archiveren

Maandelijks archief: oktober 2014

9047503287.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Ik had Pilaren van de Aarde van Ken Follett al eens gelezen in de versie van De Kathedraal. Hetzelfde boek, maar er is nu een vervolg opgekomen, Brug naar de Hemel. Die kende ik niet, dus ik heb het tweeluik aangeschaft en deel één herlezen.

Tot groot genoegen mag ik wel zeggen. Schrijver dezes ligt op dit moment in de lappenmand en dan is een pil van goed 1000 pagina’s geen overbodige luxe. Maar goed, het verhaal. Het is een onvervalste middeleeuwse avonturenroman. Tom Builder, een meesterbouwer, reist rond met zijn berooide gezin in de hoop werk te vinden. Hij heeft één droom, het bouwen van een kathedraal. Uiteindelijk krijgt hij een kans hiervoor bij de priorij van prior Philip van Kingsbridge.

De tegenkrachten zijn echter enorm. Een gewetenloze edelman, William Hamleigh en de abt Waleran hebben heel andere belangen, namelijk hun eigen rijkdom en macht veiligstellen. Dat gaat gepaard met gewetenloze moord, verkrachting en zelfs het platbranden van het dorp Kingsbridge zelf. Er worden concessies gegeven om stenen en hout voor de kathedraal te winnen, maar die worden ook net zo makkelijk weer ongedaan gemaakt, vaak met geweld. Prior Philip moet steeds alle zeilen bij zetten om de droom van die kathedraal in stand te houden. Geloof tegenover geweld.

Alsof de edelman en de abt niet genoeg ellende geven, binnen de priorij loopt ook niet alles even soepel. De zoon en stiefzoon van Tom Builder zijn water en vuur. Aliena, dochter van de graaf van Shiring, is ooit verkracht door William Hamleigh. Zij heeft een eed gezworen aan haar vader dat ze haar broer Richard zou helpen het graafschap op Hamleigh te heroveren. Ze is verliefd op de stiefzoon van Tom Builder, maar die is jong en kan Richard niet voorzien van wapens en paard om ridder te worden. De zoon van Tom, Alfred, kan dat wel en Aliena besluit om met Alfred te trouwen. Dat was een foutje…Kortom, genoeg voer voor intriges en ellende. Voeg daarbij het grotere toneel van koning Stephen die een oorlog voert tegen koningin Maud, met wisselende successen en evenzoveel overlopende edelen, dan heb je een breed middeleeuws toneel waar veel verhalen samenkomen.

Het is een dik boek, maar het leest makkelijk weg. Het zijn vaak korte, duidelijke zinnen. Minpuntje vind ik dat je sommige gebeurtenissen al van mijlenver ziet aankomen. Als prior Philip beschuldigd wordt van schending van het celibaat en nepotisme door het voortrekken van zijn vermeende zoon, weet je al lang wie dat gaat oplossen voor hem. Ik lees ook dat sommigen zich stoorden aan de uitgebreide uitweidingen over de kathedraalbouw. Ik had daar geen last van, het geeft aan dat de auteur zich grondig heeft verdiept in de materie. Voor mij hier geen hogere literatuur, wat geenszins een probleem is. Criterium is of ik mij heb vermaakt en dat was uitermate het geval.

Vertaling: Pieter Verhulst

9023483162.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Dirigent John Eliot Gardiner heeft met zijn boek Bach, Muziek als een wenk van de hemel een waardevolle aanwinst geschreven voor de toch al niet kleine Bach-literatuur. Dat is maar even gezegd. Het is geen Bach-biografie. Er is sowieso bedroevend weinig feitenmateriaal over Bach, maar wat er is wordt uitstekend beschreven in de werken van Christoph Wolff  of Martin Geck. Dit boek is een persoonlijk relaas van een uitvoerend musicus, die Bach’s cantates in het jaar 2000 op dezelfde dagen heeft uitgevoerd als Bach vroeger, in het project The Bach Cantata Pilgrimage. Het gaat ook bijna uitsluitend over de vocale werken van Bach, maar dat mag. Gardiner heeft recht van spreken.

Wat wil Gardiner met dit boek? Hij wil meer van de mens Bach laten zien door zijn muziek. Gardiner vertelt:

We zien hem maar al te vaak als een bepruikte, pafferige, oude Duitse Kapellmeister en plakken dat etiket daarom ook op zijn muziek, in weerwil van de jeugdige uitbundigheid en de ongekende vitaliteit die die muziek zo vaak uitstraalt. Als we Bach nu eens heel anders zien, als een onwaarschijnlijke rebel: ‘iemand die in brede kring aangehangen principes en rigide aannames [over muziek] onderuit heeft gehaald’.

Dat probeert Gardiner dan ook en hij slaagt daar wat mij betreft prima in. Hij schetst de maatschappij waarin Bach opgroeit. Hij belicht uitgebreid de generatiegenoten van Bach, zoals Händel, Rameau, Mattheson en Scarlatti. Hij heeft het over de uiterst muzikale familie Bach, zijn ouders die jong stierven, de oom waar hij zoveel van geleerd heeft. Maar het gaat vooral over de mens Bach. Die was niet altijd even makkelijk. Niet voor zijn omgeving, maar ook niet voor zichzelf. Het beroemde incident met de fagottist heb ik nooit zo leuk zien beschreven;

Zijn onervaren fagottist, drie jaar ouder dan hij, was Johann Heinrich Geyersbach. Bij de repetitie verprutste hij het kennelijk. Bach reageerde geïrriteerd…betitelde hij Geyersbach als ‘Zippel Fagottist’. Ook in recente biografieën wordt dat nog eufemistisch vertaald als ‘beginneling’, ‘schavuit’ of ‘rund’, terwijl de letterlijke vertaling toch heel anders is: Bach noemde Geyersbach gewoon een lul.

Met dank aan de Nederlandse vertalers, want die moeten dat wel laten staan natuurlijk. Maar hier gaat het om. Bach als mens achter de muziek. Prachtige muziek hoeft niet altijd door een prachtig mens opgeschreven te worden, Wagner weet er alles van. Gardiner interpreteert en vermoedt er ook op los, maar ik vind dat prima. Hij geeft dat zelf ook aan in het begin van zijn boek. Soms laat hij zich zelfs even gaan, want hij wil zo graag weten hoe het publiek reageerde op al die prachtige muziek:

Ik ben er evenwel van overtuigd dat de scherpzinnige detectives in het Bach-Archiv in Leipzig in de loop van de komende jaren de hand zullen weten te leggen op geschriften…die de directe getuigenissen bevatten waarnaar we al die tijd op zoek zijn geweest. Bachs muziek kan mensen eenvoudigweg niet onberoerd hebben gelaten: verrukking, verbazing, verbijstering, ja zelfs afkeer – alles is mogelijk, maar niet dat ze haar gewoonweg van zich af hebben laten glijden.

Hier spreekt een bevlogen mens. Gardiner geeft van veel cantates en de grote passies een uitgebreide beschrijving die soms best diep gaat. Musicologische termen worden echter keurig achterin verklaard en ik heb enorm veel bijgeleerd. Cantate BWV 106 “Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit” ofwel de “Actus Tragicus” heb ik talloze malen gehoord, maar die rust die Bach laat vallen, een actieve, mystieke stilte, blijkt het exacte midden van het stuk te zijn. Gardiner laat mij er even bij stil staan, prachtig. Voor de liefhebbers, op 11;15 in onderstaand fragment.

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Er staat een mooi overgeleverd fragment in hoe Bach zich gedraagt tijdens het dirigeren van een stuk. De man hoort echt alles. Het moordende tempo waarin Bach zijn cantates componeert, iedere week weer één. Er staat een handige Chronologie achter in het boek, wat gebeurde er op welk moment in Bach’s leven. Maar het belangrijkste is voor mij het unieke fenomeen Bach, die zichzelf een gigantische arbeid oplegt door iedere week een cantate op te leveren, waarvan alle partijen gekopieerd moeten worden, die gerepeteerd moet worden met vaak muzikanten die niet aan zijn standaard voldoen. Hij krijgt geen grote roem zoals Händel in Londen met zijn opera’s en oratorio, heeft geen topsalaris, maar gaat voor de mooiste muziek die hij kan maken. Hij schrijft een paar schitterende passies, waartoe hij contractueel niet verplicht was. Die behoren tot het beste dat hij geschreven heeft, naast de briljante Mis in h-moll, die hij zelf waarschijnlijk nooit heeft gehoord. Daarnaast is zijn orgelwerk het summum voor de orgelspeler, zijn cello-sonates voor de cellisten, zijn vioolsonates voor de violisten en hij heeft nog wat voor het klavier geschreven ook. Afijn, genoeg lofzang. Ik ben blij met het boek en zal het vaak uit de kast halen om het naast de Cantate-uitvoeringen van Gardiner te leggen.

Vertaling: Frits van der Waa en Pon Ruiter

5f213c0d74d6012597256566a51444341587343
Het lezen van een autobiografie brengt altijd dat ene risico met zich mee. Wordt het niet te mooi voorgesteld, worden de “nasty little details” niet vermeden om een fraai en gepolijst levensverhaal te vertellen? Dat gevaar ligt om de hoek bij Ieri, Oggi, Domanide autobiografie van Sophia LorenWaarom dan toch het boek gekocht? Omdat het één van de laatste grote (ja, ook bloedmooie) actrices is die nog films maakten in de jaren vijftig en zestig, die met grootheden als Charles Chaplin, Gregory Peck, Cary Grant, Clark Gable en Marcello Mastroianni heeft gewerkt. Die een inkijkje kan geven in dat tijdperk van toen. Dat is ten dele gelukt.

Het verhaal begint wat gladjes. Voor Kerstavond struint La Loren door een kistje met allemaal foto’s en briefjes van vroeger. Aan de hand daarvan herinnert zij zich van alles en blikt zo terug op haar leven. Dat wordt zo redelijk chronologisch aan ons verteld, met af een toe een kleine terugkeer naar het heden.

Haar vader is een adelijke klaploper die ze nooit ziet. Haar moeder is iemand die door de geboorte van haar kinderen haar eigen dromen van beroemd zijn op moet geven. Sofia (zonder “ph” nog) wordt grotendeels door opa en oma opgevoed. De oorlog was spannend, schuilen in treintunnels voor de bombardementen en af en toe grote honger. In Napels gaat ze naar de toneelschool en in 1950 komen de eerste rolletjes. De eerste grote productie waarin ze een rolletje speel is Quo Vadis? Haar moeder, Carlo Pedersoli (‘Bud Spencer‘) en Elizabeth Taylor doen ook mee. Via de fotoromans krijgt ze de eerste hoofdrollen in 1952. Net daarvoor, in 1951 ontmoet ze haar toekomstige echtgenoot, Carlo Ponti, dan al een gearriveerd producent en 22 jaar ouder dan zij.

Wat volgt is een lange rij van films waar ze in speelt. De relaties met de groten der aarde komen allemaal voorbij (zo was zij goed bevriend met Michael Jackson). Met sommigen bouwt ze een band op, anderen vallen tegen. Cary Grant doet haar, ondanks Ponti, doodleuk een huwelijksaanzoek. Marlon Brando blijkt losse handjes te hebben en krijgt met een een furieuze Loren te maken. Mooi is de anekdote over John Wayne in een Libische woestijn:

Slechts één keer vertoonde de mythe die hij was een paar barstjes. Op een dag viel hij van zijn paard – wie had ooit gedacht dat dát zou kunnen gebeuren? – en brak zijn enkel. We hadden verwacht dat hij zijn pijn zou wegslikken met whisky. In plaats daarvan begon hij te schreeuwen als een gek. Wij keken hem met grote ogen aan, verbaasd dat we de mens achter de held te zien kregen.

De wereldwijde successen komen en ze wordt overladen met prijzen. Toch worden ook de moeilijke periodes niet geschuwd. Loren vertelt over de twee miskramen die ze heeft gehad, de vervolging voor bigamie van haar echtgenoot (zijn scheiding in Mexico was niet rechtsgeldig in Italië) en de veroordeling voor belastingontduiking van Loren zelf. Hiervoor kreeg ze dertig dagen cel, waarvan ze er zeventien heeft gezeten en de rest onder huisarrest heeft volbracht. Overigens is zij hier later van vrijgesproken. Heftiger was de ontvoeringspoging die haar man te verduren kreeg en de overval in New York waarbij Loren zelf een pistool op het hoofd kreeg:

‘Dit is allemaal rotzooi…De ring, ik wil de ring, die van de tv…’ Eindelijk besefte ik het afschuwelijke misverstand en vervloekte ik mijn ijdelheid. Tijdens een langdurig interview dat ik en Marcello een paar avonden eerder met David Frost hadden gehad, had ik gepronkt met een opzichtige diamant, eveneens van Van Cleef & Arpels, die ik echter meteen had teruggebracht. En nu zette dat nutteloze sieraad, dat zo rond de vijfhonderdduizend dollar waard was, mijn leven en dat van mijn zoontje op het spel.

De tol van de roem, blijkbaar; gelukkig loopt het goed af. Maar voldoet het boek aan mijn verwachtingen? Ten dele dus. Het is aardig om te lezen over al die sterren van het witte doek, hun (on)hebbelijkheden en onzekerheden. Toch heb ik inderdaad het gevoel dat het verhaal te netjes is. Loren schittert, heeft moeilijke tijden gekend natuurlijk, maar het loopt mij wat te vloeiend allemaal. Zij was niet altijd de makkelijkste, zag er zelfs geen been in om de kerk te schofferen met haar gewaagde outfits. Het moest wel zoals mevrouw het beliefde. Die kant komt niet naar voren in het geheel, maar goed, dat verrast mij dus ook niet. Het is voor mij een groot actrice waarvan ik het verhaal toch graag las.

Vertaling: Edwin Krijgsman en Els van der Pluijm

9026134894.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Zes families, ruwweg zevenhonderd jaar en een wereldstad. “Meer” heeft Edward Rutherfurd niet nodig om een grote roman over Parijs te schrijven.Het boek telt bijna 800 pagina’s en ik heb mij geen seconde verveeld.

Het boek begint in het jaar 1875, maar de periode die wordt beschreven loopt van 1261 tot 1968. Als ik mijn aantekeningen teruglees duizelt het af en toe nog steeds, want Rutherford legt erg veel lijntjes door de geschiedenis heen. Waar te beginnen? Misschien met de aristocratische familie De Cygne. Roland de Cygne wandelt rond in de 19e eeuw en stamt waarschijnlijk af van de hoofdpersoon uit het Chanson de Roland. Een voorvader was natuurlijk ook d’Artagnan, van die musketiers. Zijn vader, de Vicomte, heeft Communards laten executeren, waaronder Jean le Sourd. Zijn zoon, Jacques le Sourd, zweert om Roland de Cygne hiervoor om te brengen. Voilà, spanning alom.

We maken kennis met de familie Gascon. Luc Gascon is een sjoemelaar en cocaïnedealer. Hij heeft erg veel contacten in Parijs maar ergens gaat hem dit opbreken. Zijn broer Thomas is arbeider en werkt voor monsieur Eiffel eerst aan het Vrijheidsbeeld en later aan de Eiffeltoren. Hij is ook voorman als het art nouveau ijzerwerk wordt aangebracht in het warenhuis van de familie Blanchard. Jules Blanchard heeft dit warenhuis opgezet en dit wordt voortgezet door zijn zoon Gerard. Andere zoon Marc is schilder en voelt aanvankelijk niets voor het zakenleven. Hij voelt wel voor de dames en krijgt een kind bij één van zijn modellen. Dat kind zal later één van de beroemdste bordelen van Parijs gaan leiden en een rol in de Tweede Wereldoorlog gaan spelen. Overigens krijgt zij een kind met Charlie de Cygne, zoon van Roland. Zus Marie Blanchard zal uiteindelijk het warenhuis gaan leiden. Zij trouwde met James Fox, oorspronkelijk uit het Franse geslacht Renard, hoewel ze verliefd was op de Amerikaan Hadley. Gelukkig trouwt haar dochter Claire met Hadley junior. Marie vindt geluk na het overlijden van haar man bij Roland de Cygne. Volgt u het nog? Precies. Een tijdslijn met de familielijnen is redelijk essentieel en die staat gelukkig voor in het boek, zo blijft alles goed te volgen.

Er gebeurt ontzettend veel in het boek. We komen aan het Franse hof in Versailles, maken de beide wereldoorlogen mee, de Franse Revolutie, de Dreyfus-affaire, ontmoeten kardinaal De Richelieu, de schilder Monet, we horen de guillotine zoeven, zijn we bij de begrafenis van Victor Hugo én bij de wild-west show van Buffalo Bill. Ook de Bartholomeusnacht ontbreekt niet. Het boek is net zo opgebouwd als dat ik het hier neer zet. We stuiteren op en neer door de geschiedenis. Reden te meer waarom die tijdlijn onontbeerlijk is, al was het maar omdat men de kinderen graag vernoemde en er alleen al drie Rolands in het boek rondlopen.

Misschien is dat een beetje de makke van het boek. Er gebeurt zoveel, dat de personages een beetje aan de oppervlakte blijven. Aan de andere kant heb ik het gevoel dat ik bovenop de historie zit. Passages als deze, over de bouw van de Eiffeltoren, vind ik heerlijk:

Thomas Gascon was nog nooit in paniek geweest. Hij had nooit gedacht dat het werk aan de binnenrand van de toren anders zou zijn dan dat aan de buitenrand. Maar tot de dag tevoren had hij het netwerk van dwarsbalken onder zijn voeten gehad. Vandaag was er niets. Niets dan veertig meter lege ruimte…Toen realiseerde hij zich dat er twee mannen naar hem omhoogkeken. Monsieur Eiffel glimlachte. Maar aan het oog van Jean Compagnon ontging niets, en hij glimlachte niet.

Er zijn wat losse eindjes en wat toevalligheden in het boek. De Canadees die neerstort bij het kasteel van de familie De Cygne blijkt een nazaat van Alain de Cygne, die door koning Hendrik IV naar Canada is gestuurd. Soit, het zijn maar wat kanttekeningen in een erg onderhoudend boek dat ik achter elkaar uit las. Ik ben benieuwd naar de boeken van Rutherford over New York en Londen.

Vertaling: Kees van Weele