archiveren

(Auto)biografie

Hemelse mevrouw Frederike van Maaike Meijer is de biografie van F. Harmsen van Beek [1927-2009]. Frederike, Fritzi voor intimi maar dat ligt gevoelig, was dichter, schrijver, journalist, kunstenaar en illustrator. Ze liet geen groot (geschreven) oeuvre na, maar wel een opmerkelijk oeuvre. Ik ga het u toelichten.

Frederike groeide op in Blaricum als kind van twee illustratoren in Blaricum. Haar vader tekende de beroemde Flipje-reeks en Frederike hielp vaak mee om deze in te kleuren. Ze woonde een paar jaar in Frankrijk en leerde daar Eric de Mareschal kennen waarmee ze zoon Gilles kreeg. Ze keerde alleen met Gilles terug naar Nederland en de vader verdween uit beeld. Ze kon terecht in een grote Blaricumse villa, Jagtlust, waar ze als huismeester werd aangesteld.

Die villa wordt het middelpunt van een ogenschijnlijk hedonistisch universum. Dat wordt gevoed door het boek Jagtlust van Annejet van der Zijl en geschriften van Gerard Reve. Biografe Maaike Meijer ontkent dit niet in dit boek maar brengt wel de nodige nuance aan. Feit is dat de villa wel een ontmoetingsplaats werd voor verschillende Nederlandse kunstenaars. Remco Campert kwam er en trouwde later met Frederike. Ook Cees Nooteboom, een schrijver van eenentwintig jaar, was present;

Het was daar op Jagtlust een fantastische chaos. Er waren altijd mensen, er was altijd gedoe en zij was het fascinerende middelpunt met die zichzelf opwindende stem waarmee zij niet zozeer praatte als wel sprak, zo, dat je het meteen wilde opschrijven. Ze had planeten om zich heen. In hoeverre dat affaires waren wist je niet precies.

Affaires waren er genoeg, gaat u dat vooral zelf lezen. Dat praten of spreken; ze schreef het zelf op. Frederike ging gedichten schrijven en deed dat zoals niemand dat nog had gedaan. Onderscheidend van de Vijftigers, niet per se brekend met een traditie zoals die Vijftigers dat deden, maar spelend met de traditie op een erudiete en barokke manier. Haar debuutbundel Geachte muizenpoot en achttien andere gedichten wordt uitgebreid door Meijer besproken;

Deze gedichten zijn een adembenemende achtbaan van mogelijkheden, geschreven door iemand met een zware vorm van linguïstische ADHD.

De gedichten zijn ook niet altijd makkelijk en er zijn er maar weinigen die ronduit hebben toegegeven dat dit debuut ondanks al zijn charme en brille soms haast niet te begrijpen is. Frederike had dit al voorzien in haar openingsgedichten: Twee raadselrijmen die samen een antwoord vormen dat bij nader inzien is zoekgeraakt.

Ik houd daarvan en daarom ga ik hierna haar oeuvre lezen. Persoonlijk gaat het Frederike niet altijd voor de wind. Haar zoon Gilles raakt verslaafd en brengt tijd in de gevangenis door. Ze moet Jagtlust verlaten en haar vrienden kopen een huisje voor haar in Garnwerd in Groningen. Dat is goed bedoeld maar zelf zit het haar niet lekker;

Het is zo, dat ik nu eigenlijk heel geen persoonlijke persoon meer ben. […] ik ben iemand die voortaan nu altijd (24 uur per etmaal) dankbaar (nou shitt!) maar, erger nog ‘gelukkig’ moet zijn.

Toch zou ze er langzaam wennen en ook lokaal actief zijn. Ze blijft er een keur aan relaties op na houden en vriendinnen komen haar daar bezoeken. Die vriendschappen zijn een verhaal apart. Frederike is een eigenzinnig persoon en ze kan jarenlange vriendschappen ineens beëindigen. Dat gebeurde met Charlotte Mutsaers maar ook met anderen. Ook de vader van haar zoon, haar broer Hein en zelfs haar zoon Gilles werden ‘bijgezet in het rijtje’ van personen over wie ze uiteindelijk nooit meer sprak. Het was tragisch dat ze haar zoon drie jaar zou overleven.

Frederike schrijft verhalen en gedichten maar niet veel. Haar oeuvre past in 500 pagina’s en daar zal ik nog op terugkomen als ik dat gelezen heb. Ze heeft ook illustraties gemaakt maar was eigenlijk een totaalkunstenaar. Alles kon ze gebruiken. Kleine voorwerpen of knipsels voor collages, miniatuurvoorstellingen in walnoten tot een complete installatie in een steendrukkerij met een nagebouwde versie van haar sprookjesachtige kinderkamer.

Toch ben ik gefascineerd door haar proza en gedichten waarvan Meijer veel voorbeelden geeft en die ze (soms tegen beter weten in) probeert te duiden. Frederike tart alle regels van woordkeuze, grammatica (een punt middenin een zin) en logica. De kritieken en het succes zijn er ook naar. Ze wordt vaak uitgenodigd voor congressen en bijeenkomsten maar verschijnt zelden. Als de bekende componist Joop Stokkermans haar gedichten op muziek wil zetten wordt hij afgepoeierd;

‘Ik heb gezegd dat hij eerst zijn studie maar af moest maken…Iedere zeehond kan wel zeggen dat hij componist is.’

Toch komt ze er mee weg en wordt ze als oorspronkelijke schrijver en dichter op handen gedragen en ik moet zeggen dat ik deze biografie met stijgende fascinatie heb gelezen. Voor de persoon, die mij vaag bekend was en het werk dat mij nog niet bekend was maar dat je wil gaan leren kennen na het lezen van de biografie. Laat ik afsluiten met de woorden van de biografe zelf over Frederike en die wat zegt over hoe Frederike werd gezien;

Ze wordt nu alom bemind vanwege haar bijzonderheid. Men is blij als ze zich – hoe weinig ook – vertoont. Het beeld van de ontremde bohemienne draait dus: Harmsen van Beek wordt ‘the darling of the forces.’ Men heeft besloten dat ze de wereld een klein maar blijvend betoverend oeuvre heeft geschonken, dat ze net zo eigenaardig mag zijn als ze wil, het is allemaal goed.

Zaterdag 4 april 2009 glijdt ze weg in de dood, eenentachtig jaar oud.

Ik ken natuurlijk het debuutalbum van The Velvet Underground met zangeres/model Nico, u weet wel, met die banaan van Andy Warhol op de hoes. Ik ken ook de solo-albums van Lou Reed Transformer en Berlin, maar heel veel wist ik ook weer niet van de frontman van The Velvet Underground.

Howard Sounes schreef Lou Reed, een leven in The Velvet Underground en heeft daarvoor veel bekenden van de in 2013 overleden zanger geïnterviewd. Van een autobiografie kwam het nooit en voor het waarom zei hij in 2013 tegen concertorganisator Mojo;

‘Waarom zou ik over mezelf schrijven? Om dingen recht te zetten? Er valt niets recht te zetten. Ik ben wat ik ben. Het is wat het is en val dood.’

De toon is gezet. Het lijkt geen makkelijk heerschap en daar kom ik nog op terug. Lou Reed werd geboren in Brooklyn, New York en was op school al met bandjes bezig. Zoals alle jongens in de weer met vriendinnen en in zijn geval ook met vriendjes. Zijn geaardheid was jarenlang een vraagstuk voor de wereld. Niet zijn voorliefde voor verdovende middelen. Hij begon al vroeg met marihuana.

Hij staat bekend als provocateur en krijgt al jong een zenuwinzinking. Daardoor belandt hij in een psychiatrisch ziekenhuis en ondergaat shocktherapieën. Bovendien ontwikkelde hij een woede en bitterheid ten opzichte van zijn ouders en met name zijn vader, waarvan het maar de vraag is waaraan ze dat precies hadden verdiend. Niettemin, die woede was er en zou zich ontwikkelen tot een terugkerend thema in zijn teksten.

Als hij een relatie met een meisje krijgt, Shelley Albin, inspireert zij hem ook tot teksten, maar dat doen de travestieten ook die hij ontmoet in de clubs waar hij komt. Marihuana maakt al snel plaats voor heroïne en dan begint dat wankele evenwicht van een zeer getalenteerd songwriter die zichzelf in de weg zit door zijn karakter en zijn alcohol- en drugsgebruik.

Eén van zijn vroege nummers, Heroin, is een schitterende song, maar kan alleen geschreven worden door iemand die het gebruik door en door kent. Dat niet alleen, hij is ook belezen en is een van de eerste singer-songwriters die poëtische, literaire taal combineren met rock-‘n-roll. Hij is veel meer literair ingesteld dan zijn tijdgenoten; schrijvers als Raymond Chandler, Dostojevski, Edgar Allen Poe en Hubert Selby zijn voor hem net zulke belangrijke invloeden als zijn favoriete musici. In dat opzicht is hij vergelijkbaar met Leonard Cohen.

Toch moet er ook brood op de plank komen en dat lukt nog niet met optreden. Hij gaat pastiches schrijven van bestaande popsongs. Als hij John Cale ontmoet (niet te verwarren met de muzikant J.J. Cale) is dat het begin van The Velvet Underground. Cale is klassiek geschoold en een prima muzikant. Reed niet maar is een fantastische songwriter en samen blijkt dat een gouden combinatie. Als pop-art artiest Andy Warhol zich als hun manager opwerpt en gitarist Sterling Morrison en drummer Moe Tucker zich aansluiten is de band compleet. Ze maken deel uit vand de vaste scene van Andy Warhol, The Factory en brengen met de Duitse zangeres Nico hun eerste album uit, die met de banaan.

Dat album verkocht niet heel erg goed, maar topproducer en muzikant Brian Eno merkte later wel op dat weliswaar slechts een paar duizend mensen die plaat kochten, maar dat die mensen vervolgens wel allemaal een band oprichtten. Om maar even het belang van die plaat te benadrukken. Ook David Bowie beluisterde de plaat en vond het een revelatie:

‘Het kon de muziek niets schelen of ik haar mooi vond of niet. Echt geen ene reet. Ze was volledig in beslag genomen door een wereld die ik vanuit de voorsteden niet kon waarnemen…De krioelende nummers sloegen een voor een hun tentakels rond mijn brein…Het was de ene knock-out na de andere.’

Bowie zou fan blijven en gaat later de soloplaat van Reed produceren, Transformer. Bowie is direct verantwoordelijk voor hoe Reed’s grote hit Take A Walk On The Wildside klinkt, Reed had het nummer veel eenvoudiger opgezet dan hoe het nu klinkt.

Lou Reed ging solo omdat hij The Velvet Underground opgeblazen had. Hij kon niet meer overweg met Cale en maakt met iedereen ruzie. Professioneel, maar ook privé is het erg moeilijk om met hem om te gaan. Hij trouwt met Bettye maar net als anderen beschrijft ze Lou als een vrouwenhater;

Ze zegt dat hij haar heeft geslagen, dat heeft Lou toegegeven. ‘Ik had behoefte aan een jaknikker die ik kon slaan. Ze voldeed perfect aan mijn eisen…maar zij zag het voor liefde aan. Ha!’

U begrijpt, Bettye is geen blijver. Lou gaat een relatie aan met een travestiet Rachel. Hij blijft solo-albums maken, onder meer het album Berlin. Als hij vervolgens contractueel nog een plaat moet afleveren, waar hij geen zin in had, doet hij het volgende;

‘We sjouwden samen de versterkers naar een kamer en draaiden de volumeknoppen open tot elf [sic], zodat ze feedback gaven. Het was een grote stapel met elkaar verbonden versterkers in een kamer en één gitaar om de feedback te activeren. Het jankte als de duivel. We moesten de kamer verlaten en de opnameapparatuur de rest laten doen’.

De platenmaatschappij bracht het nog uit ook. Metal Machine Music is een plaat zonder zang, ritme of melodie, vier plaatkanten vol en laat mij vooral weten of u het heeft uitgeluisterd. Jawel, ik wel.

Er is veel meer te vertellen. Over zijn nieuwe relatie met Sylvia Morales, over de aanslag op en later de dood van Andy Warhol, over zijn succesvolle optredens en zijn vriendschap met de Tsjechische president Václav Havel, zijn prachtige Songs for Drella die hj toch weer met Cale schreef over Andy Warhol en zijn over gedrag. Vooral dat obstinate en onhebbelijke gedrag.

Reed kreeg te horen dat hij bipolair was en dat verklaart waarschijnlijk een deel van zijn gedrag. Dan krijg je ruzie over het woord ‘pruttelen’ op een soepblik, gaat u dat vooral zelf lezen. In later jaren vond hij wat rust bij zijn laatste vrouw Laurie Anderson. Hij kreeg hepatitis en diabetes en stierf uiteindelijk aan leverkanker in 2013. Een moeilijk en vervelend heerschap, inderdaad, maar dit boek maakt duidelijk dat hij ook een groot talent bezat en dat hij van grote invloed is geweest in het bereiden van de weg voor nieuwe stromingen als new wave en punk.

Vertaling: Robert Neugarten

Op 4 juli van dit jaar overleed Remco Campert op een leeftijd van 92 jaar. In 2018 verscheen al Een knipperend ogenblik, een portret van Remco Campert geschreven door Mirjam van Hengel. Campert leefde dus nog en heeft zijn medewerking aan dit boek verleend. Daarvoor heeft de auteur twee jaar lang bezoeken afgelegd om met Campert te praten.

In die zin is het dus geen volledige biografie, maar een portret. Het is ook duidelijk dat niet alles wat Campert heeft verteld het boek heeft gehaald. Wat overblijft is niettemin een prachtig verteld verhaal over één van de grote schrijvers van ons land.

De auteur komt niet alleen naar Campert om verhalen aan te horen, ze doet ook haar research en brengt dus ook informatie mee. Zo informeert ze hem over de school waarop hij tijdens de oorlogsjaren zat. De joodse leerlingen moesten apart gehouden worden en men bedacht een oplossing door een muur in de school te bouwen. Joodse kinderen namen de achteringang, de andere kinderen de hoofdingang. Na enkele maanden merkten de kinderen aan de voorkant hoe stil het was geworden achter de muur. Van Hengel;

Terwijl ik over de school praat verandert Remco’s gezicht. Grote schrikogen die langzaam vollopen, bloed trekt naar zijn wangen. Radeloos kijkt hij me aan.
‘En die zijn uiteindelijk allemaal niet teruggekeerd. Gódverdomme.’ Ik zie voor het eerst de rafels van zijn oorlogsjaren.

De oorlog is belangrijk voor Campert, net als voor ‘de grote drie’. Zijn vader verliet zijn gezin toen Remco drie jaar was en zou uitgroeien tot een verzetsheld. Jan Campert zou in een concentratiekamp omkomen.

Campert vertelt dat hij pas in het gedicht ‘Januari 1943’ voor het eerst over zijn vader kon schrijven, maar Van Hengel komt erachter dat zijn vroegste bijdrage aan een schoolkrantje juist over zijn vader gaat. Naast bijdragen aan de schoolkrant gaat Campert gedichten schrijven en richt hij met zijn vriend Rudy Kousbroek het tijdschrift Braak op. Het is een platform voor experimentele dichters, waar ook Lucebert, Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar, Hugo Claus en Jan Elburg zich bij aansluiten. Ze zullen worden aangeduid als De Vijftigers.

Hij ontmoet ook zijn eerste vrouw Freddy en, na een kort avontuurtje met Andreas Burnier, trouwt met haar. Wellicht te snel, want hij laat haar in de steek op een vakantie in Mallorca. Hij stapte op zijn scooter om in Nederland geld te gaan halen en kwam doodleuk nooit meer terug. Op literair gebied zijn Ernest Hemingway, Scott Fitzgerald en Raymond Queneau voorbeelden. Van die laatste kijkt hij de spellingsgrappen af die hij bijvoorbeeld in Het leven is vurrukkulluk gebruikt. Ook de jazzmuziek, en met name de bebop, inspireert hem.

Zijn tweede huwelijk, met Fritzi Harmsen van Beek was ook geen lang leven beschoren. Met haar ging hij in haar grote huis Jagtlust in Blaricum wonen wat een hedonistische ontmoetingsplek zou worden voor schrijvers en dichters. De biografie over Fritzi kunt u nog een keer tegemoet zien op dit blog.

Van gedichten word je niet rijk dus Campert schreef ook columns ‘om den brode’ en werkte aan zijn eerste roman. Die roman, Het leven is vurrukkulluk, wordt welwillend ontvangen. Hij is inmiddels toe aan echtgenote drie, Lucia van den Berg met wie hij twee dochters krijgt. Dat vaderschap ligt hem niet zo en dat geldt ook voor de moeder. De kinderen worden vaak aan hun lot overgelaten of ondergebracht bij kindermeisjes.

Ook met Lucia houdt hij het niet lang vol, hij ontmoet galeriehoudster Deborah Wolf. Zij mag prinses Beatrix tot haar clientèle rekenen en er staat een hilarisch verhaal in dat Deborah eens een dronken vriend onder de tafel moest verstoppen toen Beatrix onverwacht langs kwam.

Het boek heeft mij wel nieuwsgieriger gemaakt naar het werk van Campert. Ik heb nog niet veel van hem gelezen en zijn gedichten kende ik niet maar wat ik wel heb gelezen bevalt me, zoals de lichte ironie in dit gedicht

Als Paul van Ostaijen
niet zo jong gestorven was
en nu nog leefde
dan was hij 69 geweest

daar moet je toch eigenlijk
ook niet aan denken  

Verder vind ik het erg leuk om te lezen over het Nederlandse literaire klimaat en er zijn verhalen te over in dit boek. Over zijn losbandige leven, hij heeft zijn leven lang gerookt en gedronken, maar ook over zijn vakmanschap. Zo had hij zijn ‘jawoord’ gegeven om een column met Jan Mulder te schrijven. Dat boezemde hem wat angst in;

Hij wist hoe gebrekkig zijn zelfdiscipline kon zijn. Maar na een paar maanden CaMu raakte hij eraan gewend. Overdag broedde hij, las zijn kranten, liep door de stad, keek uit het raam, om er aan het eind van de middag voor te gaan zitten. Stond de eerste zin er eenmaal, dan kon hij verder en was het meestal in een uur, anderhalf uur gepiept. Iedere keer lukte het. Tien jaar lang.

Over zijn einde had Campert ook al nagedacht. Hij heeft herhaaldelijk geschreven over hoe hij ervoor wil staan als het zover is: met zoveel mogelijk zaken voltooid. Hij zei:

‘Eigenlijk zou ik willen dat, als ik doodga, alles precies is opgelost, dat ik geen verleden meer heb…Als ik doodga wil ik niets meer hebben om over te tobben. En dat moet kunnen. Vroeger had je het Polygoon Cineac Journaal, waar op de titelrol een meneertje van krantenpapier geknipt te zien was. Op een gegeven moment rolde hij zichzelf op, tot een klein dingetje dat van het doek aftolde. Zoiets stel ik me voor.’

Een meneertje van krantenpapier dat zichzelf oprolt als het klaar is. Ik vond het een mooi beeld.

Liefde is een zwaar beroep is de persoonlijke kroniek van schrijver Rogi Wieg over het jaar 1997. De Arbeiderspers had het idee opgevat om naar het jaar 2000 schrijvers te benaderen om een jaar lang een dagboek bij te houden. Rogi Wieg was de eerste, onder meer Boudewijn Büch en Maarten ’t Hart volgden.

Laat ik eerst Wieg maar eens laten uitleggen waarom hij dit avontuur aanging;

‘Ik heb altijd veel over mezelf moeten uitleggen. Daar had ik genoeg van. De herhalingen in de verhalen over mijzelf verveelden me. Nu kan ik zeggen: Lees Liefde is een zwaar beroep als je me wilt kennen. Na lezing zouden mensen dus niet alleen moeten zeggen “Goed boek”, maar ook: “Het is een werkelijk mens dat ik hier in handen heb en geen fictie.”’

Het boek van 329 pagina’s leest vlot door en, bijna onvermijdelijk met een dagboek, kenmerkt zich door een afwisseling van gedachten, gebeurtenissen, ideeën, verhalen en gedichten. Die variatie vind ik wel prettig, een rode lijn is alleen wat lastiger te ontdekken, of het moet zijn knipperlichtrelatie met G. en haar twee kinderen zijn, waar hij het overigens prima mee kan vinden.

Vooruit, een andere constante zijn de wetenschappelijke verhalen die ingegeven zijn door zijn wiskundige studie en het feit dat hij OCD-patiënt is. Dat staat voor Obsessive Compulsive Disorder;

Het is een mooie naam voor een verschrikking die mijn leven stukmaakt. Ik denk dingen die ik niet wil denken, en heb gevoelens die mij vreemd voorkomen. Bovendien ben ik angstig en heb ik vele, vele dwanghandelingen.

Als je deze kroniek leest zou je denken dat het nog te doen is, maar het ergste moet dan nog komen. Wieg zou in 2015 kiezen voor euthanasie wegens ondraaglijk psychisch en lichamelijk lijden.

Zover zijn we nog niet en hij is nog volop actief in de literaire wereld. Hij vindt iets over de aanval van Jeroen Brouwers op uitgever Ronald Dietz (‘Er is iets aan de hand met Brouwers, serieus’). Hij heeft het over zijn eigen boek De overval die nu eens wat lichter van toon is en zijn treurigheid niet meer zo pathologisch is. Hij is niet te beroerd om Ronald Giphart de maat te nemen waar Giphart behoorlijk narrig over is en over Andreas Burnier en Arnon Grunberg is Wieg nog veel minder te spreken;

Ik heb de indruk dat Arnon Grunberg mijn uitlatingen in de pers nauwgezet leest en me dan napraat (paranoïde ben ik niet). Ik ken Arnon al heel lang en heb hem een keer mijn kamer uit geschopt toen hij me op de zenuwen begon te werken door alle flauwigheden die hij uitkraamde.

Dit leest natuurlijk allemaal prima weg, maar gelukkig staan er ook stukken in met wat meer substantie. Zo staan er gedichten in die worden geduid en soms vertaald en Wieg geeft aan waar je als vertaler tegenaan loopt. Het is een vak apart zo blijkt maar weer. Hij is ook kritisch op het werk van zijn goede vriend Joost Zwagerman en er staat een prachtige brief in aan Adriaan van Dis, over diens breekbaarheid tijdens het voorlezen van zijn eigen gedichten.

Verder lijkt Wieg een eerlijk verhaal te vertellen. Over de moeizame relatie met zijn ouders bijvoorbeeld. Hij publiceert een woedende brief waarin hij ze vertelt voorgoed met ze te breken. Zijn relatie met G. wordt uitgebreid beschreven net als de reden waarom ze uiteindelijk uit elkaar gaan. Ook vertelt hij hoe het überhaupt altijd gaat met zijn relaties;

Dat is mijn hobby: intrekken bij vrouwen en ze vragen om met me te trouwen en kinderen met me te maken. Als ze ‘ja’ zeggen, ga ik er vroeg of laat vandoor. Zeggen ze ‘nee’, dan ben ik boos.

Verder is het boek een prettige reis terug in de tijd. Gerard Reve komt nog thuis uit het ziekenhuis, Johan Cruijff wordt vijftig jaar en er is gedoe rond de Turkse familie Gümüs.

Makkelijk was het blijkbaar niet altijd om dit boek te schrijven. Zijn bestaan mag weliswaar publiek bezit worden maar hij twijfelt of zijn belevenissen en gedachten interessant genoeg zijn;

Maar ik heb door aan dit dagboek te werken gebroken met alle morele wetten die elke schrijver als ontembare windvlagen najaagt. Alle schrijvers liegen als het om de waarheid gaat en ik heb besloten niet meer te liegen. Dit is een proces waar ik heimelijk van geniet.

Meer non-fictie wordt het niet en hij twijfelde voor niets; zijn gedachten en belevenissen vond ik zeer de moeite waard.

Ik had nog nooit van Henrietta Lacks gehoord en daar zal ik vast de enige niet in zijn. Of u moet in de geneeskundige wereld werken en iets met celonderzoek doen, en dan nog zal de afkorting van haar naam, HeLa, u wellicht meer zeggen dan haar volledige naam.

Het onsterfelijke leven van Henrietta Lacks van auteur Rebecca Skloot gaat daar allemaal verandering in brengen. Het is de biografie van een vrouw die, zonder het te weten, een bijdrage heeft geleverd aan de meest uiteenlopende medicaties. Ik leg het u uit.

Henrietta Lacks (1920-1951) groeit op in Clover, Virginia waar alles draait om de tabaksindustrie. Ze trouwt met haar neef David “Day” Lacks en ze krijgen een zoon, Lawrence en een dochter Elsie. Elsie zou in haar ontwikkeling achterblijven en zij groeit op in een tehuis. Later krijgen ze nog drie kinderen, David “Sonny” jr., Deborah en Joseph “Joe”.

Als Henrietta merkt dat ze ziek is gaat ze naar het Johns Hopkins waar baarmoederhalskanker wordt vastgesteld. Ze wordt behandeld met radium maar de behandeling slaat niet aan. Omdat er ook onderzoek wordt gedaan naar kanker worden er zonder haar medeweten of toestemming kankercellen bij haar weggehaald om ze op kweek te zetten. Geen uitzonderlijke procedure overigens, alleen de uitkomst is nu rigoureus anders dan bij kweken van eerdere patiënten.

Het blijkt moeilijk om cellen buiten het lichaam te laten leven en ze te laten groeien. Het is zoeken naar de juiste voeding en dat blijkt een moeizaam proces. Tot de cellen van Henrietta op kweek worden gezet. Laborante Mary wist niet wat ze zag;

…bij Henrietta’s cellen was het niet alleen maar een kwestie van overleven: ze groeiden in een fabelachtig tempo. De volgende morgen hadden ze zich verdubbeld. Mary verdeelde de inhoud van iedere buis in tweeën, zodat de cellen meer ruimte hadden om te groeien. Binnen vierentwintig uur hadden ze zich weer verdubbeld. Al snel moest ze ze over vier buizen verdelen, en daarna over zes.

Dat was het begin van de onstuitbare opmars van de cellen van Henrietta. Zijzelf zou het niet overleven maar haar cellen wel. De HeLa-fabriek was gestart. Wetenschappers zaten namelijk te springen om cellen die snel konden groeien. De meeste cellen in kweek groeiden in één enkele laag tegen elkaar op een glazen oppervlak en het kostte veel tijd om hun aantal te verhogen. De HeLa-cellen bleken niet kieskeurig, die hebben geen glazen oppervlak nodig en konden snel gekweekt worden. Ze werden overal naar toe verzonden en het werd al snel een wereldwijde industrie.

De cellen van Henrietta hebben een rol gespeeld op het gebied van de virologie, bij het klonen en bij de ontcijfering van het DNA. Er zijn miljarden mee verdiend en dat roept interessante vragen op waar de auteur verder op ingaat.

Er is namelijk nooit toestemming gegeven om cellen weg te nemen. De familie van Henrietta is nog te arm om een ziektekostenverzekerin te bekostigen, terwijl de HeLa-cellen zoveel geld opbrengen. Daarom is de auteur de familie op gaan zoeken. Daar heeft ze erg veel moeite voor moeten doen, de familie is vaker benaderd en wilde er eigenlijk niets van weten. Uiteindelijk komt de auteur in contact met de jongste dochter Deborah en later ook met de andere kinderen. Die vinden het moeilijk te bevatten wat er met hun moeder’s cellen is gebeurd;

‘Miss Rebecca vertelt me over onze moeder d’r cellen,’ zei Lawrence. ‘Ze vertelde me fascinerende dingen. Wist je dat onze moeder d’r cellen gebruikt worden om Stevie Wonder te laten zien?’

Zo ligt het niet helemaal maar langzaam maar zeker wordt duidelijk wat het belang is. De kinderen zijn niet per se op geld uit, maar wel op erkenning dat de procedures niet altijd even netjes gevolgd zijn en de informatievoorziening nog veel meer te wensen over liet. De auteur trekt mooie paralellen naar vergelijkbare gevallen in de geschiedenis en het wordt pijnlijk duidelijk wat er allemaal met, voornamelijk donkere, patiënten is gebeurd. Cellen wegnemen is één ding, er zijn ook patiënten zonder toestemming geïnjecteerd met kankercellen om de effecten daarvan te bestuderen.

Uiteindelijk blijkt de toestemmingsvraag vooor het afstaan van weefsel niet wettelijk noodzakelijk en dat wordt helder toegelicht in het boek. Als je voor onderzoek naar het ziekenhuis gaat en je staat weefsel af voor onderzoek dan mag dit gebruikt worden. Toch blijft het een lastig verhaal. Als je de HeLa-cellen onderzoekt, zit daar iets van het DNA van Henrietta in. Dat DNA is ook aanwezig in haar kinderen en men kan aanvoeren dat daardoor wetenschappers die de HeLa-cellen onderzoeken, ook onderzoek doen op de kinderen Lacks. Om die reden zouden de kinderen de HeLa-cellen in theorie kunnen terugtrekken, iets dat praktisch gezien niet te doen is omdat die cellen in ieder laboratorium ter wereld te vinden zijn inmiddels. De kinderen zijn er ook niet op uit;

‘Ik wil geen problemen voor de wetenschap veroorzaken,’ vertelde Sonny me toen dit boek ter perse ging…En trouwens, ik ben trots op mijn moeder en op wat ze heeft gedaan voor de wetenschap. Ik hoop gewoon dat het Hopkins en een paar van de andere lui die voordeel hebben gehad uit haar cellen, iets zullen doen om haar te eren en het goed te maken met de familie.’

Het is een fascinerend verhaal met meerdere kanten. Het biografische verhaal van Henrietta en haar familie, de zoektocht van de auteur naar die familie en naar betrokkenen, de ethische kant over het gebruik van weefsels zonder toestemming en een geschiedenisverhaal over de ontwikkeling van de geneeskunst en de rol van de HeLa-cellen hierin.

De erkenning is er nu gelukkig wel. Er is een film op basis van dit boek gemaakt. De opbrengsten daarvan en van haar boek gebruikt de auteur voor een stichting die zorgt voor studiebeurzen en ziektekostenverzekeringen voor de nakomelingen van Henrietta Lacks. Publicaties waarin de HeLa-cellen een rol spelen worden mede beoordeeld door een afvaardiging van de familie én de familie dient te worden erkend in die publicatie. Tenslotte is deze zaak van invloed geweest op de uitvaardiging van de Common Rule. Dat is ethische regelgeving die een ‘verklaring van vrijwillige toestemming’ verplicht als dokters van plan zijn gegevens van een patiënt te gebruiken in hun onderzoek.

Vertaling; Ariëtte van Bennekum

09b60ccc18fe35959754f737451444341587343_v5

Colette, een zinnelijk leven van Judith Thurman is de lijvige biografie van 528 pagina’s van de beroemde Franse schrijfster Colette (1873-1954). Naast schrijfster was ze ook journaliste en actrice en had ze nog even een schooheidsinstituut ook. Ze trouwde drie keer, had een verhouding met de markiezin Mathilde de Morny (‘Missy’) en een verhouding met haar stiefzoon Bertrand de Jouvenel. Het leken mij genoeg ingrediënten voor een mooi verhaal.

Dat klopt. Het is een prima leesbare biografie, zonder dat ik nu meteen getriggerd wordt om heel haar oeuvre te lezen. Haar romans Chéri en Het einde van Chérie heb ik in het verleden met plezier gelezen, maar haar levensloop biedt zelf al genoeg materiaal voor genoeg leesplezier.

Colette wordt geboren in een klein dorpje in een gezin van vier kinderen en haar jeugd wordt beheerst door haar moeder, die haar leven lang een belangrijke figuur voor haar zal blijven. Colette trouwt in 1893 met de oudere schrijver Henry Gauthier-Villars (zeg maar ‘Willy’) en ze gaan in Parijs wonen. Colette begint daar te schrijven aan haar Claudine-romans. Dat zijn verhalen met een autobiografisch karakter, vol met onverbloemde erotische verhalen. Willy had al enige naam en de romans worden onder zijn naam gepubliceerd en zijn erg succesvol. Omdat Willy een enorme schuinsmarcheerder is en Colette de romans onder eigen naam wil publiceren eindigt hun relatie in een scheiding.

Colette zoekt haar heil bij de markiezin De Morny ofwel Missy. Ze gaat toneelspelen en hoewel dit allemaal normaal is in onze ogen, lag dit begin 20e eeuw toch wat anders;

Colettes toneelcarrière was een ingewikkelde daad van verzet, van seksuele afvalligheid en van een zekere hoogmoed, waarin de moed en het idealisme van een revolutionair waren vermengd met de woede, de uitbundigheid, de eigenwaan en de onvolwassenheid van een puber. Ze was uit haar huwelijk gestapt, ze leefde met een vrouw en ze was trots op haar lef.

Er volgden spraakmakende optredens in onder meer de Moulin Rouge. Colette publiceert de Claudine-romans nu onder eigen naam en ze is nu een rondtrekkend artieste. Ook vindt ze tijd voor journalistiek werk, schrijft ze film- en toneelkritieken en is ze literair redacteur. Aan de verhouding met Missy komt een eind en ze begint een relatie met Henri de Jouvenel. Hij wordt de vader van haar dochter, Colette-Renée (koosnaam Bel-Gazou). Dat moederschap is niet aan Colette besteed, ze is een volledig passieve moeder. Dat heeft zijn weerslag op haar dochter;

Haar brieven tonen een nog treuriger tegenstelling tussen een bovenmatig levendige en krachtige Colette die afwisselend bezitterig en afstandelijk is, en een Bel-Gazou die zich afwisselend wegcijfert en opstandig toont en die tot nadenken aanzet – de enige manier waarop ze haar moeder kan laten merken dat ze bestaat, is door haar grootste teleurstelling te worden.

Haar journalistieke werk brengt Colette naar het front van de Eerste Wereldoorlog. Opmerkelijk is de luchtige toon van haar verslaggeving; doden komen er niet in voor. Er is wel sprake van angst, maar niet van wanhoop. Ze spreekt over de honger maar niet over de hongerdood. Eigenlijk komt ze nooit in opstand tegen de dwaasheid en gruwel van die oorlog. Ondertussen gaat ze een relatie met haar stiefzoon Bertrand aan en begint ze met haar roman Chérie die bij publicatie terstond een jubelkritiek van de grote schrijver André Gide oplevert.

Zoals vaak leveren dit soort boeken een mooi tijdsbeeld op. De courtisane Liane de Pougy doet er verslag van in haar blauwe dagboeken, het is de wereld van Colette en consorten. Colette is alweer aan haar volgende man toe, Maurice Goudeket. Een stuk jonger dan Colette, maar hij zou tot haar dood bij haar blijven. Goudeket, die in deze bespreking van boekverkoper en schrijver Ad ten Bosch verrassend genoeg ook voorbij kwam. In deze tijd begint Colette haar schoonheidsinstituut, maar dat loopt niet helemaal lekker, terwijl ze toch zo van eigen kunnen overtuigd was;

‘Ik weet zo goed wat men op een doodsbang vrouwengezicht, zo hoopvol in zijn aftakeling, moet smeren. Ik heb zo vaak gestaard naar dat grote landschap, het menselijke gezicht, dat ik niet aarzel erdoorheen te dwalen.’

In de Tweede Wereldoorlog werkt ze gewoon door. Ze is niet echt pro-Duits, maar heeft wel veel contacten in die richting. Dat, terwijl haar man met zijn Joodse afkomst wel degelijk moet vluchten. Het deert de roem van Colette niet. Zij wordt de eerste vrouwelijke voorzitter van de Académie Goncourt, het literaire bolwerk waarvan vrouwen uitgesloten waren volgens wens van de oprichter Edmond de Goncourt. Uiteindelijk zal Colete worden herinnerd als één van de grootste schrijfsters van Frankrijk en wordt ze geëerd met een staatsbegrafenis. Laat ik afsluiten met wat die andere grote schrijfster, Simone de Beauvoir, over Colette zei tegen haar Amerikaanse minnaar Nelson Algren;

Ik neem aan dat je Colette hebt gehoord: ze is de enige echt grote schrijfster in Frankrijk, een echt groot auteur. Ze was ooit een beeldschone vrouw. Ze danste in het variététheater, sliep met vele mannen, schreef pornografische romans en daarna hoogstaande romans…Nu is ze vijfenzeventig jaar en ze heeft nog steeds ongelooflijk fascinerende ogen en een mooi, driehoekig kattengezicht; ze is heel dik, zwak en een beetje doof, maar ze kan verhalen vertellen en glimlachen en schateren op zo’n manier dat niemand het in zijn hoofd zou halen om naar een jongere, mooiere vrouw te kijken.

Vertaling; Annelies Eulen

32339a56d6a0b3059716b5a7651444341587343_v5
De muziek van saxofonist, violist, trompettist en componist Ornette Coleman staat niet bekend als de makkelijkste muziek maar vind ik wel zeer de moeite waard. Ik koester zijn elpee The Shape Of Jazz To Come en ik weet wel iets over de man maar wilde toch graag deze biografie lezen met de ondertitel The Territory And The Adventure. De auteur is Maria Golia en zij was manager van één van de eerste progressievere muzieklocaties in de Verenigde Staten, de Caravan of Dreams in Fort Worth, Texas, de geboortestad van Coleman. We gaan het er nog over hebben.

Net zoals bij andere biografieën hoef ik niet zijn levensverhaal hier na te vertellen, daar leest u het boek zelf maar voor. Ik wil wat dieper ingaan op wat Coleman voor de muziek en de jazz in het bijzonder betekend heeft. Van saxofonist Charlie Parker heb ik dat al eens getracht te duiden, maar de auteur brengt het als volgt;

If jazz were een aircraft, the New Orleans trumpeter Louis Armstrong winged it over the Atlantic, saxophonist Charlie Parker shattered the sound barrier, and Ornette Coleman achieved escape velocity, forging a breakaway art appropriate to the Space Age, often referred to as “free jazz”.

Dat is nogal wat en het begon in Fort Worth, toen Coleman erachter kwam dat hij de saxofoon en de muziek iets anders hanteerde dan anderen. Hij speelde de bekende jazz-standard Stardust met een band in een club en als hij aan zijn solo wil beginnen voelt hij ineens dat het anders moet;

I was dragged because I could hear all these other notes I could play to the [chord] changes of Stardust. The people were out there just slow dragging…so I just started playing all the things I could think of to the changes without touching the melody. And then a guy hollered out, “Get on the melody, get on the melody!” And then I realized…I was already playing the melody [from the outside] and this guy didn’t know it.

Het is een manier van spelen die hem onderscheidt van de anderen maar die niet altijd serieus werd genomen, ook niet door beroemde collega’s uit het vak. Saxofonist Dexter Gordon, drummer Max Roach en trompettist Clifford Brown namen hem in de maling, helemaal toen hij met een plastic saxofoon aan kwam zetten die hij bespeelde. Verder ging hij zich kleden in opvallende pakken én werd hij vegetariër en dat pastte niet in het toenmalige beeld van een jazzmuzikant.

Toch deed hij geen concessies en er waren ook mensen die wèl in hem geloofden, zoals saxofonist Sonny Rollins. Hij kreeg zelfs een platencontract en bleef in clubs optreden hoewel dat niet altijd een succes was, zoals bij de Hillcrest Club;

Ornette’s first decent gig in Los Angeles lasted less than a month before the Hillcrest’s owner “realized he could no longer afford having an atomb bomb go off in his club every night.”

Toch wint de aanhouder en naast spelen gaat hij ook componeren en wel een strijkkwartet. Hij trekt zich ook even terug van het podium om viool en trompet te leren spelen. Ook gaat hij naar Europa waar hij een zeer succesvolle tournee beleeft. Hij zou er onder meer optreden met Yoko Ono en hij legt zich steeds meer toe op andere vormen van kunst. Overal ziet en hoort hij muziek in. Hij vindt medestanders en dat leidt uiteindelijk tot de oprichting van een progressief muziekcentrum in Fort Worth, zijn geboorteplaats. De oprichters haalden hun inspiratie uit het transcendentalisme, surrealisme, de ‘beat dichters’, het Tibetaans boeddhisme, de werken van Brecht, Artaud, Burroughs en nog heel veel andere bronnen. Coleman speelt op de opening van het centrum, waar een levensgrote muurschildering de grote jazzmuzikanten van die tijd weergeeft en waar een grote geodetische koepel op het dak staat.

Coleman pakt ook in zijn muziek meer uit en schrijft een stuk voor symfonie-orkest én zijn nieuw opgerichte band Prime Time. Het stuk heet Skies of America en de dirigent moest ook even wennen;

I got the score and no one knew what to do with it. The notation was not accurate, rhythmically. I was familiar with some of [Ornette’s] recordings and having known Ornette I had an idea of what he was doing…the concert ended up being very successful, which was kind of magic.

Het is een voorbeeld van iemand die volstrekt zijn eigen weg gaat en soms niet wordt begrepen, maar soms de mensen mee krijgt en dan toch veel succes heeft. Ook zijn buitenlandse reizen beïnvloeden hem en met name zijn reis naar Marokko. Alles verwerkt hij in zijn muziek. Hij verwacht ook het nodige van zijn bandleden. Hij wil niet dat ze spelen wat hij speelt, hij wil verrast worden. Hij zei ooit tegen gitarist Kenny Wessel;

“You’re playing roadmaps,…I don’t want you to play what you know, I want you to play what you don’t know.”

Gelooft u mij, daar komt de meest spannende muziek van. Gelukkig heeft Coleman ruimschoots de erkenning gekregen voor zijn kunst. Hij stierf in 2015 en mocht 85 jaar worden. De Caravan of Dreams? Het is inmiddels een steakhouse; tijden veranderen, zong een andere artiest al eens.

9b46b4abd36c4e65968506f6777444341587343_v5
Lady Sings The Blues is het levensverhaal van jazz-zangeres Billie Holiday (1915-1959), geholpen door goede vriend en co-auteur William Dufty. Dit lijkt op een autobiografie en in grote lijnen is het dat ook, maar er zijn een paar kanttekeningen te maken.

Het is geen dik boek, zo’n 230 pagina’s, en er zijn door de auteur best wat zaken weggelaten. Uiteraard vertel je in je autobiografie alleen dat wat je kwijt wil. Het verhaal is grotendeels anecdotisch en er staan best wat onjuistheden in. Niet zoveel als in de autobiografie van Charles Mingus, maar ze zijn er wel en dat wordt toegelicht in het voorwoord. Toch is het de moeite waard om te lezen. In grote lijnen klopt het verhaal en tussen de regels door krijg je mee dat Holiday geen makkelijk leven heeft geleid.

Dat begon al in haar jeugd. Haar ouders waren zelf nog kinderen toen Billie werd geboren. Omdat haar ouders veel werkten groeide ze op bij haar nicht die haar niet moest. Ze deed boodschappen voor de prostituees in het lokale bordeel, waar ze met de muziek van Louis Armstrong en Bessie Smith in aanraking kwam. Zelf kreeg ze te maken met seksueel geweld en werd ze op jonge leeftijd verkracht.

Toen ze in New York bij haar moeder ging wonen werkte ze zelf als prostituee. Daar vertelt ze in het boek vrij nuchter over. Ze prefereerde het boven het schrobben van de stoepjes van de rijke New Yorkers. In New York begint ze ook met zingen en haar stem valt op. Zozeer zelfs dat ze een plaat mag maken met de beroemde klarinettist Benny Goodman. Ze heeft succes in clubs als The Apollo, maar haar leven kent ook een schaduwkant. Al op jonge leeftijd rookte Holiday marihuana en ze raakt verslaafd aan zwaardere middelen als opium en heroïne. Ook was ze een zware drinker.

Ze treedt op met Count Basie en leert saxofonist Lester Young kennen. Ook gaat ze op tournee met bandleider Artie Shaw en dat was nogal een ding in die tijd. Racisme was overal aanwezig en de band van Shaw bestond uit blanke muzikanten. Gedoe verzekerd, zoals bleek toen een hoteleigenaar Billie Holiday zag die daar zou optreden;

Naturally, the first thing he saw was me. And the first thing he said, was, “What’s that nigger doing there! I don’t have niggers to clean up around here.” Artie tried to tell him I was his vocalist, but he wasn’t listening. He wasn’t saying anything but “nigger.”

Dit soort fragmenten komen door het hele verhaal voor en zijn tekenend voor waar ze mee te maken had. Haar verslaving hielp haar ook niet. Ze werd regelmatig opgepakt en heeft ervoor in de gevangenis gezeten. Het wordt allemaal onverbloemd verteld. Die vertelstijl is wel verfrissend en er zit genoeg humor in. Zo vertelt ze over haar ‘werk’;

“If I had to sing ‘Doggie in the Window,’ that would actually be work. But singing songs like “The Man I Love” or “Porgy” is no more work than sitting down and eating roast duck, and I love roast duck.”

Of, over de arbeidsomstandigheden voor muzikanten in New York;

“You can be up to your boobies in white satin, with gardenias in your hair and no sugar cane for miles, but you can still be working on a plantation.”

Toch heeft het ook een bittere ondertoon want Holiday heeft het zwaar gehad. Ze had relaties, maar geen gelukkige. Ze liet zich vaak bedonderen, verdiende geld maar raakte het net zo makkelijk weer kwijt, vaak aan louche figuren die het beste met haar voor leken te hebben. In het boek haalt ze de dood van haar moeder aan op 38-jarige leeftijd, en geeft meteen aan zelf hoogstens de veertig jaar te halen.

Ze is gebonden aan contracten en moet blijven optreden. Ze gaat ook naar Europa en heeft daar veel succes. Wat opvalt is, en dat lees ik ook in andere biografieën van jazzmuzikanten die naar Europa gaan, dat het Europese publiek enthousiaster en met meer respect reageert dan het publiek in de Verenigde Staten.

Het is een verhaal dat veel over haar jeugd vertelt, over het racisme en haar optredens, maar weinig weggeeft over haar kunst zelf. De talloze liedjes die ze vertolkte en over de muzikanten waarmee ze samenwerkte komen te weinig voorbij. Daar moet ik wellicht nog eens een goede biografie voor lezen. Ze stierf dus jong als gevolg van haar drank- en drugsgebruik. Een waarschuwing staat er nog wel in;

But maybe some of the kids who wouldn’t be caught taking advice from a judge will listen to me. I sure hope so. Dope never helped anybody sing better, or play music better, or do anything better. Take it from Lady Day. She took enough of it to know. If anybody ever tries to tell you that, you ask him if they think they know something about dope that Lady Day don’t know.

Achterin het boek staat een handzame discografie voor wie zich in haar muziek wil verdiepen. Dat begint met de elpee die ik zelf in huis heb, Lady In Satin. Opgenomen in 1958, het jaar voor haar dood. Niet de grootse stem die ze ooit had, maar met de strijkers erachter die ze zo lang wilde hebben en met een doorleefdheid die je zelden hoort. Sommigen vinden het luisteren naar iemand die de dood al ziet aankomen en misschien is dat zo, maar het is prachtige muziek en je kunt er niet omheen. Toch is haar vroegere werk ook een must en ik heb er veel van beluisterd. Speciale vermelding verdient haar ‘signature song’ Strange Fruit, haar aanklacht tegen racisme dat ze talloze malen zong. Verdiept u zich eens in die muziek, het loont de moeite.

0807071250.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Lester Leaps In van Douglas Henry Daniels gaat over The Life And Times Of Lester “Pres” Young. Als u geen jazzkenner bent is dat een hoop informatie die u geen steek verder brengt, maar ik licht het even toe. Lester Young (1909-1959) was een invloedrijke tenorsaxofonist die de bjnaam “Pres” verkreeg als in ‘president van de tenorsaxofonisten’. Lester Leaps in is een compositie van bandleider Count Basie ter ere van hem. Maar misschien moeten we Lester Young introduceren door de tekst op de achterkant van dit boek;

Lester Young was jazz’s first hipster. He performed in sunglasses and coined and popularized phrases like “that’s cool” and “you dig?”. He always wore a suit and his trademark porkpie hat. He influenced everyone from Charlie Parker to Stan Getz to Allen Ginsberg and Miles Davis, creating a lyrical style of playing that forever changed the sound of music.

Daarin klinkt het belang van deze muzikant door en daarom wilde ik dit boek van 387 pagina’s over hem lezen. De auteur is professor in “Black Studies and History” aan de Universiteit van Californië. Hij schrijft niet alleen een biografie maar zet deze ook in de tijd waarin Lester Young leeft. Young komt uit het zuiden van de Verenigde Staten waarin racisme nog volop aanwezig is en waar Young in zijn leven volop tegen ageert.

Maar dan de muziek. De kennis en kunde doet hij op van zijn vader, een rondtrekkende muzikant bij wie hij in de leer gaat. Hij gaat mee op tournee en leert verschillende instrumenten bespelen. De saxofoon wordt zijn favoriete instrument. Uiteindelijk verlaat hij het zuiden en verhuist naar het noorden. Daar gaat hij spelen in de beroemde band van Count Basie. Zijn bijnaam “Pres” heeft hij dan al, hoewel de jazz-zangeres Billie Holiday later claimt dat zij die naam aan hem gaf.

Dit is ook de tijd dat hij zich een kledingstijl gaat aanmeten, een pak en zijn kenmerkende hoed. Hij bedient zich van ‘slang’, een soort eigen jargon en begint met marihuana. Belangrijker is dat hij in zijn spel ook een geheel eigen stijl ontwikkelt. Die verschilt van de andere tenorheld van die tijd, Coleman Hawkins. Het is niet makkelijk dat verschil te duiden. Hawkins heeft ongeveer de tenorsaxofoon als solo-instrument in de jazz uitgevonden en Young heeft dat voortgezet, maar op zijn eigen manier. Tenorsaxofonist Paul Quinichette zei daarover;

“most of these guys…all sounded like Coleman Hawkins, playing out of their bellies…[They] got this heavy, muddy sound…[whereas Young’s sound was] up in the air…light, and airy, and flexible.

Dizzy Gillespie noemde het geluid van Lester Young weer etherisch. U begrijpt, u moet het zelf gaan beluisteren. Dat kan door bijvoorbeeld door zijn opnames te beluisteren uit de Aladdin Studio, die ‘Alladin Recordings’ staan integraal op Youtube en Spotify en worden door de Penguin Jazz Guide als referentieopname genoemd van Young uit de jaren veertig.

Wat niet onvermeld mag blijven is de militaire dienst van Young. Hij kon, zoals veel van zijn collega’s wel, niet onder die diensttijd uitkomen en hij heeft het daar heel moeilijk gehad. Door racisme, maar ook omdat hij gepakt werd met verdovende middelen (alcohol en marihuana) en hij kreeg een jaar celstraf. Hij werd er vernederd en mishandeld en werd oneervol ontslagen uit dienst. Hij schreef er ‘D.B. Blues’ over, waar D.B. staat voor ‘Detention Barracks’.

Eenmaal uit dienst kon hij weer optreden. Hij heeft veel opgetreden met zangeres Billie Holiday en ze werden erg goede vrienden. Dat is ook een tijd minder geweest en dat is het enige dat mist in dit boek. Het is niet duidelijk waarom ze langere tijd niet meer samen hebben opgetreden. Er bestaat wel een onvergetelijk fragment waarin ze weer voor het eerst samen optreden met nog een stel andere grootheden, maar waarin Young met zijn saxofoon-solo direct tot Billie Holiday lijkt te spreken en zij precies lijkt te begrijpen wat hij bedoelt. Zoekt u eens op Youtube naar “Fine and mellow Billie Holiday with Coleman Hawkins Lester Young” en kijkt u even vanaf 2;01 tot 2;38. Het is een van de grote momenten uit de jazz.

Lester Young wordt niet oud, hij heeft door drankgebruik zijn gezondheid ondermijnd. Zijn nalatenschap is wel groot. Ik heb erg veel van zijn muziek beluisterd en ik snap door dit boek beter wat zijn belang was voor de jazzmuziek. Je moet even langs zijn excentrieke gedrag kijken, zijn muziek vertelt het verhaal. Overigens had dat gedrag wel een reden. Zo verklaarde trompettist Harrry Edison in 1994 nog

You have to remember that Lester came from the south. All that strange jive talk and the eccentric behavior, those were mechanisms for survival. No one’s going to beat on you if you’re simple-minded, so act simple-minded. Some white man is always listening to you in case you’re hatching something, so talk in a way no white man can understand. That’s the key to Lester.

0816665478.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
To Be, or Not…to Bop is de illustere titel van de autobiografie van jazztrompettist Dizzy Gillespie. Hij vertelt zelf zijn levensverhaal en dat is met wat hulp opgetekend van zijn vriend en professor Afro-Amerikaanse Studies Al Fraser.

Het boek telt ruim 500 pagina’s en het leest makkelijk weg. Dat komt door de vertelkunst van Gillespie zelf, maar ook door de talloze verhalen van personen en artiesten om hem heen. Die verlenen een grote meerwaarde aan het boek, want gebeurtenissen worden vanuit verschillend perspectief verteld en Gillespie wordt ook tegengesproken als dat zo uitkomt.

John Birks wordt in 1917 geboren in een klein plaatsje Cheraw in South Carolina. Hij blijkt uitzonderlijk muzikaal getalenteerd en weet alles op een trompet na te spelen. Dat zorgt ervoor dat hij op highschool in een schoolband belandt en daarna in Philadelphia bij ‘echte’ orkesten auditie doet. Daar doet hij zijn bijnaam ‘Dizzy’ op; ‘That little dizzy cat’s from down South’

Uiteindelijk belandt hij in de band van Cab Calloway (u weet wel, Minnie the Moocher ofwel Hi-de-hi-de-hi-de-ho). Hoe hij daar weer vertrekt is een mooier verhaal; hij krijgt knallende ruzie met Calloway en steekt hem uiteindelijk in zijn dijbeen. De verhalen worden verteld door Dizzy zelf, door Cab Calloway én door bassist Milton Hinton, de enige die het over een steekpartij heeft.

Dizzy ontmoet altsaxofonist Charlie Parker en er is meteen een verwantschap. Dizzy heeft een eigen stijl ontwikkeld en herkent dat in die van Parker. Ze spelen allebei snel en het zijn alleskunners, waarbij Parker het op gevoel doet en uit creativiteit. Dizzy heeft dat ook maar kan het ook nog eens muzikaal onderbouwen, hij is de technische virtuoos. Samen leggen ze de basis voor de bebop en luiden ze het swing-tijdperk uit.

Zijn talent beperkt zich niet tot de trompet alleen. Hij kan zijn ideeën toelichten op de piano en als een drummer niet begrijpt wat hij bedoelt, neemt hij zelf achter het drumstel plaats en doet hij het voor. Drummer Stan Levey zegt;

“As a drummer, the thing I learned from him…is that the drums are also a ‘musical’ instrument…He was the only guy that took the drums outta the straight ‘clunk…clunck…clunck…,’ or whatever the hell we were doing in those days, into a more musical situation where you really had something to say in relation to him and Charlie Parker…”

Dizzy speelt in verschillende bands, formeert ook zijn eigen groep en maakt reizen naar Europa. Charlie Parker maakt aanvankelijk deel uit van zijn band maar als deze herhaaldelijk niet op komt dagen vanwege zijn drugsgebruik wordt hij toch door Dizzy ontslagen. Uiteindelijk wordt Dizzy zelfs verzocht om als muzikale ambassadeur voor de Verenigde Staten naar Afrika, het Midden-Oosten en Azië te reizen. Dat levert een aantal smakelijke verhalen op over avonturen in Pakistan en Turkije, iets met slangen en riksja’s; gaat u het vooral lezen.

Al die verhalen vormen de grote aantrekkingskracht van het boek. Zo vertelt trombonist Jesse Tarrant over de keer dat er geen muziek was bij een optreden in San Fransisco, alles moest uit het hoofd;

So Diz was standing there kidding us, ‘Well, this is gonna separate the men from the boys.’ He was so happy about it, and everybody else was all sweating and nervous. He seemed to relax us. That night was the best the band had ever sounded. He said, ‘I think I’ll keep the music away from you!’…It was funny to him. I was gonna crack up, cause I knew I was gonna catch hell trying to remember the music, but it all fit right in.

Nu kent u Dizzy Gillespie wellicht van zijn karakteristieke bolle wangen en zijn trompet die in een hoek de hoogte in steekt. Ook aan die kenmerken zijn hoofdstukken gewijd. Vooral die trompet is een mooi verhaal. Comedian James “Stump” Cross leunde ooit met een borrel teveel op een beetje raar tegen de trompet van Dizzy waardoor het uiteinde niet brak maar verboog. Dizzy merkte dat hij er toch nog op kon spelen en de toon beviel hem zelfs zo zeer, dat hij trompetten liet maken met die vorm.

Dan is er het verhaal dat de politie een inval deed tijdens een concert waar Dizzy optrad met Charlie Parker, Lester Young, Willie Smith, Illinois Jacquet en Ella Fitzgerald. Dizzy, Young en Jacquet waren aan het dobbelen toen ze even niet op moesten treden, Ella at een taartje en toen viel de politie binnen en iedereen moest mee naar het bureau vanwege illegaal gokken. Omdat ze weer moesten optreden ging het allemaal erg snel. Dizzy;

They asked everybody their names, and I told them my name was “Louis Armstrong”. I acted pretty smart.

Armstrong was trouwens geen grote fan van de nieuwe bebop-beweging maar was wel een goede vriend van Dizzy. Op zijn beurt had Dizzy weer geen problemen met de nieuwe stijl ‘cool jazz’, waar Miles Davis de frontman van was. Dizzy zag dat als een natuurlijke vooruitgang en als een stroming die voortkomt uit de bebop, net zoals de bebop voortkomt uit de swing van Louis Armstrong. Het is mooi dat met het lezen van al die biografieën en die andere boeken over jazz de contouren van dat muzikale landschap steeds duidelijker worden.

Dizzy heeft daar een grote rol in gespeeld. Hij is niet ten onder gegaan aan drank en drugs zoals zoveel van zijn collega’s en zijn gelukkige huwelijk met de oud-danseres Lorraine heeft daar een grote rol in gespeeld. Toch hoeft hij volgens eigen zeggen niet direct als een groot trompettist herinnerd te worden;

That’s the way I would like to be remembered, as a humanitarian, because it must be something besides music that has kept me here when all of my colleagues are dead…So maybe my role in music is just a stepping-stone to a higher role. The highest role is the role in the service of humanity, and if I can make that, then I’ll be happy. When I breathe the last time, it’ll be a happy breath.