archiveren

(Auto)biografie

78107f4fbcee130597a76485241444341587343
Zolang te water van Simon Vinkenoog is zijn autobiografische roman uit 1954. Het is een kort verhaal van ruim 140 pagina’s, geschreven toen hij in Parijs woonde. Daar speelt het boek zich ook voornamelijk af, in het Parijs van de vroege jaren veertig en vijftig.

Het is geen lineaire vertelling, verre van zelfs en je moet er je aandacht behoorlijk bijhouden. De hoofdpersoon is de auteur zelf en het draait allemaal om zijn liefde voor Vera. Hierin herkennen velen zijn toenmalige vriendin Ferdi Jansen. Ze ontmoeten elkaar in Parijs en Simon geeft voor Vera zijn tweede huwelijk met Poes op. Uiteindelijk kan hij Vera ook niet voor zichzelf behouden.

Tussen dit verhaal spelen constant andere levensgebeurtenissen. Slapen naast de dochter van de kapper op zijn twaalfde, zijn ontmoeting met een antiquair bij wie hij twee nachten doorbracht, zijn bezoek na de oorlog aan de communistische jeugdbeweging, het meisje dat hij er leert kennen en met wie hij trouwt, de zoon die ze krijgen, hoe hij Julia ofwel Poes ontmoet met wie hij later in Parijs trouwt en uiteindelijk de ontmoeting met Vera.

Kortom, best veel informatie en in een van-de-hak-op-de-tak-stijl opgeschreven. Even het hoofd erbij houden maar dan is er moois te ontdekken in dit boek;

Tegen de zon kan men zich verdedigen: het beest dat naar gezondheid en rijke mensen ruikt, microben doodt en krenkend helder schijnt, heeft vele andere misdaden op zijn geweten. De regen daarentegen is een zacht en teder beest, dat het speeksel van onze lippen likt en liefkozend langs onze wangen speelt, daarenboven nog de mogelijkheid openlaat ons te beschermen wanneer wij genoeg hebben van zijn druppelende goedheid.

Ik vind het poëzie en ik kan het blijven teruglezen. Ook een zinsnede als “…zijn gezichtsvermogen, dat op kurken randjes van onbehagen drijft liet hem hoe langer hoe meer in de steek” vind ik heerlijk om te lezen.

Het was destijds een scandaleuze roman, met hetero- en homoseksuele passages. Nu kijkt niemand er meer van op, maar de recensies logen er destijds niet om. Uit een bespreking in het Dagblad van Rijn en Gouwe uit 1955;

Men moet een jong auteur welwillend tegemoettreden…Teneinde dus dit boek geen onrecht te doen hebben wij de rimram twee keer met aandacht gelezen, wat waarlijk geen genoegen was. En dan moeten wij mededelen dat wij: a. nergens één originele gedachte hebben gelezen; b. nergens één zin hebben gevonden welke een sfeer, een stemming, een beeld ook maar éven oproept; c. nergens één stukje compositie hebben ontdekt; d. nergens één mens hebben ontwaard.

Niet mis dus, hoewel Louis Paul Boon zich weer lovend over het werk uitliet. Zo zie je maar, oordeel vooral zelf. Mij beviel het, om het verhaal, maar ook om de mooie opdracht die ik voor in dit tweedehands boek vond;

“Zolang te water” voor een meisje dat al zo lang te bed ligt, en dat heel flink is. Je Niek 11-3-’61

Advertenties

0880014962.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de boeken die ik de laatste tijd heb gelezen over het Parijs tussen de twee wereldoorlogen in, was er één figuur die steevast opdook. Dat was Kiki de Montparnasse. Ik was geïntrigeerd genoeg om haar boek Kiki’s Memoirs aan te schaffen en ik heb er geen spijt van. Natuurlijk wil je de eerste uitgave graag hebben uit 1929, of de eerst vertaalde uit 1930 maar die zijn niet te betalen, dus ik ging voor de meer betaalbare Engelse heruitgave uit 1996.

Er zijn voorwoorden van de Japanse kunstenaar Tsuguharu Foujita, waarvoor zij model stond en door Ernest Hemingway, die nooit meer voor iemand anders een voorwoord zou schrijven. Dan de memoires van Kiki zelf. Ze baarden nogal wat opzien in hun tijd. Zo werden ze door hun expliciet seksuele inhoud tot in de jaren zeventig verboden in de Verenigde Staten. Nu kijken we er niet meer van op, maar Kiki was haar tijd in Parijs ook aardig ver vooruit.

Ze heette Alice Prin (1901-1953) en kwam uit een dorp in de Bourgogne. Ze werd door grootmoeder opgevoed omdat haar moeder in Parijs zat. Daar kwam ze uiteindelijk toch terecht en kreeg een behoorlijk vrije opvoeding. Hoewel ze een baantje kreeg in een schoenenfabriek poseerde ze al op veertienjarige leeftijd naakt voor diverse kunstenaars. Kiki vertelt;

The next day, I went out to look for work, and I met an old sculptor who, seeing that I was up against it, had me come and pose for him. That was something new for me, to strip like taht, but what else was there to do!…My mother forced her way into the sculptor’s and proceeded to throw a scene. I was posing, and she began to scream that I wasn’t her daughter any more, that I was nothing but a dirty wh-.
That didn’t mean anything to me!
It even cheered me up a little, because I understood now that the game was up.

Het spel was inderdaad op de wagen. Kiki krijgt vriendjes en wordt een steeds bekendere verschijning in het uitgaansleven van Montparnasse. Daar neemt ze ook al snel haar nieuwe naam aan. Talloze kunstenaars ontmoet ze en ze wordt door geschilderd door Foujita en Kees van Dongen, gefotografeerd door Man Ray, weergegeven door Alexander Calder, in brons gegoten door Pablo Gargallo enzovoort. Ze ziet er geen been in om gevraagd of ongevraagd haar boezem te ontbloten of haar rokken op te tillen terwijl ze wat chansons laat horen. Hoewel ze geen fantastische stem had volgens de overlevering was haar populariteit onverminderd groot. Zelfs haar fysieke ongemak, het ontbreken van schaamhaar wist ze tot een unique selling point te maken;

Posing is something I’m not very crazy about, for I’ve got a pilose system that’s not as well developed as it might be in a certain spot, and so, I have to dab myself up with black chalk. But I can give a swell imitation of hair!

Ik heb de memoires niet in het Frans gelezen en hoewel Hemingway in zijn voorwoord aangeeft dat deze eigenlijk niet te vertalen zijn, is de taal ongekunsteld en vrijuit. Het leest makkelijk weg. De meerwaarde van dit boek zijn de vele foto’s die er in staan van Kiki, van haar vrienden, haar minnaars, de artiesten die haar vereeuwigden, van de kunst die van haar is gemaakt én van de kunst die zij zelf maakte. Ook zij tekende en schilderde zelf. Hoewel ze midden in de kringen van dadaïsten en surrealisten verkeerde, had ze er wel een mening over;

We hang out with a crowd called Dadaists ans some Surréalists – for my part, I don’t see much difference between them!

Ongekunsteld en vrijuit…Oud werd ze niet. Ze zakte op 51-jarige leeftijd ineen aan de Côte d’Azur, waarschijnlijk aan de gevolgen van drugs- en alcoholgebruik. Maar ze leeft voort in haar memoires en vooral in de prachtige werken waartoe zij velen inspireerde.

Beelden van Kiki de Montparnasse in een film van Man Ray en Fernand Leger

Vertaling; Samuel Putnam

95f578382a0409c593750365241437641414141
Ik heb de laatste tijd wat boeken over Parijs gelezen en de kunstenaars die daar hebben gewoond en Belicht geheugen van Man Ray heeft daar ook mee te maken. Het is de autobiografie van de Amerikaanse dadaïstische en surrealistische fotograaf, schilder en filmregisseur. Een groot deel van zijn leven heeft hij in Parijs gewoond en hij ligt er ook begraven.

Nu had ik wel van de man gehoord, kende wat van zijn foto’s maar daar bleef het bij. Ik wist eigenlijk niet dat hij ook schilderde. Sterker, daar begon en eindigde hij mee. Later kwam de fotografie erbij en de films. Hij heeft al dat werk in de geest van Dada gemaakt, die een afwijzing voorstaat van de traditionele kunst. Daarbij experimenteerde hij met nieuwe technieken, zoals zijn rayografieën;

…stuitte ik op het procédé van mijn rayografie, foto’s zonder camera. Een vel fotopapier kwam in de ontwikkelbak terecht – een onbelicht vel dat tussen de reeds door een negatief belichte vellen was geraakt; ik maakte eerst een aantal opnamen die ik later tegelijk ontwikkelde – en toen ik tevergeefs een paar minuten wachtte of er een beeld zou opdoemen, vol spijt over de verkwisting van het papier, zette ik gedachteloos een kleine glazen trechter, de maatbeker en de thermometer in de bak op het natte papier. Ik deed het licht aan; voor mijn ogen begon zich een beeld te vormen, niet het eenvoudige silhouet van de objecten zoals op een gewone foto, maar vervormd en gebroken waar het glas meer of minder contact met het papier had gemaakt…

En zo ben je live bij de ontwikkeling van fotografie en kunst.  Dat geldt ook voor de films die hij maakt. Hij noemt het geen experimenten maar zorgvuldig uitgedachte werken, waarin mensen onherkenbaar herkenbare dingen doen, door met een kous over het hoofd te gaan duiken, dobbelen of wat dan ook. De focus echter in dit boek ligt in de onafzienbare stoet aan beroemdheden waar Man Ray mee werkt. Marcel Duchamp, Salvador Dalí, Kiki de Montparnasse (zij zouden een zesjarige relatie hebben), Picasso, Erik Satie, Marcel Proust (hij zou zijn doodsbed vastleggen), Ava Gardner enzovoort. Het biedt fascinerende lectuur.

Dat geldt ook voor zijn ontmoeting met de avonturier William Seabrook en zijn vrouw. Een vreemd koppel dat Man Ray uitnodigde om op een vrouw te passen die zij hadden ingehuurd en aan de trap hadden vastgebonden. Je moet het even lezen om te geloven. Inherent aan al deze exotische personen is dat het niet altijd de diepte ingaat. Ik had graag meer willen lezen over de kunstenares Meret Oppenheim. Zij baarde opzien door haar met bont beklede kop en schotel, maar Man Ray maakte ook prachtige foto’s van haar. De Kunsthal weidde er ooit in 1997 een aparte tentoonstelling aan.

Man Ray komt uit dit boek naar voren als een veelzijdiger artiest dan ik had gedacht. Ik heb dan ook veel opgezocht. Hij liet zich leiden door zijn eigen instinct en wist altijd de aandacht op zich te vestigen, waar hij zich ook vestigde. Dat leidde tot veel lezingen, die hij niet altijd even goed voorbereidde overigens;

Toen ik op het podium stapte met een bundel papier in mijn hand, zag ik een gelaten blik op veel gezichten. Langzaam en plechtig las ik de eerste bladzijde en stopte toen, om naar mijn toehoorders te kijken…Toen ik aan de tweede bladzijde begon,ging ik vlugger lezen, bij de derde aangekomen las ik die bijna zonder adem te halen uit. Toen ik de volgende bladzijde opsloeg stopte ik weer, liet hem aan de toehoorders zien en zei: dit was het. De bladzijde was onbeschreven, net als de rest van de stapel. 

Man Ray, een verrassende man en een voor mij verrassend kunstenaar met prachtig werk. Overigens was ik zo gelukkig het exemplaar van Belicht geheugen te bemachtigen met een opdracht van de vertaalster aan Bernlef en zijn vrouw.

Vertaling; Erica Stigter

e31ffbfa7bc36325933726f5241444341587343
Ik ben een liefhebber van de serie Privé-Domein van De Arbeiderspers. Die blinken in de regel uit met prachtige portretten van schrijvers, schilders en/of andere kunstenaars. Koningin van de onderwereld van Zoe Progl is wat dat betreft een beetje een vreemde eend in de bijt.

Het is de autobiografie van een vrouw die furore maakte toen zij als enige vrouw in de Britse historie erin slaagde om in 1960 te ontsnappen uit de Britse Holloway-gevangenis. Heel het land was naar haar op zoek, ze werd ook weer opgepakt en keerde in 1964 de misdaad de rug toe.

Het is een rechttoe rechtaan verhaal over een leven dat in 1928 begon in een arme wijk in Limehouse, Londen, waar Zoe met vader, moeder en twee broers in een souterrain woonde. Niet de fijnste buurt om in op te groeien;

De miljoenen vochtdeeltjes van de rivier, die de nachtlucht zwaar maakten, trokken het vuil aan dat overdag van de drukke straten omhoog was gekomen en de ramen bedekten van huizen en winkels. ’s Nachts weerklonk er het schelle, harde lachen van de opgeschilderde hoeren, die zich aan de vreemde zeelui aanboden. Het gekrijs van vrouwen, die ineenkrompen onder de klappen van een dronken man, was zo gewoon dat het weinig of geen invloed uitoefende op de oren van de andere bewoners van Grenade Street.

Haar vader is vaste klant in de gevangenis en zelf zou ze ook niet veel anders opgroeien. Als ze opgroeit steelt ze meer en meer en zoekt haar heil in een beruchte plaatselijke kroeg, Maxie. Daar gaat ze deel uitmaken van de onderwereld. Eerst als animeermeisje, later als hulp bij overvallen om uiteindelijk zelf oplichtster en inbreekster te worden.

En passant trouwt ze met de eerlijke Joe Progl maar bedriegt hem met een junk. Daarvan raakt ze in verwachting. Ze zou uiteindelijk drie kinderen krijgen en zes abortussen ondergaan.

Ze wordt een aantal keren gepakt en moet aardig wat tijd opknappen in de Holloway-gevangenis. Als ze weet dat ze weer aan de beurt is, doet ze, als ze nog op vrije voeten is, uitgebreid onderzoek naar haar ontsnappingsmogelijkheden, iets dat haar ook zou lukken. Een uitgekookte dame dus.

Verder is het boek ook niet meer dan dat. Een opsomming van haar vergrijpen, ontmoetingen met figuren uit de onderwereld, de uitgebreide zuip- en snuiffestijnen en de mislukte relaties die ze aangaat. Dat neemt niet weg dat er een paar aardige verhalen in staan;

Om een uur of tien eiste ik op het bureau dat ik een advocaat wilde hebben. Ik wist er niet zo gauw een, dus belde ik een firma Piper & Piper op, wiens naam op een koperen bordje op het huis naast het onze stond.
Er kwam een meneer Piper aan de lijn en ik legde hem onze moeilijkheden uit en zei dat ik graag wilde dat hij ons zou verdedigen. Er volgde een korte stilte en toen zei hij: ‘Mijn beste jongedame, ik zou u dolgraag helpen maar ik ben bang dat als ik dat deed, dat ik dan iets zou doen dat in strijd is met de beroepseer, omdat ik hier persoonlijke belangen bij heb – het is namelijk mijn brandkast, die u gestolen hebt!’

Het is jammer dat op sommigen zaken niet dieper wordt ingegaan. Als de crimineel Tommy totaal in elkaar wordt geslagen, wordt hem door zijn belagers vervolgens vijfhonderd pond gestuurd om hem te helpen opnieuw te beginnen. Dat schrijft de mores blijkbaar voor maar er wordt niet op ingegaan verder. Zoe is de realiteit ook af en toe even kwijt als ze, tijdens haar ontsnapping, spreekt over het moederschap waarin ze even zorgeloos en gelukkig is, en wat haar lange tijd onthouden was. Wellicht had ze hier zelf in rol in? Maar goed, het is geen hogere literatuur, dat geeft niet want het is geen schrijfster, maar een aardig verhaal over een mij tot nu onbekende persoon uit de Britse geschiedenis.

Vertaling; Margreet Hirs

9460043224.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Je houdt van literatuur, biografieën en je woont in een straat vernoemd naar één van ’s lands grootste dichters. Dan valt je oog op een hagelnieuwe biografie van deze man; welnu, dan hoef ik niet lang na te denken en is de koop snel gesloten. Historicus Peter Janzen en neerlandicus Frans Oerlemans hebben met Willem Kloos [1859-1938] een mooi portret neergezet.

Nu waren wij al verwend want in 2012 was er al een biografie over Kloos verschenen van Bart Slijper, genaamd In dit gevreesd gemis. Toch was er behoefte aan een nieuw boek, naar verluid door nieuwe inzichten. De auteurs zijn beiden expert op dit terrein, beiden studeerden zij af op Willem Kloos.

Waarom was Kloos nu zo’n fenomeen en werd hij de voorman van de Tachtigers, die vernieuwende beweging in de Nederlandse literatuur? Zijn carrière begon al tijdens zijn studie Klassieke Letteren in Amsterdam. Hij schrijft gedichten en raakt bevriend met de dichter Jacques Perk. Zijn gedichten zal Kloos later uitgeven en hij schrijft er een voorwoord bij, dat later als een soort manifest voor de Tachtigers is gaan gelden.

Kloos debuteert in 1880 met zijn gedicht Rhodopis. Hij schrijft ook kritieken en is niet op zijn mond gevallen. In de Spectator bestaat hij het om als beginnend criticus uit te halen naar gevestigde namen als Charles Boissevain en Joseph Alberdingk Thijm. En passant schopt hij ook tegen het christendom en zo lanceert hij zichzelf de literaire wereld in.

Een mijlpaal is de oprichting in 1885 van het literaire tijdschrift De Nieuwe Gids. Kloos doet dit met Frederik van Eeden, Albert Verwey, Frank van der Goes en Willem Paap. Het tijdschrift wordt gevuld met literaire kronieken en met gedichten, waaronder de beroemde sonnetten van Kloos.

Het is ook de tijd dat Kloos last krijgt van kwalen. Hij hoort stemmen in zijn hoofd en verdooft ze met alcohol. Hij sluit vriendschappen en gaat relaties aan, maar Kloos is geen makkelijk man. Hij heeft verlatingsangst en kan erg aan mensen hangen, maar stoot ze ook af. Als een vriendschap eenmaal verbroken is, kan hij buitengewoon hard zijn. Zo kreeg hij ruzie met Verwey, om daarna de Verzamelde gedichten van Verwey te bespreken;

Hij was ontgoocheld, want Kloos had gehakt gemaakt van de Verzamelde gedichten. En Doorenbos vroeg Kloos of dit de juiste manier was en waarom hij niet op Verwey was afgestapt? Voor hem en anderen die onbekend waren met de ruzies tussen Verwey en Kloos, was het een raadsel dat de ene vriend de ander publiekelijk afbrandde. Dat kon toch ook anders? Kloos vond van niet. De lezers van De Nieuwe Gids hadden recht op zijn kritiek. Verwey had een knoeiboel bij elkaar geschreven en de bespreking zou hem alleen maar goed doen.

Het ging niet goed met Kloos. Hij verwaarloosde zijn taken als redacteur en trok zich meer en meer terug. Hij kreeg last van psychoses en waanbeelden, hij dronk bovenmatig veel en werd opgenomen in een sanatorium, waar hij werd behandeld met elektrotherapie. Hij bleef wel poëzie schrijven, hoewel er ook een hele reeks scheldsonnetten van zijn hand verscheen. Het blad De Nieuwe Gids hield enige tijd op te bestaan, maar toen Kloos weer meer bij zinnen was kwam er een doorstart. Uiteindelijk trouwde hij met Jeanne Reyneke van Stuwe, een schrijfster van romans.

Een buitengewoon boeiend boek over een interessante periode in de Nederlandse literatuur. Goed 340 pagina’s dik en rijkelijk van fotomateriaal voorzien. Ik wist niet veel van Willem Kloos maar het blijkt een boeiende, niet al te makkelijke man. Onmatig met alles; vriendschappen, werk en alcohol maar bovenal een vernieuwer in de poëzie. Zijn devies; kunst is een individuele expressie van individuele emoties (“Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”), iets wat mijlenver afstond van de toen beroemde dominee-dichters als Beets en Ten Kate. Zijn vriend Frank van der Goes, tenslotte, gaf een scherpe analyse van het karakter van Willem Kloos. Misschien niet het mooiste portret, maar wel zoals hij was;

Als Kloos maatschappelijk en geregeld is, dan schrijft hij geen verzen en zes kroniekjes in het jaar, en alleen onder de sterkste pressie van de noodzakelijkheid. Als hij verschrikkelijk nerveus en geëxalteerd is, zoodat vreemde menschen hem gek zouden noemen, als hij op een kanapee ligt te huilen en te razen, als hij dagen rondloopt als een wezenlooze, bijna zonder te eten of te drinken, als hij zich dan weer elken avond veertien dagen lang bedrinkt, als hij in accessen van woede zijn papieren verscheurt, zijn antipathiën te lijf gaat, zijn geld niet beter beheert dan een kind van tien jaar […] – dan schrijft hij een paar vel voortreffelijke verzen.

Na dit boek kan ik niet anders dan die verzen gaan lezen, ik ben benieuwd.

9200000051759408
Aan de Amstel in Amsterdam staat een familiehuis. Die staan er meer in de hoofdstad, maar dit is het familiehuis van de familie Six. Een familie, die al vanaf de 16e eeuw met Amsterdam is verbonden, tot aan de dag van vandaag. In dat huis ligt een enorme verzameling aan materiaal opgeslagen over de geschiedenis van deze familie. Schrijver Geert Mak had gedurende drie jaar onbeperkt toegang en dat leidde tot het boek De levens van Jan Six. De ondertitel is Een familiegeschiedenis en dat klopt, maar het is evenzeer een geschiedenis van Amsterdam en Nederland door de eeuwen heen.

Dat is meteen de grote kracht van dit boek. We volgen de opeenvolgende Jannen Six door de eeuwen heen maar net zo interessant is de tijd waarin zij leefden. Die wordt door de auteur in talloze eindeloos interessante details weergegeven. Omdat er zo’n ontzettend groot archief is, zou dit een ontzettend dikke pil kunnen zijn, maar Mak houdt het in ruim 400 pagina’s zeer overzichtelijk en uitstekend leesbaar. Geen minpunten? Wel iets, maar niets schokkends, ik kom er nog op terug.

Het verhaal begint bij Charles Six, die in de 16e eeuw vanuit Saint-Omer in Vlaanderen naar Amsterdam trekt. De familie is in goeden doen door de lakenhandel en neemt al snel een prominente plaats in. Het verhaal van de Jannen begint met Jan Six I (1618-1700). Dit is de Jan waar in het boek steeds op wordt teruggegrepen en het is de Jan wiens portret door Rembrandt is geschilderd. Het hangt nog steeds in het huis aan de Amstel. Naast Rembrandt was Vondel een huisvriend en was de beroemde art Nicolaas Tulp de vader van zijn vrouw. Dat geeft een prachtige inkijk in onze vaderlandse geschiedenis. Mak vertelt uitgebreid over Jan Six I en zijn illustere vrienden en dat is meteen het minpuntje, de andere Jannen passeren veel sneller de revue, soms ook omdat ze minder interessant zijn of omdat er minder materiaal voorhanden is, dat wel. Overigens is achter in het boek een handige tijdlijn opgenomen met de verschillende “Jannen”, die bovendien een bijnaam hebben gekregen als ‘de rentenierende Jan’ of als ‘de professor’, zodat je altijd weet met welke Jan je van doen hebt.

Terug naar het verhaal. Ik ga geen chronologie weergeven van de inhoud, lees daar vooral het boek voor, maar ik tracht weer te geven waarom ik bleef lezen in dit boek. Dat zijn vooral de details en feiten die Mak geeft, zoals wanneer hij de inboedel van het huis aan de Amstel beschrijft;

Er staat Venetiaans glaswerk en sommige smalle drinkglazen van de 17e-eeuwse voorouders zijn er ook nog, dun en hoog om de enorme kanten kragen te ontzien. Er hangt een pomander, een fraai bewerkt korfje met amber dat deftige dames vroeger aan een kettinkje tussen de plooien van hun rokken hingen om luizen en schaamlucht te weren.

Je leert in rap tempo bij zo. Het leukst vind ik misschien wel de zijpaadjes die Mak bewandelt. Zo is er een Haagse tak die hij links laat liggen, maar waar wel snel vermeld wordt dat een achterachterkleinzoon van die tak in Tolstoj’s Oorlog en Vrede opduikt als Hollandse ambassadeur.

Jan Six II is heer van Hillegom, waar hij veel land heeft opgekocht. Dat land wordt veelal begrensd met grenspalen, die nog steeds her en der zijn terug te vinden (zie de foto hieronder). De familie blijft in goede doen en verzamelt enorm veel kunst door de eeuwen heen. Er is zoveel geld, dat Jan Six III, geheel conform de mores van zijn tijd, zelfgenoegzaam rentenierend het leven doorgaat. Dat staat synoniem voor de staat van het land. volgens sommige historici:

Johan Huizinga schilderde…de periode als een ‘grote inzinking op bijna het gehele veld van de beschaving’: ‘In de plaats van de 17e eeuw, vol leven en gedruis, schuift zich het beeld naar een 18e eeuw waarin ons land in de late middagzon van een lange zomerdag lijkt te sluimeren.’ dat beeld is, terecht, omstreden. Maar het stemt wel overeen met de bevindingen van onderzoekers naar vergelijkbare elitefamilies uit die tijd…De ondernemingslust was verdwenen, het politieke leven was gestold, maar dat was niet het enige. De mensen zelf waren veranderd.

En dat laatste is iets wat mooi wordt aangetoond in het boek. Tijden veranderen, de maatschappij verandert en een grote familie als de familie Six tracht hierin mee te gaan, terwijl ze eigenlijk vast zit in een ijzeren korset van mores en tradities. Een enkeling in de familie breekt hieruit, zoals de aangetrouwde Lucretia van Merken die een groot dichteres zou worden, of Henriette Six, die het bestond om er met een burgerman vandoor te gaan.

Wat lang in stand bleef was de immense kunstcollectie van de familie. Op enig moment hingen er honderden schilderijen in het huis, waaronder ettelijke werken van Rembrandt (waaronder Maerten en Oopjen, onlangs samen met Het Louvre teruggekocht door het Rijksmuseum), Vermeer (Het Melkmeisje en Het Straatje van Vermeer), Hals, Van Ruysdael enzovoort. Daarbij nog serviezen, glaswerk, munten, kostuums en manuscripten. Het is een geluk dat de contacten met het Rijksmuseum altijd prima waren.

Aparte vermelding verdient nog Pieter Jacob Six, zoon van Jan Six VII. Ogenschijnlijk een op zijn landgoed rondscharrelend heerschap, maar in werkelijkheid het hoofd van de Ordedienst, een op militaire leest geschoeide verzetsbeweging in de Tweede Wereldoorlog. Voor zijn daden is hij beloond met de Militaire Willems-orde en je zou een apart boek aan hem alleen kunnen wijden.

Bovenstaande geeft al aan, er is eindeloos meer te vertellen en Geert Mak doet dat een stuk meer coherent dan ik hier. Er is nog zoveel meer, de Arabische sjeik die met een Six een goed heenkomen zoekt in de V&D, het gedwongen dansje van de Hillegomse burgervader Jan Six na de Franse aftocht en waarom Lucretia pas begraven mocht worden ‘tot zij begon te rieken.’

Prachtige verhalen allemaal, maar wat ik het meest interessant vind is dat je een verhaal leest over een familie die op veel vlakken erg verstrengeld is met onze geschiedenis en waar nog talloze tastbare herinneringen van zijn overgebleven, zoals de huizen in Amsterdam, de kunstcollectie, gedichten van Vondel, hun kostuums, de grenspalen van hun landerijen of het stadhuis in Hillegom. De collectie in het huis aan de Amstel 2018 is nog steeds te bezichtigen op afspraak, maar de site leert ons wel dat, door dit boek, alles al wel volgeboekt zit tot in oktober 2017.

Lees vooral ook de besprekingen van Joke en Bettina

DSCN4425.JPG
Grenspaal landgoed Jan Six

ba073eee04ebead59765a6d6e77444341587343
Twee jaar voordat F. Scott Fitzgerald zijn roman Teder is de nacht uitbracht, met veel autobiografisch materiaal, had zijn vrouw Zelda Fitzgerald al een portret gemaakt van haar leven met Scott in de, eveneens autobiografische, roman Mag ik de wals?

Zij had dat boek geschreven als werktherapie toen ze voor de tweede keer wegens mentale labiliteit was opgenomen in een kliniek in Baltimore. Haar man reageerde woedend toen ze het manuscript naar zijn uitgever stuurde. Zijn beschuldigingen waren dat Zelda hetzelfde materiaal gebruikte als waar hij mee werkte voor zijn roman, iets met gras voor de voeten wegmaaien dus. Scott beschouwde Zelda’s leven als privé-materiaal, waarop hij, als vakman, het alleenrecht bezat. Dat liep anders, het boek kwam er en de uitgever kon er wat voorschotten mee terug verdienen die al aan Scott waren uitgekeerd.

Het is een autobiografische roman, maar het was toch een wat ander boek dan ik mij had voorgesteld. Dat heeft te maken met het feit dat er toch een wat beperkter deel van hun leven wordt beschreven als dat ik in Fitzgerald’s biografie heb gelezen, ik was te verwend. Scott en Zelda worden beschreven als Alabama en David Knight. Alabama’s jeugd, hun ontmoeting en huwelijk, hun verblijf in Frankrijk, het mislukken van hun relatie en haar ineenstorting komen allemaal wel voorbij, hoewel in aangepaste vorm. Zo wordt Alabama niet wegens geestelijke ineenstorting opgenomen, maar wegens een bloedvergiftiging. Er wordt vrij lang stilgestaan bij de pogingen van Alabama/Zelda om balletdanseres te worden. Alabama zou zelfs in Napels optreden, iets dat Zelda nooit heeft gedaan.

Hoe is het boek geschreven dan? Daar is wel iets over te zeggen, de kwaliteit wisselde namelijk nogal. Allereerst, het is geen hogere wiskunde. Het is een keurig, chronologisch verteld verhaal. De tijdsprongen die er voorkomen zijn lineair, recht naar voren dus. Wat mij vooral opviel waren enkele draken van zinnen tegenover een paar prachtige vondsten en dat naast weer veel meer onbegrijpelijke (althans, voor mij) vergelijkingen. Ik wil graag vanaf het begin meegenomen worden door een verhaal. Dan helpt zin 4 van dit boek niet echt;

De meeste mensen bouwen de kantelen van hun leven met compromissen, trekken hun onneembare forten op uit verstandige toegeeflijkheid en timmeren hun filosofische ophaalbruggen met behulp van een emotioneel opportunisme en verschroeiende strooptochten in de kokende olie van zure druiven.

En dan moet je nog 230 pagina’s. Maar zet door, er komen ook mooie dingen. De volgende zin, met name het laatste deel, is prachtig:

Alabama droeg roze en gebleekt linnen en samen met David zat ze onder de vinnen van de plafondventilator die de zomer aan draaglijke stukjes sloeg.

Wauw. Dat op pagina 46 en ik ging er nog eens goed voor zitten. Zo fijn zag ik ze niet meer, maar wat ik wel veel zag waren vergelijkingen. Zo veel dat het ging opvallen. Vergelijkingen dienen een doel, ter beschrijving van een plaats of situatie, maar het moet wel hout snijden. Wellicht snap ik het niet, maar wat te denken van:

  • haar moeder verrichtte haar werk als een kasteelvrouwe die zich met een arme boer bemoeit
  • Lady Sylvia fladderde door de zaal als een ondoorschijnende massa protoplasma die over een zandbank beweegt
  • haar armen deden haar denken aan een zijlijn van de Siberische spoorwegen
  • ze werkte tot ze zich voelde als een opengereten paard in de arena dat zijn ingewanden achter zich aansleept

Geloof me, er zijn er meer, tot en met het Nederlandse jongetje dat de dijken redde. Al met al is het best een vermakelijk boek, waarvan de meerwaarde voor mij er vooral in schuilde dat er, na het lezen van de romans en biografie van F. Scott Fitzgerald, herkenbare patronen verschenen, maar nu verteld door Zelda.

Waar Scott op 44-jarige leeftijd aan een hartaanval overleed, kwam Zelda op 47-jarige leeftijd om door een brand in de kliniek waar zij toen verbleef. Tijd voor andere boeken, maar het was aangenaam vertoeven met die twee.

Vertaling; Keith Kanger Snell en Geerten Maria Meijsing