archiveren

(Auto)biografie

0472037897.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik schreef hier al eens over de altsaxofonist Charlie Parker. Ik wil weten wat hem zo’n grootheid maakt in de jazzmuziek en hoopte dat dit boek van saxofonist Carl Woideck mij verder zou helpen. Charlie Parker His Music and Life heeft mij inderdaad een stuk verder geholpen en heeft mij positief verrast.

Ik was daar eerst niet zo zeker van, want ook dit is geen dik boek, 248 pagina’s, en er staan best wat notenvoorbeelden in dus ik was bang dat het toch een boek was voor musicologisch gevorderden. Dat viel mee, ik heb er veel uitgehaald.

Het boek begint met een biografische schets van Parker. U wordt op pagina 1 al uit de droom geholpen als u precies de vinger op zijn legendarische status wil leggen;

Charlie Parker had an artistic brilliance that can never be adequately explained. The overused term “genius” truly describes his gift. He was capable of making remarkable leaps of understanding, conception, and execution.

U ziet, gelukkig begint Woideck toch meteen een beetje met duiden en hij komt een heel eind in dit boek. De biografie laat ik even voor wat het is, vanaf pagina 55 begint de uitleg van zijn muziek en dat is de grote meerwaarde van dit boek. Er volgen vier hoofdstukken die zijn eerste opnames beschrijven, de periode waarin hij kennis opdoet en waardoor hij werd beïnvloed. Vervolgens wordt zijn artistieke volwassenheid beschreven, de periode waarin hij zijn eerste meesterwerken opneemt. Dan volgt zijn meest productieve periode en tenslotte zijn laatste jaren, waarin hij artistiek gezien weinig meer presteerde, maar waarin hij wel degelijk zijn muzikale horizon wenste te verbreden.

Wat echt fantastisch is van dit boek is dat er verschllende solo’s van Parker worden beschreven (de notenvoorbeelden), inclusief de opnames waarop ze verkrijgbaar zijn en zelfs op welk tijdstip de solo’s beginnen, op de seconde af. Met de mogelijkheden van tegenwoordig via Youtube en de streamingdiensten is dat allemaal vrij nauwkeurig op te zoeken en zo heb je ineens een kleine goudmijn in handen. Ik ben er erg druk mee geweest.

Verder, want wij willen weten waarin Parker zo uitblinkt, worden de volgende kwaliteiten uitgebreid besproken; gemak en virtuositeit, intensiteit van swing en drive, inventiviteit, speelsheid en gevoel voor humor, gevoel voor blues en poëtische kwaliteiten, het karakter van zijn repertoire, zijn tempi, zijn notenwaarden, het gebruik van ‘double time’ (twee maal zo snel spelen als het standaardtempo), het gebruik van accenten, het gebruik van vibrato en timbre en tenslotte de melodielijn. U leert met  reuzensprongen over zaken waar u nog nooit bij stil stond.

Eén ervan is dat Parker zijn klassieken kende. Hij hield van klassieke muziek en stond erom bekend dat hij naadloos werk van anderen in zijn solo’s kon inpassen. Zo kwam Stravinsky eens naar Parker luisteren;

As Parker’s quintet walked onto the bandstand, trumpeter Red Rodney recognized Stravinsky, front and almost center. Rodney leaned over and told Parker, who did not look at Stravinsky. Parker immediately called the first number for his band…At the beginning of his second chorus he interpolated the opening of Stravinsky’s Firebird Suite as though it had always been there, a perfect fit, and then sailed on with the rest of the number. Stravinsky roared with delight, pounding his glass on the table, the upward arc of the glass sending its liquor and ice cubes onto the people behind him…

Het is maar een voorbeeld van zijn virtuositeit. Toch heeft zijn destructieve levensstijl ook invloed op zijn optredens en ook die worden aangestipt. Zoek eens op Youtube naar ‘Charlie Parker – Lover Man Dial ‘, het is een beruchte opname waarin hij niet op zijn best was. Het is fascinerend dat zijn privé-problemen met drank en drugs op zijn opnamen terug zijn te horen. Op (ook op Youtube) ‘Charlie Parker – Jazz At The Philharmonic – Sweet Georgia Brown’ is op 1;08 te horen dat iemand zegt ‘Say man, where you been?’ Parker kwam te laat op zijn optreden omdat hij drugs wilde scoren. Op (weer op Youtube) ‘Charlie Parker – Bebop Bird: Charlie Parker on Dial (Volume 1)’ was hij zo dronken dat hij weg dreigde te vallen tot trompettist Howard McGhee hem op 0;38 toeroept ‘Blow!’ Ik vind het fascinerend materiaal.

Er staan ook talloze voorbeelden in van hoe het wel moet en ik heb inderdaad veel bijgeleerd. Parker was zo groot omdat hij, naast zijn virtuositeit en techniek, enorm veel inzicht had hoe hij zijn muziek naar een hoger plan kon brengen. Zijn solo’s zijn inventief (je hoort ineens Bizet voorbijkomen in Cool Blues) en ze zijn nooit hetzelfde. Dat hoor je als je de complete opnames beluistert van The Savoy and Dial Studio Recordings. Dat zijn onmisbare opnames waarin de verschillende takes zijn opgenomen van zijn nummers. Hij gebruikt steeds weer andere solo’s. Wat mij ook erg heeft geholpen bij dit boek (hoewel zelf gevonden en niet opgenomen in het boek) is het Youtube-kanaal van de Canadese saxofonist en componist Remi Bolduc. Hij heeft de moeite genomen om alle solo’s van Charlie Parker van 1940-1948 op zijn Youtube-kanaal te zetten, een schat aan informatie.

Charlie Parker is maar 34 jaar oud geworden. Hij heeft nog prachtige opnames gemaakt met strijkkwartet en had plannen om zich verder te bekwamen op het klassieke vlak. Hij hield erg van Stravinsky, Hindemith en Debussy. Hij had al contact gelegd met componist Edgard Varèse, één van mijn favoriete componisten. We zullen nooit weten wat daar uit was gekomen, maar met Charlie Parker ben ik nog even niet klaar, door dit prima boek ben ik alleen maar nieuwsgieriger geworden.

0393069400.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Nica’s Dream. The Life and Legend of the Jazz Baroness van David Kastin is het opmerkelijke verhaal van de Rothschild-telg Pannonica de Koenigswarter, ofwel Nica. De Rothschild-familie is, zoals wellicht bekend, een internationale dynastie van Duits-Joodse oorsprong die hun fortuin maakten in de bankierswereld.

Pannonica werd in Londen geboren als de jongste dochter van Charles De Rothschildt en een Hongaarse barones. Ze trouwde in 1935 met een een Franse diplomaat Jules de Koenigswarter en gingen in Frankrijk op een kasteel wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vlucht ze naar de Verenigde Staten maar ze gaat even later toch naar Afrika, waar ook haar man gestationeerd is en beiden spelen ze een grote rol in de oorlog en worden daarvoor onderscheiden.

Als ze later met haar man nog in Noorwegen en in Mexico belandt vindt Nica het mooi geweest. Ze wil naar New York toe, het centrum van de jazzmuziek. Hoe kwam dat zo?

Nica was al door haar broer Victor geïntroduceerd in de wereld van de jazz door zijn platen. Ze werd gegrepen door de nieuwe ritmes en de energie die er van uitging en die aansloten bij haar gevoel van rebellie tegen de geldende, conservatieve Rothschild-waarden. Duke Ellington kreeg de eerste credits, hij maakte van haar een echte jazzliefhebber zo vertelde ze de eigenaar Max Gordon van de jazzclub Village Vanguard;

“Black, Brown and Beige,” she told him, “If you should ask me what record really converted me to jazz, I would have to say it was that one. I didn’t know jazz could be so beautiful.”

Als Nica neerstrijkt in een hotel in New York maken we kennis met alle jazzclubs van betekenis, krijgt u mee wat ‘bebop’ eigenlijk is en ontmoeten we met Nica de jazzmuzikanten van dat moment. Er duiken figuren op als Jack Kerouac, Jackson Pollock en Allen Ginsberg dus dat geeft een aardig tijdsbeeld weer. Nica bezoekt talloze optredens en leert de musici kennen. Dat was niet eenvoudig, aldus publiciste Phoebe Jacobs;

By entering the world of New York’s jazz modernists, the Baroness had joined a highly dysfunctional subculture. “Don’t forget,” Phoebe Jacobs declared, “we’re talking about some guys who were alcoholics, who were drug addicts and led some pretty sick, distorted lives.” Yet Nica was able to see past these shadows to their genius, and heard only the beauty they created.

Want er werden wel degelijk vragen gesteld bij haar motieven. Dat sloeg zelfs om naar hevige kritiek toen altsaxofonist Charlie Parker overleed in haar hotelsuite. Daar heeft ze lang last van gehad, hoewel ze niets anders deed dan hem onderdak bezorgen in die tijd.

Nica was ook wel een opvallende verschijning. Met haar sigarettenpijpje, haar Britse accent en haar zilvergrijze Bentley die ze pontificaal voor een club parkeerde en het prima vond als er wat ‘shabby locals’ op de leren bekleding gingen zitten met hun fles in bruin papier gewikkeld.

Toch is haar belangstelling oprecht. Ze helpt Charlie Parker waar ze kan en dat geldt in overtreffende trap voor de pianist Thelonious Monk. Die laatste zal zelfs jaren in haar huis bivakkeren toen hij veel last van zijn bipolariteit had. Huis, ze zat toch in een hotel? Dat klopt, maar de nachtelijke jam-sessies werden niet door iedereen gewaardeerd, dus kocht Nica een huis. Naast tientallen musici die daar over de vloer kwamen had ze ook 122 katten, het werd niet voor niets ‘Cathouse’ genoemd. Dat had een dubbele betekenis, want jazzmusici werden ook vaak ‘cats’ genoemd.

We leren dus veel over Nica maar ook over de muzikanten. Nica nam een beschuldiging van drugsbezit op zich toen er wat in haar auto werd gevonden. Ze gebruikte zelf geen drugs (had wel altijd een fles Chivas Regal bij zich) maar kreeg aanvankelijk wel een celstraf opgelegd die na lang procederen werd kwijtgescholden. Als een musicus geen onderdak had kon hij altijd bij haar terecht. Dat had tot gevolg dat er aardig wat composities naar haar zijn vernoemd; achter in het boek staan ze allemaal vermeld. Een andere artieste waar een mooi verhaal over wordt verteld is Billie Holiday. Joe Termini, een clubeigenaar, wordt aangesproken door een agent die Billie wil horen zingen, maar die heeft geen vereiste ‘cabaret card’ die nodig is om in dergelijke clubs op te treden. Afgepakt wegens drugsbezit waarschijnlijk.

When Termini explained that she didn’t have a cabaret card, he was told that “it wouldn’t be a problem.” Reassured, he walked over to Holiday’s table. “Hey Lady,” Joe began, “you gonna sing for us tonight?” She looked around the room. “No way,” she told him. “Too many fuzz around here.” “But Lady,” Joe responded, “that’s who wants to hear you sing.”
Kenneth Koch recalled, “It was very close to the end of her life, with her voice almost gone, just like a whisper, just like the taste of very old wine, but full of spirit. She sang these songs and it was very moving.”

Nica maakt inmiddels deel uit van die wereld, schrijft zelfs ‘liner notes’ voor de achterkant van een elpee van Monk en neemt overal waar ze komt de nodige foto’s. Het idee is om daar een boek van te maken maar dat krijgt ze zelf niet van de grond. Haar nazaten wel en dat boek zal ik hierna gaan lezen.

Al met al is het een bijzonder verhaal. Europese adel die naar Amerika verhuist en daar de muziek omarmt van een groep die niet bepaald bovenaan de populariteitsladder staat. Nica stierf op 74-jarige leeftijd en haar naam leeft voort in verschillende jazz-clubs, van Nantes, tot Bodrum en tot in Den Haag. Pannonica, volgens Monk vernoemd naar een vlinder, het bleek uiteindelijk een mot maar dat doet niets af aan die bijzondere naam. Laat ik afsluiten met wat tenorsaxofonist Sonny Rollins (hij leeft nog steeds) over haar dacht, want hij zei iets over de moed van Nica die racisme het hoofd bood in de jaren vijftig;

“By being with the Baroness, we could go places and feel like real human beings,” he recalled. “it certainly made us feel good. I loved the Baroness. She really wanted to help jazz musicians. I think she was a heroic woman.”

0195097335.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Myself when I am real van muziekcriticus, columnist en schrijver Gene Santoro is de biografie van jazzmusicus Charles Mingus, wiens autobiografie ik al las. Het is goed om deze biografie na de autobiografie te lezen, want er wordt zo veel duidelijk over dat laatste boek.

Om daar meteen maar mee te beginnen, er worden een aantal zaken in bevestigd en een aantal zaken ontkracht. Mingus heeft nooit de pooier uitgehangen. Grote verhalen hangt hij erover op, dat wel; feiten zijn er niet over bekend. Zijn temperament, dat was er wel degelijk. Zijn bijnaam ‘Jazz’s Angry Man’ was dubbel en dwars verdiend maar er zaten heel veel kanten aan de man. Het voorwoord geeft een aardige opsomming van wat we kunnen verwachten;

He had a lot of fans who dug his shows. Important and influential critics and record company heads dug his music. He was rich. He died broke. He’d erupt in volcanic passions for dim (if any) reasons. Erratic. Unpredictable. Mood swings. Evil…He chased women constantly. Women, especially white women, adored him.

Dat gaat nog even zo door en in 384 pagina’s levert Santoro het allemaal op. Omdat dit een biografie is ontkomen we niet aan een feitelijke opsomming van alles sinds zijn vroege jeugd, maar Santoro verwijst vaak naar de autobiografie Beneath the underdog en zo gaan steeds meer dingen op hun plek vallen. Dit boek is tevens een mooi tijdsbeeld van de jazz-scene in de jaren vijftig in New York. Een roerige tijd waarin drank en drugs een grote rol speelden. Ook Mingus gebruikte wel, maar niet in grote hoeveelheden. Santoro beschrijft hoe het er aan toe kon gaan tijdens een optreden;

With Art Blakey and Kenny Dorham, both junkies, he watched Bird and Bud Powell self-destruct on Birdland’s fabled bandstand. Powell was drunk; he attacked Bird’s playing. Parker lashed back. Powell smashed the keyboard and walked offstage…Mingus grabbed a microphone and said, “Ladies and Gentlemen, please don’t associate me with any of this. This is not jazz. These are sick people.”
Backstage afterward, Thelonious Monk, who seemed the most eccentric of them all, scolded Powell and the rest. “I told you guys to act crazy,” he said, “but I didn’t tell you to fall in love with your act. You’re really crazy now.” No one said a word. It was the epitaph for an era.

Net als de biografie van Monk geeft ook dit boek een brede kijk op de tijd van toen. Ook de politieke gebeurtenissen komen erin voor en al die invloeden zijn van belang voor de muziek van Mingus. Ook allerlei soorten muziek en literatuur gebruikt hij dit boek is een prima manier om zijn werk beter te leren kennen. Verschillende hoofdstukken zijn aan bekende albums van hem gewijd. Mingus is ook maatschappelijk betrokken met het racisme-thema als grote rode draad in zijn leven. Pianist Mal Waldron vertelt;

With things like “Work Song”, we were going into the area of traditional music. We were going into the background of black people in America, into their experiences in life. Mingus was trying to portray that in his music…He would explain the feeling of a guy with a sledgehammer trying to hit a rock, trying to make little rocks out of big rocks.

Zoekt u het maar eens op op Youtube, zulke verhalen helpen bij het luisteren naar zijn muziek. Het wordt nog mooier met songtitels als The Shoes Of The Fisherman’s Wife Are Some Jiveass Slippers of Don’t Be Afraid, The Clown’s Afraid Too.

Zijn optredens worden uiteraard uitgebreid beschreven, hij treedt wereldwijd op. Zijn omgang met zijn collega-muzikanten is een verhaal apart. Het is tenenkrommend om te lezen als hij zijn pianiste meer als Duke Ellington wil horen spelen;

The next day, she listened to Ellington records. That night, she played lots of flat fives and nines….Everything seemed fine until the middle of the second set, when Mingus stormed off the stage to the dressing room. The Workshop kept playing to a backdrop of tearing sounds, until he emerged with long strips of terrycloth – a torn-up towel. He pushed her of the bench, crawled below, and tied the piano pedals up.

Toch had ‘Jazz’s Angry Man’ ook andere kanten en ook die krijgen de nodige aandacht, zoals wanneer Mingus trompettist Dizzy Gillespie ziet spelen op een festival in Nice. Mingus zegt;

I was some distance away, and his back was turned. I was looking at him, thinking how important he was and how I hoped he’d live forever. Suddenly Dizzy turned around and said, “Where’s all this love coming from?” He looked at me. “You really do love me, don’t you?” I felt like I was in heaven.

Mingus zelf zou niet oud worden, hij stierf op de leeftijd van 57 jaar aan ALS en dat proces wordt mooi beschreven, maar het moet moeilijk geweest zijn voor iemand die altijd zelf de lijnen uitzette. Het is een prima geschreven boek met uiteraard een utgebreide discografie achterin die ik er nog wel eens bij zal pakken.

0679737618.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Beneath the underdog; his world as composed by Mingus is de autobiografie van jazzmusicus en -bassist Charles Mingus. Het is verre van een traditionele autobiografie. Verwacht geen chronologisch verhaal van jeugd, muzikale opleiding en een lijst van met wie hij wanneer heeft opgetreden.

Het is meer een beatnovel. Novel? Ja, het is een combinatie van feit en fictie en dat wordt vooraf ook aangegeven:

Some names in this work have been changed and some of the characters and incidents are fictitious.

Daar kan je dus alle kanten mee op en kunnen we het dan nog als autobiografie aanmerken? Ten dele zeer zeker. U moet het meer zien als een compositie van Mingus. Net zoals in zijn nummers is het een manier om zijn gedachten te uiten. Hij schreef het ook meer voor zichzelf dan voor het grote publiek. De jazzmuziek die hij maakte en componeerde heeft zelfs niet een heel grote rol, het speelt mee aan de zijkant. Het gaat meer om Mingus zelf en daar komt hij niet eens zo mooi uit naar voren.

Dat heeft te maken met de persoon Mingus zelf. Elders schreef ik al over zijn temperament en in dit boek voegt hij nog iets toe, een tomeloze opschepperij en dan met name over zijn viriliteit. Dat is soms op het pornografische af en als je je er op voorstaat dat je je jeugdliefde én een blanke vriendin kan bewegen om zich voor je te prostitueren weet ik niet wat dat voor een mens van je maakt, anders dan een pooier.

Hij schetst wel waar het vandaan komt. Een gewelddadige vader en onduidelijkheid over zijn ras. Hij is licht gekleurd, hoort niet bij ‘de blanken’ maar ook niet bij ‘de zwarten’. Pooiers waren de mensen tegen wie hij opkeek, met een hoop aanzien, mooie vrouwen en dure spullen. Het zal hem zijn leven lang bezig blijven houden.

In de muziek begint hij met een trombone, dan een cello en vrienden halen hem over om bas te gaan spelen. Daarvoor nam hij contact op met Joe Comfort, de beste bassist in Watts, de plaats waar Mingus opgroeide;

“How can I learn to play bass, Joe?”
“Got one?”
‘Yeah.”
“Turn on the radio and start right in playing with it. That’s how I started.”
Not even knowing the names of the strings or how to tune his instrument, Charles began practicing hour after hour standing by the RCA Victor console radio in the living room and after a few weeks he began to get the feel of it. He could follow what he heard, using cello fingering.

Opvallend is dat het boek in de derde persoon is geschreven, zoals hij hier zichzelf ‘Charles’ en ‘he’ noemt. Vaak gebruikt hij ook ‘my boy’ om zichzelf aan te duiden, het lijkt of hij zo wat afstand wil scheppen ten opzichte van zichzelf.

Hij volgt lessen en belandt bij de beroemde pianist Art Tatum. Langzaamaan wordt hij bekender en gaat hij optreden met Miles Davis, Charlie Parker en neemt Lionel Hampton een nummer van hem op. Hij raakt bevriend met de beroemde maar jong gestorven trompettist Fats Navarro die hem uilegt hoe het werkt in de jazz-scene;

“Jazz is big business to the white man and you can’t move without him. We just work-ants.”

Zo hadden ze volgens Fats ook de zangeres Billie Holiday in de tang:

“They had Billie so hung up they wouldn’t pay the right way, they just put a little money in her hand every night after work, just enough so she come back tomorrow”

Ook geeft hij nog een waarschuwing voor de gevolgen als je tegen die heersende cultuur ingaat;

“You breaking into Whitey’s private vault when you start telling Negroes to wake up and move in where they belong and it ain’t safe, Mingus. When the day comes the black man says I want mine, then hide your family and get yourself some guns.”

Het is een thema van die tijd (en waarschijnlijk ook van nu) waar ook Miles Davis tegenaan liep en die overal in het boek terug komt.

Mingus vertelt over hoe hij zich aameldt bij het psychiatrisch ziekenhuis Bellevue, maar daar later spijt van heeft. Erin komen is één ding hij komt er niet zo makkelijk uit en schrijft dat ze een lobotomie op hem wilden uitvoeren, iets wat volgens hem ook bij pianist Bud Powell is uitgevoerd.

Of dat allemaal waar is weten we niet zeker, hij herhaalt het in ieder geval wel in het interview over zijn autobiografie uit 1971 dat hier te horen is. Uit dat interview komt ook nog zijn interessante theorie dat de jazzmuziek niet voortkomt uit de hoerenhuizen, maar uit de grote huizen van plantage-eigenaren, die hun instrumenten beschikbaar stelden aan slaven die er de jazz op uitvonden.

Een waterval aan belevenissen van een niet heel sympathieke man maar wel van een groot musicus wiens muziek het verdient om gehoord te worden en die in dit boek én in zijn muziek zijn leven verwoordt. Dat kan niet anders met muziektitels als All The Things You Could Be By Now If Sigmund Freud’s Wife Was Your Mother of Hellview from Bellevue (Lock ‘em Up). Omdat ik toch wat meer over Charles Mingus wil weten uit een wat meer onafhankelijke bron ga ik zijn biografie van Gene Santoro nog lezen.

0195304640.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Chasin’ the Bird. The Life and Legacy of Charlie Parker van Brian Priestley is een soort biografie over de legendarische altsaxofoonspeler Charlie Parker, wiens bijnaam ‘Bird’ of ‘Yardbird’ was. Het is geen dik boek, 198 pagina’s in totaal, waarvan de pagina’s 139-199 bestaan uit een uitgebreide discografie, waarin al zijn uitgekomen muziek is opgenomen.

Dat laatste is mooi, maar dan blijft er voor de levensbeschrijving van zo’n jazzgrootheid niet veel ruimte over en dat viel mij dan ook tegen. Misschien moet ik de biografie van Stanley Crouch over Parker maar eens proberen, die telt zo’n 384 pagina’s.

Wat mij bewoog om toch dit boek te lezen is wordt door de auteur toegelicht voor in het boek en is iets waar ik zelf erg nieuwsgierig naar ben;

…Parker’s music contained the seeds of so much that followed it. This, however, becomes blindingly obvious after such a listener has spent sufficient study on the altoist’s recordings to realize that he was light-years ahead of all but a handful of his contemporaries. The purpose of this book is to make that fact clear, and also to relate his musical development to his private life.

Uiteraard heb ik veel van Parker’s muziek beluisterd, maar zo ‘obvious’ is het voor mij nog niet, ook niet na het lezen van dit boek; daar kom ik nog op terug. Het kan ook goed dat ik mij nog meer in zijn muziek moet verdiepen natuurlijk.

Zo kwam voor mij niet heel goed uit dit boek naar voren hoe Parker zo virtuoos is geworden. We lezen iets over zijn eerste pogingen gedurende zijn jeugd in Kansas City. Wat wel duidelijk wordt is dat hij de smaak te pakken krijgt van de saxofoon en naar eigen zeggen elf tot vijftien uur per dag oefent. Dat mag wellicht wat overdreven zijn, maar feit is dat om een zo’n smetteloze techniek te verkrijgen heel veel training nodig is. Bovendien zijn er verhalen dat Parker met een aan hem uitgeleende klarinet praktisch direct uit de voeten kon. Hij was ongehoord muzikaal en bovendien gezegend met een ‘fotografisch’ geheugen voor muziek. Hij ging zijn eigen stijl ontwikkelen;

The ability to play improvised phrases at double the original tempo of the piece…was to become one of the distinguishing characteristics of Charlie’s mature style. Equally…he was in later years famous for the integration of melodic quotations during an improvisation on another tune.

Hij speelt in bands en komt uiteindelijk in New York uit. Zijn privéleven loopt niet over rozen. Hij trouwt twee keer en krijgt twee kinderen, waarvan er één jong overlijdt aan cystic fibrosis. Hij raakt in zijn tienerjaren al verslaafd en zou zijn leven lang met heroïne- en alcoholverslavingen worstelen. Ook belandt hij meerdere keren in een psychiatrische inrichtng, onder meer na één van zijn twee zelfmoordpogingen.

Dat laatste, hoe dat turbulente leven relateert aan zijn muziek komt voor mij niet helemaal uit de verf. Ik lees wel hoe het zijn leven beïnvloed en wat het met hem en zijn omgeving doet. Zo was hij een keer zoek toen hij moest optreden met trompettist Dizzy Gillespie. De producers van het concert herinnerden zich in een later gegeven interview, dat Parker lag te slapen in zijn bad. Gevloerd door alcohol, omdat hij in die tijd excessief dronk om de behoefte aan heroïne te verdringen;

We went to his room [at the Dewey Square] and broke down the bathroom door. We got him out of the tub, dried him, dressed him, got him in a cab, stuck the horn in his hands, and pushed him from the wings on to the stage. The result, which was recorded, can be heard on a record today. It is unbelievable in its speed, ideas, and artistry.

Daar ligt dus een stuk van zijn magie. Hij kon bijna altijd leveren en beter dan de rest. Zijn verslavingen worden hem wel fataal, hij overlijdt in het appartement van de jazz-barones en mecenas Pannonica de Koeningswarter, die hier en hier ook al ter sprake kwam. Hij was 34 jaar, de arts die zijn dood vaststelde schatte hem op 53.

De auteur is met Parker’s dood nog niet klaar met dit boek want dan hebben we goed 100 pagina’s gehad en dat blijft wat mager voor zo’n bewogen leven. Dan volgt er een analyse van Parker’s muziek en daar ligt een deel van de verklaring waarom zijn muziek zo virtuoos was, maar die mij af en toe toch wat ver ging. Er worden notenvoorbeelden gegeven en veel voorbeelden en ik heb getracht het verschil te ontdekken tussen de eerste, vijfde en negende maten van Parker’s nummers Bongo Beep en Bongo Bop, maar daar moet ik gewoon meer tijd in steken of een boek tegenkomen waarin de voorbeelden in wat meer hapklare brokken opgeleverd worden. Een hedendaagse biografie met bijbehorende Spotify-lijst zou ideaal zijn natuurlijk. Voorlopig pak ik toch dit boek er af en toe bij, om het voor mij wat meer ‘obvious’ te maken waarin de grootsheid van zijn muziek ligt. Dat het soms duizelingwekkend snel is en vaak mooi om te beluisteren, dat hoor ik wel.

0684831902.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Thelonious Monk. The Life and Times of an American Original van Robin D.G. Kelley is de uitgebreide biografie van een eigenzinnige jazz-pianist. Het is een boek van 451 pagina’s en na het lezen ervan ben je aardig op de hoogte van de Amerikaanse jazz-scene in de vorige eeuw.

Ik wilde het boek graag lezen omdat Thelonious Monk een heel eigen plaats inneemt onder de jazz-muzikanten. Hij wordt nu beschouwd als één van de grootste artiesten in dat genre, maar daar ging wel wat tijd overheen. Dat komt onder meer door zijn gedrag, wat vaak als excentriek werd omschreven of soms als knettergek, maar waar later de diagnose bipolaire stoornis aan werd gegeven.

Hij groeit op in New York waar hij pianolessen neemt, ook al moet zijn moeder er hard voor werken (zijn vader is niet in beeld). Hij is een snelle leerling en krijgt invloeden mee van klassieke muziek, Caraïbische muziek en de gospels die in de kerk worden gezongen. Hij luistert naar pianisten als Art Tatum, Earl Hines en Fats Waller en ontwikkelt langzaam maar zeker een eigen stijl;

He heard players “bend” notes on the piano, or turn the beat around…or create dissonant harmonies with “splattered notes” and chord clusters…Monk embraced these elements in his own playing and exaggerated them.

Met de jaren werd die speelstijl zijn handelsmerk maar daar was nog niet iedereen klaar voor;

Monk’s chords were a product of years of training, experimentation, and a solid understanding of music theory. Monk knew it, which is why he became so annoyed when critics, musicians, or fans – even the sympathetic ones – described his chords as “wrong” or “weird”.

Het is vaak lastig voor hem om werk te vinden maar hij weet toch steeds bij de verschillende jazz-clubs als pianist op te treden. Hij moet er dan wel voor zorgen zijn ‘Cabaret Card’ te behouden, want zonder mag je niet optreden in clubs waar alcohol geschonken wordt. Dat lukt hem niet altijd, want hij wordt een aantal maal gearresteerd in verband met drugs. Naast zijn optredens begint hij ook met het opnemen van platen. Blue Note is een jonge maatschappij die gelooft in marketing dus wordt hij de “High Priest of Bebop” gedoopt en worden zijn excentrieke trekjes breed uitgemeten.

Die trekjes, dat zijn er nogal wat. Hij komt vaak te laat, is vaak dronken, danst of loopt rond op het podium en steeds vaker er vanaf ook, hjij kan dagenlang lethargisch op bed liggen of ineens een creatieve explosie krijgen waarbij hij dan weer helemaal niet slaapt. Excentriek, maar wellicht de voortekenen van zijn bipolaire stoornis.

Die creativiteit hoor je terug in zjn muziek. Die is vaak zo complex dat zelfs een held van Monk zelf, Coleman Hawkins en de ster van dat moment John Coltrane moeite hebben met wat Monk van hen vraagt. Een typische Monk-reactie volgt dan:

‘You’re the great Coleman Hawkins, right? You’re the guy who invented the tenor saxophone, right?’ Hawk agreed. Then Monk said to Trane, ‘You’re the great John Coltrane, right?’ Trane blushed, and mumbled, ‘Aw…I’m not so great.’ Then Monk said to both of them, ‘You both play saxophone, right?’ They nodded. ‘Well, the music is on the horn. Between the two of you, you should be able to find it.’

Daar kunnen de heren het mee doen. Het boek staat vol met optredens die Monk doet en er komen heel veel namen voorbij want het verloop met de muzikanten met wie hij speelt is groot. Het is een uitgebreide biografie, dus de buitenlandse tournees worden ook beschreven, tot aan optredens in Bussum en Hilversum aan toe. Gedurende al die tijd zijn twee vrouwen altijd bij hem, zijn vrouw Nellie en de jazz-barones Pannonica de Koenigswarter, een Rothschild-telg die tal van jazzmusici financieel helpt en Monk ook heel lang bijstaat.

Het mooie van dit boek is dat je op heel veel mooie muziek gewezen wordt, je zoekt televisiefragmenten erbij die vaak terug te vnden zijn op Youtube, zoals de documentaire Straight, No Chaser die er over Monk is gemaakt, maar de grote meerwaarde is dat je veel kennis opdoet over jazz in het algemeen. Waarom de muziek van Monk zo knap in elkaar zit, waarom de muziek van Ornette Coleman ineens als een bom insloeg of wat het belang van pianist Bud Powell was. Je bent er zowat bij als beschreven wordt dat Powell na een afwezigheid van zes jaar zich weer laat zien in de club Birdland;

Bud Powell had barely walked through the door before Birdland exploded with applause. As he made his way to the bandstand, holding fast to Francis Pandras’s arm and greeting well-wishers and old friends, the whole room was on its feet clapping and shouting. Birdland’s diminutive emcee, Pee Wee Marquette, held the microphone and attempted to introduce ‘the Amazing Bud Powell’ but the ovation lasted seventeen minutes.

Dus luister ik naast de muziek van Monk ook naar de muziek van Powell en ben er zelfs achter gekomen dat de beroemde Pee Wee Marquette nog bij David Letterman in zijn show is verschenen. U begrijpt, ook terug te vinden op Youtube.

Achter in het boek staan alle nummers die Monk heeft geschreven met een korte toelichting dus dat wordt vanzelf een luistergids. Een prima leesbaar boek, een prachtig tijdsbeeld en goed naslagwerk, ook omdat de besproken nummers opgenomen zijn in de index en dus overal in het boek terug te vinden zijn.

601156d334900926725726
Ik was benieuwd naar Miles de autobiografie van trompettist Miles Davis en co-auteur Quincy Troope en wel om een aantal redenen. Ik houd van zijn muziek en ik ken zijn albums Kind of Blue en Sketches of Spain al vele jaren. Hij wordt gezien als één van de belangrijkste jazz-musici aller tijden en dat album Kind of Blue figureert in vele lijstjes als het ultieme jazz-album. Dat verzin ik niet, u kunt dat hier, hier, hier, hier, hier en hier nagaan. Overal staat het album op nummer 1.

Verder vind ik het een groot artiest en waarom ik dat vind daar kom ik nog op terug. Ik stam uit de tijd dat ik Miles Davis (1926-1991) op televisie heb zien optreden en interviews met hem zag. Hij stond niet bekend als het lachebekje onder de musici maar als een moeilijk en stug mens. Verder heeft hij met de grootste jazz-musici ooit samengespreeld, zoals Charlie Parker, Dizzy Gillespie, John Coltrane en met zo veel anderen. Ingrediënten genoeg om zijn autobiografie te gaan lezen.

Om maar met de deur in huis te vallen, het is in een vrij beroerde stijl geschreven. Ik heb de vertaling gelezen en het origineel er niet bij gehad, maar van de Nederlandse tekst was ik ook niet onder de indruk. Niet lezen dan maar? De liefhebber moet hem zeker wel lezen. Ik zeg het vaker bij autobiografieën, er staat zoveel interessante informatie in over de totstandkoming van zijn muziek of over de omgang met al die andere grootheden, dat dit voor mij boven de minpunten uitstijgt.

Miles Davis komt uit East St. Louis uit een niet onbemiddeld gezin, zijn vader was tandarts. Hij speelde al vroeg trompet en ging naar New York om daar zijn idolen altsaxofonist Charlie Parker (‘Bird’) en trompettist Dizzy Gillespie te ontmoeten. Hij vindt ze ook en gaat met ze spelen. Dat doet hij ook met pianist Thelonious Monk en met tenorsaxofonist Coleman Hawkins (‘Bean’) en hij krijgt zo een prima leerschool. Davis hierover;

Maar Bird leerde me niet zo veel op muzikaal gebied. Ik vond het heerlijk om met hem te spelen, maar wat hij deed kon je niet nadoen, het was te inventief. Alles wat ik toen over jazz heb geleerd, heb ik van Dizzy en Monk geleerd, misschien ook iets van Bean, maar niet van Bird.

Het zou wel een prima basis worden voor de ontwikkeling van zijn eigen geluid. Het genie van Monk en later ook van bassist Charlie Mingus wordt heel goed duidelijk uit dit boek. Ook de wereld waarin al die musici zich bewegen wordt, vaak pijnlijk, duidelijk. Cocaïne, heroïne en sloten alcohol zijn gemeengoed en velen gaan er jong aan onderdoor.

Miles Davis wordt bekender en krijgt een platencontract als bandleider. Hij belandt voor het eerst in de gevangenis met drummer Art Blakey wegens drugsbezit. Hij heeft een relatie maar is een notoire vreemdganger en heeft zelfs meisjes voor hem werken die hem geld voor zijn drugs verschaffen, met andere woorden hij is een pooier ook.

Muzikaal gezien gaat het hem goed en hij maakt meer elpees. Hij stelt een topband samen met John Coltrane op tenorsaxofoon, Philly Joe Jones op drums, Red Garland op piano en Paul Chambers op bas. Vooral Coltrane is een grootheid (zijn album A Love Supreme staat nogal eens op plaats twee in die lijstjes) en Davis zei over hem;

Trane was de snelste en meest luidruchtige saxofonist die ik ooit heb gehoord. Hij kon ontzettend snel en tegelijkertijd ontzettend hard spelen, wat erg moeilijk is. Want de meeste blazers blokkeren als ze hard spelen…Maar Trane kon het en hij was fenomenaal. Hij leek wel bezeten als hij die sax aan zijn mond zette.

Dit soort informatie uit de eerste hand, daar gaat het mij om en dat is de waarde van zo’n boek. Ook de beschrijvingen van de albums Kind of Blue, Sketches of Spain en Bitches Brew zijn belangrijk, ik wil weten wat de ideeën daarachter waren en daar gaat Davis uitgebreid op in. Het is ongelofelijk dat voor het album Kind of Blue Davis alleen met wat schetsen naar de studio kwam en dat het album op basis daarvan in slechts twee sessies werd opgenomen, al improviserend.

Er staat dus veel in over zijn muziek en over zijn ideeën die tot die muziek leidden, want Davis was muzikaal prima onderlegd. Privé was het allemaal wat lastiger, hij kende ups en grote downs. Drugs maken geen aardige vent van hem en je moet hem nageven dat hij onverbloemd alles opschrijft, zoals over zijn vriendin Frances Taylor;

Ik herinner me dat ik haar eens heb geslagen toen ze thuiskwam met het verhaal dat Quincy Jones zo knap was. Voor ik het wist, had ik haar tegen de grond geslagen…

En over haar carrière als danseres:

Ik wilde gewoon dat ze altijd bij me was. Ze maakte vaak ruzie met me over dat gezeik, dat zij ook een carrière had, dat zij ook een artiest was, maar ik wilde gewoon geen gelul daarover, want dat zou betekenen dat we niet steeds bij elkaar konden zijn.

Zo staan er nog veel meer fragmenten in het boek en het neemt je niet voor hem in. Wel zijn muziek, die vind ik van een grote klasse en daarom vind ik het een groot artiest, los van zijn persoon. Davis is zich altijd blijven doorontwikkelen. Hij stond altijd open voor andere invloeden zoals moderne klassieke componisten, opera, Afrikaanse muziek (in Kind of Blue wilde hij het geluid van de Afrikaanse ‘finger piano’ nabootsen en vond dat hem dit niet goed gelukt was), Braziliaanse muziek, maar ook het werk van de bevriende schrijver James Baldwin bijvoorbeeld.

Zijn overstap naar elektrische instrumenten zorgde weer voor een heel nieuw geluid. Ik vind zijn latere werk niet allemaal even mooi, maar zijn album Bitches Brew vind ik wel een absoluut hoogtepunt en dat is in niets te vergelijken met zijn vroege, meer traditionele werk. In die zin vind ik hem vergelijkbaar met artiesten als David Bowie of Prince. Hun latere werk met Tin Machine of als TAFKAP vond ik ook niet altijd hun beste werk maar ze stonden nooit stil, ze bleven zich ontwikkelen.

Wat verder opvalt in het boek is het thema blanken en zwarten. Davis vindt dat hij te weing respect krijgt omdat hij zwart is en draagt er talloze voorbeelden van aan. Zo ging hij een gesprek aan bij een diner op het Witte Huis met een blanke dame;

‘Wil je echt weten waarom jazz geen krediet krijgt in dit land?’
Ja, dat wilde ze wel weten.
‘Jazz wordt hier genegeerd omdat de blanke graag alles wint. Blanken zien graag andere blanken winnen net als jij en ze kunnen het niet winnen als het op jazz en blues aankomt, omdat zwarten die hebben gecreëerd…’

Dat gesprek ging nog even zo door en tussen al die voorbeelden staan ook grappige trouwens:

Maar blanke Amerikanen schuiven liever een blank iemand als Elvis Presley, die gewoon een gekopieerde zwarte is, naar voren…

Dat is net zo als hoe Columbus Amerika kon ontdekken als de Indianen hier al lang waren? Dat soort gelul kan alleen maar van blanken komen.

Veel relevante informatie voor de liefhebber dus en in slechte stijl opgeschreven, maar ik pak het er toch regelmatig bij als ik zijn muziek opzet.

Vertaling; Irene Eichholz, Wim van Klaveren, Ruud Meijer, Carla den Hollander, Jan Stassen

d50d7698b301635596b795a3041444341587343_v5
In a mellow tone van Jeroen de Valk beschrijft het levensverhaal van de Amerikaanse tenorsaxofonist Ben Webster (1909-1973). Het is geen allesomvattende biografie want het is slechts 169 pagina’s dik, maar het geeft een aardig overzicht van het leven en de carrière van Ben Webster. De nadruk ligt daarbij op de Europese en dan speciaal zijn Nederlandse belevenissen. Webster woonde de laatste jaren van zijn leven in Amsterdam en Kopenhagen.

Het boek begint echter in de Verenigde Staten, waar Webster opgroeit in Kansas City in Missouri, waar hij door zijn moeder en een oudtante wordt opgevoed. Zijn vader is zo goed als niet aanwezig. Hij ruikt even aan de viool naar heeft een hekel aan dat ding. De piano is interessanter, daar is hij vaak achter te vinden. Die liefde blijft maar hij ontdekt ook de saxofoon en met name het spel van Coleman Hawkins die in het beroemde orkest van Fletcher Henderson speelt. Dat wordt het richtpunt en uiteindelijk wordt Ben Webster ook door Henderson aangenomen.

Het boek leest prettig door omdat biografische gegevens worden afgewisseld met anekdotes, zoals wanneer Webster de saxofonist Lester (‘Prez’) Young én diens broer van de verdrinkingsdood in de Rio Grande redt. Webster is een grote en sterke vent en met een redelijke drankzucht en een opvliegend karakter gaat dat niet altijd goed. Hij raakte regelmatig in vechtpartijen verzeild en heeft Billie Holiday , waarmee hij een oppervlakkige affaire had, wel eens een blauw oog bezorgd.

Muzikaal gezien wilde hij uitgedaagd worden en zo kwam hij bij Duke Ellington terecht. Dat betaalde slechter maar muzikaal was dat veel beter. Hier ontwikkelde hij zijn eigen stijl en maakte zich los van zijn voorbeeld Coleman Hawkins. De Valk daarover;

Webster ging minder noten spelen. Hij werd meer en meer een melodische solist. Hij dacht ‘horizontaal’, in frases dus, in plaats van als een ‘verticale’ blazer alle akkoordovergangen door te spelen. Zijn vormgevoel werd sterker. Hawkins had wel eens moeite zijn improvisaties tot een bevredigend einde te brengen. Websters beste soli klinken echter als composities.

Zoek het nummer Cotton Tail maar eens op Youtube op waarin Webster soleert bij Duke Ellington, dat is heerlijk om te horen. Uiteindelijk verlaat hij de band van Duke Ellington omdat hij naam had gemaakt als solist. Jazz-journalist Whitney Balliet omschrijft zijn stijl;

‘Zijn stijl is behaaglijk, magistraal en beschermend; het omhelst de luisteraar. Veel jazzmusici laten door verlegenheid, gebrek aan techniek of domweg vaagheid de luisteraar veel van het werk opknappen; Webster, een echt gezelligheidsmens, komt zijn publiek al driekwart van de weg tegemoet.’

Hij neemt verschillende platen op maar financieel gaat het niet best. Webster vertrekt naar Europa en belandt via Londen in Kopenhagen. Dat is de eerste tijd zijn uitvalsbasis voor verschillende concerten in Europa. Dat was niet altijd een succes;

Hadden zijn Amerikaanse medemusici in de jaren vijftig en zestig een nog op zijn minst acceptabel niveau, op sommige Europese platen van Ben zijn bassisten en drummers te horen die echt niet door de beugel kunnen.

Het blijft niet bij gratuite opmerkingen, de auteur legt uit om welke albums het gaat en welke albums juist wel de moeite waard zijn, het boek kan dus prima als luistergids dienen ook. De drank blijft wel een factor, want Webster verknalt er ook optredens mee, zoals de beruchte mislukking in Berlijn.

In Nederland was zijn reputatie nog redelijk onbedorven en Webster ging daar zijn geluk zoeken. Hij kwam terecht bij hospita Hartlooper. Die verdient veel credits, want zij nam Webster helemaal onder haar hoede en zorgde voor hem, hoe raar zijn fratsen ook waren af en toe. Webster kende nog een fiasco in het Concertgebouw, maar ook mooie optredens bij de concerten van Hans Dulfer in Paradiso.

Webster had redelijk conventionele ideeën over muziek. Filmmaker Johan van der Keuken was fan van Archie Shepp, die volgens hem redelijk in de traditie van Webster speelde. Hij liet het Webster horen door Ellingtons In A Sentimantal Mood af te spelen met Shepp op saxofoon;

Ik zette de plaat op en na drie noten zei hij : “Stop!” Hij ging naar achteren, naar zijn kamertje, hij kwam terug met zijn saxofoon – wat dus nóóit gebeurde, thuis raakte hij dat ding vrijwel niet aan – en zei: “Zet die plaat nog eens op.”
Ik zette hem op en na de eerste noot zei hij: “Stop!” Hij nam z’n saxofoon en speelde die eerste noot. “Zó word je geacht dat te spelen.” Eén noot. “Die knaap is gek.” Toen bracht hij zijn tenor weer weg. Daarmee had Shepp voor hem afgedaan.

Ben Webster komt naar voren als een man met twee gezichten. Vaak dwars en norsig, zeker als er drank in het spel was, maar ook zeer vriendelijk, beleefd en amicaal. Ik ben liefhebber van zijn spel, zijn vroege, robuuste werk bij Ellington maar zeker ook de ballads die hij later meer en meer zou spelen (niet in het minst door adem tekort voor het snellere werk). Hij werd erg zwaar en zijn lever functioneerde op den duur slecht vanwege de alcohol. Hij zou uiteindelijk in Amsterdam sterven en in Kopenhagen gecremeerd worden.

Zijn instrument is een verhaal apart. Toen Webster op sterven lag zei hij tegen zijn Nederlandse vriend, de schilder Steven Kwint:

“Steff, you take care of Ol’ Betsy and let nobody play her.”

Er waren  er genoeg die op zijn saxofoon wilden spelen, maar dat had niet eenvoudig geweest. Het was een antiek instrument die Webster in 1938 ooit had aangeschaft. Hij speelde er onafgebroken op. Wilden de kleppen niet meer of begaven de polsters het dan liet hij het instrument helemaal reviseren. Nieuwere instrumenten waren makkelijker te bespelen maar hadden niet dat zware geluid van zijn instrument. Verder had hij een wijd open mondstuk en een heel dik riet erop zitten. Jazz-muzikant Willem Breuker zag dat instrument en zei;

‘Daar valt helemaal niet op te spelen voor tegenwoordige muzikanten.’ Zó’n ouderwetse saxofoon, een loodzwaar ding, en dan ook nog zo zwaar bespeelbaar.

Ben Webster kon het wel en hij heeft er prachtige muziek mee gemaakt. Dit boek geeft in ieder geval aanleiding om daar veel van te beluisteren. Steven Kwint heeft overigens woord gehouden, Ol’ Betsy is nooit meer bespeeld en wordt tentoongesteld in het Jazz Institute van de Rutgers University in Newark, New Jersey.

9044617486.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_ (1)
Als je met Franse chansons bezig bent (zie mijn vorige besprekingen) dan is het geen grote stap naar een biografie over de Nederlandse chansonnier Ramses Shaffy. Sylvester Hoogmoed schreef hem onder de titel We zien wel! zo’n twee jaar na Shaffy’s overlijden. Nu weet ik dat Hoogmoed later nog een nieuwe biografie over Ramses Shaffy schreef met de titel Door alles heen, maar dit boek had ik nu eenmaal al in mijn kast liggen en zou hopelijk ook voor een aardig beeld van de man zorgen.

Dat klopt ook wel. Het is een boek van 365 pagina’s, verdeeld in 18 hoofdstukken en nog kleinere subhoofdfstukken dus het leest lekker door. Het voorwoord wordt verzorgd door Liesbeth List. Opmerkelijk vond ik dat Shaffy en List buiten het werk om helemaal niet zo veel contact hadden. List;

We hielden van elkaar, maar het was een stil verbond, dat woorden overbodig maakte. Veel van wat ik in deze biografie heb gelezen, is daarom nieuw voor mij…Over zijn geliefden en de ruzies met hen wist ik maar weinig. Klagen over onze sores, het kwam niet in ons hoofd op! We waren toch met iets leuks bezig op het podium? Werken met Ramses was feestvieren, iedere avond weer.

Dat is ook wat dit boek ademt. Ik hoef niet zijn hele leven na te vertellen, daarvoor kunt u het boek zelf wel lezen, maar wat opvalt is de vrije en onafhankelijke geest die Shaffy had. Hij was de zoon van een Egyptische consul en zijn Poolse gravin van Russische afkomst en werd in een Parijse voorstad geboren. In Nederland kwam hij bij een pleeggezin in Nederland terecht waar hij piano leerde spelen. Hij bezoekt de Toneelschool Amsterdam die hij uiteindelijk niet af zou maken, maar hij was zo overtuigd van eigen kunnen dat hij zijn eigen show begon. Geïmproviseerde optredens met pantomime, chansons, klassieke muziek en ballet. Albert Mol herinnerde zich een spiernaakte dame, met in haar hand een jurk aan een kleerhaak over het toneel gelopen, die zogenaamd niet in de gaten had gehad dat het doek al omhoog was. Hij was zijn tijd aardig vooruit met zulke voorstellingen.

Shaffy zou bij de Nederlandse Comedie in dienst treden en bleek een prima toneelspeler. Toch koos hij voor de muziek en hij werd ontslagen bij het toneelgezelschap na een bizar verhaal dat zijn pak verscheurd werd door een dolle aap in een café. Zijn smoezen waren legendarisch overigens. Zijn drankgebruik was dat ook. Hij ontwikkelde zich tot een notoire alcoholist.

Hij woonde inmiddels samen met een partner in een klein wevershuisje in Amsterdam dat een zoete inval bleek voor iedereen waar Shaffy een klik mee had. Dat was vaak een luidruchtige bende maar buurvrouw Bep Hage tilde er niet te zwaar aan;

‘Ach, mijn buurvrouw stonk en Ramses maakte lawaai, iedereen heeft wel wat. Als mijn oudste wel eens niet kon slapen vanwege de muziek, dan zei ik: “De beste remedie tegen lawaai is ernaar te gaan luisteren. Dan hoor je nog eens wat en je valt geheid in slaap. En je bent de eerste die zijn nieuwe liedjes hoort!”’

Shaffy was succesvol met zijn muziekprogramma’s zoals Shaffy Chantant en het is mooi om te lezen hoe klassiekers als ‘Sammy’ zijn ontstaan. Vaak gaf hij maar een draai aan zijn optredens, soms door zijn benevelde toestand, maar hij kwam er vaak mee weg. Hoboïst Han de Vries zei daarover:

‘Het ontroerde me vaak wat hij deed, met dat prachtige timbre in zijn stem. Maar vaak was het ook echt onzuiver, qua intonatie. En ook zijn pianospel: dat vond ik fantastisch, echt waanzinnig! Dat had echt een geniale tic hoor!…Ik zag dat hij ook in dat spelen voortdurend vooruit wilde en dat de afwerking daaronder leed. Alsof iemand voorover vallend vooruit rent.’

Die vrije geest waar ik het over had manifesteert zich op de meest vreemde manieren. Soms spreekt hij mensen aan op een terras, wisselt borden om van mensen die ergens zitten te eten maar het brengt hem ook in contact met andere grootheden als de danser Rudolf Noerejev en saxofonist Ben Webster. Met die laatste wordt hij eens ’s ochtends vroeg in een plantsoen aangetroffen waarna ze beiden door de politie thuis werden gebracht (Webster woonde toen in Amsterdam). Diezelfde vrije geest schreef de meest prachtige liederen waar ik niet zo goed van op de hoogte was. De klassiekers kende ik natuurlijk, maar luister eens naar de eerste drie zinnen van zijn lied Als je m’n sleutel kwijt bent, gezongen op zachte jazz-klanken;

Als je m’n sleutel kwijt bent,
Moet je over het muurtje klimmen,
En dan lazer je vanzelf m’n huis in

Dat vind ik van een ongehoorde schoonheid. Dat geldt ook voor Eens in de honderd jaar of De trein naar het noorden, liederen met een sterk autobiografisch karakter. Shaffy was nieuwsgierig en dat zorgde er ook voor dat hij zich bij de Bhagwan aansloot. Hij is er vaak voor naar India gereisd.

Het is een boek dat zijn leven chronologisch volgt, vol staat met hilarische anekdotes omdat Shaffy een onvoorspelbaar en creatief mens was maar dat ook de andere kant laat zien, zoals actrice Janke Dekker ervoer;

‘Wat mij ongelooflijk trof, was dat hij werd gedreven door pijn en eenzaamheid en van daaruit die enorme drang had om het leven als een zoektocht te zien. Daar kon hij zich enorm in storten, maar hij kon ook aan de zijkant blijven staan, in een hoekje blijven zitten en iedereen observeren, zonder deel te nemen.’

Het heeft mij veel mooie en voor mij nieuwe muziek gebracht, al was het maar omdat ik de Franse chansonnière Frida Boccara nog nooit hoorde met het koor de Mastreechter Staar in Le Soleil Tremble, de vertaalde versie van We zullen doorgaan. Zoekt u het eens op Youtube op.

28a7e8216d2f2de597533597451444341587343_v5
In 2019 zag ik de film Rocket Man over de Britse zanger en pianist Elton John. Die vond ik erg vermakelijk en ik wist natuurlijk dat zijn autobiografie Ik ook in dat jaar uitgekomen was. Omdat ik hem als singer/songwriter ook waardeer moest dat boek natuurlijk gelezen worden en nu kwam ik daartoe.

Ik zeg het wel vaker over autobiografieën, ze hebben voor- en nadelen. De hoofdpersoon mag zelf beslissen hoe hij/zij er van af komt. Een goede biografie is vaak objectiever. Autobiografieën geven vaak meer ‘inside information’, waar een biograaf niet altijd over beschikt. Zo is het altijd wat.

Feit is wel dat Elton John zichzelf geenszins spaart in dit boek en dat is erg vermakelijk om te lezen. Het is ook nogal een leven dat hij heeft geleid. Hij is er gelukkig nog niet klaar mee, maar dat heeft op momenten weinig gescheeld. Geboren als Reginald Kenneth Dwight was hij niet overmatig tevreden met zichzelf. Wel met de muziek, hij speelde al heel jong piano.

Dat nam een vlucht en hij richtte een band op. Hij veranderde zijn naam in Elton John, een samentrekking van de namen van zijn bandleden, saxofonist Elton Dean en zanger Long John Baldry. In die tijd leert hij Bernie Taupin kennen die muziekteksten schreef en dat bleek een gouden combinatie. Ze gaan samenwerken en zouden elkaar nooit meer uit het oog verliezen. Zijn grootste hits komen er uit voort. Dat vind ik ook verreweg de meest interessante delen uit het boek, wanneer welke songs ontstonden;

Die nummers kwamen bijna vanzelf – Bernie schreef de tekst van ‘Your Song’ op een ochtend tijdens het ontbijt, waarna ik in exact een kwartier de muziek componeerde – omdat we in zekere zin al het harde werk al hadden gedaan. De sound van die nummers was de optelsom van alle uren die we hadden besteed aan pogingen om samen te schrijven…

De ‘inside information’ gaat vaak over de omgang met collega-artiesten zoals Rod Stewart en die zijn prachtig om te lezen. Elton en Rod doen er alles aan om elkaar op vrolijke manier dwars te zitten, zoals die keer dat Elton met een scherpschutter een promotie-zeppelin van Rod uit de lucht haalt. Dat zijn luchtige verhalen, maar minder luchtig is de keerzijde van het succes. Elton gaat gebruiken en zwaar ook. Drank en cocaïne gaan er dagelijks in enorme hoeveelheden doorheen. Dat, gecombineerd met een heel kort lontje leidt af en toe tot genante taferelen. Tel daarbij zijn onbedwingbare hang naar het kopen van allerlei extravaganza en dan wordt het helemaal een kermis, zoals na een driedaagse cocaïne-marathon;

Of dat je, zoals mij overkwam, wakker wordt gebeld met het bericht dat je een tram hebt gekocht. Niet een modeltram, maar een echte. Een Melbourne-combinatietram van de klasse W2, om precies te zijn, die, zo laat een stem aan de andere kant van de telefoon je weten, van Australië naar Groot-Brittannië moet worden verscheept en alleen met behulp van twee Chinook-helikopters bij je huis kan worden afgeleverd.

Wat dan ook gebeurt. Elton wordt een verzamelaar van meubels, vinyl, porselein, fotografie en kleding. Ook op het podium kleedt hij zich steeds extremer, waarbij een Donald Duck-pak nog niet eens de gekste outfit is (wel de lastigste om piano in te spelen). Hij verkoopt miljoenen platen, maar zijn privé-leven is een puinhoop. Hij is uitgesproken ‘gay’ en verslijt het ene vriendje na het andere, maar blijft uiteindelijk steeds alleen achter. Hij trouwt zelfs met een vrouw, wat nog vier jaar zou duren. Hij worstelt zich door juridische gevechten met tabloids die hem keihard aanpakken en wint, maar zijn zelfdestructieve gedrag neemt steeds grotere vormen aan.

Als zijn vriend zichzelf laat opnemen ziet Elton ook het licht en kickt hij af van drank en drugs. Dat gaat niet vanzelf; hij bezoekt talloze bijeenkomsten van de ‘Alcoholics Anonymous’ waarbij hij ook nog zijn cocaïneverslaving en eetstoornis moest zien aan te pakken. Het lukte hem uiteindelijk wel.

Omdat hij in zijn omgeving veel met sterfgevallen te maken kreeg door AIDS, richtte hij de AIDS Foundation op. Hij werd zelfs door een jongere generatie ontdekt door zijn muziek voor The Lion King;

Ik heb de muziek voor ‘Someone Saved My Life Tonight’, ‘Sorry Seems To Be The Hardest Word’ en ‘I Guess That’s Why They Call It The Blues’ geschreven. Maar er was geen ontkomen aan: nu werkte ik aan een liedje over een winderig wrattenzwijn. Het was natuurlijk een behoorlijk goed liedje over een winderig wrattenzwijn.

Er staat natuurlijk veel meer in het boek. Het gaat over zijn vriendschappen met Gianni Versace en prinses Diana en de impact van hun dood. Hij vertelt over hoe onuitstaanbaar Tina Turner op tournee was en hoe Richard Gere en Sylvester Stallone op de vuist wilden omdat ze beiden prinses Diana wilden versieren. Het gaat over het vreemde gedrag van Michael Jackson en hoe Elton Whitney Houston en George Michael niet van de drugs kon afhouden. Dat is die fijne ‘inside information’ weer.

Uiteindelijk vindt hij de liefde van zijn leven in David en krijgen ze via een draagmoeder twee kinderen. Elton gaat minder touren omdat hij bij zijn kinderen wil zijn. Hij stopt niet, maar doseert. Hij is één van de best verkopende artiesten ooit, heeft talloze onderscheidingen gekregen en staat in de Rock and Roll Hall of Fame. Tegelijkertijd blijft hij verbaasd dat hij mag optreden met een Ray Charles, die hij zelf vroeger wilde zijn, of een Leon Russell, een topmuzikant waarvoor hj zelf de speech gaf toen deze ook in de Hall of Fame werd bijgezet (op Youtube te vinden met als toetje Alice Cooper die Da Doo Ron Ron zingt, dat wil je zien).

Een onderhoudend boek met van alles wat zoals je het zou verwachten in het leven van een rockster, waarbij ik het voorzitterschap van de voetbalclub Watford nog niet eens genoemd heb. Gaat u dat zelf allemaal maar lezen.

Vertaling; Robert Neugarten