archiveren

Maandelijks archief: juli 2021

9021419343.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In het rijtje van ‘de grote drie’ staat hij niet. Blijkbaar is het ook niet de moeite om er ‘de grote vier’ van te maken en misschien wordt hij gewoon te weinig gelezen en/of gewaardeerd, maar feit is dat er naast die drie nog een Nederlandse schrijver is met een behoorlijk groot oeuvre. Willem Brakman is de naam en Nico Keuning schreef zijn biografie met de titel Een ongeneeslijk heimwee.

Brakman publiceerde 51 romans, verhalenbundels, novellen en een enkel essay. Daarvan heb ik er niet één gelezen en ik ben benieuwd wie wel. Nog meer benieuwd ben ik naar uw mening. Zijn werk staat namelijk te boek als redelijk ontoegankelijk.

Het begon echter niet met literatuur. Brakman groeide op in Den Haag en werkte al jong op kantoor. In de avonduren studeerde hij voor het HBS-diploma en met een beurs ging hij medicijnen studeren in Leiden. Hij heeft even een huisartsenpraktijk in Den Haag gehad maar dat leek hem niet zijn bestemming. Hij verhuisde naar Enschede (jawel, een mooie link met mijn laatst besproken boek) en ging werken als bedrijfsarts. Dat was niet een al te drukke baan en het stelde hem in staat om te gaan schrijven.

Hij debuteerde laat, op bijna 40-jarige leeftijd, met zijn roman Een winterreis. Dat is het begin van een lange stroom aan romans; hij schrijft er vaak twee per jaar. Al vroeg is duidelijk dat Brakman niet voor iedereen schrijft, zoals blijkt uit een brief van hem aan zijn uitgever;

Ik voel mij geen ‘literator’. Ik zou niet kunnen schrijven met de gedachte aan literaire perfectie in mijn opgewonden hoofd; ik wil schrijven omdat ik vertellen wil welk brokje leven een Willem Brakman vertegenwoordigt. Als dát er in zit, heb ik de enige vorm gevonden die voor mij normatief moet heten.

Eenieder heeft zo best wat te stellen met Willem Brakman. Zijn uitgever, door de niet altijd makkelijke verhalen (hij liet zich ook weing gelegen liggen aan enige vorm van interpunctie), de lezer om die verhalen te volgen en te doorgronden (zeker als men wil nagaan welke autobiografische gegevens erin zitten verwerkt of welke personen er al dan niet verbasterd in voorkomen) én zijn familie.

Brakman is getrouwd en heeft twee kinderen. Die moeten vooral stil zijn als hij aan het schrijven is. Waar Simon Vestdijk graag schreef bij het geluid van zijn Nilfisk-stofzuiger, daar had Brakman liever een ‘vliegkap’, die hij op het vliegveld had gekocht;

Een ‘rummi vuurkap’: ‘Dat zijn grote bollen, gedeeltelijk met vloeistof gevuld, en die plaats ik dan op mijn hoofd en dat is een uiterst beroerd, benauwd gevoel maar het geeft dan in ieder geval toch iets van stilte weer zodat ik althans kan horen wat ik denk.’

Ik heb er nog geen foto’s van gevonden helaas…Brakman voerde een correspondentie met Vestdijk overigens en verder loopt de vriendschap met interviewer Nol Gregoor als een rode draad door zijn leven. Die vriendschappen kenden ups and downs, niet in het minst omdat Brakman de gewoonte had om veel uitspraken of gebeurtenissen direct in zijn werk op te nemen. Schrijver Jean-Paul Franssens werd hier onaangenaam door verrast, toen hij aan Brakman in vertrouwen vertelde over zijn buitenechtelijke escapades, maar die vervolgens met geuren en kleuren teruglas in Brakman’s volgende roman.

Wat maakt het nu zo lastig om die romans te lezen? Literatuurcriticus Tom van Deel kan er enig licht op doen schijnen. Hij zegt dat de vorm de samenhang bepaalt. Brakman wil het perspectief openhouden ‘voor wat zich toevallig aandient.’ Journalist Wim Noordhoek zegt dat Brakman ‘zijn neus achterna schrijft.’ Dichter Jan Kuijper zegt vervolgens;

‘Wat dat betreft lijkt hij helemaal niet op Vestdijk, waarin alles wel in het grote geheel past, wat soms tot een soort dorheid heeft geleid. Brakman is een van onze geestigste schrijvers. Zijn humor is bijzonderder dan die van Reve.’

Geen vooropgezette schema’s in zijn werkwijze dus. Brakman schreef, veelal vanuit zijn persoonlijke obeservaties en herinneringen met een aantal belangrijke thema’s zoals de dood en de vergankelijkheid, erotiek en angst. Ook zijn woonplaatsen Den Haag en Enschede komen vaak voor. Hij schreef zoals het hem inviel en vaak wist hij zelf niet waar het verhaal naar toe ging. Dat leidde er wel toe dat het grote publiek hem niet omarmde, omdat men hem niet altijd volgde in zijn gedachtensprongen.

Daardoor verbitterde Brakman wel enigzins, maar hij deed geen concessies. Het leverde hem uiteindelijk wel de P.C Hooftprijs op voor zijn gehele oeuvre en het doet mij toch zeer benieuwen naar zijn werk, bijvoorbeeld door het volgende fragment uit zijn verhaal Engel, waarin de engel, een oude man met een kaal, bleek hoofd en ‘hier en daar nog wat slierten grijs haar’, op een brancard naar een restaurant wordt gedragen:

‘De rug was bloot, een ouwe-mannetjesrug: los vel vol sproeten en mee-eters. Toch was goed te zien hoe de slagpennen met een bijna komische vanzelfsprekendheid in grote kam met de rulle huid waren vergroeid, die hier en daar dun en vliezig tot ver over de schachten groeide of in de diepte de pennen blauw liet doorschemeren.’

Die beschrijving gaat nog even door en kan nooit representatief zijn voor zijn gehele werk maar het is prachtig gedaan en bleef mij erg bij. Ook hier geldt dat ik het vooral zelf moet gaan ontdekken, want de voor- en tegenstanders van naam zijn er genoeg. Bij die ontdekking is dit in ieder geval een prachtig boek en onmisbaar hulpmiddel. Wilt u meer over Willem Brakman te weten komen, dan kan dat via deze site.

9038806116.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de man zit nog een jongen. Die titel gaf Elsbeth Etty mee aan haar biografie van dichter en schrijver Willem Wilmink. In mijn bespreking van Wilmink’s Verzamelde liedjes en gedichten noemde ik hem ook nog een zanger, maar je leert bij uit een biografie. Hij zong zijn liedjes, zeker, maar echt een zanger was hij ook weer niet.

Etty heeft een prettig leesbare biografie geschreven van ruim 470 pagina’s. Ik ben een liefhebber van het werk van Wilmink en of dat meteen inhoudt dat ik alles over zijn leven wil weten, nou nee; niet meteen. Toch houd ik van dit soort boeken. Natuurlijk is het aardig om de man wat beter te leren kennen maar ik vind het leuker om de tijd en het milieu te leren kennen waarin iemand zijn werk schreef en om te zien met welke personen hij in aanraking kwam of welke gebeurtenissen zijn werk hebben beïnvloed.

Ik hoef zijn levensloop hier niet te herhalen, leest u daar het boek zelf maar voor, maar een kleine spoiler is wel op zijn plaats. Bent u lyrisch over zijn werk en dweept u met Wilmink, dan misschien dit boek maar niet ter hand nemen, want er kunnen u een paar schellen van de ogen vallen. Wilmink was wel een man met een gebruiksaanwijzing, ‘to put it mildly.’

Zijn talent voor het aanleveren van gedichten en liedteksten werd al snel onderkend en hij werd bijvoorbeeld door Hedy d’Ancona gevraagd om teksten aan te leveren voor de cabaretgroep La Pie qui chante. Pianist, componist en latere presentator Han Reizger zette zijn teksten op muziek. Wilmink is nog een blauwe maandag leraar geweest, wat geen onverdeeld succes was overigens. Frits Barend en Erwin Rutte, die later nauw met Wilmink zou samenwerken voor De Film van Ome Willem, waren leerlingen van hem.

Op het amoureuze vlak verging het Wilmink aanvankelijk niet best. Hij grossierde in blauwtjes die hij liep, maar trouwde uiteindelijk met Noor. Hij kreeg twee zoons, maar het huwelijk was geen succes. De belangrijkste reden waren zijn driftbuien. Die waren voor Noor een volkomen onbekend fenomeen;

Hij ontplofte om niets. Ik kon me niet voorstellen dat iemand zich in ernst zo aanstelde, maar hij had gewoon een cholerisch karakter. Hij geneerde zich nergens voor. Hij was vaak razend op mij of op het leven, en hij probeerde nooit zijn woede een beetje te temperen. Integendeel. Het werd steeds erger. Vaak met een flinke slok op.

Wilmink wordt wetenschapper en zal uiteindelijk zelfs promoveren, maar dat had behoorlijk wat voeten in aarde. De rode draad is hier de erkenning waar Wilmink zijn hele leven naar zocht. Hij wilde voor iedereen begrijpelijk schrijven en ontkende dat hij voor kinderen schreef, hij schreef voor iedereen. Zelfs zijn proefschrift was voor jong en oud leesbaar. Toch bleef hij altijd het gevoel hebben dat er op zijn kunst neergekeken werd.

Aan verzoeken om teksten lag het niet. Hij kon uiteindelijk leven van zijn werk. Hij schreef teksten voor Cabaret Don Quishocking, ging publiceren, werkte voor De Stratemakeropzeeshow, De Film van Ome Willem, Sesamstraat, Het Klokhuis en hij bleef onafgebroken gedichten schrijven. Het mooie van die gedichten, ga ze vooral lezen, is dat hij ze voor iedereen schreef. Hij omarmde ieder ras en geloof, daar is zijn werk van doortrokken.

Zijn tweede vrouw, Wobke, kon wel zijn gebruiksaanwijzing hanteren. Hij verhuisde met haar onder meer naar Zeist, voor ze in zijn gebooteplaats Enschede neerstreken. Wilmink had wel steeds meer last van verschillende dwangneuroses en angsten. Dat leidde soms tot voor veel mensen onbegrijpelijke keuzes. Hij was bijvoorbeeld niet op de bruiloft van zijn zoon of bij de uitvaart van zijn goede vriend, de componist Harry Bannink. Het was geen desinteresse, hij kon het niet, zo legt zijn goede vriend Herman Finkers uit aan Etty. Overigens heeft Wilmink wel een prachtige anekdote over Bannink, die niet in hel en hemel geloofde;

Kort na diens dood droomde hij dat hij Bannink belde met de vraag waar hij zich bevond. ‘In Paleis Het Loo,’ luidde het antwoord. Zo eigenwijs was hij dus, concludeerde Wilmink. ‘Nou zit-ie in de hemel en gelooft-ie het nog niet.’

Na een herseninfarct en een aantal tia’s gaat de gezondheid van Wilmink achteruit en uiteindelijk houdt hij zelf de regie over zijn leven. Het is een mooi boek over een man die niet makkelijk was voor zichzelf en voor anderen, maar die uiteindelijk de erkenning kreeg waar hij zo naar zocht. Misschien had ik wat meer willen lezen over het proces van schrijven. Ik lees steeds dat het hem makkelijk af ging en dat hij maar zelden een opdracht afwees maar het blijft een beetje ongrijpbaar. Wellicht is er ook niet meer over te vertellen en speelde dat proces zich uitsluitend in zijn hoofd af.

Je kon er wel mee spelen, zoals Joost Prinsen deed. Die wilde een gedicht over de Joodse goochelaar Ben Ali Libi hebben. Wilmink zegde dat wel toe maar het duurde erg lang. Toen schreef Prinsen het maar zelf en stuurde het op naar Wilmink. En dan kom je op zijn terrein…Wilmink:

‘Je kan misschien een beetje toneelspeel’n, maar denk nou niet dat je ook kan tekstschrijv’n’

Wilmink stuurde per kerende post zijn versie terug en het is één van zijn bekendste werken geworden.

 

9074241212.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Musicoloog (en mijn voormalige cd-specialist) Emanuel Overbeeke schreef deze biografie van componist Claude Debussy (1862-1918) met de titel Muziek onweerstaanbaar als de zee. Nu ben ik een muzikale omnivoor, maar Debussy ligt mij na aan het hart en dat is een beetje ongrijpbaar, net als zijn muziek overigens, maar ik ga dat trachten uit te leggen.

Ik kwam in aanraking met zijn muziek door zijn preludes voor piano. Dat zijn stukken met titels als ‘de verzonken kathedraal’ of ‘de wind in de vlakte houdt de adem in’. Daar hoor je dan vervolgens de muziek bij en ik kon mij daar van alles bij voorstellen. Vervolgens besluit je om dan maar eens de etudes voor piano te beluisteren. Dan kom je dus al in een heel andere wereld terecht. Dat gold ook voor zijn beroemde opera Pelléas et Mélisande. Ik was gewend aan de opera’s van Puccini en Verdi, maar dat werk van Debussy is heel andere koek. Niks welluidende aria’s of vrolijke, herkenbare muziek, maar een onafgebroken stroom van klanken. En hoe vaker ik dat ging beluisteren des te meer die muziek onder mijn huid ging zitten.

Zo werkte dat ook bij zijn orkestwerken maar daar kom ik nog op terug. Ik las keurig alle bijgeleverde cd-boekjes bij de aangeschafte werken, maar de man ging pas echt leven voor mij toen ik zijn complete correspondentie cadeau kreeg. Ruim tweeduizend pagina’s met brieven die ik aandachtig heb gelezen. Maar een goede, zij het beknopte, biografie met toelichting op zijn werken ontbrak mij nog.

Allereerst wordt Debussy in zijn tijd neergzet. Rond 1900 had Frankrijk te maken met een schisma waarbij aan de ene kant de katholieke kerk ageerde tegen de nieuwe verworvenheden van de Franse Revolutie en aan de andere kant juist degenen die de idealen van de Verlichting juist omhelsden. Debussy toonde zich niet direct maatschappelijk betrokken;

‘Ik haat menigten, algemeen kiesrecht en nationalistische frasen.’

Hij is wel cultureel betrokken hoewel hij dat vanuit huis niet meekreeg. De muziek van Richard Wagner en de poëzie van Stéphane Mallarmé zijn grote inspiratiebronnen voor de jonge Debussy. Het werk van Mallarmé was niet voor beginners en diende niet om een groot publiek te behagen en Debussy voelde zich hier prima in thuis; hetzelfde gold voor zijn muziek wat hem betreft en het predikaat ‘elitair’ beschouwde hij als compliment. Evenwel zei hij over kunst:

‘We moeten ons er maar bij neerleggen en toegeven dat de kunst voor de massa absoluut geen nut heeft. Voor de elite, die vaak nog stommer is dan het gewone volk, evenmin.’

U merkt, hij was niet altijd het zonnetje in huis. Hij kon vrij bot zijn en was dat ook in zijn relaties. Zijn eerste vrouw verliet hij om het met een getrouwde vrouw aan te leggen. Daar kreeg hij wel een dochtertje mee, die hem overigens maar ruim een jaar zou overleven.

Naast zijn leven gaat Overbeeke uitgebreid in op het werk van Debussy. Zijn opera Pelléas et Mélisande natuurlijk, gebaseerd op het toneelstuk van de Belg Maurice Maeterlinck. Dat leidde nog tot een akkefietje tussen Debussy en Maeterlinck, want die laatste had de toezegging dat zijn minnares in de opera mocht zingen. Dat ging niet door, waardoor het op een ouderwets duel dreigde uit te lopen. Maeterlinck was echter geen schutter en schoot tijdens het oefenen zijn kat dood. Hij zag er toen maar van af maar vrienden werden het niet meer.

Ook op de orkestwerken gaat de auteur uitgebreid in en daar leerde ik meer waarom die muziek mij zo fascineert. Wat Debussy doet in een werk als ‘La Mer’, is niet zozeer het water van de zee verklanken zoals andere componisten doen, met wiegende golfbewegingen of een serene rust boven een spiegelgladde zee. Het werkt anders; je moet altijd een stap terugdoen en beseffen dat Debussy de zee of de natuur als inspiratie gebruikt voor zijn muziek. Dat kunnen rustige stukken zijn, maar het kan ook leiden tot abrupte onderbrekingen in de muziek of overgangen die je niet verwacht. Stilering is belangrijker dan directe expressie. Overbeeke zegt daarover;

Natuur was voor hem geen paradijselijke idylle waarin mens, plant en dier het goed maken, wel een domein waarin de mens een volstrekt nietig en irrelevant wezen is…Die primaire en granieten kracht wilde Debussy vormgeven met vloeiende en secundaire middelen.

Een pianostuk als ‘Hommage à Rameau’ klinkt dan ook niet als de componist Rameau, de harmonie ligt eerder tegen Wagner aan, het heeft hoogstens de tred van een statige dans à la Rameau. Dit boek heeft mij in ieder geval een flink aantal stukken met nieuwe oren doen beluisteren. Dat de vaak nurkse Debussy blijkbaar toch ook humor bezat blijkt uit het feit dat hij zijn enige Strijkkwartet het opusnummer 10 meegaf bij de eerste uitgave, waarna alle musicologen zich te pletter hebben gezocht naar die eerste negen strijkkwartetten…

Overbeeke gaat ook in op de vertolkers van het werk van Debussy en noemt daarbij de Duitse pianist Walter Gieseking en de componist (maar in dit geval dirigent) Pierre Boulez als belangrijke pleitbezorgers. Zelf ben ik fan van Gieseking voor de preludes, de Japanse pianiste Mitsuko Uchida voor de etudes en van Bernard Haitink voor de opera Pelléas et Mélisande. Haitink heeft een prachtige opname gemaakt met het Orchestre National de France. Speciale vermelding verdient ook de mono-uitvoering van deze opera door dirigent Roger Désormière uit 1941, voor mij de oeruitvoering van dit werk. Daar staan ook nog extra opnames op met de componist zelf op piano.

9020534866.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De dageraad van Holland van heraldicus en historicus Henk ’t Jong beschrijft de geschiedenis van het graafschap Holland in de periode 1100-1300. Het sluit naadloos aan op het boek Strijd om West-Frisia van Kees Nieuwenhuijsen, dat de periode 900-1100 behandelt.

Floris II, Dirk VI, Floris III, Dirk VII, Willem I, Floris IV, Willem II, Floris V, Jan I; daar gaan we weer. Even het hoofd erbij houden want dit zijn alleen de hoofdrolspelers. Ook hun familieleden lopen over het toneel, vaak met dezelfde namen of varianten daarop. Concentreren dus, maar de auteur helpt daar goed bij. Voor in het boek staat een duidelijke stamboom waarin die verbanden in één oogopslag duidelijk worden. Iedere graaf heeft ook zijn eigen hoofdstuk en we lezen keurig in de tijd mee, dat scheelt ook.

De auteur maakt zich er sterk voor dat hij alleen afgaat op de feiten. Hij schroomt ook niet te zeggen als hij iets niet weet en geeft in het begin al aan dat we van de eerste twee graven, Floris II en Dirk VI, zo goed als niets weten. Van de volgende vier wat meer (in een glijdende schaal) en van de laatste drie behoorlijk veel. De bronnen waaruit geput is zijn onder meer het Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, de Annales Egmundenses ofwel de jaarkroniek uit de abdij van Egmond (1120-1205) en de berijmde geschiedenis van de grafelijke klerk Melis Stoke, de zogenaamde Rijmkroniek.

Nu is graaf Floris V de enige die het tot de canon van de Nederlandse geschiedenis heeft geschopt. Wellicht is bekend dat zijn ‘veroveringen’ ertoe hebben geleid dat ‘zijn’ edelen tegen hem in opstand kwamen en hem doodden. Veel lesmethodes en websites geven aan dat hij dit aan zichzelf te danken had maar dat ligt toch wat genuanceerder zoals uit dit boek blijkt en daarom is het ook een nuttig boek. Het kwam allemaal niet uit de lucht vallen.

Maar er is meer. We reizen door een Holland zoals we dat niet meer kennen en we zijn bij het ontstaan van steden als Dordrecht, Amsterdam, Gouda en Delft. Ik ben benieuwd hoevelen weten waar überhaupt de naam ‘Holland’ vandaan komt;

Het gebruik van de naam Holland, of eigenlijk Holtland, laat zich terugvoeren tot rond 1061. In een mogelijk Utrechtse bron, die als basis voor de Egmondse Annalen kan hebben gediend, komt die naam voor het Friese graafschap al voor…De naam wijst eerder op een bosrijk gebied, ‘holt’ is hout, maar dan ‘hoog opgaande eikenbossen’ in plaats van ‘lage elzen- en wilgenbossen…[die] woud genoemd’ werden.

In al die verhalen over de graven spelen de belangen mee in het graafschap Holland, maar wordt ook het grotere beeld nooit vergeten. De onlusten met West-Frisia (in wat nu Noord-Holland is), gedoe met het bisdom Utrecht of de graven van Gelre en natuurlijk de betrekkingen met de Duitse keizer, met de Vlaamse graven of de pauselijke invloed uit Rome. Maar ’t Jong blijft ook vaak heel dichtbij ‘huis’, als hij ingaat op het uiterlijk van de graven of gravinnen of wat zo’n graaf nu eigenlijk de hele dag doet. Zo kan Floris II wel ‘de Vette’ als bijnaam hebben, maar ’t Jong zoekt zelfs uit of dit geen erfelijkheidskwestie was in plaats van vraatzucht. Mooi bronnenwerk.

Wat wel blijkt is dat graaf zijn niet de makkelijkste betrekking is. De kans dat je op hoge leeftijd vredig de geest geeft is vrij klein. Dat lees je terug in de verhalen. Sommigen kwamen relatief onschuldig om op een toernooi of aan een ziekte, maar vaak gebeurde dat in de strijd, al of niet in het buitenland. Zo stierf graaf en tevens Rooms-Duitse koning Willem II van Holland in de strijd tegen de West-Friezen toen hij door het ijs zakte met zijn paard. Zijn moordenaars namen hem mee en begroeven hem onder de haard in een huis in Hoogwoud. Daar was de aarde nog warm genoeg om een graf te graven. Zijn zoon, Floris V, liet hem daar later opgraven;

De graaf nam, volgens Melis Stoke, ontroerd de schedel van zijn vader die hij nooit gekend had in de hand, dankte God en Maria en sprak:

Dat ic so vele dus mach scouwen
Vanden vader di mi ghewan.

Vertaald; ‘Dat ik dit nog mag zien, van de vader die mij verwekte’. Een mooi moment van een man die ook niet fijn aan zijn einde kwam en waar veel over geschreven is. Heel in het kort werd hij omgebracht vanwege zijn steun aan de lagere standen en zijn steun aan de Franse koning. Hij werd vermoord door een aantal voormalige getrouwen toen hij weerloos in een sloot lag na een val van zijn paard. Hij was, geboeid nog, op de vlucht geslagen nadat hij ontvoerd was. ’t Jong schrijft;

Werd graaf Floris door zijn edelen vermoord omdat hij hen tegen zich in het harnas had gejaagd? De van oorsprong Stichtse edelen Amstel en Woerden waren destijds ontegenzeggelijk op hun plaats gezet, maar daar hadden ze het ook wel naar gemaakt.

Aldus de nuance en dat levert boeiende leesstof op. Net zoals wordt beschreven dat Floris verantwoordelijk is voor de bouw van de nu zo bekende Ridderzaal op het Binnenhof en hoe die zaal gebruikt en gefinancierd werd. Dit boek bevat wat mij betreft een stuk noodzakelijke geschiedenis.

a1046ca3687b7a659714a4c6777444341587343_v5
Deel 5 van de volledige werken van Willem Frederik Hermans bevat zijn Groningse romans, Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen. Beiden zijn romans met een satirische inslag en nemen het academische milieu in Groningen op de korrel. Hermans heeft jarenlang deel uitgemaakt van dat milieu als assistent van een hoogleraar en later als lector aan de Universiteit van Groningen.

Nu was zijn functioneren daar onderwerp van discussie waar zelfs de politiek zich tegenaan bemoeide, hoewel Hermans’ naam uiteindelijk gezuiverd werd. Hij nam echter ontslag en schreef later deze werken. Het zijn natuurlijk sleutelromans, hoewel Hermans dit altijd ontkend heeft en zelfs bij Onder professoren een hilarisch nawoord toevoegt van ene Prof. Dr. B.J.O. Zomerplaag waarin deze professor dit ook stellig tegenspreekt.

Op de vraag van Rob Delvigne hoe de fictieve professor aan zijn voorletters komt schrijft Hermans; ‘Ik denk dat het komt doordat de bejo, net als de papegaai een vogel is, die wel wat zeggen kan, maar het moet hem eerst worden voorgezegd.’

De hoofdpersoon uit Onder professoren is  de hoogleraar chemie Rufus ‘Roef’ Dingelam, die op een dag bericht krijgt dat hij de Nobelprijs voor chemie heeft gewonnen. Die krijgt hij voor de synthese van een stof die belangrijk is als de derde witmaker in wasmiddelen. Dat hiervan ook een potentieverhogend middel kan worden afgeleid is natuurlijk ook niet onbelangrijk. Roef is getrouwd met Gré, die maar nauwelijks besef heeft van het belang van de prijs. Gonnie, de vrouw van een collega, wel;

‘het is toch zeker voor miljoenen huisvroiuwen van het grootste belang dat de was schoon wordt?’…’Of die idiote vluchten naar de maan,’ ging Gonnie verder, ‘en waarmee komen ze terug, van de maan? Met hun kleren vol stof! Geef mij maar een wasmiddel…’

De buurman van hun vakantieboerderijtje geeft hen spontaan een haan cadeau die ze als huisdier besluiten te houden en langzamerhand stromen de felicitaties binnen. Niet van iedereen, want zijn superieur op de universiteit, Tamstra, heeft Roef altijd tegengewerkt en zal dat blijven doen.

Dat blijkt als de studenten een bezetting organiseren waardoor de huldiging van Roef gevaar loopt. Tamstra is daar eerst fel op tegen maar schaart zich later achter de studenten. Hilarisch is het verhaal als Roef en Gré collega’s thuis op bezoek krijgen maar niets in huis hebben. Het is al laat en alleen het plaatselijke eroscentrum is nog open voor een drankje en daar gaat het gezelschap dan naar toe. Laten ze daar nu Tamstra tegenkomen… Ook de bezetting gaat door en ook dat levert een paar smakelijke scènes op. Uiteindelijk wordt het toch druk voor Roef en Gré en vertrekken ze naar Monte Carlo om er even uit te zijn.

Het is een roman zonder groot plot of spanningsboog en de ontvangst was wisselend na publicatie. Ik heb mij er echter uitstekend mee vermaakt. Het is een satirisch verhaal, Hermans schrijft vlot en ik ben fan van zijn manier van vertellen;

Het enige wat er viel te horen, was het geknetter en gehijg van een overjarige Volkswagenmotor, maar daarvoor moet je wel een beetje verstand van Volkswagenmotoren hebben en dat heeft niet iedereen.

Verder vond ik het opvallend dat Hermans vaak situaties beschreef die potentieel tot ellende konden leiden, zoals het parkeren op een parkeerplaats waar het niet mocht, een reerug totaal anders klaarmaken dan het recept voor de lastige eter Roef, maar waar er vervolgens geen vuiltje aan de lucht was. Er volgde geen bon en de reerug smaakte Roef prima. Dat leest ook lekker weg merkte ik.

Uit talloos veel miljoenen speelt ook in Groningen en wel in Paterswolde. Clemens van Wissel is universitair medewerker en baalt ervan dat hij nog stees geen hoogleraar is. Zijn vrouw Sita is aan de drank en probeert zichzelf te lanceren als schrijfster van kinderboeken over het Beertje Bombazijn. Hun huwelijk is geen toonbeeld van perfectie;

‘Dag schat, ik heb een kopje thee voor je gezet’…En met een ruk ging zij rechtop zitten in bed. Hij zette het blaadje op het tafeltje bij haar hoofdeinde en dacht: Ik heb er alweer geen chloraal, geen arsenicum, geen thallium in gedaan…Ik ben een nobel mens.

Sita heeft een dochter Parel uit een eerdere affaire die steevast op de verkeerde mannen valt. Dat wordt helemaal een ding als zij valt voor een lector die net boven Clemens is aangesteld. Die lector is jonger en hoger in functie, dus zal eerder hoogleraar worden en kan nu zijn schoonzoon worden. Een recept voor ellende. Dat loopt allemaal wat anders want Parel heeft gedoe met mannen en belt dan steevast haar moeder;

Toen werd de verbinding verbroken. Omdat in Nederland de telefoon zo perfect werkt, dat er nooit door onverklaarbare oorzaak een verbinding verbroken wordt, was het duidelijk dat Parel de hoorn neergelegd had.

Clemens worstelt met zijn carrière en Sita mag zowaar op gesprek bij een uitgever in Amsterdam. Parel heeft ineens geld als water en of dat allemaal bij elkaar komt moet u zelf maar gaan lezen. Ook dit vond ik een prima verhaal.

Voor beide romans geldt dat de ontvangst nogal wisselde. Ze hebben misschien niet de intensiteit van De donkere kamer van Damokles of Nooit meer slapen, maar ik heb mij geen moment verveeld en we praten toch over ruim 900 pagina’s in totaal. Schrijver/criticus Hans Warren schreef over Uit talloos veel miljoenen:

‘Mensen die je in het werkelijke leven met stokken van de deur zou houden, vallen via deze roman uren lang bij je binnen om je voor drie tientjes dood te vervelen.’

Andere schrijver/criticus Ab Visser rekende deze beide romans juist weer tot de meest geslaagde romans van Hermans. Zo ziet u maar, ga ze lezen en oordeel zelf maar van mij mogen ze blijven. Een toegevoegde waarde is de uitgebreide ontstaansgeschiedenis van beide romans die achterin het boek is toegevoegd.

51529b7ca968860596f7a636c77444341587343_v5
De stilte van het licht van Joost Zwagerman is een boek waar ik blij van word. Het gaat over kunst en ligt in het verlengde van zijn boek Alles is gekleurd. Op de achterkant staat dat dit boek een onderzoek is naar facetten van immense stilte en naar de vraag of stilte in de kunst wellicht een verlangen is om er niet te zijn. Voeg daaraan een ondertitel toe van Schoonheid en onbehagen in de kunst, en dan heeft Zwagerman een vrijbrief om alle facetten van de kunst voor het voetlicht te brengen.

En dat is goed, want ik hoor hem graag aan als hij het over kunst heeft. Hij heeft het vermogen om mij enthousiast te maken over kunstwerken waar ik niet eerder bij stilgestaan had en dat doet hij nu weer. Hij legt zichzelf wel een paar kaders op, door het boek te verdelen in Stilte, Schoonheid, Onbehagen en Verdwijnen, maar je kan hier uiteraard genoeg aan ophangen en dat doet hij dan ook.

In het voorwoord licht Zwagerman de keuze voor de besproken werken toe;

Die verknoping van schoonheid en onbehagen geldt voor veel andere werken van kunstenaars in De stilte van het licht: …Van Zurbaráns Stilleven met vier kruiken uit 1650 tot het…alom bewonderde (en ook alom bespotte) Zwart vierkant van Malevich. Die twee schilderijen zijn, dwars door de eeuwen heen, directe familie van elkaar.

Zoekt u ze maar eens op, die link had ik nooit gelegd en daarom is het een mooi boek. Zwagerman legt allerlei verbanden uit de kunst van het verleden met hedendaagse kunst, maar verbindt het net zo goed met literatuur of een song van Amy Winehouse.

Nu ben ik zelf een voorstander van het adagium ‘anything goes’ in de kunsten maar ik had toch wel weer een paar eye-openers te pakken. Ik had ooit gehoord van performance-kunstenaar Marina Abramović, die in het deel Stilte besproken wordt, maar had mij er nooit in verdiept. Zoekt u op Youtube haar indrukwekkende performance The Artist is Present eens op. Een adembenemende oefening in stilte, waarin Abramović gedurende drie maanden, zes dagen in de week, onbeweeglijk en zonder een woord te zeggen op een stoel zat. Om beurten konden bezoekers tegenover haar plaatsnemen.

Dat staat in schril contrast met een andere stilte, namelijk de stilte in de werken van J.H. Weissenbruch en Jan Mankes. Ook Mark Rothko komt voorbij met zijn kleurvlakken en hier verbindt Zwagerman zijn werk mooi met de poëzie van John Taggart. Ik voeg daar vanuit mijn kennis en smaak de muziek van Morton Feldman bij (overigens een vriend van Rothko) en je hebt zo een paar genoeglijke uren te pakken.

Maar er valt veel meer te zeggen over de stilte. Je vindt het in een uitvergrote theedoek, zakdoek of inpakpapier van Daan van Golden, in de foto’s van Hendrik Kerstens, die van een plastic zak een barok hoofddeksel maakt of in het filmfragment uit American Beauty, waar een plastic zakje in de wind de hoofdrol voor zichzelf opeist. En kende u de Cloud Appreciation Society al? Ik kwam het tegen bij het stuk over kunstenaar Berndnaut Smilde, die maakt en fotografeert wolken, maar dan binnenskamers.

Dan onbehagen, want onbehagen is ook leuk. Ik zei al, anything goes, maar ook het werk van shock artist Andres Serrano, die een crucifix onderdompelde in een bak urine om daar foto’s van te maken? Wat mij betreft wel, het levert prachtig werk op. Of kijk eens naar de studie van Francis Bacon naar een portret van Diego Velazquez van paus Innocentius X. Zo had de paus het nooit bedacht in ieder geval.

Verstikking en verstilling vinden we in het werk van Phineas Q. Eldridge met The Suffocation Rooms. Steeds hetzelfde interieur, beginnend bij een heel kleine, ijskoude kamer. Langzamerhand naar grotere kamers die steeds warmer worden tot een reuzeninterieur in een bloedhete ruimte. Prachtig beschreven, alleen…niet-bestaand. Wel bestaand is het werk van Levi van Veluw, The Collapse of cohesion, the Room. Een video van een spartaans ingerichte ruimte, waar op zeker moment ondefinieerbaar fijnstof naar binnen wordt geblazen. Even later wordt alles in de ruimte in een sureëel laag tempo weggeblazen.

Het laatste deel in het boek, Verdwijnen, geeft een heel letterlijk voorbeeld van dat begrip in het werk van Robert Rauschenberg, Erased de Kooning. De nog niet zo bekende kunstenaar Rauschenberg vroeg een kunstwerk aan de bekende artiest Willem de Kooning om het uit te kunnen gummen en het zo zijn kunstwerk te maken. De Kooning stemde in;

‘I don’t like it. But I realise what you’re doing’

Kunstbroeders onder elkaar dus. Een heel ander aspect van verdwijnen is het verdwijnen in een regenboog. Jan Andriesse kan dat. Eerst door een close-up te schilderen. Ik vind het één van de eye-openers van dit boek. Een schilderij met vervagende kleuren, het heet ook Arc-en-ciel, maar ik zou er in een tentoonstelling waarschijnlijk aan voorbij zijn gelopen. Dat geldt helemaal voor Caryatide, een ‘grijs vlak’. Tot je je realiseert dat hij hier de binnenkant van de regenboog lijkt te willen schilderen. Je hebt geen idee wat voor werk daar in zit;

Andriesse vertelde eens in een interview dat hij per dag één laag op een doek aanbracht. Sommige van zijn werken kosten hem als gezegd een jaar of meer werktijd. Dat betekent: meer dan driehonderd lagen op één doek. Door al die verflagen zijn de meeste van zijn werken letterlijk loodzwaar.

Dat plaatst de ‘dat-kan-mijn-neefje-van-dertien-ook’-doctrine ineens in een heel ander perspectief en dat geldt voor heel veel meer werken in dit boek. Een absolute aanrader voor kunstliefhebbers.