archiveren

Europa

902257511X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Daar is hij dan, Het Eeuwige Vuur van Ken Follett. De langverwachte opvolger van Pilaren van de aarde en Brug naar de hemel. Het derde boek op rij waarin de fictieve plaats Kingsbridge in Engeland als uitgangspunt wordt genomen. Het eerste deel speelde zich af in de 12e eeuw, het tweede deel in de 14e eeuw en met dit boek bevinden we ons in de 16e eeuw, in het Tudor-tijdperk.

We zien dan ook dat Kingsbridge niet meer de centrale plaats van handeling is. Follett breidt zijn toneel aardig uit, en wel naar Antwerpen, Parijs, Sevilla en zelfs naar De Nieuwe Wereld. Voor fans van de eerste twee, gewoon lezen dit boek want Kingsbridge speelt wel degelijk een rol, er gebeuren genoeg ellendige én mooie dingen volgens het vaste recept van Follett.

Wat is dat recept? Het kundig mengen van historische figuren en gebeurtenissen met verzonnen romanfiguren. Het opstarten van verschillende verhaallijnen op verschillende plaatsen en deze mooi bij elkaar laten komen. Met zijn ruim 850 pagina’s is het boek niet zo dik als zijn voorgangers maar wordt het weer mooi afgerond.

En dan heb ik nog niets over het verhaal zelf gezegd. Hoofdpersonen zijn Ned Willard en Margery Fitzgerald, die we in hun jeugd ontmoeten in 1558. Ze willen trouwen, maar de één is protestant en de ander katholiek. Voilà, de rode draad. Follet creëert zijn drama’s op persoonlijk niveau en vertaalt deze naar het grote politieke toneel, waar het gaat om de strijd tussen de protestantse koningin Elizabeth en de katholieke Maria Tudor. De verhaallijn in Sevilla volgt de broer van Ned, Barney. Hij wordt uiteindelijk kanonnier en kapitein en zal Engeland verdedigen tegen de Spaanse armada. In Frankrijk woedt ook een felle strijd tussen protestanten en katholieken. Centrale figuren zijn hier de protestantse boekverkoopster Sylvie, die later met Ned zou trouwen, en de intrigant Pierre Aumande. Deze wil zich omhoog werken via de adellijke familie De Guise en speelt een rol die leidt tot de beruchte Bartholomeusnacht, waarbij de katholieken meedogenloos afrekenden met de protestantse elite.

Voor de rest geef ik niets weg, lees het vooral zelf. Het is bijna schandalig hoe snel je door dit boek heen bent en daarmee vind ik het dus een goed boek. Ja, er zitten best weer wat toevalligheden in om het verhaal goed te laten lopen (Spaanse schone duikt onverwacht handig op in Parijs om informatie door te spelen) maar dit stoort mij niet, het houdt de vaart erin.

Follett is naar eigen zeggen drie jaar en drie maanden met schrijven bezig geweest. Uiteraard zit er veel research in zo’n boek, zo leer ik uit een interview met hem. Hij heeft alle plaatsen bezocht die hij heeft beschreven, musea bezocht en huizen en kastelen bezichtigd die in die tijd gebouwd waren. Verder natuurlijk literatuuronderzoek. Hoe zag de kleding eruit, waren er al vorken, hoeveel kilometer kan een paard afleggen in een dag, welke wapens werden er gebruikt? Ook dat vind ik de kracht van zijn boeken, de details zijn mooi uitgewerkt, zoals wat er bij komt kijken om een scheepskanon tijdig te laden.

Ik heb geen enkel bericht gehoord over een vervolg, wel over de voltooiing van een trilogie. Follett is nu 68 en hoeft het voor het geld niet meer te doen, met zo’n 160 miljoen verkochte boeken, maar wie weet…hij vindt het ongelofelijk leuk om te doen, dat schrijven.

Vertaling; Joost van der Meer en William Oostendorp

Advertenties

9085425735.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Aan de rand van de wereld van historicus Michael Pye heeft als ondertitel Hoe de Noordzee ons vormde. Het is een boek over zo’n 1000 jaar geschiedenis van de landen in het Noordzeegebied, ruwweg in de periode van het jaar 700-1700. Als geïnteresseerde in geschiedenis boeit mij dat, omdat het gaat over de plek waar ik woon en omdat ik de ‘duistere middeleeuwen’ graag wat minder duister laat maken. Pye geeft het al aan;

Als we spreken over de ‘duistere middeleeuwen’ denken we aan oorlogen, invasies, invallen en veroveringen, zelfs aan genocide; maar dat alles hebben we ook nu, in onze eigen tijd, en toch leiden we gewoon ons leven.

Dat gebeurde toen dus ook en Pye beschrijft dat met een veelheid aan thema’s, waarin de handelsroute en commercie de rode draad vormen van het boek. Zo valt hij direct met de deur in huis door aan te geven dat niemand minder dan de Friezen het gebruik van geld geherintroduceerd hebben. Uiteraard was geld al bekend bij de oude Romeinen maar sinds hun vertrek in onbruik geraakt. Ze maakten gebruik van het begrip ‘waarde’ en men begon de wereld in wiskundige termen te bekijken. Iets wat eeuwen later door de wiskundige Simon Stevin veel verder uitgewerkt zou worden.

Pye laat zien dat de beruchte Vikingen niet voor niets berucht waren, maar ook veel meer dan dat. Het waren ontdekkingsreizigers, die hun voetsporen nalieten van Noord-Amerika tot aan Byzantium in het huidige Turkije én tot aan de grenzen van het Chinese rijk. Zij konden als enig zeevarend volk laveren en waren dus niet afhankelijk van een goede windrichting.

Stap voor stap neemt Pye ons mee door de geschiedenis van de landen rondom de Noordzee. Hij laat zien hoe het geschreven woord steeds belangrijker werd. Er kwamen wetten en daarmee vormde zich een beroepsgroep die zich met de uitleg hiervan bezig hield, de advocatuur. Er ontstonden commerciële facties tussen steden die de naties overstegen, zo ontstonden de Hanzesteden.

Ook de strijd met de natuur wordt niet vergeten. De Nederlanden liggen laag en we zien hoe de strijd aangegaan wordt met het water. Molens worden gebruikt om stukken land droog te leggen maar ook voor tal van andere toepassingen. Ook hier wordt weer wetgeving voor opgesteld. De pest doet zijn intrede en dat heeft een enorme impact op de handel en de beschikbaarheid van mankracht. Pye legt het allemaal uit.

Hij baseert zijn verhaal op een groot arsenaal aan geschriften, variërend van de beroemde Engelse historicus Beda (672/673-735) tot aan de Vlaamse wiskundige, natuurkundige en ingenieur Simon Stevin (1548-1620). Deze laatste beijverde zich voor gelijke reken- en maateenheden in Europa en voegde woorden aan onze taal toe als driehoek, evenredig, langwerpig, loodrecht, middelpunt etc.

Ik heb in recensies wel gelezen dat de makke van dit boek de veelheid aan informatie is, het sluit allemaal niet even mooi aan (bron hier). Mij stoorde het niet. Pye’s vertelkunst lost het voor mij op. Ik wil weten waarom er bij een Zweedse boerderij een boeddha is gevonden, ik wil weten waarom de stokvis een pijler van politieke macht is, waarom kloosters experts waren in valsheid in geschrifte en ik houd van deze details die Pye vrijgeeft, als hij het heeft over waar de Friezen zich allemaal hebben gevestigd;

Ze vestigden zich zelfs aan de buitengrenzen van hun handelswereld. Er was een Fries huis in Kaupang aan de monding van de Oslofjord in het zuiden van Noorwegen…De glazen bekers die hier zijn aangetroffen, lijken op die van de Franken en de Friezen, wat wijst op zuidelijke drinkgewoonten, en ze hadden dubbele kledinghaakjes, die nutteloos waren voor de plaatselijke dracht, maar die iedere Friese vrouw nodig had.

Zo staat het boek vol met wetenswaardigheden, in zo’n 380 pagina’s prima behapbaar. Een feest voor iedere geschiedenisliefhebber.

Vertaling; Arthur de Smet, Pon Ruiter en Frits van der Waa

2bb209fcfb000e5593830575841437641414141
Na het lezen van De waanzinnige veertiende eeuw van Barbara Tuchman, kan het adagium “Vroeger was alles beter” voorgoed de prullenbak in. Dit is toch een tijdperk waarin je beter niet geleefd kan hebben. Ik wist er wel iets van, maar mijn liefde voor geschiedenis kon dit boek absoluut niet laten liggen, ik leer vast iets bij in zo’n 660 pagina’s.

Tuchman stelt niet teleur. Om de ellende meteen maar te benoemen, de veertiende eeuw werd geteisterd door vier gesels, namelijk niet-aflatende oorlogen, de pest, de vrije benden en het pauselijk schisma. Die thema’s worden, met talrijke uitstapjes, belicht aan de hand van het leven van een belangrijke edelman uit die tijd, Enguerrand VII van Coucy (1340-1397). Wat mij betreft een prima formule. Waar in een geschiedenisboek de valkuil van dorre feiten dreigt, wordt met een hoofdpersoon het verhaal leven ingeblazen.

De oorlogen dan. Eigenlijk een stroom van niet-aflatende conflicten tussen Engeland en Frankrijk. Frankrijk, dat van zichzelf vond de dapperste ridders ter wereld te hebben moest bijvoorbeeld het onderspit delven tegen de Engelsen die zowaar voetvolk inzetten met een nieuw apparaat, de handboog. Fransen zijn hardleers, onbesuisde dapperheid zou ze veel vaker de kop kosten.

De pest deed zijn intrede en decimeerde uiteindelijk 40 tot 50% van de Europese bevolking. Men wist eenvoudig niet waar de ziekte vandaan kwam en wat er tegen te doen. Joden werden beschuldigd van het vergiftigen van bronnen en er werden onvoorstelbare wreedheden tegen hen begaan. Er ontstonden gemeenschappen van geselbroeders die door zelfkastijding de pest trachtten te weren, zonder resultaat uiteraard.

Had men de pest overleefd, dan waren er nog de vrije benden. Als de oorlog op een laag pitje stond, vormden zich benden van voetvolk en al of niet verarmde ridders, die het land werkelijk teisterden. Niemand was veilig. Moord, plundering en verkrachting was aan de orde van de dag.

Het schisma in de kerk is wat ingewikkelder, maar kort gezegd was er een paus in Rome en een tegenpaus in Avignon. Beiden werden gesteund door andere machtsblokken en dat hielp niet mee voor het machtsevenwicht in Europa. Hoe belangrijk dit was geeft Tuchman zelf aan:

De verkiezing van een tegenpaus zou onvermijdelijk verdeeldheid brengen…De verkiezing van een man die in heel Italië werd gevreesd en veracht doet denken aan een machtswaan die bijna even waanzinnig was als het gedrag van Urbanus. Misschien was op dit tijdstip de 14de eeuw zelf wel niet helemaal bij haar verstand.

Het boek staat vol met beschrijvingen van allerlei veldslagen (de Gulden Sporenslag bijvoorbeeld) vol wapperende banieren en glanzend gepoetste harnassen. Geweldig om te lezen vind ik, maar wat ik minstens zo mooi vind zijn de beschrijvingen van alledag, hoe de mensen leefden:

’s Zomers werden de vloeren bestrooid met welriekende kruiden en grassen en in andere jaargetijden met biezen of stro dat viermaal per jaar werd verwisseld of, zoals in de armere huizen, eens per jaar; tegen die tijd wemelde het van de vlooien en was bezaaid met hondepoep en afval. Een welgestelde koopman strooide vóór een feestmaaltijd viooltjes en andere bloemen op de vloer en sierde zijn muren en tafels met vers groen dat in de vroege morgen op de markt werd gekocht.

Dit zijn inkijkjes die er toe doen. Lees over de mechanieken om elkaar voor de gek te houden, zoals die van graaf Robert van Artois:

In zijn tuin stonden standbeelden die de bezoekers natspoten als zij er langs liepen (14de eeuw, I remind you – kdj) of als papegaaien woordjes naar hen krijsten; door een valluik viel men op een verenbed in de diepte; in een vertrek werd er bij het openen van de deur regen, sneeuw of onweer geproduceerd, er waren leidingen die onder een bepaalde druk ‘de dames van onderen natspoten’.

Een persoonlijke noot dan; uit mijn jeugd staat één boek mij het meest bij en dat is Het rad van fortuin van Thea Beckman. Gefascineerd was ik door de heroïsche figuur Bertrand du Guesclin. Ook hij krijgt in dit boek zijn plaats in de geschiedenis als connétable, opperbevelhebber, van de Franse troepen.

‘Vroeger was alles beter’? Welnee. Dit boek laat zien dat de gruwelen die we vandaag op tv zien vroeger ook voorkwamen, soms op nog veel grotere schaal ook. Ik denk dat we wel moeten leren van de geschiedenis en daar mag best een paar tanden bijgezet, maar ik ben prima tevreden in dit tijdsgewricht. Een must-read voor geschiedenisliefhebbers, dit boek.

Vertaling; J.C. Sliedrecht-Smit

3a1313cf7840e935937376a5341444341587343
I
k had Met fiets en tent naar de Oriënt van Gerard Monnink al eens gelezen maar wilde het zelf hebben. Toen ik laatst voor een paar euro een gesigneerd exemplaar kon kopen dacht ik niet lang na. Waarom ik dit boek persé moest hebben kom ik op terug.

Gerard Monnink heeft het plan opgevat om naar Palestina te fietsen. Het is dan kort voor de Tweede Wereldoorlog. Hij zoekt iemand om hem te vergezellen en hoort dat Toon Damhuis een ervaren fietser is en die is toevallig in de buurt. Monnink wil Damhuis vragen of hij mee wil. Dan volgt het welhaast legendarische gesprek;

“Hm, waar wilde je dan naar toe?”
“Nou, een wat excentrieke tocht”, en ietwat verlegen ga ik verder: “een lange reis, helemaal naar Palestina.” Een moment slechts denkt hij na. Dan volgt in zijn sappig Twents dialect: “Ja, dan konk wa metgaon.”
Alsof het een reisje van een paar dagen gold!
“Wanneer wilde je vertrekken?”
“Aanstaande zaterdag liefst”, stamelde ik perplex.
“Goed – dan ben ik hier wel. Daar kun je van op aan.”

Hij was er. Monnink had twee stevige Veeno’s van een sponsor gekregen en hij heeft perskaarten laten maken want onderweg schrijven ze artikelen voor kranten en tijdschriften om zo aan geld te komen. Wat volgt is een heroïsche tocht dwars door Europa en Turkije om uiteindelijk aan te komen in Palestina. Wat het zo fascinerend maakt is dat het toen een heel andere wereld was. Het is oppassen geblazen voor de Födl-zigeuners in Roemenië. Ze komen in gevecht met ze en weten zich alleen te redden door te dreigen met een nep-revolver. Als ze geen vergunning krijgen om door Europees Turkije te fietsen moeten ze 500 kilometer om rijden naar Sofia in Bulgarije. Ze moeten daarvoor de bergruggen van de Stara Planina over. Er is niet overal eten te krijgen dus ze lijden honger, komen in ontzagwekkende regenbuien terecht en zeulen hun fietsen over slechte weggetjes naar boven, meer lopend dan fietsend. Er breekt een fietsas en ze raken in gevecht met een Bulgaar die Monnink uiteindelijk met een zweep te lijf gaat. Monnink weet hem buiten westen te slaan.

In Turkije worden ze aangevallen door de wolfshonden van een aantal herders. Ze worden goed toegetakeld maar weten zich te redden door de “klootschiet-vaardigheden” van Monnink. Uiteindelijk bereiken ze Palestina. Daar maken ze kennis met Sefania. Zij komt uit Egypte en doet daar iets met het hof, maar duidelijk wordt het ze niet. Tot ze Egypte niet in kunnen komen vanwege geldgebrek:

Ik stond op ’t punt om ondanks mijn machteloosheid toch een scherp antwoord te geven, toen vriend Toon me rustig aan mijn jas trok en lakoniek opmerkte: “Doe zos dat wicht toch opbellen.”…Na afloop van het telefoongesprek boog de politie-autoriteit naar ons: “Had u toch direkt gezegd, dat u relaties had au palais royal en journalisten bent van Nederlands grootste dagblad.”

Sefania blijkt gouvernante van de Egyptische koning en zal later met Gerard Monnink trouwen. Het boek staat vol prachtige verhalen en die hebben mij ooit geïnspireerd om ook zo’n tocht te maken, zij het in een ander deel van de wereld. Daarom moest dat boek persé de kast nog in hier.

                       Gerard Monnink over zijn boek bij Kopspijkers

9085423813.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
S
oms verschijnt er een boek en dan weet ik meteen; die komt hier in de kast. Dit boek (een kleine 800 pagina’s leesvoer) van Norman Davies is er zo één. Vergeten Koninkrijken; De verborgen geschiedenis van Europa. Dat komt door mijn interesse in geschiedenis en dit boek geeft voor mij wat extra’s. De Visigoten, Bourgondië, Galicië, Aragon, ik had er wel van gehoord maar het fijne wist ik er niet van. Het wordt me nu op een presenteerblaadje aangeboden.

Het boek gaat over koninkrijken (hoewel, niet allemaal koninkrijken, maar allà) die ooit in Europa hebben bestaan. In vogelvlucht zijn dat Tolosa, Alt Clud, Bourgondië, Aragon, Litva, Byzantion, Borussia, Sabaudia, Galicië, Etrurië, Rosenau, Tsernagora, Rusyn, Eire en CCCP. Dat zal bij de meesten ergens een belletje doen rinkelen, maar in sommige gevallen zoek je behoorlijk naar de klepel. Des te leuker wat mij betreft. De hoofdstukken zijn opgebouwd volgens een vast stramien. Deel I schetst een beeld van de Europese locatie zoals we die vandaag kennen. Deel II vertelt het verhaal van het ‘verdwenen koninkrijk’ dat daar ooit bestond. In deel III wordt bekeken in welke mate de herinnering aan dat verdwenen koninkrijk bewaard is gebleven of verloren is gegaan.

Werkt deze opzet ook? Jazeker, voor mij wel. Enige helderheid is ook wel geboden, want het is wel een boek om het hoofd erbij te houden. Je wordt namelijk gebombardeerd met namen en feiten. Wat niet helpt is dat vroeger veel namen op elkaar leken. Wat wel helpt is dat Davies uitgebreide stambomen in het boek heeft opgenomen zodat men snel kan opzoeken over welke Wilhelm of Frederik het ook al weer ging. Ook zijn er veel landkaarten opgenomen die ook veel toevoegen. Voor de rest, laat een fragment als het volgende, over het kleine Britse koninkrijkje “Alt Clud”, gemoedelijk over u heen komen:

Later in de zesde eeuw werden de Britten in het noorden zich bewust van de groeiende dreiging van de Angelen en smeedde Urien een grote coalitie tegen hen. Onder zijn bondgenoten waren Rhydderch Hael van de Rots, Guallauc van Lennox, Morgant van Zuid-Gododdin, Aedan macGabrain van Argyll en koning Fiachna van Ulster.

Machtig mooi, maar ik onthoud het niet. Dat hoeft ook niet, je leert met reuzensprongen toch veel bij. Natuurlijk had ik van Bourgondië gehoord, maar ik wist even niet dat er wel 16 verschillende Bourgondiës waren. Waar ik het in Frankrijk situeerde, wat deels klopt, begint het verhaal toch echt op Bornholm, een klein Deens eiland halverwege Zweden en Polen. Ik had geen idee en dat is het leuke aan zo’n boek.

Wat het boek ook sterk maakt zijn de vele citaten en verslagen van ooggetuigen die Davies opneemt in zijn boek. Zo is daar het zeldzame portret van Theodorik II (regerend van 453-466), leider der Visigoten, geschreven door zijn tijdgenoot, de Latijnse schrijver Sidonius Appolinaris (432-488);

Wel, hij is een man die het waard is te kennen…Hij is goed gebouwd, langer dan de gemiddelde man, maar geen reus. Zijn hoofd is rond, met krullend, wijkend haar…Zijn nerveuze hals is vrij van ontsierende knobbels. De wenkbrauwen zijn borstelig en gebogen; als hij zijn oogleden neerslaat, reiken de wimpers bijna tot halverwege de wangen. De oren gaan van boven schuil onder haarlokken, naar de mode van zijn ras. De neus is mooi gekromd; de lippen zijn dun en niet overmatig vergoot…Het haar dat uit zijn neusgaten komt wordt elke dag bijgeknipt…

Enzovoort. Hoe duidelijk wilt u het hebben? Ik zou nog even door kunnen gaan met mooie feiten. In het hoofdstuk over Aragon wordt de oorsprong van het Roelantslied duidelijk en wordt het verhaal van El Cid verteld. Lees je over Etrurië, dan weet je meer over Nabuleone Buonaparte, de generaal uit die Florentijnse familie. Het hoofdstuk Rosenau leert ons dat de Lady Diana Spencer toch echt de allereerste persoon van primair Britse komaf was in dat koningshuis daar, in het hele driehonderdjarig bestaan ervan. Ik vind het mooi feitenmateriaal.

Anekdotes zijn er ook, zoals het beroemde verhaal dat door de Galiciërs over het Galicische front van 1914 werd verteld;

Een Duitse officier rapporteert; ‘De situatie is ernstig, maar niet hopeloos.’ Een Oostenrijkse officier antwoordt: ‘Nee, ze is hopeloos, maar niet ernstig.’

Het enige punt van kritiek, en medeblogger Erik Scheffers waarschuwde mij er al voor, Davies heeft de neiging om nog al eens van de hak op de tak te springen, dus houdt u de aandacht erbij. Verder, laat de geschiedenis lekker over u heenkomen.

Lees hier ook de bespreking van Bettina

Vertaling; Bookmakers

4957a95bda79038593372555977437641414141

Ik heb de Reistaferelen van Heinrich Heine in een ver verleden al eens gelezen, maar had ze zelf niet in mijn bezit. Nu wel, dus dan herlees ik ze. Het was een ander boek dan ik mij herinnerde, maar evengoed erg de moeite waard.

Hoezo anders? Ik dacht dat het meer ging om reisbeschrijvingen, landschappen enzovoort. Dus niet. Het boek is keurig verdeeld in hoofdstukken met titels als “De Harzreis”, “De Noordzee”, “Reis van München naar Genua”, “De stad Lucca” enzovoort. Dat lijkt op een reisverslag zoals Goethe’s Italiaanse Reis, maar dat is het niet. Heine heeft Goethe ontmoet, bewonderde hem ook, maar brak juist met de traditionele reisbeschrijving van Goethe. Het gaat Heine om maatschappijkritiek. Niet eens kritiek op het land waar hij toevallig verblijft, hij kan rustig uitweiden over Duitsland als hij in Italië verblijft. Waar het Goethe meer ging om de klassieke oudheid op zijn reizen, zijn Heine’s reizen bestemd voor het hier-en-nu.

Dat hier-en-nu is al weer een tijd geleden en je kan je afvragen of dat nu nog wat toevoegt of überhaupt interessant is. Eigenlijk maakt het niet uit, het boek is van alle tijden en ik heb er van genoten. Heine neemt de Duitse burgerij op de hak, maar ook de universiteiten, het ambtenarenapparaat, de censuur en vooral het katholicisme;

Als ik zo’n processie zie waarbij onder een imposant militair escorte de geestelijken zo mistroostig en deerniswekkend voortschrijden, doet het me altijd weer pijn en heb ik het gevoel alsof ik onze Heiland zelf, omringd door lansdragers, naar het galgenveld zie afvoeren.

Er wordt gereisd door Heine en soms vertelt hij over de plaatsen waar hij is, maar feitelijk doen ze er niet toe. Er volgen essays over de betekenis van Napoleon (hij heeft hem gezien), over Goethe of Sir Walter Scott. Heine becommentarieert als het ware de tijd waarin hij leeft en dat valt lang niet altijd goed. Zo heeft hij te maken met censuur en ook daar rekent hij mee af op klassieke wijze. Hoofdstuk 12 van Het boek Le Grand bestaat uit vier woorden. De eerste drie zijn: ‘De Duitse censoren’. Daarna volgen de door Heine zelf aangebrachte censuurstreepjes, zes regels lang. De rest van het hoofdstuk bestaat uit dezelfde streepjes, en slechts één woord: ‘domkoppen’. Schitterend.

Veel beschouwingen dus over zijn tijd en soms erg to-the-point over wat hij meemaakt, zoals bij zijn Londense kapper die iets tegen de “Duke of Wellington” had, die Napoleon bij Waterloo had verslagen;

Mijn kapper in Londen was een radicaal, mister White geheten, een arme kleine man in een sjofel zwart pak waarop een witte weerschijn lag…Maar tegen de Duke of Wellington kookte zijn radicale toorn altijd het hevigst, hij spuwde gif en gal zodra hij over deze kwam te spreken, en wanneer hij mij onderwijl inzeepte, gebeurde dat met schuimende woede. Eén keer werd ik flink bang toen zijn mes rakelings langs mijn nek scheerde terwijl hij zo heftig tegen Wellington tekeer ging en daarbij voortduren mompelde: ‘Had ik hemzelf maar onder het mes, ik zou hem de moeite besparen om zichzelf de keel door te snijden…God damn him.”

Geen letterlijke beschrijving dus van zijn reizen, maar wel een boeiende reis door de beschouwingen van een schrijver die het werk van Goethe, en dan met name de Italiaanse Reis, een niveau verder brengt.

Vertaling: Wilfred Oranje

dc12366d2ac6da5597078446741444341587343

De bekentenis van Adrià van Jaume Cabré wordt in verschillende superlatieven al de “roman van de eeuw” genoemd. Lekker, dan heb ik die vast gehad. Toch, de cover trok mij al en het verhaal op de achterkant nog meer. Dan heb ik traditioneel een beetje moeite met boeken die bij het binnentreden van een Bruna al opgestapeld bij de voordeur liggen en een klein dilemma is geboren.

Een klein, want mijn rigide koopstop is alleen rigide als het mij uitkomt. Want waarom moest dit gekocht? Vanwege de antiekwinkel van de vader van Adrià. Vanwege de beroemde Storioni-viool die hij daar heeft en vanwege het feit dat vader wordt vermoord voor die viool. Dat gebeurt net als Adrià het kostbare ding even leent en wisselt voor zijn studieviool, om die Storioni aan zijn vriend te laten zien.

Veel later, als Adrià volwassen is begint hij naar de herkomst van de viool te zoeken. Dan begint de schrijver een vrolijke rondedans door Europa. We komen te weten hoe het hout is gegroeid van de Storioni, we zijn bij de moord op de laatste monnik door de Inquisitie, we zien de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en ontmoeten de partizanen van Oost-Europa. Dat alles ondersteunt de geschiedenis van de viool en het leven van de hoofdpersoon op geweldige wijze. Ik geef verder ook niets over de inhoud weg, dat zou jammer zijn.

Wat Cabré geweldig doet is de afwisseling van podia. Je kan in een verhaallijn zitten en een zin verder zit je een paar eeuwen verderop. Adrià en vriend Bernat hebben het over de Storioni:

‘Nou ben ìk jaloers!’ Die opmerking kwam recht uit mijn hart, hoewel die hele middag er eigenlijk om ging Bernat te imponeren.
‘Waarom?’
‘Omdat je een absoluut gehoor hebt.’
‘Wat betekent dat?’
‘Laat maar.’ En om weer naar de beginsituatie terug te keren: ‘Zeventienvierenzestig. Heb je me goed gehoord?’
‘Zeventienvierenzestig…’ Hij zei het met oprechte bewondering, en dat vond ik heel fijn. Hij streelde de viool weer, sensueel, zoals hij had gedaan toen hij zei: hij is af, Maria, liefste. En ze fluisterde: ik ben trots op je. Lorenzo streelde het hout, en hij kreeg de indruk dat het instrument samentrok…

We zitten al niet meer bij de vrienden maar ongemerkt ineens bij de bouwer zelf. Ik heb in besprekingen wel gelezen dat mensen dit lastig vonden of dat hier goed de aandacht bij gehouden moet worden. Mij deerde het geen moment, ik heb genoten. Ook de herhalingen werken goed. Iedere huishoudster wordt Kleine Lola genoemd en steevast volgt de verbetering. De schoonmoeder die gedeporteerd wordt is altijd een beetje ziekjes, hoe vaak ze ook wordt genoemd. Afijn, niet meer fragmenten, niet verder uitweiden. De roman van de eeuw is onzin, maar ik heb er van genoten, hoe hoog ze ook liggen bij de Bruna.

Vertaling: Pieter Lamberts en Joan Garrit