archiveren

(Auto)biografie

9044634674.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Frits van Oostrom heeft met Nobel Streven het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode verteld. Dat is meteen de ondertitel van het boek, die ik een tikje hysterisch vond en nog steeds vind, maar ik werd er wel door aangespoord om de achterkant te lezen én het boek aan te schaffen…

Jan van Brederode maakte deel uit van een roemrucht geslacht wat verweven is met de Nederlandse geschiedenis. Omdat zijn oudste broer het klooster in ging werd Jan de heer Van Brederode in het graafschap Holland. Hij vocht tegen de Friezen en werd commandant in Staveren. Door zijn huwelijk met Johanna van Abcoude werden de bezittingen uitgebreid en het vermogen vergroot. Het huwelijk bleef kinderloos, wat een reden zou kunnen zijn voor zijn pelgrimstocht naar Ierland. Omdat het land werd verscheurd door Hoekse en Kabeljauwse twisten én de Arkelse oorlogen, werd het slot van Van Brederode verwoest en raakte hij in financiële problemen.

Hij en zijn vrouw Johanna besloten om in te treden in het klooster. Die keuze was nogal radicaal. Van krijgsheer tot kartuizer, Van Oostrom beschrijft het treffend;

Dit werd nu Jan van Brederodes leven…Geen kasteel meer maar één kamertje. Geen personeel om te bevelen; hij werd nu zelf bediende. In plaats van lange adellijke lokken, helemaal kaal en met een baard…Geen handschoenen maar blote handen, geen laarzen maar sandalen, en van luxe kledij naar alle dagen in hetzelfde habijt.

Van Brederode werd er schrijver en zou de tekst van een Frans biechtboek, La Somme le Roi, (Des coninx summegrotendeels in het Nederlands vertalen. Hij liet het klooster en de vertaling voor wat het was toen er een mooie erfenis in de familie daagde en zijn opvolger, broer Walraven in het gevang zat. Overigens had die uittreding erg veel voeten in de aarde, iets dat prachtig wordt beschreven in dit boek. Hij trachtte vervolgens zijn vrouw uit haar klooster bij Wijk bij Duurstede te ontvoeren, maar dat mislukte. Jan van Brederode werd gevangen gezet. Na zijn vrijlating was hij heer af en trok hij als huurling naar Frankrijk, waar hij uiteindelijk sneuvelde in de slag bij Azincourt. Aan welke zijde, de Franse of de Engelse, dat is onbekend maar de auteur bespreekt dit uitgebreid en maakt aannemelijk dat dit aan de verliezende Franse zijde is geweest.

Wat maakt dit boek zo bijzonder? Meerdere zaken. Allereerst het taalgebruik. De ondertitel geeft het al aan, het mag allemaal wetenschappelijk onderbouwd zijn, het wordt allemaal zeer toegankelijk opgeschreven. Over Engelse boogschutters;

…zullen deze Engelsen ternauwernood hebben geweten waar ze waren en waarom het ging. Laat staan dat ze Woudrichem konden uitspreken.

Vervolgens de wetenschappelijke onderbouwing; de auteur gaat na de dood van Jan van Brederode nog een paar hoofdstukken door, waarin wordt ingegaan op het boek zelf en hoe dit tot stand kwam. Uitermate boeiend en verhelderend. De auteur;

Hetgeen bijvoorbeeld impliceert: durven veronderstellen dat Jans gang naar de kartuis Zelem (mede) bedoeld was om ruimte te maken voor Walraven als nieuwe heer van Brederode…Of (re)construeren dat Jans tweede Engelse koningsoorkonde kan zijn voortgevloeid uit deelname aan zijn priors visitatie van de kartuis in Londen…Maar een kaartenhuis blijft het. Of met een ander beeld: dit boek is als een gobelin dat aan de voorzijde een rijk geweven panorama biedt, maar aan de achterzijde tal van stopgaatjes vertoont.

Tenslotte; het bredere perspectief. Het geslacht Van Brederode wordt uitgebreid in kaart gebracht (uiteraard met stamboom in het boek) en de verwevenheid met de Nederlandse geschiedenis daarmee ook. Ik vond het mooi om te lezen wat zich in het gebied waar ik zelf woon heeft afgespeeld in de middeleeuwen en ik moet dat praalgraf van de familie in Vianen maar eens gaan bezichtigen. Voetnoten staan er niet in het boek, er wordt verwezen naar een website die bol staat van de informatie en waar de liefhebber nog even voort kan met zich te verdiepen in de wereld van Van Brederode.

Advertenties

9028261400.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Met mijn interesse voor het Nederlands literatuurlandschap kon ik niet om Geert van Oorschot, uitgever van Arjen Fortuin heen. Met ruim 600 pagina’s is dit een biografie die mij veel heeft bijgebracht over het literaire klimaat in Nederland uit de vorige eeuw.

Het vak leerde hij bij Uitgeverij Stols en bij Uitgeverij Querido. Na de oorlog vestigde hij zich als zelfstandig uitgever in Amsterdam, inmiddels met zijn tweede vrouw Hillie Munneke. Eigenlijk begint daar het grote uitgeversavontuur en blijkt waar de grote kracht van Van Oorschot in zit. Hij zorgt allereerst voor een goede catalogus met auteurs als Multatuli, Du Perron en Couperus. Hij wordt wel de uitgever van de dode schrijvers genoemd. Dat deert hem niet, ook nieuwe talenten als Hermans en Van het Reve gaan met hem in zee.

Vervolgens zorgt hij voor herkenbaarheid, door de vormgever Helmut Salden aan te trekken. Een nukkige, compromisloze Duitser maar een vakman, onder meer verantwoordelijk voor het vignet dat nog altijd de boeken van Van Oorschot siert.

Verder was Van Oorschot niet bang voor grote projecten. De complete Multatuli, de Russische Bibliotheek, de complete Belle van Zuijlen, er waren astronomische investeringen voor nodig maar Van Oorschot praatte en sleurde onvermoeibaar, net zolang tot hij het voor elkaar had. Het boek maakt zeer duidelijk dat hij heel nauw naar de kosten keek; erven liet hij van royalty’s afzien, kosten werden links en rechts ingehouden op honoraria van schrijvers en vertalers en als er werd geklaagd dan kon hij een waar rookgordijn van cijfers optrekken ter verantwoording.

Dat was dan ook zijn valkuil. Een enorm temperament en enorme gedrevenheid waardoor hij mensen aantrok en afstootte. Hermans, Van het Reve, Salden en een hele berg anderen, hij ging er mee in zee en kreeg er de grootste ruzie mee. Anderen konden beter met hem omgaan, zoals de weduwe van Menno ter Braak, van wie hij ook het complete werk uitgaf;

‘Natuurlijk is van O. een gek en een barbaar en een fantast en een bezetene en wat je maar wilt. Maar zonder die eigenschappen had hij nooit deze uitgeverij gehad en was ook het Verzameld werk van Ter Braak nooit verschenen. Het kan best zijn dat hij mensen heeft bedonderd en dan was hij slimmer dan die mensen. Ik heb zelf enorme ruzies met hem uitgevochten en een grote bek gezet tegenover de zijne.’

Van Oorschot dendert door. Met zijn blad Tirade bijvoorbeeld. Hij had al eerder bladen uitgegeven en talloze redacties versleten, maar Tirade zou hem overleven. Een blad vond hij nodig om aan het maatschappelijk debat deel te nemen. Waar Van Oorschot altijd dichter wilde worden, brak hij door als schrijver met zijn boek Twee vorstinnen en een vorst, onder het pseudoniem R.J. Peskens. Daar hield het succes als schrijver ook wel op;

‘R.J. Peskens is reeds geruime tijd aan het nadenken of de boeken welke hij in portefeuille heeft wel goed genoeg zijn voor publicatie,’ schreef hij eind 1978 aan criticus Wam de Moor. En het was niet goed genoeg. Achteraf beschouwd was R.J. Peskens bij het verschijnen van zijn debuut al uitgeschreven.

Privé kreeg van Oorschot een dreun te verwerken met de zelfmoord van zijn zoon Guido. Er kwam druk te staan op zijn huwelijk met Hillie maar ze bleven bij elkaar tot haar dood in 1979. Een andere constante in zijn leven was zijn goede vriendin, schrijfster, dichteres en psychiater Vasalis met wie hij in contact bleef tot aan zijn dood in 1987.

Ik vond het een prachtig boek om te lezen. Ik heb de liefde voor poëzie van Van Oorschot nog niet genoemd maar die komt uitgebreid aan bod en deed mij een aantal bundels bestellen, onder meer van Jan van Nijlen, Christiaan J. van Geel, Richard Minne en Jan Emmens. Zijn omgang met de literaire grootheden zoals wij ze kennen is fascinerend. De clashes met Hermans en Van het Reve, het afserveren van Biesheuvel, een A.F. Th. van der Heijden die met het zweet in zijn handjes Van Oorschot niet durft aan te spreken (hoewel hij voor een kop koffie was uitgenodigd) en ga maar door. Een eigenzinnig man die uiteindelijk een pracht van een bedrijf heeft nagelaten.

1001004000009678
Soekarno President is deel twee van de omvangrijke biografie over de eerste president van Indonesië, geschreven door Lambert Giebels. Om direct met de deur in huis te vallen, de kwaliteit ligt in het verlengde van deel één, dus ook dit deel vond ik zeer de moeite waard.

Het helpt wel als je een beetje belangstelling hebt voor de regio en er in rondgereisd hebt, want in totaal is het meer dan 1000 pagina’s leesvoer, maar dan ben je ook aardig ingevoerd over de persoon Soekarno én in het ontstaan en de geschiedenis van Indonesië.

Soekarno is inmiddels president (dit boek beschrijft de periode 1950-1970)  en focust in beginsel op het buitenlands beleid van Soekarno en de Nieuw-Guineakwestie. Soekarno had ooit beloofd om Nieuw-Guinea in te lijven in zijn rijk en daar slaagde hij uiteindelijk in. Het wordt uitgebreid beschreven, evenals de talloze staatsbezoeken die Soekarno aflegt. Veel ervan waren bedoeld om support te krijgen voor deze kwestie. Veel, want hij gebruikte zijn staatsbezoeken ook voor een merkwaardig soort struisvogelpolitiek.

Soekarno had een broertje dood aan economie en binnenlandse moeilijkheden. Hij zag er geen been in om, bij problemen waar zijn aanwezigheid vereist was, langer in het buitenland te verblijven in de hoop dat alles wel zou overwaaien. Toch ging Soekarno ook met de binnenlandse politiek aan de haal en hij introduceerde de ‘geleide democratie’. Een vorm waarin de oppositie monddood werd gemaakt en het parlement zijn macht moest inleveren. Soekarno vertegenwoordigde de wil van het volk, gesteund door het leger.

Waar Soekarno succes boekte met de inlijving van Nieuw-Guinea, ging hij onderuit in de confrontatie met Maleisië. Het voert te ver om dit hier uit te leggen (meer informatie vindt u hier), maar de gekwetste trots van de president was hier een grote factor en dat maakt het boeiende lectuur. Dat geldt overigens voor de hele biografie. Soekarno was een charismatisch spreker, een promiscue flierefluiter (en liet zich daar in ieder gezelschap op voorstaan) maar ook een sluwe en soms opportunistische politicus. Zo is nooit duidelijk geworden wat precies zijn rol is geweest tijdens de coup van 1 oktober 1965, toen een aantal generaals werden vermoord. Het was wel het begin van het einde, want Soekarno verloor zijn macht en moest uiteindelijk de controle over het leger overdragen aan de opkomende generaal Soeharto. Dat deed hij op ontluisterende wijze, wetend dat zijn macht gebroken was;

De president…verscheen met zijn hemd uit de broek op een inderhaast belegde internationale persconferentie voor de camera’s. Op hoge toon verklaarde hij: ‘I, President of the Republic of Indonesia, Supreme Commander of the Indonesian allied forces, Great Leader of the Revolution, appoint hereby general Suharto…’ Om zich heen kijkend onderbrak hij zich zelf met de onnozele vraag: ‘Where is that man?’ – alsof hij wilde zeggen: wat meet die man zich aan?’ Toen Soeharto met een duistere blik enkele passen naar voren deed…ging Soekarno verder: ‘I appoint him as commander and as minister.’ Met een schaapachtig lachje sloot hij de benoeming van Soeharto…af met: ‘And that is all.’

Dat was het begin van de opkomst van Soeharto. De gezondheid van Soekarno ging achteruit en hij overleed op 21 juni 1970. Daarmee was zijn gedachtegoed nog niet ten einde, want zijn dochter Megawati zou later nog een drietal jaren president zijn van Indonesië.

Net als het eerste deel leest het boek prima door, als je een beetje over al die organen heen kunt lezen die opgericht en weer ontbonden werden. Er staat niet voor niets een lange afkortingenlijst achterin het boek. Giebels geeft tegen het einde van het boek een aardig slotbeeld van de persoon en president Soekarno. Dat gaat over zijn rol als rechtvaardige vorst waar behoefte aan was, die rol vervulde hij voor de gewone Javaan die niet zat te wachten op een parlementaire democratie. Zijn oratorische gave en charisma stelden hem in staat om deze leidersrol voor zich op te eisen, los van de instituten van de parlementaire democratie die er wel degelijk waren. Aan de andere kant bleef Soekarno revolutionaire leuzen roepen waar hij vervolgens hard achteraan holde, zoals “Vrijheid voor Irian” en “Naar de hel met je ontwikkelingshulp”. Dat helpt je als staatsman niet altijd per se verder. Er valt nog oneindig veel meer te vertellen, lees het vooral zelf, behalve het opmerkelijke feitje dat Soekarno dol was op het zingen van Nederlandse liedjes en het tappen van moppen. Voor dat laatste had hij een abonnement op De Lach. Ook dat staat in deze biografie en maakte het lezen ervan leuk.

be84eb29790c569592b56375251444341587343
Lambert Giebels heeft een uitgebreide biografie geschreven over de eerste president van Indonesië. Soekarno Nederlandsch onderdaan is het eerste deel en beschrijft de periode van 1901 tot 1950. Bijna 500 pagina’s dik en deel twee, dat de jaren 1950 tot 1970 beschrijft is nog net wat dikker. Het is dan ook niet alleen een biografie van Soekarno, het is ook de biografie van Indonesië zelf. Nu heb ik een beetje in dat land rondgereisd dus ik las dit boek met belangstelling.

Soekarno was een intelligente leerling die zich al snel voor politiek begon te interesseren. Hij werd gevormd door de eerste nationalistische partij, de Sarekat Islam, wiens voorzitter nog even zijn schoonvader werd. Hij schopte het tot ingenieur, maar zou al zijn tijd besteden aan politiek. Zijn doel was een onafhankelijk Indonesië en hij voorspelde al een grote oorlog in de Pacific, die voor Indonesië van belang zou kunnen zijn. Hij kon aardig voorspellen….

Hij kon ook aardig praten. Hij was een charismatische man die wel steeds driestere uitspraken deed, waardoor hij uiteindelijk gevangen gezet werd door het Nederlands gezag. Het valt ook te begrijpen waar zijn aversie tegen die Hollanders vandaan kwam. Uitspraken van Gouverneur-generaal De Jonge, een stereotype kolonialist, hielpen niet echt;

‘My predecessor made too many promises. I always preface my remarks to the nationalists with one sentence: “We the Dutch have been here for three hundred years; we shall remain here for another three hundred years. After that we can talk.”‘

In de gevangenis zien we ineens een andere kant van Soekarno. Hij schrijft maar liefst vier smeekbrieven om onder zijn straf uit te komen. Uiteindelijk wordt hij verbannen naar het eiland Flores. Daar schrijft hij de Pantja Sila, de vijf zuilen die tot op heden de staatsfilosofie van Indonesië vormen.

Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Nederland heeft ineens een stuk minder te vertellen en Soekarno zoekt de samenwerking met de bezettingsmacht, met de Japanners. Daar komen ook de termen vandaan waardoor hij niet in een best daglicht staat bij ons. Collaborateur, de Indonesische Mussert enzovoort. Dat heeft twee kanten natuurlijk. Hij zocht de meest pragmatische weg naar onafhankelijkheid. Nederland ging hem die niet geven. Aan de andere kant zorgde hij voor tienduizenden arbeiders voor de Japanners, waarvan hij wist dat het gros niet zou terugkomen. Dat nam hij op de koop toe.

Ondertussen was Soekarno al aan zijn derde huwelijk toe, met de veel jongere Fatmawati. Giebels weet hierover zelfs een cliffhanger te schrijven;

Fatmawati had een vooruitziende blik. Maar als Soekarno de moeder van vier van zijn kinderen later inruilt voor de ervaren courtisane Hartini, zal hij ontdekken dat het dorpsmeisje uit Benkoelen zich heeft ontwikkeld tot een sterke persoonlijkheid, die het hem danig lastig zou maken, tot en met zijn politieke val toe.

Kijk, zo krijg ik zin om verder te lezen. Er volgt dan ook genoeg. De onafhankelijkheidsverklaring en het anarchisme van de Bersiap-periode. Dat laatste hield in het paraat staan ten opzichte van iedereen die “Merdeka” of vrijheid in de weg zou staan. Er volgden pogroms op de Chinese inwoners die er van verdacht werden met de Nederlanders te heulen. De Nederlanders voerden hun politionele acties uit en arresteerden Soekarno weer. Deze werd vernederd wat zijn haat alleen maar meer voedde. Hij kreeg uiteindelijk huisarrest bij het Tobameer op Sumatra, een oord waar hij overigens veel bewegingsvrijheid had en op zijn wenken bediend werd. Uiteindelijk werd hij na een wapenstilstand vrijgelaten en zou hij in 1945 de eerste president van Indonesië worden.

Een dik boek maar het is vlot geschreven, ik heb het achter elkaar uit gelezen. Het duizelt je af en toe wel van de partijen en organisaties die worden opgericht en weer ten onder gaan, maar daar kan je vrij makkelijk overheen lezen. Ik ga niet te lang wachten met deel twee.

9023454588.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Toen was hij er ineens; de vuistdikke biografie van Jan Wolkers, Het litteken van de dood, door Onno Blom. Ik wist dat hij er aan zat te komen, dat Blom er 10 jaar aan had gewerkt en ik keek er wel naar uit. Waarom? Ik heb maar één boek van Wolkers gelezen en twee films gezien die op zijn boeken zijn gebaseerd. Maar ik was bekend met zijn kunstwerken en ik heb het altijd een markant figuur gevonden, hij was vaak in de media te vinden. Daarom wilde ik die kleine 1000 pagina’s graag lezen.

Toch had het boek bijna niet nu verschenen, er was nogal wat om te doen. Blom zou op de biografie promoveren, maar het manuscript werd in eerste instantie afgewezen door de promotiecommissie. Blom zou te dicht bij zijn hoofdpersoon zijn gebleven en te weinig de tijdsgeest hebben beschreven waarin Wolkers acteerde. Dat is een opvatting, maar de manier van schrijven van Blom is dat ook, dus werd de commissie ontbonden en werd er een nieuwe aangesteld, die wel akkoord ging (overigens geheel volgens de regels). Voilà, het boek kon toch uitgebracht worden, tien jaar na het overlijden van Wolkers.

Blom had de opdracht van Wolkers zelfs gekregen en had de beschikking over zijn uitgebreide archief. Wolkers bewaarde werkelijk alles. Uit het boek wordt duidelijk dat iedere ontmoeting, gebeurtenis of gesprek input vormde voor zijn kunst. Een beeld, boek, artikel, toneelstuk, gedicht, schilderij, hij was van veel markten thuis. Wolkers ging zelfs zover dat hij ongezien een bandrecorder liet meelopen bij gesprekken met zijn ouders, geliefden en zelfs op begrafenissen, om zo puur mogelijke reacties te verkrijgen.

Hieruit volgt ook dat veel van zijn werk een sterk autobiografisch karakter heeft. Zijn leitmotieven zijn ook helder; een liefde voor de natuur, een afkeer van het geloof, fascinatie voor de dood en een ongebreidelde seksuele drift. Bij dat laatste nam hij in zijn boeken geen blad voor de mond, hij noemde alles bij naam, precies zoals we dat in het echt ook doen, zo was zijn redenatie. Hij gooide ‘en passant’ de seksuele moraal er wel even mee om in de tijd dat zijn boeken verschenen.

Zo’n dik boek geeft uiteraard een stortvloed aan informatie. De chronologie wordt keurig gehandhaafd. Er is uitgebreid aandacht voor zijn jeugd en opleiding. Dat geeft een goed beeld van hoe hij tot zijn werken komt. Zijn huwelijken en kinderen spelen ook een grote rol, zeker de dood van zijn dochtertje Eva. Wolkers is niet monogaam en heeft een voorliefde voor jonge vrouwen. Welke relatie hij ook heeft, zij zal andere vrouwen moeten gedogen. Zijn laatste liefde, Karina, kon hier het beste mee omgaan.

Zijn beelden en sculpturen waren alom geliefd en zijn boeken waren dat ook. Bij het publiek dan. Hij was tijdenlang de best verkopende auteur van het land, maar ieder boek kreeg steevast vernietigende kritieken van een vast clubje. Dat was het enige wat een beetje een opsomming werd in dit boek. Het volgende boek, goed verkocht, veel kritiek, verongelijkte Wolkers, volgend boek, goed verkocht enzovoort.

Maar, het leest verder geweldig weg, ik heb mij geen moment verveeld. Wolkers komt naar voren als een authentiek mens. Apart, maar bevlogen en op vele vlakken autodidact. Het moest wel allemaal volgens zijn spelregels. Zo was zijn ex-vrouw Annemarie Nauta verbolgen over het feit dat Olga uit Turks Fruit op haar gebaseerd was. Wolkers had hier zijn eigen verhaal bij;

‘Ik heb natuurlijk autobiografische elementen gebruikt, maar Turks Fruit is een roman, geen autobiografie. Ik heb veel vrouwen gekend en een aantal vrouwenfiguren in elkaar geschoven, gecombineerd tot Olga. Eén echte complete Olga heeft nooit bestaan’. 

Maar tegen regisseur Paul Verhoeven had hij een ander verhaal opgehangen:

‘We waren geschokt’ zegt Verhoeven. ‘Of een deel van de bodem onder ons vandaan was getrokken. Wij dachten allemaal écht dat Olga dood was. En nu bleek ze te leven…En Wolkers had ons toch maar mooi al die tijd de leugen laten verkondigen dat Olga dood was. Daar hebben we echt van moeten bijkomen.’

Het boek staat vol met dergelijke verhalen en je volgt zijn ontwikkeling van tomeloze kunstenaar tot de broze oude man die hij uiteindelijk werd. Broos, maar vol liefde voor zijn tweeling en zijn vrouw. Broos, maar blijvend scherp, zoals toen hij last had van wondroos; ‘Jan Peter Balkenende had dat ook’, zei Wolkers, ‘maar die had het verdiend.’

Wolkers, een grote robuuste vent met aparte trekjes maar een oorspronkelijk mens, die een dergelijke biografie wat mij betreft verdient. Ik mis hier geen tijdsgeestbeschrijvingen. Een gevoelsmens ook en laat ik daarmee afsluiten, als hij beseft dat hij verhuist, weg van het huis waar zijn dochter Eva is overleden;

Van alle plekken in huis waaraan hij herinneringen had, maakte er één hem nog altijd radeloos en misselijk van verdriet. Het was de plek op de muur waar de handjes van Eva hadden gestaan. ‘Godverdomme ja, tiny little finger-prints,’ schreef hij in Een roos van vlees. ‘Het was chocoladepasta. Ze had allebei haar handjes tegen de muur gedrukt. Misschien heb ik haar er wel een standje voor gegeven. Ik probeerde ze weg te wassen nadat ze was doodgegaan. Het ging niet.’

9910d0b249c597f5974776d7041444341587343
Een boek van 379 pagina’s over één boekhandel, is dat interessant? Ja. Er is ontzettend veel over te vertellen en nog meer te laten zien. Shakespeare and Company van samenstelster Krista Halverson kan worden gezien als de autobiografie van de beroemde boekhandel in Parijs, aan de Rue de la Bûcherie, uitkijkend op de Notre Dame.

Het begint allemaal in 1919, als Sylvia Beach haar boekwinkel Shakespeare and Company opent aan de Rue Dupuytren in Parijs. Door de oorlog gedwongen moest ze haar winkel sluiten. Na de oorlog kwam de Amerikaan George Whitman naar Parijs en opende zijn boekhandel Le Mistral aan de Rue de la Bûcherie. Zijn winkel was een voormalig klooster uit de 17e eeuw. Na verloop van tijd en met toestemming van Sylvia Beach wijzigde hij de naam naar Shakespeare and Company.

George had een aparte filosofie. Hij verzamelde enorm veel boeken om zich heen. Omdat hij op zijn reizen overal welkom was geweest, was iedereen welkom bij hem. Beneden werd een winkel ingericht, boven een bibliotheek. Boeken werden verkocht, uitgeleend of ter plekke gelezen. Er werden bedden geïnstalleerd en men was welkom om te blijven slapen. George noemde zijn gasten ‘Tumbleweeds’, naar de tuimelende prairieplanten die zich van hun wortels hebben losgemaakt. Hij stelde een paar eisen aan de overnachting; een paar uur meehelpen in de winkel, een autobiografie schrijven met foto en een boek per dag lezen.

En gasten kwamen er, maar ook schrijvers, dichters en muzikanten. Er werden bijeenkomsten georganiseerd waar werd voorgedragen, gemusiceerd en gefilosofeerd. Whitman was daarbij de spil. Hij kookte voor zijn gasten en kwam en ging zoals het hem goeddunkte. Hij kon gerust een gast vragen ‘even’ op de winkel te letten en een paar dagen later terugkeren. Geld interesseerde hem niet, alleen om zijn winkel uit te breiden.

Hij werd op late leeftijd vader van een dochter Sylvia (inderdaad vernoemd naar Sylvia Beach) die na zijn overlijden in 2011 de winkel zou voortzetten.

Tot zover in vogelvlucht het verhaal van de winkel, maar rechtvaardigt dat zo’n lijvig boek? Jazeker. Het boek biedt een schat aan informatie over al diegenen die de winkel hebben bezocht en wat er over de winkel is geschreven. Ook geeft het een inkijkje in het Parijs van die tijd. Tijdens de grote studentenprotesten was de winkel een toevluchtsoord bijvoorbeeld. In het boek staan veel foto’s van gasten, prominent of niet, autobiografieën van de Tumbleweeds, strips, schilderijen en tekeningen van de winkel, brieven van George (onder meer aan Gorbatsjov over het oprichten van een varende universiteit) en werk van dichters die de winkel bezochten, zoals Alan Ginsberg, Jim Morrison, Anaïs Nin enzovoort. Het is een rijk en gevarieerd boek.

Maar het meest staat toch de eigenaar bij, George Whitman. Een citaat uit het verhaal van een Tumbleweed, Overty Darren Peter, die hem aansprak in de winkel;

“Excuse me, are you the owner? Yes? Oh. Do you by chance need any staff?”
“Sure we do, boy! Can ya work twenty-five hours a day? Do ya like scrubbing floors? Can ya go without sleep for three weeks? Do ya love books? Do you know how not to run a bookstore? You do? Then what are you waiting for? Take over!

Een man met het hart op de juiste plaats maar die hangt aan zijn eigen gewoontes en systemen. Als zijn dochter Sylvia in de winkel komt helpen en langzaam wat verbeteringen en moderniseringen doorvoert, sluipt George ’s nachts naar beneden om ze weer ongedaan te maken, tot het laten verdwijnen van de computer aan toe. Zo staan er talloze verhalen en anekdotes in het boek. De altijd aanwezige kat heet altijd Kitty, naar de beste vriendin van Anne Frank (er staat overigens een prachtige brief van George aan Anne Frank in het boek), de hond heet naar de schrijfster Colette. George die zijn haren ‘knipt’ met de vlam van een kaars (foto in het boek), het bezoek van voormalig president Clinton waar George te verlegen voor is maar waarmee hij uiteindelijk in zijn pyjama mee op de foto gaat (ook deze staat in het boek). De nukken en grillen van George, terwijl hij uiteindelijk alleen maar wil dat mensen lezen en genieten, desnoods door ze maanden achtereen te laten blijven (favoriet citaat van George “I’m tired of people saying they don’t have time to read. I don’t have time for anything else!”)

Voor iedereen die er geweest is en zeker als je de winkel nog wil bezoeken is het boek een aanrader. Als ik er weer kom bekijk ik de winkel met heel andere ogen. Ik laat nog even de huidige eigenaresse aan het woord, Sylvia Whitman, over haar vader;

George believed that the books we read form an essential part of our identities, the books signify freedom, and that books connect us. In building his shop, he expressed these convictions in every corner. A bookstore – or, in this case, a “socialist utopia masquerading as a bookstore” – is a place of possibility, where ideas and curiosity permeate the millions of pages lining the walls.

Sylvia Whitman wilde de boeken van haar vader op alfabet zetten in de winkel. George geloofde daar niet in. De boeken stonden door elkaar, zodat interessante verbindingen en relaties ontstonden. Hij ligt begraven op Père-Lachaise, tussen Jim Morrison en Héloïse en Abelard in, nu zelf zo’n interessante verbinding vormend als de boeken in zijn winkel.

 

78107f4fbcee130597a76485241444341587343
Zolang te water van Simon Vinkenoog is zijn autobiografische roman uit 1954. Het is een kort verhaal van ruim 140 pagina’s, geschreven toen hij in Parijs woonde. Daar speelt het boek zich ook voornamelijk af, in het Parijs van de vroege jaren veertig en vijftig.

Het is geen lineaire vertelling, verre van zelfs en je moet er je aandacht behoorlijk bijhouden. De hoofdpersoon is de auteur zelf en het draait allemaal om zijn liefde voor Vera. Hierin herkennen velen zijn toenmalige vriendin Ferdi Jansen. Ze ontmoeten elkaar in Parijs en Simon geeft voor Vera zijn tweede huwelijk met Poes op. Uiteindelijk kan hij Vera ook niet voor zichzelf behouden.

Tussen dit verhaal spelen constant andere levensgebeurtenissen. Slapen naast de dochter van de kapper op zijn twaalfde, zijn ontmoeting met een antiquair bij wie hij twee nachten doorbracht, zijn bezoek na de oorlog aan de communistische jeugdbeweging, het meisje dat hij er leert kennen en met wie hij trouwt, de zoon die ze krijgen, hoe hij Julia ofwel Poes ontmoet met wie hij later in Parijs trouwt en uiteindelijk de ontmoeting met Vera.

Kortom, best veel informatie en in een van-de-hak-op-de-tak-stijl opgeschreven. Even het hoofd erbij houden maar dan is er moois te ontdekken in dit boek;

Tegen de zon kan men zich verdedigen: het beest dat naar gezondheid en rijke mensen ruikt, microben doodt en krenkend helder schijnt, heeft vele andere misdaden op zijn geweten. De regen daarentegen is een zacht en teder beest, dat het speeksel van onze lippen likt en liefkozend langs onze wangen speelt, daarenboven nog de mogelijkheid openlaat ons te beschermen wanneer wij genoeg hebben van zijn druppelende goedheid.

Ik vind het poëzie en ik kan het blijven teruglezen. Ook een zinsnede als “…zijn gezichtsvermogen, dat op kurken randjes van onbehagen drijft liet hem hoe langer hoe meer in de steek” vind ik heerlijk om te lezen.

Het was destijds een scandaleuze roman, met hetero- en homoseksuele passages. Nu kijkt niemand er meer van op, maar de recensies logen er destijds niet om. Uit een bespreking in het Dagblad van Rijn en Gouwe uit 1955;

Men moet een jong auteur welwillend tegemoettreden…Teneinde dus dit boek geen onrecht te doen hebben wij de rimram twee keer met aandacht gelezen, wat waarlijk geen genoegen was. En dan moeten wij mededelen dat wij: a. nergens één originele gedachte hebben gelezen; b. nergens één zin hebben gevonden welke een sfeer, een stemming, een beeld ook maar éven oproept; c. nergens één stukje compositie hebben ontdekt; d. nergens één mens hebben ontwaard.

Niet mis dus, hoewel Louis Paul Boon zich weer lovend over het werk uitliet. Zo zie je maar, oordeel vooral zelf. Mij beviel het, om het verhaal, maar ook om de mooie opdracht die ik voor in dit tweedehands boek vond;

“Zolang te water” voor een meisje dat al zo lang te bed ligt, en dat heel flink is. Je Niek 11-3-’61