archiveren

Maandelijks archief: maart 2010

946c287c2e32eae59326e355451444341587343

Van de dagboekenreeks van Hans Warren ben ik inmiddels beland bij deel zes, Geheim Dagboek 1956-1957. Ik heb nog steeds het grote gevoel niet te pakken bij die dagboeken en ik vraag me nog steeds af hoe dat komt.

Warren woont in Frankrijk met zijn vrouw Mabel en dochter Amanda. Hij heeft zijn relaties met Noord-Afrikaanse jongens op een zijspoor gezet en zijn relatie met Mabel is in rustiger vaarwater terecht gekomen. Toch blijft de verleiding groot. Hij ziet zijn vroegere minnaars nog en die liggen niet zelden met elkaar overhoop:

Vorige week zondag, de twintigste, is Mohamed uit het huis vertrokken en hij heeft een kamer in een hotel genomen. Dan kwam Sidali op zijn werk, om twaalf uur, om vijf uur. Hij volgde hem als een hond. Tot Mohamed hem ten slotte sloeg en Sidali neerviel. De mouw van zijn jasje zat nog vol bloedvlekken. Mohamed schrok en heeft hem naar een dokter gebracht. Hij moest die dokter betalen en hij diende daarna de jammerende Sidali thuis te brengen.

Dat gaat zo nog even door tussen die twee. Niet bij Warren, hij en Mabel krijgen nog een dochter, Beryl.

Warren beschrijft zijn leven in Frankrijk en wisselt dit af met een beschrijvingen over de bekende thema’s; kunst, literatuur en vogels. Bespiegelingen over een Rembrandt-tentoonstelling en marmeren Zeeuwse meisjes van de Franse beeldhouwer Raymond Sudre, verhalen over het houden en grootbrengen van vogels en wat wetenswaardigheden over zijn uit te geven werken. Kabbel, kabbel, kabbel.

Dit deel is een niets-aan-de-hand-dagboek. Er gebeurt niets schokkends, het leest vlot en dat is het dan wel. De grootste gebeurtenis is de verhuizing naar Zeeland, terug naar het land van zijn jeugd. Er bekruipen mij lichte ergernissen als hij die luie ex-en van hem in zijn huis opneemt. Hij wil zelf uiteindelijk ook van ze af want hij kan ze ook niet onderhouden, geeft uiteindelijk toch geld en zijn enige jas en weg zijn ze weer.

Toch zijn er ook veel mooie en grappige stukjes. Kleine, op zichzelf staande observeringen:

Gezien op de Boulevard St. Michel tijdens een flinke regenbui: een meneer, paraplu, overschoenen, die zijn hond, een groot, langharig dier, een soort briard denk ik, uitliet en hem om te voorkomen dat hij natte poten zou krijgen vier kinderlaarsjes aangetrokken had, keurig met veters dichtgeknoopt. Zo stapte het dier over het natte plaveisel. Geen gezicht, vooral niet toen hij een poot oplichtte tegen een muur.

Even genoeg Warren weer. Ik weet toch wel dat ik doorga tot ik ze allemaal gelezen heb. Het is uiteindelijk wel een monumentaal dagboek én ik maak graag af waar ik aan begin. Dat grote gevoel komt heus wel.

Z-landaise

Zeeuws meisje van marmer, Raymond Sudre

3c0c6cf5eceb6e0597a62615677444341587343

Via de Member Giveaway van Librarything ontving ik het boek Dood in de Doos van de Vlaamse auteur Dahlqvist. Een boek van 197 pagina’s, zij het dat het tweetalig is uitgegeven, in het Nederlands en in het Zweeds. Er blijft dus een kort verhaal over van bijna 100 pagina’s.

Het verhaal begint in Zweden. De hoofdpersoon gaat met zijn twee jaar oudere broer Rasmus op kamp naar Dodemanseiland, aan de oostkust van Zweden. Er volgen beschrijvingen van het kampleven, afgewisseld met beschrijvingen van de situatie thuis. Zijn moeder is in verwachting, vader is druk met zijn houtbedrijf. Op kamp is het leuk. Zijn broer, die in een andere leeftijdscategorie is ingedeeld ziet hij af en toe.

Als de broers weer thuiskomen neemt het verhaal een drastische wending. Zweden wordt verlaten en de hoofdpersoon komt terecht in Antwerpen. Weg is de idylle, hij wordt geconfronteerd met miezerige winters, moet therapieën volgen en hij weet niet precies wat hij aan zijn broer heeft.

Zo verzamelt hij herinneringen. Hij schrijft brieven en bewaart deze in een doos. Die doos moet uiteindelijk weer naar Zweden om het verhaal rond te krijgen. Cryptisch? Jawel, maar dat is wel in de lijn van het verhaal. Het is verder kort en bondig geschreven en het heeft een flow. De titels van de hoofdstukken maken integraal onderdeel uit van de tekst en dat geeft vaart aan het verhaal. Even een klein inkijkje in de psyche van de hoofdpersoon, die een blijkbaar onontkoombare behandeling moet ondergaan:

Er is een deur, die ik nog niet had opgemerkt, met weer zo’n nepgouden bordje: Behandelkamer. Die deur is op slot en door het sleutelgat zie ik niets anders dan zwart. Zwart als de sneeuw die in Antwerpen valt. Belachelijk kleine vlokjes die neerdwarrelen en bijna smelten voordat ze de grond raken….Haar stoel voelt nog warm aan. Ik krijg de drang om op haar stoel te gaan zitten en als de Vrouw terugkomt, mag zij eens op de spiraalstoel zitten. Ik ga vragen wat haar derde herinnering is en of ze kan zeggen wat een sneeuwengel is en van welke dieren ze droomt. Als ze dan antwoorden geeft die me niet aanstaan dan sleur ik haar de Behandelkamer in, een donkere griezelkamer waar ze elektrisch behandeld zal worden, ze krijgt stroomstoten tot ze toegeeft dat alles fijn en leuk en mooi is.

Kortom, een vlot verhaal dat in één avond uitgelezen kan worden waarna ik dan toch met een half boek blijf zitten in een taal die ik alleen uit de IKEA-gidsen ken. De cover vind ik overigens mooi rustgevend.

3046714517f45bc593747685741444341587343

Ik had ooit Oliver Twist van Charles Dickens gelezen, maar dat was weggezonken in de krochten van mijn geheugen. Het was iets met vieze achterbuurten en een hoop ellende. Nu, dat klopt ongeveer. Dickens heeft een fraai beeld neergezet van een wereld vol armoede, criminaliteit en wanhoop, maar ook van barmhartigheid, hoop en dankbaarheid.

Het draait allemaal om Oliver. Hij wordt geboren in een armenhuis en zijn moeder sterft bij zijn geboorte. Hij is wees en zal het alleen moeten doen in deze wereld. Op zijn negende wordt hij meegenomen door een knorrige functionaris om maar eens aan de slag te gaan in het werkhuis. Een club van regenten beslist hierover en Dickens schrijft cynisch:

De regenten waren zeer verstandige, degelijke en wijsgerig aangelegde naturen; en toen zij er zich toe zetten zich bezig te houden met het werkhuis, begrepen zij terstond, wat gewone mensen nooit ontdekt zouden hebben, dat armelui er veel mee op hadden!

Oliver komt terecht bij een begrafenisondernemer waar hij mishandeld en weggetreiterd wordt. Hij gaat op weg naar Londen en ontmoet daar een linkmiecheltje, Jack Dawkins. Die introduceert hem in de bende van de lelijke Jood Fagin. Die runt een bende van kleine diefjes. Oliver gaat een keer mee kijken en wordt prompt opgepakt. De man die is bestolen, de heer Brownlow neemt hem echter na zijn vrijspraak onder zijn hoede.

Oliver is dankbaar en doet klusjes voor hem, maar wordt weer in zijn kraag gepakt door Nancy, de vriendin van Sikes. Sikes is een zware jongen die contacten met Fagin heeft. Oliver is weer terug bij af. Hij wordt meegenomen door Sikes om te helpen bij een inbraak. Dat loopt echter mis. Er wordt geschoten, Sikes vlucht en laat Oliver gewond achter in een greppel. Hij weet zich naar het huis van de inbraak te slepen waar hij wordt verpleegd door Rose Maylie. Hij wordt liefdevol opgenomen en bloeit weer helemaal op.

Nancy, de vriendin van Sikes weet uiteindelijk veel te achterhalen over het verleden van Oliver. Ze gaat met die informatie naar Rose en de heer Brownlow en moet dat met de dood bekopen. Dat is ook meteen de meest gruwelijke scene in het boek. Er speelt nog een grote boef mee, Monks, die toch een band met Oliver blijkt te hebben. Dat geldt voor nog een hoofdpersoon; het wordt allemaal duidelijk op het eind.

Wat mij vooral bij blijft van dit boek is de sfeer. Dickens zet toch wel prachtig een Londen neer waarin de allerarmsten in buurten wonen waar je het liefst met een grote boog omheen loopt:

In de nabijheid van dat gedeelte van de Theems, waar de kerk van Rotherhithe op uit komt, daar waar de huizen aan de oever het vuilst en de beurtschepen het zwartst zijn van het gruis der kolenschuiten en de smook der dicht opeengestouwde, laaggedakte huizen, vindt men de smerigste, zonderlingste en vreemdsoortigste van de vele achterbuurten, die zich in Londen verschuilen, bij het overgrote deel der Londenaren zelfs niet bij name bekend.

Die beschrijving gaat zo nog een goede pagina lang door en dan heb je echt de sfeer wel te pakken. Mooi gedaan. Verder is het boek een aanklacht tegen de armoede in die tijd en dat is meteen de reden waarom er aandacht is besteed aan de beschrijving ervan.

Wat de karakters betreft is Fagin natuurlijk een prachtfiguur. Een lelijke, sluwe en doortrapte crimineel die uiteindelijk belandt waar hij waarschijnlijk hoort, hoewel nergens echt duidelijk wordt waarom hij wordt opgepakt. Oliver Twist zelf is eigenlijk een tenenkrommend braaf jongetje. Wat hem ook overkomt, hoe hij ook wordt vernederd, hij blijft de goedheid zelve. Ja, hij slaat zijn kwelgeest een keer tegen de grond maar dan heeft hij al het nodige over zich heen gehad. Verder wil hij alleen maar goed doen en moet hij zich eerst door een hoop kwellingen heen worstelen voor hij zijn geluk vindt. We gunnen het hem. Mooi boek en wat mij betreft een aanrader.

309ec1cb21855f6593331665767444341587343

We zijn 75 Boekenweken ver en daarom had de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (Stichting CPNB) bedacht om 75 auteurs uit te nodigen een brief aan hun jongere ik te schrijven. Het thema is immers “Opgroeien in de letteren” dus hier moet een mooi boek uit te halen zijn, zo dacht men.

Het eindresultaat is een mooi gebonden boek met de titel Titaantjes waren we: Schrijvers schrijven zichzelf.

Hieronder niet de minsten: Komrij, Campert, Hemmerechts, Mortier, A.F.Th., Van Dis, Bernlef en ga zo maar door. Arnon Grünberg heeft beleefd geweigerd:

Om te beginnen ontbreekt mij de tijd maar, belangrijker nog, ik zou niet weten wat ik anders aan mijn jongere alter ego zou kunnen schrijven dan ‘het was beter geweest als je niet was geboren’.

Slap antwoord. Als je dat al vindt maakt een beetje schrijver (en dat kan hij best) daar een goed verhaal van. Velen echter lieten zich wel inspireren, met wisselend resultaat. Als ik zo links en rechts de recensies lees vindt men vaak de brieven te lief, te aardig. Dat klopt, men is vaak coulant voor junior. Op zich heb ik daar niet zo’n moeite mee, 75 foeterpartijen gaan ook vermoeien. Toch zijn die bijdragen die hun jongere uitvoering een beetje aanpakken de interessantste. Adriaan van Dis heeft een korte bijdrage maar een boeiende (weest gewaarschuwd, het is de ontknoping van zijn kort verhaal). Hij zegt tegen de jonge Van Dis over zijn toekomst:

Maar je kan er aan ontsnappen. Pak je jas. Nu. Je duffel is de zwaarste niet?…en dan de zee in. Richting Engeland zwemmen. Je zal verdrinken. Je hele leven zal in een film aan je voorbij gaan. Een korte film in jouw geval. Wees blij. Ik ken de lange film. Niet geschikt voor kinderen onder de tien.

Ook Bart Moeyaert pakt zichzelf alsnog bij de lurven in zijn verhaal. Hij eindigt zijn sfeertekening van Zürich en Antwerpen met

Veel groeten,

Weinig Liefs,
Bart

Esther Gerritsen is ook niet mals voor Esthertje:

Het spijt me, maar ik moet het tegen je zeggen: wat moet ik met die beroerde herinneringen die jij nu voor mij maakt? Sta jij daar wel eens bij stil? Dat ik het de rest van mijn leven met die beelden moet doen, waar jij nu zo laf mee omspringt, enkel en alleen omdat jij de dagen zo pijnloos mogelijk wilt doorkomen. Denk je dat ik die foto’s koester, waar jij zo kleurloos op staat?

Kijk, dat leest lekker weg. Verder is het gewoon aardig om een kijkje in de jeugd van een aantal schrijvers te nemen. Gerrit Komrij en Edward van de Vendel komen dicht bij hun jongere ik. Edward gaat er mee op stap, hand in hand. Gerrit spreekt hem toe maar geeft aan dat ze meer dan ooit samen zijn. Beiden geven aan dat het jongetje de volwassene wat te leren heeft. Dat zijn mooie verhalen.

Geen tegenvallers dan? Mwah, het is maar wat je er in zoekt. De brief van Aaf Brandt Corstius leek op een vluchtig geschreven haastklus en ik hoor bij Leon de Winter altijd een verongelijkte toon over zijn Joodse afkomst, ook hier weer in zijn brief. Maar ieder zijn meug.

Om onnavolgbaar af te sluiten een stukje Midas Dekkers als hij Wandert (zo heette hij toen) aanspreekt:

Ik ben jou niet en jij bent niet mij. Toch zijn we dezelfde. Vergelijk het met een rups en een vlinder. Geen rups haalt het in zijn hoofd om nichterig te gaan fladderen, geen vlinder wil geloven dat hij ooit zo’n pafferig worstje was. Toch zijn ze uit elkaar voortgekomen.

Prachtig stukje uit een prettig leesbaar boek. Mooi initiatief bij deze boekenweek.

8d8815dcd73d311593542655767444341587343

Ik was niet zozeer te spreken over Gimmick! van Joost Zwagerman. Laat hij nu ook het boekenweekgeschenk 2010 schrijven. Zo krijgt hij snel een herkansing en die pakt hij gretig aan. Duel is een leuk verhaal. Ik heb fijn jaloers kunnen worden op museumdirecteur Jelmer Verhooff, die mag wonen in het Hollands Museum tijdens een grote verbouwing. Dwalend door grote, stille zalen en uitkijkend over een naargeestig Museumplein. Heerlijk lijkt me dat.

Jelmer Verhooff, succesvol museumdirecteur, moet een jarenlange sluiting van zijn museum gedogen omdat het niet veilig is volgens de brandweer. Dat kan, maar niet zonder nog een grote expositie te organiseren. In deze expositie, met de naam Duel, mogen jonge kunstenaars een meesterwerk uitkiezen om er een duel mee aan te gaan. Emma Duiker kiest een werk van Rothko, Untitled, en weet dit schilderij haarzuiver te kopiëren. Met een aantal kopieën gaat ze aan de haal en schept hiermee een eigen kunstwerk. Nog belangrijker, ze zwengelt meteen de discussie aan over de functie van (moderne) kunst:

“Luister.” Emma klonk ineens koortsig. “Waarom wordt van kunstenaars verwacht, nee, geëist dat ze ingrijpen in de werkelijkheid?” Ze beeldde met wijs- en middelvingers aanhalingstekens uit….Een opblaaskonijn is kunst. Twee zusjes die honger lijden en hun anorectische bottenlichaampjes tentoonstellen: spannende topkunst! Een meisje dat een kat vilt en er een handtas van maakt: kunst….Iedereen doet maar zijn best allerlei kunst die niet direct aan kunst doet denken, het museum in te krijgen. Maar waarom zou je nooit eens kunst naar buiten dragen? Waarom zou een kunstenaar niet eens zijn best doen een meesterwerk te bevrijden uit die toonzalen van de musea?

En dat doet ze. Zij zorgt ervoor dat de kunst onder de mensen komt. Jelmer Verhooff wordt er in meegezogen en wordt zo onderdeel van het kunstwerk. Daar heeft hij uiteindelijk vrede mee, alleen de afloop had hij zich toch anders voorgesteld.

Een prettig leesbaar verhaal dat mij waarachtig weer eens doet verlangen naar grote museumzalen en, waarom niet, ook naar moderne kunst.

0500251312.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Hoe ik aan het boek Panorama of the Enlightenment van Dorinda Outram ben gekomen is hier te lezen. Het is misschien niet het eerste boek dat ik uit de schappen zou sleuren, want anders dan bij de vroeger obligate geschiedenislessen heb ik nooit zo bij de Verlichting stilgestaan. Wat is dat dan, de Verlichting? Daar probeert dit boek een antwoord op te geven.

De Verlichting is een stroming die ontstond in, laten we zeggen de late 17e eeuw en die voortduurt tot de Franse Revolutie. Vaak wordt de term “Verlichting” afgedaan als een afrekening met de donkere tijd die men achter zich liet. Dat element heeft het wel in zich, maar Outram laat zien dat het toch wat complexer ligt. Ze geeft direct al aan dat er een aantal overkoepelende thema’s te herkennen zijn die in het boek terugkomen:

The Enlightenment’s struggle for definition in a global age is only one of several overarching themes which organize this book. A second, and no less important, one is that of the use of classical intellectual themes, ultimately drawn from the mythology of Greece and imperial Rome, to illustrate concerns of the eighteenth-century Enlightenment and to establish their legitimacy…The third major theme which emerges throughout this text is that of chronology. As there has never been any consensus on the nature of the Enlightenment, so too there has never been any agreement on its chronology. But we can say that contemporaries did recognize certain points in time which for them marked the difference between their own time and before.

Er zijn veel ontwikkelingen in die tijd en die worden uitgebreid toegelicht in het boek. Isaac Newton komt met zijn theorieën over licht en planetaire bewegingen, Diderot kwam met zijn magnum opus, de Encyclopédie en voor het eerst komt de term “Verlichting” in zwang. Dat uit zich op vele manieren en men vindt er geen sluitende definitie voor. In het boek wordt ingegaan op de betekenis van licht en zon in architectuur, de schilderkunst en de literatuur. Er wordt aangegeven dat de nieuwe wind van de Verlichting overal is terug te vinden. Er worden nieuwe werelden ontdekt, de koffie komt naar Europa en daarmee de koffiehuizen. Er wordt meer gediscussieerd en meer gelezen. Dieren zijn niet alleen maar voedsel of werkkrachten, ze worden meer en meer als huisdier gehouden. Huizen worden comfortabeler ingericht, ook met zaken die van ver komen. Er komen mensen uit Afrika of het Verre Oosten naar Europa. Er wordt veel geld verdiend door verre reizen te maken maar ook door, de keerzijde, een hoop slaven te verschepen naar nieuwe werelden.

Er worden niet alleen nieuwe werelden ontdekt, de mens ontdekt ook meer en meer zichzelf. Er wordt nagedacht over dromen, over gedrag en over gevoel en filosofen als Locke en Hume nemen hierin het voortouw.

De Verlichting werkt ook door in de architectuur en in de wetenschap. Met name op het gebied van de geneeskunde worden er grote stappen gemaakt. Het wordt allemaal toegelicht in duidelijke hoofdstukken.

Al met al is het een schitterend boek. De redactie is wat slordig geweest omdat op pagina 212 een zin wordt afgebroken onderaan de bladzijde die nergens verder gaat. Daar ontbreekt wat informatie. Dat gebeurt weer op pagina 229 waar het vervolg ineens op pagina 237 opduikt. Dat is slordig, maar wij kijken een gegeven boek niet in de bek. Een enorm pluspunt zijn de prachtige illustraties. Koop dit boek, niet spieken verder, en laat je bij iedere omslag verrassen door de meest fantastische afbeeldingen.

307eb0ead1fb80f592f567a5741444341587343

Ik schafte mij onlangs een cassette aan met tien boeken van Charles Dickens en begon goedgemutst aan deel één, De nagelaten papieren van de Pickwick Club.

Het draait in eerste instantie om de brave baas Samuel Pickwick. Hij is een vermogend man en oprichter van een erudiete club die zich ten doel stelt de ongewone en bijzondere verschijnselen des levens te onderzoeken.

Een man moet wat. Hij doet dit niet alleen, hij reist met een aantal vrienden per postkoets, tilbury of sjees door het land om van zijn reizen en belevenissen verslag uit te kunnen brengen aan de club.

Zo is daar Tupman, de onvermoeibare bewonderaar van het vrouwelijk geslacht. Snodgrass, de dichter van wie niemand ooit een hele rijm gehoord heeft en Winkle, die van zichzelf denkt uit te blinken in de jacht en de sport. Zij reizen mee met Pickwick en belanden in een bonte stoet van avonturen die een kleine 800 pagina’s voortduren.

Al snel wordt hun pad gekruist door de sluwe Jingle en zijn knecht Trotter. Hij zal hen een aantal malen goed dwars zitten. Toch kunnen de heren, en met name Pickwick zelf, zichzelf ook prima in de nesten werken. Een fraai voorbeeld is het moment dat Pickwick alleen zijn hotelkamer moet opzoeken en eindelijk denkt hem gevonden te hebben. Moe kleedt hij zich om in zijn nachtgewaad en stapt zijn hemelbed in:

Hierop glimlachte Pickwick wederom, nog breder dan tevoren, en maakte juist aanstalten om zich in de opgewekste stemming te ontkleden, toen hij hierin door een onverwachte storing werd verhinderd en wel doordat iemand met een kaars binnentrad, de deur achter zich sloot, naar de kaptafel ging, en het licht daarop neerzette…Pickwick viel bijna flauw van ontzetting en afschuw. Voor de kaptafel stond een dame van middelbare leeftijd met gele papillotten in het haar…”A-hem!”

Het was duidelijk dat de dame bij dit onverwachte geluid ontstelde, want zij deinsde tegen het lichtschermpje aan.

Pijnlijk, de keurige Pickwick stapt in de verkeerde sponde. Hij belandt zelfs in de gevangenis omdat zijn hospita er vast van overtuigd is dat hij haar een huwelijksaanzoek heeft gedaan. Hij wordt veroordeeld tot een boete, weigert standvastig te betalen en belandt in het gevang, waar hij uiteraard Jingle en Trotter tegenkomt.

Het ene avontuur na het ander, genante situaties, verliefdheden en een Bourgondische levensstijl, dat is het recept voor dit boek. Het is verluchtigd met grappige tekeningen en de verhalen lezen op zich vlot weg. De mooiste karakters zijn Pickwick zelf en zijn knecht Sam Weller. Pickwick is de goedmoedige heer, maar het is leuk om te zien dat hij af en toe zijn zelfbeheersing aardig kan verliezen. Dat maakt hem menselijk. Sam Weller is de trouwe knecht die zijn meester door dik en dun steunt. Grappig zijn de vergelijkingen die hij op iedere situatie loslaat, bijvoorbeeld bij het dekken van de tafel:

“Uitstekend,” hernam Sam, “steek er een beetje hulst in. Die andere schotel er recht tegenover. Zo. Nou zien we er afgerond en gezellig uit, zoals de vader zei, toen hij zijn zoontje ’t hoofd had afgesneden om ‘m van ’t scheelzien af te helpen.”

Tot slot: niet zoveel ten nadele van Brilliant Books, maar er staan nogal wat drukfouten in het boek. Voor deze prijs kan ik daar wel een beetje overheen lezen maar het stoort meer als er een volledige pagina dubbel in staat en er dus een pagina ontbreekt. Ook verloor ik mijn belangstelling een beetje na ongeveer 500 pagina’s. Dat heeft er wellicht mee te maken dat het boek ooit als feuilleton is verschenen, een verzameling losse avonturen, en dus een duidelijke lijn met plot ontbreekt. Toch, en dat moet de slotconclusie wezen, beleef ik plezier aan de hier uitvergrote wereld van het Engelse landleven met zijn eindeloze postkoetsreizen.

Nog negen Dickens-boeken in het vooruitzicht en daar zie ik niet tegenop. Ik zal ze voor uw en mijn afwisseling niet achter elkaar lezen, maar ze zullen met enige regelmaat voorbij trekken.