archiveren

Muziek

9083014002.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Niets menselijks is mij vreemd, ik mag graag aan het eind van het jaar naar de Top 2000 luisteren. Een paar dagen de grootste hits op een rij. Bij wijze van voorpret las ik dit boek, 20 jaar Top 2000, geschreven door Leo Blokhuis, Dirk Jan Roeleveen. Norbert Pek en Arjan Vlakveld.

Het is een “koffietafelboek” inclusief een 10’’ lp, waarop een aantal nummers staan die in het boek worden toegelicht. “Koffietafelboek” impliceert meestal veel foto’s en weinig tekst en dat klopt voor een groot deel. Gelukkig valt er in die 239 pagina’s genoeg in te beleven.

In het boek staan afwisselend zogenaamde “docu’s”, achtergrondverhalen over een artiest of een bepaald nummer, “petit histoires”, kortere verhaaltjes over een thema of artiesten en “Top 2000 Specials”. Dat zijn achtergrondverhalen over het begin en de opzet van de lijst, de verwante quiz op televisie en bijzondere verhalen over de lijst zelf.

Zo’n boek bevalt mij het meest als ik het moeilijk weg kan leggen en dat begon eerlijk gezegd wat aarzelend. De verhalen over Amy MacDonald en The Lovin’ Spoonful waren weinig diepgravend, maar dat mag wellicht ook niet verwacht worden van een koffietafelboek.

Ik begon erin te komen met de verhalen over de opzet van de lijst. Dat was in het begin een vooraf opgestelde lijst die eigenlijk door de luisteraar in de goede volgorde moest worden gezet. We praten dan over het jaar 1999, waarin de eerste uitzending vorm krijgt. Internet speelt nog geen rol, dus er komen stapels met antwoordcoupons binnen. Er wordt gezocht naar het juiste format om uit te zenden en daarbij werd er wel eens gesjoemeld;

Marketeer Bart de Voogd; “Zo’n Echoes van Pink Floyd is natuurlijk killing. Met een nummer van 23 minuten verlies je luisteraars. Die ging dan naar de avond of nacht toe.”

Als de televisie erbij komt is dat ook even zoeken en wennen. Een café waar over muziek gepraat wordt en waar een quiz wordt gedaan, prima, maar trekt dat geen luisteraars weg van de radio? Hoe gaan die televisiejongens met een radiolijst aan de haal?  Ook dat was even zoeken. Leo Blokhuis is wel eens stevig onderhouden over het feit dat hij tè kritisch was over bepaalde nummers. Het zijn, zeker nu de keuze vrij is, toch vaak nummers met voor iedereen een persoonlijk verhaal erachter. Het zijn boeiende afwegingen om te lezen en ze vormen een mooie kijk achter de schermen.

Het leukste aan een boek als dit vind ik de achtergrondinformatie. Dat een wereldhit als Thriller van Michael Jackson een beginversie heeft die Starlight heet én dat deze tegenwoordig op Youtube te vinden is. Ik wil weten waar een nummer als Black Betty van Ram Jam vandaan komt. Dat blijkt dan een oude worksong te zijn die ook terug te vinden is, gezongen door James “Iron Head’ Baker. Overigens wordt hier een gouden tip aan de hand gedaan, want Blokhuis en consorten weten ook niet alles; zij gaan te rade bij Arnold Rypens uit België, die er zijn levenswerk van heeft gemaakt om de ontstaansgeschiedenis uit te vissen van bekende hits. Die staan inmiddels in zijn boek Originals en u begrijpt dat deze inmiddels besteld is.

Het verhaal van Rita Coolidge kende ik ook niet. Zij en de drummer Jim Gordon staan aan de basis van een mij geliefd nummer Layla van Derek & The Dominos (Eric Clapton is de zanger), met name het pianodeel ervan. Rita zou nooit de credits krijgen, Jim eindigt in de gevangenis na de moord op zijn moeder.

Ook het verhaal van de titelsong van de Korea-serie en -film M*A*S*H is opmerkelijk, Suicide is painless. Als artiest wordt vaak M*A*S*H aangeduid, maar dat is natuurlijk geen artiest. Componist Johnny Mandel schreef de muziek, maar als tekstschrijver staat Mike Altman genoemd. Dat is de dan veertienjarige zoon van de regisseur. Een tiener die zo’n eigenaardige tekst schrijft? Arjan Vlakveld vertelt;

Als ik Mandel later in Los Angeles interview, legt hij uit hoe dit zo gekomen is. Robert Altman wilde voor een speciale scene een ‘raar’ nummertje. Mandel piekerde hierover en dronk iets te veel en componeerde naar eigen zeggen voor het eerst in zijn leven een nummer dronken. Hij is geen tekstschrijver en weet zich dan verder ook geen raad met de opdracht. De regisseur stelt voor om zijn tienerzoon te vragen, aangezien die een ‘raar’ jong is. Als beloning vraagt de jongen een gitaar, maar de producent van de film schrijft gewoon alle rechten toe aan Mike Altman.

Goede zet, zoonlief verdiende met het nummer vele malen meer dan zijn vader met de film. Het nummer wordt overigens gezongen door The Ron Hicklin Singers. Dat zijn sessie-zingers, die de studio inlopen, het nummer inzingen en alle vier een cheque van honderd dollar ervoor toucheerden.

Dat zijn toch verhalen die ik wil horen. De verhalen over het tot stand komen van die verhalen mogen er ook zijn. Er moet vaak wat gedraaid worden voor de televisie en dat valt niet altijd mee. Rickie Lee Jones gedraagt zich een beetje vreemd als zij categorisch weigert om haar hitsingle Chuck E.’s In love te willen zingen. Toch lukt het en dat levert een mooi verhaal op.

Ik snap dat een boek als dit geen diepgravende reportages kan bevatten, maar soms leidt het geschrevene toch tot meer vragen. Als men de oorspronkelijke schrijver van de Bløf-hit Zoutelande opzoekt, gaat het meerdere malen over royalties. De zanger Axel Bosse van het origineel, Frankfurt Oder zegt over de cover;

Ze hebben het mooi gedaan. Ik was meteen fan. En natuurlijk trots en blij dat zo’n bekende band mijn lied speelt. Als ik de royalty’s krijg, ga ik daarvan met vakantie naar Nederland’.

Hij maakt er blijkbaar geen punt van, maar als lezer ben ik dan toch benieuwd hoe het zit met die afrekening. Verder, los van wat slordigheden als “Nooit niet” en “vingerstoppen” is dit een prima boek waar ik toch weer een hoop uit geleerd heb. Prima opmaat voor de komende Top 2000.

9048846196.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
When Giants Walked the Earth is de vuistdikke biografie van de legendarische rockgroep Led Zeppelin, geschreven door muziekjournalist Mick Wall. Het boek werd in 2008 geschreven maar kwam pas dit jaar in de Nederlandse vertaling uit.

Het is het verhaal van de gitarist Jimmy Page die muzikanten zocht voor een nieuw te formeren rockgroep. Hij liet zangers auditeren en kwam bij de relatief onervaren Robert Plant uit. Die kende John “Bonzo” Bonham, een fenomenale drummer met een snoeiharde slag. De sessiemuzikant en multi-instrumentalist John Paul Jones nodigde zichzelf uit en Led Zeppelin was geboren.

Page had al materiaal ontwikkeld en wist precies wat hij met de groep wilde. Ze vonden een manager in Peter Grant van een speciaal kaliber. Dat was iemand die de beste deals voor zijn artiesten uit het vuur sleepte, niet altijd met de meeste tact. Er werden platen gemaakt met nummers waarvoor vrijelijk werd geleend van andere, vaak oudere bluesnummers. Dat is meteen de kracht van dit boek, want van talloze nummers wordt beschreven hoe ze zijn ontstaan. Ideaal om de muziek op te zetten terwijl je het verhaal erover leest. Dat lenen werd de groep overigens niet altijd in dank afgenomen, er zijn veel aanklachten wegens plagiaat geweest.

Maar dan de muziek… Het zijn namelijk vier van de beste muzikanten die je je kan indenken. Zeker hebben ze muziek geleend, maar daar hebben ze vervolgens fantastische dingen mee gedaan. Ieder album is weer anders en ik heb ze inmiddels allemaal meerdere keren beluisterd.

Het succes kwam, maar daarmee ook de problemen. De groep ging touren en was vaak lang van huis. Onvermijdelijk kwamen ze in aanraking met groupies en drugs. Iedereen ging zwaar voor de bijl en dat wordt in geuren en kleuren beschreven. Vooral Bonham, ziek van heimwee af en toe naar zijn gezin, was een man met twee gezichten. Hij dronk vreselijk, gebruikte zwaar (net als Page later) en vernielde talloze hotelkamers. Thuis in Engeland was hij een familieman en loyaal aan zijn oude vrienden.

Terug naar de muziek dan. Jimmy Page was een liefhebber van occulte zaken en die liet hij een rol spelen in de muziek of in het design van de platenhoezen. De auteur beschrijft ook uitgebreid hoe Page met die zaken bezig is, je krijgt zijn fascinatie mee voor de Britse esotericus Aleister Crowley (Page zou zijn huis aan Loch Ness kopen) én wat dit betekent voor de muziek.

Uiteindelijk versnelden een paar persoonlijke drama’s het einde van de groep. Robert Plant nam een lange pauze toen zijn zoontje overleed en John Bonham dronk zichzelf dood. Omdat Plant zich later toelegde op succesvolle solo-projecten en Jones altijd werk had als sessiemuzikant viel de groep uit elkaar. Ze kwamen later nog wel voor wat concerten bijeen en zeker Jimmy Page wilde nog doorgaan (met de zoon van Bonham als drummer), maar Robert Plant wilde niet meer. Dat duurt tot op de dag van vandaag voort.

Ik kende wel wat muziek van Led Zeppelin voordat ik aan dit boek begon, maar wat mij toch verraste is de veelzijdigheid aan muziekstijlen. Hardrock en heavy metal, dat zit erin, maar ook funk, folk, reggae, rock ‘n’ roll én Arabische, Indiase en Keltische invloeden zijn hoorbaar.

Is zo’n dik boek van zo’n 560 pagina’s leesbaar? Jawel, hoewel er makkelijk 100 pagina’s vanaf geredigeerd hadden kunnen worden. Het zijn wel heel veel door drank en drugs getekende tournees die beschreven worden. De redactie was het zelf ook een beetje kwijt want op pagina 322 en 344 staan een paar precies dezelfde zinnen.

Wat wel goed werkt is dat de auteur de biografie verrijkt met gefingeerde stukken over de bandleden. Gefingeerd, zo zegt hij zelf, maar wel na heel veel research en gesprekken. Hij heeft recht van spreken want Mick Wall kent Jimmy Page al zo’n twintig jaar. Zo’n stuk, in dit geval over Bonham leest dan als volgt;

Tegen de tijd dat je Robert ontmoette, wist je al dat je goed was. Dat was in de Oldhill Plaza, waar hij in een apenpak de presentatie verzorgde. Later trad hij op met zijn groep, The Crawling King Snakes, in een spijkerbroek en T-shirt. De groep was slecht en dat heb je hem achteraf ook verteld, maar hij was eigenlijk best goed. Dus zei je dat je hem een gunst zou doen en bood je aan met ze te spelen. Hij keek je aan en lachte naar je en je dacht dat hij je in de zeik nam en wilde hem bijna voor zijn bek slaan. Maar het was duidelijk dat hij goed kon zingen dus je zag het dit keer door de vingers.

Zo wordt het verhaal van de bandleden en hun manager tussen de feiten door dus ook nog verteld. Voor de liefhebber is er het online Led Zeppelin magazine op http://www.tightbutloose.co.uk/. Een liefhebber was ik al wel, maar dit boek heeft mij een stuk verder geholpen in mijn waardering voor de band en hun muziek.

Vertaling; Manon Berlang en Patricia Moerland

6e4fcbef542c660593652675451444341587343
Ooggetuigen van de Rock ‘n’ Roll van René van Stipriaan is een boek met meer dan 100 reportages over muziek, gevat in nog geen 400 pagina’s. Je voelt dan al op je klompen aan dat dit geen diepgravend geheel gaat worden en ik wist niet goed wat ik er van moest denken. Aan de andere kant, ik nam het mee op vakantie en daar zou het zo maar eens prima geschikt voor kunnen zijn.

Allereerst laten we de samensteller zelf maar eens aan het woord over wat hij beoogt met de artikelen in dit boek;

Ik heb me bij de selectie gericht op beschrijvingen van gebeurtenissen en niet op analyses van ontwikkelingen, stromingen dan wel randverschijnselen. Daar zijn andere boeken voor…Ook heb ik geen representatief overzicht van muziekstijlen willen geven, al heb ik me niet willen beperken tot alleen datgene wat direct met rock en blues te maken heeft. Het zal de lezer opvallen dat ik het begrip ‘rock ‘n’ roll’ ruim opvat, ook folk, country, soul en hiphop laat ik eronder vallen…

Vooral gebeurtenissen dus en dan vaak geput uit de memoires van directbetrokkenen. Met zulke korte artikelen komt er inderdaad een ware stortvloed over je heen. Een kleine greep; waarom blueszanger BB King zijn gitaren ‘Lucille’ noemt, de rel van folkzanger Bob Dylan die ineens elektrische gitaar speelt, de doden tijdens het Rolling Stones-concert in Altamont, de zelfmoordpoging van Tina Turner, de bizarre verbranding in de woestijn van countryzanger Gram Parsons, de duistere wereld waarin punkzanger Sid Vicious leeft en sterft en ga zo maar door.

Veel wist ik al maar er stond toch ook een hoop (voor mij) nieuwe informatie in. De royalties die zangeres Ruth Brown alsnog van de platenmaatschappij loskreeg na 25 jaar, de zangwedstrijd tussen Marvin Gaye en een twaalfjarige Stevie Wonder en het verblijf van folkzangeres Joan Baez in Noord-Vietnam. Ook is er soms zowaar wat achtergrondinformatie over hoe de beroemde (inmiddels voor doodslag veroordeelde) producer Phil Spector te werk ging maar die momenten zijn schaars. U kunt hier beter terecht als u wilt lezen over de dood van Buddy Holly, Brian Jones, Jim Morrison, Chet Baker, Kurt Cobain en Tupac Shakur.

Toch staan er ook mooie stukken in, zoals wanneer Carl Perkins merkt wat voor invloed hij op The Beatles heeft gehad. Perkins vertelt;

Ik had ‘I wanna hold your hand’ een keer gehoord. Mijn kinderen kwamen uit school, [begint met een spottende stem te zingen] ‘I wanna hold your hand’. En toen zei ik: ‘Die mafketels lijken net meisjes. Dat is toch niks.’ Maar Stan, mijn oudste zoon, zei: ‘George Harrison noemt jou zijn favoriete gitarist.’ ‘Dat kan me niet schelen,’ zei ik. ‘Het zijn mietjes.’ Ik maakte weliswaar een grapje, maar eigenlijk meende ik wat ik zei…Die avond zaten ze op de bank en ik zat op de grond, en John Lennon vroeg: ‘Hoe ben je in godsnaam begonnen met “Right String Baby”’
‘Waar heb je dat domme nummer dan gehoord?’ vroeg ik.
‘Wij hebben al je platen! En we speelden ze soms vertraagd af.’
George vertelde me dat hij zo gitaar had leren spelen.
‘Het zal wel geen opzet zijn geweest,’ zei ik, ‘maar jullie klinken net als die oude Sun Records.’
Op dat moment sprong John Lennon op van de bank. Ik dacht even dat hij me misschien een trap in mijn buik wou geven; wist ik veel wat hij van plan was. Hij zei: ‘Jongens, jullie hebben het gehoord.’ Hij boog zich naar me toe…sloeg zijn armen om me heen en kuste me op de wang.

Zo staan er nog wel wat leuke fragmenten in. Lezenswaardig zijn ook de artikelen over grote evenementen als Woodstock, het Altamont festival en de achtergronden van Band Aid en Live Aid.

Geen uitgebreide essays, maar voor wat diverterend leeswerk tussendoor voldoet het prima.

9492626411.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Jacques Brel, een leven. Dat is de titel van de enige biografie over de Franse chansonnier die door de familie Brel wordt erkend. De Franse schrijver Olivier Todd schreef hem al in 1984 en gek genoeg is hij vorig jaar pas vertaald en enigszins geactualiseerd.

Nu heb ik veel op met het Franse lied. Ik ken veel nummers van Brel maar gek genoeg wist ik praktisch niets van de man zelf. Met goed 400 pagina’s moest dat goed komen. Bovendien staan er achterin nuttige bijlagen over Brel en de filmmuziek, Brel en de Franse dichtkunst, de bibliotheek van Brel, een discografie, een filmografie en een bibliografie.

Het mooie van dit boek is dat je vlak op de huid van Brel zit. De auteur kreeg toegang tot het privé-archief van de zanger en sprak met familieleden, vrienden en collega’s. Alle verhalen zijn nog vers, Brel overleed in 1978.

Zijn levensloop zou ik vooral uit het boek zelf halen, dat hoef ik niet helemaal na te vertellen. Wat ik niet wist, was dat Brel een behoorlijk gecompliceerd man was. Hij trouwde met Thérèse Michielsen of ‘Miche’ maar was haar ontrouw. Openlijk zelfs. Die vrouw verdient onderhand een standbeeld voor wat ze te verduren heeft gekregen, maar ze heeft de keuze gemaakt om bij Brel te blijven. Ze kregen drie dochters en het is ook niet mals wat Brel over hen zegt en hoe hij ze behandelt.

Om te zingen en op te treden vertrekt Brel naar Frankrijk en het is prachtig om te lezen hoe hij daar voet aan de grond probeert te krijgen. Leuk weetje, hij gaat er in zee met de directeur van een theater, tevens artistiek directeur bij Philips Jacques Canetti, de broer van Elias die in 1981 de Nobelprijs voor Literatuur zou krijgen. Maar het is sappelen in Parijs. Hij staat af te wassen met Charles Aznavour om wat geld te verdienen en hij treedt op, niet altijd met succes;

Een recensent van France-Soir herinnert hem eraan dat er nog treinen rijden naar Brussel.

Uiteindelijk krijgt hij succes en dat leidt tot een uitputtend leven. Hij rookt en drinkt onmatig en heeft verschillende relaties. Het is een leven met ups en downs;

In hun hotelkamers verstoppen de vrienden zich vaak in kasten…De bende van Brel vindt het leuk om wc-rollen af te wikkelen en met roomtaarten te smijten, zoals in stomme films. Gérard, Jean en de anderen en zelfs ‘diehard’ Jojo vinden dat Jacques soms een ‘beetje te ver’ gaat…Hij heeft ook zijn ‘down-momenten’, zoals zijn vrienden het noemen. Dan zit hij in zijn zetel in zijn loge te jammeren.
Ik ga ermee kappen…Ik heb aan alles schijt. Wat een rotleven! Ik heb het moeilijk.

Uiteindelijk zou hij ook stoppen met zingen en legt hij zich toe op zijn andere passies. Hij gaat acteren en regisseren. Ook haalt hij zijn vliegbrevet en wil hij gaan zeilen. Dat doet hij ook en hij zeilt hij de wereld over met zijn vriendin Maddly Bamy én zijn dochter France. Zijn vrouw Miche blijft achter. Hij krijgt longkanker en vestigt zich uiteindelijk met Maddly op Hiva Oa, een eiland in de Stille Oceaan. Daar wordt hij ook begraven, op een paar passen van de Franse schilder Paul Gauguin.

Het is een wat wonderlijk boek. Ik wilde meer weten over Brel en dat is zeker gelukt, het boek staat bomvol informatie. De artiest is mij nog steeds dierbaar, over de mens heb ik niet een heel rooskleurig beeld gekregen. Dat wil zeggen, voor zijn familie was hij moeilijk, voor zijn vrienden zeer genereus.

Waarom is het dan een wonderlijk boek? Dat heeft te maken met de schrijfstijl. Die is soms erg van de hak-op-de-tak en soms onbegrijpelijk. Als het gaat over wat zijn vrienden van hem denken wordt in een tussenzin opeens gezegd dat hij in een café in Luik een advocaat genaamd Grafé ontmoet. Vervolgens gaan we weer terug naar zijn vrienden en meneer Grafé duikt pas summier een kleine 100 pagina’s later op. Ik snapte niets van die tussenzin. Als het gaat om het doel van de jeugdbeweging waar Brel actief was volgt ineens de zin

‘Deze ‘deontologie’ zou kunnen afglijden naar een Belgisch ‘pétainisme’…

Ik moest hem even opzoeken. Zo staan er talloze vreemde zinnen en wendingen in het boek (iemand breekt ‘deze keer definitief tijdelijk’ met Brel op blz. 78. Ook knap). Ik spreek Frans maar voor degenen die dat niet doen is het onhandig dat de talloze nuttige en mooie liedteksten nergens vertaald worden.

Er is dus wel iets af te dingen op het boek maar het laat onverlet dat ik toch geboeid heb zitten lezen door de talloze details over het bewogen leven van een groot zanger.

Vertaling; Marianne Maes

47b49f85c265ccc596932377267444341587343
De biografie van Nina Simone door muziekjournalist Alan Light was gepland als aanvulling op de documentaire What Happened, Miss Simone, door Liz Garbus. Deze documentaire is te zien op Netflix en het boek is bedoeld om het verhaal verder in te vullen en verbanden te leggen die in de film niet konden worden gelegd.

Nu moet ik de film nog zien en het boek maakt me erg nieuwsgierig. Ik was bekend met haar muziek maar niet met de verscheidenheid ervan. Blues, gospel, jazz, dat wist ik, maar Israëlische volksliedjes, composities van Bertold Brecht en Kurt Weill, nummers van The Bee Gees, kinderliedjes…ik moest mijn huiswerk opnieuw doen. Dat ze goed piano kon spelen wist ik ook, niet dat ze echt een klassiek geschoold pianiste was en Bach en Chopin veelvuldig door haar songs werden geweven.

Haar jeugd was niet bepaald makkelijk. Ze had een uitzonderlijk muzikaal talent waar haar ouders niet bepaald oog voor hadden. Haar moeder was predikante en altijd onderweg, haar vader had moeite om zijn werk te behouden. Nina, eigenlijk Eunice Kathleen Waymon, ging in clubs spelen onder een artiestennaam, zodat haar moeder daar niet achter zou komen. Uiteindelijk komen ze wel naar een optreden en dan komt Nina in aanraking met een ander fenomeen; rassenscheiding. Haar ouders werden achterin de zaal gezet en Nina weigerde te spelen tot ze weer vooraan plaats mochten nemen.

Dat zou een andere belangrijke peiler worden, Nina Simone werd een fervent burgerrechtenactiviste, tot aan het militante aan toe. Privé was het ook niet makkelijk. Ze trouwde een nietsnut en scheidde, tot ze politie-agent Andy Stroud ontmoette. Hij werd haar manager en ze kregen een dochter. Muzikaal gezien was ze een fenomeen. De auteur en haar gitarist voor het leven, Al Shackman, lichten toe;

Ze kon inmiddels verschillende onafhankelijke muzikale draadjes door elkaar spelen. Ze verwerkte allerlei dingen die ze van Bach had geleerd in popliedjes en geïmproviseerde stukken. Dankzij dit fijnzinnige vermogen kon ze uniek creatief terrein afbakenen. Shackman; ‘Miles Davis vroeg me ooit: “Hoe doet ze dat?” ik heb geen idee hoe iemand zo veel verschillende stukjes muziek kan isoleren’.

Langzaam maar zeker wordt de chaos in haar leven groter. Ze radicaliseert meer, gaat een relatie aan met de minister-president van Barbados en Simone en Andy groeien uit elkaar. Haar dagboekfragmenten laten dit zien;

Andrew & ik gingen in het vliegtuig op de vuist. Hartstikke leuk, de andere passagiers waren doodsbang…Misschien is mijn doodswens een protest tegen verveling.

De moorden op Malcolm X en Martin Luther King hebben een grote impact op Simone. Ze zet haar activisme onverminderd voort en vertoont steeds wispelturiger gedrag op en naast het podium. Het nummer Mississippi Goddam is één van haar beroemde protestsongs, ongehoord met een vloek in de titel. Een schijnbaar futiel voorval met haar vader maakt dat ze hem niet meer wil zien, ook niet op zijn sterfbed. Daar schrijft ze dan weer een huiveringwekkend nummer over (luister naar het pianospel!), vrij op de tekst van Gilbert O’Sullivans hit ‘Alone Again’.

Door belastingperikelen (en racisme volgens Simone) ontvluchtte ze de Verenigde Staten en ging in Liberia wonen. Later verhuisde ze naar Zwitserland, naar Nijmegen en Amsterdam en uiteindelijk naar Frankrijk. Ze kampte met haar bipolaire stoornis en ging eens met een mes achter een fan aan en schoot met een hagelgeweer op twee jongens. Toch trad ze ook nog op, zo goed en kwaad als het ging waarbij ze onverminderd succes had. Uiteindelijk overleed ze op zeventigjarige leeftijd aan borstkanker.

Een paar zaken deden mij vreemd aan in dit boek (met drie jaar haar vader verzorgen en met 6 maanden bekend met notenschrift?) maar verder is het prettig leesbaar. Ik denk dat het boek wat uitvoeriger had gekund (het is zo’n 280 pagina’s lang) want er is erg veel materiaal beschikbaar maar het is bedoeld als aanvulling op de documentaire. Er is veel aandacht voor haar rol als activiste maar gelukkig vooral als muzikante. Dat lijkt me ook belangrijker dan de sensatiekant van haar, door ziekte, soms markante gedrag.

940160746x.01._sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Toen iedereen in Nederland met buttons op liep van de populaire popgroep Doe Maar, dompelde ik mijzelf onder in de reggae-muziek van Bob Marley, Peter Tosh, Third World en Burning Spear. Roger Steffens is een auteur/producer met een immens reggae-archief en hij heeft talloze interviews gehouden met mensen uit de reggae-wereld. Zo is deze biografie van ruim 400 pagina’s ook opgebouwd. Het is de weergave van zijn gesprekken met mensen om Bob Marley heen, terwijl hijzelf die gesprekken aan elkaar praat.

Er is ook veel te vertellen. Over zijn vroege jeugd in het dorp Nine Mile. Zijn moeder was achttien en zijn blanke vader was een Engelsman van vierenzestig. Die was al snel uit beeld. Bob kwam terecht in de beroemde wijk van Kingston, Trench Town. Daar verzamelde hij vrienden om zich heen om muziek te maken. De meest beroemde daarvan zijn Bunny Wailer en Peter Tosh. In deze fase is de al bekende Joe Higgs erg belangrijk als mentor voor de beginnende muzikanten. Marley ontmoet Rita en ze trouwen vrij snel en in het geheim.

Bob is enorm gedreven en is altijd bezig met zijn muziek én met sporten. Hij voetbalt wanneer hij maar kan. Ook raakt hij onder invloed van het Rastafari-geloof. Eén van de zangeressen van de Wailers, Beverly Kelso, zegt daarover;

Dat hele rastagedoe begon bij Rita’s broer. Ik geloof dat hij studeerde aan de University of the West Indies. Hij kamde zijn haar niet. Ik herinner me dat hij tegen ze preekte en ze van alles vertelde over Babylon. Ik weet niet wat hij allemaal preekte. Toen dat preken begon, gingen ze allemaal meer roken.

Het geloof zou een belangrijke rol spelen in de teksten van Marley. Er worden platen opgenomen en ze moeten moeite doen om gedraaid te worden. Allan ‘Skill’ Cole, de manager van Marley, geeft aan in wat voor wereld zij zich moesten begeven;

De fabrieken waren in het bezit van de producers, die dus alles in handen hadden; de radiostations, payola, de hitlijsten, alles. Pas toen we erin zaten, konden we ook een deel opeisen, maar daarvoor was soms brute kracht nodig…niemand accepteerde het geld van de rastaman…Als iemand onze muziek niet wilde draaien, gingen we bij hem langs om met hem te praten, hem te bedreigen. Soms moesten we autobanden lekprikken en dat soort dingen…Maar we hebben nooit iemand vermoord.

Dat is dan weer fideel. Andersom was dat wel bijna het geval. Marley en zijn groep worden beroemd en even voor een groot festival wordt er een aanslag gepleegd door gewapende mannen. Tijdens de repetitie worden ze beschoten en zowel Bob als Rita Marley worden geraakt maar overleven het. Sterker, een paar dagen erna doen ze toch dat optreden, het nu beroemde Smile-concert. Het is nooit helemaal duidelijk geworden waarom die aanslag is gepleegd en het was een risico om op te treden. Het zijn indrukwekkende beelden. Het podium staat propvol (“als we gaan, dan met z’n allen”) en de auteur vertelt hierover;

Het was naar mijn smaak het meest ongelooflijke moment van de geschiedenis van de twintigste-eeuwse popmuziek: Bob, met een kogel in zijn arm. die tachtigduizend mensen luttele dagen voor een cruciale verkiezing toezong met aan zijn zijde zijn vrouw die een kogel in haar schedel had. Waar valt zoiets in vredesnaam mee te vergelijken?

Marley maakt reizen naar Afrika en tourt door Europa. In Parijs wordt in zijn teen een melanoom geconstateerd. Dat wordt behandeld, maar niet adequaat genoeg. Deels een medische nalatigheid, deels koppigheid van Marley zelf. Hij wordt zieker en zieker, blijkt doodziek toch geweldige concerten te geven tot het niet meer gaat. Hij sterft op 36-jarige leeftijd.

Ik kende wel wat achtergronden van de man en zijn muziek, maar het is verfrissend om alles in interview-vorm terug te lezen. Je hoort zo ook verschillende kanten van een bepaalde gebeurtenis. Soms spreken personen elkaar faliekant tegen, maar de auteur kiest ervoor om die versies naast elkaar te laten bestaan en dat lijkt me prima. Fijn om weer ondergedompeld te worden in die prachtige muziek.

Vertaling; Robert Neugarten

FullSizeRender (002)
En dan ligt er een boek voor je van meer dan 5 kilo, een prachtcadeau van mijn lief. Dutch Mountains van Peter Voskuil. Volgens eigen zeggen Het ultieme standaardwerk over de Nederlandse platenindustrie. Ik houd niet zo van die zelfverheerlijkende titels maar…in dit geval ga ik hier in mee, want wat een schitterend boek is dit.

Ruim 700 pagina’s geschiedenis, heden en een vooruitblik over alles wat met muziek en de platenindustrie te maken heeft. In Nederland, maar ook daarbuiten, want die fonograaf hebben we nu eenmaal niet zelf uitgevonden. Chronologisch gezien hoef ik het niet helemaal na te vertellen, maar het begint in 1878 met het kermiswonder van dat wonderlijke apparaat waarmee goochelaar en illusionist Maju het land doortrekt. Het boek eindigt in 2015, waarin streamingdiensten van muziek gemeengoed zijn en het hele verdienmodel opnieuw uitgevonden moest worden.

Het is een schat aan informatie met talloze eye-openers (althans, voor mij). Dat varieert van het krijgen van inzicht in opnametechnieken tot het belang van bepaalde opnames uit heden en verleden. “Ouwe Taaie” van Eddy Christiani was tot voor kort een wat belegen liedje uit een ver verleden, maar ik wist niet dat het in feite een regelrechte protestsong was in een tijd van oorlog. Je kijkt er meteen anders tegenaan.

Je leest over de opkomst en ondergang van labels en maatschappijen en wat er voor nodig is om een hit te maken. Zo was het personeel van het later zo grote Decca-label ooit afhankelijk van de stoom van de wasserij op de begane grond om hun platen te persen.

De Nederpop ontstaat ironisch genoeg bij indo-bands als de Tielman Brothers, maar ook het levenslied gooit hoge ogen. Willy Alberti komt voort uit de Jordaan-gekte en zorgt met zijn hitsingle Marina voor de allereerste Nederlandse notering ooit in de Amerikaanse Billboard Top 100 (plaats 42). Den Haag als beatstad wordt uitgebreid beschreven en met name de capriolen in de studio’s, met alsmaar meer mogelijkheden, zijn prachtig om te lezen. Zo gaat het er aan toe, als Peter Koelewijn een single produceert van Q65;

Technicus van dienst die middag is de jonge Jan Audier. “De eerste keer dat ze gingen spelen, schrok ik me de pleuris”, herinnert hij zich. “Die meters lagen stijf in de rechterhoek in het rood, zo’n herrie was het. Toen heb ik een black out gehad. Ik dacht: hoe krijg ik die meters in godsnaam uit de hoek? Ik wilde niet afgaan.”
“Waar gaat die tekst eigenlijk over?” vraagt technicus Jan Audier als hij zijn black out weer enigszins te boven is. Audier spreekt redelijk goed Engels, maar verstaat er geen snars van. “Ik zal ’s gaan luisteren”, antwoordt Koelewijn. Hij gaat naast Bieler staan tijdens het inzingen, maar krijgt er ook geen hoogte van. Ze laten het maar zo.

Het is pionieren en je krijgt een goed inzicht in wie welke rol heeft gespeeld. Peter Koelwijn en Pierre Kartner blijken producers van formaat. Willem van Kooten is in de gehele geschiedenis alom aanwezig en Willem Duys had veel invloed.

De rol van het uitzendschip Veronica en later Radio Noordzee was ook van groot belang. Het waren elkaars concurrenten en dat ging zo ver dat de eigenaar van Veronica een bomaanslag pleegde op Radio Noordzee. Belangrijker was de uitvinding van de Top 40 en de invloed op de industrie. Er was sprake van manipulatie van de Top 40 en van payola, zeg maar omkoperij van disc-jockeys en andere belanghebbenden. Ik had er wel eens van gehoord, maar dat er voor Nederlandse concerns ook rechtstreeks zaken werd gedaan met de Amerikaanse maffia, was nieuw voor me. Inkoper Juan da Silva dobbelt zelfs over partijen van 20.000 lp’s, die bij de Free Record Shop in de bak ‘drie voor een tientje’ terecht komen.

De Free Record Shop wordt groot met parallelimport en kan zo goedkoop platen leveren. Dat brengt een hoop beroering in de industrie en één van degenen die er goed op weet in te spelen is de latere LPF-minister Herman Heinsbroek. Hij ziet het belang van een goede back-cataloque en het maken van compilatie-platen. Mensen betalen graag voor alle hits achter elkaar in plaats van een album met maar één of twee hits.

De ontwikkelingen gaan razendsnel en het wordt allemaal helder uitgelegd, compleet met grafieken en cijfers. De Palingsound, de opkomst van de cd en dvd en later de streamingdiensten, het staat er allemaal in. Door het hele boek staan aparte katernen waarin de totstandkoming van belangrijke Nederlandse platen wordt toegelicht. Maar het mooiste vind ik de talloze weetjes uit de praktijk, waardoor je muziek opnieuw gaat beleven of met andere ogen zien, of die ik gewoon wil weten als muziekliefhebber. Een paar dan;

– Hennie Huisman drumt helemaal niet op de opname van de hitsingel “House for Sale”  van de band Lucifer
– Frank Sinatra had bijna “In ’t kleine café aan de haven” gecovered, althans als het aan zijn producer had gelegen
– de moeder van Herman Heinsbroek heeft mijn “guilty pleasure” lp van Frankie Laine samengesteld (die kende ik als jongeling al van buiten en zijn moeder bleek groot fan, het was de enige compilatie die Heinsbroek niet zelf samenstelde)
– de hit “This is the moment” van René Froger lag klaar op de planken voor Whitney
Houston, maar die had net iets vergelijkbaars uitgebracht dus wilde hem niet.

Dat was nog in de tijd van lp’s en cd’s, maar het boek sluit af in de periode van streamingdienst en iTunes. Maarten Steinkamp, head of continental Europe van Sony/BMG;

“Ineens kon je muziek per track kopen. Dat is een game-changer van jewelste geweest. Als voor die tijd een single een succes werd, persten we die single bijvoorbeeld niet meer bij. Die trokken we dan van de markt af met het verhaal dat de single uitverkocht was. Dan moesten de mensen het album kopen om dat nummer toch te krijgen.”

Een verhelderend boek dus, groot en zwaar, maar daardoor ook met prachtige foto’s. Wat mij betreft een absolute aanrader voor iedere muziekliefhebber.