archiveren

Muziek

9401422729-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Ik had De demonen van Leonard Cohen van Francis Mus nog in de kast liggen en het recente overlijden van de dichter/zanger was voor mij aanleiding het te lezen. Het is geen biografie maar een zoektocht naar de mens achter het werk. Dat gebeurt door duiding van een groot aantal teksten aan de hand van een aantal begrippen. Teksten uit Cohen’s romans, dichtbundels en muzieknummers worden doorgelicht op: imago, kunstenaarschap, vervreemding, religie, macht, verlangen en verlies en ontmoeting.

Werkt dat? Ten dele. In het nummer I’m your man zingt Cohen over het masker dat hij draagt en dat wordt door de auteur graag gebruikt voor die verschillende invalshoeken;

…wie wil weten wie Cohen – de mens en de kunstenaar – écht is, moet verder durven kijken. In dit boek wil ik daarom op zoek gaan maar de vele verschillende gedaantes waarin Cohen zich aan zijn publiek presenteert. Uit die zoektocht zal algauw blijken dat die talrijke maskers veel meer zijn dan een onschuldig spel. Uit elk masker spreekt, vaak op een subtiele en onvermoede manier, een reële bezorgdheid over existentiële vragen inzake leven, dood, religie, roeping, macht, liefde en seks.

Nu kan je bovenstaande toepassen op iedere  willekeurige veelschrijver en ik heb niet het idee dat ik Cohen heel veel beter ken, maar desondanks geeft het een paar fascinerende inkijkjes in zijn kunst. Zo was ik niet zo bekend met het feit dat Cohen als schrijver en dichter is begonnen. Hij kwam relatief laat tot de muziek, niet in het minst omdat hij niet beschikt over een gouden keel, iets waar hij in Tower of Song overigens mooi de draak mee steekt. Hij wist zijn donkere stem overigens om te buigen tot zijn grootste handelsmerk.

Het boek leert mij meer over bekende nummers als Suzanne en So long, Marianne maar gelukkig ook over de mens Leonard Cohen zelf. Hij is zelf joods, is opgegroeid met katholieke tradities en is zelf jarenlang bij boeddhisten in de leer geweest. Elementen die allemaal in zijn werk terug te vinden zijn. Het is ook een eigenzinnige man. Hij sloot zich aan bij Israël in de Jom-Kipoeroorlog, trok zich terug op een Grieks eiland om te schrijven, was jarenlang bekend als rokkenjager en is volgens eigen zeggen geboren in een pak. Hij zag er geen been in om een optreden af te breken als hij niet in de juiste stemming was, hier is een fragment te zien.

Geen biografie dus geen feitelijke opsomming van levensgebeurtenissen. Die biografie is er al, I’m your man geschreven door Sylvie Simmons en die lees ik wellicht nog eens, maar dit boek deed mij vooral in de teksten duiken van Cohen. Ik kende er een aantal, maar sommige zie ik in een ander licht en dat is winst. Sommigen kende ik niet, snap ik ook niet direct maar dat is vaak het mooie, ze roepen een gevoel op. Het is soms lastig uitleggen waarom teksten mij zo aanspreken. Ik had dat met de poëzie van J.W. Oerlemans en ik heb dat met veel teksten van Cohen, ze passen mij als een jas. Daarom ook lees ik dit boek, om die teksten beter te begrijpen en om passages als deze;

De titel van het nummer ‘Democracy’ lijkt bijvoorbeeld een filosofische bespiegeling over een politieke bestuursvorm aan te kondigen, maar is vooral een opsomming van concrete voorbeelden. De democratie is ‘coming from the sorrow in the street, from the homicidal bitchin’ that goes down in every kitchen to determine who will serve and who will eat.’

Prachtig, maar niet zo prachtig als Cohen’s bekende maar oh zo mooie zin uit Anthem. Dat hij ruste in vrede;

‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in’

 

 

Advertenties

31e491c51150dd7596d74576e41444341587343
Ik zit de laatste tijd behoorlijk in de “populaire” muziek, dus u bent vast gewaarschuwd. Dit keer was het de beurt aan de autobiografie van de Amerikaanse rockster Bruce Springsteen, Born to run.

Geen ghostwriter, maar geschreven door de man zelf en sinds Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur heeft gewonnen kijk ik nergens meer van op. Maar….de man blijkt een zeer onderhoudende schrijver en ik heb mij geen moment verveeld met die ruim 500 pagina’s.

Het is het verhaal van een jongen met Nederlands-Iers-Italiaanse voorouder die opgroeit aan de oostkust van de Verenigde Staten, in New Jersey. Geen makkelijke jeugd, met een vader die weinig naar hem omkeek. Opgegroeid in een arbeidersmilieu waar hij later zoveel over zou zingen. De muziek grijpt hem en hij werkt zich op via kleine bandjes tot uiteindelijk zijn eigen band, de E-Street Band.

Het is wel een mannetje, die Bruce. Hij is de baas en ieder lid van zijn band heeft zich te voegen naar zijn wensen. Daar zitten niet de minste muzikanten tussen, zoals de gitaristen “Little” Steve van Zandt en Nils Lofgren en de bekende saxofonist Clarence Clemons. Maar het werkt, ze hebben wereldwijd succes. Dat is overal keurig terug te lezen, maar wat dit boek zo interessant maakt zijn de verhalen achter de nummers. Zijn wereldhit “The River” was zijn doorbraak als tekstschrijver, zo zegt hij;

Ik baseerde het nummer op de ineenstorting van de bouw eind jaren zeventig in New Jersey, de recessie en de moeilijke tijd die mijn zus Virginia en haar gezin moesten doormaken. Ik zag hoe mijn zwager zijn goedbetaalde baan verloor en zonder klagen hard werkte om te overleven. Toen mijn zus het nummer voor de eerste keer had gehoord, kwam ze naar de kleedkamer, omhelsde me en zei: ‘Dat is mijn leven.’. Dat is nog steeds de beste recensie die ik ooit heb gehad.

Het boek geeft inkijkjes in zijn privé-leven, hoe hij uiteindelijk trouwt met Patti Scialfa en kinderen krijgt, maar ook hoe hij worstelt met depressies. Hij spaart zichzelf niet als hij het er over heeft;

Ik gaf mezelf er niet vaak aan over, maar ik kon het wel, zwijgen, juist voldoende om mijn geliefden doodsangst aan te jagen…Ik gebruikte dan snelheid en roekeloosheid om mijn eigen razernij en woede te uiten met als enige doel mijn passagier bang te maken. Het was walgelijk, intimiderend, gewelddadig en vernederend gedrag waar ik me achteraf enorm voor schaamde.

Wat vooral bij blijft van dit boek is de enorme gedrevenheid van de muzikant. Hij heeft geen prachtige stem, hij moet het hebben van hard werken en een tomeloze energie. Live optredens duren in de regel langer dan drie uur waarin hij onafgebroken in de weer is. Het ontstaan van zijn belangrijkste albums maak je van dichtbij mee, waarbij zijn folkalbum The Seeger Sessions voor mij onbekend was en een mooie eye-opener.  Prachtig is het fragment waarin hij door Mick Jagger wordt gebeld of hij met een concert van de Stones wil meespelen. Springsteen, de miljoenenartiest die hij inmiddels is, is onder de indruk als hij mag meespelen met de mannen die zijn genre muziek hebben uitgevonden. Prachtig leesvoer is het. Op internet is het meeste van zijn werk te vinden, inclusief veel live-optredens. Trek er eens een paar uur voor uit, het is genieten.

Vertaling; Rob de Ridder

Bruce Springsteen – New York – Madison Square Garden 2016 full show

 

904883158x-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_

De Nederlandse band The Golden Earring is er al mijn hele leven, dus ik was benieuwd naar  naar de biografie van hun leadzanger Barry Hay. Hay is geschreven door Sander Donkers, die voor dit boek van zo’n 380 pagina’s zes maanden lang gesprekken voerde met de hoofdpersoon, zijn bandgenoten, familie en vrienden.

Barry Hay werd geboren in India als zoon van een Schotse militair en zijn flamboyante vrouw. Zijn moeder vluchtte al snel met Barry naar Nederland, weg van zijn (naar haar zeggen) gewelddadige vader. Barry kwam terecht op kostscholen, terwijl zijn moeder haar eigen wilde leven leidde. Zijn eerste publieke optreden was dan ook bij geregeld door zijn moeder in haar nachtclub. Hij belandde in de Haagse muziekscene en werd uiteindelijk gevraagd als zanger voor The Golden Earrings (met “s” toen nog).

Vervolgens begint een redelijk hedonistische opsomming over een muzikantenleven vol rock ’n roll. Natuurlijk hebben Hay en kompanen geen doorsnee leven. Ze touren in de Verenigde Staten, maar het charmante van dit boek is de Hollandse kneuterigheid die er overal doorheen schemert. Ze hebben grote shows gedaan met topartiesten, maar Hay vertelt over hun eerste optreden in de States;

Al snel bleek er niets te kloppen van de tourdata…’Alle optredens die we gedaan hebben, zijn ter plekke geregeld…’. Het podium-debuut op Amerikaanse bodem was nogal een valse noot, herinnert hij zich lachend. ‘Glickman had ons geboekt voor een bar mitswa! Van zijn neefje of zo…Dat was onze Amerikaanse vuurdoop. Heel pijnlijk allemaal.’

Het zijn kwajongens, of liever, Hay wil dat graag zijn. Rinus Gerritsen, de bassist is geheelonthouder. Gitarist George Kooymans en drummer Cesar Zuiderwijk gaan wat meer mee in de vaart der volkeren, maar Barry Hay haalt de meeste capriolen uit. Veel drank, redelijk veel drugs, maar toch ook fit genoeg om door te gaan. Hij wordt twee keer het vliegtuig uitgezet en belandt een keer in de gevangenis, maar weer, het zijn allemaal kleine vergrijpen. Ze ruiken even aan een internationale sterrenstatus maar vinden het in Nederland ook prima;

Het belangrijkste is, zegt Barry, dat hij nu een redelijk normaal leven kan leiden. Hoe leuk hij het ook vindt om de gebraden haan uit te hangen, hoe gestreeld hij ook is als iemand met hem op de foto wil, uiteindelijk weet hij dat hij niet in de wieg is gelegd voor het échte supersterrendom.

Polderrock en er is niets mis mee. Hay vertelt ook onverbloemd over zijn beslissing om met de Toppers op te treden. Goed geld en hij zingt zijn eigen nummers, dus waarom niet?

Een aparte vermelding verdient Sandra Hay, Barry’s 20 jaar jongere vrouw. Zij heeft een zware jeugd gehad, weinig tot geen liefde van haar ouders, maar dat veranderde toen ze Barry tegenkwam. Ze vielen voor elkaar en zij kan hem tegengas geven als dat nodig is (en het is nodig). Ik had geen idee wat ze allemaal heeft moeten doorstaan en ze komt naar voren als een sterke, zelfbewuste vrouw.

En Barry Hay, de hoofdpersoon? Eeuwige zonnebril, kwajongen, punctueel tot en met en extreem dierenliefhebber, maar wellicht het best getypeerd door een vriend;

…’het grappige is: van alle mensen die ik ken, heeft Barry veruit de minste agressie in zich. Dat kent ie gewoon niet…volkomen passief. Er zit geen greintje kwaadaardigheid bij. En begrijp me niet verkeerd: dat vind ik eigenlijk heel mooi.’

Het pleit voor de Nederlandse rocker dat het gewoon mag blijven staan in zijn biografie. Het is een lekker boek om te lezen, zeker als je van de muziek houdt. Alle hits komen voorbij, de videoclips en de ontmoetingen in de muziekwereld, maar ook persoonlijke verhalen worden niet gemeden, vaak verteld vanuit het huis in Curaçao.

9048829240.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Presentator Matthijs van Nieuwkerk werd een aantal jaar geleden gevraagd of hij een column in de VARA-gids wilde schrijven. Hij stemde in, met één voorwaarde, iedere column moest (vroeg of laat) gaan over Charles Aznavour. In dit boekje van 152 pagina’s zijn er 67 gebundeld.

Van Nieuwkerk is een enorme fan van Aznavour, dat blijkt uit zijn verhalen. Hij draait zijn muziek iedere dag en heeft zelfs de “Azna” van het jaar. Een jaar lang draait hij iedere morgen hetzelfde nummer en start zo zijn dag.

Het leukst zijn de weetjes, zoals over het ontstaan van het nummer “Sur ma vie”. Zo mocht Aznavour best eens optreden in de Parijse muziektempel Olympia, maar dat moest wel met een nieuw nummer, volgens de toenmalige directeur daar. Graag morgen af. Van Nieuwkerk;

Aznavour schreef in de meest benauwde en belangrijkste seconden van zijn leven een hymne, een volkslied voor zichzelf. Het gekke is; ik heb in Holland Sport veel topsporters geïnterviewd die, op het moment dat het er op aankwam, niet in vorm waren. En elke keer als ik de eerste zucht van het excuus hoorde, dacht ik aan Charles Aznavour en Olympia, 1956. Idioot. Ik hield dan ook mijn mond.

Het zijn allemaal ultra korte stukjes en de kwaliteit is niet hoog. Ik ben echter ook fan van Aznavour dus ik vergeef het hem direct. Ronduit irritant vond ik de toevoeging overal “de beste zanger die ooit geleefd heeft”, maar goed. Waar ik van smul zijn stukjes als deze, dan ren ik naar de computer;

Ga naar YouTube, tik in: aznavour-emmenez moi. U kiest de uitvoering waarbij staat: live in concert 2004. Kijk deze clip van 4.05 minuten nu eerst eens rustig uit…Hier staat een zanger van tachtig jaar…Hij maakt een vuist, hij wijst naar een plaats achter in de zaal, hij grijpt katachtig in de lucht, hij snuift, hij wijst met twee vingers naar boven. Hij zingt alsof zijn leven van elke lettergreep afhangt…Aznavour spat het eruit, spuugt de staalharde c’s de zaal in, je ziet het publiek bijna bukken.
En dan! Zie hem dansen (heel even in slow-motion), zwieren op zijn eigen onweerstaanbare melodie. Elegant is niet voor niets een Frans woord.

Alleen deze column was het tientje al meer dan waard. Wat een zanger.

 

                           Emmenez-moi live in concert 2004

 

 

a8b36500e4bb680597046316c41444341587343
Waar moet je beginnen als je Johnny Cash De Biografie van Robert Hilburn hebt gelezen? Zo’n 680 pagina’s barstensvol muziekhistorie over een muzikaal icoon. Ik kende zijn belangrijkste nummers maar wat een leven; ik had geen idee.

Het boek gaat vooral over de mens Cash. Het schetst niet zozeer een tijdsbeeld, hoewel je daar indirect genoeg van meekrijgt. De focus ligt op zijn privé-leven en de muziek die hij maakt. Zijn eerste contract krijgt hij bij Sun Records, het label waar Elvis Presley ook voor zingt. Zo leer ik dat Cash met het idee van Blue suede shoes komt en dat Carl Perkins het nummer schrijft. De oprichter van het label, Sam Phillips, gelooft in Cash en geeft hem de ruimte om platen op te nemen. Cash trouwt met zijn jeugdliefde Vivian. Hier ontstaan zijn grote hits Folsom prison blues, I walk the line en Hey Porter. Er wordt muziekgeschiedenis geschreven bij Sun, luister eens naar een opname van The Million Dollar Quartet (helaas…van internet verwijderd), een spontane jamsessie tussen Johnny Cash, Elvis Presley, Carl Perkins en Jerry Lee Lewis bijvoorbeeld.

Grote successen volgen en hectische reisschema’s eveneens. Cash grijpt naar amfetamine om op de been te blijven. Veel amfetamine, hij raakt zwaar verslaafd. Als hij zich ondergewaardeerd voelt, tekent hij bij Columbia. Een grote maatschappij waar hij de vrije hand krijgt. Hij neemt op wat hij wil, ook de gospelliederen waar eigenlijk zijn hart ligt. Hij treedt op in gevangenissen, komt op voor gevangenen, indianen en andere achtergestelde groepen. Hij wordt mateloos populair. Zijn relatie met Vivian loopt stuk en hij ontmoet June Carter, die met de Carter Family al furore maakte. Hij zal haar trouwen. Dat is Cash ook. Waar hij eerst I walk the line schreef, een nummer om Vivian te bewijzen dat hij trouw was op zijn tournees, schreef hij later het keiharde Understand your man, waar hij ijskoud meedeelt dat hij vertrekt. Luister er eens naar.

Cash is af en toe volledig de weg kwijt door de drugs. Hij komt bijna om in een zelf gestichte brand en geeft zijn neef de schuld. Hij mag optreden in Carnegie Hall maar verknalt het. Vaak is er niet met hem te werken en June heeft een keer echtscheiding aangevraagd, hoewel niet doorgezet.

Dat hij de vrije hand krijgt bij Columbia lijkt mooi, maar er volgt een lange periode waarin hij geen hit scoort. Hij wordt niet gecorrigeerd en soms zit er tenenkrommend materiaal tussen;

Opnieuw knikte Law alleen maar goedkeurend bij alles wat Cash voorstelde – hoewel hij zijn vriend een veel betere dienst zou hebben bewezen door hem te wijzen op het bizarre arrangement van weer een nieuw nummer, ‘Allegheny’ van Chris Gantry, waarin June krijste als een aangeschoten havik.

Ik heb het beluisterd, het is geen gehoor. Als Cash ouder wordt gaat het slechter en slechter met zijn gezondheid, het resultaat van drank en drugs. Zijn carrière gaat niet geweldig, tot hij producer Rick Rubin tegen komt. Die vraagt Cash gewoon eens wat te zingen, alleen met zijn gitaar. Hij ziet dat Cash het nog steeds heeft en maakt een album met hem, onder de titel American Recordings. Cash is weer helemaal terug, onder meer met het geweldige Delia’s Gone, een wrang nummer met een magistrale, door Anton Corbijn geregisseerde clip. Kijken!

Op een volgend album volgt een cover van de groep Nine Inch Nales en dat is Hurt. In het boek wordt beschreven hoe de clip tot stand komt. Het moet bij Cash thuis omdat hij te ziek is. Cash thuis, met een interpretatie tot op het bot. June komt er in voor en kijk naar haar gezicht. Ze weet daar dat ze zelf ziek is (een lekkende hartklep) en de beelden van de oude, zieke Cash worden afgewisseld met beelden van een jonge, vitale Cash. Cash twijfelde of hij dit wilde laten zien, maar hij stemde toe. Ook, kijken!

June overleed eerder en Cash was er kapot van. Hij zou een paar maanden later overlijden.

Het lijkt mij de definitieve biografie te zijn over de mens en zijn muziek. Hilburn heeft Johnny en June vaak geïnterviewd en heeft medewerking en de goedkeuring verkregen van de kinderen van Cash. Hij was als enige journalist bij het beroemde concert in de Folsom Prison gevangenis en heeft inzage gekregen in persoonlijke documenten van de familie.

Minpunt van het boek is de slechte inhoudsopgave achterin. Meerdere malen wilde ik informatie terugzoeken over een nummer en blijkt het niet op de genoemde pagina’s te staan. Slecht redactiewerk dus. Verder heb ik bewust lang over het boek gedaan. Reden is dat ik The Complete Columbia Recordings van Cash heb aangeschaft. Die kan je prachtig meeluisteren met het boek. Van het merendeel van de 64 cd’s wordt uitgelegd hoe ze tot stand kwamen en wat de hoogte- en dieptepunten zijn. Een grote toegevoegde waarde, net als de latere American Recordings (zes cd’s) met Rick Rubin. Goed, ik heb me dus 3 weken begraven in de muziek van Cash, ik schat een goede 70 uur muziek beluisterd en het nadeel is even dat ik niet weet wat nu te lezen of te luisteren. Afkicken heet dat, geloof ik.

Misschien moet ik afsluiten met wat Keith Richards over zijn muziek zei;

‘Wat de vroege rock-‘n-roll betreft: als iemand naar me toe zou komen en om een of andere reden maar van één persoon muziek zou mogen meenemen naar een onbewoond eiland, zou ik zeggen: “Chuck Berry is belangrijk, maar man, zorg dat je Cash te pakken krijgt!”‘

Vertaling; Conny Sykora en Vera Sykora

9492093057.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Bachs grote Passie van Ad de Keyzer is een lijvig boek van zo’n 450 pagina’s, over de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach. Het is een boek ‘für Kenner und Liebhaber’. Kenner zal ik mijzelf niet noemen maar Liebhaber zeker wel en ik was erg benieuwd naar dit boek.

Nu is er al aardig wat geschreven over Bach en zijn werken, ook over de Matthäus-Passion, dus wat voegt dit boek toe? Dat is het perspectief van waaruit het is geschreven, namelijk het spiritueel-liturgisch perspectief. Die liturgische context is een interessante, want het werk is niet geschreven voor de concertzaal, maar voor de vespers van Goede Vrijdag. Het maakt onderdeel uit van een dienst. De recitatieven en aria’s die gezongen worden krijgen betekenis en lading door de joodse en christelijke godsdienst met alle tradities die erbij horen.

Daarin gaat de auteur ver. We krijgen een toelichting op de componist én de tekstschrijver Picander en de tijd waarin zij leefden. Er wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van de Matthäus-Passion en de uitvoeringspraktijk. Belangrijk hierin is, dat het werk de voltrekking is van een rite in de liturgie. Het hoort dus gewoon thuis in de dienst. Dat uit zich ook in de rolverdeling. De zangers zijn verkondigers van het woord van God, geen operasterren.

Een eye-opener vond ik de beschrijving van de melodische stijlfiguren die Bach hanteert. Haarfijn wordt uitgelegd welke technieken Bach gebruikte en waar in het werk hij deze heeft toegepast.

Alle liturgische en muzikaal-technische bagage krijgen we mee in deel 1 van het boek, om er in deel 2 mee aan de slag te gaan. Hierin wordt de complete Matthäus-Passion doorgenomen en worden de 27 delen liturgisch én muzikaal geduid. De volledige tekst met vertaling wordt weergegeven en de delen die worden besproken worden onderstreept. Glashelder allemaal. Zo wordt bijvoorbeeld de hiërarchie in de Hoge Raad beschreven:

Bovenaan staan de hogepriesters; zij krijgen in de maten 1-2 de hoogste eer met een hoge a op [Hohen]pries[ter]. Dan volgen in dezelfde maat een toon lager, op een g, de Schrift[gelehrten]. Helemaal onderaan op de ladder staan de oudsten van het volk, de Ältesten, met een lage fis in maat 3.

En hier stuiten we misschien op de makke van het boek; het is een boek voor de echte liefhebber. Het is erg handig als je de Matthäus zo’n beetje uit je hoofd kent, zodat je de passages die je leest direct hoort. Of je loopt je wezenloos naar je cd-speler, dat kan natuurlijk ook. Ook de muzikale termen die in deel 1 worden uitgelegd buitelen in deel 2 echt over je heen. Je moet je er wel even in verdiepen.

Verder biedt het een schat aan informatie; de liturgie en dwarsverbanden uit de bijbel worden er steeds bijgehaald. Het voorhang in de tempel scheurde. Hoe zat dat met dat voorhang? Jezus kreeg azijn met gal te drinken. Wat voor gal? Was dat om te jennen of hem te helpen door hem te verdoven? Wie waren de dochters van Zion? Waarom worden we ineens geconfronteerd met het feilen van Adam? Ik ken de teksten, maar nu blijkt dat ik ze vaak gedachteloos heb gelezen en soms voor zoete koek aannam.

Het boek is een uitdagende intellectuele oefening vanuit een voor mij nieuw gezichtspunt. De auteur, zelf theoloog, komt aan het eind van het boek zelf met een slotakkoord;

Bach heeft zijn passie gecomponeerd voor de kerkdienst van Goede Vrijdag. Deze liturgische context geeft ons, als uitvoerders en hoorders van dit werk, te denken. Teksten die in liturgische riten klinken, worden onmiddellijk actueel in de voltrekking; anders gezegd: in hun performance. Dat geldt ook voor Bachs Matthäus-Passion. Haar betekenis ontvangt zij in het hart van ieder mens die zich eraan bloot wil stellen. Daar hoef je geen gelovig mens voor te zijn, al zou je het er wel van kunnen worden.

‘Für Kenner und Liebhaber’ dus, maar dan ook zeer aanbevolen.

9023483162.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Dirigent John Eliot Gardiner heeft met zijn boek Bach, Muziek als een wenk van de hemel een waardevolle aanwinst geschreven voor de toch al niet kleine Bach-literatuur. Dat is maar even gezegd. Het is geen Bach-biografie. Er is sowieso bedroevend weinig feitenmateriaal over Bach, maar wat er is wordt uitstekend beschreven in de werken van Christoph Wolff  of Martin Geck. Dit boek is een persoonlijk relaas van een uitvoerend musicus, die Bach’s cantates in het jaar 2000 op dezelfde dagen heeft uitgevoerd als Bach vroeger, in het project The Bach Cantata Pilgrimage. Het gaat ook bijna uitsluitend over de vocale werken van Bach, maar dat mag. Gardiner heeft recht van spreken.

Wat wil Gardiner met dit boek? Hij wil meer van de mens Bach laten zien door zijn muziek. Gardiner vertelt:

We zien hem maar al te vaak als een bepruikte, pafferige, oude Duitse Kapellmeister en plakken dat etiket daarom ook op zijn muziek, in weerwil van de jeugdige uitbundigheid en de ongekende vitaliteit die die muziek zo vaak uitstraalt. Als we Bach nu eens heel anders zien, als een onwaarschijnlijke rebel: ‘iemand die in brede kring aangehangen principes en rigide aannames [over muziek] onderuit heeft gehaald’.

Dat probeert Gardiner dan ook en hij slaagt daar wat mij betreft prima in. Hij schetst de maatschappij waarin Bach opgroeit. Hij belicht uitgebreid de generatiegenoten van Bach, zoals Händel, Rameau, Mattheson en Scarlatti. Hij heeft het over de uiterst muzikale familie Bach, zijn ouders die jong stierven, de oom waar hij zoveel van geleerd heeft. Maar het gaat vooral over de mens Bach. Die was niet altijd even makkelijk. Niet voor zijn omgeving, maar ook niet voor zichzelf. Het beroemde incident met de fagottist heb ik nooit zo leuk zien beschreven;

Zijn onervaren fagottist, drie jaar ouder dan hij, was Johann Heinrich Geyersbach. Bij de repetitie verprutste hij het kennelijk. Bach reageerde geïrriteerd…betitelde hij Geyersbach als ‘Zippel Fagottist’. Ook in recente biografieën wordt dat nog eufemistisch vertaald als ‘beginneling’, ‘schavuit’ of ‘rund’, terwijl de letterlijke vertaling toch heel anders is: Bach noemde Geyersbach gewoon een lul.

Met dank aan de Nederlandse vertalers, want die moeten dat wel laten staan natuurlijk. Maar hier gaat het om. Bach als mens achter de muziek. Prachtige muziek hoeft niet altijd door een prachtig mens opgeschreven te worden, Wagner weet er alles van. Gardiner interpreteert en vermoedt er ook op los, maar ik vind dat prima. Hij geeft dat zelf ook aan in het begin van zijn boek. Soms laat hij zich zelfs even gaan, want hij wil zo graag weten hoe het publiek reageerde op al die prachtige muziek:

Ik ben er evenwel van overtuigd dat de scherpzinnige detectives in het Bach-Archiv in Leipzig in de loop van de komende jaren de hand zullen weten te leggen op geschriften…die de directe getuigenissen bevatten waarnaar we al die tijd op zoek zijn geweest. Bachs muziek kan mensen eenvoudigweg niet onberoerd hebben gelaten: verrukking, verbazing, verbijstering, ja zelfs afkeer – alles is mogelijk, maar niet dat ze haar gewoonweg van zich af hebben laten glijden.

Hier spreekt een bevlogen mens. Gardiner geeft van veel cantates en de grote passies een uitgebreide beschrijving die soms best diep gaat. Musicologische termen worden echter keurig achterin verklaard en ik heb enorm veel bijgeleerd. Cantate BWV 106 “Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit” ofwel de “Actus Tragicus” heb ik talloze malen gehoord, maar die rust die Bach laat vallen, een actieve, mystieke stilte, blijkt het exacte midden van het stuk te zijn. Gardiner laat mij er even bij stil staan, prachtig. Voor de liefhebbers, op 11;15 in onderstaand fragment.

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Er staat een mooi overgeleverd fragment in hoe Bach zich gedraagt tijdens het dirigeren van een stuk. De man hoort echt alles. Het moordende tempo waarin Bach zijn cantates componeert, iedere week weer één. Er staat een handige Chronologie achter in het boek, wat gebeurde er op welk moment in Bach’s leven. Maar het belangrijkste is voor mij het unieke fenomeen Bach, die zichzelf een gigantische arbeid oplegt door iedere week een cantate op te leveren, waarvan alle partijen gekopieerd moeten worden, die gerepeteerd moet worden met vaak muzikanten die niet aan zijn standaard voldoen. Hij krijgt geen grote roem zoals Händel in Londen met zijn opera’s en oratorio, heeft geen topsalaris, maar gaat voor de mooiste muziek die hij kan maken. Hij schrijft een paar schitterende passies, waartoe hij contractueel niet verplicht was. Die behoren tot het beste dat hij geschreven heeft, naast de briljante Mis in h-moll, die hij zelf waarschijnlijk nooit heeft gehoord. Daarnaast is zijn orgelwerk het summum voor de orgelspeler, zijn cello-sonates voor de cellisten, zijn vioolsonates voor de violisten en hij heeft nog wat voor het klavier geschreven ook. Afijn, genoeg lofzang. Ik ben blij met het boek en zal het vaak uit de kast halen om het naast de Cantate-uitvoeringen van Gardiner te leggen.

Vertaling: Frits van der Waa en Pon Ruiter