporteert; ‘De situatie is ernstig, maar niet hopeloos.’ Een Oostenrijkse officier antwoordt: ‘Nee, ze is hopeloos, maar niet ernstig.’

Het enige punt van kritiek, en medeblogger Erik Scheffers waarschuwde mij er al voor, Davies heeft de neiging om nog al eens van de hak op de tak te springen, dus houdt u de aandacht erbij. Verder, laat de geschiedenis lekker over u heenkomen.

Lees hier ook de bespreking van Bettina

Vertaling; Bookmakers