archiveren

Muziek

FullSizeRender (002)
En dan ligt er een boek voor je van meer dan 5 kilo, een prachtcadeau van mijn lief. Dutch Mountains van Peter Voskuil. Volgens eigen zeggen Het ultieme standaardwerk over de Nederlandse platenindustrie. Ik houd niet zo van die zelfverheerlijkende titels maar…in dit geval ga ik hier in mee, want wat een schitterend boek is dit.

Ruim 700 pagina’s geschiedenis, heden en een vooruitblik over alles wat met muziek en de platenindustrie te maken heeft. In Nederland, maar ook daarbuiten, want die fonograaf hebben we nu eenmaal niet zelf uitgevonden. Chronologisch gezien hoef ik het niet helemaal na te vertellen, maar het begint in 1878 met het kermiswonder van dat wonderlijke apparaat waarmee goochelaar en illusionist Maju het land doortrekt. Het boek eindigt in 2015, waarin streamingdiensten van muziek gemeengoed zijn en het hele verdienmodel opnieuw uitgevonden moest worden.

Het is een schat aan informatie met talloze eye-openers (althans, voor mij). Dat varieert van het krijgen van inzicht in opnametechnieken tot het belang van bepaalde opnames uit heden en verleden. “Ouwe Taaie” van Eddy Christiani was tot voor kort een wat belegen liedje uit een ver verleden, maar ik wist niet dat het in feite een regelrechte protestsong was in een tijd van oorlog. Je kijkt er meteen anders tegenaan.

Je leest over de opkomst en ondergang van labels en maatschappijen en wat er voor nodig is om een hit te maken. Zo was het personeel van het later zo grote Decca-label ooit afhankelijk van de stoom van de wasserij op de begane grond om hun platen te persen.

De Nederpop ontstaat ironisch genoeg bij indo-bands als de Tielman Brothers, maar ook het levenslied gooit hoge ogen. Willy Alberti komt voort uit de Jordaan-gekte en zorgt met zijn hitsingle Marina voor de allereerste Nederlandse notering ooit in de Amerikaanse Billboard Top 100 (plaats 42). Den Haag als beatstad wordt uitgebreid beschreven en met name de capriolen in de studio’s, met alsmaar meer mogelijkheden, zijn prachtig om te lezen. Zo gaat het er aan toe, als Peter Koelewijn een single produceert van Q65;

Technicus van dienst die middag is de jonge Jan Audier. “De eerste keer dat ze gingen spelen, schrok ik me de pleuris”, herinnert hij zich. “Die meters lagen stijf in de rechterhoek in het rood, zo’n herrie was het. Toen heb ik een black out gehad. Ik dacht: hoe krijg ik die meters in godsnaam uit de hoek? Ik wilde niet afgaan.”
“Waar gaat die tekst eigenlijk over?” vraagt technicus Jan Audier als hij zijn black out weer enigszins te boven is. Audier spreekt redelijk goed Engels, maar verstaat er geen snars van. “Ik zal ’s gaan luisteren”, antwoordt Koelewijn. Hij gaat naast Bieler staan tijdens het inzingen, maar krijgt er ook geen hoogte van. Ze laten het maar zo.

Het is pionieren en je krijgt een goed inzicht in wie welke rol heeft gespeeld. Peter Koelwijn en Pierre Kartner blijken producers van formaat. Willem van Kooten is in de gehele geschiedenis alom aanwezig en Willem Duys had veel invloed.

De rol van het uitzendschip Veronica en later Radio Noordzee was ook van groot belang. Het waren elkaars concurrenten en dat ging zo ver dat de eigenaar van Veronica een bomaanslag pleegde op Radio Noordzee. Belangrijker was de uitvinding van de Top 40 en de invloed op de industrie. Er was sprake van manipulatie van de Top 40 en van payola, zeg maar omkoperij van disc-jockeys en andere belanghebbenden. Ik had er wel eens van gehoord, maar dat er voor Nederlandse concerns ook rechtstreeks zaken werd gedaan met de Amerikaanse maffia, was nieuw voor me. Inkoper Juan da Silva dobbelt zelfs over partijen van 20.000 lp’s, die bij de Free Record Shop in de bak ‘drie voor een tientje’ terecht komen.

De Free Record Shop wordt groot met parallelimport en kan zo goedkoop platen leveren. Dat brengt een hoop beroering in de industrie en één van degenen die er goed op weet in te spelen is de latere LPF-minister Herman Heinsbroek. Hij ziet het belang van een goede back-cataloque en het maken van compilatie-platen. Mensen betalen graag voor alle hits achter elkaar in plaats van een album met maar één of twee hits.

De ontwikkelingen gaan razendsnel en het wordt allemaal helder uitgelegd, compleet met grafieken en cijfers. De Palingsound, de opkomst van de cd en dvd en later de streamingdiensten, het staat er allemaal in. Door het hele boek staan aparte katernen waarin de totstandkoming van belangrijke Nederlandse platen wordt toegelicht. Maar het mooiste vind ik de talloze weetjes uit de praktijk, waardoor je muziek opnieuw gaat beleven of met andere ogen zien, of die ik gewoon wil weten als muziekliefhebber. Een paar dan;

– Hennie Huisman drumt helemaal niet op de opname van de hitsingel “House for Sale”  van de band Lucifer
– Frank Sinatra had bijna “In ’t kleine café aan de haven” gecovered, althans als het aan zijn producer had gelegen
– de moeder van Herman Heinsbroek heeft mijn “guilty pleasure” lp van Frankie Laine samengesteld (die kende ik als jongeling al van buiten en zijn moeder bleek groot fan, het was de enige compilatie die Heinsbroek niet zelf samenstelde)
– de hit “This is the moment” van René Froger lag klaar op de planken voor Whitney
Houston, maar die had net iets vergelijkbaars uitgebracht dus wilde hem niet.

Dat was nog in de tijd van lp’s en cd’s, maar het boek sluit af in de periode van streamingdienst en iTunes. Maarten Steinkamp, head of continental Europe van Sony/BMG;

“Ineens kon je muziek per track kopen. Dat is een game-changer van jewelste geweest. Als voor die tijd een single een succes werd, persten we die single bijvoorbeeld niet meer bij. Die trokken we dan van de markt af met het verhaal dat de single uitverkocht was. Dan moesten de mensen het album kopen om dat nummer toch te krijgen.”

Een verhelderend boek dus, groot en zwaar, maar daardoor ook met prachtige foto’s. Wat mij betreft een absolute aanrader voor iedere muziekliefhebber.

Advertenties

4aee6b856930032596f442b6e41444341587343
Hoewel ik van klassieke muziek houd heb ik geenszins een hekel aan de door het Maarten ’t Hart zo verfoeide ‘daverdreun’, ofwel de populaire muziek. Toen ik dit boek zag, 1001 albums die je gehoord moet hebben! van Robert Dimery, besloot ik tot een projectje. Ik zette de klassieke muziek gedurende een klein jaar op een laag pitje en ik begon in dit boek te lezen, terwijl ik die 1001 albums allemaal beluisterde.

Dat was een mooi avontuur mag ik wel zeggen. Het boek begint in de jaren ’50 van de vorige eeuw, het laatst beluisterde album is van 2015 en in zo’n 950 pagina’s krijg je een breed spectrum aan muziek voorgeschoteld. Daar zitten ook, voor de Nederlandse editie veertien albums bij uit de Lage Landen. Verder zijn de recensies geschreven door maar liefst 96 auteurs, waarvan de samensteller van dit boek, Robert Dimery er één is.

Ik heb talloze aantekeningen gemaakt en het is ondoenlijk ze allemaal te vermelden, maar een aantal hoogtepunten zijn wel te noemen. Het album “In The Wee Small Hours” van Sinatra is een parel, het mooiste break-up album ooit. “Sunday At The Village Vanguard” van Bill Evans uit 1961. Een prachtige jazz-plaat en wrang om te beseffen dat de bassist Scott LaFaro 10 dagen na de opnames stierf. Ik leer dat de hoes van het debuutalbum van Elvis Presley (1956) de inspiratie vormde voor de hoes van “London Calling” van The Clash (1979). Ik heb genoten van de electriserende live-opname van Sam Cooke op “Live At The Harlem Square Club” (1963) of van de ingehouden woede van Nina Simone op “Four Women”. Ik heb nieuwe muziek gehoord van bekende namen, zoals “Trout Mask Replica” van Captain Beefheart (1969) en bijna vergeten muziek weer opgehaald zoals bij “Moondance” van Van Morrison (1970). Ook mij volledig onbekende artiesten verrasten mij soms. Zo werd John Prine ooit als de nieuwe Dylan aangekondigd. Dat vind ik niet maar het is aangename, soms grappige singer/songwriter muziek.

Een stortvloed aan informatie, in prettig leesbare stukjes opgeschreven. Zoveel auteurs, zoveel kwaliteit, maar meestal to the point en soms grappig, zoals over deze vondst; een mij onbekend Genesis-album van voor de grote hits “The Lamb Lies Down On Broadway”(1974):

Gabriel gold in die tijd als een serieuze schrijver en schreef  een moderne Pilgrim’s Progress over ene Rael, een in leer gestoken Puerto-Ricaanse straatpunker die een lam zag liggen op Broadway. Of iemand, inclusief Gabriel, echt begreep waar dit over ging is onduidelijk, maar het dubbelalbum behoort tot zijn meest consistente werk en de band was op zijn best.

Nog wat weetjes dan. Het eerste nummer van Neil Young’s album “Rust Never Sleeps” is legendarisch geworden omdat Kurt Cobain van Nirvana het noemde in zijn afscheidsbrief voor zijn zelfmoord. De beroemde Amerikaanse muziekjournalist Lester Bangs luisterde naar “Dare!” van The Human League toen hij stierf aan een overdosis. David Bowie gaf een sneer naar zijn fans op zijn album “The Next Day” (2013) die geloofden dat zijn lange afwezigheid te maken had met zijn slechte gezondheid. “Here I am, not quite dying”, zong hij toen.

Uiteraard staan er ook zaken in waarbij ik mijn wenkbrauwen even optrok. Het debuutalbum van Run-DMC de bergrede van de rap te noemen is een tikje over de top, net als het afdoen van het album “Graceland” als de midlifecrisis van Paul Simon. Ronduit slordig was het ontbreken van de bespreking van het album “Remedy” van Basement Jaxx. Daar was opnieuw de bespreking van “H.M.S. Fable” van Shack onder geplaatst.

Verder is de keuze van die 1001 albums natuurlijk subjectief. Er was in mijn optiek onevenredig veel aandacht voor Indie muziek (op rock georiënteerde kunstmuziek) en drum-‘n-bass muziek (jaren ’90 dance genre). Daar houd ik niet persé van dus daar was het af en toe even doorbijten. Ook het ontbreken van klassiekers van Fleetwood Mac of Kiss wegen voor mij niet op tegen het opnemen van drie albums van de band My Bloody Valentine bijvoorbeeld. Maar dat gezegd hebbend was dit luisteravontuur zeer de moeite waard, al was het maar om de ontdekking van “Shake Your Money Maker” van The Black Crowes (1990), “Dry” van P.J. Harvey (1992) en “Kala” van M.I.A. (2007). Absolute topmuziek wat mij betreft.

Vertaling; Sietske Boonstra, John Degen, Carlo Gremmen, Ellen Hosmar, Debbie Nieberg, Wilma Paalman, Inge Pieters

9401422729-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Ik had De demonen van Leonard Cohen van Francis Mus nog in de kast liggen en het recente overlijden van de dichter/zanger was voor mij aanleiding het te lezen. Het is geen biografie maar een zoektocht naar de mens achter het werk. Dat gebeurt door duiding van een groot aantal teksten aan de hand van een aantal begrippen. Teksten uit Cohen’s romans, dichtbundels en muzieknummers worden doorgelicht op: imago, kunstenaarschap, vervreemding, religie, macht, verlangen en verlies en ontmoeting.

Werkt dat? Ten dele. In het nummer I’m your man zingt Cohen over het masker dat hij draagt en dat wordt door de auteur graag gebruikt voor die verschillende invalshoeken;

…wie wil weten wie Cohen – de mens en de kunstenaar – écht is, moet verder durven kijken. In dit boek wil ik daarom op zoek gaan maar de vele verschillende gedaantes waarin Cohen zich aan zijn publiek presenteert. Uit die zoektocht zal algauw blijken dat die talrijke maskers veel meer zijn dan een onschuldig spel. Uit elk masker spreekt, vaak op een subtiele en onvermoede manier, een reële bezorgdheid over existentiële vragen inzake leven, dood, religie, roeping, macht, liefde en seks.

Nu kan je bovenstaande toepassen op iedere  willekeurige veelschrijver en ik heb niet het idee dat ik Cohen heel veel beter ken, maar desondanks geeft het een paar fascinerende inkijkjes in zijn kunst. Zo was ik niet zo bekend met het feit dat Cohen als schrijver en dichter is begonnen. Hij kwam relatief laat tot de muziek, niet in het minst omdat hij niet beschikt over een gouden keel, iets waar hij in Tower of Song overigens mooi de draak mee steekt. Hij wist zijn donkere stem overigens om te buigen tot zijn grootste handelsmerk.

Het boek leert mij meer over bekende nummers als Suzanne en So long, Marianne maar gelukkig ook over de mens Leonard Cohen zelf. Hij is zelf joods, is opgegroeid met katholieke tradities en is zelf jarenlang bij boeddhisten in de leer geweest. Elementen die allemaal in zijn werk terug te vinden zijn. Het is ook een eigenzinnige man. Hij sloot zich aan bij Israël in de Jom-Kipoeroorlog, trok zich terug op een Grieks eiland om te schrijven, was jarenlang bekend als rokkenjager en is volgens eigen zeggen geboren in een pak. Hij zag er geen been in om een optreden af te breken als hij niet in de juiste stemming was, hier is een fragment te zien.

Geen biografie dus geen feitelijke opsomming van levensgebeurtenissen. Die biografie is er al, I’m your man geschreven door Sylvie Simmons en die lees ik wellicht nog eens, maar dit boek deed mij vooral in de teksten duiken van Cohen. Ik kende er een aantal, maar sommige zie ik in een ander licht en dat is winst. Sommigen kende ik niet, snap ik ook niet direct maar dat is vaak het mooie, ze roepen een gevoel op. Het is soms lastig uitleggen waarom teksten mij zo aanspreken. Ik had dat met de poëzie van J.W. Oerlemans en ik heb dat met veel teksten van Cohen, ze passen mij als een jas. Daarom ook lees ik dit boek, om die teksten beter te begrijpen en om passages als deze;

De titel van het nummer ‘Democracy’ lijkt bijvoorbeeld een filosofische bespiegeling over een politieke bestuursvorm aan te kondigen, maar is vooral een opsomming van concrete voorbeelden. De democratie is ‘coming from the sorrow in the street, from the homicidal bitchin’ that goes down in every kitchen to determine who will serve and who will eat.’

Prachtig, maar niet zo prachtig als Cohen’s bekende maar oh zo mooie zin uit Anthem. Dat hij ruste in vrede;

‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in’

 

 

31e491c51150dd7596d74576e41444341587343
Ik zit de laatste tijd behoorlijk in de “populaire” muziek, dus u bent vast gewaarschuwd. Dit keer was het de beurt aan de autobiografie van de Amerikaanse rockster Bruce Springsteen, Born to run.

Geen ghostwriter, maar geschreven door de man zelf en sinds Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur heeft gewonnen kijk ik nergens meer van op. Maar….de man blijkt een zeer onderhoudende schrijver en ik heb mij geen moment verveeld met die ruim 500 pagina’s.

Het is het verhaal van een jongen met Nederlands-Iers-Italiaanse voorouder die opgroeit aan de oostkust van de Verenigde Staten, in New Jersey. Geen makkelijke jeugd, met een vader die weinig naar hem omkeek. Opgegroeid in een arbeidersmilieu waar hij later zoveel over zou zingen. De muziek grijpt hem en hij werkt zich op via kleine bandjes tot uiteindelijk zijn eigen band, de E-Street Band.

Het is wel een mannetje, die Bruce. Hij is de baas en ieder lid van zijn band heeft zich te voegen naar zijn wensen. Daar zitten niet de minste muzikanten tussen, zoals de gitaristen “Little” Steve van Zandt en Nils Lofgren en de bekende saxofonist Clarence Clemons. Maar het werkt, ze hebben wereldwijd succes. Dat is overal keurig terug te lezen, maar wat dit boek zo interessant maakt zijn de verhalen achter de nummers. Zijn wereldhit “The River” was zijn doorbraak als tekstschrijver, zo zegt hij;

Ik baseerde het nummer op de ineenstorting van de bouw eind jaren zeventig in New Jersey, de recessie en de moeilijke tijd die mijn zus Virginia en haar gezin moesten doormaken. Ik zag hoe mijn zwager zijn goedbetaalde baan verloor en zonder klagen hard werkte om te overleven. Toen mijn zus het nummer voor de eerste keer had gehoord, kwam ze naar de kleedkamer, omhelsde me en zei: ‘Dat is mijn leven.’. Dat is nog steeds de beste recensie die ik ooit heb gehad.

Het boek geeft inkijkjes in zijn privé-leven, hoe hij uiteindelijk trouwt met Patti Scialfa en kinderen krijgt, maar ook hoe hij worstelt met depressies. Hij spaart zichzelf niet als hij het er over heeft;

Ik gaf mezelf er niet vaak aan over, maar ik kon het wel, zwijgen, juist voldoende om mijn geliefden doodsangst aan te jagen…Ik gebruikte dan snelheid en roekeloosheid om mijn eigen razernij en woede te uiten met als enige doel mijn passagier bang te maken. Het was walgelijk, intimiderend, gewelddadig en vernederend gedrag waar ik me achteraf enorm voor schaamde.

Wat vooral bij blijft van dit boek is de enorme gedrevenheid van de muzikant. Hij heeft geen prachtige stem, hij moet het hebben van hard werken en een tomeloze energie. Live optredens duren in de regel langer dan drie uur waarin hij onafgebroken in de weer is. Het ontstaan van zijn belangrijkste albums maak je van dichtbij mee, waarbij zijn folkalbum The Seeger Sessions voor mij onbekend was en een mooie eye-opener.  Prachtig is het fragment waarin hij door Mick Jagger wordt gebeld of hij met een concert van de Stones wil meespelen. Springsteen, de miljoenenartiest die hij inmiddels is, is onder de indruk als hij mag meespelen met de mannen die zijn genre muziek hebben uitgevonden. Prachtig leesvoer is het. Op internet is het meeste van zijn werk te vinden, inclusief veel live-optredens. Trek er eens een paar uur voor uit, het is genieten.

Vertaling; Rob de Ridder

Bruce Springsteen – New York – Madison Square Garden 2016 full show

 

904883158x-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_

De Nederlandse band The Golden Earring is er al mijn hele leven, dus ik was benieuwd naar de biografie van hun leadzanger Barry Hay. Hay is geschreven door Sander Donkers, die voor dit boek van zo’n 380 pagina’s zes maanden lang gesprekken voerde met de hoofdpersoon, zijn bandgenoten, familie en vrienden.

Barry Hay werd geboren in India als zoon van een Schotse militair en zijn flamboyante vrouw. Zijn moeder vluchtte al snel met Barry naar Nederland, weg van zijn (naar haar zeggen) gewelddadige vader. Barry kwam terecht op kostscholen, terwijl zijn moeder haar eigen wilde leven leidde. Zijn eerste publieke optreden was dan ook bij geregeld door zijn moeder in haar nachtclub. Hij belandde in de Haagse muziekscene en werd uiteindelijk gevraagd als zanger voor The Golden Earrings (met “s” toen nog).

Vervolgens begint een redelijk hedonistische opsomming over een muzikantenleven vol rock ’n roll. Natuurlijk hebben Hay en kompanen geen doorsnee leven. Ze touren in de Verenigde Staten, maar het charmante van dit boek is de Hollandse kneuterigheid die er overal doorheen schemert. Ze hebben grote shows gedaan met topartiesten, maar Hay vertelt over hun eerste optreden in de States;

Al snel bleek er niets te kloppen van de tourdata…’Alle optredens die we gedaan hebben, zijn ter plekke geregeld…’. Het podium-debuut op Amerikaanse bodem was nogal een valse noot, herinnert hij zich lachend. ‘Glickman had ons geboekt voor een bar mitswa! Van zijn neefje of zo…Dat was onze Amerikaanse vuurdoop. Heel pijnlijk allemaal.’

Het zijn kwajongens, of liever, Hay wil dat graag zijn. Rinus Gerritsen, de bassist is geheelonthouder. Gitarist George Kooymans en drummer Cesar Zuiderwijk gaan wat meer mee in de vaart der volkeren, maar Barry Hay haalt de meeste capriolen uit. Veel drank, redelijk veel drugs, maar toch ook fit genoeg om door te gaan. Hij wordt twee keer het vliegtuig uitgezet en belandt een keer in de gevangenis, maar weer, het zijn allemaal kleine vergrijpen. Ze ruiken even aan een internationale sterrenstatus maar vinden het in Nederland ook prima;

Het belangrijkste is, zegt Barry, dat hij nu een redelijk normaal leven kan leiden. Hoe leuk hij het ook vindt om de gebraden haan uit te hangen, hoe gestreeld hij ook is als iemand met hem op de foto wil, uiteindelijk weet hij dat hij niet in de wieg is gelegd voor het échte supersterrendom.

Polderrock en er is niets mis mee. Hay vertelt ook onverbloemd over zijn beslissing om met de Toppers op te treden. Goed geld en hij zingt zijn eigen nummers, dus waarom niet?

Een aparte vermelding verdient Sandra Hay, Barry’s 20 jaar jongere vrouw. Zij heeft een zware jeugd gehad, weinig tot geen liefde van haar ouders, maar dat veranderde toen ze Barry tegenkwam. Ze vielen voor elkaar en zij kan hem tegengas geven als dat nodig is (en het is nodig). Ik had geen idee wat ze allemaal heeft moeten doorstaan en ze komt naar voren als een sterke, zelfbewuste vrouw.

En Barry Hay, de hoofdpersoon? Eeuwige zonnebril, kwajongen, punctueel tot en met en extreem dierenliefhebber, maar wellicht het best getypeerd door een vriend;

…’het grappige is: van alle mensen die ik ken, heeft Barry veruit de minste agressie in zich. Dat kent ie gewoon niet…volkomen passief. Er zit geen greintje kwaadaardigheid bij. En begrijp me niet verkeerd: dat vind ik eigenlijk heel mooi.’

Het pleit voor de Nederlandse rocker dat het gewoon mag blijven staan in zijn biografie. Het is een lekker boek om te lezen, zeker als je van de muziek houdt. Alle hits komen voorbij, de videoclips en de ontmoetingen in de muziekwereld, maar ook persoonlijke verhalen worden niet gemeden, vaak verteld vanuit het huis in Curaçao.

9048829240.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Presentator Matthijs van Nieuwkerk werd een aantal jaar geleden gevraagd of hij een column in de VARA-gids wilde schrijven. Hij stemde in, met één voorwaarde, iedere column moest (vroeg of laat) gaan over Charles Aznavour. In dit boekje van 152 pagina’s zijn er 67 gebundeld.

Van Nieuwkerk is een enorme fan van Aznavour, dat blijkt uit zijn verhalen. Hij draait zijn muziek iedere dag en heeft zelfs de “Azna” van het jaar. Een jaar lang draait hij iedere morgen hetzelfde nummer en start zo zijn dag.

Het leukst zijn de weetjes, zoals over het ontstaan van het nummer “Sur ma vie”. Zo mocht Aznavour best eens optreden in de Parijse muziektempel Olympia, maar dat moest wel met een nieuw nummer, volgens de toenmalige directeur daar. Graag morgen af. Van Nieuwkerk;

Aznavour schreef in de meest benauwde en belangrijkste seconden van zijn leven een hymne, een volkslied voor zichzelf. Het gekke is; ik heb in Holland Sport veel topsporters geïnterviewd die, op het moment dat het er op aankwam, niet in vorm waren. En elke keer als ik de eerste zucht van het excuus hoorde, dacht ik aan Charles Aznavour en Olympia, 1956. Idioot. Ik hield dan ook mijn mond.

Het zijn allemaal ultra korte stukjes en de kwaliteit is niet hoog. Ik ben echter ook fan van Aznavour dus ik vergeef het hem direct. Ronduit irritant vond ik de toevoeging overal “de beste zanger die ooit geleefd heeft”, maar goed. Waar ik van smul zijn stukjes als deze, dan ren ik naar de computer;

Ga naar YouTube, tik in: aznavour-emmenez moi. U kiest de uitvoering waarbij staat: live in concert 2004. Kijk deze clip van 4.05 minuten nu eerst eens rustig uit…Hier staat een zanger van tachtig jaar…Hij maakt een vuist, hij wijst naar een plaats achter in de zaal, hij grijpt katachtig in de lucht, hij snuift, hij wijst met twee vingers naar boven. Hij zingt alsof zijn leven van elke lettergreep afhangt…Aznavour spat het eruit, spuugt de staalharde c’s de zaal in, je ziet het publiek bijna bukken.
En dan! Zie hem dansen (heel even in slow-motion), zwieren op zijn eigen onweerstaanbare melodie. Elegant is niet voor niets een Frans woord.

Alleen deze column was het tientje al meer dan waard. Wat een zanger.

 

                           Emmenez-moi live in concert 2004

 

 

a8b36500e4bb680597046316c41444341587343
Waar moet je beginnen als je Johnny Cash De Biografie van Robert Hilburn hebt gelezen? Zo’n 680 pagina’s barstensvol muziekhistorie over een muzikaal icoon. Ik kende zijn belangrijkste nummers maar wat een leven; ik had geen idee.

Het boek gaat vooral over de mens Cash. Het schetst niet zozeer een tijdsbeeld, hoewel je daar indirect genoeg van meekrijgt. De focus ligt op zijn privé-leven en de muziek die hij maakt. Zijn eerste contract krijgt hij bij Sun Records, het label waar Elvis Presley ook voor zingt. Zo leer ik dat Cash met het idee van Blue suede shoes komt en dat Carl Perkins het nummer schrijft. De oprichter van het label, Sam Phillips, gelooft in Cash en geeft hem de ruimte om platen op te nemen. Cash trouwt met zijn jeugdliefde Vivian. Hier ontstaan zijn grote hits Folsom prison blues, I walk the line en Hey Porter. Er wordt muziekgeschiedenis geschreven bij Sun, luister eens naar een opname van The Million Dollar Quartet (helaas…van internet verwijderd), een spontane jamsessie tussen Johnny Cash, Elvis Presley, Carl Perkins en Jerry Lee Lewis bijvoorbeeld.

Grote successen volgen en hectische reisschema’s eveneens. Cash grijpt naar amfetamine om op de been te blijven. Veel amfetamine, hij raakt zwaar verslaafd. Als hij zich ondergewaardeerd voelt, tekent hij bij Columbia. Een grote maatschappij waar hij de vrije hand krijgt. Hij neemt op wat hij wil, ook de gospelliederen waar eigenlijk zijn hart ligt. Hij treedt op in gevangenissen, komt op voor gevangenen, indianen en andere achtergestelde groepen. Hij wordt mateloos populair. Zijn relatie met Vivian loopt stuk en hij ontmoet June Carter, die met de Carter Family al furore maakte. Hij zal haar trouwen. Dat is Cash ook. Waar hij eerst I walk the line schreef, een nummer om Vivian te bewijzen dat hij trouw was op zijn tournees, schreef hij later het keiharde Understand your man, waar hij ijskoud meedeelt dat hij vertrekt. Luister er eens naar.

Cash is af en toe volledig de weg kwijt door de drugs. Hij komt bijna om in een zelf gestichte brand en geeft zijn neef de schuld. Hij mag optreden in Carnegie Hall maar verknalt het. Vaak is er niet met hem te werken en June heeft een keer echtscheiding aangevraagd, hoewel niet doorgezet.

Dat hij de vrije hand krijgt bij Columbia lijkt mooi, maar er volgt een lange periode waarin hij geen hit scoort. Hij wordt niet gecorrigeerd en soms zit er tenenkrommend materiaal tussen;

Opnieuw knikte Law alleen maar goedkeurend bij alles wat Cash voorstelde – hoewel hij zijn vriend een veel betere dienst zou hebben bewezen door hem te wijzen op het bizarre arrangement van weer een nieuw nummer, ‘Allegheny’ van Chris Gantry, waarin June krijste als een aangeschoten havik.

Ik heb het beluisterd, het is geen gehoor. Als Cash ouder wordt gaat het slechter en slechter met zijn gezondheid, het resultaat van drank en drugs. Zijn carrière gaat niet geweldig, tot hij producer Rick Rubin tegen komt. Die vraagt Cash gewoon eens wat te zingen, alleen met zijn gitaar. Hij ziet dat Cash het nog steeds heeft en maakt een album met hem, onder de titel American Recordings. Cash is weer helemaal terug, onder meer met het geweldige Delia’s Gone, een wrang nummer met een magistrale, door Anton Corbijn geregisseerde clip. Kijken!

Op een volgend album volgt een cover van de groep Nine Inch Nales en dat is Hurt. In het boek wordt beschreven hoe de clip tot stand komt. Het moet bij Cash thuis omdat hij te ziek is. Cash thuis, met een interpretatie tot op het bot. June komt er in voor en kijk naar haar gezicht. Ze weet daar dat ze zelf ziek is (een lekkende hartklep) en de beelden van de oude, zieke Cash worden afgewisseld met beelden van een jonge, vitale Cash. Cash twijfelde of hij dit wilde laten zien, maar hij stemde toe. Ook, kijken!

June overleed eerder en Cash was er kapot van. Hij zou een paar maanden later overlijden.

Het lijkt mij de definitieve biografie te zijn over de mens en zijn muziek. Hilburn heeft Johnny en June vaak geïnterviewd en heeft medewerking en de goedkeuring verkregen van de kinderen van Cash. Hij was als enige journalist bij het beroemde concert in de Folsom Prison gevangenis en heeft inzage gekregen in persoonlijke documenten van de familie.

Minpunt van het boek is de slechte inhoudsopgave achterin. Meerdere malen wilde ik informatie terugzoeken over een nummer en blijkt het niet op de genoemde pagina’s te staan. Slecht redactiewerk dus. Verder heb ik bewust lang over het boek gedaan. Reden is dat ik The Complete Columbia Recordings van Cash heb aangeschaft. Die kan je prachtig meeluisteren met het boek. Van het merendeel van de 64 cd’s wordt uitgelegd hoe ze tot stand kwamen en wat de hoogte- en dieptepunten zijn. Een grote toegevoegde waarde, net als de latere American Recordings (zes cd’s) met Rick Rubin. Goed, ik heb me dus 3 weken begraven in de muziek van Cash, ik schat een goede 70 uur muziek beluisterd en het nadeel is even dat ik niet weet wat nu te lezen of te luisteren. Afkicken heet dat, geloof ik.

Misschien moet ik afsluiten met wat Keith Richards over zijn muziek zei;

‘Wat de vroege rock-‘n-roll betreft: als iemand naar me toe zou komen en om een of andere reden maar van één persoon muziek zou mogen meenemen naar een onbewoond eiland, zou ik zeggen: “Chuck Berry is belangrijk, maar man, zorg dat je Cash te pakken krijgt!”‘

Vertaling; Conny Sykora en Vera Sykora