archiveren

Fictie

c3bb75eec47489a5976666f6a77444341587343
De onderaardse wereld van Athanasius Kircher van Anton Haakman is een apart boek. Het staat te boek als een roman en zo zal ik hem opnemen, maar heel veel heeft de auteur er niet aan hoeven te verzinnen. Het materiaal werd hem in de schoot geworpen.

Dat zit zo. De auteur heeft lang onderzoek gedaan naar de figuur van Athanasius Kircher (1602-1680). Kircher was een Duitse jezuïet en werd tijdens zijn leven beschouwd als één van de grootste en meest universele geleerden van zijn tijd. Hij zou zo’n achttien talen beheersen en boeken hebben gepubliceerd over talloze onderwerpen, zoals optica, magnetisme, geologie, geheimschrift en Egyptische hiërogliefen. Het onderzoek van Haakman leidde uiteindelijk tot de productie van een film in 1974 over Kircher.

Het verhaal heeft twee kanten. De moderne zoektocht (let wel, jaren zeventig en tachtig) naar de nalatenschap van Kircher en een beschrijving van Kircher in zijn tijd. Je valt van de ene verbazing in de andere, want lijkt bovenstaande al veel, Kircher deed ook nog aan musicologie, mineralogie, taalkunde, biologie, geneeskunde en ontwierp rekenmachines, toverlantaarns, een kattenpiano, een componeermachine, een metaforenmachine enzovoort. Dat alles onder één motto, “Omnia in omnibus” (alles ligt in alles besloten). Dat wil zeggen dat hij overal samenhang zag en dat er een alomvattende kennis was.

Haakman loopt in zijn onderzoek aan tegen twee Kircher-adepten, de Commendatores Beck en Franzl. Zij zijn de oprichters van de “Internationale Athanasius Kircher Forschungsgesellschaft”. Dat klinkt indrukwekkend, maar de club blijkt uiteindelijk twee leden te hebben. Het lijken oplichters en zwendelaars en dan wordt ook de raamvertelling duidelijk die dit boek is, want er zijn parallellen met Kircher zelf. Ook hij wordt later omschreven als fantast, charlatan en oplichter. Haakman schrijft;

Mijn belangstelling voor Kircher was aanvankelijk vooral gewekt doordat het er alle schijn van had dat hij een bezeten fantast was geweest, een grootmeester in de geheime kunst van het bedriegen, een oplichter zo geniaal als alleen een oplichter kan zijn die zijn eigen leugens gelooft, een man die door grootheidswaan en paranoia gestimuleerd werd bij het vinden van verborgen betrekkingen en het ontraadselen van geheimen. Nu werd mijn belangstelling voor het Kircher-genootschap gewekt door een gevoel dat hier misschien twee grootse fantasten Kirchers voetspoor volgden.

Een lang citaat maar hier gaat het om. Was Kircher een fantast? Misschien, maar wellicht ook niet en daar begint ook mijn nieuwsgierigheid naar de man. Vast staat dat hij dacht de Egyptische hiërogliefen te hebben ontcijferd, maar dat hij er naast zat. Hij voorzag zelfs obelisken in Rome met betekenisloze afbeeldingen waar hij zei de ontbrekende hiërogliefen aan te vullen. Echter, achteraf bleek dat zijn studie van het Koptisch de uiteindelijke ontcijferaar Champollion aardig op weg geholpen heeft.  Ook opperde Kircher als eerste dat de pest werd veroorzaakt door onzichtbare organismen en hij nam ook maatregelen om de pest tegen te gaan. Fantast of wetenschapper? Haakman noemt hem geen wetenschapsman maar een interpreteermaniak. Er waren sceptici genoeg;

Niet iedereen geloofde in Kirchers grootheid. Een grappenmaker die André Müller heette, stuurde Kircher vanuit Berlijn een aantal willekeurige krabbels, met de vraag of het soms hiërogliefen waren. Prompt ontving Müller een bevestigend antwoord en een vertaling. Liet Kircher zich beetnemen, of beantwoordde hij een grap met een grap?

Dit vraagstuk wordt knap door het hele boek gewoven. Met wie hebben we te maken. Ook wat de beide Kircher-adpten Beck en Franzl betreft. Zijn het oplichters of niet? Haakman vindt er bewijzen genoeg voor. Hij ontmoet Beck nog één maal en dan ontspint zich een interessant gesprek wat ik niet zal weggeven, maar waar Beck zijn theorie over Kircher uitéén zet, en misschien daarmee ook over zichzelf.

Geen kritiek op dit boek van 266 pagina’s? Weinig, of een paar herhalingen van zetten. Ik kom informatie op meerdere plaatsen in het boek tegen én alle titels van personen en naslagwerken (en dat zijn er veel) worden allemaal voluit geschreven. Laat het u niet tegenhouden, het is een vermakelijk boek.

b96d1f16c110ce9596f44726f51444341587343
Als Murat Isik met zijn boek Wees onzichtbaar niet de Libris-literatuurprijs 2018 had gewonnen, weet ik niet of ik ertoe was gekomen om dit boek te lezen. Maar goed, het boek kreeg publiciteit en ik hoorde iets over een coming-of-age-roman die zich in de Bijlmermeer afspeelde, in een tijd dat ik er ook wel heb rondgelopen en mijn belangstelling was gewekt.

Het is een dikke pil van bijna 600 pagina’s en ik heb mij geen seconde verveeld, het is een prachtig boek. Hoofdpersoon is Metin Mutlu, een jongen geboren in het Turkse Izmir, die vanuit Hamburg met zijn moeder, zus en tirannieke vader naar de Bijlmermeer verhuist. Vader is overtuigd communist, terroriseert zijn gezin en voert zelf niets uit. Hij gaat weg wanneer het hem belieft en komt (want geen moslim) vaak stomdronken thuis.

Zijn kinderen en vrouw proberen de vrede waar het kan te bewaren in een flat zonder comfort, in een gebouw en een omgeving die wordt geteisterd door junks en criminelen en dat valt niet mee. De situatie die Metin schetst is tekenend;

Toen ik die middag thuiskwam van school, hing er een doordringende alcoholwalm in huis. Instinctief liep ik naar de slaapkamer van mijn ouders en deed de deur zachtjes open. Daar lag mijn vader op de matras op de grond. Hij lag zijn roes uit te slapen in zijn onderbroek…’s Avonds schoof hij aan voor het avondeten, met geschoren wangen, heerlijk geurend naar Tabac-aftershave en zijn haar perfect in model alsof er niets was gebeurd. We spraken niet over het incident, zoals we nooit spraken over vervelende dingen die zich in huis voordeden. We slikten het en gingen verder. En zoals altijd aten we zwijgend ons eten en hoopten we dat de vrede zo lang mogelijk stand hield.

Het verhaal ontvouwt zich in een rap tempo in veelal korte hoofdstukken en dat zorgt ervoor dat je blijft lezen. De hoofdstukken handelen ook vaak over op zichzelf staande gebeurtenissen, zoals Koninginnedag, een voetbalcompetitie, de Bijlmerramp, een ontmoeting met een meisje, er wordt nooit lang doorgegaan op een oud gegeven en dat werkt erg verfrissend.

Metin worstelt dus met zijn vader, maar ook met school, waar veel van hem wordt verwacht. Waar hij eigenlijk havo-niveau heeft, wordt hij gepushed naar het vwo waar hij op zijn tenen moet lopen. Hij wordt er gepest en moet alle zeilen bijzetten;

Dino was een kwaadaardig wezen dat ik zorgvuldig moest mijden, maar de grootste slag zou me misschien wel worden toegebracht door iemand die ik niet eerder in het vizier had gehad, iemand die me tot dan toe niet was opgevallen omdat hij er ongevaarlijk en zwak uitzag. Het was een berekenende dwerg die op een dag besloot mijn radar te omzeilen om een onverwachte en verachtelijke aanval uit te voeren, juist op het moment dat het ergste achter de rug leek. Misschien had ik daarom mijn schild even neergelegd, als een soldaat die uitgeput terugkeert van het front en uitziet naar het moment dat hij zich voorgoed kan ontdoen van zijn uitrusting.

Als een hoofdstuk zo begint dan lees ik graag verder. De geschiedenis van de Bijlmermeer wordt mooi in het boek verwerkt als Metin voor maatschappijleer de verhalen aanhoort van meneer Rolf, één van de eerste bewoners van zijn flat Fleerde en die later de laatste, protesterende bewoner zal blijken te zijn.

In het gezin begint langzaam een kentering te komen. Metin’s moeder krijgt werk en leert snel, Metin en zijn zus worden ouder en vader krijgt steeds meer tegengas. Hij wordt met argumenten voorbijgestreefd en ziet dat hij grip verliest. Als u wilt weten hoe dat afloopt, lees dan vooral het boek. Zijn er geen minpunten? Niet echt, of het moet de passage zijn waarin de auteur de moeilijkheden van Metin nèt iets te ver doordrijft door de lerares te laten vragen wie hij dan wel is en hoe hij heet, alsof ze hem echt nog nooit heeft opgemerkt. Voor de rest, wat mij betreft een aanrader.

902950997x-01-_sx450_sy635_sclzzzzzzz_
Parijs is een feest van Ernest Hemingway bracht mij meer dan ik had verwacht. Ik had een aantal sfeertekeningen verwacht van Parijs in de jaren twintig van de vorige eeuw en die kreeg ik, maar er is heel wat meer over te vertellen. Ik kocht dit boek omdat ik het boek Herinneringen aan Montparnasse van John Glassco ken. Dit is een Canadese dichter die in dezelfde periode in dezelfde kringen in Parijs verbleef en daar een erg onderhoudend boek over schreef. Meer van hetzelfde door Hemingway leek mij erg plezierig en dat stelde niet teleur.

De Hemingway uit dit boek is een jonge, aankomende schrijver die na de Eerste Wereldoorlog met zijn vrouw in Parijs verblijft. De verhalen zijn echter opgetekend door een veel oudere Hemingway en eigenlijk nooit voor publicatie bedoeld. Hij was aan een boek over Parijs begonnen, maar zag er in een brief aan zijn uitgever vanaf. Redenen waren dat hij geen passend einde kon verzinnen en bang was om in rechtszaken wegens smaad te belanden. Ook zou het boek oneerlijk zijn tegenover Hadley, zijn eerste vrouw en de schrijver F. Scott Fitzgerald. Hij liet een kleine opening tot publicatie open, zolang de schetsen maar aangeduid werden als fictie. Het is een ‘gewone’ verhalenbundel dus, met autobiografische elementen. Reden ook waarom ik hem zelf onder de ‘fictie’ plaats.

Een duidelijke brief aan zijn uitgever, ware het niet dat zijn toenmalige vrouw Mary de brief niet postte en zelf besloot de verhalen postuum uit te geven. De titel ontleende ze aan een uitspraak van Hemingway;

‘Waar je de rest van je leven ook naartoe gaat, als je zo gelukkig bent geweest om in Parijs te hebben gewoond toen je jong was, dan blijft die stad bij je, Parijs is altijd een feest.’

Nu vind ik de Nederlandse titel te eenvoudig, want in het Engels klinkt het beter “[…] for Paris is a moveable feast.’ Ook al omdat de spelling Hemingsways idiosyncratische voorkeur volgt om de ‘e’ te behouden in woorden die eindigen op ‘ing’ en die gevormd zijn uit werkwoorden die op een ‘e’ eindigen.

Nu al een heel verhaal en nog niets over de inhoud. Die is ook de moeite waard. Ik word blij van een sfeertekening van een herder door de straten van Parijs;

De geitenherder kwam de straat in en blies op zijn fluitje en een vrouw die op de verdieping boven ons woonde, kwam op het trottoir naar buiten met een grote pot. de geitenherder koos een van de zwaar bezakte zwarte melkgeiten en melkte haar boven de pot…

Dat, maar ook de verhalen zoals we Hemingway kennen. Schrijvend op het terras van Le Clos des Lilas, gokkend bij de paardenrennen, coachend bij een bokswedstrijd en tijdens zijn ontmoetingen met de schrijvers en dichters van zijn tijd. Leuk om te lezen dat hij inderdaad kind aan huis is bij Sylvia Beach van de boekhandel Shakespeare and Company, zoals ik in mijn bespreking over die winkel aangaf.

Hemingway kent schrijfster Gertrude Stein en ontmoet James Joyce en Ezra Pound. Schrijver F. Scott Fitzgerald (The Great Gatsby) en zijn vrouw Zelda worden vrienden en voor hen is redelijk wat ruimte ingeruimd. Fitzgerald is een notoire alcoholist en constant bezorgd om zijn gezondheid. Hij zou twee grote romans schrijven en vroeg aan een beroerte overlijden. Zijn vrouw Zelda belandt in een inrichting en komt bij een brand om het leven. Ik heb naar aanleiding van dit boek zijn romans, haar autobiografische roman en een biografie over Fitzgerald besteld, een klein projectje dus.

Veel hoeft er niet geciteerd te worden, het boek leest als een trein. Bedenk wel dat Hemingway het inderdaad mooier heeft opgeschreven dan in werkelijkheid, er is studie naar verricht. Daarom is het fictie met autobiografische kanten. Gustaaf Peek geeft het mooi weer in zijn nawoord;

Wie nostalgie met angst weet te verweven zoals Hemingway doet, en ook nog eens in een vocatieve en bezwerende stijl, verdient barmhartigheid. Laat een oude man dus nog eenmaal aan het woord, vanaf zijn tafel in de Closerie des Lilas, over de bomen en poivrottes van het place Contrescarpe, over pokerspellen in een warm gestookt hotel hoog in het Vorarlgebergte, over vrijen en daarna wakker liggen, over de eindeloze honger van de herinnering.

De bespreking is veel langer dan ik had gedacht naar aanleiding van 239 pagina’s, maar het is een boek waar ik dan ook meer uit haalde dan ik verwachtte. Dat zijn toch de leukste.

Vertaling; Arie Storm

c980c62be5b86e2597a7a515941437641414141
Ik had De Engelse patiënt van Michael Ondaatje al een tijd in de kast staan en begon er eigenlijk in een opwelling in te lezen. Een beroemde titel, winnaar van de Booker Prize 1992, verfilmd en een intrigerende setting.

Het is aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. In een kapotgeschoten villa ten noorden van Florence, verzorgt een jonge Canadese verpleegster een ‘Engelse patiënt’, die geen gezicht meer heeft omdat heel zijn lichaam gruwelijk is verbrand. Dan komt Caravaggio erbij, een dief, die in Noord-Afrika bij de geheime dienst jacht heeft gemaakt op een ongrijpbare spion. Even later voegt zich een derde persoon toe, een jonge Indiër Kirpal Singh ofwel Kip. Hij ruimt met grote onverstoorbaarheid allerlei door de Duitsers achtergelaten mijnen op.

Om deze drie personen draait het verhaal en langzaam aan worden de verhoudingen duidelijk. Het is geen chronologisch verhaal. We springen onverdroten naar de vooroorlogse woestijnavonturen van de ‘Engelse patiënt’, naar het Toronto van Caravaggio (jawel, hij blijkt verpleegster Hana te kennen uit Canada) en naar de opleiding van Kip in Engeland.

De villa is het centrale punt waar steeds naar wordt teruggekeerd. Kip en Hana beginnen voorzichtig een relatie, Caravaggio gelooft dat de patiënt verre van Engels is en zo worden er steeds meer details duidelijk.

De stijl van Ondaatje is rijk en neemt je onmiddellijk mee met het verhaal;

In de loverrijke slaapkamer kijkt de verbrande patiënt uit over grote afstand. Net zoals die dode ridder in Ravenna, wiens marmeren lichaam levend, haast fluïde lijkt, zijn hoofd op een stenen kussen heeft liggen zodat het over zijn voeten heen in de verte kan kijken. Verder dan de verlangde regen van Afrika. Naar het leven van hen allen in Caïro. Hun werk en hun dagen. Hana zit bij zijn bed en reist als een schildknaap met hem mee op die tochten.

De auteur mixt op knappe wijze echte gebeurtenissen, onder meer ontleend aan verslagen van The Geographical Society, met verzonnen werk en personages. Knap is ook de gedetailleerde informatie die wordt gegeven als Kip zijn bommen ontmanteld, Ondaatje heeft zich behoorlijk in de materie verdiept. Het mooiste vond ik de beschreven woestijnpassages, dan komt het boek echt tot leven;

Koude nachten in de woestijn. Hij plukte een draad van de horde nachten en stak hem als voedsel in zijn mond. Dit gebeurde tijdens de eerste twee dagen van de expeditie, als hij zich in het vagevuur tussen stad en plateau bevond. Als er zes dagen verstreken waren dacht hij nooit meer aan Caïro of aan de muziek of de straten of de vrouwen; dan reisde hij door een oertijd, had zich aangepast aan de adempatronen van diep water.

Hieruit blijkt dat Ondaatje ook dichter is, mij spreekt het aan. Het is wel een erg fragmentarische roman, ik moest mijn aandacht er wel bij houden, maar daar krijg je dan ook een rijk verhaal voor terug.

9023485173.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik had van de Dreyfus-affaire gehoord, maar wist zeker niet van de hoed en de rand. Na het lezen van De Officier van Robert Harris ben ik echt een heel stuk wijzer.

Het boek gaat over de beroemdste gerechtelijke dwaling aller tijden. Het speelt rond 1900 en gaat over de veroordeling van de joods-Franse officier Alfred Dreyfus wegens hoogverraad. Hij werd er van beschuldigd voor Duitsland te hebben gespioneerd en werd verbannen naar Duivelseiland voor de kust van Frans-Guyana.

Nu werd ene Georges Picquart benoemd tot het hoofd van de afdeling Statistiek van de Franse overheid. Lees; hij werd kolonel van de afdeling spionage. Daar krijgt hij te maken met de affaire Dreyfus en beetje bij beetje ontdekt hij dat de zaken toch niet helemaal in elkaar steken zoals de regering het doet voorkomen. Hij komt er achter dat er in ieder geval een echte verrader rondloopt, Ferdinand Walsin Esterhazy. Het document waarop Dreyfus is veroordeeld blijkt geschreven door Esterhazy.

Picquart bijt zich erin vast en er komt steeds meer modder naar voren. Hij wil dit bespreken met zijn superieuren maar wat blijkt; hij moet het laten rusten. Dreyfus is veroordeeld op basis van onomstotelijke feiten in een geheim document, dat de verdediging niet heeft mogen inzien. Dat gaat volledig tegen het rechtsgevoel van Picqaurt in, hoe toegewijd hij ook is aan het leger dat hij dient. De gemoederen lopen soms hoog op;

‘Maar als we nu ontdekken dat Esterhazy de verrader was, en niet Dreyfus…?’
‘Nou, dat ontdekken we dus niet, begrijpt u? Dat is namelijk het hele punt. Want zoals ik net aan u heb uitgelegd, is de zaak-Dreyfus voorbij. Het hof heeft zijn vonnis gewezen, en dat is einde verhaal.’

Het leest als een roman, wat het ook is, alleen leunt de roman zwaar op wat er echt is gebeurd. Iedere persoon die voorkomt heeft ook echt bestaan. De ik-persoon, Picquart, heeft het zwaar te verduren. Hij constateert, signaleert en krijgt dit;

“Het enige waar ik om vraag, is dat de zaak nog eens grondig wordt onderzocht…’
‘Het enige?”Nu ontploft Gonse. ‘Het enige! Die is goed! Ik begrijp u niet Picquart! Weet u eigenlijk wel wat u zegt? Dat het hele leger – het hele land, wat dat aangaat – om uw gevoelige geweten draait!

Picquart blijft tegen muren oplopen. Hij wordt weggepromoveerd naar Afrika, wordt teruggeroepen om te getuigen en gevangen gezet. De kwestie splijt het land en er zijn beroemde voorstanders als de schrijver Émile Zola die zijn beroemde pamflet J’accuse schreef, op het gevaar af voor smaad veroordeeld te worden.

Uiteindelijk loopt het goed af en worden zowel Dreyfus als Picquart in het gelijk gesteld, maar wat een inkijk geeft dit in het gekonkel en gedoe in het Franse rechtssysteem rond 1900. Verbluffend.

O ja, lees vooral ook Anna’s bespreking. Voor meer achtergronden zie hier.

Vertaling; Paul Witte

9038800614.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Op 29 april 1992 worden in Los Angeles twee agenten vrijgesproken van de aanklacht van excessief geweld tegen Rodney King. Zes dagen van Ryan Gattis beschrijft de zes dagen van rellen en geweld die daarop volgden.

Uiteraard heeft de politie haar handen vol in die zes dagen en terwijl de stad in brand staat, zien lokale gangs hun kans schoon om elkaar ongestoord te lijf te gaan. Gattis beschrijft dit aan de hand van een aantal verschillende karakters zoals een tacoverkoper, een verpleegster, een brandweerman, een graffiti-artiest en uiteraard een paar bendeleden. Allemaal hebben ze met elkaar te maken.

Dit is geen boek om chronologisch samen te vatten want je kleunt er gelijk in vanaf hoofdstuk één. Het boek heeft mij ook niet meer losgelaten, je wil achter elkaar doorlezen. Wat zo goed beschreven wordt is het klimaat in een samenleving waarin gangs het voor het zeggen hebben. De soms achteloze, zakelijke afrekeningen, maar ook het meedogenloze oog-om-oog-principe. Hulpverleners die hun werk proberen te doen maar beschoten en mishandeld worden. Zo ook de politie, maar die (en daar wordt een heel hoofdstuk aan gewijd) heeft zo haar eigen werkwijze;

We hebben hier onze eigen neonazi-woutenbende. Ik wou dat ik zat te liegen maar het is echt zo. Ze hebben zelfs tattoos, hebben we gehoord. Het logo van de Minnesota Vikings op hun enkel. De wet interesseert ze niet. Hun manier om het bendeprobleem aan te pakken is zonder licht een wijk in te rijden…schieten op iedereen die ook maar uit de verte op een gangster lijkt en dan snel wegrijden in de hoop dat er een bendeoorlog uitbreekt waarbij we elkaar afmaken…

Steeds worden er nieuwe karakters geïntroduceerd en het verhaal wordt steeds vanuit het nieuwe karakter verteld. Dat werkt prima. Het maakt het verhaal levendig en doet je beter begrijpen wat er gebeurt. Het is een wereld die ver van mij af staat maar waar je even middenin gegooid wordt;

Boven ons hangt een helikopter –  van Channel 7 zo te zien – die een schijnwerper op ons richt…De mensen die in deze buurt wonen weten inmiddels wel hoe dat voelt. Die weten hoe afschuwelijk het leven ineens kan worden. Alle anderen, de mensen die thuis naar het tafereel op tv zitten te kijken, hebben geen idee. Zij zijn degenen die geschokt zijn door de rellen…Ze begrijpen niet wat er gebeurt met mensen zonder geld die in een buurt wonen waar de misdaad een serieuze carrièremogelijkheid is omdat er verder geen kansen zijn, en dat praat ik niet goed, ik vergoelijk het niet en ik zeg ook niet dat het onvermijdelijk is, maar zo is het nu eenmaal.

Zes dagen met geweld, wanhoop, berusting en soms een glimmer hoop, van mensen die er uit willen breken. Het leest als een trein en dat is een compliment aan de vertaalster. Het moet lastig zijn geweest om straattaal om te zetten naar goed Nederlands en te beslissen wat je in het Engels laat staan en wat niet. Aanrader!

Vertaling; Gerda Baardman

77da3d5ffb9e3875971376e6a67444341587343
De stoel van God is een roman van de kinderarts Paul Brand. Het is het indrukwekkende verhaal van Klaas, een jongen die lijdt aan cystic fibrosis (CF), ofwel taaislijmziekte. Het is ook het verhaal van de kinderarts Theo van Diepen. Hij wordt de vaste arts van Klaas en leert hem en zijn ouders goed kennen. Uiteindelijk, de achterflap verraadt dit al, loopt het niet goed af en komt Theo voor een dilemma te staan.

Omdat ik zelf jaren als vrijwilliger met de zomerkampen van de Stichting Fibrosekinderen op Kamp ben mee geweest, wilde ik dit boek graag lezen, maar de CF is niet precies waar het in dit boek om draait. De auteur vertelt;

Dit boek is geschreven om te laten zien wat er gebeurt als kinderartsen besluiten om actief levensbeëindigend te handelen. Het wil laten zien hoe artsen tot dit besluit kunnen komen, en dat deze artsen geen monsters, maar mensen zijn…Artsen die een centraal onderdeel uit hun eed, primum non nocere (boven alles geen kwaad doen…) serieus nemen. Mensen die ook feilbaar zijn, fouten maken.

Het verhaal begint met Theo die in opleiding is en snel te maken krijgt met Eduard, Annemarie en hun zoontje Klaas. Hij wordt de vaste arts van Klaas en krijgt al snel te maken met alle dilemma’s die je bij een cf-patiënt tegen komt;

Het verschil tussen Klaas en gezonde kinderen zou voor Klaas steeds duidelijker worden, naarmate hij ouder werd. En dus zouden er meer en meer vragen komen. Wanneer was nou een goed moment om hem iets te vertellen over zijn ziekte? En wat vertelde je hem dan? En hoe? Hoe kun je een kind duidelijk maken dat hij een akelige erfelijke ziekte heeft, waarvoor hij elke dag medicijnen moet nemen en toch, steeds zieker wordt en doodgaat?

Er wordt gekozen voor duidelijkheid. Alles wordt Klaas stukje bij beetje verteld en naarmate hij ouder wordt begrijpt hij beter hoe het zit. Hij wordt boos, tegendraads maar is ook meegaand, berustend en soms verbluffend volwassen. Dat laatste herken ik uit de praktijk. Het gaat slecht met Klaas, zijn longfunctie holt achteruit en hij komt in aanmerking voor longtransplantatie. Dat weigert hij. Hij heeft meegemaakt dat de longen bij een getransplanteerd vriendinnetje werden afgestoten en heeft gezien wat de medicijnen met haar hebben gedaan. Klaas laat Paul beloven dat hij menswaardig en zonder pijn mag sterven.

Dat is de crux van het boek. Actieve levensbeëindiging bij kinderen is niet toegestaan. Bij volwassenen wel. Die stellen een verklaring op en als de arts het protocol volgt is er niets aan de hand. Kinderen zijn echter niet wilsbekwaam, dus pijnverlichting is alles wat rest. Ook Theo krijgt hier mee te maken en volgt hierin zijn eigen weg. De uitkomst laat zich raden.

De romanvorm is gebruikt zodat de karakters wat meer aangedikt kunnen worden dan bij non-fictie. Dat werkt goed. Klaas krijgt helaas alles over zich heen, bloedingen, diabetes, schimmelinfecties, afstoting bij zijn vriendinnetje. De stijl is onverbloemd en je krijgt de woede en onmacht van ouders, patiënt én arts akelig goed mee;

‘Luister, het goede nieuws is dat Klaas geen longbloeding heeft en dus niet in levensgevaar is…Die diabetes, da’s dik balen maar dat krijgen we wel onder controle.’
‘Het lijkt verdomme wel alsof Klaas alles moet krijgen’, barstte Eduard uit. ‘Alles. Alles wat bij CF hoort. Klaas krijgt het allemaal.’
Weer had ik niks te zeggen. Hij had gewoon gelijk.

Een beklemmend maar mooi boek van zo’n 280 pagina’s over een groot thema. Dat het thema nog altijd zeer actueel is, blijkt uit dit artikel van 19 juni 2015.