archiveren

Maandelijks archief: november 2021

940314131X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Brood de biografie van Bart Chabot klinkt als de definitieve biografie over de bekendste rocker van Nederland, Herman Brood. Bart Chabot was immers één van zijn beste vrienden en het is een dik boek van 724 pagina’s. Het ís ook een soort definitieve biografie, want dichter dan dit kom je niet op de huid van Herman Brood te zitten. Het is echter geen klassieke biografie, waarin alles tot op detail is uitgezocht en geannoteerd, dus daar zou nog ruimte voor zijn. Ik weet echter niet of ik daar behoefte aan zou hebben na het lezen van dit boek.

Dichter en schrijver Bart Chabot is jarenlang opgetrokken met Herman Brood en had al vier boeken over zijn vriend geschreven. De hoogtepunten daarvan waren gebundeld in een nieuw boek, Up On The Hilton Roof en dat boek is onlangs opnieuw verschenen als Brood de biografie. Het is vooral een ooggetuigenverslag van Chabot over wat hij meemaakt als hij Herman opzoekt, begeleidt en met hem optreedt en zo krijg je een aardig beeld van hoe het leven van Brood eruit zag. Je leest wat zijn levensstijl en principes waren en hoe hij dit tot in het uiterste doortrok. Soms tot verdriet en ergernis van zijn omgeving én van zichzelf.

Als we in zijn leven stappen heeft Brood al de nodige successen als zanger gevierd met His Wild Romance. Drugs zijn al onlosmakelijk met hem verbonden want het geeft hem veel;

‘Ik hou van drugs, ik hou van drugs. Het leven, de dope en ik. Een driehoeksverhouding.’
‘Ik hou van drugs, ‘ herhaal ik. ‘Wat geeft het je?’
‘Levenslust.’
‘Die je van jezelf niet hebt?’
‘Nee! Ik ben gewoon een boerenlul. Een boerenlul uit Zwolle…Je had het verschil moeten zien tussen de Herman Brood vóór z’n eerste peppilletje en de Herman Brood erna…Het was niet te voorkomen dat ik een promotiezuil voor de narcotica zou worden. Ik hou ervan, ik hou ervan.’

Herman is getrouwd met Xandra en had al een zoon uit een eerdere relatie. Met Xandra heeft hij een dochter en er volgen nog twee adoptiedochters. Uit alles blijkt dat hij gek is op zijn kinderen en ook op Xandra, maar hij blijkt een notoire vreemdganger en hoerenloper. Overigens zonder dit voor iemand te verbergen. Chabot tekent het allemaal nauwgezet op.

Hij reist met Brood naar zijn moeder toe in Zwolle. Daar komen veel verhalen uit naar voren over zijn jeugd. Toen was het al iemand die precies deed wat hij wil en zijn ouders hadden wat te stellen met hem. Zijn moeder;

‘Het is een fijne knul, maar dat gefladder overal heen…Kijk, het gaat nu goed met Herman, maar ik denk wel eens: Jongen, hoe hou je het vol? Ach, als hij gelukkig is, vind ik het ook prima. Ik ga hem niet veranderen. Hij leeft naar zijn eigen zin.’

Als je dit boek leest denk je dat zijn moeder een standbeeld verdient. Net als zijn manager Koos, die altijd achter Herman is blijven staan, hoe raar zijn fratsen ook waren. En die waren raar. Je krijgt veel mee van zijn steeds  complexere gedrag tijdens de beschrijvingen van zijn theatertournee met Bart Chabot en Jules Deelder. Daar speelde improvisatie een grote rol in en dat was wat Herman wilde. Hij kon niets meer onthouden dus dit was een vorm waar hij iets mee kon en hij wilde geen sleur of voorspelbare optredens. Toch had hij meer en meer last van zijn verslavingen en dat speelde hem parten, gezien het volgende citaat. Let wel, dit speelt zich af op het toneel voor betalende bezoekers;

‘Ik ben kapot,’ zegt Herman gezeten achter de piano. ‘Ik ben kapot. Mooi woord eigenlijk, kapot.’
‘Ja,’ beaamt Jules, ‘dat vonden de Duitsers ook.’
Herman doet enkele stappen achteruit, wankelend, naar de zijkant van het toneel. ‘Jules, ik maak het niet. Ik maak het écht niet…Ik zou niks zinnigs weten te bedenken wat ik aan de mensen mee kan delen…meedelen…voor die prijs.’

Het lijkt soms te ver doorgevoerd maar je merkt ook dat Herman zich niets liet zeggen. Je maakt van nabij mee hoe het steeds slechter met hem gaat tot hij uiteindelijk zelfmoord pleegt.

Is het daarmee een definitieve biografie? Ergens wel. Het is jammer dat zijn muziek geen grote rol speelt in dit boek, maar zijn schilder- en tekenkunst des te meer. Het blijkt hoe groot zijn talent is op beide vlakken en hoe populair hij is. Hij betaalt vaak met tekeningen en vindt niet dat hij zijn eigen marktwaarde met die grote productie verpest (‘Coca Cola had ook geen last van overexposure’).

Het boek vertelt een verhaal met twee kanten. De kant van een man die wars is van routine en altijd verrast wil worden en het leven wil ontdekken. Het is nooit saai met hem, gezien de verhalen over het in de blote kont steppen langs het Rijksmuseum, de aanschaf van een Belgische lijkwagen of het afvuren van pistolen op het balkon van een hotel;

‘Buurman’, zegt hij tegen de vier mensen die op een naburig balkon aan een tafeltje zitten. ‘Heeft u er bezwaar tegen als ik straks een paar pistolen afvuur?’
‘Nee, hoor,’ klinkt het droog, ‘ga je gang.’

Leuke verhalen, maar de andere kant beschrijft glashelder de tragiek van iemand die heel goed weet dat hij zichzelf aan het vernietigen is. Afkicken probeert hij, maar hij wil het gewoon niet, hoe gek hij ook op zijn kinderen is. Dertig jaar spuiten en drinken wegen ruimschoots op tegen een jaar zware, lichamelijke ellende. Het is knap hoe Chabot dit alles gedocumenteerd heeft, hij moet bij of na iedere ontmoeting zijn vingers blauw geschreven hebben.

Voor mij was het reden om al zijn platen weer eens te draaien en die andere definitieve biografie met alle informatie over zijn muziek erbij komt misschien nog eens, maar misschien is dit verhaal ook wel voldoende. Dichterbij Herman Brood kom je niet.

7103001885e1d63596e6a2b7a51444341587343_v5
In mijn bespreking van Chanson van Bart van Loo gaf ik al aan dat het televisieprogramma Chansons! van Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps mij beviel en nu is er dan het boek, gebaseerd op de serie.

Geen dik boek, 219 pagina’s met veel foto’s en veel van wat er in de serie al te horen was. Commercieel boek, snel scoren? Het zal best, maar het heeft mij een heel leuke avond bezorgd. De ondertitel is ‘Op zoek naar het Franse lied door de straten van Parijs’ en lezers van mijn blog weten dat ik iets heb met Parijs en haar kunstenaars. Het televisieprogramma voorzag daarin maar het boek ook, het geeft wat extra’s.

Er wordt aardig wat achtergrondinformatie gegeven en het doet mij bijvoorbeeld meer beseffen hoe belangrijk Serge Gainsbourg was. Iedereen kent hem van de schandalen, het is makkelijk om hem af te rekenen op het gesprek met Whitney Houston (te vinden op Youtube), maar hij is ook de man van het conceptalbum Histoire de Melody Nelson, gebaseerd op Lolita van Nabokov. Hij schreef het winnende songfestivalliedje ‘Poupée de cire, poupée de son’, maar ook een reggae-versie van het Franse volsklied, de Marseillaise. Dat vonden de militairen niet okay en toen hij het dreigde uit te voeren zong hij het ‘normale’ volkslied a capella, waardoor ze terstond in de houding moesten springen. Maar;

Een jaar later wordt de originele door Rouget de Lisle geschreven partituur op een veiling te koop aangeboden en door Gainsbourg gekocht. Voor een astronomisch bedrag. Toen ze hem achteraf vroegen hoe ver hij bereid was geweest te gaan, antwoordde hij: ‘Ik was bereid me vandaag te ruïneren.’

Dat werd op televisie niet verteld en dat wil ik wel weten. Gainsbourg vond toen dat hij mocht doen wat hij wilde met het volkslied en de reggae-versie werd alsnog uitgevoerd.

Ik vind het mooi dat in het boek de integrale toespraak is opgenomen van president Macron die hij heeft uitgesproken bij het overlijden van Charles Aznavour. Kom daar maar eens om in Nederland, verzucht Van Nieuwkerk en daar steun ik hem van harte in. De kunsten worden in Frankrijk anders beleefd dan in Nederland.

Er staan veel verhalen in die ik niet kende, ook al heb ik de televisie-serie gezien. Gainsbourg die een blauwtje loopt bij Juliete Gréco, toch in de nacht ‘La Javanaise’ voor haar schrijft dat ze tot haar dood ieder concert zal vertolken. Het gaat uiteraard over de tragiek van de zangeres Dalida, die wel uitgebreid op televisie is besproken, maar die hier wat meer diepgang krijgt.

De persoonlijke verhalen van Van Nieuwkerk en Kemps voegen wel wat toe. Het is leuk om te lezen dat Kemps voor een tweede keer langer in Parijs verblijft om zich te verdiepen in de taal en de chansons en zowaar een prijs wint in een soort pub-quiz;

Ik merkte dat ik best veel nummers herkende, zeker de oudere chansons. Dus toen de eerste tonen van ‘Mon homme’ klonken, riep ik vol overtuiging: ‘Mistinguett!’ Daar was men behoorlijk verbaasd over. Een buitenlander en dan nog wel zo’n jonge vent  die dat nummer kende, dat werd zeer gewaardeerd. En zo ontving ik mijn eerste Franse prijs, een snoepje.

Dat snoepje legt hij vervolgens op het graf van Patachou, die het nummer “Mon homme’ groot heeft gemaakt en dat vind ik het sympathieke aan dit boek. Daar spreekt wel een soort van liefde en vooral kennis uit voor het chanson.

Uiteraard gaat het in dit boek over de grote held van Matthijs van Nieuwkerk, Shanour Vaghinag Aznavourian, ofwel Charles Aznavour. Ik vind het prima, ik ben blij dat ik Aznavour nog live heb zien optreden en ik ben ook groot fan. Dat geldt ook voor de held van Rob Kemps, Jacques Brel. Die heb ik niet zien optreden maar ik heb al zijn werk in huis. Dat geldt ook voor Georges Brassens, dat is eigenlijk mijn held (hier een site voor zijn vertaalde teksten) en ook die is goed vertegenwoordigd in dit boek.

De rode draad in dit boek is toch wel het enthousiasme van beide heren over dit project wat ze mogen doen (en waar gelukkig een vervolg op komt). Er zijn app-gesprekken opgenomen met tips die ze elkaar geven, er staan (zeker obligate) lijsten in het boek over favoriete nummers, straten, restaurants enzovoort en zo ga je snel door het boek heen, maar hé, het zorgt er zeker voor dat ik, als liefhebber, dit boek er toch bij ga pakken voor mijn volgende trip naar Parijs. Een voorbeeld van dat enthousiasme is het verhaal van Rob Kemps over wie er allemaal op de begraafplaats Père-Lachaise ligt en waar hij ook rondleidingen gaf. Zoals een Sarah Bernhardt, de beroemde toneelspeelster, die op zich niets met Franse chansons heeft te maken, maar wiens verhaal toch wordt opgenomen, samen met dat van haar tegenspeler en minnaar Lou Tellegen, die de hand aan zichzelf sloeg. Kemps;

Dit is een verhaal waarop je bij zo’n graf natuurlijk behoorlijk kunt leeglopen. Puur Shakespeare….Maar dan zeg ik: ‘Jullie mogen honderd keer raden uit welke plaats Lou Tellegen komt en dan raad je het nog niet, ook niet als je het tweehonderd keer probeert te raden.’…Maar de plaats moet ik altijd zelf verklappen. Lou Tellegen is namelijk geboren in het gehucht Boskant bij Sint-Oedenrode. Gewoon een Brabantse jongen dus.

Net als Rob Kemps en hij heeft met Matthijs van Nieuwkerk toch een aanstekelijk programma en dito boek gemaakt dat mij veel aangename uren heeft bezorgd. En als u wil weten wie Ticky Holgado is? Gewoon even het boek lezen, ik zeg niks.

Overigens is er op Spotify (zoeken op Chansons!) een mooie verzameling te vinden die, bij gemiddeld leestempo, mooi samenvalt met de tekst in het boek.

 

9085600820.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De tweede roman van de Rougon-Macquart cyclus van Émile Zola heet Buit maken. Het eerste deel speelde zich af in Zuid-Frankrijk in Plassans, maar dit deel heeft Parijs als decor.

De zoon van Pierre Rougon, de hoofdpersoon uit het eerste deel, eist in dit deel de hoofdrol voor zich op. Aristide Rougon komt met zijn vrouw naar Parijs en zoekt via zijn broer, Eugène, een betrekking waarmee hij snel geld hoopt te verdienen. Dat is meteen de rode draad voor Aristide; geld is alles en hij richt zijn leven er op in. Als zijn vrouw Angèle overlijdt stelt zus Sidonie al direct een nieuwe kandidate aan hem voor als vrouw. Renée zal namelijk een hoop geld met zich meebrengen.

Met dat geld kan Aristide gaan speculeren en beleggen. Het is de tijd dat Parijs op de schop gaat en ingenieur Haussman hele wijken plat legt om met zijn boulevards Parijs opnieuw in te delen. Zola gaat er, bij monde van Aristide, uitgebreid op in;

“Wanneer het eerste netwerk voltooid is, begint de grote dans. Het tweede netwerk zal de stad van alle kanten doorboren om de buitenwijken met het eerste netwerk te verbinden…Van de Boulevard du Temple tot aan de Barrière du Trône, een snede; dan aan deze kant nog een snede…Parijs gehouwen met slagen van zwaarden, de aderen open, honderduizend arbeiders en metselaars voedend, doorkruist door bewonderenswaardige strategische routes die het hart van de oude wijken zal versterken.”

Hij zal er veel geld verdienen en er zijn jonge vrouw Renée mee onderhouden. Het is geen gelukkig huwelijk maar ze weten wat ze aan elkaar hebben;

Voor haar deed hij zijn kas wijd open. In feite hield ze van hem als van een gedienstige bankier.

Renée zoekt haar plezier elders en wel bij de jonge zoon van Aristide, Maxime. Renée is zijn stiefmoeder, maar dat staat een relatie niet in de weg. Maxime is overigens beloofd aan de gebochelde Louise, wat ook een geldkwestie is.

Eigenlijk gaan we met dit verhaal een beetje de diepte in. Zola beoogt met zijn romancyclus een tijdsbeeld weer te geven aan de hand van de belevenissen van de families Rougon en Macquart. In deel één voerden politieke verwikkelingen nog de boventoon, in deel twee ligt dat anders. Er is meer focus op de hoofdpersonen Aristide, Renée en Maxime.

Bij Aristide gaan we de diepte in over de herindeling van Parijs en de schimmige deals die daar in rond gaan en het geld dat er mee te verdienen is. De verhaallijnen over Renée en Maxime gaan vooral over het leven van de gegoede burgerij die wat geld te verteren heeft. Zola beschrijft uitgebreid hun woningen, de bals die ze geven, de rijtuigen waarin men zich verplaatst en de kleding die men draagt;

Ze had een japon van wonderbaarlijke gratie en originaliteit…Het was een eenvoudige japon van wit gaas, maar afgezet met een veelvoud aan kleine ruches, uitgeknipt en afgezet met een net van zwart fluweel. De tuniek, van zwart fluweel, had een vierkant uitgesneden decolleté, heel laag op haar borst, omlijst met een randje dun kant, nauwelijks een vinger hoog. Geen bloem, geen stukje lint. Aan haar polsen waren armbanden zonder gravering en op haar hoofd een smalle gouden diadeem, een eenvoudige cirkel, waardoor hij op een aureool leek.

Bereidt u zich voor op veel meer van dit, maar daardoor krijg je wel een prachtig beeld van het milieu waarin het verhaal zich afspeelt.

Voor de aandachtige lezer is er ook nog een diepere laag. Zola heeft de Griekse mythe van Phaedra als basis voor dit verhaal genomen. Zij is de vrouw van Theseus en gaat met hem mee naar Athene. Daar ontmoet ze de zoon van Theseus, Hippolyte en wordt verliefd op hem, als stiefmoeder en stiefzoon. U hoeft dat niet helemaal zelf te bedenken, de aanwijzingen zitten in het verhaal, in een verklarende woordenlijst en de vertaalster licht één en ander toe in een nawoord. Ik ben onverminderd benieuwd naar het vervolg van deze cyclus.

Lees ook de uitgebreide bespreking van Bettina hier.

Vertaling; Martine France Delfos

 

9492313790.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De Tanners is de debuutroman van de Zwitserse schrijver Robert Walser (1878-1956). Het is een sterk autobiografische roman waarin hij zowel zijn broers als zus betrekt. Hij schreef het werk in 1906 in zes weken tijd en het verhaal draait om de belevingswereld van de hoofdpersoon Simon Tanner.

Simon leidt een wat losbandig leven dat niet bepaald gekenmerkt wordt door een groot plichtsbesef. Hij gaat van baan naar baan, weet zich overal handig binnen te praten maar houdt nooit lang zijn werk vast. Hij wil gewoon geen vastigheid, maar komt er soms op terug en zo staat hij weer eens op het arbeidsbemiddelingsbureau. Hij bestaat het om te zeggen dat vakantie hem niet interesseert;

Verschaft u mij maar geen betrekking met vakantie. Dat heeft niet de geringste aantrekkingskracht op mij, ja, ik zou sterven als ik vakantie kreeg. Ik wil met het leven strijden tot ik voor mijn part omval, ik wil geen vrijheid en geen gemak ervaren, ik haat vrijheid als ik die zo toegegooid krijg zoals je een hond een bot toegooit. Daar staat u met uw vakantie.

Een klein voorbeeld van zijn redenaarstalent. Zo weet hij zich ook binnen te praten bij de getrouwde Klara. Die heeft een mooie kamer ter beschikking die Simon niet kan betalen, maar hij kan er gratis in. Zijn broer, de schilder Kaspar, trekt er ook bij in en dat bevalt Klara zeer want zij valt voor hem.

Simon werkt inmiddels bij een handelsfirma maar wordt weer eens ontslagen. Hij zit er niet mee, getuigschriften hoeft hij niet en hij oreert zichzelf bij de directeur de deur uit;

‘Jongeman, u bent veel te fel,’ zei de directeur. ‘U ondermijnt uw eigen toekomst!’
‘Ik wil geen toekomst, ik wil een heden hebben. Dat lijkt me waardevoller.’

Simon en broer Kaspar worden bezocht door hun oudere broer Klaus, hun zuster Hedwig en een vriend van Hedwig, de dichter Sebastian (zijn vingernagels verzorgde hij beter dan zijn verstand dat hij gewoon liet verwilderen). Als Klara op haar balkon zit met uitzicht op het sparrenbos laat ze haar mijmeringen los over God en het bos. Het lijkt of ik nu heel willekeurig wat achter elkaar zet, maar dat is precies hoe het boek ook is opgebouwd. Je valt van de ene gebeurtenis in de andere, er zit niet per se een lijn in maar het leest wel erg fijn en het levert soms prachtige beelden op.

Even later is de schilder Klaus namelijk al weer verhuisd naar een ander dorp en onderneemt Simon een voettocht om hem op te zoeken. Hij loopt de hele nacht door;

Deze hele nacht door, die hij lopend op aarde had doorgebracht, had er misschien een geleerde, misschien zelfs zijn broer Klaus, bij een lamp aan zijn schrijftafel gezeten, en die had even lastig en moeizaam gewaakt. Zo’n stilzitter moest de ontwakende dag nu even prachtig voorkomen als hem, de landloper.

Simon woont ook nog een paar maanden op het platteland bij zijn zuster Hedwig, een onderwijzeres. Ook daar voert hij niets uit. Soms schaamt hij zich even, maar;

Je moet hier niet al te veel doen anders verlies je het overzicht over het mooie geheel, dan verlies je het perspectief van de toeschouwer die er in de wereld nou eenmaal ook moet zijn.

Wat opvalt zijn de korte stukjes die verder geen plot hebben. Die bestaan dus naast de langere overpeinzingen van de hoofdpersonen en lijken soms wel wat op notities:

Toen werd er buiten op de deur geklopt..Het was de onderwijzeres uit het naburige dorp. Ze kwam behuild aangerend. Haar echtgenoot, een ruwe, gewetenloze man, had zijn vrouw weer eens afgeranseld. Ze probeerden haar te troosten, en dat lukte.

‘Kwam aangerend’ terwijl ze al klopte op de deur; het lijkt uit de losse pols opgeschreven. Meer wordt er ook niet over haar gezegd.

Wel over Simon, die meandert verder door het leven en wordt, terug in de stad, bediende van een dame. Hij maakt het huis schoon en verzorgt haar zieke zoon. Dat bevalt hem goed, voor zolang het duurt, zelfs als zij hem berispt;

‘Wat klinkt deze berisping lief uit haar vrouwenmond,’ dacht hij, ‘zoals me dat aan haar bindt, zo sterk als je dat verbindt en verenigt en vastketent, je ondergaat zo’n berisping als een kleine, helemaal niet erg pijnlijke oorvijg vanwege een fout die je hebt begaan’

Toch houdt hij het ook hier snel voor gezien. Niet alleen Simon mijmert en filosofeert er op los, de mensen die hij tegenkomt barsten ook spontaan uit in ontboezemingen, zoald de directrice van een kuuroord waar hij binnenstapt;

Ik zit hier bij u, een heel jonge, schijnbaar ietwat verkommerde man, en ik verzuim tenslotte nog mijn plichten. Uw gedrag heeft iets fascinerends, weet u dat? Je zou u meteen uit heimelijke woede een oorvijg geven omdat u er zo dom bij zit en iemand op zo’n merkwaardige manier toe kunt verleiden om zijn kostbare tijd te verliezen…

En dat vat het eigenlijk wel samen. Je zou hem af en toe maar ik bleef zeker geboeid zitten lezen. Er is geen plot, je volgt een nietsnut en losbol. Het is misschien zelfs een saai boek want er gebeurt niets en toch vind ik dat niet. Ik heb prima medestanders, want auteurs als Franz Kafka, Elias Canetti, J.M. Coetzee en W.G. Sebald prijzen allen het werk van Walser. Ik vind de quote van De Volkskrant wel een mooie, dus daar sluit ik mij bij aan; ‘Walser maakt vrolijke mist in je hoofd.’

Vertaling; Machteld Bokhove

729b27f53ce8f455971376c7951444341587343_v5
Als Christoph Wolff met een nieuw boek over de componist Johann Sebastian Bach komt, dan weet ik dat die onverwijld gelezen dient te worden. Het boek is er en heet Zijn meesterwerken en muzikale universum.

Waarom is dit zo belangrijk? Wolff wordt beschouwd als één van de grootste Bach-kenners van deze tijd en hij heeft wat mij betreft de standaard-biografie over Bach geschreven. Die raadpleeg ik met enige regelmaat en ik was dan ook erg benieuwd naar dit boek.

Het boek is opgebouwd rondom een aantal van zijn grote werken. Wolff zegt dat Bach in feite zelf de inhoud van dit boek heeft bepaald;

Gedurende zijn creatieve leven ordende Bach immers bepaalde werken op methodische wijze in zorgvuldig aangelegde collecties, handgeschreven nette kopieën en publicaties. Deze maatgevende werken, alle grensverleggend en zonder gelijke, waren duidelijk bedoeld als ijkpunten, ja, als paradigma’s van zijn muzikale kunst – en als zodanig vormen ze bij elkaar misschien wel de krachtigste en authentiekste muzikale autobiografie die men kan bedenken.

Dit boek is dus geen biografie maar geeft het belang van zijn werken aan. Dat Bach één van de grootste componisten ooit is wordt vaak gezegd of aangenomen, maar Wolff legt in dit boek uit waarom dat zo is en dat leverde een paar eye-openers op.

Dat begint al met het enige portret van Bach waarvan het zeker is dat Bach het ook is; het beroemde portret (op de voorkant van het boek) geschilderd door Elias Gottlob Haußman waar Bach een stukje muziek in zijn handen heeft, de Tripelcanon voor zes stemmen BWV 1076. Een muziekstukje van ruim 30 seconden, maar Wolff legt uit waarom juist dit het visitekaartje van Bach is. Daar zijn allerlei redenen voor tot aan een subtiele kritiek op de componist Händel aan toe.

Dat laatste vind ik een interessante; het is bekend dat de componisten, leeftijdgenoten van elkaar, elkaar nooit hebben ontmoet. Ze waren wel lid van dezelfde club, de Societät der Musikalischen Wissenschaften waardoor we weten dat Händel de partituur van die canon onder ogen heeft gehad. We weten dat Bach de muziek van Händel waardeerde en uitvoerde, we weten niets van wat Händel van Bach vond.

Nu dan waarom Bach zo’n groot componist is, Zijn zoon Carl Philipp Emanuel Bach zei over de muziek van zijn vader;

Hij hoefde slechts een willekeurig thema te horen om meteen de artistieke uitwerkingsmogelijkheden ervan te zien. Zijn melodieën waren zeker ongebruikelijk [‘fremd’], maar altijd gevarieerd en vindingrijk, en niet gelijkend op die van welke andere componist ook.

De Nederlandse dirigent en Bach-kenner Gustav Leonhardt bevestigde dit in een interview in het programma Reiziger in Muziek. Hij plakte voor zijn leerlingen wel eens een stuk muziek af van Bach en vroeg zijn leerlingen om in te vullen wat Bach daar had bedacht. Dat lukte vrijwel nooit, Bach bleek altijd inventiever of onvoorspelbaarder dan gedacht (het fragment is terug te vinden op Youtube).

Wolff toont dit ook aan door zijn werken, zoals in de drie boeken voor klavier; het Orgel-Büchlein met 40 koraalpreludes op Lutherse gezangen, Das Wohltemperierte Klavier met 24 preludes en 24 fuga’s in alle toonsoorten en de Aufrichtige Anleitung met 15 tweestemmige Inventionen en 15 driestemmige fuga’s. Het was een muzikaal project dat nog niet bestond en Bach beoogde ermee een beeld van zichzelf te geven als schepper van vernieuwende, vindingrijke, praktische maar ook breed bruikbare klaviermuziek voor uitvoering en compositiestudie.

Bach kijkt altijd vooruit en komt met Franse en Engelse suites voor het klavier. Waarom Frans en Engels? Wolff legt het uit en concludeert, niet zonder humor;

In elk geval zijn de titels Engelse suites en Franse suites een verbetering ten opzichte van de oudere neutralere aanduiding ‘Zes suites’ en ‘Nog zes van dezelfde, enigzins korter’ in de eerste werkenlijst van 1750.

Een ander voorbeeld van het genie van Bach is wellicht zijn grootste muzikale prestatie, Bachs koraal-cantatecyclus uit 1724/1725. Een reeks complexe en buitengewoon imposante cantates gebaseerd op thema’s uit lutherse kerkliederen, die binnen tien maanden op papier kwamen. Het zou Bachs meest productieve jaar worden. Hetzelfde geldt voor de drie passies (de Johannes-, Matthäus- en Lukas-Passion) en de drie oratoria (Weihnachts-, Oster- en Himmelfahrtoratorium). Wolff geeft aan wat de ontwikkeling is die Bach heeft doorgemaakt en ook waar hij muziek van zichzelf heeft hergebruikt en omgewerkt.

Dat laatste lijkt gemakzucht maar ook dat wordt helder uitgelegd. Bach maakte het zichzelf allesbehalve makkelijk. Zo zou hij ook voor klavier blijven componeren en een tweede boek met 24 preludes en fuga’s schrijven. Ook bracht hij nog een bundel uit met orgelwerken wat nu beschouwd wordt als de belangrijkste bundel orgelmuziek van de achtiende eeuw.

Zijn laatste grote werken zijn de Kunst der Fuge en de Mis in B ofwel ‘Hohe Messe’. Met de Kunst der Fuge verzekerde Bach zich van een historische status als de onovertroffen schepper van een muzikale kunstvorm, de fuga, die zo onlosmakelijk met hem verbonden was geraakt. Dat geldt ook voor de Mis in B. Niemand heeft zulke complexe koorfuga’s geschreven die uniek voor die tijd waren. De enige reden waarom Bach zich niet verder ontwikkelde was zijn overlijden na een mislukte oogoperatie.

Het is een boek voor de wat meer doorgewinterde liefhebber van Bachs muziek. Er staan best wat musicologische termen in en veel lijsten om aan te geven wat de verbanden zijn tussen de werken van Bach. Ik ben geen musicoloog dus die termen neem ik voor kennisgeving aan. Die lijstjes spit ik wel door en ik beluister erg veel. Als ik lees dat de componist Christoph Willibald von Gluck de Giga BWV 825/7 van Bach arrangeert voor aria’s van zijn opera Antigone, dan wil ik dat horen. Dat geldt ook voor veel stukken die Bach hergebruikt, daar ben ik aardig druk mee.

De redactie had wat scherper gemogen. Dat de zetduivel een letter mist dat kan, maar een woord als ‘diverze’ vind ik slordig en het wordt nog gekker als een titel van een duet ‘wir eilen mit schwachen, doch emsigen Schritten’ wordt verhaspeld tot ‘eifrigen Schritten’. ‘Emsig’ wordt wel eens vertaald als ‘ijverig’, maar zo heet het duet toch echt niet. Laten dat een paar kleine kanttekeningen zijn bij een verder prima geschreven en zeer informatief boek.

Vertaling; Jolande van der Klis, Philip Leussink, Helene Reid, Clemens Romijn, Jan Tazelaar

12d4abe9e565eae59764b797a41444341587343_v5
Guy de Maupassant (1850-1893) heeft talloze verhalen geschreven die in acht mooie delen zijn uitgegeven dooor uitgeverij L.J. Veen, allen vertaald door Hans van Cuijlenborg. Die verhalen beslaan de periode 1875-1891 en Op een lenteavond is het eerste deel, over de jaren 1875-1881.

Dit deel telt 331 pagina’s voor 20 verhalen. Daar zitten hele korte verhalen bij en het langste verhaal telt 56 pagina’s. Van alles wat en het is een plezier om te lezen. Gelukkig is dat ook meteen mijn criterium en hoef ik geen uitspraken te doen of dit nu wel of geen literatuur is (ik vind overigens van wel, dus doe het toch). Anderen dachten daar anders over. Hoewel Maupassant altijd verdedigd is door grootheden als Émile Zola, Albert Camus en Georges Simenon, zouden verfijnde taalkunstenaars als Edmond de Goncourt en Paul Claudel hem nooit als literator erkennen. Vertaler Van Cuijlenborg over Maupassant;

Het vertalen van Maupassant, aldus Van Cuijlenborg, lijkt op het spelen van Mozart, ‘schijnbaar simpel, maar daardoor juist verraderlijk. Maupassant is een orale verteller die zijn verhalen ook heel goed kan opschrijven…Het vertaalwerk is emotioneel aangrijpend. Ik moet soms letterlijk wenen bij het vertalen.’

Wat het lezen van die verhalen zo leuk maakt is dat we in allerlei milieus en op allerlei plaatsen terecht komen. Soms onder studenten, soms onder professoren, soms bij een boerengezin, soms in Parijs, soms in Normandië, vaak onderweg zij het in de diligence of varend over de Seine. Een prachtig verhaal is dat over Doctor Heraclius die een manuscript ontdekt over de zielsverhuizing, ofwel reïncarnatie. Hij raakt hiervan in de ban en haalt een aap in huis waarvan hij wil weten hoe deze is gereïncarneerd. Aanvankelijk gelooft hij dat de aap de oorspronkelijke auteur is van zijn manuscript, vervolgens denkt hij dat hijzelf het was in een vorig leven, tot hij in een gesticht wordt opgenomen waar nog iemand zit die claimt het werk geschreven te hebben.

Reuzelpotje is ook een pareltje en meteen een rechtse directe naar de hypocriete burgerij. De naam is van een mollige dame van vederlichte zeden die op een lange tocht haar eten deelt met de rest van de diligence. Als ze bij een herberg aankomen mogen ze niet doorreizen tot Reuzelpotje het bed deelt met een Pruisische officier. Ze wordt hier door haar medepassagiers toe gedwongen en ze kunnen door, maar;

Niemand keek haar aan, niemand dacht aan haar. Ze voelde zich verdrinken in de minachting van die eerzame schoften die haar eerst hadden opgeofferd, om haar daarna als iets smerigs en onbruikbaars te verwerpen.

Het is dus niet aleen vrolijkheid in de verhalen en het taalgebruik is soms behoorlijk direct. We zien ontrouwe kerels, sterke vrouwen, maar ook ontrouwe vrouwen; als Madeleine, de vrouw van Paul ligt te rotzooien met dikke Pauline, weet Paul niets beters te doen dan zich te verdrinken in de Seine. In een eerder verhaal bleef een schipper met zijn anker al steken achter een verzwaard lijk. Genoeg drama dus. Gelukkig zijn niet alle doden even dood. Als moeder en oma overlijdt en keurig boven ligt opgebaard komt Marie-Louise naar beneden;

Ze gooide totaal van streek de deur open…en buiten adem stamelde ze: ‘Mama, papa, grootmoeder is zich aan het aankleden!’
Caravan sprong zo plotseling overeind dat zijn stoel tegen de muur rolde. Hij stamelde; ‘Wat zeg je? Wat zeg je daar?’
Maar Marie-Louise, die stikte van aandoening, herhaalde: ‘Groot…groot…grootmoeder kleedt zich aan…ze komt zo naar beneden.’

Laten ze net de klok en de mooie kast van grootmoeder al veilig gesteld hebben. Gedoe dus maar erg vermakelijk om te lezen.

Er zijn te veel verhalen om op te noemen, alleen Huize Tellier wil ik u niet onthouden. Een huis van plezier in een dorpje dat op slot gaat, omdat de madame naar de communie van haar nichtje moet. Alle (meest getrouwde) kerels weten even niet waar ze het moeten zoeken. Ze neemt namelijk alle dames mee en die zetten prompt het hele dorp waar de communie gehouden wordt op z’n kop. Tot de viering begint en alle dames zo geroerd zijn dat ze en masse beginnen te huilen en de hele kerk hierin meenemen.

De verhalen lezen prima door en de vertaling lijkt me dik in orde, maar ik ben af en toe benieuwd naar het origineel, zeker als ik zo’n stuk lees;

En hij maakte een grapje over het woord ‘dol’ waarmee de twee pinnen worden bedoeld die de riemen vasthouden, door te zeggen dat de roeiers er nooit zonder dollen op uit gingen.

Waar het Franse woord voor ‘dol’ dus ‘tolet’ is en ik niet zou weten hoe dit in het Frans terug te vertalen. Ieder zijn vak, zeg maar.

Ik heb gelukkig nog een paar delen te gaan, het is voor mij weer een fijne ontdekking in het Franse literaire landschap.

Vertaling; Hans van Cuijlenborg

 

ad6cddf55f3ff68593164335577444341587343_v5 (2)
Kolonel Chabert van Honoré de Balzac is een korte novelle van ruim honderd pagina’s en maakt deel uit van La Comédie humaine, het magnum opus van Balzac waarover ik hier iets schreef.

Op een dag dient zich ten kantore van procureur Derville een oude man aan die de procureur wenst te spreken. De klerken verzoeken hem ’s nachts terug te komen, omdat de procureur dan op kantoor werkt. Dat doet hij en hij vertelt zijn verhaal aan procureur Derville.

Hij is kolonel Chabert en heeft bijgedragen aan de overwinning van Napoleon bij Eylau in Oost-Pruisen. Hij raakte zwaar gewond en werd voor dood achtergelaten in een massagraf. Toch wist hij zich te bevrijden, vond onderdak bij lokale mensen en wist uiteindelijk in Parijs terug te komen. Onderweg naar Parijs begon zijn tragiek al, want het nieuws van zijn dood was al bekend gemaakt;

Dikwijls hielden mijn pijnen me maandenlang in een stadje vast, waar men mij als zieke Fransman goed verpleegde, maar zodra diezelfde Fransman beweerde kolonel Chabert te zijn, werd hij midden in zijn gezicht uitgelachen. Tijden lang werd ik door hun gelach en ongeloof tot een vorm van razernij gebracht, die schadelijk voor mij was en mij in Stuttgart zelfs als een gek achter slot en grendel deed belanden.

Tot overmaat van ramp merkt hij dat zijn vrouw inmiddels getrouwd is met ene graaf Ferraud en daar twee kinderen mee heeft. Zij heeft het vermogen van Chabert handig veilig gesteld en wil niets meer van hem weten. Dat is de reden waarom Chabert naar procureur Derville komt. Hij is ook de raadsman van zijn vrouw en hij wil weten of hij zijn geld terug kan krijgen. Er is wel bewijs dat hij de echte Chabert is, dat moet uit Pruisen komen, van de mensen die hem daar hebben opgevangen. Derville wordt geraakt door zijn verhaal en ziet mogelijkheden, maar schetst wel even de juridische molen. Eindeloze processen die een hoop geld kosten;

Grote tranen welden uit de fletse ogen van de arme soldaat en biggelden over zijn gegroefde wangen. Nu de moeilijkheden zo groot bleken, zonk de moed hem in de schoenen. De maatschappij en het rechtswezen benauwde hem als een nachtmerrie.

Derville stuurt aan op een schikking en brengt een bezoek aan Chaberts vrouw. Hij legt haar uit wat de gevolgen van een proces voor haar zijn en zij lijkt te luisteren. In ieder geval komt zij naar zijn kantoor, waar Chabert ook verschijnt. Hun ontmoeting loopt aanvankelijk niet zo goed maar na afloop weet zij Chabert mee te tronen naar haar landgoed om eens over de zaak te praten. Bijna pakt ze hem in, maar hij doorziet op het laatst haar listen.

Hoe dit afloopt moet u vooral zelf gaan lezen, maar Balzac heeft in  kort bestek een mooi verhaal opgetuigd dat toch een heel tijdsbeeld weergeeft. Het is het tijdperk van de Restauratie, waarin Napoleon heeft afgedaan en waarin de Bourbon-dynastie weer op de troon kwam. De landgoederen die tijdens de Revolutie door onteigening van de adel zijn afgenomen werden weer aan de oude eigenaren toegewezen. De grote verliezers zijn degenen die mee hebben geholpen aan de machtsbasis van Napoleon. Na zijn verbanning worden zijn twaalfduizend officieren op wachtgeld gesteld en ontvangen ze nog maar de helft van hun soldij.

En Chabert? Hij wil niets meer van zijn vrouw en de wereld weten. Geld heeft hij niet meer, alleen zijn eer;

‘mevrouw, ik vervloek u niet, ik veracht u…U kunt rustig leven met mijn woord van eer: dat is meer waard dan het gekrabbel van alle notarissen uit Parijs bij elkaar. Ik zal nooit meer aanspraak maken op de naam die ik misschien beroemd heb gemaakt. Ik ben alleen nog maar een arme drommel die Hyacinthe heet en slechts zijn plaatsje in de zon wil hebben. Gegroet…’

Waar Balzac in De huid van chagrijn nog fantastische elementen door zijn verhaal weefde, is dit een realistisch verhaal. Balzac zal vaker bestaande historische gebeurtenissen in zijn verhalen gebruiken en daar fictieve personen in laten optreden. Bovendien heeft hij zijn eigen werkervaring als jongste bediende op een notariskantoor gebruikt voor de beschrijving van het procureurskantoor in dit verhaal. Een mooi en sterk verhaal en ik ben nog niet klaar met deze auteur.

Vertaling; Hans van Pinxteren

 

80b05ab9ba14160596968516e51444341587343_v5
Honoré de Balzac was een ambitieuze schrijver. Hij nam het op zich op La Comédie humaine te schrijven, een beoogd oeuvre van 134 romans waarin hij het Frankrijk van na Napoleon wilde beschrijven in al haar facetten. Hij strandde op zo’n 95 romans en novellen, toen was hij op. De huid van chagrijn wordt wel beschouwd als de eerste echte roman uit de reeks.

Balzac wordt vaak als een groot realistisch schrijver gezien, maar dit boek laat zien dat er aardig wat fantastische elementen inzitten. Hij is eerder een overgangsfiguur tussen de romantiek en het realisme. Voor een eerste kennismaking met deze schrijver beviel het uitermate goed.

De wat merkwaardige titel heeft niets te maken met de gemoedstoestand van een stuk huid, maar chagrijn is een harde leersoort, gemaakt van een paarden- of ezelshuid. In dit geval komt het van een onager, een Aziatische wilde ezel.

Het begint allemaal met Raphaël Valentin. Hij heeft zijn geld vergokt en wil er een einde aan maken door in de Seine te springen, maar dat doe je niet op klaarlichte dag. Hij brengt wat tijd zoek bij een antiquair en vindt daar een stuk huid van chagrijn, met een tekst erop;

Als je mij bezit, bezit je alles, maar je leven zal mij toebehoren, God heeft het zo gewild. Wens, en je wensen zullen vervuld worden, maar regel je verlangens naar je leven. Daar is het. Bij ieder willen zal ik afnemen zoals je dagen afnemen. Wil je me? Neem. God zal je verhoren. Zo zij het!

Een ouderwets pact met de duivel, Faust weet er alles van. Valentin gelooft er niet zo in maar is wel nieuwsgierig en wenst een groot bacchanaal. U raadt het, zodra hij met dat vel de winkel uitloopt ontmoet hij vrienden die hem uitnodigen voor een geweldig feest. Wat volgt is een lange monoloog van Valentin over zijn leven en zijn armoede. Hij leefde lang op een zolderkamertje, aanbeden door het meisje Pauline, maar hij was zelf geobsedeerd door de gravin Foedora. Het is een roman in een roman want de monoloog duurt zo’n 100 pagina’s waar het boek 245 pagina’s telt.

Met die gravin wordt het niets. Ze gebruikt Valentin en wijst hem uiteindelijk af. Als de monoloog ten einde is, is er nog genoeg te wensen over en Valentin wenst, weinig verrassend, rijkdom. Prompt krijgt hij bericht dat hij de enige erfgenaam is van een in Calcutta gestorven majoor. Hij is nu schatrijk, maar hij bemerkt wel dat de huid van chagrijn steeds kleiner wordt en langzaam begint het te dagen…

Later zien we hem terug als een schatrijk man in een prachtig huis, maar hij wil niemand zien. Niemand met wie hij een gesprek kan voeren waarin een wens vervuld wordt; dat gaat ten koste van de huid en dus van zijn leven. Soms gaat hij er op uit en in het theater ziet hij gravin Foedora zitten maar komt hij ook Pauline weer tegen. Ook zij is rijk geworden omdat haar verloren gewaande vader met een hoop geld is teruggekeerd. Ze vallen nu wel voor elkaar en eeuwig geluk lijkt in de maak.

Maar wij, en Valentin eigenlijk ook, weten wel beter;

Maar toen kreeg hij een verschrikkelijke hoestbui, zo’n diepe, sonore hoest die uit een grafkelder lijkt te komen, die het voorhoofd van zieken doet verbleken en hen, na eerst hun zenuwen geschokt, hun ribben door elkaar geschud, hun ruggemerg uitgeput en een drukkend gevoel in hun aderen geperst te hebben, bevend en badend in hun zweet achterlaat.

Hij merkt dat hij ziek wordt en hij doet er alles aan om de huid weer op te laten rekken. Door de natuurkunde, waarbij een gigantische pers wordt gebruikt en waarbij we de wet van Pascal nog even voorgeschoteld krijgen, door de scheikunde die er verschillende goedjes op los laat maar het helpt allemaal niets, de huid geeft (nu) geen krimp.

Voor zijn gezondheid vlucht Valentin naar een kuuroord waar hij nog een duel moet aangaan. Dat wint hij op zijn sloffen, maar ten koste van een stuk huid, dat onderhand nog zo groot is als een klein eikenblad. Of dit alles goed afloopt kunt u waarschijnlijk wel raden.

Het is een prachtig geschreven verhaal waarin ik heb genoten van de lange monoloog, van de meer concrete stukken zoals in het laatste citaat maar ook van bijvoorbeeld de beschrijving van het interieur van het antiquariaat. Balzac laat daarin in kort bestek de wonderen van de wereld voorbij komen in één winkel.

Daarbij is het verhaal natuurlijk een commentaar op de maatschappij. Hebzucht en materialisme gepersonaliseerd door de kille en harde gravin Foedora maar ook door Valentin en het ongrijpbare geluk in de vorm van Pauline. Het geheel krijgt een filosofische geladenheid omdat het leven van Valentin samenhangt met de huid van chagrijn, ‘symbool voor het leven dat zichzelf verteert in het vuur van zijn begeerte.’

Vertaling; Jean A. Schalekamp

 

8e44f7c109e2d36597643456b77444341587343_v5
Ik kocht het boek van de fotograaf Brassaï, The secret Paris of the 30’s, naar aanleiding van een hoofdstuk in het boek van Dirk Velghe, De ziel van Parijs.

Brassaï is het pseudoniem van Gyula Hálasz (1899-1984), een Franse fotograaf van Hongaarse afkomst. Hij kwam al op driejarige leeftijd naar Parijs en ontwikkelde een fascinatie voor fotografie, met name voor het Parijse nachtleven in de jaren dertig van de vorige eeuw. Dat heeft hij vastgelegd in dit boek, samen met persoonlijke verhalen over het maken van de foto’s en de personen die hij tegenkwam.

Dat ging niet zomaar. De titel is niet voor niets gekozen, want Brassaï zocht graag juist die locaties op die niet voor het grote publiek toegankelijk waren. Dat konden bordelen zijn, besloten clubs waar de onderwereld actief was, travestie-cafés en opiumkitten, maar hij fotografeerde ook de prostituees op straat.

Om te beginnen neemt hij ons mee in zijn manier van werken. Mensen zijn nog niet erg gewend aan fotografen en zeker niet in de nacht. Hij was brutaal genoeg om ’s nachts bij mensen aan te kloppen als hij dacht dat een nachtelijke foto prima vanuit iemands raam genomen kon worden;

My intrusion frightened the inhabitants as much as my purpose: in those days, no one heard of night photography. But oddly enough, doors were almost always opened to me, and I never got shot at, as might have happened, for disturbing a nocturnal household.

Toch is hij wel eens door de politie gearresteerd, om even zeker te stellen dat hij onder een brug aan de Seine echt foto’s aan het maken is in het holst van de nacht en niet een lijk aan het verdonkeremanen is.

Zo wil hij foto’s nemen van nachtelijk Parijs en haalt hij de conciërge van de Notre-Dame over hem ’s nachts de torens te laten beklimmen van de kathedraal. Hij fotografeert kermissen met hun waarzegsters, dansers en artiesten, zoals de menselijke gorilla. Die laatste levert een prachtige foto op van een man in een levensgroot apenpak met zijn kleine zoontje.

Brassaï schuift aan bij de clochards onder de bruggen en bij de schoonmakers van de beerputten die ’s nachts op pad gaan. Zij hebben smerig en soms gevaarlijk werk en de anonieme werkers krijgen gezichten als hij ze fotografeert tijdens hun pauze;

I learned that this was a bar reserved especially for cesspool cleaners, it was their “Maxim’s”. Every night, these virtuosi of the pump would break off their labors to come here to eat! And suddenly, the anonymous black-hooded and booted devils I had seen working away in the dark, hoisting up lead and stone covers from cesspools and shoving down the hose, regained their human aspect.

Zoals gezegd kwam Brassaï graag in bars. In de Rue de Lappe waren veel danslokalen ofwel ‘Bals-Musettes’. Mannen met hun pet vastgegroeid op het hoofd, dames met zogenaamde ‘kiss-curls’ op het voorhoofd, Brassaï maakt er prachtige foto’s. Hij verstaat de kunst om op te gaan in de menigte en ongezien zijn foto’s te maken, gezien het stel dat duidelijk in een onenigheid is beland.

Zonder gevaar is het niet. Hij is wel eens eens beroofd van al zijn foto’s en is eens met de dood bedreigd toen toch een foto van een onderwereldfiguur gepubliceerd werd met een verzonnen tekst door de uitgever.

De mooiste verhalen zijn die over illustere figuren zoals ‘La Môme Bijou’. Een dame die hij ’s nachts in een bar tegekomt. Ze zit alleen aan een tafeltje, drinkt rode wijn en is behangen met allerlei juwelen. Het verhaal gaat dat zij ooit rijk was en zich in het Bois de Boulonge rond liet rijden. Brassaï gaat achter het verhaal aan, maar komt er niet achter. De foto’s moeten het doen.

Andere beroemdheden zijn de koningin van het artiestenbal, Madeleine Lequeux, ofwel ‘la panthère’. Zij trouwde met de Japanse kunstenaar Tsuguharu Foujita. Ook kreeg hij Kiki de Montparnasse voor de lens, ook een model van Foujita. De travestie-cafés, bordelen en opium-kits zijn de meest besloten gelegenheden waar hij fotografeerde. Toch lukt het hem om contacten te leggen en ook hier foto’s te maken, tot en met de klanten aan toe. Zo fotografeert hij ook Violetta Morris, die ik tegenkwam in het boek van Velghe, hoewel hij haar naam niet noemt bij de foto’s. Dat vrouwen met vrouwen dansen werd redelijk geaccepteerd. Mannen die met mannen dansen was een ander verhaal, dat werd meer verborgen gehouden, laat staan als het hier om ging;

One piquant note: once in a while one would see butchers from the neighborhood – rather common in appearance, but with hearts full of feminine longings – forming surprising couples. They would hold hands – thick, calloused hands – like timid children, and would waltz solemnly together, their eyes downcast, blushing wildly.

Nu misschien niet meer zo schokkend, in het Parijs van de jaren dertig was dat een ander verhaal en Brassaï legde ook dit vast in een bijzonder boek.

Vertaling; Richard Miller

 

29e83188f2a8f98592b44705a67444341587343_v5
De titels van veel werken of boeken zitten goed in het collectieve geheugen, maar dat wil niet zeggen dat de originelen dan ook even bekend zijn. De werken van Victor Hugo ‘lijden’ hier ook onder. Les Misérables is uiterst bekend door de musical, maar ik ben benieuwd hoeveel bezoekers het uitgebreide originele werk kennen. De klokkenluider van de Notre-Dame is bekend door een Disneyfilm (één van de weinigen die ik overigens niet met mijn dochter heb bekeken), maar laten wij vooral het origineel niet vergeten. Dat was ik wel, tot ik mij een beetje tegen de Franse literatuur ging aanbemoeien.

Volgens de overlevering kreeg Victor Hugo inspiratie voor de roman toen hij werd rondgeleid door de Notre-Dame. In één van de klokkentorens ontdekte hij het Griekse woord ANAΓKH, geschreven in een muur. Dat betekent ‘noodlot’ en hij verzon er een verhaal omheen over een gebochelde klokkenluider.

We zitten in Parijs in het jaar 1482 en er wordt een mysteriespel opgevoerd ter gelegenheid van Driekoningen. Dat spel, geschreven door Pierre Gringoire, wordt onderbroken door een Narrenfeest, waarbij de persoon met de gekste grimas wordt verkozen tot Narrenkoning. Quasimodo, de aartslelijke klokkenluider van de Notre-Dame, wint. Tot ieders verbazing is zijn grimas zijn vaste gelaatsuitdrukking.

Het mysteriespel heeft al helemaal geen kans meer als er een zigeunermeisje komt optreden. Het is Esmeralda, die met haar geitje Djali de menigte weet te vermaken.

Nu zag Parijs er in de Middeleeuwen behoorlijk anders uit dan nu en Hugo neemt de tijd om de stad te beschrijven. Dat is meteen één van de meest aantrekkelijke kanten van dit boek. Het zorgt ervoor dat je je prima kan verplaatsen in een heel andere wereld. Zo zijn er aparte hoofdstukken gewijd aan de Place de Grève, aan de Notre-Dame zelf en aan het uitzicht over Parijs vanaf de kathedraal;

Hiervoor hebben wij getracht die bewonderenswaardige kerk, de Notre-Dame van Parijs, voor de lezer te laten herrijzen. In het kort hebben wij een aantal van de rijkdommen beschreven die in de vijftiende eeuw nog aanwezig waren en tegenwoordig ontbreken. Maar de belangrijkste zijn wij vergeten: het uitzicht over Parijs waarvan men toen vanaf de torens kon genieten.

Dit zegt meteen iets over de schrijstijl van Hugo, die leest erg prettig en er zit nog een hoop humor in ook, daar kom ik op terug.

Gringoire gaat zwerven na zijn mislukte mysteriespel en komt terecht op de Cour des Miracles, waar hij zich aansluit bij de vagebonden van Parijs. Hij wordt overigens door Esmeralda van de strop gered omdat het geboefte andere plannen met hem had. Esmeralda trouwt met hem, maar is in de ban van kapitein Phoebus, die haar heeft gered van een ontvoering door nota bene Quasimodo en zijn pleegvader, de aartsdiaken van de Notre Dame, Claude Frollo. De reden voor die ontvoering wordt vanzelf duidelijk.

Ik hoef niet alle verwikkelingen te vertellen, maar Esmeralda en Quasimodo hebben meer met elkaar te maken dan ze zelf denken. Esmeralda komt in een lastig parket als zij wordt beschuldigd van moord, maar Quasimodo redt haar en geeft haar onderdak in de kathedraal. In die tijd gold dat als asiel, ze was daar veilig voor de arm der wet.

Uiteindelijk wordt ze toch opgejaagd en hoe dat afloopt, leest u het vooral zelf. Nog even over de schrijfstijl van Hugo. Hij zorgt ervoor dat je veel mee krijgt van de sfeer. Van de stad, van de kathedraal maar vooral van de tijd waarin het speelde. Ook gebruikt hij de nodige humor, zoals in het hilarische tafereel waarin een dove rechter de eveneens dove Quasimodo moet verhoren;

‘Je naam?’
Dit nu, dat een dove een dove moest verhoren, was een geval waarin niet werd ‘voorzien bij de wet’.
Quasimodo, zich onbewust van de tot hem gerichte vraag , bleef de rechter strak aankijken en antwoordde niet. De dove rechter, zich onbewust van de doofheid van de beklaagde, meende dat hij had geantwoord zoals alle aangeklaagden gewoonlijk deden en ging met zijn mechanische en stompzinnige zelfverzekerdheid voort…

Soms zit de humor in een zin, als aan koning Lodwijk XI voorgesteld wordt om Gringoire weer eens tot de strop te veroordelen:

‘Och,’ antwoordde de koning achteloos, ‘ik zie daar geen bezwaar in.’
‘Ik een heleboel!’ zei Gringoire.

Humor dus in wat verder best een hoogromantisch verhaal is in een schilderachtig decor. De voorspelbaarheid is groot, je ziet de ontknoping van ver aankomen, maar laat dit alles u niet weerhouden om het te gaan lezen. Een portie onvoorwaardelijke trouw, verraad, geweld, ontroering en uitgesproken domheid zijn de ingrediënten voor een prachtig verhaal. De enorme populariteit van het boek heeft ook een impuls gegeven aan de restauratie van de Notre-Dame door de architect Viollet-le-Duc, zo leerde mij het boek van Bart van Loo.

Vertaling; Willem Oorthuizen