archiveren

(Auto)biografie

9023454588.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Toen was hij er ineens; de vuistdikke biografie van Jan Wolkers, Het litteken van de dood, door Onno Blom. Ik wist dat hij er aan zat te komen, dat Blom er 10 jaar aan had gewerkt en ik keek er wel naar uit. Waarom? Ik heb maar één boek van Wolkers gelezen en twee films gezien die op zijn boeken zijn gebaseerd. Maar ik was bekend met zijn kunstwerken en ik heb het altijd een markant figuur gevonden, hij was vaak in de media te vinden. Daarom wilde ik die kleine 1000 pagina’s graag lezen.

Toch had het boek bijna niet nu verschenen, er was nogal wat om te doen. Blom zou op de biografie promoveren, maar het manuscript werd in eerste instantie afgewezen door de promotiecommissie. Blom zou te dicht bij zijn hoofdpersoon zijn gebleven en te weinig de tijdsgeest hebben beschreven waarin Wolkers acteerde. Dat is een opvatting, maar de manier van schrijven van Blom is dat ook, dus werd de commissie ontbonden en werd er een nieuwe aangesteld, die wel akkoord ging (overigens geheel volgens de regels). Voilà, het boek kon toch uitgebracht worden, tien jaar na het overlijden van Wolkers.

Blom had de opdracht van Wolkers zelfs gekregen en had de beschikking over zijn uitgebreide archief. Wolkers bewaarde werkelijk alles. Uit het boek wordt duidelijk dat iedere ontmoeting, gebeurtenis of gesprek input vormde voor zijn kunst. Een beeld, boek, artikel, toneelstuk, gedicht, schilderij, hij was van veel markten thuis. Wolkers ging zelfs zover dat hij ongezien een bandrecorder liet meelopen bij gesprekken met zijn ouders, geliefden en zelfs op begrafenissen, om zo puur mogelijke reacties te verkrijgen.

Hieruit volgt ook dat veel van zijn werk een sterk autobiografisch karakter heeft. Zijn leitmotieven zijn ook helder; een liefde voor de natuur, een afkeer van het geloof, fascinatie voor de dood en een ongebreidelde seksuele drift. Bij dat laatste nam hij in zijn boeken geen blad voor de mond, hij noemde alles bij naam, precies zoals we dat in het echt ook doen, zo was zijn redenatie. Hij gooide ‘en passant’ de seksuele moraal er wel even mee om in de tijd dat zijn boeken verschenen.

Zo’n dik boek geeft uiteraard een stortvloed aan informatie. De chronologie wordt keurig gehandhaafd. Er is uitgebreid aandacht voor zijn jeugd en opleiding. Dat geeft een goed beeld van hoe hij tot zijn werken komt. Zijn huwelijken en kinderen spelen ook een grote rol, zeker de dood van zijn dochtertje Eva. Wolkers is niet monogaam en heeft een voorliefde voor jonge vrouwen. Welke relatie hij ook heeft, zij zal andere vrouwen moeten gedogen. Zijn laatste liefde, Karina, kon hier het beste mee omgaan.

Zijn beelden en sculpturen waren alom geliefd en zijn boeken waren dat ook. Bij het publiek dan. Hij was tijdenlang de best verkopende auteur van het land, maar ieder boek kreeg steevast vernietigende kritieken van een vast clubje. Dat was het enige wat een beetje een opsomming werd in dit boek. Het volgende boek, goed verkocht, veel kritiek, verongelijkte Wolkers, volgend boek, goed verkocht enzovoort.

Maar, het leest verder geweldig weg, ik heb mij geen moment verveeld. Wolkers komt naar voren als een authentiek mens. Apart, maar bevlogen en op vele vlakken autodidact. Het moest wel allemaal volgens zijn spelregels. Zo was zijn ex-vrouw Annemarie Nauta verbolgen over het feit dat Olga uit Turks Fruit op haar gebaseerd was. Wolkers had hier zijn eigen verhaal bij;

‘Ik heb natuurlijk autobiografische elementen gebruikt, maar Turks Fruit is een roman, geen autobiografie. Ik heb veel vrouwen gekend en een aantal vrouwenfiguren in elkaar geschoven, gecombineerd tot Olga. Eén echte complete Olga heeft nooit bestaan’. 

Maar tegen regisseur Paul Verhoeven had hij een ander verhaal opgehangen:

‘We waren geschokt’ zegt Verhoeven. ‘Of een deel van de bodem onder ons vandaan was getrokken. Wij dachten allemaal écht dat Olga dood was. En nu bleek ze te leven…En Wolkers had ons toch maar mooi al die tijd de leugen laten verkondigen dat Olga dood was. Daar hebben we echt van moeten bijkomen.’

Het boek staat vol met dergelijke verhalen en je volgt zijn ontwikkeling van tomeloze kunstenaar tot de broze oude man die hij uiteindelijk werd. Broos, maar vol liefde voor zijn tweeling en zijn vrouw. Broos, maar blijvend scherp, zoals toen hij last had van wondroos; ‘Jan Peter Balkenende had dat ook’, zei Wolkers, ‘maar die had het verdiend.’

Wolkers, een grote robuuste vent met aparte trekjes maar een oorspronkelijk mens, die een dergelijke biografie wat mij betreft verdient. Ik mis hier geen tijdsgeestbeschrijvingen. Een gevoelsmens ook en laat ik daarmee afsluiten, als hij beseft dat hij verhuist, weg van het huis waar zijn dochter Eva is overleden;

Van alle plekken in huis waaraan hij herinneringen had, maakte er één hem nog altijd radeloos en misselijk van verdriet. Het was de plek op de muur waar de handjes van Eva hadden gestaan. ‘Godverdomme ja, tiny little finger-prints,’ schreef hij in Een roos van vlees. ‘Het was chocoladepasta. Ze had allebei haar handjes tegen de muur gedrukt. Misschien heb ik haar er wel een standje voor gegeven. Ik probeerde ze weg te wassen nadat ze was doodgegaan. Het ging niet.’

Advertenties

9910d0b249c597f5974776d7041444341587343
Een boek van 379 pagina’s over één boekhandel, is dat interessant? Ja. Er is ontzettend veel over te vertellen en nog meer te laten zien. Shakespeare and Company van samenstelster Krista Halverson kan worden gezien als de autobiografie van de beroemde boekhandel in Parijs, aan de Rue de la Bûcherie, uitkijkend op de Notre Dame.

Het begint allemaal in 1919, als Sylvia Beach haar boekwinkel Shakespeare and Company opent aan de Rue Dupuytren in Parijs. Door de oorlog gedwongen moest ze haar winkel sluiten. Na de oorlog kwam de Amerikaan George Whitman naar Parijs en opende zijn boekhandel Le Mistral aan de Rue de la Bûcherie. Zijn winkel was een voormalig klooster uit de 17e eeuw. Na verloop van tijd en met toestemming van Sylvia Beach wijzigde hij de naam naar Shakespeare and Company.

George had een aparte filosofie. Hij verzamelde enorm veel boeken om zich heen. Omdat hij op zijn reizen overal welkom was geweest, was iedereen welkom bij hem. Beneden werd een winkel ingericht, boven een bibliotheek. Boeken werden verkocht, uitgeleend of ter plekke gelezen. Er werden bedden geïnstalleerd en men was welkom om te blijven slapen. George noemde zijn gasten ‘Tumbleweeds’, naar de tuimelende prairieplanten die zich van hun wortels hebben losgemaakt. Hij stelde een paar eisen aan de overnachting; een paar uur meehelpen in de winkel, een autobiografie schrijven met foto en een boek per dag lezen.

En gasten kwamen er, maar ook schrijvers, dichters en muzikanten. Er werden bijeenkomsten georganiseerd waar werd voorgedragen, gemusiceerd en gefilosofeerd. Whitman was daarbij de spil. Hij kookte voor zijn gasten en kwam en ging zoals het hem goeddunkte. Hij kon gerust een gast vragen ‘even’ op de winkel te letten en een paar dagen later terugkeren. Geld interesseerde hem niet, alleen om zijn winkel uit te breiden.

Hij werd op late leeftijd vader van een dochter Sylvia (inderdaad vernoemd naar Sylvia Beach) die na zijn overlijden in 2011 de winkel zou voortzetten.

Tot zover in vogelvlucht het verhaal van de winkel, maar rechtvaardigt dat zo’n lijvig boek? Jazeker. Het boek biedt een schat aan informatie over al diegenen die de winkel hebben bezocht en wat er over de winkel is geschreven. Ook geeft het een inkijkje in het Parijs van die tijd. Tijdens de grote studentenprotesten was de winkel een toevluchtsoord bijvoorbeeld. In het boek staan veel foto’s van gasten, prominent of niet, autobiografieën van de Tumbleweeds, strips, schilderijen en tekeningen van de winkel, brieven van George (onder meer aan Gorbatsjov over het oprichten van een varende universiteit) en werk van dichters die de winkel bezochten, zoals Alan Ginsberg, Jim Morrison, Anaïs Nin enzovoort. Het is een rijk en gevarieerd boek.

Maar het meest staat toch de eigenaar bij, George Whitman. Een citaat uit het verhaal van een Tumbleweed, Overty Darren Peter, die hem aansprak in de winkel;

“Excuse me, are you the owner? Yes? Oh. Do you by chance need any staff?”
“Sure we do, boy! Can ya work twenty-five hours a day? Do ya like scrubbing floors? Can ya go without sleep for three weeks? Do ya love books? Do you know how not to run a bookstore? You do? Then what are you waiting for? Take over!

Een man met het hart op de juiste plaats maar die hangt aan zijn eigen gewoontes en systemen. Als zijn dochter Sylvia in de winkel komt helpen en langzaam wat verbeteringen en moderniseringen doorvoert, sluipt George ’s nachts naar beneden om ze weer ongedaan te maken, tot het laten verdwijnen van de computer aan toe. Zo staan er talloze verhalen en anekdotes in het boek. De altijd aanwezige kat heet altijd Kitty, naar de beste vriendin van Anne Frank (er staat overigens een prachtige brief van George aan Anne Frank in het boek), de hond heet naar de schrijfster Colette. George die zijn haren ‘knipt’ met de vlam van een kaars (foto in het boek), het bezoek van voormalig president Clinton waar George te verlegen voor is maar waarmee hij uiteindelijk in zijn pyjama mee op de foto gaat (ook deze staat in het boek). De nukken en grillen van George, terwijl hij uiteindelijk alleen maar wil dat mensen lezen en genieten, desnoods door ze maanden achtereen te laten blijven (favoriet citaat van George “I’m tired of people saying they don’t have time to read. I don’t have time for anything else!”)

Voor iedereen die er geweest is en zeker als je de winkel nog wil bezoeken is het boek een aanrader. Als ik er weer kom bekijk ik de winkel met heel andere ogen. Ik laat nog even de huidige eigenaresse aan het woord, Sylvia Whitman, over haar vader;

George believed that the books we read form an essential part of our identities, the books signify freedom, and that books connect us. In building his shop, he expressed these convictions in every corner. A bookstore – or, in this case, a “socialist utopia masquerading as a bookstore” – is a place of possibility, where ideas and curiosity permeate the millions of pages lining the walls.

Sylvia Whitman wilde de boeken van haar vader op alfabet zetten in de winkel. George geloofde daar niet in. De boeken stonden door elkaar, zodat interessante verbindingen en relaties ontstonden. Hij ligt begraven op Père-Lachaise, tussen Jim Morrison en Héloïse en Abelard in, nu zelf zo’n interessante verbinding vormend als de boeken in zijn winkel.

 

78107f4fbcee130597a76485241444341587343
Zolang te water van Simon Vinkenoog is zijn autobiografische roman uit 1954. Het is een kort verhaal van ruim 140 pagina’s, geschreven toen hij in Parijs woonde. Daar speelt het boek zich ook voornamelijk af, in het Parijs van de vroege jaren veertig en vijftig.

Het is geen lineaire vertelling, verre van zelfs en je moet er je aandacht behoorlijk bijhouden. De hoofdpersoon is de auteur zelf en het draait allemaal om zijn liefde voor Vera. Hierin herkennen velen zijn toenmalige vriendin Ferdi Jansen. Ze ontmoeten elkaar in Parijs en Simon geeft voor Vera zijn tweede huwelijk met Poes op. Uiteindelijk kan hij Vera ook niet voor zichzelf behouden.

Tussen dit verhaal spelen constant andere levensgebeurtenissen. Slapen naast de dochter van de kapper op zijn twaalfde, zijn ontmoeting met een antiquair bij wie hij twee nachten doorbracht, zijn bezoek na de oorlog aan de communistische jeugdbeweging, het meisje dat hij er leert kennen en met wie hij trouwt, de zoon die ze krijgen, hoe hij Julia ofwel Poes ontmoet met wie hij later in Parijs trouwt en uiteindelijk de ontmoeting met Vera.

Kortom, best veel informatie en in een van-de-hak-op-de-tak-stijl opgeschreven. Even het hoofd erbij houden maar dan is er moois te ontdekken in dit boek;

Tegen de zon kan men zich verdedigen: het beest dat naar gezondheid en rijke mensen ruikt, microben doodt en krenkend helder schijnt, heeft vele andere misdaden op zijn geweten. De regen daarentegen is een zacht en teder beest, dat het speeksel van onze lippen likt en liefkozend langs onze wangen speelt, daarenboven nog de mogelijkheid openlaat ons te beschermen wanneer wij genoeg hebben van zijn druppelende goedheid.

Ik vind het poëzie en ik kan het blijven teruglezen. Ook een zinsnede als “…zijn gezichtsvermogen, dat op kurken randjes van onbehagen drijft liet hem hoe langer hoe meer in de steek” vind ik heerlijk om te lezen.

Het was destijds een scandaleuze roman, met hetero- en homoseksuele passages. Nu kijkt niemand er meer van op, maar de recensies logen er destijds niet om. Uit een bespreking in het Dagblad van Rijn en Gouwe uit 1955;

Men moet een jong auteur welwillend tegemoettreden…Teneinde dus dit boek geen onrecht te doen hebben wij de rimram twee keer met aandacht gelezen, wat waarlijk geen genoegen was. En dan moeten wij mededelen dat wij: a. nergens één originele gedachte hebben gelezen; b. nergens één zin hebben gevonden welke een sfeer, een stemming, een beeld ook maar éven oproept; c. nergens één stukje compositie hebben ontdekt; d. nergens één mens hebben ontwaard.

Niet mis dus, hoewel Louis Paul Boon zich weer lovend over het werk uitliet. Zo zie je maar, oordeel vooral zelf. Mij beviel het, om het verhaal, maar ook om de mooie opdracht die ik voor in dit tweedehands boek vond;

“Zolang te water” voor een meisje dat al zo lang te bed ligt, en dat heel flink is. Je Niek 11-3-’61

0880014962.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de boeken die ik de laatste tijd heb gelezen over het Parijs tussen de twee wereldoorlogen in, was er één figuur die steevast opdook. Dat was Kiki de Montparnasse. Ik was geïntrigeerd genoeg om haar boek Kiki’s Memoirs aan te schaffen en ik heb er geen spijt van. Natuurlijk wil je de eerste uitgave graag hebben uit 1929, of de eerst vertaalde uit 1930 maar die zijn niet te betalen, dus ik ging voor de meer betaalbare Engelse heruitgave uit 1996.

Er zijn voorwoorden van de Japanse kunstenaar Tsuguharu Foujita, waarvoor zij model stond en door Ernest Hemingway, die nooit meer voor iemand anders een voorwoord zou schrijven. Dan de memoires van Kiki zelf. Ze baarden nogal wat opzien in hun tijd. Zo werden ze door hun expliciet seksuele inhoud tot in de jaren zeventig verboden in de Verenigde Staten. Nu kijken we er niet meer van op, maar Kiki was haar tijd in Parijs ook aardig ver vooruit.

Ze heette Alice Prin (1901-1953) en kwam uit een dorp in de Bourgogne. Ze werd door grootmoeder opgevoed omdat haar moeder in Parijs zat. Daar kwam ze uiteindelijk toch terecht en kreeg een behoorlijk vrije opvoeding. Hoewel ze een baantje kreeg in een schoenenfabriek poseerde ze al op veertienjarige leeftijd naakt voor diverse kunstenaars. Kiki vertelt;

The next day, I went out to look for work, and I met an old sculptor who, seeing that I was up against it, had me come and pose for him. That was something new for me, to strip like taht, but what else was there to do!…My mother forced her way into the sculptor’s and proceeded to throw a scene. I was posing, and she began to scream that I wasn’t her daughter any more, that I was nothing but a dirty wh-.
That didn’t mean anything to me!
It even cheered me up a little, because I understood now that the game was up.

Het spel was inderdaad op de wagen. Kiki krijgt vriendjes en wordt een steeds bekendere verschijning in het uitgaansleven van Montparnasse. Daar neemt ze ook al snel haar nieuwe naam aan. Talloze kunstenaars ontmoet ze en ze wordt door geschilderd door Foujita en Kees van Dongen, gefotografeerd door Man Ray, weergegeven door Alexander Calder, in brons gegoten door Pablo Gargallo enzovoort. Ze ziet er geen been in om gevraagd of ongevraagd haar boezem te ontbloten of haar rokken op te tillen terwijl ze wat chansons laat horen. Hoewel ze geen fantastische stem had volgens de overlevering was haar populariteit onverminderd groot. Zelfs haar fysieke ongemak, het ontbreken van schaamhaar wist ze tot een unique selling point te maken;

Posing is something I’m not very crazy about, for I’ve got a pilose system that’s not as well developed as it might be in a certain spot, and so, I have to dab myself up with black chalk. But I can give a swell imitation of hair!

Ik heb de memoires niet in het Frans gelezen en hoewel Hemingway in zijn voorwoord aangeeft dat deze eigenlijk niet te vertalen zijn, is de taal ongekunsteld en vrijuit. Het leest makkelijk weg. De meerwaarde van dit boek zijn de vele foto’s die er in staan van Kiki, van haar vrienden, haar minnaars, de artiesten die haar vereeuwigden, van de kunst die van haar is gemaakt én van de kunst die zij zelf maakte. Ook zij tekende en schilderde zelf. Hoewel ze midden in de kringen van dadaïsten en surrealisten verkeerde, had ze er wel een mening over;

We hang out with a crowd called Dadaists ans some Surréalists – for my part, I don’t see much difference between them!

Ongekunsteld en vrijuit…Oud werd ze niet. Ze zakte op 51-jarige leeftijd ineen aan de Côte d’Azur, waarschijnlijk aan de gevolgen van drugs- en alcoholgebruik. Maar ze leeft voort in haar memoires en vooral in de prachtige werken waartoe zij velen inspireerde.

Beelden van Kiki de Montparnasse in een film van Man Ray en Fernand Leger

Vertaling; Samuel Putnam

95f578382a0409c593750365241437641414141
Ik heb de laatste tijd wat boeken over Parijs gelezen en de kunstenaars die daar hebben gewoond en Belicht geheugen van Man Ray heeft daar ook mee te maken. Het is de autobiografie van de Amerikaanse dadaïstische en surrealistische fotograaf, schilder en filmregisseur. Een groot deel van zijn leven heeft hij in Parijs gewoond en hij ligt er ook begraven.

Nu had ik wel van de man gehoord, kende wat van zijn foto’s maar daar bleef het bij. Ik wist eigenlijk niet dat hij ook schilderde. Sterker, daar begon en eindigde hij mee. Later kwam de fotografie erbij en de films. Hij heeft al dat werk in de geest van Dada gemaakt, die een afwijzing voorstaat van de traditionele kunst. Daarbij experimenteerde hij met nieuwe technieken, zoals zijn rayografieën;

…stuitte ik op het procédé van mijn rayografie, foto’s zonder camera. Een vel fotopapier kwam in de ontwikkelbak terecht – een onbelicht vel dat tussen de reeds door een negatief belichte vellen was geraakt; ik maakte eerst een aantal opnamen die ik later tegelijk ontwikkelde – en toen ik tevergeefs een paar minuten wachtte of er een beeld zou opdoemen, vol spijt over de verkwisting van het papier, zette ik gedachteloos een kleine glazen trechter, de maatbeker en de thermometer in de bak op het natte papier. Ik deed het licht aan; voor mijn ogen begon zich een beeld te vormen, niet het eenvoudige silhouet van de objecten zoals op een gewone foto, maar vervormd en gebroken waar het glas meer of minder contact met het papier had gemaakt…

En zo ben je live bij de ontwikkeling van fotografie en kunst.  Dat geldt ook voor de films die hij maakt. Hij noemt het geen experimenten maar zorgvuldig uitgedachte werken, waarin mensen onherkenbaar herkenbare dingen doen, door met een kous over het hoofd te gaan duiken, dobbelen of wat dan ook. De focus echter in dit boek ligt in de onafzienbare stoet aan beroemdheden waar Man Ray mee werkt. Marcel Duchamp, Salvador Dalí, Kiki de Montparnasse (zij zouden een zesjarige relatie hebben), Picasso, Erik Satie, Marcel Proust (hij zou zijn doodsbed vastleggen), Ava Gardner enzovoort. Het biedt fascinerende lectuur.

Dat geldt ook voor zijn ontmoeting met de avonturier William Seabrook en zijn vrouw. Een vreemd koppel dat Man Ray uitnodigde om op een vrouw te passen die zij hadden ingehuurd en aan de trap hadden vastgebonden. Je moet het even lezen om te geloven. Inherent aan al deze exotische personen is dat het niet altijd de diepte ingaat. Ik had graag meer willen lezen over de kunstenares Meret Oppenheim. Zij baarde opzien door haar met bont beklede kop en schotel, maar Man Ray maakte ook prachtige foto’s van haar. De Kunsthal weidde er ooit in 1997 een aparte tentoonstelling aan.

Man Ray komt uit dit boek naar voren als een veelzijdiger artiest dan ik had gedacht. Ik heb dan ook veel opgezocht. Hij liet zich leiden door zijn eigen instinct en wist altijd de aandacht op zich te vestigen, waar hij zich ook vestigde. Dat leidde tot veel lezingen, die hij niet altijd even goed voorbereidde overigens;

Toen ik op het podium stapte met een bundel papier in mijn hand, zag ik een gelaten blik op veel gezichten. Langzaam en plechtig las ik de eerste bladzijde en stopte toen, om naar mijn toehoorders te kijken…Toen ik aan de tweede bladzijde begon,ging ik vlugger lezen, bij de derde aangekomen las ik die bijna zonder adem te halen uit. Toen ik de volgende bladzijde opsloeg stopte ik weer, liet hem aan de toehoorders zien en zei: dit was het. De bladzijde was onbeschreven, net als de rest van de stapel. 

Man Ray, een verrassende man en een voor mij verrassend kunstenaar met prachtig werk. Overigens was ik zo gelukkig het exemplaar van Belicht geheugen te bemachtigen met een opdracht van de vertaalster aan Bernlef en zijn vrouw.

Vertaling; Erica Stigter

e31ffbfa7bc36325933726f5241444341587343
Ik ben een liefhebber van de serie Privé-Domein van De Arbeiderspers. Die blinken in de regel uit met prachtige portretten van schrijvers, schilders en/of andere kunstenaars. Koningin van de onderwereld van Zoe Progl is wat dat betreft een beetje een vreemde eend in de bijt.

Het is de autobiografie van een vrouw die furore maakte toen zij als enige vrouw in de Britse historie erin slaagde om in 1960 te ontsnappen uit de Britse Holloway-gevangenis. Heel het land was naar haar op zoek, ze werd ook weer opgepakt en keerde in 1964 de misdaad de rug toe.

Het is een rechttoe rechtaan verhaal over een leven dat in 1928 begon in een arme wijk in Limehouse, Londen, waar Zoe met vader, moeder en twee broers in een souterrain woonde. Niet de fijnste buurt om in op te groeien;

De miljoenen vochtdeeltjes van de rivier, die de nachtlucht zwaar maakten, trokken het vuil aan dat overdag van de drukke straten omhoog was gekomen en de ramen bedekten van huizen en winkels. ’s Nachts weerklonk er het schelle, harde lachen van de opgeschilderde hoeren, die zich aan de vreemde zeelui aanboden. Het gekrijs van vrouwen, die ineenkrompen onder de klappen van een dronken man, was zo gewoon dat het weinig of geen invloed uitoefende op de oren van de andere bewoners van Grenade Street.

Haar vader is vaste klant in de gevangenis en zelf zou ze ook niet veel anders opgroeien. Als ze opgroeit steelt ze meer en meer en zoekt haar heil in een beruchte plaatselijke kroeg, Maxie. Daar gaat ze deel uitmaken van de onderwereld. Eerst als animeermeisje, later als hulp bij overvallen om uiteindelijk zelf oplichtster en inbreekster te worden.

En passant trouwt ze met de eerlijke Joe Progl maar bedriegt hem met een junk. Daarvan raakt ze in verwachting. Ze zou uiteindelijk drie kinderen krijgen en zes abortussen ondergaan.

Ze wordt een aantal keren gepakt en moet aardig wat tijd opknappen in de Holloway-gevangenis. Als ze weet dat ze weer aan de beurt is, doet ze, als ze nog op vrije voeten is, uitgebreid onderzoek naar haar ontsnappingsmogelijkheden, iets dat haar ook zou lukken. Een uitgekookte dame dus.

Verder is het boek ook niet meer dan dat. Een opsomming van haar vergrijpen, ontmoetingen met figuren uit de onderwereld, de uitgebreide zuip- en snuiffestijnen en de mislukte relaties die ze aangaat. Dat neemt niet weg dat er een paar aardige verhalen in staan;

Om een uur of tien eiste ik op het bureau dat ik een advocaat wilde hebben. Ik wist er niet zo gauw een, dus belde ik een firma Piper & Piper op, wiens naam op een koperen bordje op het huis naast het onze stond.
Er kwam een meneer Piper aan de lijn en ik legde hem onze moeilijkheden uit en zei dat ik graag wilde dat hij ons zou verdedigen. Er volgde een korte stilte en toen zei hij: ‘Mijn beste jongedame, ik zou u dolgraag helpen maar ik ben bang dat als ik dat deed, dat ik dan iets zou doen dat in strijd is met de beroepseer, omdat ik hier persoonlijke belangen bij heb – het is namelijk mijn brandkast, die u gestolen hebt!’

Het is jammer dat op sommigen zaken niet dieper wordt ingegaan. Als de crimineel Tommy totaal in elkaar wordt geslagen, wordt hem door zijn belagers vervolgens vijfhonderd pond gestuurd om hem te helpen opnieuw te beginnen. Dat schrijft de mores blijkbaar voor maar er wordt niet op ingegaan verder. Zoe is de realiteit ook af en toe even kwijt als ze, tijdens haar ontsnapping, spreekt over het moederschap waarin ze even zorgeloos en gelukkig is, en wat haar lange tijd onthouden was. Wellicht had ze hier zelf in rol in? Maar goed, het is geen hogere literatuur, dat geeft niet want het is geen schrijfster, maar een aardig verhaal over een mij tot nu onbekende persoon uit de Britse geschiedenis.

Vertaling; Margreet Hirs

9460043224.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Je houdt van literatuur, biografieën en je woont in een straat vernoemd naar één van ’s lands grootste dichters. Dan valt je oog op een hagelnieuwe biografie van deze man; welnu, dan hoef ik niet lang na te denken en is de koop snel gesloten. Historicus Peter Janzen en neerlandicus Frans Oerlemans hebben met Willem Kloos [1859-1938] een mooi portret neergezet.

Nu waren wij al verwend want in 2012 was er al een biografie over Kloos verschenen van Bart Slijper, genaamd In dit gevreesd gemis. Toch was er behoefte aan een nieuw boek, naar verluid door nieuwe inzichten. De auteurs zijn beiden expert op dit terrein, beiden studeerden zij af op Willem Kloos.

Waarom was Kloos nu zo’n fenomeen en werd hij de voorman van de Tachtigers, die vernieuwende beweging in de Nederlandse literatuur? Zijn carrière begon al tijdens zijn studie Klassieke Letteren in Amsterdam. Hij schrijft gedichten en raakt bevriend met de dichter Jacques Perk. Zijn gedichten zal Kloos later uitgeven en hij schrijft er een voorwoord bij, dat later als een soort manifest voor de Tachtigers is gaan gelden.

Kloos debuteert in 1880 met zijn gedicht Rhodopis. Hij schrijft ook kritieken en is niet op zijn mond gevallen. In de Spectator bestaat hij het om als beginnend criticus uit te halen naar gevestigde namen als Charles Boissevain en Joseph Alberdingk Thijm. En passant schopt hij ook tegen het christendom en zo lanceert hij zichzelf de literaire wereld in.

Een mijlpaal is de oprichting in 1885 van het literaire tijdschrift De Nieuwe Gids. Kloos doet dit met Frederik van Eeden, Albert Verwey, Frank van der Goes en Willem Paap. Het tijdschrift wordt gevuld met literaire kronieken en met gedichten, waaronder de beroemde sonnetten van Kloos.

Het is ook de tijd dat Kloos last krijgt van kwalen. Hij hoort stemmen in zijn hoofd en verdooft ze met alcohol. Hij sluit vriendschappen en gaat relaties aan, maar Kloos is geen makkelijk man. Hij heeft verlatingsangst en kan erg aan mensen hangen, maar stoot ze ook af. Als een vriendschap eenmaal verbroken is, kan hij buitengewoon hard zijn. Zo kreeg hij ruzie met Verwey, om daarna de Verzamelde gedichten van Verwey te bespreken;

Hij was ontgoocheld, want Kloos had gehakt gemaakt van de Verzamelde gedichten. En Doorenbos vroeg Kloos of dit de juiste manier was en waarom hij niet op Verwey was afgestapt? Voor hem en anderen die onbekend waren met de ruzies tussen Verwey en Kloos, was het een raadsel dat de ene vriend de ander publiekelijk afbrandde. Dat kon toch ook anders? Kloos vond van niet. De lezers van De Nieuwe Gids hadden recht op zijn kritiek. Verwey had een knoeiboel bij elkaar geschreven en de bespreking zou hem alleen maar goed doen.

Het ging niet goed met Kloos. Hij verwaarloosde zijn taken als redacteur en trok zich meer en meer terug. Hij kreeg last van psychoses en waanbeelden, hij dronk bovenmatig veel en werd opgenomen in een sanatorium, waar hij werd behandeld met elektrotherapie. Hij bleef wel poëzie schrijven, hoewel er ook een hele reeks scheldsonnetten van zijn hand verscheen. Het blad De Nieuwe Gids hield enige tijd op te bestaan, maar toen Kloos weer meer bij zinnen was kwam er een doorstart. Uiteindelijk trouwde hij met Jeanne Reyneke van Stuwe, een schrijfster van romans.

Een buitengewoon boeiend boek over een interessante periode in de Nederlandse literatuur. Goed 340 pagina’s dik en rijkelijk van fotomateriaal voorzien. Ik wist niet veel van Willem Kloos maar het blijkt een boeiende, niet al te makkelijke man. Onmatig met alles; vriendschappen, werk en alcohol maar bovenal een vernieuwer in de poëzie. Zijn devies; kunst is een individuele expressie van individuele emoties (“Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”), iets wat mijlenver afstond van de toen beroemde dominee-dichters als Beets en Ten Kate. Zijn vriend Frank van der Goes, tenslotte, gaf een scherpe analyse van het karakter van Willem Kloos. Misschien niet het mooiste portret, maar wel zoals hij was;

Als Kloos maatschappelijk en geregeld is, dan schrijft hij geen verzen en zes kroniekjes in het jaar, en alleen onder de sterkste pressie van de noodzakelijkheid. Als hij verschrikkelijk nerveus en geëxalteerd is, zoodat vreemde menschen hem gek zouden noemen, als hij op een kanapee ligt te huilen en te razen, als hij dagen rondloopt als een wezenlooze, bijna zonder te eten of te drinken, als hij zich dan weer elken avond veertien dagen lang bedrinkt, als hij in accessen van woede zijn papieren verscheurt, zijn antipathiën te lijf gaat, zijn geld niet beter beheert dan een kind van tien jaar […] – dan schrijft hij een paar vel voortreffelijke verzen.

Na dit boek kan ik niet anders dan die verzen gaan lezen, ik ben benieuwd.