archiveren

(Auto)biografie

eaa32f00dcfc3c8593768445251444341587343_v5
Na het lezen van zijn Lof der Zotheid wilde ik meer weten over Erasmus, dus pakte ik De biografie van Erasmus erbij van de Belgische historicus Léon Halkin. Het is een boek van 376 pagina’s en al in 1987 uitgekomen, maar het leest prima weg en heeft mij aardig wat wijzer gemaakt. Het helpt dat er veelvuldig uit zijn weken wordt geciteerd om zijn ideeën toe te lichten.

Desiderius Erasmus, of Erasmus van Rotterdam, is in de gelijknamige plaats geboren en wordt er altijd mee geassocieerd, al is het maar door de brug, de universiteit en zijn standbeeld, maar hij heeft er maar een paar jaar gewoond. Zijn ouders overleden toen hij jong was en hij ging naar de parochieschool in Gouda. In Deventer leerde hij Latijn, de taal die hij zijn hele leven zou gebruiken. Ook zou hij Grieks leren. Onder druk van zijn voogden deed hij zijn intrede in het klooster in Gouda maar dat is hem te benauwend. Hij vertrekt naar Kamerijk, als secretaris van de bisschop. Hij heeft zijn priesterwijding dan al gehad.

Vervolgens begint hij aan de Sorbonne in Parijs een theologiestudie. Hij maakt een reis naar Londen en ontmoet daar Thomas More, de Engelse humanist en latere staatsman, met wie hij altijd bevriend zou blijven. Terug in Parijs wordt zijn eerste werk gedrukt, de Adagia. Het is een verzameling van Griekse en Latijnse spreuken van de grote klassieke schrijvers.

Het humanisme, een aan Cicero ontleend concept waarin “menselijkheid” centraal staat, wordt leidend voor het werk van Erasmus. Vanuit die benadering beziet en bekritiseert hij ook het geloof. Hij is wars van dogma’s en rituelen en dan met name de uitwassen daarvan. Een voorbeeld zijn de pelgrimstochten naar bedevaartsoorden. Erasmus ontkent het sacrale karakter hiervan niet, maar wil dat ze hun oorspronkelijke betekenis en zuiverheid terugkrijgen, in plaats van louter reislust of een oervorm van toerisme opwekken.

Naast zijn eigen werk bereidt Erasmus kritische uitgaven voor van Latijnse auteurs en vertaalt hij werken van Cicero, Plutarchus, Horatio, Plautus en Seneca. Verder is hij een begaafd briefschrijver. Zijn brieven zijn toegankelijk en vaak geschreven met het oog op publicatie. Hij gaf ook eigen brieven uit in druk, maar had waarschijnlijk niet kunnen bedenken dat zijn totale correspondentie nog steeds verkrijgbaar zou zijn in de 21e eeuw. Onlangs is de uitgave van de integrale correspondentie voltooid, zoals hier te zien is.

Zijn werk wordt gelezen en doet er toe, en hij is er zich van bewust ook, zoals blijkt bij een verzoek om geld bij de moeder van een leerling van hem;

‘Je zult laten zien hoe ik door mijn wetenschap mevrouw meer tot eer zal strekken dan andere theologen die zij ondersteunt. Want die zeggen alledaagse dingen, maar ik schrijf onvergankelijke dingen. Die domme kletsers hoort men in de ene of andere kerk; mijn boeken zullen worden gelezen door de kenners van Latijn en Grieks, door alle volken op de hele aarde.’

Uiteindelijk behaalt Erasmus in Italië zijn doctorstitel. Hij blijft schrijven en brengt werken uit als het Handboekje van de Christensoldaat, maar ook zijn commentaren op het Nieuwe Testament. Vooral de laatste uitgave zorgt voor grote verontwaardiging aan de theologische faculteiten, omdat zijn tekstkritische werk wordt gezien als een ondermijning en aantasting van het geloof.

Beroemd is ook zijn controverse met die andere geloofscriticus, Luther. Aanvankelijk zijn ze het wel eens, maar voor Erasmus gaat Luther veel te voortvarend te werk. Erasmus blijft het instituut veel meer trouw dan Luther maar nog belangrijker; Erasmus gelooft in de vrije wil, waar Luther betoogde dat God al had beschikt over het heil van de mens. Een zwarter mensbeeld dan waar Erasmus in geloofde.

Een andere pijler van Erasmus’ gedachtegoed is het pacifisme. Daar hangt het kernthema van zijn zedenleer aan vast, namelijk het thema van eendracht. Hij denkt groot, maar vertaalt die gedachte door, dus hij verlangt niets meer of minder dan eendracht tussen volken, kerken, theologische scholen, maar ook tussen vrienden en echtelieden.

Erasmus trouwt nooit en is een onvermoeibare werker. Hij heeft wel lichamelijke klachten als nierstenen, maar dat weerhoudt hem nooit van zijn reizen of van zijn werk. Door zijn kritiek wordt hij vaak aangevallen in geschriften en in de regel reageert hij daar met humor of met ironie op, maar soms geeft hij toe aan zijn verbittering en verweert zich fel;

‘Zolang men mij niets goddeloos te verwijten heeft, sta ik niemand toe mij voor goddeloos uit te schelden…De woorden van sommigen van u zijn mij niet ontgaan: “Als wij eerst Luther te gronde hebben gericht, dan pakken wij Erasmus aan”…Terwijl ik op aanwijzing van de keizer, de paus en andere vorsten…de strijd met Luther heb aangebonden. De inspanningen die ik onder gevaren op mij heb genomen, hebben de vijand verzwakt. En dan valt u mij meteen midden in het gevecht in de rug aan. Wat doet u toch? Misgunt u de kerk soms de overwinning? Wilt u de vijand te hulp snellen?’

Als Erasmus ouder wordt en zijn einde voelt naderen sluipt er in het boek wat drama, waar het verhaal tot nu toe vrij feitelijk was;

In de stilte van de ouderdom doorleeft Erasmus nog eenmaal voorbije dagen, zijn nogal trieste jeugd, de vroege dood van zijn ouders en de vurige hartstocht van zijn jongelingsjaren…Weemoedig leest Erasmus de brieven van zijn weinige trouwe vrienden nog eens door.

Hij overlijdt uiteindelijk in Bazel waar zijn grafsteen nog steeds in De Munster, de voornaamste kerk daar, te bezichtigen is.

Het is een informatieve biografie, die hoewel wat gedateerd, een prima overzicht geeft van leven en werk van Erasmus. Niet altijd chronologisch verteld, maar daar helpt de tijdtafel achter in het boek bij. Soms viel mij een herhaling van zetten op, zoals in welke geschriften Erasmus allemaal voortleeft. Dat wordt een aantal maal herhaald en had wat zorgvuldiger geredigeerd mogen worden. Verder ben ik wel benieuwd geworden naar zijn correspondentie, waaruit veel geciteerd is.

9044535226.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
M-Train van singer-songwriter Patti Smith kocht ik ooit in een opwelling, na het lezen van een positieve recensie. Het is het vervolg op Smith’s memoires Just Kids, waarvan het wellicht logischer is om dat eerst te lezen.

Dat deed ik niet en het maakt ook niet uit. Smith beschrijft dit boek als “a roadmap to my life” en het bevat overpeinzingen over de wereld zoals hij is en zoals hij was. Dat levert een onderhoudend boek op van 250 pagina’s, inclusief de door Smith gemaakte foto’s.

Haar gedachten waaieren alle kanten uit, maar een constante zijn haar bezoeken aan de café’s, het liefst met een vaste tafel, om veel koffie te drinken met toast en olijfolie. Daar denkt ze na over haar bezoek aan Frans Guyana en de strafkolonie waarover de Franse schrijver Jean Genet heeft geschreven. Hem zullen we later nog tegenkomen. Ze denkt aan haar lidmaatschap van de Continentale Drift Club, een genootschap waarvan de leden trouw hebben beloofd aan de bestendiging der herinnering, vooral wat betreft Alfred Wegener, die baanbrekend werk heeft verricht over de theorie van de continentale drift. Ze maakt diverse reizen voor die club en ontmoet zo Bobby Fischer, de schaaklegende.

Ik houd van de muziek van Patti Smith, maar die komt, los van een melding dat ze op tournee is, verder niet voor. Daarom was de volgende passage een verrassing;

Plotseling herinnerde ik me dat Fred ooit een kleine draagbare platenspeler had ontdekt in een kast van een huisje dat we hadden gehuurd in noordelijk Michigan. Toen hij hem openmaakte, lag er een single op de draaitafel. Het was ‘Radar Love’, een telepathisch liefdeslied van Golden Earring dat leek te spreken over onze langeafstandsrelatie en de elektrische draad die ons steeds weer bij elkaar bracht. Het was de enige aanwezige plaat, en we draaiden hem steeds opnieuw.

Die Fred was Fred ‘Sonic’ Smith, de man die ze al in 1994 door een hartinfarct zou verliezen, maar die in het hele boek een rol speelt. Patti Smith’s gedachten gaan moeiteloos van Goethe en Schiller naar de schrijver Haruki Murakami en zijn boek De Opwindvogelkronieken. Ik ken het boek niet maar ze raakt geobsedeerd door een gebouw in dat verhaal, het Miyawakihuis.

Er staan ook praktischer zaken in het boek. Ze koopt een huis aan zee omdat ze van de omgeving houdt met die meterslange boardwalk. Dan komt de storm Sandy en raakt haar huis zwaar beschadigd. De boardwalk, het café van haar vriend Zak en de spoorweg worden verwoest;

Ik voelde Fred in de huilende wind, vechtend voor zijn leven. Een grote tak brak van onze eik af en viel dwars over de oprit, een bericht van hem, mijn zwijgzame man.

Herinneringen, dromen en werkelijkheid lopen door elkaar heen in de verhalen. Smith is veel met de dood bezig. Door haar man, maar ook op haar reizen. In Japan bezoekt ze de graven van de schrijver Ryūnosuke Akutagawa (1892-1927) en de cineasten Akira Kurosawa (1910-1998) en Yasujiro Ozu (1903-1963). In Mexico bezoekt ze het huis annex museum van de schilderes Frida Kahlo (1907-1954) waar ze onwel wordt en mag uitrusten in het bed van Frida’s man Diego.

Het graf van Sylvia Plath word bezocht en als ze in Marokko is ook dat van Jean Genet. Nu zoek ik vaak wat na als ik een boek lees dus weet ik dat van Genet een nieuwe vertaling is verschenen van zijn Dagboek van een dief, dus die gaat op de wensenlijst. Leuker vind ik de overeenkomst tussen de opera “Le Balcon” van Péter Eötvös en het popnummer “The Jean Genie” van David Bowie; beiden hebben Jean Genet als basis. Met dank aan Patti Smith voor de verwijzing.

Smith is een fan van crime series en kijkt die regelmatig op haar hotelkamer of in het vliegtuig. Ik ben niet echt fan van haar beschrijvingen van die series maar het boeit haar en ze heeft zelfs een rol weten te bemachtigen in de serie Law and Order in 2011.

Omdat haar gedachten eigenlijk alle kanten uitwaaierden vroeg ik mij eigenlijk af waar ik het in deze bespreking over ging hebben. Ik waaierde eigenlijk gewoon mee.

Vertaling; Ton Heuvelmans

 

9460039324.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als de term ‘wiskunde-‘ of ‘talenknobbel’ u bekend voorkomt, dan is de Duitse arts en hersenonderzoeker Franz Joseph Gall (1758 – 1828) gelukkig nog niet helemaal vergeten. Het zijn termen die voortleven uit zijn werk dat door neuropsycholoog Theo Mulder uitgebreid wordt beschreven in zijn boek De hersenverzamelaar.

Gall was een arts uit Duitsland die in Wenen praktijk hield als huisarts. Daar begon hij zich te verdiepen in de anatomie en werd hij gefascineerd door het grote verschil in aanleg en gedrag tussen mensen. Hij meende dat de oorzaken hiervan in de hersenen te vinden waren en begon met het verzamelen van schedels. Niet van de gemiddelde Wener, maar van genieën, kunstenaars, moordenaars en geesteszieken, kortom; de extremen.

Hij ontwikkelde een leer waarbij de vormverschillen van de hersenen leidend waren voor verschillen in de schedels van mensen. Al naar gelang hersenen veranderden, plooide de schedel zich daaromheen en waren verschillen te ‘bevoelen’ door uitstulpingen en putten in de schedels. Hij ging daarin best ver. Hij voerde mensen wel dronken en liet ruzies ontstaan en begon het gedrag te noteren en hoofden te bevoelen;

Hij aarzelde niet om interessante plekken op de hoofden met verf te markeren.

Langzamerhand ontstond zo zijn schedelleer waarbij men aan het hoofd van de mens het karakter kon aflezen. Met zijn assistent Spurzheim ging Gall lezingen geven die al snel razend populair werden. Niet in het minst omdat hij het show-element niet schuwde, maar ook omdat het behapbare materie was voor het publiek dat niet altijd uit geschoolde academici bestond. Zijn verzamelwoede omtrent schedels nam zulke vormen aan dat hofbibliothecaris Michael Denis expliciet in zijn testament liet opnemen dat zijn schedel niet in de handen van Gall mocht vallen na zijn overlijden; “Mein Kopf geht nicht nach Gall.”

Gall mocht uiteindelijk niet meer optreden in Wenen omdat zijn ideeën te materialistisch zouden zijn. Hij vertrekt naar Berlijn en later naar Amsterdam. Uiteindelijk zou hij in Parijs eindigen, waar hij ook begraven ligt. Uiteraard werd zijn eigen schedel ook onderzocht en die uitslag was opmerkelijk;

De aanwezige deskundigen waren teleurgesteld, want op basis van de hersen-schedelleer was er eigenlijk niet veel opvallends te zien en te voelen aan de schedel van de meester zelf. Het was allemaal wat gewoontjes.

Het boek, en dat is een verdienste, gaat na de dood van Gall nog zo’n 100 pagina’s door. Het behandelt namelijk ook de lotgevallen van zijn assistent Spurzheim, die zijn leer commercieel uitbuitte tot in Amerika aan toe, waar hij ook overleed. Het boek gaat nog verder en laat zien welke navolgers de schedelleer of frenologie kende en hoe dit doorwerkt tot in onze eeuw aan toe.

Maar het belangrijkste is toch Franz Joseph Gall en de duiding van zijn leer. Mulder geeft aan dat het makkelijk is om met de bril van nu hoofdschuddend achterom te kijken en ons af te vragen hoe men in zo’n leer heeft kunnen geloven. Hij zet het verhaal in zijn tijd en laat zien dat Gall als wetenschapper wel degelijk van belang is geweest. Hij was een voortreffelijk anatoom en feitelijk een vroege gedragswetenschapper. Hij beschreef het belang van zenuwbanen en zag als eerste dat hersenen ‘ontstonden’ uit het ruggenmerg. Hij legde het fundament voor de neurowetenschap. Tegelijk viel hij keihard in een methodologische valkuil. Hij was zo overtuigd van zijn eigen leer dat hij wist waarnaar hij zocht en het bijgevolg ook vond. Hij deed geen controleproeven en liet collega’s niet meekijken. Verder nam hij geen leerlingen aan en liet hij geen spoor op schrift achter.

Mulder laat dus prima zien hoe Gall tot zijn leer kwam, wat zijn verdiensten waren en waar hij de mist in ging. De erfenis in de vorm van zijn opvolgers komt ook uitgebreid aan bod, net als de voors en tegens van zijn leer. Zo lezen we over recruteringsbureaus gebaseerd op de frenologie. Er werd serieus gedacht dat mensen op uiterlijke kenmerken geselecteerd konden worden voor bepaalde functies. Op een ander niveau waren er ook schaduwkanten. Er sloop een racistisch wereldbeeld en een westerse superioriteitsgedachte de ideeën over schoonheid en de perfecte schedel binnen.

Het boek is geen dikke biografie, het telt 288 pagina’s. Dat heeft te maken met het feit dat Gall weinig tot niets opgeschreven heeft over zijn persoonlijk leven. Hij was getrouwd en had een zoon, maar leefde gescheiden van hen. Hij schreef wel brieven maar in de regel als hij iets nodig had van iemand. Daarom valt het te prijzen dat zijn biografie is uitgebreid met een goede beschrijving van de tijd waarin hij werkte én de invloed van zijn leer op de wetenschap die na hem kwam.

9200000115140560
De zin van het leven ben je zelf, is het eerbetoon dat journalist Anton Slotboom schreef over dichter Jules Deelder. Het boek was bedoeld als kroon op zijn vijfenzeventigste levensjaar, wat uitgebreid gevierd werd op 24 november 2019 in De Doelen in Rotterdam, in aanwezigheid van Jules Deelder. Hij overleed kort erna, op 19 december. Slotboom haalde het manuscript terug bij de uitgever en herschreef het. Het is geen biografie, de schrijver werkte er zelf niet aan mee. Die biografie gaat nog geschreven worden door Deelder’s dochter Ari.

Een eerbetoon dus, waarin Slotboom de levensloop van Deelder reconstrueert aan de hand van interviews, fragmenten, zijn werk en gesprekken met vrienden en collega’s. Die gesprekken zijn door het boek heen opgenomen in aparte hoofdstukken met als titel ‘Denkend aan Deelder‘. Ook staan er fragmenten van gedichten in die in openbare ruimten zijn terug te vinden met als titel ‘Sporen van Deelder‘.

Jules Deelder groeit op in een niet onbemiddeld gezin in de Rotterdamse wijk Overschie. De Tweede Wereldoorlog maakt hij niet mee, maar speelt wel een grote rol in het gezin dat is terug te vinden in zijn werk. Deelder is een slimme jongen (negens en tienen op de HBS) die al vroeg wist dat hij dichter wilde worden.

Hij werkt in verschillende baantjes, zowel in de haven als bij de bank, maar laat zich inspireren door Jack Kerouac en hij zoekt het vrije bestaan op. Dichten hoort daar bij en in 1962 krijgt hij voor het eerst een gedicht gepubliceerd.

Zijn debuut op het podium vindt plaats in Amsterdam of all places, bij Poëzie in Carré, georganiseerd door Simon Vinkenoog. Hoewel Deelder van jazz houdt probeert hij ook wat in de popmuziek, zelfs met enig succes, maar uiteindelijk keert hij terug naar de jazz om er te blijven. Een andere liefde is het voetbal en wel de club Sparta. Hij is een graag geziene gast op Het Kasteel; de seizoenskaart die hij jaarlijks toegestuurd kreeg toont hij niet eens.

Zijn roem stijgt en hij gaat meer en meer optreden. Soms voor weinig toeschouwers, soms voor volle zalen. Legendarisch is zijn optreden voor een groep punkers, die niets van hem moesten hebben. Volledig onder gespuugd blijft hij stoïcijns zijn werk voordragen. Het zal kenmerkend voor hem zijn, hij zal altijd vol overtuiging optreden, of er nu tien man of tienduizend man staan. In die zin is zijn laatste optreden ontluisterend, met zijn jazz-band, op een verwaaid winkelcentrum voor een handvol mensen.

Deelder blijft dichten en wordt ongekend populair. Zijn boeken verkopen goed en hij is niet vies van commercie want reclames doet hij ook. Wel altijd op zijn eigen voorwaarden. Hij gaat ook toneelbewerkingen schrijven, waagt zich aan een (niet erg goed ontvangen) roman en maakt zelfs kunstwerken.

Qua persoonlijkheid is hij lastig te vangen. Hij is volgens eigen zeggen zelden chagrijnig of down en zijn dochter onderschrijft dat. De interviews met vrienden en collega’s geven wel mooie inkijkjes in de mens Deelder. Schrijver en journalist Hugo Borst gaf aan dat Deelder soms met rust gelaten wilde worden;

Als hij wilde praten zocht hij het zélf wel op. Hij stond in een gesloten modus. Er brandde geen groen lampje. Integendeel, er brandde veel vaker een rood lampje: ‘opname, niet storen.’…Maar soms kwam hij naar mij toe en zaten we opeens weer heel lang te praten’.

Het drugs- en alcoholgebruik komt uiteraard aan bod. Deelder is verslaafd aan amfetamine en dient zichzelf het middel toe met een injectiespuit. Het zorgt wel voor een aantal opmerkelijke verhalen, zoals wanneer hij het spul zelfs Colombia binnensmokkelt (‘Ik ben de eerste ooit die drugs mee Colombia ín heeft gesmokkeld‘). Zo vertelt dichter Bart Chabot ook over zijn ontmoeting met Jules Deelder. Herman Brood stelde Deelder aan hem voor;

Hij zei slechts: ‘Dit is Bart, dit is Jules, jullie redden je zeker wel.’ En toen begon Jules aan een verhaal dat zéker drie uur duurde. Ik had wel vaker speedfreaks meegemaakt, dus ik snapte wel wat er aan het gebeuren was. Maar het bizarre was dat Jules in die catacomben niet één keer in herhaling viel. Het verhaal was helemaal consistent! Hij bleek ook nog eens een  messcherpe blik op de samenleving te hebben…Na drie uur wist ik: deze gozer is een fenomeen, een volkomen fenomeen.’

Die blik op de samenleving verwerkt Deelder in zijn gedichten, maar ook in bijvoorbeeld zijn toespraak die hij hield toen hij een dag ‘gewoon’ burgemeester was, naast burgemeester Aboutaleb. Zijn boodschap was een motie “Wat Maakt ’t Uit Joh”. Een geinige titel maar met een serieuze boodschap die ging over onderlinge verdraagzaamheid. Het maakte niet uit waar je vandaan kwam. Hij kende Rotterdamse Marokkanen die een schurfthekel hadden aan Amsterdamse Marokkanen; dát was nou geslaagde integratie.

Tenslotte, zijn onberispelijke uiterlijk. Hij had al vroeg de spijkerbroeken en het lange haar afgezworen; dat deed iedereen al. Altijd in het pak, het haar achterover in de brillantine en de nagels zwart gelakt met handschoenen eroverheen. Het zou zijn handelsmerk worden en hij werd meerdere malen uitgeroepen tot ‘best geklede man’. Deelder zelf;

‘Ik kijk altijd in de spiegel voor ik de deur uitga. Als man mag dat schijnbaar niet, daar heb ik schijt aan. Het zijn ook altijd mensen die er zelf bijlopen als een afgehaald opklapbed die je dan ijdel noemen. Als je niet als een puinhoop de straat opgaat, is dat een zegen voor de mensheid. Bespaar je medemens die pijn aan de ogen.’

Kortom, alle facetten van Jules Deelder komen goed aan bod in dit boek van zo’n 350 pagina’s. Het blijft allemaal wel een beetje aan de oppervlakte maar voor een eerbetoon mag dat. Wat wel stoorde was dat een aantal opmerkingen of zinnen dubbel genoemd worden (‘dat had je daar ook al gezegd’, dacht ik dan) maar verder leest het boek prima weg. Ik kijk wel uit naar de biografie, want over Deelder’s partner Annemarie Fok en zijn dochter Ari komen we verder niets te weten.

9200000079154757
Rauter, Himmlers vuist in Nederland is de omvangrijke biografie die Theo Gerritse heeft geschreven over de man die de taken van SS-leider Heinrich Himmler uitvoerde in Nederland. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ik nooit van Rauter had gehoord tot dit boek verscheen en Gerritse onderschrijft dit wel een beetje. Waar Mussert, Seyss-Inquart en Van Tonningen nog bekende namen zijn, is de naam Rauter zo’n beetje gewist uit ons nationale geheugen, geeft hij aan.

Dat wordt met dit dikke boek van ruim 600 pagina’s meer dan rechtgezet. Rauter was namelijk alomtegenwoordig. Zijn naam stond onder de aangeplakte bulletins waarin melding werd gemaakt van voltrokken doodvonnissen. Hij sloeg de Februaristaking van 1941 bloedig neer. Hij hield het toezicht op de ongestoorde deportatie van de Nederlandse joden en de jacht op verzetsmensen. Hij tekende het ‘dennenboompje’ waarmee hij het startsein gaf voor de sluipmoorden (Silbertanne) op vermeende ‘vijanden’ van het Duitse rijk. Een gevreesde, compromisloze man, door en door soldaat, een sober levend mens en tot alles bereid om zijn bevelen op te volgen.

Hij werd geboren in Oostenrijk en vocht in de Eerste Wereldoorlog mee. Daarna verhuisde hij naar Duitsland om daar dienst te nemen. Hij groeide op met het nationaal-socialistisch gedachtegoed en antisemitisme maakte daar een groot deel van uit. De ervaring van een verloren oorlog was bepalend voor de rest van zijn leven. De auteur geeft aan dat met de wapenstilstand of na de gesloten verdragen de oorlog voor Rauter niet ophield. Die ging gewoon door.

Dat doet zich voelen als hij in de Tweede Wereldoorlog in Nederland wordt gestationeerd, als hoogste SS-officier die aan Himmler moet rapporteren. Zoals gezegd volgde hij zijn orders nauwgezet, maar soms ging hij zelfs verder. Hij voldeed aan de quota van Joden die op transport moesten maar zorgde daarnaast ook voor sterilisatieprogramma’s. Joden over wiens lot nog niet was beslist konden kiezen; steriliseren of alsnog op transport. Hij kwam ook met de ‘Gegenterror’ onder de naam ‘Silbertanne’. Als er een aanslag werd gepleegd dan werden er een aantal aangewezen slachtoffers, van wie vermoed werd dat ze tegen de autoriteiten waren, vermoord.

Vreselijke daden, maar Rauter was er vast van overtuigd dat ze geoorloofd waren in een oorlogssituatie. Wat betreft de Jodenvervolging was hij duidelijk;

Ich will gerne mit meiner Seele im Himmel büssen vor dem was ich hier gegen die Juden verbrochen habe.

Hij was niet vies van dergelijke uitspraken en veel hoofdstukken beginnen er ook mee. Het laat wel zien hoe Rauter in zijn werkelijkheid stond;

Es (kommt) nicht so sehr darauf an, dasz der rechte Mann niedergeschossen wird. Auf der Strasze werden auch Unschuldige erschossen (…) Es kommt vielmehr darauf an, dasz im rechten Augenblick Tote fallen.

Rauter zou uiteindelijk ook neergeschoten worden bij een aanslag en heimelijk had hij gehoopt daar als echte Germaanse krijger bij om te komen. Dat gebeurde niet. Hij revalideerde en na de oorlog werd hij in Nederland berecht. Het is verbijsterend om te lezen hoe dat er aan toe ging. De rechtszaak was van Nederlandse kant slecht voorbereid, hoewel de uitkomst al vast stond, de doodstraf. Waar Rauter eerst niet wegliep voor zijn verantwoordelijkheid, soms zelfs zijn daden behoorlijk aandikte, probeerde hij alles voor de rechter te bagatelliseren. Hij loog er af en toe op los en probeerde zichzelf uiteindelijk zelfs als zoenoffer te geven.

Het maakte allemaal niet uit, de doodstraf stond al vast. Hij stond er wel op zonder blinddoek en niet geboeid voor het vuurpeloton te verschijnen. Naar verluid heeft hij zelfs “Vuur!” geroepen, waarna hij daadwerkelijk doodgeschoten werd.

Het is een uiterst boeiend en uitgebreid verhaal wat Gerritse heeft opgetekend. Er was heel veel bekend en gedocumenteerd over Rauter dus dat moet een enorme klus zijn geweest. Het is een dik boek met een groot notenapparaat, maar ik las het in één adem uit. Wat ik erg interessant vond is de duiding van hoe deze man tot zijn daden is gekomen. Het is makkelijk om iemand weg te zetten als verknipte persoon, maar er is veel meer over te zeggen en dat doet Gerritse. Een paar zinsneden daarover;

Hij was een Germaans krijger geweest. Maar Rauter was ook een SS-zendeling, die in de loopgraven aan het Isonzo-front…een specifiek idioom had ontwikkeld…Hij was in Nederland een Einzelgänger die niet rookte en nauwelijks dronk…Hij was een idealist die stond voor zijn zaak, wat de consequenties ook mochten zijn…Als het om Joden ging, kende Rauter geen scrupules en plichtplegingen…’Kämpfer’ en ‘Soldat’ met een ridderlijke inslag, zo zag Rauter zichzelf.

Daar valt dus veel over te vertellen en dat heeft Gerritse knap gedaan. Het is wel handig om een beetje Duits te kennen omdat er heel veel citaten in staan, hoewel er soms een lastig woord vertaald wordt door de auteur en de rest ook voor niet-Duitssprekenden in de regel uit de context of uit de Duitse tekst zelf is op te maken.

0e7b9bcfd511baa596967747551444341587343
Het was de afgelopen jaren wel eens behelpen met het boekenweekgeschenk maar Leon & Juliette van Annejet van der Zijl is een voltreffer. Het gaat over de liefdesgeschiedenis tussen Leon Herckenrath, telg uit een burgemeestersgeslacht uit het Westland, en Juliette, dochter van een slavin uit Charleston aan de Oostkust van de Verenigde Staten uit begin 19e eeuw.

Leon groeit op in het dorp Monster waar zijn vader burgemeester is, op het landgoed Geerbron. Waar zijn broers betrekkingen in Nederland vonden kon Leon zijn vleugels uitslaan om in de Verenigde Staten zijn geluk te beproeven. Hij bemachtigt de post van consul en vindt een gastadres bij ene James Magnan, een Franse koopman en plantagebezitter en vertrekt naar Charleston.

Charleston is een mondaine stad in South Carolina. De auteur beschrijft het als volgt;

Was Charleston een vrouw geweest, dan zouden adjectieven om haar te beschrijven tekortgeschoten zijn. Mooi was ze ongetwijfeld, en daardoor trots en ijdel. Ze was fabelachtig rijk, gewend aan het beste van het beste en verzot op plezier en luxe. In veel opzichten was ze fantastisch gezelschap: gul, gastvrij en vrolijk; cultureel onderlegd en kosmopolitisch, dol op muziek, theater en dansen. Maar achter al die schoonheid en dat savoir-vivre was ze wreed, en als het erop aankwam hypocriet en volstrekt gewetenloos.

Want wat direct opviel was de donkere bevolking. Meer dan de helft was van Afrikaanse afkomst en slavernij en de bijbehorende ellende en gruwelijkheden waren een geaccepteerd en onmisbaar fenomeen. Leon werd ziek en werd verpleegd door Juliette, de dochter van een slavin van Magnan. Hij overleeft, wat helemaal geen vanzelfsprekendheid was, en gaat weer aan het werk. Hij slaagt als zakenman en koopt Juliette om haar direct vrij te laten. Hij zou zelfs met haar trouwen en ook dat was geen eenvoudige zaak. Het werd eenvoudigweg niet geaccepteerd. Vreemdgaan met slavinnen gebeurde overal, maar je verbinden met een slavin was ongehoord. Leon moest dat ook verborgen houden voor zijn zakenpartners en hij ging wonen in Magazine Street, waar ook de gevangenis en het Work House waren gevestigd, een onderkomen waar ongehoorzame slaven afgeranseld werden. Hier konden Leon en Juliette relatief anoniem wonen.

Het paar krijgt veel kinderen maar komt wel in een lastig parket, want de wetten worden steeds strenger. Onderwijs wordt hen ontzegd en verhuizen naar New York of naar Nederland is vooralsnog geen optie. Uiteindelijk gebeurt dat toch. De kinderen, zeven op dat moment, worden één voor één naar landgoed Geerbron gesmokkeld. Dat was niet makkelijk, als je leest hoe Juliette zelf uiteindelijk de oversteek naar Nederland maakt met haar baby;

Nu was het haar beurt om met ingehouden adem het water tegen de houten buik van het schip te horen klotsen, met boven haar het geluid van de blote voeten van de matrozen die de kabels losgooiden, de zeilen hesen en het anker ratelend uit het water takelden. En nu was zij het die, de baby tegen zich aangedrukt – als ze maar niet ging huilen! -, de laarzen van de mannen van de slavenpatrouilles op de dekplanken hoorde, op zoek naar smokkelwaar als zij.

Juliette overleeft en komt in Monster aan. Daar moet zij haar draai vinden met haar kinderen, het is een totaal andere sfeer dan in het warme South Carolina. Ze merkt wel dat haar leven niet meer in gevaar is. Uiteindelijk komt ook Leon terug en wordt ook burgemeester van Monster, net als zijn vader. Hij laat een familiegraf bouwen in de duinen en helaas zal dat al snel nodig blijken te zijn. Laat ik veel meer maar niet weggeven, het boekje telt maar 95 pagina’s.

Het is een prima leesbaar verhaal en het lijkt de opmaat tot een uitgebreider boek, zo stelt de auteur in haar nawoord. Ik kijk er naar uit, want alleen dit verhaal deed mij al zoeken naar het schilderij van Leon Herckenrath van Jan Willem Pieneman en het familiegraf dat nog steeds te bezoeken is op Open Monumentendag maar dat nu een beetje verloren in een woonwijk staat. Kortom, genoeg materiaal om nog eens na te kijken in dit boeiende boekenweekgeschenk.

9029540257.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ischa Meijer was een journalist en televisiemaker die ik graag mocht horen. Daarom was ik benieuwd naar de bloemlezing die journalist Ronit Palache van hem samenstelde; Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan.

Het is geen biografie, hoewel het vol met biografische elementen zit. Het is een greep uit zijn werk waarin Palache een beeld wil schetsen van twee belangrijke onderdelen van Ischa’s leven; de oorlog en het jodendom. Daarvoor bracht ze een aantal artikelen. columns, lezingen, interviews en toneelwerk van hem samen in dit boek. Dat houdt in dat we Ischa zelf horen, maar ook een keur aan mensen die hun eigen verhaal aan hem vertellen. Hoort dat hier thuis dan? Welzeker. Juist die interviews waren voor hem belangrijk;

…hij bleef de rest van zijn leven vragen stellen. Ook die aan zijn geïnterviewden waren indirecte pogingen meer over zijn eigen verleden en familie te weten te komen. Ischa vertelde regelmatig in interviews mét hem dat interviewen ook een manier was via een ander uitdrukking te geven aan wat hij zelf wilde vertellen of voelen.

Je zou hem tweede generatieslachtoffer kunnen noemen maar Judith Belinfante (door Ischa geïnterviewd in dit boek) noemde het treffend ‘de anderhalfste generatie’; wel in het kamp geweest, te jong voor veel herinneringen eraan maar des te meer kampend met de impact. Zo introduceerde Ischa het begrip ‘leedadel’. Wie in een kamp had gezeten bood tegen elkaar op. Bergen-Belsen kon niet op tegen Sobibor en Auschwitz stond bovenaan de top. Het is tekenend voor het milieu waarin hij opgroeide. Eufemismen als “hij is niet teruggekomen” waren normaal en als je een huisje huurt even controleren of de verhuurders wel okay waren geweest in de oorlog.

Alle stukken in de bloemlezing zijn met zorg gekozen en passen binnen de thema’s oorlog en jodendom. Soms direct, soms duiken de thema’s later op. Soms zijn de teksten wrang, …hoe bent u er zo toe gekomen om uitgerekend slachtoffer te worden? (uit de muzikale komedie De Dames) en soms uitermate hilarisch, zoals in de komedie Het leven van Jos Brink;

Daarin lijkt Jezus weer ontzettend op m’n moeder, terwijl m’n moeder op haar beurt zelf verder in niks op Jezus lijkt, op dat ene gat in d’r hand na.

Omdat ik Ischa vooral van televisie ken waren zijn Dikke Man-columns mooi om te lezen. Juist als je die achter elkaar leest vang je de sfeer goed, ik ga ze zeker ook herlezen;

Tijdens zijn namiddagwandelingetje werd De Dikke Man aangesproken door een tamelijk treurig kijkende dame, die zei: ‘Ik ben een beetje in de war, meneer.’ De Dikke Man hield zijn pas in, en zette een luisterend gezicht op.
“ik heb namelijk een ongelukkige jeugd achter de rug,’ vervolgde De Treurige Dame. ‘Aangezien ik opgevoed ben door twee ouders die nogal geleden hebben onder de Tweede Wereldoorlog….’

Er staan ook aardig wat interviews in het boek, onder meer met Renate Rubinstein (Ronit Palache werkt ook aan een bloemlezing van haar werk), Ed van Thijn, Eli Asser, Hedy d’Ancona, Loe de Jong, Hanneke Groenteman en Leon de Winter. Hier hoor je van anderen wat het betekent om Joods te zijn en wat de impact is van de Tweede Wereldoorlog. Van anderen, maar voor Ischa ook geldend óf van belang. Regisseur Leonard Frank verwoordt het als volgt;

Ik voel me het meest jood in negatieve omstandigheden; als een Israëlische diplomaat in Parijs doodgeschoten wordt, als er in Israël weer vreselijke dingen gebeuren, als er in Antwerpen een bom ontploft in een sjoel. Dan voel ik me zeer betrokken. Zeer. Maar ik ben niet gelovig, zal het ook nooit worden.

Het boek besluit met een postuum interview met Ischa zelf. Geen gesprek dat Palache met hem voerde maar samengesteld uit meerdere, eerder gehouden, interviews met hem. Daarin hoor je Ischa alles nog eens uitspreken en als je hem hebt meegemaakt hoor je het hem ook zeggen. Dit boek is een prachtige uitgave en een mooi eerbetoon aan een markante journalist, schrijver en televisiemaker. Laat ik hem hier ook maar het laatste woord geven, daar was hij tenslotte het beste in;

Het was altijd wat met die joden, zullen we maar zeggen, dat voelde ik wel. Dat thema liep tot voor kort door mijn werk heen. Vaak zeiden ze: “Hou nou eens op over dat jodendom.” Waarom zou ik erover ophouden, Wolkers heeft het toch ook voortdurend over die gereformeerde troep? Hoe vaker ze zeggen dat ik het weer over het jodendom heb, hoe vaker ik denk: dat wring ik jou door de strot.

904501677X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Goethe en Schiller, het verhaal van een vriendschap kon door niemand anders geschreven zijn dan door Rüdiger Safranski, de biograaf van beide heren. Hoewel dit boek van 311 pagina’s veel biografische elementen bevat en ik het voor het gemak als zodanig rubriceer, ís het geen biografie. Het gaat om de vriendschap tussen Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich von Schiller en hun relatie tot elkaar.

Goethe was tien jaar ouder dan Schiller en aanvankelijk waren ze concurrenten. Goethe voelde zich in het nauw gedreven door de roem van Schiller en Schiller op zijn beurt zag in Goethe een ‘trotse preutse dame, bij wie je een kind moest maken om haar tegenover de wereld deemoed bij te brengen.’ Toch zullen ze goede vrienden worden en die vriendschap zal duren van 1794 tot aan Schillers dood in 1805. Dit boek gaat met name over de temperamenten en karaktertrekken van de mannen en hoe deze bij beiden resulteerde in een toename van hun creatieve krachten.

Goethe was dus al een fenomeen. Hij had zijn Werther geschreven, zijn toneelstuk Götz von Berlichingen en ook als wetenschapper timmerde hij aan de weg door zijn ontdekking van het tussenkaaksbeen. Schiller was een aanstormend talent die furore maakte met zijn toneelwerk Die Räuber. Hij is zeer productief in de jaren 1785-1787, waarin hij de Philosophische Briefe schrijft, het toneelstuk Don Karlos én het beroemde gedicht ‘Ode an die Freude’, wat Beethoven zou gebruiken in de finale van zijn negende symfonie. Na een valse start gaan Schiller en Goethe elkaar ontmoeten en ze waarderen elkaars talent. Zo schreef Goethe wel eens wat voor Die Horen, het tijdschriftproject van Schiller, maar Schiller wilde hem er nauwer bij betrekken en zei tegen zijn uitgever;

‘Een man als Goethe. Die hoogstens eens in de paar honderd jaar leeft, is een te kostbare acquisitie om daar niet de prijs, hoe hoog ook, voor te betalen.’

Waarom werkte het nu zo goed tussen Goethe en Schiller? Dat wordt uitgebreid uitgelegd door Safranski aan de hand van geschriften en ik merkte dat ik hier toch echt mijn aandacht wel even bij moest houden. Je leest er niet even snel doorheen, maar het is de moeite waard. Zo schrijft Schiller aan zijn vriend de jurist Christian Gottfried Körner;

‘Op het eerste gezicht lijkt er weliswaar geen grotere tegenstelling te kunnen bestaan dan die tussen de speculatieve geest, die van de eenheid, en de intuïtieve geest, die van de verscheidenheid uitgaat. Maar als de eerste met zuivere en trouwe bedoelingen de ervaring zoekt, en de laatste met zelfwerkzame vrije denkkracht de wet, dan kan het haast niet uitblijven of ze zullen elkaar ergens halverwege ontmoeten.’ Maar daaraan moet dan wel worden toegevoegd dat eenieder zijn werk op ‘geniale’ wijze moet doen, de een als gevoels-, de ander als begripsmens.

Goethe laat zich dus door intuïtie leiden en Schiller speculeert, gaat uit van algemene begrippen en ideeën voordat hij tot de kern komt. Vraagstukken worden zo vanuit verschillende richtingen benaderd waardoor hun beider kennis toeneemt en versterkt wordt. Goethe gaat zelfs zover dat ‘hij opmerkt dat Schiller hem van de al te strikte waarneming heeft afgehaald en hem geleerd heeft de veelzijdigheid van de innerlijke mens eerlijker gade te slaan,’ waardoor hij hem een tweede jeugd heeft bezorgd en weer een dichter van hem heeft gemaakt.

Het boek staat wel vol met zinsneden als de voorgaande en dat noopt wel tot aandachtig lezen. Maar dat loont en daardoor heb ik talloze aantekeningen gemaakt. Zo is het leuk om te lezen dat deze literaire grootheden vlak bij elkaar in Weimar kwamen te wonen en dus ook gewoon hun huiselijke beslommeringen hadden. Ze kwamen vaak bij elkaar over de vloer en namen geschenken voor elkaar of voor hun kinderen mee. Goethe moest er bij een bezoek aan Schiller altijd even in komen. Hij begon wat stilletjes, pakte een boek of tekende wat, maar speelde af en toe ook met de kinderen als die om hem heen hingen. Vroeg of laat komen de gesprekken dan op gang en gaat het over hen werk. Ze startten ook samen een werk op, een polemiek onder de titel Xenien. Op het hoogtepunt van de Xenien-strijd werken ze beiden ook aan eigen werken. Goethe aan zijn grote gedicht Hermann und Dorothea en Schiller aan zijn drama-trilogie Wallenstein. Vooral Goethe vordert gestaag en Schiller schrijft daarover aan schilder en kunstschrijver Johann Heinrich Meyer ;

‘Terwijl wij…dingen moeizaam moeten verzamelen en uitproberen om stukje bij beetje iets vrij behoorlijks voor elkaar te krijgen, hoeft hij alleen maar zachtjes aan de boom te schudden en de mooiste vruchten, rijp en zwaar, vallen hem in de schoot.’

Zo veranderde hun relatie af en toe wel, vaak gevoed door een creatieve impasse bij een van de twee, maar ergens vond iemand altijd de vonk weer terug en hun vriendschap bleef overeind. Schiller worstelde vaak met zijn gezondheid maar hij blijft zo goed als hij kan schrijven én Goethe van advies voorzien. Zo vraagt Goethe hem om gericht advies over hoe om te gaan met alexandrijnen, de versmaat van de klassieke Franse tragedie;

‘De eigenschap van de alexandrijn,’ schrijft Schiller, ‘om in twee gelijke helften uiteen te vallen en de aard van het rijm om uit twee alexandrijnen een couplet te maken, zijn niet alleen allesbepalend voor de taal, maar ook voor de diepere geest van de stukken, voor de karakters, de mentaliteit en het gedrag van de personages…’

Hij legt het nog verder uit, maar het zijn lessen uit de eerste hand. Het is frappant om te lezen dat Schiller zich heel bewust was van hun vriendschap en dat deze niet alleen een ‘gelukkige’ maar ook een ‘publieke’ gebeurtenis was, waar men toen in de intellectuele wereld aan deelnam en dat hij zelfs vermoedde dat zij geschiedenis zou maken.

Dat laatste klopte. Goethe zou zijn vriend met zo’n 27 jaar overleven, maar er wordt nog steeds over hen geschreven, ze hebben een gezamenlijk standbeeld dat op de voorkant van dit boek staat en ook hun briefwisseling is beschikbaar. Daar ga ik mij nu in verdiepen want dit boek is dermate interessant (en dat vond ik van de Goethe-biografie van Safranski ook) dat ik graag nog even in die wereld verblijf.

Vertaling; Mark Wildschut

666767699
Gesprekken met Goethe is het beroemde boek dat Johann Peter Eckermann schreef over de gesprekken die hij voerde met de Duitse schrijver, dichter, wetenschapper en staatsman Johann Wolfgang von Goethe. In 1821 stuurde Eckermann zijn poëziedebuut al eens naar Goethe, maar daar vernam hij niks op. Twee jaar later lukte het hem wel om contact te leggen en dat beviel blijkbaar zo goed dat hij over de vloer bij Goethe mocht blijven komen en vele gesprekken met hem voerde. Die zijn in dit boek opgetekend.

Als Eckermann op bezoek gaat bij Goethe bewijzen de programma’s van Boudewijn Büch (die ook het nawoord in dit boek verzorgde) hun waarde. Ik kan mij een goede voorstelling van het huis en de verschillende vertrekken maken en dat leest prettig. Eckermann is groot fan van Goethe en dat laat hij ook blijken;

Ik voel dat ik door Goethe’s woorden een paar jaar verstandiger ben geworden en verder ben gekomen en ik bespeur diep in mijn ziel welk geluk het betekent en wat het wil zeggen als men een ware meester ontmoet.

Ik was even bang dat het een dweepziek boek zou worden zo, maar dat viel reuze mee, ik kom er op terug. Het fascinerende aan dit boek vind ik de directe toegang tot Goethe; wat de man dacht en hoe hij te werk ging. Zo licht hij toe hoe hij te werk ging bij Faust, één van zijn grote werken;

‘Wanneer ik me niet mijn leven lang met de beeldende kunst had bezig gehouden,’ zei Goethe, ‘zou het me niet mogelijk zijn geweest. Het was echter wel lastig me tegenover zo’n overvloed te matigen en alle figuren erbuiten te houden die niet bij mijn opzet pasten. Zo heb ik bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van de minotaurus, van de harpijen en van enkele andere monsters.’

Zo zien we Goethe de schrijver en dichter maar maken we ook kennis met hem als wetenschapper. Hij heeft het met Eckermann over zijn kleurenleer, die hij zelf zag als zijn grootste verdienste. Hoewel er op die leer genoeg valt af te dingen (Goethe zette zijn leer tegenover de theorie van Isaac Newton) was Goethe erg overtuigd van zijn gelijk. Hij vertelt dan ook onomwonden;

‘Om een nieuw tijdperk te kunnen inluiden…zijn er zoals bekend twee dingen nodig: ten eerste dat je een knappe kop bent en ten tweede dat je een grote erfenis krijgt. Napoleon erfde de Franse Revolutie, Frederik de Grote de Silezische Oorlog, Luther de duisternis van het papendom en mij is de dwaalleer van Newton ten deel gevallen.’

Last van valse bescheidenheid had hij in ieder geval niet. Eckermann is gelukkig niet alleen fan maar ook voldoende kritisch, want hij voert wat experimenten uit met Goethe’s leer en komt zowaar soms tot andere conclusies. Als hij het waagt die voor te leggen is Goethe daar niet onverdeeld blij mee en wijst het zelfs in eerste instantie zonder veel reden af;

‘…dat ik in mijn eeuw in de moeilijke wetenschap van de kleurenleer de enige ben die weet wat juist is, daar laat ik me op voorstaan en ik ben me bewust dat ik daarin superieur ben aan vele anderen.’

Daar kan Eckermann het even mee doen. Toch komt Goethe hier later op terug en stelt Eckermann in het gelijk. Zo laat dit boek ook een menselijke Goethe zien.

Temeer omdat Goethe soms wonderlijke uitspraken doet. Hij was zelf actief op talloze vlakken, maar verkondigt toch dat het voor een mens de grootste kunst is om zich te beperken. Ook debiteert hij ergens dat het mogelijk is om louter door wilskracht je de vliegende koorts van het lijf te houden. Ook hield Goethe zich bezig met de achterhaalde theorie van zijn vriend Lavater, de fysionomie, waarbij men de persoonlijkheid van iemand aan zijn uiterlijk wil aflezen.

Die merkwaardigheden daargelaten, is het een feest om dit boek te lezen. Het valt op dat Goethe vaak opgewekt en goed geluimd is en keer op keer met kopergravures, boeken en schilderijen komt die worden besproken. Als de heren een ritje in het rijtuig maken volgen er boeiende beschouwingen over het weer. Goethe laat ook van alles bij hem thuis afleveren en dat gaat er dan zo aan toe;

Intussen had de bediende Friedrich een grote kist uitgepakt die uit Parijs was aangekomen. Het was een zending van de beeldhouwer David, gipsafdrukken van portretten, bas-reliëfs, van zevenenvijftig beroemde personen. Friedrich bracht de afdrukken in verschillende schuifladen binnen en het was een zeer onderhoudende bezigheid, al die interessante persoonlijkheden te bekijken.

Verder waren er nog boeken en dichtbundels meegestuurd, waarbij de gedichten van Emile Deschamps weer aanleiding geven tot een gesprek over de invloed van Goethe op de jonge dichters in zijn tijd.

Eckermann gaat nog op reis met August von Goethe, Goethe’s zoon, naar Italië. August zou daar komen te overlijden. Eckermann keert terug en hervat zijn ontmoetingen en komt uiteindelijk overeen met Goethe dat hij hun gesprekken, na Goethe’s dood, op schrijft zou stellen. Dat deed hij uiteindelijk in drie delen, waarvan dit boek van een kleine 500 pagina’s de eerste twee delen integraal bevat.

Het boek leest geweldig door, hoewel er vaak naar de noten achterin gebladerd moet worden. Er staan wat foutjes in, waarvan drie fouten in drie zinnen op pagina 263 het meest storend waren. Verder is dit een absolute must voor iedereen die iets meer over Goethe wil weten.

Vertaling; Gerda Meijerink

902953978X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik kan niet zeggen dat ik bekend ben met het werk van Susan Sontag. Ik kende wel haar rol als één van de toonaangevende critici en schrijfsters van haar generatie. Reden genoeg voor mij om nieuwsgierig te zijn naar dit boek van Benjamin Moser.

Susan Sontag (1933-2004) was een kind van Joodse Amerikaanse ouders. Haar vader stierf toen ze jong was en ze nam de achternaam aan van haar stiefvader. Haar leven lang zou de een stormachtige relatie onderhouden met haar aan alcohol verslaafde moeder.

Sontag was als leerling uitzonderlijk begaafd. Ze haalde haar Bachelor of Liberal Arts in de vakken Frans, literatuur en filosofie. Er staan in het boek wat indrukwekkende staaltjes over hoe ze al op jonge leeftijd dacht;

‘Goedbeschouwd zit Schopenhauer ernaast,’ meende ze op haar veertiende. ‘Maar ik heb het daarbij uitsluitend over de kern van zijn filosofie: de deerniswekkendheid van het bestaan.’…En in een opstel voor school in haar laatste jaar omarmt ze Freud…met een hoogmoed die maar zelden bij een scholier zal zijn aangetroffen: ‘Ik zie geen reden om het met de inhoud van het eerste hoofdstuk [van Het onbehagen in cultuur] oneens te zijn,’ schrijft ze.

Ze leest als een bezetene, heeft af en toe vriendje maar beleeft ook haar eerste lesbische liefde. Uiteindelijk trouwt ze op jonge leeftijd met haar docent Philip Rieff.  Het was een verhouding waarin ze zich liet domineren en er werd een zoon uit geboren. Tegelijk liet ze toe dat hij furore maakte met een boek dat zij feitelijk had geschreven, The Mind of the Moralist, waarin Freud en de psychoanalyse in een historische context worden geplaatst.

Sontag wordt aangesteld als de jongste universitaire docent ooit in de Verenigde Staten. Het huwelijk met Rieff houdt geen stand, ze gaat naar New York en stort zich in een relatie met de Cubaanse toneelschrijfster Irene Fornès. Sontag is inmiddels een invloedrijke filosofe, schrijfster en critica;

De tiener die sidderde in het bijzijn van Thomas Mann, was een vrouw geworden die kon zeggen dat Jean-Paul Sartre een slechte smaak had en die sir Isaiah Berlin te kennen kon geven dat hij wat slordig met details omging.

Ze komt in contact met Andy Warhol en heeft een relatie met de schilder Jasper Johns. Ze schrijft een geniaal essay “Notes on Camp”, waarbij ze haarfijn uitlegt dat Cocteau camp is maar Gide niet, Strauss wel maar Wagner niet, waarom Caravaggio en veel van Mozart ingedeeld kunnen worden bij Jayne Mansfield en Bette Davis. Ze legt hierin verbanden bloot die voorheen onzichtbaar waren.

Ondanks haar genialiteit wist ze dit te koppelen aan een soms onvoorstelbare naïviteit. Het belang van tanden poetsen, waar een lichtknopje zich eventueel kan bevinden en in welke kamer de Fiat-erfgename zich bevond op de vijftiende verdieping…het levert fascinerend leesvoer op.

Sontag had een enorme energie en werklust en sliep het liefst zo min mogelijk. Ze rookte als een ketter, dronk sloten koffie en toen ze amfetamines ontdekte, merkte ze dat ze met nog minder slaap toe kon. Ze laat zich ook steeds meer van haar maatschappelijk betrokken kant zien. Ze zet een aanklacht tegen Amerika op papier, die lang niet bij iedereen in goede aarde viel. Hoewel er veel zaken in stonden die klopten, is de eerste zin met name berucht geworden;

‘Het blanke ras is een kankergezwel in de geschiedenis van de mensheid.’

Wellicht wat ongelukkig geformuleerd en ze heeft er haar excuses voor aangeboden, maar eerder voor de metafoor als voor het onderliggend sentiment, want ze was wel degelijk woest. Een reden was de oorlog in Vietnam. Daar laat ze een wonderlijk optreden zien. Ze bezoekt Hanoi en laat zich van alles uitleggen door het regime daar, terwijl op een paar honderd meter van haar hotel Amerikaanse soldaten gemarteld worden. De grote critica was toen wat betreft Vietnam ‘even een blokje om.’ Later zou ze dat vaker doen. Na een reis naar China zou ze ook daar over schrijven, maar geen woord over de Culturele Revolutie en de ellende in dat land.

Privé rolt ze van de ene relatie in de andere, met mannen én met vrouwen. Ze krijgt kanker en overwint deze en schrijft er, uiteraard, een essay over. Dat ging over de bewustwording van de ziekte en over het wegnemen van vooroordelen en velen hebben na het lezen ervan de gang naar de arts gemaakt en zo hun leven gered.

Susan Sontag was, naast een hyperactief en productief mens, ook iemand met twee gezichten. Ze kon mensen eerst de hemel in prijzen, waardoor ze hen aan zich verbond, om ze daarna publiekelijk te vernederen. Dat deed ze zelfs bij Annie Leibovitz, ook een sterke vrouw met een glanzende fotografie-carrière, die dergelijk gedrag toch pikte van Sontag. Wellicht prikten velen toch door haar onzekerheid heen en zagen ze toch haar grote hart.

Dat had ze namelijk wel. Toen er een oorlog woedde op de Balkan, ging Sontag erheen en waagde haar leven. Ze was begaan met de bevolking en organiseerde indrukwekkende toneelvoorstellingen in Sarajevo. Een mede-acteur vertelde wat dit inhield;

Je kon het publiek niet voor de gek houden. Je wist niet eens of je over vijf of tien minuten of de volgende dag nog wel in leven was…Je moest zo eerlijk en goed mogelijk spelen, want je wist niet of je de volgende dag nog een voorstelling kon geven. Ik heb voor gewonde mensen gespeeld, voor blinde kinderen, in het ziekenhuis, op de eerste verdieping terwijl er op de begane grond benen werden geamputeerd, mensen gilden en stierven terwijl ik stond te spelen.

En Susan Sontag dus ook en dat is een prestatie van formaat. Ze stierf uiteindelijk aan leukemie, maar laat best een indruk achter, ook bij mij na het lezen van dit prachtige boek. Het zal wel geen toeval zijn dat op de omslag van het boek dat ik nu lees, “De emigrés” van W.G. Sebald, Sontag als enige genoemd wordt met het citaat ‘De emigrés is grote literatuur.’

Vertaling; Lidwien Biekmann en Koos Mebius