archiveren

Europa

db779f10a35e5fb59724d676b77444341587343_v5
Napoleon en De schaduw van de Revolutie. Met deze twee titels brengt Bart van Loo twee verhalen bijeen in een portret van de beroemdste persoon uit de Franse geschiedenis en de meest tot de verbeelding sprekende gebeurtenis; de Franse Revolutie. Omdat ik mij toch in Frankrijk bevond leek mij dit een prima gelegenheid voor een nadere kennismaking met Napoleon en zijn tijd.

Er zijn boekenkasten vol geschreven over Napoleon dus je moet van goede huize komen om er één aan toe te voegen. Van Loo gebruikt hiervoor de Franse Revolutie als uitgangspunt en wil uitzoeken hoe de wisselwerking tussen Napoleon en de Revolutie was om te begrijpen wie Bonaparte geworden is. Hoe slaagde hij erin de Franse bevolking te overtuigen dat hij de man was op wie ze zaten te wachten.

Als de Revolutie uitbreekt is Napoleon, de geboren Corsicaan, al in Parijs. Koning Lodewijk XIV en zijn vrouw Marie-Antoinette vluchten maar worden opgepakt en eindigen onder de guillotine. Napoleon is getuige van de bestorming van het Paleis bij de Tuilerieën en kijkt met afgrijzen naar het bloedvergieten. Toen nog wel;

Napoleon Buonaparte, die op 10 augustus 1792 onwel wordt bij het zien van enkele honderden doden, zal een model zijn voor dictators die hun jonge mannelijke bevolking gebruiken als kanonnenvoer. Zijn Grande Armée zal onophoudelijk blijven putten uit het gespuis, het rapaille, het door de jonge Buonaparte zo gehate gepeupel.

Een kleine doorkijk naar de toekomst maar zover is het nog niet. Napoleon maakt snel carrière in het leger. We zien kopstukken uit de oude adel als Talleyrand en Fouché naar voren komen en die zullen een rol blijven spelen, ook als vertrouwelingen van Napoleon. Robespierre is een ander verhaal. Die komt juist niet uit de oude adel maar zal toch veel macht krijgen en uiteindelijk zijn hand overspelen. Ook hij eindigt op het schavot.

Als Napoleon een overwinning behaalt op de Royalisten wordt hij opperbevelhebber van de binnenlandse strijdkrachten. Hij trouwt met Joséphine de Beauharnais en behaalt nieuwe overwinningen in Noord-Italië. Hij weet inmiddels dat hij onmisbaar is geworden voor de gevestigde macht in Parijs.

Uiteindelijk vertrekt hij met een leger naar Egypte en daar blijkt dat zijn scrupules al een stuk minder zijn geworden. Toen hij optrok naar Akko (nu in het noorden van Israël) liet hij 3000 mannen fusilleren die zich al aan hem hadden overgegeven. Toen hem berichten bereikten dat de tijd rijp was om zelf de macht in Parijs te grijpen zag hij er ook geen been in om zijn leger in Egypte aan haar lot over te laten en alleen terug naar Frankrijk te vertrekken.

Daar grijpt hij de macht en creëert een nieuw staatsbestel. Voor het gemak worden er zestig van de drieënzeventig kranten verboden; stabiliteit is even belangrijker dan democratie. Ook gaat hij weer op veldtocht, ditmaal over de Alpen. Niet op een heroïsch wit strijdros zoals u wellicht kent van het schilderij van Jacques-Louis David, maar koukleumend op een ezel, zoals te zien op het schilderij van Paul Delaroche. Het doel van die tocht was om in Italië de Franse troepen te versterken en gebied te heroveren. Hij zou bij Marengo een beslissende overwinning behalen.

Als hij zichzelf uiteindelijk tot keizer kroont begint zijn queeste naar Europese almacht. Bij Austerlitz (in het tegenwoordige Tsjechië) verslaat hij de Oostenrijkse en Russische legers. Voor de bulletins krikte hij de slachtofferaantallen aardig op, in zijn brieven aan Joséphine gebruikte hij gewonemensentaal;

‘Gisteren heb ik de Russen en Oostenrijkers verslagen. Ik ben redelijk moe. Ik heb een week lang buiten geslapen, en de nachten waren redelijk koud.’

Napoleon blijkt een man van vele gezichten maar bovenal valt op dat zijn ambitie boven alles gaat. Hij boezemt zijn manschappen vertrouwen in maar is nooit oprecht bezorgd. Ze moeten zo goed mogelijk het gevecht in geleid worden. Aanvallen is altijd belangrijker dan verzorgen, winnen belangrijker dan zijn mannen sparen.

Uiteindelijk zal hij zelfs de Russische tsaar de oorlog verklaren. Die veldtocht loopt uit op een totale mislukking en de ooggetuigenverklaringen zijn schrijnend. Soldaat Henri Ductor schrijft;

‘Hoe vaak heb ik me niet op mijn buik op de grond geworpen om uit de sporen van paardenhoeven water van een gelige kleur te drinken.’

Zijn leger verdwijnt in het niets en niet eens zozeer door verloren veldslagen, wel door alle ontberingen. Ook hier laat Napoleon iedereen in de steek want hij dreigt zijn macht te verliezen in Frankrijk. Dat gebeurt ook en hij moet abdiceren. Hij vertrekt in ballingschap naar het eiland Elba.

Dat verblijf duurt echter maar tien maanden en dan vertoont hij zich weer met een snelgroeiend leger van aanhangers in de hoofdstad. In Parijs heerste namelijk grote onvrede over het Verdrag van Parijs waarmee de oorlog tegen Frankrijk beëindigd was. Napoleon wist dat en kwam om orde op zaken te stellen.

Koning Lodwijk XVIII, die inmiddels aan de macht was, vluchtte naar Gent. De hertog van Wellington formeert zijn troepen en zal Napoleon treffen bij het plaatsje Waterloo in de Zuidelijke Nederlanden. Napoleon wordt er verslagen en dat betekent zijn einde. Hij wordt definitief verbannen naar een eilandje in het zuiden van de Atlantische Oceaan, Sint-Helena. Daar zal hij ook overlijden.

Bart van Loo heeft een prachtig boek geschreven dat constant de aandacht weet vast te houden. De handige chronologie achter in het boek zet je altijd op het goede spoor als je de weg kwijt bent, maar het is zelden nodig. De houding van de Fransen ten opzichte van Napoleon is interessant; in de verkiezingen voor de grootste Fransman aller tijden staat hij steevast samen met De Gaulle bovenaan, hoeveel doden hij ook op zijn geweten heeft. De Slag bij Austerlitz wordt dan weer niet gevierd, maar een veroordeling van zijn oorlogsmisdaden is er ook nooit gekomen. Waarschijnlijk heeft Napoleon zelf dit al voorvoeld, getuige zijn uitspraak;

‘Elke dag verdampt de herinnering aan mijn tirannie een beetje meer.’

ba4f47a2093488259714c457841444341587343_v5
Blijkbaar vergeten we nog wel eens wat zo in en om Europa. Hele koninkrijken volgens Norman Davies maar nu leer ik van Philip Matyszak dat er ook nog Vergeten Volkeren zijn. In dit boek van 275 pagina’s probeert hij deze weer op de kaart te zetten.

Daarvoor wordt het boek in vier periodes verdeeld. De eerste beschavingen van 2700 – 1200 v.Chr., de tijd van Assyrië tot Alexander van 1200 – 323 v.Chr., de opkomst van Rome van 753 v.Chr. – 235 n.Chr. en de val van het West-Romeinse Rijk van 235 – 550 n.Chr. Als je de vele illustraties dan ook meetelt lijkt dit wellicht niet veel leeswerk, maar ik heb talloze aantekeningen zitten maken; het boek zit barstensvol met feiten en weetjes. Er komen dan ook maar liefs 40 volkeren voorbij. Een kleine greep; de Akkadiëres, de Kanaänieten, de Hyksos, de Filistijnen, de Frygiërs, de Meden, de Bactriërs, de Sabijnen, de Samaritanen, de Galaten, De Catuvellauni, de Bataven, de Vandalen, de Visigoten en de Juten.

Met zo’n opsomming heb je mij, dan wil ik meer weten. Ieder hoofdstuk begint met een kaartje om het gebied te schetsen waarin het beschreven volk woonde of zich bewoog én met een citaat uit een geschrift (zoals de Bijbel of uit een klassieke tekst) waarin een volk wordt genoemd. Zo schreef de Griekse historicus Strabo in zijn beroemde Geographika over de Bactriërs;

Hoewel ze beschaafder zijn dan nomaden, was een van de vreselijkste eigenschappen [van de Bactriërs] (…) dat ze de mensen die door ouderdom of ziekte tot niets meer in staat waren, als levende prooien tussen de honden gooiden. De honden werden speciaal voor dat doel gefokt. Lokale inwoners noemden die dieren ‘begrafenisondernemers’.

Vervolgens wordt er informatie over het volk verstrekt en het hoofdstuk eindigt steevast met het deel Echo’s van de toekomst. Hierin wordt de verbinding met het heden gezocht en wordt aangegeven wat er nog rest van dat volk in onze huidige tijd.

Het gebied waarin al deze volkeren woonden strekt zich uit van Europa tot aan het Midden-Oosten en iets verder nog, soms tot in India en Afghanistan en tot in Noord-Afrika. Sommige volkeren waren redelijk honkvast, anderen trokken als ‘een sloopkogel’ door Europa en kregen daardoor soms een slechte naam.

De Vandalen zijn daar een mooi voorbeeld van. Die hebben hun reputatie niet mee en hebben ook aardig huis gehouden in Europa. Dat was niet zo bijzonder, dat deden meer volkeren, maar de Vandalen waren in feite wanhopig op de vlucht voor de Hunnen. Een behoorlijke vlucht, want er zijn aanwijzingen dat ze uit het zuiden van Zweden dwars door Europa uiteindelijk in Noord-Afrika belandden.

De Egyptenaren zijn natuurlijk beroemd, maar wist u dat ze ook onder de voet zijn gelopen door de Hyksos? Ik bedoel maar. Die Hyksos brachten bovendien vernieuwingen met zich mee op het gebied van de verbouwing van gewassen, irrigatie en weeftechnieken die nog lang in gebruik bleven daar. Of de Hyksos niet genoeg waren; Egypte had in het zuiden ook nog af te rekenen met de Koesjieten. Welke rol zij speelden in de Europese beschaving en dat het Hindoekoesj-gebergte in Centraal-Azië wellicht door hen aan zijn naam is gekomen, dat zijn details waar ik warm voor loop.

Zo leven de Averni voort in de naam van de Auvergne in Frankrijk. Zorgen de Alemannen voor de Franse naam van Duitsland ‘Allemagne’ maar ook voor de Italiaanse achternaam Alemanni (een nakomeling is de Amerikaanse actrice Alexa Alemanni) en worden de naamgevers van Sicilië en Italië onthuld.

U weet vast weinig over de Nabateeërs, maar van de woestijnstad Petra heeft u misschien wel eens gehoord. Het was één van hun nederzettingen. De Meden zijn de oorsprong van het woord ‘magiër’ door hun priesterkaste de Magi. De Meden waren bovendien Arisch van afkomst en daar is dan ‘Iran’ weer van afgeleid (hoewel er over getwist wordt wat ‘Arisch’ zelf nu weer betekent).

U kent wellicht de brief van Paulus aan de Galaten, de Sabijnse Maagdenroof (nog steeds de reden dat een bruid traditioneel links van de bruidegom staat zodat hij zijn zwaardarm vrij heeft in geval van roof van zijn eigen maagd), het begrip Pyrrusoverwinning, koning Croesus en koning Midas. Het wordt u allemaal uitgelegd.

Het is daarmee geenszins droge kost en ook in de tekst gebruikt Matyszak wat onderkoelde humor zoals in zijn stuk over de Elamieten;

En Jeremia, zonnig als altijd, zegt dat ze vanwege hun goddeloze gewoonten gedwongen zullen worden de beker van goddelijke toorn leeg te drinken.

Het meest fascinerend vind ik dat er nog veel is terug te vinden. In ruïnes en in musea, maar ook in de maatschappij van nu. Er bestaat nog steeds een Chaldeeuws-Katholieke kerk en omdat de Samaritanen zulke onwaarschijnlijke overlevers zijn bestaan die ook nog, zij het met zo’n 700 mannen en vrouwen.

De epiloog besluit tenslotte met een korte overpeinzing:

Deze geschiedenis van uit het oog verloren en vergeten volkeren kan dus dienen als geheugensteuntje dat onze tijd en cultuur geen al te lang leven beschoren zullen zijn. Zelfs als we niet zullen verdwijnen…dan nog zullen onze nazaten over een paar generaties op ons terugkijken als verre vreemdelingen…Dat gevoel dat we belangrijk en eeuwig zijn, werd namelijk ook ooit gevoeld door de Akkadiërs.

Vertaling; Alexander van Kesteren

9000359899.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De Habsburgers van Martyn Rady beschrijft volgens de ondertitel de opkomst en ondergang van een wereldmacht. Ik ben die Habsburgers natuurlijk in verschillende geschiedenisboeken tegengekomen maar het is mooi om alles in dit boek nog eens op een rijtje te zien.

Dat is een flink rijtje, want het begint allemaal in de 10e eeuw met ene graaf Kanzelin en eindigt pas met de Eerste Wereldoorlog in 1918. Daartussen dus 10 eeuwen Habsburg met heel veel Rudolf, Maximiliaan, Filips, Albrecht, Karel en Ferdinand. Geen nood, voorin staan heel duidelijke stambomen en in het boek wordt keurig vermeld over welke Habsburger het gaat dus het is prima te volgen.

Allereerst de naam Habsburg. Die is te herleiden naar een kasteel in Zwitserland, de Habichtsburg. Legendarisch is het verhaal dat Radbod, zoon van graaf Kanzelin een havik liet vliegen die neerstreek op de muren van een burcht die vervolgens de naam Habichtsburg kreeg. Meer praktisch betekende het gewoon ‘rivierovergang’ naar het oudduitse woord ‘Hab’, dus ‘Burg an der Hab’ ofwel ‘Habsburg’.

Hoe werd die familie nu zo groot? Dat was deels te wijten aan wat geluk. Men kon een hoop bezittingen ‘opvegen’ na de dood van vele heersers in de omtrek. Een rivaliserende familie, de Hohenstaufers, ging ten onder en er werd een hoop land geërfd.

Zoals dat gaat wordt dat bezit groter en kleiner en halverwege de veertiende eeuw lag het huis Habsburg zogezegd op zijn gat. Toch was daar Maximiliaan, die door slimme huwelijksdiplomatie de basis legde voor een heus Habsburgs wereldrijk. Het was het begin van de heerschappij in Spanje, waar ook de bezittingen in Midden-Europa nog veilig gesteld waren. Het boek bevat overigens een aantal landkaarten die dit verduidelijken.

Dit zijn natuurlijk grote lijnen en die wil ik weten, maar ik ben gek op de details. Die komen ook ruimschoots aan bod. Ik wist bijvoorbeeld niet dat het embleem op de Spaanse vlag, met de Zuilen van Hercules, rechtstreeks van het huis Habsburg kwam. Spanje speelde een grote rol op het wereldtoneel en dus werd de kleinzoon van Maximiliaan, Karel V, een wereldheerser over overzeese gebieden. Nu werd de verantwoordelijkheid Karel blijkbaar af en toe wat te veel volgens Rady;

Karel was inmiddels aan het einde van zijn lichamelijke en geestelijke krachten. Afwisselend starend in het niets en huilend bracht hij zijn laatste jaren als keizer door met het uit elkaar halen van klokken, waarna zijn bedienden ze in elkaar moesten zetten en ze tegelijk moesten laten tikken.  

Zijn opvolger was Filips II, die Nederland natuurlijk nog tegen zou komen. Wat mooi is aan dit boek is dat niet alleen al die heersers in chronologische volgorde worden beschreven, maar dat er talloze uitstapjes worden gemaakt naar andere gebeurtenissen en onderwerpen die toen speelden. Dat kan zijn de Slag bij Lepanto, waar christenen en moslims een zeeslag leverden en waarbij de halfbroer van Filips II betrokken was, maar dat kan ook zijn de alchemie en occulte wetenschappen die Rudolf II in Praag in haar greep kreeg. U moet echt dit boek lezen om te weten hoe Tirol bijna een koloniale macht werd, waarom in Peru de cavia het lam Gods verving, waarom het geel in de Braziliaanse vlag van Habsburg komt of waarom de Dertigjarige Oorlog waarin Habsburg verzeild raakte nog doorwerkt in de huidige demografie in Taiwan.

Verderop in de lijn komen we beroemde telgen tegen als keizer Maximiliaan van Mexico en keizerin Sisi. Natuurlijk had ik van hen gehoord maar zo’n boek plaatst ze mooi in de context van het grotere geheel. Ik heb die Sisi-films nooit gezien maar betwijfel of ze hier over gingen;

Elisabeth of ‘Sisi’ was, in de woorden van Frans Jozefs persoonlijke lakei, ‘een wereld verwijderd van een ideale vrouw’. Eigenzinnig en zelfzuchtig wentelde ze zich in haar eigen schoonheid. Na haar plicht te hebben gedaan door voor een mannelijke erfgenaam te zorgen, was ze veel van huis en reisde ze heen en weer tussen gezondheidsspa’s, Korfoe en Engeland. Daar tussendoor bezocht ze Monte Carlo, waar ze gokte, en maakte ze lange cruises over de Middellandse Zee en om dat te laten zien liet ze een tatoeage op haar schouder zetten.

Bijzonder interessant, maar uiteindelijk kwam ze triest aan haar einde, ze werd vermoord. Haar man kreeg het aardig voor zijn kiezen want zijn zoon Rudolf pleegde zelfmoord met zijn maitresse Maria Vetsera (zie ook mijn bespreking van Donau). Wat ik dan wel weer leuk vind is dat zijn weduwe, Stefanie van België, uitvinder én patenthouder is van de keukentrolley. Je leert genoeg uit zo’n boek.

Uiteindelijk komen we uit bij Franz Ferdinand. De moord op hem was de opmaat naar de Eerste Wereldoorlog en het eind van het huis Habsburg. Uitermate fascinerend om te lezen en glashelder opgeschreven, zij het met wat schoonheidsfoutjes hier en daar, waarbij het ‘Ministerie van Binnenlandse Zalen’ dan wel weer de leukste is.

Vertaling; Rob de Ridder

9403196203.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De Donau is de op één na langste rivier van Europa die ontstaat in het Zwarte Woud in Duitsland en die via de Donaudelta uitmondt in de Zwarte Zee. De Italiaanse schrijver, vertaler en filosoof Claudio Magris heeft, volgens de beschrijving, een moderne odyssee langs het kloppend hart van Centraal-Europa geschreven. Hij volgt de loop van de rivier, van Duitsland via Oostenrijk en Hongarije, de Balkan, Roemenië en Bulgarije en zoekt uiteindelijk naar de definitieve monding in de Zwarte Zee.

Het is geen reisbeschrijving alleen, het is een ontmoeting met plaatsen, mensen, gebeurtenissen en verhalen die hij tegenkomt. Soms dingen die Magris meemaakt onderweg, soms puttend uit zijn kennis. Hij begint echter met een staaltje aardrijkskunde, want waar ontspringt de Donau nu precies? Daar begint het gedonder al, want dat is nog niet zo makkelijk. Twee plaatsen maken er aanspraak op en er is zelfs een verhaal dat de rivier doodgewoon bij een kraan begint die men niet dicht krijgt.

Vervolgens gaat Magris op pad en komt bij Ulm in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg. Hier wordt de Donau bevaarbaar, maar Magris staat vooral stil bij de overgave aan Napoleon van de Oostenrijkse generaal Mack. ‘De ongelukkige Mack’, over wie Tolstoj schrijft in Oorlog en vrede. Als dan ook de Oostenrijkse schrijver Grillparzer wordt opgevoerd met zijn opmerkingen over Napoleon (hij was fel aanhanger) heeft u een indruk van hoe Magris te werk gaat in dit boek. Personen worden niet aangekondigd, u weet maar wie Grillparzer is of u zoekt hem op.

Toch houd ik daar van. Het doet mij inderdaad veel opzoeken en ik raak dan wel bij zo’n boek betrokken. Als ik lees dat in Passau drie rivieren samenkomen, waaronder de Donau uiteraard, zoek ik Passau op en wil weten hoe die stad er bij ligt. Magris legt uit waarom de rivier daar verder gaat als Donau, terwijl de rivier de Inn daar breder, dieper en rijker aan water is dan de Donau en bovendien een langer traject achter de rug heeft.

Ik leer aardig wat bij van zo’n boek. In Linz aangekomen lees ik dat volgens de overlevering daar het geboortehuis van ‘Marianne Willemer geboren Jung, ofwel Goethes Suleika’ zich daar bevindt. Lezers van mijn blog weten dat ik een warme belangstelling voor Goethe heb en Suleika is mij bekend, maar waar ik nooit bij stil heb gestaan (over overheen heb gelezen, kan ook), is dat deze Marianne een paar gedichten heeft geschreven die Goethe heeft opgenomen in zijn dichtbundel Westöstlicher Divan.

Wenen komt uitgebreid aan bod natuurlijk. Omdat een componist ooit iets heeft geschreven over een mooie, blauwe Donau (die allesbehalve blauw is), maar ook vanwege de veel leukere verhalen over het beeld van de dichter Altenberg die al jaren aan een tafeltje in het Café Central zit, de tragische dood van barones Maria Vetsera en haar aartshertog Rudolf van Habsburg en de herinneringen aan het beleg van de Turken voor Wenen. Soms gaat alle eruditie even overboord en gaat Magris mee met de heer Baumgartner, om op de Centrale Begraafplaats van Wenen te jagen op konijnen en ander klein wild die alle boeketten maar wat graag tot zich nemen.

Eén van de mooiste portretten in het boek is niet van een dichter of veldheer, maar van oma Anka, een tachtigjarige vrouw uit Bela Crkva in Servië. Ze overleefde vier echtgenoten (van twee heeft ze veel gehouden, de twee anderen heeft ze geduldig verdragen) en zorgt op haar oude dag voor een zieke vriendin;

Wanneer oma Anka in Bela Crkva is, brengt ze de nachten wakend bij haar door, kennelijk zonder moe te worden, ze praat urenlang met haar, streelt haar, veegt het speeksel van haar kin…het komt niet bij haar op dat ze, zoals dat heet, goed werk verricht, dat is een begrip dat voor haar niet bestaat, ze doet het en daarmee uit.

Zo slingeren de gedachten en beschrijvingen van Magris prachtig met de Donau mee. Van de geschiedenis van Timişoara meandert hij naar een prachtig stuk over de poëzie van de in Roemenië geboren Paul Celan. Hij vertelt over de lastige positie van de Turken in Bulgarije (deze zijn er niet, het zijn tot de Islam bekeerde Bulgaren) maar geeft de andere kant weer van vijfhonderd jaar van Ottomaanse onderdrukking. Vergeten volkeren (althans, door mij) als de Bogomielen worden onder het stof vandaan gehaald om vervolgens weer een verhaal te beginnen met Manuscripten in de Donau;

In Vidin viel Petko Slavejkov, de eerste echt moderne Bulgaarse dichter, in het water van het riviertje de Cibar, en daarbij raakte hij een paar manuscripten kwijt; andere dichterlijke papieren werden hem op noodlottige wijze door de Donau ontrukt, de rivier waaraan je…elk boek over de rivier zou behoren te offeren, van Neweklowsky’s Opus Danubiale tot al die werken van zijn navolgers.

Dan zoek ik Vidin, Slavejkov en Neweklowsky op want ik ken ze niet. Zo laat Magris regelmatig een naam vallen waarvan je maar moet weten wat hij bedoelt, zoals wanneer hij zegt dat het portret van Midhat Pasja (wordt ook niet toegelicht maar is een Ottomaans grootvizier) een bril droeg als Cavour. Cavour? Het blijkt Camillo Benso di Cavour, een Italiaans staatsman (Magris is Italiaans) met kenmerkende ziekenfondsbril.

Ik had opgeschreven dat een kaartje van de Donau met de loop en de beschreven plaatsen niet had misstaan in dit boek. Daar kom ik van terug. Het was prima om interactief bezig te zijn met dit boek. Plaatsen, personen en de loop van de rivier zelf, ik heb het uitgebreid meebeleefd.

Vertaling; Anton Haakman

 

9025364039.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik weet niet of de titel De gang naar Canossa van Tom Holland nu zo’n wervende titel is voor een geschiedenisboek, of je moet het meteen kunnen plaatsen. De waanzinnige veertiende eeuw van Tuchman lokt misschien meer, maar dit boek is net zozeer de moeite waard.

De gang naar Canossa verwijst naar de boetetocht van keizer Hendrik IV, toen hij zich te voet door de Alpen naar de burcht Canossa sleepte, om vergeving te vragen aan Paus Gregorius VII voor zijn excommunicatie. Uiteraard was dat cruciaal voor zijn zieleheil en wilde hij graag van die ban af.

Dit gegeven grijpt Tom Holland aan voor een duizelingwekkende reis door Europa rondom de eeuwwisseling en daarvoor. In die zin is het interessant de oorspronkelijke titel van het boek erbij te halen, namelijk Millenium. Het boek gaat over de ‘investituurstrijd’, de strijd tussen de Katholieke Kerk en koningen om bisschoppen te benoemen. Koningen legden met hun legers de macht op aan bisdommen en Gregorius VII wilde de Kerk aan die macht onttrekken;

In zijn persoonlijke leven durfde Gregorius nog verder te gaan als hij zijn gedachten wilde ordenen over het lot waartoe God hem bestemd had. Aan een niet-gepubliceerd memorandum vertrouwde hij een reeks opzienbarende gedachten toe: ‘Dat alleen de paus van Rome het recht heeft op de benaming “universeel”; ‘dat alle vorsten alleen de voeten van de paus kussen’; dat hij de bevoegdheid heeft keizers af te zetten’. Beweringen die zo boud waren dat zelfs de schrijver ze niet hardop had durven uitspreken.

Dit alles kon niet los worden gezien van de Openbaring van Johannes, die had voorspeld dat over 1000 jaar na de geboorte van Jezus het einde der tijden zou aanbreken, voorafgegaan door de komst van de Antichrist. Dit beeld speelt constant door het panorama dat Holland neerlegt in de aanloop naar die gang naar Canossa in 1077. Frankrijk was een lappendeken van vorstendommetjes waar de kastelen als paddestoelen uit de grond rezen. Er staat een prachtig verhaal in over de voor mij volslagen onbekende graaf van Anjou, Fulk ‘Nerra’. Het gaat over de Noormannen die Europa teisteren en zich via Rusland een weg banen naar de Zwarte Zee, maar ook over de opkomst en dreiging van de Saracenen, die het dan nog christelijke Constantinopel belagen. Het gaat over de machtsstrijd in Engeland en over Spanje aan het begin van de herovering van dat gebied op de moslims. Interessant hier is de vergelijking van de Islam met het Christendom. De Islam kent immers geen scheiding tussen religie en staat en heeft volgens Holland ‘geen Canossa gekend’, wat voor mij het belang van de Nederlandse titel weergeeft.

Het is verrassend om te lezen hoeveel voortekenen er gezien werden in die tijd van de naderende apocalyps. Sommigen prima verklaarbaar in de ook nu nog bekende kometen, sommige verschijnselen traceerbaar door vergelijkbare waarnemingen, maar Holland noemt er ook die helemaal niet verklaard worden;

Binnen vijf maanden na het concilie van Clermont, terwijl de paus in hartje Frankrijk Pasen vierde, verscheen er inderdaad een mysterieus kruis aan de hemel. Net als vele eeuwen daarvoor tijdens het legendarische bewind van de eerste christelijke Romeinse keizer, vatten degenen die het zagen het op als een teken van zekere overwinning.

Geen noot ter verklaring of onderbouwing hier. Holland heeft verder wel een losse hand van schrijven die mij bevalt. Een millenium beschrijven binnen 400 pagina’s is geen kleine opgave en de hoofdstukken wijzen op grote stappen, maar hij schroomt niet om allerlei details te noemen, soms met de nodige humor en daar houd ik van;

…de Wenden, een volk dat nog steeds schaamteloos zijn afgoden vereerde, mensenoffers bracht, en beleidskwesties oploste door vragen te stellen aan een paard.

Het boek sluit voor mij mooi aan op het eerder genoemde boek van Tuchman. Ze geven samen een mooi beeld van het Europa in de Middeleeuwen en daarvoor en juist dit boek gaat over een periode die bij mij nogal onderbelicht was.

Vertaling; Christien Jonkheer

902956170X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Stefan Zweig (1881–1942) was een Oostenrijkse schrijver van Joodse komaf. In zijn autobiografie De wereld van gisteren vermengt hij zijn eigen geschiedenis met het tijdsbeeld van rond de eeuwwisseling tot vlak voor zijn zelfgekozen dood in 1942.

Zweig werd geboren in Wenen. Dat was een stad waar het goed toeven was aan het eind van de 19e eeuw en Zweig zingt de lof over zijn stad;

Gastvrij en met een bijzonder assimilatievermogen trok deze stad de meest ongelijksoortige krachten aan en ontspande ze, maakte ze los en bracht ze tot rust; het was een mild klimaat om in te leven, deze atmosfeer van geestelijke tolerantie, en onbewust werd elke burger van deze stad tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap opgevoed.

Iedere burger een wereldburger; dat is het gevoel wat Zweig zal vasthouden. Voorlopig vindt hij zijn weg in de stad, waar kunstenaars rondlopen als Brahms en Mahler en waar de joodse burgerij een voorname rol in speelde;

…negen tiende van wat de wereld als Weense cultuur van de negentiende eeuw bejubelde, was een door de joodse Weners gestimuleerde, gevoede of zelfs zelf gecreëerde cultuur.

Tock waren veranderingen onontkoombaar. Goede veranderingen, een verschuiving in de kunsten bijvoorbeeld. Jonge kunstenaars stonden op en Zweig en zijn vrienden zogen alles in zich op. Ze maakten kennis met Hugo von Hofmannsthal, een komeet van een schrijver en dichter én met Rainer Maria Rilke, een dichter die veel geleidelijker tot wasdom zou komen.

Minder goede veranderingen waren er ook. De eerste scheuren dienden zich aan in de maatschappij in de vorm van grof geweld in de politiek, terwijl Zweig en de zijnen daar nog weinig oog voor hadden. Zij schreven en bediscussieerden hun gedichten, maar

In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen.

Zweig studeert ondertussen onder meer filosofie in Wenen en Berlijn. Hij komt in aanraking met verschillende kunstvormen en ontmoet de door hem bewonderde dichter Emile Verhaeren in België. Hij zal zijn werk ook vertalen. In Parijs ontmoet hij de dichter Rilke en de beeldhouwer Rodin. Er volgt een mooi portret van deze Fransman als hij Zweig meeneemt naar zijn atelier, nog wat begint te schaven aan één van zijn beelden en vervolgens zo volledig in zijn werk opgaat dat hij Zweig vergeet.

Zweig reist ook naar Engeland waar een evenzeer mooi portret wordt gegeven van een vrouw bij wiens doop Goethe nog aanwezig is geweest. Hij reist zelfs naar India om zijn blik te verbreden, om van buitenaf eens Europa te beschouwen.

In dat Europa waait een nieuwe wind. Het was de tijd van uitvindingen en ontdekkingen, maar met die wind kwamen er ook donkere wolken mee. Er was trots en zelfvertrouwen, maar dat bracht ook expansiedrift met zich mee. Industrieën draaiden op volle toeren en dat gistende vat kwam ergens tot ontploffing. Zweig vertelt;

Als je je nu in alle rust afvraagt waarom Europa zich in 1914 in een oorlog stortte, vind je geen enkele zinnige reden en zelfs geen aanleiding. Het ging niet om ideeën, het ging niet werkelijk om de kleine grensgebieden; ik kan geen andere verklaring vinden dat dit overschot aan energie…

Toch komt die oorlog er en de beschrijving van de rekruten die zich opmaken om naar het front te gaan vind ik treffend. Of je er zelf bij bent. Gedurende de oorlog toont Zweig zich als de Europeaan die hij zich voelt. Hij probeert de contacten te onderhouden met zijn vrienden die nu tot ‘de vijand’ behoren en die vriendschap krijgt hij terug, bijvoorbeeld van de Franse dichter Romain Rolland.

Als de oorlog afgelopen is, heeft iedereen, logischerwijs, hoop op een goede toekomst. De kunsten gingen verder op de schop. Melodie in de muziek hoefde niet meer, er golden nu andere principes. Klassieke schilders gingen het depot in, kubisme deed zijn intrede, schrijvers en dichters vonden alles opnieuw uit, weg met de lidwoorden bijvoorbeeld. Ook Zweig was kritisch ten opzichte van zijn vroege werk en bedacht;

De tijd was voorbij waarin ik mijzelf had kunnen wijsmaken dat alles waar ik aan begon maar voorlopig was. Ik had het midden van mijn leven bereikt, de leeftijd van louter beloften was voorbij. Nu was het zaak het beloofde waar te maken, mijzelf te bewijzen of het definitief op te geven.

Opgeven hoeft niet, Zweig is zeer succesvol. Zijn werken worden in allerlei talen vertaald. Hij bezoekt vrienden door heel Europa en merkt dat het Europese gevoel nog springlevend is, ook bij de vroegere ‘vijand’. De propagandamachine was blijkbaar toch minder binnengekomen als gevreesd.

Toch, en dat beschrijft Zweig heel goed, komen er weer verschuivingen. Er zijn steeds kleine opstootjes en brandjes waar niemand veel aandacht aan schenkt. Ze komen op en verdwijnen weer. Er staat wel iemand met een grote mond te brallen in de Beierse bierhuizen, maar dat is plaatselijke amok. Tot deze figuur rijkskanselier wordt. Er verschijnen ineens goed getrainde ordetroepen op straat en de sfeer wordt grimmiger.

Zweig onderkent de gevaren en zal zijn woonplaats Salzburg verlaten. Hij laat alles achter, inclusief zijn immense verzameling handschriften, en vertrekt naar Engeland. Vanuit Londen ziet hij hoe Europa langzaam een nieuwe oorlog inglijdt en hij lijdt mee. Toen zijn moeder op sterven lag ging hij nog een laatste keer naar Wenen, voor een laatste afscheid van alles en iedereen;

Ik heb die laatste twee dagen in Wenen elke vertrouwde straat afzonderlijk, elke kerk, elke tuin, elk oud hoekje van de stad waar ik geboren ben, bekeken met een vertwijfeld, onuitgesproken ‘nooit meer’.

Zweig laat Europa achter zich en zou uiteindelijk met zijn vrouw in Brazilië zelfmoord plegen, gedesillusioneerd over de vernietiging van ‘zijn’ Europa.

Het is een boek van ruim 400 pagina’s en het geldt als een autobiografie, maar het is natuurlijk veel meer dan dat. Het laat Europa zien aan het eind van de negentiende eeuw en hoe dat continent twee oorlogen over zich heen kreeg. De hoop die ontstond in het interbellum, de ontzetting over hoe het toch weer fout ging. De onderkenning daarvan door hemzelf, de ontkenning van zoveel anderen, die daarvoor ook een hoge prijs zouden betalen. Prima lessen voor de toekomst, maar een levensgrote spiegel tegelijkertijd, want zoals het toen was is het nu; we zijn er zelf bij.

Vertaling; Willem van Toorn

9400405154.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het boek Over oude wegen van schrijver en radiomaker Mathijs Deen belooft volgens het verhaal op de achterkant een avontuurlijke tocht door Europa en een fascinerende reis door de tijd. Geschiedenis is altijd prima, maar ik moest toch even nadenken over de aanleiding tot dit boek. Het wordt namelijk opgehangen aan de vraag waarom Europeanen zo’n ambivalente houding hebben ten opzichte van de doorgaande routes op hun continent. Daar wil het boek namelijk een antwoord op geven.

Welnu, ik heb nog nooit nagedacht of ik daar een ambivalente houding over heb. Ik denk überhaupt weinig na over doorgaande routes op het continent en of mijn mede-Europeanen daar wel ambivalent tegenover staan, ik hoor het graag van u. Ik heb dan ook niet meteen een antwoord op de vraag kunnen vinden, of het ontgaat mij, dat kan heel goed.

Wat ik wel heb gevonden in dit boek, zijn 11 hoofdstukken in ruim 400 pagina’s met prachtige verhalen, want hiermee is de kritiek zo’n beetje gedaan hoor. Natuurlijk, men kent de verhalen over het afleggen van de Route 66 in de Verenigde Staten en je hoort hier niemand zeggen dat ze nu eens even de A1 af gaan rijden, wellicht wordt dat bedoeld met die ambivalentie en zo trapt de auteur dan ook af. Na een korte verkenning vanuit zijn geheugen over ritjes met zijn vader en over het wegennetwerk van Europa, duikt hij direct ver in de geschiedenis. Dat doet hij ook met een bepaalde onderkoelde humor en dat leest prettig:

Wie ten noorden van de Alpen in Europa wilde wonen…moest zich lekker warm kunnen inpakken, liefst een vuur kunnen maken, met een groep soortgenoten kunnen samenwerken en op zijn minst een seizoen vooruit kunnen denken. En de homo erectus die een kleine twee miljoen jaar geleden in het Midden-Oosten en de Kaukasus rondliep kon dat niet. Die was daar met zijn 600cc hersenen te dom voor. Te dom voor Europa. Daar zijn tabelletjes voor.

Deen gaat verder in op de routes die onze voorouders aflegden om in Europa te geraken en begint dus met de oudste voetstappen die bekend zijn. Dan volgen er een paar prachtige verhalen over een gevonden ketel in Denemarken, de rijk versierde ketel van Gundestrup. Daar kunnen de Denen wel trots op zijn, maar hij kwam niet uit Denemarken en Deen doet uit de doeken welke route door Europa die ketel vermoedelijk heeft afgelegd. Dat geldt ook voor het in het veen in Denemarken gevonden meisje van Egtved. Ook zij blijkt enorme afstanden door Europa te hebben afgelegd en hier doet het boek zijn naam ook eer aan.

Het verhaal over de beroemde Romeinse weg, de Via Appia, is ook prachtig. Dat gaat over de struikrover Bulla. Aanvankelijk ongrijpbaar, uiteindelijk voor de leeuwen geworpen. Soms wijkt de auteur wat af van het thema van de Europese wegen, zoals bij de IJslandse pelgrimsvrouw Gudrid. Daar volgt eerst een lange voorgeschiedenis op IJsland, Groenland en in Amerika, voordat ze daadwerkelijk door Europa naar Rome op pelgrimstocht gaat. Desalniettemin prachtig om te lezen. Dat geldt ook een tikje voor het verhaal over het Amsterdamse toneel van de Gouden Eeuw, wat weliswaar een route volgt van Portugal naar Zweden, maar waar het in mijn beleving geen moment over de reis of de wegen zelf ging.

Dat was anders bij het verhaal van Coenraad, die dienst moest nemen in het Franse leger en op weg ging naar Rusland. Ze moesten dwars door Europa marcheren en Deen verhaalt wat dat met de rekruten doet;

Voortgejaagde boerenjongens zoals Coenraad raakten naarmate ze hongeriger werden, het gevoel van verwantschap met de boeren langs de route kwijt. En dat was een gevaarlijke ontwikkeling voor de gemeenschappen waar het regiment doorheen trok, want met het gevoel van verwantschap verdween ook de bescherming van hun medeleven.

Juist met het doorkruisen van Europa gingen mijn gedachten naar al die autorally’s die er worden georganiseerd zoals de Budapest Rally, de Carbage Run en de Runball Rally. Dat leek me passen in dit boek en ik werd op mijn wenken bediend. Er staat een prachtig verhaal in over pioniers van de raceauto’s en over Charles Jarrott in het bijzonder. Zij raceten in de eerste raceauto’s door Europa op trajecten als Parijs-Wenen, Parijs-Berlijn en de laatste, de “rit van de dood”, Parijs-Madrid. Het waren de tijden dat er talloze handelingen verricht moesten worden voordat een motor überhaupt startte en waar de bijrijder de versnelling onderweg in zijn vier moest houden. Hier kwam beleving van het Europese netwerk wel naar boven, let wel, in een tijd waarin de Frans-Duitse oorlog van 1870 gewoon nog in het geheugen lag. De auteur;

‘Ik heb nou aardig wat reizen door Europa gemaakt,’ begin ik, ‘en eigenlijk heb ik vooral gezien dat mensen die de grenzen over gingen, altijd het min of meer terecht idee hadden dat ze op het territorium van de buren risico liepen….Maar nooit waren ze onbekommerd als de mensen die toen rond de eeuwwisseling gewoon voor hun plezier de grenzen over raceten en dachten dat de wereld hun toebehoorde. Dat waren toch ook oude vijanden die daar tegen elkaar aan het racen waren?’

Ambivalent of niet ten opzichte van die wegen, het levert een aantal mooie verhalen op over Europa in een boek dat vlot doorleest.

902257511X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Daar is hij dan, Het Eeuwige Vuur van Ken Follett. De langverwachte opvolger van Pilaren van de aarde en Brug naar de hemel. Het derde boek op rij waarin de fictieve plaats Kingsbridge in Engeland als uitgangspunt wordt genomen. Het eerste deel speelde zich af in de 12e eeuw, het tweede deel in de 14e eeuw en met dit boek bevinden we ons in de 16e eeuw, in het Tudor-tijdperk.

We zien dan ook dat Kingsbridge niet meer de centrale plaats van handeling is. Follett breidt zijn toneel aardig uit, en wel naar Antwerpen, Parijs, Sevilla en zelfs naar De Nieuwe Wereld. Voor fans van de eerste twee, gewoon lezen dit boek want Kingsbridge speelt wel degelijk een rol, er gebeuren genoeg ellendige én mooie dingen volgens het vaste recept van Follett.

Wat is dat recept? Het kundig mengen van historische figuren en gebeurtenissen met verzonnen romanfiguren. Het opstarten van verschillende verhaallijnen op verschillende plaatsen en deze mooi bij elkaar laten komen. Met zijn ruim 850 pagina’s is het boek niet zo dik als zijn voorgangers maar wordt het weer mooi afgerond.

En dan heb ik nog niets over het verhaal zelf gezegd. Hoofdpersonen zijn Ned Willard en Margery Fitzgerald, die we in hun jeugd ontmoeten in 1558. Ze willen trouwen, maar de één is protestant en de ander katholiek. Voilà, de rode draad. Follet creëert zijn drama’s op persoonlijk niveau en vertaalt deze naar het grote politieke toneel, waar het gaat om de strijd tussen de protestantse koningin Elizabeth en de katholieke Maria Tudor. De verhaallijn in Sevilla volgt de broer van Ned, Barney. Hij wordt uiteindelijk kanonnier en kapitein en zal Engeland verdedigen tegen de Spaanse armada. In Frankrijk woedt ook een felle strijd tussen protestanten en katholieken. Centrale figuren zijn hier de protestantse boekverkoopster Sylvie, die later met Ned zou trouwen, en de intrigant Pierre Aumande. Deze wil zich omhoog werken via de adellijke familie De Guise en speelt een rol die leidt tot de beruchte Bartholomeusnacht, waarbij de katholieken meedogenloos afrekenden met de protestantse elite.

Voor de rest geef ik niets weg, lees het vooral zelf. Het is bijna schandalig hoe snel je door dit boek heen bent en daarmee vind ik het dus een goed boek. Ja, er zitten best weer wat toevalligheden in om het verhaal goed te laten lopen (Spaanse schone duikt onverwacht handig op in Parijs om informatie door te spelen) maar dit stoort mij niet, het houdt de vaart erin.

Follett is naar eigen zeggen drie jaar en drie maanden met schrijven bezig geweest. Uiteraard zit er veel research in zo’n boek, zo leer ik uit een interview met hem. Hij heeft alle plaatsen bezocht die hij heeft beschreven, musea bezocht en huizen en kastelen bezichtigd die in die tijd gebouwd waren. Verder natuurlijk literatuuronderzoek. Hoe zag de kleding eruit, waren er al vorken, hoeveel kilometer kan een paard afleggen in een dag, welke wapens werden er gebruikt? Ook dat vind ik de kracht van zijn boeken, de details zijn mooi uitgewerkt, zoals wat er bij komt kijken om een scheepskanon tijdig te laden.

Ik heb geen enkel bericht gehoord over een vervolg, wel over de voltooiing van een trilogie. Follett is nu 68 en hoeft het voor het geld niet meer te doen, met zo’n 160 miljoen verkochte boeken, maar wie weet…hij vindt het ongelofelijk leuk om te doen, dat schrijven.

Vertaling; Joost van der Meer en William Oostendorp

9000315700-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Met het boek De Zijderoutes van Peter Frankopan wilde ik de lezende meute nu eens voor zijn. Ik had het boek al tijden zien liggen en het sprak mij aan. Ik wachtte alleen tot er een boekenbon kwam aanwaaien. Even later werd het laaiend enthousiast besproken in DWDD én bleek het het boek van het jaar 2015 te zijn en ik wist, daar gaat mijn primeur.

Dat maakt natuurlijk niet uit. Ik houd van geschiedenis en via een vluchtige blik op de achterkant, de prachtige (gewoon in een studio in elkaar gefabriekte) omslag én de titel deed mij uitkijken naar een boek vol zwoegende kamelen door de Taklamakan woestijn en uitgebreide bespiegelingen over Marco Polo. Niet dus. Nou ja, ten dele. Het boek is gelukkig veel meer dan dat.

Het is een prachtig opgebouwd verhaal in ruim 600 pagina’s, beginnend in de 6e eeuw voor Christus. Welke koninkrijken en volken huisden er in Centraal-Azië en hoe kwamen de eerste zijderoutes tot stand. Dat levert direct al een beeld op wat de actualiteit in een schril contrast zet. Zo schrijft een 7e-eeuwse Chinese tekst over Syrië:

Syrië…was een land dat ‘vuurbestendig weefsel, levensherstellende wierook, schitterende maanparels en nacht-glanzende edelstenen vervaardigt. Rovers en bandieten kennen ze er niet, de mensen zijn gelukkig en vreedzaam. Er zijn alleen hoogstaande wetten; louter deugdzame mensen worden tot de hoogste macht geroepen’.

Het boek werkt in heldere hoofdstukken de geschiedenis door en neemt het begrip “Zijderoutes” als metafoor voor wereldwijde handelsbewegingen. Zo leer ik dat de Vikingen afzakten door Rusland tot aan de Zwarte Zee en zelfs als de vaders van Rusland kunnen worden gezien. Zo zorgden zij ook voor een zijderoute naar het Westen, er is zijde uit China gevonden in Scandinavische graven uit die tijd.

De inval van de Hunnen in Europa, de expansie van de Islam, de Mongoolse veldtochten, de ontdekkingsreizen van Marco Polo en Columbus, slavernij en de bloedige verovering van de Amerika’s, het zorgt allemaal voor ongekende handelsstromen . Zo maakt de auteur mooi inzichtelijk dat een prachtig gebouw als de Taj Mahal in India het gevolg kon zijn van het goud en zilver dat aan de Amerika’s werd onttrokken en zijn weg naar Azië vond. Ironisch dat de welvaart van de door Columbus gezochte Indiërs betaald werd door het leed van de door hem gevonden Indianen…

Even dacht ik dat de Engelse auteur een Nederlander was, omdat de Nederlandse handel en heerschappij vrij uitgebreid aan bod komt. Uiteindelijk is het fascinerend om te lezen hoe, na het vinden van de grote olievoorraden en de landen die er aan verdienen, het zwaartepunt van de handel weer verschuift. Er worden oorlogen uitgevochten en we krijgen onthutsende inkijkjes en opfrissers over hoe het ook al weer werkt op deze aarde. Jawel, na de Iraakse inval werd Iran ruimschoots bevoorraad door Israël, een Iraakse nederlaag was strategisch nadelig voor de Verenigde Staten, welke bewust een oogje toeknepen bij Saddam’s gebruik van gifgassen tegen de Koerden.

Osama bin Laden plant zijn aanslagen en er volgen nog meer oorlogen in Afghanistan en in Irak. De auteur laat pijnlijk duidelijk zien op welke magere gronden die conflicten worden aangegaan. Uiteindelijk komen er, juist in de gebieden van de oude zijderoutes, weer nieuwe economieën en machtsblokken op. China zoekt toenadering en er ontstaan weer nieuwe verbindingen:

Er komen ook nieuwe markten tot stand die onderling verbonden worden, wat weer leidt tot een nauwe samenwerking tussen Afghanistan, Pakistan en India, waarvan de belangen duidelijk parallel lopen als het gaat om een aansluiting op overvloedigere en goedkopere energie via een nieuwe pijpleiding…Het traject – langs de grote weg vanaf de gasvelden van Turkmenistan naar Herat, Kandahar en vervolgens naar Quetta en Multan – zou de Sogdische kooplieden die tweeduizend jaar geleden actief waren, net zo vertrouwd zijn geweest als de 17e-eeuwse paardenhandelaren, en net zo herkenbaar voor Britse spoorwegplanners en strategen in de Victoriaanse tijd als voor dichters die onderweg waren naar het middeleeuwse hof der Ghaznaviden.

Dat is ook de mooie afsluiting van dit fascinerende boek. Terwijl de westerse wereld zich afvraagt waar het gevaar nu weer vandaan komt, komen er ‘op de rug van Azië’ allerlei nieuwe netwerken en verbindingen tot stand of worden ze hersteld. De zijderoutes komen gewoon weer op.

Vertaling; George Pape

9085425735.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Aan de rand van de wereld van historicus Michael Pye heeft als ondertitel Hoe de Noordzee ons vormde. Het is een boek over zo’n 1000 jaar geschiedenis van de landen in het Noordzeegebied, ruwweg in de periode van het jaar 700-1700. Als geïnteresseerde in geschiedenis boeit mij dat, omdat het gaat over de plek waar ik woon en omdat ik de ‘duistere middeleeuwen’ graag wat minder duister laat maken. Pye geeft het al aan;

Als we spreken over de ‘duistere middeleeuwen’ denken we aan oorlogen, invasies, invallen en veroveringen, zelfs aan genocide; maar dat alles hebben we ook nu, in onze eigen tijd, en toch leiden we gewoon ons leven.

Dat gebeurde toen dus ook en Pye beschrijft dat met een veelheid aan thema’s, waarin de handelsroute en commercie de rode draad vormen van het boek. Zo valt hij direct met de deur in huis door aan te geven dat niemand minder dan de Friezen het gebruik van geld geherintroduceerd hebben. Uiteraard was geld al bekend bij de oude Romeinen maar sinds hun vertrek in onbruik geraakt. Ze maakten gebruik van het begrip ‘waarde’ en men begon de wereld in wiskundige termen te bekijken. Iets wat eeuwen later door de wiskundige Simon Stevin veel verder uitgewerkt zou worden.

Pye laat zien dat de beruchte Vikingen niet voor niets berucht waren, maar ook veel meer dan dat. Het waren ontdekkingsreizigers, die hun voetsporen nalieten van Noord-Amerika tot aan Byzantium in het huidige Turkije én tot aan de grenzen van het Chinese rijk. Zij konden als enig zeevarend volk laveren en waren dus niet afhankelijk van een goede windrichting.

Stap voor stap neemt Pye ons mee door de geschiedenis van de landen rondom de Noordzee. Hij laat zien hoe het geschreven woord steeds belangrijker werd. Er kwamen wetten en daarmee vormde zich een beroepsgroep die zich met de uitleg hiervan bezig hield, de advocatuur. Er ontstonden commerciële facties tussen steden die de naties overstegen, zo ontstonden de Hanzesteden.

Ook de strijd met de natuur wordt niet vergeten. De Nederlanden liggen laag en we zien hoe de strijd aangegaan wordt met het water. Molens worden gebruikt om stukken land droog te leggen maar ook voor tal van andere toepassingen. Ook hier wordt weer wetgeving voor opgesteld. De pest doet zijn intrede en dat heeft een enorme impact op de handel en de beschikbaarheid van mankracht. Pye legt het allemaal uit.

Hij baseert zijn verhaal op een groot arsenaal aan geschriften, variërend van de beroemde Engelse historicus Beda (672/673-735) tot aan de Vlaamse wiskundige, natuurkundige en ingenieur Simon Stevin (1548-1620). Deze laatste beijverde zich voor gelijke reken- en maateenheden in Europa en voegde woorden aan onze taal toe als driehoek, evenredig, langwerpig, loodrecht, middelpunt etc.

Ik heb in recensies wel gelezen dat de makke van dit boek de veelheid aan informatie is, het sluit allemaal niet even mooi aan (bron hier). Mij stoorde het niet. Pye’s vertelkunst lost het voor mij op. Ik wil weten waarom er bij een Zweedse boerderij een boeddha is gevonden, ik wil weten waarom de stokvis een pijler van politieke macht is, waarom kloosters experts waren in valsheid in geschrifte en ik houd van deze details die Pye vrijgeeft, als hij het heeft over waar de Friezen zich allemaal hebben gevestigd;

Ze vestigden zich zelfs aan de buitengrenzen van hun handelswereld. Er was een Fries huis in Kaupang aan de monding van de Oslofjord in het zuiden van Noorwegen…De glazen bekers die hier zijn aangetroffen, lijken op die van de Franken en de Friezen, wat wijst op zuidelijke drinkgewoonten, en ze hadden dubbele kledinghaakjes, die nutteloos waren voor de plaatselijke dracht, maar die iedere Friese vrouw nodig had.

Zo staat het boek vol met wetenswaardigheden, in zo’n 380 pagina’s prima behapbaar. Een feest voor iedere geschiedenisliefhebber.

Vertaling; Arthur de Smet, Pon Ruiter en Frits van der Waa