archiveren

(Auto)biografie

0e7b9bcfd511baa596967747551444341587343
Het was de afgelopen jaren wel eens behelpen met het boekenweekgeschenk maar Leon & Juliette van Annejet van der Zijl is een voltreffer. Het gaat over de liefdesgeschiedenis tussen Leon Herckenrath, telg uit een burgemeestersgeslacht uit het Westland, en Juliette, dochter van een slavin uit Charleston aan de Oostkust van de Verenigde Staten uit begin 19e eeuw.

Leon groeit op in het dorp Monster waar zijn vader burgemeester is, op het landgoed Geerbron. Waar zijn broers betrekkingen in Nederland vonden kon Leon zijn vleugels uitslaan om in de Verenigde Staten zijn geluk te beproeven. Hij bemachtigt de post van consul en vindt een gastadres bij ene James Magnan, een Franse koopman en plantagebezitter en vertrekt naar Charleston.

Charleston is een mondaine stad in South Carolina. De auteur beschrijft het als volgt;

Was Charleston een vrouw geweest, dan zouden adjectieven om haar te beschrijven tekortgeschoten zijn. Mooi was ze ongetwijfeld, en daardoor trots en ijdel. Ze was fabelachtig rijk, gewend aan het beste van het beste en verzot op plezier en luxe. In veel opzichten was ze fantastisch gezelschap: gul, gastvrij en vrolijk; cultureel onderlegd en kosmopolitisch, dol op muziek, theater en dansen. Maar achter al die schoonheid en dat savoir-vivre was ze wreed, en als het erop aankwam hypocriet en volstrekt gewetenloos.

Want wat direct opviel was de donkere bevolking. Meer dan de helft was van Afrikaanse afkomst en slavernij en de bijbehorende ellende en gruwelijkheden waren een geaccepteerd en onmisbaar fenomeen. Leon werd ziek en werd verpleegd door Juliette, de dochter van een slavin van Magnan. Hij overleeft, wat helemaal geen vanzelfsprekendheid was, en gaat weer aan het werk. Hij slaagt als zakenman en koopt Juliette om haar direct vrij te laten. Hij zou zelfs met haar trouwen en ook dat was geen eenvoudige zaak. Het werd eenvoudigweg niet geaccepteerd. Vreemdgaan met slavinnen gebeurde overal, maar je verbinden met een slavin was ongehoord. Leon moest dat ook verborgen houden voor zijn zakenpartners en hij ging wonen in Magazine Street, waar ook de gevangenis en het Work House waren gevestigd, een onderkomen waar ongehoorzame slaven afgeranseld werden. Hier konden Leon en Juliette relatief anoniem wonen.

Het paar krijgt veel kinderen maar komt wel in een lastig parket, want de wetten worden steeds strenger. Onderwijs wordt hen ontzegd en verhuizen naar New York of naar Nederland is vooralsnog geen optie. Uiteindelijk gebeurt dat toch. De kinderen, zeven op dat moment, worden één voor één naar landgoed Geerbron gesmokkeld. Dat was niet makkelijk, als je leest hoe Juliette zelf uiteindelijk de oversteek naar Nederland maakt met haar baby;

Nu was het haar beurt om met ingehouden adem het water tegen de houten buik van het schip te horen klotsen, met boven haar het geluid van de blote voeten van de matrozen die de kabels losgooiden, de zeilen hesen en het anker ratelend uit het water takelden. En nu was zij het die, de baby tegen zich aangedrukt – als ze maar niet ging huilen! -, de laarzen van de mannen van de slavenpatrouilles op de dekplanken hoorde, op zoek naar smokkelwaar als zij.

Juliette overleeft en komt in Monster aan. Daar moet zij haar draai vinden met haar kinderen, het is een totaal andere sfeer dan in het warme South Carolina. Ze merkt wel dat haar leven niet meer in gevaar is. Uiteindelijk komt ook Leon terug en wordt ook burgemeester van Monster, net als zijn vader. Hij laat een familiegraf bouwen in de duinen en helaas zal dat al snel nodig blijken te zijn. Laat ik veel meer maar niet weggeven, het boekje telt maar 95 pagina’s.

Het is een prima leesbaar verhaal en het lijkt de opmaat tot een uitgebreider boek, zo stelt de auteur in haar nawoord. Ik kijk er naar uit, want alleen dit verhaal deed mij al zoeken naar het schilderij van Leon Herckenrath van Jan Willem Pieneman en het familiegraf dat nog steeds te bezoeken is op Open Monumentendag maar dat nu een beetje verloren in een woonwijk staat. Kortom, genoeg materiaal om nog eens na te kijken in dit boeiende boekenweekgeschenk.

9029540257.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ischa Meijer was een journalist en televisiemaker die ik graag mocht horen. Daarom was ik benieuwd naar de bloemlezing die journalist Ronit Palache van hem samenstelde; Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan.

Het is geen biografie, hoewel het vol met biografische elementen zit. Het is een greep uit zijn werk waarin Palache een beeld wil schetsen van twee belangrijke onderdelen van Ischa’s leven; de oorlog en het jodendom. Daarvoor bracht ze een aantal artikelen. columns, lezingen, interviews en toneelwerk van hem samen in dit boek. Dat houdt in dat we Ischa zelf horen, maar ook een keur aan mensen die hun eigen verhaal aan hem vertellen. Hoort dat hier thuis dan? Welzeker. Juist die interviews waren voor hem belangrijk;

…hij bleef de rest van zijn leven vragen stellen. Ook die aan zijn geïnterviewden waren indirecte pogingen meer over zijn eigen verleden en familie te weten te komen. Ischa vertelde regelmatig in interviews mét hem dat interviewen ook een manier was via een ander uitdrukking te geven aan wat hij zelf wilde vertellen of voelen.

Je zou hem tweede generatieslachtoffer kunnen noemen maar Judith Belinfante (door Ischa geïnterviewd in dit boek) noemde het treffend ‘de anderhalfste generatie’; wel in het kamp geweest, te jong voor veel herinneringen eraan maar des te meer kampend met de impact. Zo introduceerde Ischa het begrip ‘leedadel’. Wie in een kamp had gezeten bood tegen elkaar op. Bergen-Belsen kon niet op tegen Sobibor en Auschwitz stond bovenaan de top. Het is tekenend voor het milieu waarin hij opgroeide. Eufemismen als “hij is niet teruggekomen” waren normaal en als je een huisje huurt even controleren of de verhuurders wel okay waren geweest in de oorlog.

Alle stukken in de bloemlezing zijn met zorg gekozen en passen binnen de thema’s oorlog en jodendom. Soms direct, soms duiken de thema’s later op. Soms zijn de teksten wrang, …hoe bent u er zo toe gekomen om uitgerekend slachtoffer te worden? (uit de muzikale komedie De Dames) en soms uitermate hilarisch, zoals in de komedie Het leven van Jos Brink;

Daarin lijkt Jezus weer ontzettend op m’n moeder, terwijl m’n moeder op haar beurt zelf verder in niks op Jezus lijkt, op dat ene gat in d’r hand na.

Omdat ik Ischa vooral van televisie ken waren zijn Dikke Man-columns mooi om te lezen. Juist als je die achter elkaar leest vang je de sfeer goed, ik ga ze zeker ook herlezen;

Tijdens zijn namiddagwandelingetje werd De Dikke Man aangesproken door een tamelijk treurig kijkende dame, die zei: ‘Ik ben een beetje in de war, meneer.’ De Dikke Man hield zijn pas in, en zette een luisterend gezicht op.
“ik heb namelijk een ongelukkige jeugd achter de rug,’ vervolgde De Treurige Dame. ‘Aangezien ik opgevoed ben door twee ouders die nogal geleden hebben onder de Tweede Wereldoorlog….’

Er staan ook aardig wat interviews in het boek, onder meer met Renate Rubinstein (Ronit Palache werkt ook aan een bloemlezing van haar werk), Ed van Thijn, Eli Asser, Hedy d’Ancona, Loe de Jong, Hanneke Groenteman en Leon de Winter. Hier hoor je van anderen wat het betekent om Joods te zijn en wat de impact is van de Tweede Wereldoorlog. Van anderen, maar voor Ischa ook geldend óf van belang. Regisseur Leonard Frank verwoordt het als volgt;

Ik voel me het meest jood in negatieve omstandigheden; als een Israëlische diplomaat in Parijs doodgeschoten wordt, als er in Israël weer vreselijke dingen gebeuren, als er in Antwerpen een bom ontploft in een sjoel. Dan voel ik me zeer betrokken. Zeer. Maar ik ben niet gelovig, zal het ook nooit worden.

Het boek besluit met een postuum interview met Ischa zelf. Geen gesprek dat Palache met hem voerde maar samengesteld uit meerdere, eerder gehouden, interviews met hem. Daarin hoor je Ischa alles nog eens uitspreken en als je hem hebt meegemaakt hoor je het hem ook zeggen. Dit boek is een prachtige uitgave en een mooi eerbetoon aan een markante journalist, schrijver en televisiemaker. Laat ik hem hier ook maar het laatste woord geven, daar was hij tenslotte het beste in;

Het was altijd wat met die joden, zullen we maar zeggen, dat voelde ik wel. Dat thema liep tot voor kort door mijn werk heen. Vaak zeiden ze: “Hou nou eens op over dat jodendom.” Waarom zou ik erover ophouden, Wolkers heeft het toch ook voortdurend over die gereformeerde troep? Hoe vaker ze zeggen dat ik het weer over het jodendom heb, hoe vaker ik denk: dat wring ik jou door de strot.

904501677X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Goethe en Schiller, het verhaal van een vriendschap kon door niemand anders geschreven zijn dan door Rüdiger Safranski, de biograaf van beide heren. Hoewel dit boek van 311 pagina’s veel biografische elementen bevat en ik het voor het gemak als zodanig rubriceer, ís het geen biografie. Het gaat om de vriendschap tussen Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich von Schiller en hun relatie tot elkaar.

Goethe was tien jaar ouder dan Schiller en aanvankelijk waren ze concurrenten. Goethe voelde zich in het nauw gedreven door de roem van Schiller en Schiller op zijn beurt zag in Goethe een ‘trotse preutse dame, bij wie je een kind moest maken om haar tegenover de wereld deemoed bij te brengen.’ Toch zullen ze goede vrienden worden en die vriendschap zal duren van 1794 tot aan Schillers dood in 1805. Dit boek gaat met name over de temperamenten en karaktertrekken van de mannen en hoe deze bij beiden resulteerde in een toename van hun creatieve krachten.

Goethe was dus al een fenomeen. Hij had zijn Werther geschreven, zijn toneelstuk Götz von Berlichingen en ook als wetenschapper timmerde hij aan de weg door zijn ontdekking van het tussenkaaksbeen. Schiller was een aanstormend talent die furore maakte met zijn toneelwerk Die Räuber. Hij is zeer productief in de jaren 1785-1787, waarin hij de Philosophische Briefe schrijft, het toneelstuk Don Karlos én het beroemde gedicht ‘Ode an die Freude’, wat Beethoven zou gebruiken in de finale van zijn negende symfonie. Na een valse start gaan Schiller en Goethe elkaar ontmoeten en ze waarderen elkaars talent. Zo schreef Goethe wel eens wat voor Die Horen, het tijdschriftproject van Schiller, maar Schiller wilde hem er nauwer bij betrekken en zei tegen zijn uitgever;

‘Een man als Goethe. Die hoogstens eens in de paar honderd jaar leeft, is een te kostbare acquisitie om daar niet de prijs, hoe hoog ook, voor te betalen.’

Waarom werkte het nu zo goed tussen Goethe en Schiller? Dat wordt uitgebreid uitgelegd door Safranski aan de hand van geschriften en ik merkte dat ik hier toch echt mijn aandacht wel even bij moest houden. Je leest er niet even snel doorheen, maar het is de moeite waard. Zo schrijft Schiller aan zijn vriend de jurist Christian Gottfried Körner;

‘Op het eerste gezicht lijkt er weliswaar geen grotere tegenstelling te kunnen bestaan dan die tussen de speculatieve geest, die van de eenheid, en de intuïtieve geest, die van de verscheidenheid uitgaat. Maar als de eerste met zuivere en trouwe bedoelingen de ervaring zoekt, en de laatste met zelfwerkzame vrije denkkracht de wet, dan kan het haast niet uitblijven of ze zullen elkaar ergens halverwege ontmoeten.’ Maar daaraan moet dan wel worden toegevoegd dat eenieder zijn werk op ‘geniale’ wijze moet doen, de een als gevoels-, de ander als begripsmens.

Goethe laat zich dus door intuïtie leiden en Schiller speculeert, gaat uit van algemene begrippen en ideeën voordat hij tot de kern komt. Vraagstukken worden zo vanuit verschillende richtingen benaderd waardoor hun beider kennis toeneemt en versterkt wordt. Goethe gaat zelfs zover dat ‘hij opmerkt dat Schiller hem van de al te strikte waarneming heeft afgehaald en hem geleerd heeft de veelzijdigheid van de innerlijke mens eerlijker gade te slaan,’ waardoor hij hem een tweede jeugd heeft bezorgd en weer een dichter van hem heeft gemaakt.

Het boek staat wel vol met zinsneden als de voorgaande en dat noopt wel tot aandachtig lezen. Maar dat loont en daardoor heb ik talloze aantekeningen gemaakt. Zo is het leuk om te lezen dat deze literaire grootheden vlak bij elkaar in Weimar kwamen te wonen en dus ook gewoon hun huiselijke beslommeringen hadden. Ze kwamen vaak bij elkaar over de vloer en namen geschenken voor elkaar of voor hun kinderen mee. Goethe moest er bij een bezoek aan Schiller altijd even in komen. Hij begon wat stilletjes, pakte een boek of tekende wat, maar speelde af en toe ook met de kinderen als die om hem heen hingen. Vroeg of laat komen de gesprekken dan op gang en gaat het over hen werk. Ze startten ook samen een werk op, een polemiek onder de titel Xenien. Op het hoogtepunt van de Xenien-strijd werken ze beiden ook aan eigen werken. Goethe aan zijn grote gedicht Hermann und Dorothea en Schiller aan zijn drama-trilogie Wallenstein. Vooral Goethe vordert gestaag en Schiller schrijft daarover aan schilder en kunstschrijver Johann Heinrich Meyer ;

‘Terwijl wij…dingen moeizaam moeten verzamelen en uitproberen om stukje bij beetje iets vrij behoorlijks voor elkaar te krijgen, hoeft hij alleen maar zachtjes aan de boom te schudden en de mooiste vruchten, rijp en zwaar, vallen hem in de schoot.’

Zo veranderde hun relatie af en toe wel, vaak gevoed door een creatieve impasse bij een van de twee, maar ergens vond iemand altijd de vonk weer terug en hun vriendschap bleef overeind. Schiller worstelde vaak met zijn gezondheid maar hij blijft zo goed als hij kan schrijven én Goethe van advies voorzien. Zo vraagt Goethe hem om gericht advies over hoe om te gaan met alexandrijnen, de versmaat van de klassieke Franse tragedie;

‘De eigenschap van de alexandrijn,’ schrijft Schiller, ‘om in twee gelijke helften uiteen te vallen en de aard van het rijm om uit twee alexandrijnen een couplet te maken, zijn niet alleen allesbepalend voor de taal, maar ook voor de diepere geest van de stukken, voor de karakters, de mentaliteit en het gedrag van de personages…’

Hij legt het nog verder uit, maar het zijn lessen uit de eerste hand. Het is frappant om te lezen dat Schiller zich heel bewust was van hun vriendschap en dat deze niet alleen een ‘gelukkige’ maar ook een ‘publieke’ gebeurtenis was, waar men toen in de intellectuele wereld aan deelnam en dat hij zelfs vermoedde dat zij geschiedenis zou maken.

Dat laatste klopte. Goethe zou zijn vriend met zo’n 27 jaar overleven, maar er wordt nog steeds over hen geschreven, ze hebben een gezamenlijk standbeeld dat op de voorkant van dit boek staat en ook hun briefwisseling is beschikbaar. Daar ga ik mij nu in verdiepen want dit boek is dermate interessant (en dat vond ik van de Goethe-biografie van Safranski ook) dat ik graag nog even in die wereld verblijf.

Vertaling; Mark Wildschut

666767699
Gesprekken met Goethe is het beroemde boek dat Johann Peter Eckermann schreef over de gesprekken die hij voerde met de Duitse schrijver, dichter, wetenschapper en staatsman Johann Wolfgang von Goethe. In 1821 stuurde Eckermann zijn poëziedebuut al eens naar Goethe, maar daar vernam hij niks op. Twee jaar later lukte het hem wel om contact te leggen en dat beviel blijkbaar zo goed dat hij over de vloer bij Goethe mocht blijven komen en vele gesprekken met hem voerde. Die zijn in dit boek opgetekend.

Als Eckermann op bezoek gaat bij Goethe bewijzen de programma’s van Boudewijn Büch (die ook het nawoord in dit boek verzorgde) hun waarde. Ik kan mij een goede voorstelling van het huis en de verschillende vertrekken maken en dat leest prettig. Eckermann is groot fan van Goethe en dat laat hij ook blijken;

Ik voel dat ik door Goethe’s woorden een paar jaar verstandiger ben geworden en verder ben gekomen en ik bespeur diep in mijn ziel welk geluk het betekent en wat het wil zeggen als men een ware meester ontmoet.

Ik was even bang dat het een dweepziek boek zou worden zo, maar dat viel reuze mee, ik kom er op terug. Het fascinerende aan dit boek vind ik de directe toegang tot Goethe; wat de man dacht en hoe hij te werk ging. Zo licht hij toe hoe hij te werk ging bij Faust, één van zijn grote werken;

‘Wanneer ik me niet mijn leven lang met de beeldende kunst had bezig gehouden,’ zei Goethe, ‘zou het me niet mogelijk zijn geweest. Het was echter wel lastig me tegenover zo’n overvloed te matigen en alle figuren erbuiten te houden die niet bij mijn opzet pasten. Zo heb ik bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van de minotaurus, van de harpijen en van enkele andere monsters.’

Zo zien we Goethe de schrijver en dichter maar maken we ook kennis met hem als wetenschapper. Hij heeft het met Eckermann over zijn kleurenleer, die hij zelf zag als zijn grootste verdienste. Hoewel er op die leer genoeg valt af te dingen (Goethe zette zijn leer tegenover de theorie van Isaac Newton) was Goethe erg overtuigd van zijn gelijk. Hij vertelt dan ook onomwonden;

‘Om een nieuw tijdperk te kunnen inluiden…zijn er zoals bekend twee dingen nodig: ten eerste dat je een knappe kop bent en ten tweede dat je een grote erfenis krijgt. Napoleon erfde de Franse Revolutie, Frederik de Grote de Silezische Oorlog, Luther de duisternis van het papendom en mij is de dwaalleer van Newton ten deel gevallen.’

Last van valse bescheidenheid had hij in ieder geval niet. Eckermann is gelukkig niet alleen fan maar ook voldoende kritisch, want hij voert wat experimenten uit met Goethe’s leer en komt zowaar soms tot andere conclusies. Als hij het waagt die voor te leggen is Goethe daar niet onverdeeld blij mee en wijst het zelfs in eerste instantie zonder veel reden af;

‘…dat ik in mijn eeuw in de moeilijke wetenschap van de kleurenleer de enige ben die weet wat juist is, daar laat ik me op voorstaan en ik ben me bewust dat ik daarin superieur ben aan vele anderen.’

Daar kan Eckermann het even mee doen. Toch komt Goethe hier later op terug en stelt Eckermann in het gelijk. Zo laat dit boek ook een menselijke Goethe zien.

Temeer omdat Goethe soms wonderlijke uitspraken doet. Hij was zelf actief op talloze vlakken, maar verkondigt toch dat het voor een mens de grootste kunst is om zich te beperken. Ook debiteert hij ergens dat het mogelijk is om louter door wilskracht je de vliegende koorts van het lijf te houden. Ook hield Goethe zich bezig met de achterhaalde theorie van zijn vriend Lavater, de fysionomie, waarbij men de persoonlijkheid van iemand aan zijn uiterlijk wil aflezen.

Die merkwaardigheden daargelaten, is het een feest om dit boek te lezen. Het valt op dat Goethe vaak opgewekt en goed geluimd is en keer op keer met kopergravures, boeken en schilderijen komt die worden besproken. Als de heren een ritje in het rijtuig maken volgen er boeiende beschouwingen over het weer. Goethe laat ook van alles bij hem thuis afleveren en dat gaat er dan zo aan toe;

Intussen had de bediende Friedrich een grote kist uitgepakt die uit Parijs was aangekomen. Het was een zending van de beeldhouwer David, gipsafdrukken van portretten, bas-reliëfs, van zevenenvijftig beroemde personen. Friedrich bracht de afdrukken in verschillende schuifladen binnen en het was een zeer onderhoudende bezigheid, al die interessante persoonlijkheden te bekijken.

Verder waren er nog boeken en dichtbundels meegestuurd, waarbij de gedichten van Emile Deschamps weer aanleiding geven tot een gesprek over de invloed van Goethe op de jonge dichters in zijn tijd.

Eckermann gaat nog op reis met August von Goethe, Goethe’s zoon, naar Italië. August zou daar komen te overlijden. Eckermann keert terug en hervat zijn ontmoetingen en komt uiteindelijk overeen met Goethe dat hij hun gesprekken, na Goethe’s dood, op schrijft zou stellen. Dat deed hij uiteindelijk in drie delen, waarvan dit boek van een kleine 500 pagina’s de eerste twee delen integraal bevat.

Het boek leest geweldig door, hoewel er vaak naar de noten achterin gebladerd moet worden. Er staan wat foutjes in, waarvan drie fouten in drie zinnen op pagina 263 het meest storend waren. Verder is dit een absolute must voor iedereen die iets meer over Goethe wil weten.

Vertaling; Gerda Meijerink

902953978X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik kan niet zeggen dat ik bekend ben met het werk van Susan Sontag. Ik kende wel haar rol als één van de toonaangevende critici en schrijfsters van haar generatie. Reden genoeg voor mij om nieuwsgierig te zijn naar dit boek van Benjamin Moser.

Susan Sontag (1933-2004) was een kind van Joodse Amerikaanse ouders. Haar vader stierf toen ze jong was en ze nam de achternaam aan van haar stiefvader. Haar leven lang zou de een stormachtige relatie onderhouden met haar aan alcohol verslaafde moeder.

Sontag was als leerling uitzonderlijk begaafd. Ze haalde haar Bachelor of Liberal Arts in de vakken Frans, literatuur en filosofie. Er staan in het boek wat indrukwekkende staaltjes over hoe ze al op jonge leeftijd dacht;

‘Goedbeschouwd zit Schopenhauer ernaast,’ meende ze op haar veertiende. ‘Maar ik heb het daarbij uitsluitend over de kern van zijn filosofie: de deerniswekkendheid van het bestaan.’…En in een opstel voor school in haar laatste jaar omarmt ze Freud…met een hoogmoed die maar zelden bij een scholier zal zijn aangetroffen: ‘Ik zie geen reden om het met de inhoud van het eerste hoofdstuk [van Het onbehagen in cultuur] oneens te zijn,’ schrijft ze.

Ze leest als een bezetene, heeft af en toe vriendje maar beleeft ook haar eerste lesbische liefde. Uiteindelijk trouwt ze op jonge leeftijd met haar docent Philip Rieff.  Het was een verhouding waarin ze zich liet domineren en er werd een zoon uit geboren. Tegelijk liet ze toe dat hij furore maakte met een boek dat zij feitelijk had geschreven, The Mind of the Moralist, waarin Freud en de psychoanalyse in een historische context worden geplaatst.

Sontag wordt aangesteld als de jongste universitaire docent ooit in de Verenigde Staten. Het huwelijk met Rieff houdt geen stand, ze gaat naar New York en stort zich in een relatie met de Cubaanse toneelschrijfster Irene Fornès. Sontag is inmiddels een invloedrijke filosofe, schrijfster en critica;

De tiener die sidderde in het bijzijn van Thomas Mann, was een vrouw geworden die kon zeggen dat Jean-Paul Sartre een slechte smaak had en die sir Isaiah Berlin te kennen kon geven dat hij wat slordig met details omging.

Ze komt in contact met Andy Warhol en heeft een relatie met de schilder Jasper Johns. Ze schrijft een geniaal essay “Notes on Camp”, waarbij ze haarfijn uitlegt dat Cocteau camp is maar Gide niet, Strauss wel maar Wagner niet, waarom Caravaggio en veel van Mozart ingedeeld kunnen worden bij Jayne Mansfield en Bette Davis. Ze legt hierin verbanden bloot die voorheen onzichtbaar waren.

Ondanks haar genialiteit wist ze dit te koppelen aan een soms onvoorstelbare naïviteit. Het belang van tanden poetsen, waar een lichtknopje zich eventueel kan bevinden en in welke kamer de Fiat-erfgename zich bevond op de vijftiende verdieping…het levert fascinerend leesvoer op.

Sontag had een enorme energie en werklust en sliep het liefst zo min mogelijk. Ze rookte als een ketter, dronk sloten koffie en toen ze amfetamines ontdekte, merkte ze dat ze met nog minder slaap toe kon. Ze laat zich ook steeds meer van haar maatschappelijk betrokken kant zien. Ze zet een aanklacht tegen Amerika op papier, die lang niet bij iedereen in goede aarde viel. Hoewel er veel zaken in stonden die klopten, is de eerste zin met name berucht geworden;

‘Het blanke ras is een kankergezwel in de geschiedenis van de mensheid.’

Wellicht wat ongelukkig geformuleerd en ze heeft er haar excuses voor aangeboden, maar eerder voor de metafoor als voor het onderliggend sentiment, want ze was wel degelijk woest. Een reden was de oorlog in Vietnam. Daar laat ze een wonderlijk optreden zien. Ze bezoekt Hanoi en laat zich van alles uitleggen door het regime daar, terwijl op een paar honderd meter van haar hotel Amerikaanse soldaten gemarteld worden. De grote critica was toen wat betreft Vietnam ‘even een blokje om.’ Later zou ze dat vaker doen. Na een reis naar China zou ze ook daar over schrijven, maar geen woord over de Culturele Revolutie en de ellende in dat land.

Privé rolt ze van de ene relatie in de andere, met mannen én met vrouwen. Ze krijgt kanker en overwint deze en schrijft er, uiteraard, een essay over. Dat ging over de bewustwording van de ziekte en over het wegnemen van vooroordelen en velen hebben na het lezen ervan de gang naar de arts gemaakt en zo hun leven gered.

Susan Sontag was, naast een hyperactief en productief mens, ook iemand met twee gezichten. Ze kon mensen eerst de hemel in prijzen, waardoor ze hen aan zich verbond, om ze daarna publiekelijk te vernederen. Dat deed ze zelfs bij Annie Leibovitz, ook een sterke vrouw met een glanzende fotografie-carrière, die dergelijk gedrag toch pikte van Sontag. Wellicht prikten velen toch door haar onzekerheid heen en zagen ze toch haar grote hart.

Dat had ze namelijk wel. Toen er een oorlog woedde op de Balkan, ging Sontag erheen en waagde haar leven. Ze was begaan met de bevolking en organiseerde indrukwekkende toneelvoorstellingen in Sarajevo. Een mede-acteur vertelde wat dit inhield;

Je kon het publiek niet voor de gek houden. Je wist niet eens of je over vijf of tien minuten of de volgende dag nog wel in leven was…Je moest zo eerlijk en goed mogelijk spelen, want je wist niet of je de volgende dag nog een voorstelling kon geven. Ik heb voor gewonde mensen gespeeld, voor blinde kinderen, in het ziekenhuis, op de eerste verdieping terwijl er op de begane grond benen werden geamputeerd, mensen gilden en stierven terwijl ik stond te spelen.

En Susan Sontag dus ook en dat is een prestatie van formaat. Ze stierf uiteindelijk aan leukemie, maar laat best een indruk achter, ook bij mij na het lezen van dit prachtige boek. Het zal wel geen toeval zijn dat op de omslag van het boek dat ik nu lees, “De emigrés” van W.G. Sebald, Sontag als enige genoemd wordt met het citaat ‘De emigrés is grote literatuur.’

Vertaling; Lidwien Biekmann en Koos Mebius

902956170X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Stefan Zweig (1881–1942) was een Oostenrijkse schrijver van Joodse komaf. In zijn autobiografie De wereld van gisteren vermengt hij zijn eigen geschiedenis met het tijdsbeeld van rond de eeuwwisseling tot vlak voor zijn zelfgekozen dood in 1942.

Zweig werd geboren in Wenen. Dat was een stad waar het goed toeven was aan het eind van de 19e eeuw en Zweig zingt de lof over zijn stad;

Gastvrij en met een bijzonder assimilatievermogen trok deze stad de meest ongelijksoortige krachten aan en ontspande ze, maakte ze los en bracht ze tot rust; het was een mild klimaat om in te leven, deze atmosfeer van geestelijke tolerantie, en onbewust werd elke burger van deze stad tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap opgevoed.

Iedere burger een wereldburger; dat is het gevoel wat Zweig zal vasthouden. Voorlopig vindt hij zijn weg in de stad, waar kunstenaars rondlopen als Brahms en Mahler en waar de joodse burgerij een voorname rol in speelde;

…negen tiende van wat de wereld als Weense cultuur van de negentiende eeuw bejubelde, was een door de joodse Weners gestimuleerde, gevoede of zelfs zelf gecreëerde cultuur.

Tock waren veranderingen onontkoombaar. Goede veranderingen, een verschuiving in de kunsten bijvoorbeeld. Jonge kunstenaars stonden op en Zweig en zijn vrienden zogen alles in zich op. Ze maakten kennis met Hugo von Hofmannsthal, een komeet van een schrijver en dichter én met Rainer Maria Rilke, een dichter die veel geleidelijker tot wasdom zou komen.

Minder goede veranderingen waren er ook. De eerste scheuren dienden zich aan in de maatschappij in de vorm van grof geweld in de politiek, terwijl Zweig en de zijnen daar nog weinig oog voor hadden. Zij schreven en bediscussieerden hun gedichten, maar

In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen.

Zweig studeert ondertussen onder meer filosofie in Wenen en Berlijn. Hij komt in aanraking met verschillende kunstvormen en ontmoet de door hem bewonderde dichter Emile Verhaeren in België. Hij zal zijn werk ook vertalen. In Parijs ontmoet hij de dichter Rilke en de beeldhouwer Rodin. Er volgt een mooi portret van deze Fransman als hij Zweig meeneemt naar zijn atelier, nog wat begint te schaven aan één van zijn beelden en vervolgens zo volledig in zijn werk opgaat dat hij Zweig vergeet.

Zweig reist ook naar Engeland waar een evenzeer mooi portret wordt gegeven van een vrouw bij wiens doop Goethe nog aanwezig is geweest. Hij reist zelfs naar India om zijn blik te verbreden, om van buitenaf eens Europa te beschouwen.

In dat Europa waait een nieuwe wind. Het was de tijd van uitvindingen en ontdekkingen, maar met die wind kwamen er ook donkere wolken mee. Er was trots en zelfvertrouwen, maar dat bracht ook expansiedrift met zich mee. Industrieën draaiden op volle toeren en dat gistende vat kwam ergens tot ontploffing. Zweig vertelt;

Als je je nu in alle rust afvraagt waarom Europa zich in 1914 in een oorlog stortte, vind je geen enkele zinnige reden en zelfs geen aanleiding. Het ging niet om ideeën, het ging niet werkelijk om de kleine grensgebieden; ik kan geen andere verklaring vinden dat dit overschot aan energie…

Toch komt die oorlog er en de beschrijving van de rekruten die zich opmaken om naar het front te gaan vind ik treffend. Of je er zelf bij bent. Gedurende de oorlog toont Zweig zich als de Europeaan die hij zich voelt. Hij probeert de contacten te onderhouden met zijn vrienden die nu tot ‘de vijand’ behoren en die vriendschap krijgt hij terug, bijvoorbeeld van de Franse dichter Romain Rolland.

Als de oorlog afgelopen is, heeft iedereen, logischerwijs, hoop op een goede toekomst. De kunsten gingen verder op de schop. Melodie in de muziek hoefde niet meer, er golden nu andere principes. Klassieke schilders gingen het depot in, kubisme deed zijn intrede, schrijvers en dichters vonden alles opnieuw uit, weg met de lidwoorden bijvoorbeeld. Ook Zweig was kritisch ten opzichte van zijn vroege werk en bedacht;

De tijd was voorbij waarin ik mijzelf had kunnen wijsmaken dat alles waar ik aan begon maar voorlopig was. Ik had het midden van mijn leven bereikt, de leeftijd van louter beloften was voorbij. Nu was het zaak het beloofde waar te maken, mijzelf te bewijzen of het definitief op te geven.

Opgeven hoeft niet, Zweig is zeer succesvol. Zijn werken worden in allerlei talen vertaald. Hij bezoekt vrienden door heel Europa en merkt dat het Europese gevoel nog springlevend is, ook bij de vroegere ‘vijand’. De propagandamachine was blijkbaar toch minder binnengekomen als gevreesd.

Toch, en dat beschrijft Zweig heel goed, komen er weer verschuivingen. Er zijn steeds kleine opstootjes en brandjes waar niemand veel aandacht aan schenkt. Ze komen op en verdwijnen weer. Er staat wel iemand met een grote mond te brallen in de Beierse bierhuizen, maar dat is plaatselijke amok. Tot deze figuur rijkskanselier wordt. Er verschijnen ineens goed getrainde ordetroepen op straat en de sfeer wordt grimmiger.

Zweig onderkent de gevaren en zal zijn woonplaats Salzburg verlaten. Hij laat alles achter, inclusief zijn immense verzameling handschriften, en vertrekt naar Engeland. Vanuit Londen ziet hij hoe Europa langzaam een nieuwe oorlog inglijdt en hij lijdt mee. Toen zijn moeder op sterven lag ging hij nog een laatste keer naar Wenen, voor een laatste afscheid van alles en iedereen;

Ik heb die laatste twee dagen in Wenen elke vertrouwde straat afzonderlijk, elke kerk, elke tuin, elk oud hoekje van de stad waar ik geboren ben, bekeken met een vertwijfeld, onuitgesproken ‘nooit meer’.

Zweig laat Europa achter zich en zou uiteindelijk met zijn vrouw in Brazilië zelfmoord plegen, gedesillusioneerd over de vernietiging van ‘zijn’ Europa.

Het is een boek van ruim 400 pagina’s en het geldt als een autobiografie, maar het is natuurlijk veel meer dan dat. Het laat Europa zien aan het eind van de negentiende eeuw en hoe dat continent twee oorlogen over zich heen kreeg. De hoop die ontstond in het interbellum, de ontzetting over hoe het toch weer fout ging. De onderkenning daarvan door hemzelf, de ontkenning van zoveel anderen, die daarvoor ook een hoge prijs zouden betalen. Prima lessen voor de toekomst, maar een levensgrote spiegel tegelijkertijd, want zoals het toen was is het nu; we zijn er zelf bij.

Vertaling; Willem van Toorn

f20430b91e5bfd2597048456651444341587343
Ik heb mij de laatste tijd aardig verdiept in de Nederlandse componist Alphons Diepenbrock. Een beetje door toeval, door het boek van Erik Menkveld, hoewel ik zijn muziek al wel kende. Dit biografisch essay over Diepenbrock, geschreven door componist en musicoloog Leo Samama ontbrak nog in de bagage, tot nu.

Het is geen dik boek, zo’n 286 pagina’s, en het leven van Diepenbrock wordt niet uitputtend beschreven, maar dat hoefde voor mij niet. Ik wilde het lezen om een andere reden, namelijk om zijn muziek.

De ondertitel van het boek is Componist van het vocale en dat is meteen het grootste kenmerk; zijn oeuvre wordt grotendeels bepaald door vocale muziek. Dan kom je meteen ook bij zijn teksten uit en, volgens de auteur, zijn meest karakteristieke eigenschap als componist; de literaire of talige impuls.

Dat wil zeggen dat een goed begrip van zijn muziek nauwelijks denkbaar lijkt zonder een even goed begrip van de gebruikte teksten. Die teksten ontleende hij aan Nederlandse schrijvers en dichters als Vondel, Verwey en van Deyssel, aan Duitse schrijvers en dichters als Goethe, Heine en Nietzsche en later ook aan hun Franse collega’s als Verlaine en Baudelaire.

Daarom was dit boek voor mij van belang. Het geeft van veel composities de ontstaansgeschiedenis weer met veel muziekvoorbeelden. Ik ben geen musicus en er staan soms wat technische termen in, maar over het algemeen is het prima te volgen, zeker als je de muziek ernaast beluistert.

Wat verbluffend is om te lezen, is dat Diepenbrock als componist autodidact was. Van beroep was hij leraar klassieke talen en hij heeft als zodanig ook gewerkt. Niettemin werd hij volledig geaccepteerd als vakman, door zijn collega’s en topdirigenten als Willem Mengelberg. Hij was wel een twijfelaar en bleef vaak schaven aan bestaande partituren. De auteur over het ontstaan van een compositie;

Wie Diepenbrocks correspondentie doorleest, moet inderdaad constateren dat zijn muziek als impulsieve bevlieging ontstond, maar daarna met veel doorzettingsvermogen als geschreven partituur veroverd moest worden op de gedroomde klank.

Die gedroomde klank bleek nogal eens een probleem voor de uitvoerende partijen. Zo componeerde Diepenbrock drie ‘reien’ (een rei is een koor in een toneelstuk); de Rey van Amsterdamsche maegden, de Rey van clarissen en de Rey van burchtstaeten;

De première in Haarlem door het plaatselijke Toonkunstkoor en het Concertgebouworkest liep uit op een grote teleurstelling doordat het koor niet tegen de moeilijkheidsgraad van de muziek was opgewassen.

Ook na herziening bleven het erg lastige werken, dus hij had de lat hoog liggen met zijn gedroomde klank. De twijfel die hij had betrof dan ook niet zozeer zijn kunde als componist, maar wel hoe te komen tot het beste resultaat. Integendeel, hij was zelfs vrij zeker van zijn eigen kwaliteiten. Zo wilde hij een mis componeren voor mannenstemmen met orgel, wat de Missa in die festo zou worden. Diepenbrock zei daarover;

Maar er worden in de kerken juist niet anders gezongen als voor mannenkoor met orgel; er is heel veel voor gecomponeerd en ook door grote lui, Liszt bijv. Nu, al die lui wil ik in één woord corrigeren. Een betere mis maken dan die er tot dusver voor mannenkoor bekend zijn.

Daar spreekt overtuiging uit en dat had hij altijd al wel. Ein Heldenleben van Richard Strauss vond hij kermismuziek en de Symphonie pathétique van Tsjaikovski een smakeloos maakwerk.

Dan zijn eigen muziek zoals het Te Deum. Een groots werk dat overigens door Samama gedetailleerd wordt beschreven wat mij bij het beluisteren prima heeft geholpen. Ik kende het werk al, maar meer door het vaak beluisterd te hebben. Dan is een duiding met notenvoorbeelden toegevoegde waarde voor mij.

Hoewel zijn muziek dus niet makkelijk uit te voeren was, waren er ook zangers en zangeressen die het niveau wel aankonden. Eén van hen was de beroemde sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius. Zij heeft vaak liederen van hem gezongen en er staat een mooi fragment van haar zoon Hendrik in dit boek, die Diepenbrock verslag deed van een uitvoering door zijn moeder;

‘Beste oom Fons. Gisteravond heeft Moeder hier in de Luth. kerk gezongen met mevr. de Haan en Verhey. ’t Is een erg mooi concert geweest van muziek als juist gisteravond van: “Wenige wissen…”. Het is voor mij haast niet te begrijpen dat dat menselijke muziek is. Alle grond zinkt onder je weg, alle houvast verdwijnt. Alle aardse kleuren en vormen vervagen en het enige wat overblijft is die roerend mooie, ongelooflijk hoge muziek.’

Nu heb ik al jaren lang iets met Diepenbrock omdat ik zijn muziek regelmatig draai en jaren terug al wat delen uit de tiendelige serie Brieven en Documenten van Diepenbrock heb aangeschaft en gelezen. Ik overweeg de aanschaf van de overige delen nog. De componist is dus meer en meer gaan leven en daarom ben ik gelukkig met de aanschaf van drie van zijn boeken uit zijn persoonlijke bibliotheek. Hij heeft ze gesigneerd en er aantekeningen in gemaakt en zo wordt voor mij de muziekgeschiedenis ineens een stuk tastbaarder.