archiveren

(Auto)biografie

9025961010.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Toen ik de biografie van Herman Brood las kwam ik natuurlijk ook de naam tegen van Nina Hagen. Brood en Hagen hebben namelijk samengewerkt en onder meer de film Cha Cha gemaakt. Zo zag ik dat deze zangeres zowaar een autobiografie had geschreven en deze Bekentenissen leken mij een mooie aanvulling op de Brood-biografie.

Dat viel dus tegen. Misschien had ik gewaarschuwd moeten zijn omdat ik dit boek voordelig tegenkwam bij een tweedehands christelijke boekwinkel, maar de achterflap beloofde nog dat Nina Hagen:

Vertelt over haar leven zoals ze zingt: provocerend, zonder dubbele bodems en opwindend. Ze schrijft zonder opsmuk over zichzelf en haar wilde leven, op de grens van genialiteit en waanzin.

Nu vind ik Hagen echt een prima zangeres en een goede artieste dus ik gaf dit boek een kans. U kunt het zich besparen. Het kwartje viel al snel want Nina is behoorlijk in de Here. Dat is prima natuurlijk, maar daar wil ik niet op iedere bladzijde mee om mijn oren geslagen worden. En dat werd ik wel.

Als dat alles nog op een pakkende manier verwoord werd zou het ook nog door de vingers gezien kunnen worden, maar de schrijfwijze ging mij behoorlijk irriteren;

En luitjes, ik zeg het jullie, als on hemelse thuis ook zo fantastisch en ongelooflijk vredig & onbeschrijfelijk mooi is als in de droom waarin mijn tante Trudchen zo rustig afscheid van me nam toen ze stierf, dan wil ik ook op een door God gegeven dag ‘naar huis’, naar het nieuwe Jeruzalem, naar mijn Jezus en de Hemelse Vader…naar huis waar mijn tante Trudchen al met een welkomstfeestje op haar Nientje wacht!

Bent u er nog? Omdat ik niet de beroerdste ben heb ik het boek toch voor u uitgelezen. Ergens moet er toch wat interessante informatie uit zo’n verhaal te halen zijn en natuurlijk is dat ook zo. Hagen komt uit een gezin waar vader en moeder niet heel goed naar haar omkeken. Ze groeit op in voormalig Oost-Duitsland waar ze in Oost-Berlijn verzeilt raakt tussen de nozems. Op jonge leeftijd heeft ze al twee abortussen achter de rug. Ze speelt bij een cabaretgroep en zet zich zo in de kijker dat de geheime politie, de Stasi, al belangstelling heeft voor haar.

Zo probeert ze via Warschau in Polen naar het westen te vluchten maar dat mislukt. Als Catharina Hagerowa zingt ze in een band Grupa System en heeft er redelijk wat succes ook. Toch moet ze noodgedwongen terug naar Berlijn. Daar volgt ze een beroepsopleiding tot zangeres, maar is in Oost-Duitsland wel veroordeeld tot het zingen van goedgekeurde schlagers.

Om toch nog een beetje te laten zien hoe ik eigenlijk in elkaar zat, takelde ik mijn hoofd zo huiveringwekkend toe met een schaar dat mijn gaten en pieken elke punker jaloers zouden hebben gemaakt. Alleen bestond punk toen nog helemaal niet.

Ze gaat aan de lsd maar vindt ook een band en een tekstschrijver, Kurt Demmler, die een lied schrijft dat haar beroemd zou maken. Du hast den Farbfilm vergessen zou het geheime volkslied worden van een hele generatie in Oost-Duitsland. Het is een lied dat de troosteloosheid weerspiegelt van het steeds harder moeten werken aan de ene kant en het nutteloos rondhangen bij kapotte machines aan de andere kant. De complete tekst én de vertaling staan integraal in het boek, dus hier toch een pluspunt. Hoe belangrijk dat lied was en is blijkt uit het feit dat Bondskanselier Angela Merkel onder meer dit lied bij haar afscheid wilde horen.

Uiteindelijk reist Hagen naar het Westen via een zogenaamde Aussteiger-Brief. In Londen leert ze de punkbeweging echt kennen en terug in West-Duitsland formeert ze de Nina Hagen Band. Zoek het eens op Youtube op, er zijn live-optredens te vinden uit de jaren zeventig en het is echt een prima band. Toch verlaat ze de band en wordt prompt gebeld door de manager van Herman Brood. Zo belandt ze in Nederland waar ze met Brood optreedt en een film maakt. Ook leert ze daar zijn gitarist Ferdinand Karmelk kennen waarmee ze een dochter krijgt. Helaas wordt Karmelk niet oud en sterft aan aids.

Nina Hagen neemt in die periode ook alles aan drugs, maar dan gaat het verhaal ineens razendsnel. Ze woont plotseling op Ibiza en heeft een zoon uit een andere relatie. Vervolgens zit ze in de Verenigde Staten waarin ze in Malibu zowaar een vliegende schotel waarneemt. U dacht zeker dat we de gekkigheid al gehad hadden? Nee dus, via de ufo gaan we moeiteloos over op de Indiase religie waar Hagen dan interesse voor heeft. Uiteindelijk krijgt ze een totaalinzicht als Krisjna, Boeddha, Brahma, Allah en Jezus de revue passeren. Gek genoeg zorgt dat ervoor dat ze dan wel weer Goethe op muziek zet.

Ook is het iemand met oog voor de wereld en haar problemen. Zo heeft ze daadwerkelijk in 2006 een brief aan Merkel geschreven over mensenrechten en ook die brief staat integraal afgedrukt. Al met al is het een vreemd boek waarin echt wel feiten staan die ik nog niet wist, waar de foto’s ook iets toevoegen maar waar u het overgrote deel kunt overslaan omdat het in bar slechte stijl u probeert te overtuigen van de schoonheid van haar geloof. Beter maar afsluiten met het concert op Youtube dat Hagen in 2004 gaf met de Leipzig Big Band, want een performer is ze zeker.

Vertaling; Katja Hunfeld

940314131X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Brood de biografie van Bart Chabot klinkt als de definitieve biografie over de bekendste rocker van Nederland, Herman Brood. Bart Chabot was immers één van zijn beste vrienden en het is een dik boek van 724 pagina’s. Het ís ook een soort definitieve biografie, want dichter dan dit kom je niet op de huid van Herman Brood te zitten. Het is echter geen klassieke biografie, waarin alles tot op detail is uitgezocht en geannoteerd, dus daar zou nog ruimte voor zijn. Ik weet echter niet of ik daar behoefte aan zou hebben na het lezen van dit boek.

Dichter en schrijver Bart Chabot is jarenlang opgetrokken met Herman Brood en had al vier boeken over zijn vriend geschreven. De hoogtepunten daarvan waren gebundeld in een nieuw boek, Up On The Hilton Roof en dat boek is onlangs opnieuw verschenen als Brood de biografie. Het is vooral een ooggetuigenverslag van Chabot over wat hij meemaakt als hij Herman opzoekt, begeleidt en met hem optreedt en zo krijg je een aardig beeld van hoe het leven van Brood eruit zag. Je leest wat zijn levensstijl en principes waren en hoe hij dit tot in het uiterste doortrok. Soms tot verdriet en ergernis van zijn omgeving én van zichzelf.

Als we in zijn leven stappen heeft Brood al de nodige successen als zanger gevierd met His Wild Romance. Drugs zijn al onlosmakelijk met hem verbonden want het geeft hem veel;

‘Ik hou van drugs, ik hou van drugs. Het leven, de dope en ik. Een driehoeksverhouding.’
‘Ik hou van drugs, ‘ herhaal ik. ‘Wat geeft het je?’
‘Levenslust.’
‘Die je van jezelf niet hebt?’
‘Nee! Ik ben gewoon een boerenlul. Een boerenlul uit Zwolle…Je had het verschil moeten zien tussen de Herman Brood vóór z’n eerste peppilletje en de Herman Brood erna…Het was niet te voorkomen dat ik een promotiezuil voor de narcotica zou worden. Ik hou ervan, ik hou ervan.’

Herman is getrouwd met Xandra en had al een zoon uit een eerdere relatie. Met Xandra heeft hij een dochter en er volgen nog twee adoptiedochters. Uit alles blijkt dat hij gek is op zijn kinderen en ook op Xandra, maar hij blijkt een notoire vreemdganger en hoerenloper. Overigens zonder dit voor iemand te verbergen. Chabot tekent het allemaal nauwgezet op.

Hij reist met Brood naar zijn moeder toe in Zwolle. Daar komen veel verhalen uit naar voren over zijn jeugd. Toen was het al iemand die precies deed wat hij wil en zijn ouders hadden wat te stellen met hem. Zijn moeder;

‘Het is een fijne knul, maar dat gefladder overal heen…Kijk, het gaat nu goed met Herman, maar ik denk wel eens: Jongen, hoe hou je het vol? Ach, als hij gelukkig is, vind ik het ook prima. Ik ga hem niet veranderen. Hij leeft naar zijn eigen zin.’

Als je dit boek leest denk je dat zijn moeder een standbeeld verdient. Net als zijn manager Koos, die altijd achter Herman is blijven staan, hoe raar zijn fratsen ook waren. En die waren raar. Je krijgt veel mee van zijn steeds  complexere gedrag tijdens de beschrijvingen van zijn theatertournee met Bart Chabot en Jules Deelder. Daar speelde improvisatie een grote rol in en dat was wat Herman wilde. Hij kon niets meer onthouden dus dit was een vorm waar hij iets mee kon en hij wilde geen sleur of voorspelbare optredens. Toch had hij meer en meer last van zijn verslavingen en dat speelde hem parten, gezien het volgende citaat. Let wel, dit speelt zich af op het toneel voor betalende bezoekers;

‘Ik ben kapot,’ zegt Herman gezeten achter de piano. ‘Ik ben kapot. Mooi woord eigenlijk, kapot.’
‘Ja,’ beaamt Jules, ‘dat vonden de Duitsers ook.’
Herman doet enkele stappen achteruit, wankelend, naar de zijkant van het toneel. ‘Jules, ik maak het niet. Ik maak het écht niet…Ik zou niks zinnigs weten te bedenken wat ik aan de mensen mee kan delen…meedelen…voor die prijs.’

Het lijkt soms te ver doorgevoerd maar je merkt ook dat Herman zich niets liet zeggen. Je maakt van nabij mee hoe het steeds slechter met hem gaat tot hij uiteindelijk zelfmoord pleegt.

Is het daarmee een definitieve biografie? Ergens wel. Het is jammer dat zijn muziek geen grote rol speelt in dit boek, maar zijn schilder- en tekenkunst des te meer. Het blijkt hoe groot zijn talent is op beide vlakken en hoe populair hij is. Hij betaalt vaak met tekeningen en vindt niet dat hij zijn eigen marktwaarde met die grote productie verpest (‘Coca Cola had ook geen last van overexposure’).

Het boek vertelt een verhaal met twee kanten. De kant van een man die wars is van routine en altijd verrast wil worden en het leven wil ontdekken. Het is nooit saai met hem, gezien de verhalen over het in de blote kont steppen langs het Rijksmuseum, de aanschaf van een Belgische lijkwagen of het afvuren van pistolen op het balkon van een hotel;

‘Buurman’, zegt hij tegen de vier mensen die op een naburig balkon aan een tafeltje zitten. ‘Heeft u er bezwaar tegen als ik straks een paar pistolen afvuur?’
‘Nee, hoor,’ klinkt het droog, ‘ga je gang.’

Leuke verhalen, maar de andere kant beschrijft glashelder de tragiek van iemand die heel goed weet dat hij zichzelf aan het vernietigen is. Afkicken probeert hij, maar hij wil het gewoon niet, hoe gek hij ook op zijn kinderen is. Dertig jaar spuiten en drinken wegen ruimschoots op tegen een jaar zware, lichamelijke ellende. Het is knap hoe Chabot dit alles gedocumenteerd heeft, hij moet bij of na iedere ontmoeting zijn vingers blauw geschreven hebben.

Voor mij was het reden om al zijn platen weer eens te draaien en die andere definitieve biografie met alle informatie over zijn muziek erbij komt misschien nog eens, maar misschien is dit verhaal ook wel voldoende. Dichterbij Herman Brood kom je niet.

Commandant van Auschwitz is het autobiografische verhaal van Rudolf Höss. Hij was 3,5 jaar kampcommandant van het vernietigingskamp Auschwitz in de jaren 1940 tot 1945 en daarmee verantwoordelijk voor de dood van talloze mensen.

Na de oorlog werd Höss opgepakt en tijdens zijn gevangenschap in Krakau maakte hij omvangrijke aantekeningen, waarvan de belangrijkste in dit boek zijn gepubliceerd. De ene helft van de aantekeningen vormen een samenhangend geheel van zo’n 114 pagina’s, de autobiografie, die Höss de titel meegaf ‘Meine Psyche, Werden, Leben und Erleben’. De andere helft worden gevormd door 34 afzonderlijke aantekeningen, die qua omvang nogal verschillen. Voor het grootste deel gaan ze over leidende SS-ers zoals Himmler en Eichmann. Daarnaast zijn er nog wat aantekeningen over bepaalde procedures , zoals de vernietiging van Joden in Auschwitz, de tewerkstelling van gevangenen, de kampindeling enz. Voor dit boek is een selectie van die aantekeningen gemaakt en erin opgenomen.

Ik weet niet goed wat ik van dit boek moet denken, daar kom ik zo op terug. Het is ook niet bekend waarom Höss dit alles op verzoek heeft opgeschreven. Hij is naar eigen zeggen zo volledig mogelijk geweest en veel van wat hij heeft vermeld wordt uit andere bronnen ondersteund. In die zin is het een uniek document. Aan de andere kant laat zijn geheugen hem ook in de steek of schrijft hij soms aperte onwaarheden op. Dat wordt toegelicht in een uitgebreid notenapparaat. Het is soms ontluisterend om te lezen, dat wel.

Höss was door zijn familie voorbestemd om priester te worden maar daar dacht hij zelf anders over. Hij meldde zich aan als oorlogsvrijwilliger en kwam tijden de Eerste Wereldoorlog terecht in Turkije en Palestina. Daarna ging hij met het vrijwilliges-corps naar de Baltische staten om de orde te bewaken. Zijn betrokkenheid bij een moordpartij zorgde ervoor dat hij tot 10 jaar tuchthuis werd veroordeeld.

Na vijf jaar werd hij vrijgelaten, maar hij had dus opsluiting van nabij meegemaakt. Als hij Himmler leert kennen sluit hij zich aan bij de SS, het elitekorps van Hitler. Na een leidende functie in het kamp Dachau werd hij commandant van het concentratiekamp Auschwitz in Polen. Van Himmler kreeg hij de opdracht er een vernietigingskamp van te maken;

Toen hij mij in de zomer van 1941 persoonlijk opdracht gaf, in Auschwitz een plaats van massale vernietigingen voor te bereiden en deze vernietigingen te verrichten kon ik mij niet de geringste voorstelling maken van de omvang en de uitwerking daarvan. Wel was dit bevel iets ongewoons, iets onbekends. Doch door de motivering dacht ik, dat deze vernietiging juist was. Ik dacht er toen niet verder over na – ik had het bevel gekregen en moest het opvolgen.

Dit zou hij tot zijn dood toe aan volhouden. Achteraf gaf hij in verhoren toe dat de massavernietiging verkeerd was, maar hij was niet meer dan een trouwe soldaat. Deze redenering, samen met zijn uitspraken over wat hij in Auschwitz heeft gedaan en gezien, maken de persoon Höss tot een niet te begrijpen fenomeen. Hij ging aan de slag om de vernietiging zo efficiënt mogelijk te organiseren. Hij maakte het tot een organisatorisch probleem. Tegelijk verwonderde hij zich over de rol van de Joden die de Duitsers hielpen bij het uitkleden en naar binnen leiden van de mensen in de gaskamers. Hij noemde de zigeuners die hij ombracht ‘mijn liefste gevangenen’.

Het is surrealistisch om te lezen dat hij het zelf ook allemaal niet makkelijk vond. Niet om de vernietiging organisatorisch voor elkaar te krijgen met weinig middelen, maar ook niet om om te gaan met de gevolgen daarvan;

Ik mocht mij niet eens afwenden, wanneer al te menselijke gevoelens in mij opstegen. Moest koud blijven toekijken als de moeders met hun lachende of schreiende kinderen de gaskamers ingingen.

Hij beschrijft hoe een Joodse man, die hielp bij het ruimen van de lijken, zijn vrouw tussen de doden ontdekte en er ogenschijnlijk geen reactie op gaf, hij beschrijft hoe sommigen door hadden wat hen te wachten stond en hem dat ook toebeten, om vervolgens te eindigen met een larmoyante gevoelsuitstorting;

In het voorjaar van 1942 gingen honderden bloeiende mensen onder de bloeiende vruchtbomen van de boerenhofstede, meestal niets vermoedend, in de gaskamers, in de dood.

Daarom weet ik niet zo goed wat ik van dit boek moet denken, of misschien wel van de mens Rudolf Höss. Natuurlijk is het een document wat uitgegeven dient te worden en de noten verhelderen veel. Het is een soort autobiografie, het is een kijk op en in de geschiedenis, maar het is wel de visie van iemand die twee totaal verschillende kanten in zich heeft. Hij is, in zijn eigen kamp Auschwitz, opgehangen op 16 april 1947.

Vertaling; W. Wielek-Berg

9045031175.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik mag mij graag verwonderen over wat er zoal groeit en bloeit en dan mag een boek over Alexander von Humboldt, De uitvinder van de natuur, natuurlijk niet in mijn bagage ontbreken. Het is geschreven door historicus Andrea Wulf en is mij opgevallen door een aantal positieve besprekingen.

Nu ben ik Alexander von Humboldt (1769-1859) al tegengekomen in het boek van Hans Mulder, De ontdekking van de natuur, maar hier hebben we niet minder dan de uitvinder van het geheel te pakken dus ik was zeer benieuwd. Om maar met de deur in huis te vallen, het boek is een absolute aanrader.

Het belang van Von Humboldt wordt al snel aangegeven door Wulf. Tijdens zijn expeditie naar Zuid-Amerika viel het hem op tijdens de beklimming van de Chimborazo in de Andes, waarvan men toen dacht dat het de hoogste berg ter wereld was, dat er verschillende vegetatiezones bestonden. Op bepaalde hoogtes kwam hij vegetatie tegen die hem deed denken aan vergelijkbare begroeiing in het Europees gebergte;

Niemand had ooit op deze manier naar planten gekeken. Humboldt nam de vegetatie niet waar volgens de beperkte classificatiecategorieën, maar in relatie tot de groeiplaats en klimaat. Hij beschouwde de natuur als een universele kracht met klimaatzones die zich over alle continenten uitstrekten; een radicale opvatting voor die tijd, maar wel een die nog steeds van invloed is op ons beeld van ecosystemen.

Von Humboldt begint natuurlijk niet als natuurvorser, maar met een gedegen opleiding als mijnbouwinspecteur. Daar doet hij zijn kennis op over geologie en andere natuurwetenschappen. In zijn vrije tijd onderzoekt hij de invloed van het licht op planten en bomen. Hij ontmoet Goethe en die is razend enthousiast over de jonge wetenschapper;

Nog nooit had hij iemand ontmoet die zo veelzijdig was. Humboldt kon de dingen in zijn enthousiasme met zo’n snelheid door elkaar klutsen dat Goethe hem soms nauwelijks kon volgen.

Ze zouden tot Goethes dood contact blijven houden. Met de erfenis van zijn moeder beschikt Von Humboldt over het kapitaal om zijn eerste expeditie naar Zuid-Amerika te financieren. Hij wordt vergezeld door zijn vriend en botanist Aimé Bonpland. Ze schaffen allerlei meetinstrumenten aan en hun tocht begint als ze in Venezuela aankomen.

Dan begint er een onwaarschijnlijke reis die u vooral zelf moet gaan lezen. Ze worden geteisterd door muggen, ziekte, kou en tropische hitte, maar onder alle omstandigheden verzamelen ze data. Overal worden planten en dieren verzameld, temperaturen gemeten, kookpunten gemeten op diverse hoogtes, ze hebben zelfs een instrument om het blauw van de lucht te meten. Er worden talloze aantekeningen gemaakt en het is verbluffend te lezen hoeveel werk er wordt verzet. Tegelijk worden er consequenties doorzien en overdacht;

Humboldt was de eerste die het cruciale belang van bossen voor een ecosysteem en klimaat uiteenzette…Hij sprak ook over de zuurstofproductie van bomen en de invloed daarvan op het klimaat. De effecten van menselijke inmenging waren nu al ‘onvoorzienbaar’, betoogde hij, en zouden catastrofale vormen aannemen als we doorgingen de wereld zo ‘genadeloos’ te verstoren.

De man was zijn tijd ver vooruit. Via Mexico keert hij terug naar Europa waar hij talloze lezingen geeft en al zijn data in verschillende boeken verwerkt. Op latere leeftijd maakt hij nog een reis door Rusland, tot aan de Chinese grens en ook dat staat beschreven in dit boek. Een mooi verhaal is dat hij op basis van zijn kennis weet dat er diamanten in Rusland te vinden moeten zijn en hij krijgt gelijk. Zijn roem stijgt tot grote hoogte en hij wordt één van de beroemdste geleerden uit zijn tijd. Dat blijkt ook uit de talloze vernoemingen naar hem, van pinguïns tot een golfstroom. De Amerikaanse minister van Oorlog, John B. Floyd, stuurde Von Humboldt negen kaarten van Noord-Amerika waarop alle steden, county’s, gebergten en rivieren stonden die naar hem vernoemd waren.

Het boek houdt niet op bij de dood van Von Humboldt, want Wulf beschrijft nog andere natuurvorsers zoals George Perkins Marsh, Ernst Haeckel, John Muir en niet te vergeten Charles Darwin. Von Humboldt had een grote invloed op hen allemaal en Darwin heeft hem ook ontmoet. Grappig om te lezen dat, ondanks Darwin’s torenhoge bewondering voor Von Humboldt, die ontmoeting enigzins tegenviel;

Darwin was diep geschokt door Humboldts gedrag. Hoewel hij enkele keren probeerde ertussen te komen, gaf hij het uiteindelijk op. De oude Humboldt was heel opgewekt en maakte hem een paar ‘geweldige complimenten’, maar hij praatte gewoon te veel.

Het boek leest geweldig door en Wulf beschrijft de reizen en natuurwetenschappelijke materie op heldere wijze. Het is ook prettig dat het geen uitputtende biografie is waarin iedere ontmoeting geduid moet worden, we gaan al snel op reis zeg maar. Interessant zijn wel de ontmoetingen met de groten der aarde zoals de Amerikaanse president Jefferson (in die tijd hing Jeffersons wasvrouw de presidentiële was gewoon te drogen op het rottend hekje rondom het Witte Huis) en zijn vriend de revolutionair Simon Bolívar. De enige omissie wat mij betreft is de reis naar Mexico. Die sluit aan op de expeditie naar Zuid-Amerika maar blijft onbeschreven. Verder is het een mooie opmaat naar wat boeken over Darwin die ik nog heb liggen.

Vertaling; Mariella Duindam en Fennie Steenhuis

940040204X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Zo’n 10 jaar terug las ik de autobiografie van Keith Richards, de gitarist van de Rolling Stones. Het andere boegbeeld is natuurlijk Mick Jagger. Die zou ooit zijn biografie schrijven maar dat is er nooit van gekomen, zijn geheugen is ‘te selectief’ gebleken. Erkend biografieschrijver (zie ook mijn bespreking over Jimi Hendrix) Philip Norman heeft de handschoen opgepakt en heeft deze lijvige biografie van 644 pagina’s geschreven.

Het is een boek dat je als Stones-liefhebber, want dat ben ik, gelezen wil hebben. Tegelijkertijd ben ik niet veel wijzer geworden na het verhaal van Keith Richards en de feiten die ik al kende over de band. De voorliefde van de jonge Mike Jagger (het werd later pas Mick) voor de blues is wat hem onderscheidt van zijn klasgenoten en waarin hij Keith Richards vindt. Jagger heeft niet bepaald een achtergrond in ellende en misère waar die muziek zo goed bij gedijt, hij heeft een gelukkige jeugd in het graafschap Kent. Toch weerhoudt dit hem niet om een band op te richten en zich vol op de blues te storten. Multi-instrumentalist Brian Jones komt erbij en ontpopt zich tot de leider van de band. Hoe de band moest heten, dat was nog een ding. Brian koos voor de ‘Rolling Stones’, ontleend aan een Muddy Waters-song maar;

Mick, Keith, Stew en Dick voerden alle vier aan dat het klonk als een kruising tussen een klassiek vioolkwartet en een Iers showorkest, maar de kogel was door de kerk – en het was per slot Brians groep.

Met manager Andrew Loog Oldham komen er meer boekingen, hoewel het eerste televisie-optreden nog niet direct een daverend succes is. Recensent Craig Douglas over Micks zang;

‘Erg gewoontjes. Geen woord van te verstaan. Met een Liverpools accent had het misschien nog wat kunnen worden.’

De gebeurtenissen volgen zich in rap tempo op. De eerste successen komen, Mick verbreekt zijn verloving met Chrissie Shrimpton en zij doet een zelfmoordpoging. Mick ontmoet Marianne Faithfull en krijgt een relatie met haar. Brian Jones raakt meer en meer verslaafd en gaat erg zorgelijk gedrag vertonen. Ook Keith raakt in de ban van de drugs tot er een inval wordt gedaan in zijn landhuis.

Bij dit voorval staat Norman lang stil, want het zorgt bijna voor het einde van de carrière van de Stones. Norman onthult zelfs dat er een mol van de CIA en MI5 is geregeld om de Stones van lsd te voorzien en ze zo met hoge straffen van het podium te krijgen. De identiteit van deze ‘Acid King’ David wordt in dit boek onthuld. Mick verdwijnt in voorlopige hechtenis en

Intussen reed Keith, die nog op borgtocht vrij was, op topsnelheid naar Redlands om schone kleren en wat andere spullen voor Mick te halen, zoals een boek over Tibetaanse filosofie en een legpuzzel.

Soms is het wat minder rock-‘n -roll blijkbaar. Gelukkig komen ze er redelijk goed vanaf met hun straffen. Mick en Keith hebben inmiddels de smaak te pakken met het schrijven van nummers en dat vind ik verrweg de meest interessante delen uit dit boek. Waar komt een nummer als ‘Sympathy for the Devil’ vandaan en hoe ontstaat het? Die informatie staat in het boek maar vormt helaas niet de hoofdmoot. Wat me bijstaat uit dit boek zijn voornamelijk de relaties van Mick Jagger en dat waren er nogal wat.

Chrissie Shrimpton, Marianne Faithfull, Marsha Hunt (waar hij een dochter mee kreeg), Bianca Jagger (waar hij ook een dochter mee kreeg), Jerry Hall (twee dochters en twee zonen) en Luciana Morad (een zoon). De biografie was nog niet geschreven toen zijn laatste zoon met Melanie Hamrick werd geboren. Voeg daarbij de talloze andere vriendinnen die Jagger heeft gehad en zijn trouweloze gedrag, dan heeft u een aardig beeld van deze biografie.

Valt het dan uiteindelijk tegen? Nee, dat toch ook weer niet. Als Stones-fan wil je het toch lezen en natuurlijk komen de optredens wel aan bod. Norman maakt prettige nuanceringen bij de dood van Brian Jones, waar Jagger nogal eens verwijten krijgt over zijn rol en doet dat ook bij het drama van Altamont. Bij dat optreden viel een dode door de ingehuurde Hells Angels-brigade en Norman neemt Jagger in bescherming waar hij ook hier kritieken kreeg op zijn rol.

Wat wel jammer is, is dat de eerste jaren onevenredig veel aandacht krijgen naar mijn smaak. Als ik op pagina 304 ben zitten we nog steeds in het jaar 1968 en de laatste jaren worden dus iets te snel afgedaan. Er is wel aandacht voor de solo-carrière van Jagger maar de tournees met de groep vormen de hoofdmoot. Overigens gingen de heren op den duur ook aardige grillen vertonen;

In Roundhay Park eisten ze dat er backstage een Japanse tuin zou worden aangelegd. Met een beekje, een brug, een waterval en koikarpers. Op de parasols in dit heilige der heiligen moest in het Japans ‘Welkom Rolling Stones’ staan…Het optreden werd gepresenteerd door Andy Kershaw…die weinig moest hebben van zinloze grillen van supersterren. Hij haalde er een kalligraaf van Leeds University bij die een andere Japanse tekst op de parasols schilderde: ‘Zak in de stront, Rolling Stones.’

Dit boek is dus van alles wat met een lichte overkill aan de relaties van Mick. Een iets scherpere redactie had gemogen omdat de volgende anekdote drie keer wordt genoemd; dat is het geval waarin Mick Jagger drummer Charlie Watts opbelt voor iets en vraagt waar ‘zijn’ drummer bleef. Volgens de overlevering verkocht Charlie Mick hierop een mep en beet hem toe het nooit meer over ‘zijn’ drummer te hebben, want ‘jij bent mijn zanger’. Ik las dit boek toen ik hoorde van het overlijden van Charlie Watts en dan krijgt het boek toch ineens een andere lading. Maar voor fans dus eigenlijk een must-read.

Vertaling; Henny Corver, Pon Ruiter en Frits van der Waa

db779f10a35e5fb59724d676b77444341587343_v5
Napoleon en De schaduw van de Revolutie. Met deze twee titels brengt Bart van Loo twee verhalen bijeen in een portret van de beroemdste persoon uit de Franse geschiedenis en de meest tot de verbeelding sprekende gebeurtenis; de Franse Revolutie. Omdat ik mij toch in Frankrijk bevond leek mij dit een prima gelegenheid voor een nadere kennismaking met Napoleon en zijn tijd.

Er zijn boekenkasten vol geschreven over Napoleon dus je moet van goede huize komen om er één aan toe te voegen. Van Loo gebruikt hiervoor de Franse Revolutie als uitgangspunt en wil uitzoeken hoe de wisselwerking tussen Napoleon en de Revolutie was om te begrijpen wie Bonaparte geworden is. Hoe slaagde hij erin de Franse bevolking te overtuigen dat hij de man was op wie ze zaten te wachten.

Als de Revolutie uitbreekt is Napoleon, de geboren Corsicaan, al in Parijs. Koning Lodewijk XIV en zijn vrouw Marie-Antoinette vluchten maar worden opgepakt en eindigen onder de guillotine. Napoleon is getuige van de bestorming van het Paleis bij de Tuilerieën en kijkt met afgrijzen naar het bloedvergieten. Toen nog wel;

Napoleon Buonaparte, die op 10 augustus 1792 onwel wordt bij het zien van enkele honderden doden, zal een model zijn voor dictators die hun jonge mannelijke bevolking gebruiken als kanonnenvoer. Zijn Grande Armée zal onophoudelijk blijven putten uit het gespuis, het rapaille, het door de jonge Buonaparte zo gehate gepeupel.

Een kleine doorkijk naar de toekomst maar zover is het nog niet. Napoleon maakt snel carrière in het leger. We zien kopstukken uit de oude adel als Talleyrand en Fouché naar voren komen en die zullen een rol blijven spelen, ook als vertrouwelingen van Napoleon. Robespierre is een ander verhaal. Die komt juist niet uit de oude adel maar zal toch veel macht krijgen en uiteindelijk zijn hand overspelen. Ook hij eindigt op het schavot.

Als Napoleon een overwinning behaalt op de Royalisten wordt hij opperbevelhebber van de binnenlandse strijdkrachten. Hij trouwt met Joséphine de Beauharnais en behaalt nieuwe overwinningen in Noord-Italië. Hij weet inmiddels dat hij onmisbaar is geworden voor de gevestigde macht in Parijs.

Uiteindelijk vertrekt hij met een leger naar Egypte en daar blijkt dat zijn scrupules al een stuk minder zijn geworden. Toen hij optrok naar Akko (nu in het noorden van Israël) liet hij 3000 mannen fusilleren die zich al aan hem hadden overgegeven. Toen hem berichten bereikten dat de tijd rijp was om zelf de macht in Parijs te grijpen zag hij er ook geen been in om zijn leger in Egypte aan haar lot over te laten en alleen terug naar Frankrijk te vertrekken.

Daar grijpt hij de macht en creëert een nieuw staatsbestel. Voor het gemak worden er zestig van de drieënzeventig kranten verboden; stabiliteit is even belangrijker dan democratie. Ook gaat hij weer op veldtocht, ditmaal over de Alpen. Niet op een heroïsch wit strijdros zoals u wellicht kent van het schilderij van Jacques-Louis David, maar koukleumend op een ezel, zoals te zien op het schilderij van Paul Delaroche. Het doel van die tocht was om in Italië de Franse troepen te versterken en gebied te heroveren. Hij zou bij Marengo een beslissende overwinning behalen.

Als hij zichzelf uiteindelijk tot keizer kroont begint zijn queeste naar Europese almacht. Bij Austerlitz (in het tegenwoordige Tsjechië) verslaat hij de Oostenrijkse en Russische legers. Voor de bulletins krikte hij de slachtofferaantallen aardig op, in zijn brieven aan Joséphine gebruikte hij gewonemensentaal;

‘Gisteren heb ik de Russen en Oostenrijkers verslagen. Ik ben redelijk moe. Ik heb een week lang buiten geslapen, en de nachten waren redelijk koud.’

Napoleon blijkt een man van vele gezichten maar bovenal valt op dat zijn ambitie boven alles gaat. Hij boezemt zijn manschappen vertrouwen in maar is nooit oprecht bezorgd. Ze moeten zo goed mogelijk het gevecht in geleid worden. Aanvallen is altijd belangrijker dan verzorgen, winnen belangrijker dan zijn mannen sparen.

Uiteindelijk zal hij zelfs de Russische tsaar de oorlog verklaren. Die veldtocht loopt uit op een totale mislukking en de ooggetuigenverklaringen zijn schrijnend. Soldaat Henri Ductor schrijft;

‘Hoe vaak heb ik me niet op mijn buik op de grond geworpen om uit de sporen van paardenhoeven water van een gelige kleur te drinken.’

Zijn leger verdwijnt in het niets en niet eens zozeer door verloren veldslagen, wel door alle ontberingen. Ook hier laat Napoleon iedereen in de steek want hij dreigt zijn macht te verliezen in Frankrijk. Dat gebeurt ook en hij moet abdiceren. Hij vertrekt in ballingschap naar het eiland Elba.

Dat verblijf duurt echter maar tien maanden en dan vertoont hij zich weer met een snelgroeiend leger van aanhangers in de hoofdstad. In Parijs heerste namelijk grote onvrede over het Verdrag van Parijs waarmee de oorlog tegen Frankrijk beëindigd was. Napoleon wist dat en kwam om orde op zaken te stellen.

Koning Lodwijk XVIII, die inmiddels aan de macht was, vluchtte naar Gent. De hertog van Wellington formeert zijn troepen en zal Napoleon treffen bij het plaatsje Waterloo in de Zuidelijke Nederlanden. Napoleon wordt er verslagen en dat betekent zijn einde. Hij wordt definitief verbannen naar een eilandje in het zuiden van de Atlantische Oceaan, Sint-Helena. Daar zal hij ook overlijden.

Bart van Loo heeft een prachtig boek geschreven dat constant de aandacht weet vast te houden. De handige chronologie achter in het boek zet je altijd op het goede spoor als je de weg kwijt bent, maar het is zelden nodig. De houding van de Fransen ten opzichte van Napoleon is interessant; in de verkiezingen voor de grootste Fransman aller tijden staat hij steevast samen met De Gaulle bovenaan, hoeveel doden hij ook op zijn geweten heeft. De Slag bij Austerlitz wordt dan weer niet gevierd, maar een veroordeling van zijn oorlogsmisdaden is er ook nooit gekomen. Waarschijnlijk heeft Napoleon zelf dit al voorvoeld, getuige zijn uitspraak;

‘Elke dag verdampt de herinnering aan mijn tirannie een beetje meer.’

85070eb9eeecc36593768555551444341587343_v5
Soms geven boeken een prachtig tijdsbeeld weer en de memoires van de Duits-Franse journaliste en schrijfster Claire Goll (1890-1977) zijn daar een mooi voorbeeld van. In Alles is ijdelheid beschrijft zij haar leven vanaf haar jeugd, haar relatie met de dichter Yvan Goll en de talloze beroemdheden die ze hebben ontmoet in de loop der jaren. Het is een culturele geschiedschrijving van de eerste helft van de vorige eeuw, maar het is ook roddel en achterklap. En niet onbelangrijk, het leest heerlijk weg.

De achterkant waarschuwt ons al, mevrouw Goll is venijnig, soms ronduit boosaardig en op de eerste pagina gaat ze er bij de schrijver James Joyce al met gestrekt been in;

Van de grote mannen was er geen zo geblokkeerd als James Joyce…Ik heb teveel eerbied voor dieren, zelfs voor kwallen of schelpdieren, om ze te vergelijken met Joyce, die geprepareerde mummie, dat stuk schors zonder sap of warmte, die uitgedroogde peer.

Oei, dat belooft wat. Waarom zo boos? Ik ben geen psycholoog maar ze had geen makkelijke start met een moeilijke jeugd waarin vooral haar moeder het moet ontgelden. Ze beschuldigt haar ouders ervan haar broer tot zelfmoord te hebben gedreven bijvoorbeeld. Ze groeide op in München waar ze uitgehuwelijkt werd na haar zwangerschap.

Dat huwelijk houdt geen stand, ze leert de Oostenrijkse schrijver Franz Werfel kennen en verlaat man en dochter om naar Frankrijk en later naar Genève te gaan, waar ze de dichter Yvan Goll leert kennen. Samen vertrekken ze naar Zürich waar ze bij de geboorte van de Dada-beweging zijn. Zwitserland krioelde van de intellectuelen die experimenteerden met de avant-garde zoals beeldhouwer Hans Arp, schrijfster Else Lasker-Schüler, kunstenaar Hugo Ball en de dichter Tristan Tzara. Goll geeft van allemaal rake portretten en ik heb ze allemaal opgezocht voor een nadere kennismaking.

Het echtpaar Goll gaat in Ascona in Italië wonen en Yvan ontpopt zich tot een notoire vreemdganger. Claire is ook niet van alle smetten vrij en vlucht in de armen van dichter Rainer Maria Rilke. Het gaat niet anders als ze zich in het culturele leven van Parijs storten. En passant volgen er ontmoetingen met de componist Erik Satie en kunstschilder Marc Chagall en is er herrie met de schrijver en surrealist André Breton. Ondertussen wordt Claire zo gek van de chronische ontrouw van Yvan (in dit geval met een vriendin) dat de boel escaleert;

Ik richtte op het hart van Goll en terwijl ik kalm mijn ogen dicht deed losste ik een schot.

Geen zorgen, schieten was niet haar forte. Schrijven wel en dat gaat onverdroten voort met mooie verhalen. Claire blijft ook vluchten in verhoudingen met de regisseur Jean Painlevé en met de dichter Vicente Huidobro. Ze kon maar net de strelende handen van de lesbische toneelschrijfster Nathalie Clifford Barney van zich afhouden. We krijgen nog wel het gedoe mee over het optreden van de vriendin van toneelschrijver Maurice Maeterlinck in de opera van Claude Debussy waarover ik hier schreef en over haar vriendschap met de schrijfster Colette.

Ondertussen gaat Claire ook aan de slag als journalist. Opvallend is het standpunt dat ze inneemt over de positie van de vrouw;

We zijn inferieure schepselen, net genoeg om te jongen…Nooit zal een vrouw een Michelangelo, een Bach of een Palladio zijn. Grote filosofen met een rok aan bestaan niet. Hoe wil je dat ze systemen ontwerpen zoals Kant, Hegel of Marx? Een dergelijk abstraherend vermogen kan niet ontstaan in de geest van een pop.

Zo gaat het nog even door. Ook daar klinkt woede of verongelijktheid in door. Dat geldt ook ten aanzien van de ontrouw van Yvan. Hij rent achter iedere rok aan die er binnenkomt en, wat er nog bijkomt;

Naast zijn chronische ontrouw had Yvan nog een andere onhebbelijkheid: hij dreef me voortdurend in de armen van andere mannen.

Het staat er echt. Uiteindelijk vluchten ze toch samen naar New York, om niet in de Tweede Wereldoorlog verzeild te raken. Ook daar komen ze in aanraking met tal van beroemdheden, zoals de schilder Piet Mondriaan, de schrijfster en componiste Alma Mahler en de schrijvers Stefan Zweig, Henry Miller en Carson McCullers. Daar krijgt Yvan te horen dat hij aan leukemie lijdt.

Na de oorlog vertrekken ze weer naar Europa waar Yvan in het ziekenhuis belandt. De verhalen gaan gewoon door overigens. Dichter Paul Celan probeert Claire te verkrachten en Albert Einstein lijdt onder het feit dat hij de atoombom mogelijk heeft gemaakt. Uiteindelijk overlijdt Yvan en hij wordt begraven op Père-Lachaise in Parijs, waar hij later met Claire verenigd zou worden. Claire vertrekt na zijn dood nog wel naar Amerika, maar de memoires gaan verder niet door.

Als je van kunst en cultuur houdt is dit boek echt een opeenvolging van interessante ontmoetingen met grote kunstenaars, veelal uit de hoek van dada en surrealisme. Het is onwaarschijnlijk wie Claire allemaal heeft meegemaakt en het is razend interessant om te lezen hoe die beroemdheden zich in de omgang gedroegen. Uiteraard kunnen die vertellingen gekleurd zijn want verteld door Claire alleen, maar ik vond het boek toch zeer de moeite waard.

Vertaling: Frans de Haan en Marianne Kaas

 

9048813107.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De leeuw van Toscane is het verhaal van de legendarische Italiaanse wielrenner Gino Bartali, opgetekend door Aili & Andres McConnon. Legendarisch, omdat hij zijn wedstrijden reed net voor en na de Tweede Wereldoorlog en een nog steeds ongeëvenaarde prestatie neerzette. Hij is tot nu toe de enige wielrenner die de zwaarste wielerwedstrijd, de Tour de France, met een tussentijd van 10 jaar wist te winnen; in 1938 en opnieuw in 1948. Daar waren redenen voor en er zat een hele lading achter, wat dan weer de aanleiding is voor dit boek.

Het is geen dik boek, ruim 260 pagina’s, en daarmee geen uitputtende biografie van Bartali. Toch begint het verhaal in zijn vroege jeugd waarin al vroeg bleek dat Gino talent had voor de fiets;

Al snel werd duidelijk dat Gino de sterkste van de groep was. Maar pas toen hij zijn kwaliteiten kon gaan bewijzen tegenover echte renners, besefte hij dat hij anders was, bijzonder zelfs….’Hoewel zij perfecte fietsen hadden, wonnen ze niet altijd, ook al leken onze fietsen nog het meest op hotsende paardenkarretjes. Bij een klim tegen mij verloren ze zelfs vaak,’ vertelde Gino.

Tegen de wil van zijn ouders in gingen Gino en zijn broer wielrennen. Hoewel zijn broer dat met de dood moest bekopen ging Gino door en boekte succes. Ondanks, zou je haast zeggen, de trainings- en voedingsadviezen van die tijd. Die stamden nog deels uit midden 19e eeuw;

In 1869 adviseerde een Franse arts zelfs aan wielrenners…om tijdens de race om de twintig à vijfentwintig kilometer af te stappen om wat te eten en te drinken, liefst een biefstuk met wat glazen madeira of zoete witte wijn erbij.

Bartali ontwikkelde een wat onorthodoxe stijl van wielrennen, waarbij hij om de haverklap in de aanval ging om zijn tegenstanders volledig uit te putten. Toch werkte dat voor hem en de overwinningen werden groter en talrijker.

Uiteindelijk won hij de Giro d’Italia en werd er druk op hem uitgeoefend om, ondanks de longontsteking die hij daarbij opliep, ook de Tour De France te gaan rijden. Hij liet zich overhalen maar zou hem niet uitrijden door een val in een rivier. Hij wilde wel, maar moest zich van overheidswege terugtrekken want Italië brengt natuurlijk louter winnaars voort.

Dat laatste kwam uit de koker van Mussolini die inmiddels aan de macht was. Die machthebbers gingen zijn wielerkalender bepalen en ondanks zijn droom om als eerste de Giro en de Tour in één jaar te winnen mocht hij het daaropvolgende jaar in 1938 alleen met de Tour de France meedoen. En er werd verwacht dat hij hem won ook. Winnen deed hij en de manier waarop dit beschreven wordt vind ik één van de grote charmes van dit boek én van het wielrennen uit die tijd.

Uiteraard waren er geen strakke asfaltwegen maar was het afzien in ontzettend lange etappes. Na zijn winst weigerde hij om die winst ten gunste van het fascistische regime aan te wenden en daarom kreeg hij geen groots onthaal in Italië.

De oorlog brak uit. Bartali was inmiddels getrouwd en had een zoon en ging in dienst werken als fietskoerier. Zo kon hij zijn vorm een beetje behouden, maar hij ging tevens als koerier werken voor de Joodse gemeenschap. Weinige dingen waren in de oorlog belangrijker als identiteitsbewijzen en de papieren daarvoor vervoerde Bartali in het frame van zijn fiets. Met gevaar voor eigen leven, want bij ontdekking was executie een reële mogelijkheid.

Na de oorlog pakte hij het wielrennen weer op maar in Italië is het onrustig. De christendemocraten winnen de verkiezingen van de communisten en er wordt een aanslag gepleegd op een communistenleider. Totale chaos dreigt.

Bartali heeft zijn zinnen gezet op de Tour de France uit 1948. Zijn grootste rivaal, uit die tijd, Fausto Coppi, doet niet mee maar hij zal moeten afrekenen met een contingent jonge en sterke Franse wielrenners. Bovendien kreeg hij een belangrijk telefoontje van de Italiaanse premier De Gasperi;

‘Denk je dat je de Tour wint? ‘
‘Nou ja, we moeten nog een week. Maar ik ben voor negentig procent zeker dat ik morgen de etappe win.’…
‘Je hebt gelijk. Jullie moeten nog een week. Maar doe je uiterste best. Dat zou voor iedereen hier heel erg belangrijk zijn.’
‘Hoezo?’
‘Omdat de situatie hier behoorlijk chaotisch is,’ zei De Gasperi.

Alsof het lot van het land op de schouders van de oude Bartali wordt gelegd. Maar hij gaat er vol voor en opent de jacht op zijn Franse concurrent Robic;

Gino’s benen gingen als zuigers op en neer en hij liep op hem in…Jakkerend over de door het naar beneden komende water vernielde weg passeerde Gino hem. Robic was nu zo opgebrand dat hij er niets meer tegen in kon brengen. Integendeel, hij keek Gino aan met een blik die weet dat zijn lot bezegeld is.

U merkt, de schrijfstijl is ook niet vrij van enige dramatiek maar dat past prima bij dit boek. Bartali zou inderdaad de Tour winnen en het voert te ver om te zeggen dat hij daarmee alle spanning in Italië uit de lucht haalde, maar het zorgde voor enige verlichting. De schrijvers van dit boek geven aan talloze interviews voor dit boek te hebben gehouden en uitgebreid bronnenonderzoek te hebben gedaan en staan in voor de uitspraken zoals ze in dit boek staan. Dat moeten we dan maar aannemen want er staat geen literatuurlijst in, maar het zorgt in ieder geval voor een prima leesbaar en heroïsch verhaal over een bijzonder mens.

Lees ook de prima bespreking van Bettina hier.

Vertaling; Pon Ruiter, Jevgenia Lodewijks en Paul Heijman

9021419343.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In het rijtje van ‘de grote drie’ staat hij niet. Blijkbaar is het ook niet de moeite om er ‘de grote vier’ van te maken en misschien wordt hij gewoon te weinig gelezen en/of gewaardeerd, maar feit is dat er naast die drie nog een Nederlandse schrijver is met een behoorlijk groot oeuvre. Willem Brakman is de naam en Nico Keuning schreef zijn biografie met de titel Een ongeneeslijk heimwee.

Brakman publiceerde 51 romans, verhalenbundels, novellen en een enkel essay. Daarvan heb ik er niet één gelezen en ik ben benieuwd wie wel. Nog meer benieuwd ben ik naar uw mening. Zijn werk staat namelijk te boek als redelijk ontoegankelijk.

Het begon echter niet met literatuur. Brakman groeide op in Den Haag en werkte al jong op kantoor. In de avonduren studeerde hij voor het HBS-diploma en met een beurs ging hij medicijnen studeren in Leiden. Hij heeft even een huisartsenpraktijk in Den Haag gehad maar dat leek hem niet zijn bestemming. Hij verhuisde naar Enschede (jawel, een mooie link met mijn laatst besproken boek) en ging werken als bedrijfsarts. Dat was niet een al te drukke baan en het stelde hem in staat om te gaan schrijven.

Hij debuteerde laat, op bijna 40-jarige leeftijd, met zijn roman Een winterreis. Dat is het begin van een lange stroom aan romans; hij schrijft er vaak twee per jaar. Al vroeg is duidelijk dat Brakman niet voor iedereen schrijft, zoals blijkt uit een brief van hem aan zijn uitgever;

Ik voel mij geen ‘literator’. Ik zou niet kunnen schrijven met de gedachte aan literaire perfectie in mijn opgewonden hoofd; ik wil schrijven omdat ik vertellen wil welk brokje leven een Willem Brakman vertegenwoordigt. Als dát er in zit, heb ik de enige vorm gevonden die voor mij normatief moet heten.

Eenieder heeft zo best wat te stellen met Willem Brakman. Zijn uitgever, door de niet altijd makkelijke verhalen (hij liet zich ook weing gelegen liggen aan enige vorm van interpunctie), de lezer om die verhalen te volgen en te doorgronden (zeker als men wil nagaan welke autobiografische gegevens erin zitten verwerkt of welke personen er al dan niet verbasterd in voorkomen) én zijn familie.

Brakman is getrouwd en heeft twee kinderen. Die moeten vooral stil zijn als hij aan het schrijven is. Waar Simon Vestdijk graag schreef bij het geluid van zijn Nilfisk-stofzuiger, daar had Brakman liever een ‘vliegkap’, die hij op het vliegveld had gekocht;

Een ‘rummi vuurkap’: ‘Dat zijn grote bollen, gedeeltelijk met vloeistof gevuld, en die plaats ik dan op mijn hoofd en dat is een uiterst beroerd, benauwd gevoel maar het geeft dan in ieder geval toch iets van stilte weer zodat ik althans kan horen wat ik denk.’

Ik heb er nog geen foto’s van gevonden helaas…Brakman voerde een correspondentie met Vestdijk overigens en verder loopt de vriendschap met interviewer Nol Gregoor als een rode draad door zijn leven. Die vriendschappen kenden ups and downs, niet in het minst omdat Brakman de gewoonte had om veel uitspraken of gebeurtenissen direct in zijn werk op te nemen. Schrijver Jean-Paul Franssens werd hier onaangenaam door verrast, toen hij aan Brakman in vertrouwen vertelde over zijn buitenechtelijke escapades, maar die vervolgens met geuren en kleuren teruglas in Brakman’s volgende roman.

Wat maakt het nu zo lastig om die romans te lezen? Literatuurcriticus Tom van Deel kan er enig licht op doen schijnen. Hij zegt dat de vorm de samenhang bepaalt. Brakman wil het perspectief openhouden ‘voor wat zich toevallig aandient.’ Journalist Wim Noordhoek zegt dat Brakman ‘zijn neus achterna schrijft.’ Dichter Jan Kuijper zegt vervolgens;

‘Wat dat betreft lijkt hij helemaal niet op Vestdijk, waarin alles wel in het grote geheel past, wat soms tot een soort dorheid heeft geleid. Brakman is een van onze geestigste schrijvers. Zijn humor is bijzonderder dan die van Reve.’

Geen vooropgezette schema’s in zijn werkwijze dus. Brakman schreef, veelal vanuit zijn persoonlijke obeservaties en herinneringen met een aantal belangrijke thema’s zoals de dood en de vergankelijkheid, erotiek en angst. Ook zijn woonplaatsen Den Haag en Enschede komen vaak voor. Hij schreef zoals het hem inviel en vaak wist hij zelf niet waar het verhaal naar toe ging. Dat leidde er wel toe dat het grote publiek hem niet omarmde, omdat men hem niet altijd volgde in zijn gedachtensprongen.

Daardoor verbitterde Brakman wel enigzins, maar hij deed geen concessies. Het leverde hem uiteindelijk wel de P.C Hooftprijs op voor zijn gehele oeuvre en het doet mij toch zeer benieuwen naar zijn werk, bijvoorbeeld door het volgende fragment uit zijn verhaal Engel, waarin de engel, een oude man met een kaal, bleek hoofd en ‘hier en daar nog wat slierten grijs haar’, op een brancard naar een restaurant wordt gedragen:

‘De rug was bloot, een ouwe-mannetjesrug: los vel vol sproeten en mee-eters. Toch was goed te zien hoe de slagpennen met een bijna komische vanzelfsprekendheid in grote kam met de rulle huid waren vergroeid, die hier en daar dun en vliezig tot ver over de schachten groeide of in de diepte de pennen blauw liet doorschemeren.’

Die beschrijving gaat nog even door en kan nooit representatief zijn voor zijn gehele werk maar het is prachtig gedaan en bleef mij erg bij. Ook hier geldt dat ik het vooral zelf moet gaan ontdekken, want de voor- en tegenstanders van naam zijn er genoeg. Bij die ontdekking is dit in ieder geval een prachtig boek en onmisbaar hulpmiddel. Wilt u meer over Willem Brakman te weten komen, dan kan dat via deze site.

9038806116.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de man zit nog een jongen. Die titel gaf Elsbeth Etty mee aan haar biografie van dichter en schrijver Willem Wilmink. In mijn bespreking van Wilmink’s Verzamelde liedjes en gedichten noemde ik hem ook nog een zanger, maar je leert bij uit een biografie. Hij zong zijn liedjes, zeker, maar echt een zanger was hij ook weer niet.

Etty heeft een prettig leesbare biografie geschreven van ruim 470 pagina’s. Ik ben een liefhebber van het werk van Wilmink en of dat meteen inhoudt dat ik alles over zijn leven wil weten, nou nee; niet meteen. Toch houd ik van dit soort boeken. Natuurlijk is het aardig om de man wat beter te leren kennen maar ik vind het leuker om de tijd en het milieu te leren kennen waarin iemand zijn werk schreef en om te zien met welke personen hij in aanraking kwam of welke gebeurtenissen zijn werk hebben beïnvloed.

Ik hoef zijn levensloop hier niet te herhalen, leest u daar het boek zelf maar voor, maar een kleine spoiler is wel op zijn plaats. Bent u lyrisch over zijn werk en dweept u met Wilmink, dan misschien dit boek maar niet ter hand nemen, want er kunnen u een paar schellen van de ogen vallen. Wilmink was wel een man met een gebruiksaanwijzing, ‘to put it mildly.’

Zijn talent voor het aanleveren van gedichten en liedteksten werd al snel onderkend en hij werd bijvoorbeeld door Hedy d’Ancona gevraagd om teksten aan te leveren voor de cabaretgroep La Pie qui chante. Pianist, componist en latere presentator Han Reizger zette zijn teksten op muziek. Wilmink is nog een blauwe maandag leraar geweest, wat geen onverdeeld succes was overigens. Frits Barend en Erwin Rutte, die later nauw met Wilmink zou samenwerken voor De Film van Ome Willem, waren leerlingen van hem.

Op het amoureuze vlak verging het Wilmink aanvankelijk niet best. Hij grossierde in blauwtjes die hij liep, maar trouwde uiteindelijk met Noor. Hij kreeg twee zoons, maar het huwelijk was geen succes. De belangrijkste reden waren zijn driftbuien. Die waren voor Noor een volkomen onbekend fenomeen;

Hij ontplofte om niets. Ik kon me niet voorstellen dat iemand zich in ernst zo aanstelde, maar hij had gewoon een cholerisch karakter. Hij geneerde zich nergens voor. Hij was vaak razend op mij of op het leven, en hij probeerde nooit zijn woede een beetje te temperen. Integendeel. Het werd steeds erger. Vaak met een flinke slok op.

Wilmink wordt wetenschapper en zal uiteindelijk zelfs promoveren, maar dat had behoorlijk wat voeten in aarde. De rode draad is hier de erkenning waar Wilmink zijn hele leven naar zocht. Hij wilde voor iedereen begrijpelijk schrijven en ontkende dat hij voor kinderen schreef, hij schreef voor iedereen. Zelfs zijn proefschrift was voor jong en oud leesbaar. Toch bleef hij altijd het gevoel hebben dat er op zijn kunst neergekeken werd.

Aan verzoeken om teksten lag het niet. Hij kon uiteindelijk leven van zijn werk. Hij schreef teksten voor Cabaret Don Quishocking, ging publiceren, werkte voor De Stratemakeropzeeshow, De Film van Ome Willem, Sesamstraat, Het Klokhuis en hij bleef onafgebroken gedichten schrijven. Het mooie van die gedichten, ga ze vooral lezen, is dat hij ze voor iedereen schreef. Hij omarmde ieder ras en geloof, daar is zijn werk van doortrokken.

Zijn tweede vrouw, Wobke, kon wel zijn gebruiksaanwijzing hanteren. Hij verhuisde met haar onder meer naar Zeist, voor ze in zijn gebooteplaats Enschede neerstreken. Wilmink had wel steeds meer last van verschillende dwangneuroses en angsten. Dat leidde soms tot voor veel mensen onbegrijpelijke keuzes. Hij was bijvoorbeeld niet op de bruiloft van zijn zoon of bij de uitvaart van zijn goede vriend, de componist Harry Bannink. Het was geen desinteresse, hij kon het niet, zo legt zijn goede vriend Herman Finkers uit aan Etty. Overigens heeft Wilmink wel een prachtige anekdote over Bannink, die niet in hel en hemel geloofde;

Kort na diens dood droomde hij dat hij Bannink belde met de vraag waar hij zich bevond. ‘In Paleis Het Loo,’ luidde het antwoord. Zo eigenwijs was hij dus, concludeerde Wilmink. ‘Nou zit-ie in de hemel en gelooft-ie het nog niet.’

Na een herseninfarct en een aantal tia’s gaat de gezondheid van Wilmink achteruit en uiteindelijk houdt hij zelf de regie over zijn leven. Het is een mooi boek over een man die niet makkelijk was voor zichzelf en voor anderen, maar die uiteindelijk de erkenning kreeg waar hij zo naar zocht. Misschien had ik wat meer willen lezen over het proces van schrijven. Ik lees steeds dat het hem makkelijk af ging en dat hij maar zelden een opdracht afwees maar het blijft een beetje ongrijpbaar. Wellicht is er ook niet meer over te vertellen en speelde dat proces zich uitsluitend in zijn hoofd af.

Je kon er wel mee spelen, zoals Joost Prinsen deed. Die wilde een gedicht over de Joodse goochelaar Ben Ali Libi hebben. Wilmink zegde dat wel toe maar het duurde erg lang. Toen schreef Prinsen het maar zelf en stuurde het op naar Wilmink. En dan kom je op zijn terrein…Wilmink:

‘Je kan misschien een beetje toneelspeel’n, maar denk nou niet dat je ook kan tekstschrijv’n’

Wilmink stuurde per kerende post zijn versie terug en het is één van zijn bekendste werken geworden.