archiveren

Tweede Wereldoorlog

9200000079154757
Rauter, Himmlers vuist in Nederland is de omvangrijke biografie die Theo Gerritse heeft geschreven over de man die de taken van SS-leider Heinrich Himmler uitvoerde in Nederland. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ik nooit van Rauter had gehoord tot dit boek verscheen en Gerritse onderschrijft dit wel een beetje. Waar Mussert, Seyss-Inquart en Van Tonningen nog bekende namen zijn, is de naam Rauter zo’n beetje gewist uit ons nationale geheugen, geeft hij aan.

Dat wordt met dit dikke boek van ruim 600 pagina’s meer dan rechtgezet. Rauter was namelijk alomtegenwoordig. Zijn naam stond onder de aangeplakte bulletins waarin melding werd gemaakt van voltrokken doodvonnissen. Hij sloeg de Februaristaking van 1941 bloedig neer. Hij hield het toezicht op de ongestoorde deportatie van de Nederlandse joden en de jacht op verzetsmensen. Hij tekende het ‘dennenboompje’ waarmee hij het startsein gaf voor de sluipmoorden (Silbertanne) op vermeende ‘vijanden’ van het Duitse rijk. Een gevreesde, compromisloze man, door en door soldaat, een sober levend mens en tot alles bereid om zijn bevelen op te volgen.

Hij werd geboren in Oostenrijk en vocht in de Eerste Wereldoorlog mee. Daarna verhuisde hij naar Duitsland om daar dienst te nemen. Hij groeide op met het nationaal-socialistisch gedachtegoed en antisemitisme maakte daar een groot deel van uit. De ervaring van een verloren oorlog was bepalend voor de rest van zijn leven. De auteur geeft aan dat met de wapenstilstand of na de gesloten verdragen de oorlog voor Rauter niet ophield. Die ging gewoon door.

Dat doet zich voelen als hij in de Tweede Wereldoorlog in Nederland wordt gestationeerd, als hoogste SS-officier die aan Himmler moet rapporteren. Zoals gezegd volgde hij zijn orders nauwgezet, maar soms ging hij zelfs verder. Hij voldeed aan de quota van Joden die op transport moesten maar zorgde daarnaast ook voor sterilisatieprogramma’s. Joden over wiens lot nog niet was beslist konden kiezen; steriliseren of alsnog op transport. Hij kwam ook met de ‘Gegenterror’ onder de naam ‘Silbertanne’. Als er een aanslag werd gepleegd dan werden er een aantal aangewezen slachtoffers, van wie vermoed werd dat ze tegen de autoriteiten waren, vermoord.

Vreselijke daden, maar Rauter was er vast van overtuigd dat ze geoorloofd waren in een oorlogssituatie. Wat betreft de Jodenvervolging was hij duidelijk;

Ich will gerne mit meiner Seele im Himmel büssen vor dem was ich hier gegen die Juden verbrochen habe.

Hij was niet vies van dergelijke uitspraken en veel hoofdstukken beginnen er ook mee. Het laat wel zien hoe Rauter in zijn werkelijkheid stond;

Es (kommt) nicht so sehr darauf an, dasz der rechte Mann niedergeschossen wird. Auf der Strasze werden auch Unschuldige erschossen (…) Es kommt vielmehr darauf an, dasz im rechten Augenblick Tote fallen.

Rauter zou uiteindelijk ook neergeschoten worden bij een aanslag en heimelijk had hij gehoopt daar als echte Germaanse krijger bij om te komen. Dat gebeurde niet. Hij revalideerde en na de oorlog werd hij in Nederland berecht. Het is verbijsterend om te lezen hoe dat er aan toe ging. De rechtszaak was van Nederlandse kant slecht voorbereid, hoewel de uitkomst al vast stond, de doodstraf. Waar Rauter eerst niet wegliep voor zijn verantwoordelijkheid, soms zelfs zijn daden behoorlijk aandikte, probeerde hij alles voor de rechter te bagatelliseren. Hij loog er af en toe op los en probeerde zichzelf uiteindelijk zelfs als zoenoffer te geven.

Het maakte allemaal niet uit, de doodstraf stond al vast. Hij stond er wel op zonder blinddoek en niet geboeid voor het vuurpeloton te verschijnen. Naar verluid heeft hij zelfs “Vuur!” geroepen, waarna hij daadwerkelijk doodgeschoten werd.

Het is een uiterst boeiend en uitgebreid verhaal wat Gerritse heeft opgetekend. Er was heel veel bekend en gedocumenteerd over Rauter dus dat moet een enorme klus zijn geweest. Het is een dik boek met een groot notenapparaat, maar ik las het in één adem uit. Wat ik erg interessant vond is de duiding van hoe deze man tot zijn daden is gekomen. Het is makkelijk om iemand weg te zetten als verknipte persoon, maar er is veel meer over te zeggen en dat doet Gerritse. Een paar zinsneden daarover;

Hij was een Germaans krijger geweest. Maar Rauter was ook een SS-zendeling, die in de loopgraven aan het Isonzo-front…een specifiek idioom had ontwikkeld…Hij was in Nederland een Einzelgänger die niet rookte en nauwelijks dronk…Hij was een idealist die stond voor zijn zaak, wat de consequenties ook mochten zijn…Als het om Joden ging, kende Rauter geen scrupules en plichtplegingen…’Kämpfer’ en ‘Soldat’ met een ridderlijke inslag, zo zag Rauter zichzelf.

Daar valt dus veel over te vertellen en dat heeft Gerritse knap gedaan. Het is wel handig om een beetje Duits te kennen omdat er heel veel citaten in staan, hoewel er soms een lastig woord vertaald wordt door de auteur en de rest ook voor niet-Duitssprekenden in de regel uit de context of uit de Duitse tekst zelf is op te maken.

3aa3e6e08988d86597952685651437641414141
Het complot tegen Amerika van Philip Roth is geschreven in 2004, handelt over de periode tijdens de Tweede Wereldoorlog en is ineens weer zeer actueel. Het is ook een verrassend boek, want het mengt historische feiten met fictie. Een onvervalst wat als? boek.

In de Verenigde Staten wordt namelijk niet Franklin Delano Roosevelt, maar de pionier-vliegenier Charles A. Lindbergh gekozen tot de 42e president (fictie). Dat is erg, want deze man staat bekend om zijn fascistische en anti-semitische denkbeelden (feit). Daar gaan we dus al, maar geen vrees. Het verhaal wordt vlot verteld en wel door de ogen van de jonge Philip Roth zelf.

Deze groeit op in een joods gezin met broer Sandy en pleegbroer Alvin. Deze laatste is het niet eens met de denkbeelden van president Lindbergh. Die staat voor een neutraal Amerika en bemoeit zich niet met de oorlog in Europa. Hij heeft zelfs op IJsland een verdrag gesloten met Hitler ten behoeve van wederzijdse vreedzame betrekkingen. Ook heeft hij een pracht van een Orde van de IJzeren Adelaar gekregen (Lindbergh kreeg daadwerkelijk een Duitse onderscheiding). Alvin gaat vechten in Europa, verliest een been en komt verbitterd terug.

Het anti-semitisme neemt toe en er komen initiatieven om joodse families te verspreiden over het land. Ook de familie Roth wordt intern verdeeld. Tante Evelyne trouwt een rabbijn die achter Lindbergh staat en wordt verketterd door Philip’s ouders, helemaal als tante en haar rabbijn bij Lindbergh en Von Ribbentrop in het Witte Huis mogen aanschuiven. Vader Roth ziet het in de bioscoop op het journaal;

‘Maar waarom ging je dan kijken,’ vroeg mijn moeder hem, ‘als je wist dat het je zo van streek zou maken?’ ‘Ik ging kijken,’ antwoordde hij, ‘omdat ik mezelf elke dag dezelfde dag dezelfde vraag stel: hoe is het mogelijk dat dit in Amerika gebeurt? Hoe is het mogelijk dat zulke mensen het in ons land voor het zeggen hebben? Als ik het niet met mijn eigen ogen zou zien, zou ik denken dat ik hallucineerde.’

De link met de actualiteit hoef ik niet meer uit te leggen en dat maakt het razend interessant. Er is tegenstand in de vorm van oud-cabaretier Walter Winchell (feit) die om zijn tegenstem wordt vermoord (fictie). De grote hervormingen worden persoonlijk als de moeder van het vriendje van Philip omgebracht wordt door anti-joods geweld. President Lindbergh vliegt het land door en pakt de bevolking in met een simpele boodschap;

‘Ons land is in vrede. Onze mensen zijn aan het werk. Onze kinderen gaan naar school. Ik ben hierheen komen vliegen om jullie daaraan te herinneren. Ik ga nu terug naar Washington om ervoor te zorgen dat het zo blijft.’ Een allesbehalve opzienbarende reeks zinnetjes, maar voor die tienduizenden Kentuckianen…alsof hij hun het einde van alle aardse moeite en verdriet heeft aangekondigd.

Toch verdwijnt Lindbergh van het toneel en zijn tegenstander Roosevelt wordt zijn opvolger. Pearl Harbor wordt aangevallen, waarna de geschiedenis zijn normale loop weer herneemt.

Het is een knap geschreven boek en het feit dat feit en fictie door elkaar heen lopen stoort geen moment. Achter in het boek wordt aan de hand van de hoofdpersonen keurig uitgelegd wat de juiste chronologie is van hun levens én staat de toespraak die Charles Lindbergh heeft gehouden op 11 september 1944 in Des Moines, Iowa. De titel was ‘Wie zijn de oorlogsstokers?’. De bijeenkomst was van het America First Committee. America First? Ik hoef die actualiteit ook niet uit te leggen geloof ik.

Vertaling; Ko Kooman

9026338090.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik kocht Catch-22 van Joseph Heller eigenlijk een beetje in een opwelling. Het boek viel op door de helgroene kaft, het is een bekende titel en levendige dialogen op de eerste pagina. De achterkant leerde mij dat dit de oorlogsroman is die alle andere overbodig maakt, dus dan schiet je meteen een eind op.

En dan ga je lezen…en wordt alles weer anders. Jazeker, het is een oorlogsroman. Het gaat over een luchtmachtbasis op het (niet bestaande) eilandje Pianosa voor de Italiaanse kust. Hoofdpersoon is Yossarian, de bommenrichter die er vast van overtuigd is dat de vijand en wellicht vele anderen er op uit zijn om hem te vermoorden. Goed, de term absurd staat op de achterkant, maar dit verwachtte ik ook niet;

‘Ze proberen me te doden,’ zei Yossarian kalm.
‘Niemand probeert jou te doden!’ schreeuwde Clevinger.
‘En waarom schieten ze dan op me?’ vroeg Yossarian.
‘Ze schieten op iederéén,’ antwoordde Clevinger…Clevinger dacht echt dat hij gelijk had, maar Yossarian had de bewijzen, omdat vreemdelingen die hij niet eens kende, telkens als hij de lucht inging om bommen op hen te laten vallen, met kanonnen op hem schoten, en dat was allesbehalve grappig.

Met stijgende verbazing en geamuseerd las ik door en snorde wat achtergrondinformatie op. Satire en absurdisme dus. Prima, daar kan ik ook mee uit de voeten. Yossarian denkt ook dat zijn eigen superieuren op zijn dood uit zijn. Het aantal gevechtsmissies dat hij moet vliegen om op lang verlof te gaan wordt telkens verhoogd. Hij verzint uitvluchten, wendt ziekte voor maar bevindt zich uiteindelijk in een catch-22 situatie. De dokter legt het uit;

‘Natuurlijk is er een catch,’ antwoordde doc Daneeka. ‘Catch-22. Iemand die geen gevechtsmissies meer wil vliegen is zo gek nog niet.’…iemand die…een bezorgdheid over zijn eigen veiligheid aan de dag legde, bewees daarmee dat hij geestelijk normaal was. Orr was gek en kon worden afgekeurd. Hij hoefde er maar om te vragen, maar zodra hij dat deed, zou hij niet gek meer zijn en zou hij meer gevechtsmissies moeten vliegen.

Het is dus een oorlogsroman, maar de vijand is niet aanwezig, hoogstens op de missies die worden gevlogen. Het boek is verdeeld in hoofdstukken die handelen over de personages op de luchtmachtbasis of over de plaatsen die worden bezocht, zoals Rome op verlof. Het zijn er veel, er trekken zo’n 50 personages in totaal voorbij en het boek telt ook goed 500 pagina’s. Boeklog vond het wat té veel, ik had er geen last van en heb mij uitstekend vermaakt. Een sterk karakter is Milo Minderbinder, die groot wordt in de zwarte handel. Hij gaat zover, hoezo absurdisme,  dat hij zelfs zijn eigen basis bombardeert;

Hij had weer een contract afgesloten met de Duitsers, ditmaal om zijn eigen onderdeel te bombarderen…Zijn bemanningen spaarden de landingsbaan en de messrooms, zodat ze netjes konden landen na hun opdracht te hebben uitgevoerd en nog een warm hapje konden eten voordat ze gingen slapen.

Er vallen talloze citaten te geven, over de legerpredikant, over de volledig ingezwachtelde soldaat in het wit (Misschien zit er niemand in), over Nately’s hoer die een grotere rol speelt dan aanvankelijk gedacht, over Majoor Major Major Major (geen tikfout) en ga zo maar door. Lees het vooral zelf.

Het is een absurdistische oorlogsroman maar ook meer dan dat. Er is aandacht voor oorlogstrauma’s en er vallen wel degelijk slachtoffers. Daarmee is het ook een anti-oorlogsroman én een aanklacht tegen het kapitalisme, in de vorm van de ongebreidelde hebzucht en expansiedrift van Milo Minderbinder. Het boek verscheen in dezelfde tijd als Norman Mailers The Naked and the Dead en Kurt Vonneguts Slaughterhouse Five en bevindt zich daarmee in een illuster gezelschap van oorlogsromans.

Achter in het boek staan een aantal documenten opgenomen die de achtergronden van het boek toelichten, onder meer één door de auteur zelf. Zo leer ik dat de titel eerst Catch-18 was, maar omdat de auteur Leon Uris een oorlogsroman uitbracht met de titel Mila-18, moest de titel aangepast worden. Het werd Catch-22 en deze term is inmiddels toegevoegd aan de Engelse woordenschat. Veel meer erkenning is er niet lijkt me.

Vertaling; J.F. Kliphuis

 

c980c62be5b86e2597a7a515941437641414141
Ik had De Engelse patiënt van Michael Ondaatje al een tijd in de kast staan en begon er eigenlijk in een opwelling in te lezen. Een beroemde titel, winnaar van de Booker Prize 1992, verfilmd en een intrigerende setting.

Het is aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. In een kapotgeschoten villa ten noorden van Florence, verzorgt een jonge Canadese verpleegster een ‘Engelse patiënt’, die geen gezicht meer heeft omdat heel zijn lichaam gruwelijk is verbrand. Dan komt Caravaggio erbij, een dief, die in Noord-Afrika bij de geheime dienst jacht heeft gemaakt op een ongrijpbare spion. Even later voegt zich een derde persoon toe, een jonge Indiër Kirpal Singh ofwel Kip. Hij ruimt met grote onverstoorbaarheid allerlei door de Duitsers achtergelaten mijnen op.

Om deze drie personen draait het verhaal en langzaam aan worden de verhoudingen duidelijk. Het is geen chronologisch verhaal. We springen onverdroten naar de vooroorlogse woestijnavonturen van de ‘Engelse patiënt’, naar het Toronto van Caravaggio (jawel, hij blijkt verpleegster Hana te kennen uit Canada) en naar de opleiding van Kip in Engeland.

De villa is het centrale punt waar steeds naar wordt teruggekeerd. Kip en Hana beginnen voorzichtig een relatie, Caravaggio gelooft dat de patiënt verre van Engels is en zo worden er steeds meer details duidelijk.

De stijl van Ondaatje is rijk en neemt je onmiddellijk mee met het verhaal;

In de loverrijke slaapkamer kijkt de verbrande patiënt uit over grote afstand. Net zoals die dode ridder in Ravenna, wiens marmeren lichaam levend, haast fluïde lijkt, zijn hoofd op een stenen kussen heeft liggen zodat het over zijn voeten heen in de verte kan kijken. Verder dan de verlangde regen van Afrika. Naar het leven van hen allen in Caïro. Hun werk en hun dagen. Hana zit bij zijn bed en reist als een schildknaap met hem mee op die tochten.

De auteur mixt op knappe wijze echte gebeurtenissen, onder meer ontleend aan verslagen van The Geographical Society, met verzonnen werk en personages. Knap is ook de gedetailleerde informatie die wordt gegeven als Kip zijn bommen ontmanteld, Ondaatje heeft zich behoorlijk in de materie verdiept. Het mooiste vond ik de beschreven woestijnpassages, dan komt het boek echt tot leven;

Koude nachten in de woestijn. Hij plukte een draad van de horde nachten en stak hem als voedsel in zijn mond. Dit gebeurde tijdens de eerste twee dagen van de expeditie, als hij zich in het vagevuur tussen stad en plateau bevond. Als er zes dagen verstreken waren dacht hij nooit meer aan Caïro of aan de muziek of de straten of de vrouwen; dan reisde hij door een oertijd, had zich aangepast aan de adempatronen van diep water.

Hieruit blijkt dat Ondaatje ook dichter is, mij spreekt het aan. Het is wel een erg fragmentarische roman, ik moest mijn aandacht er wel bij houden, maar daar krijg je dan ook een rijk verhaal voor terug.

0e1de3d2008956859374d335777444341587343
Mijn leven is de boeiende autobiografie van de literatuurcriticus voor Die Zeit en de Frankfurter Algemeine, Marcel Reich-Ranicki. Het is zelfs meer dan dat, het is een geschiedenisboek met een tijdsbeeld van de 20e eeuw en een gids door het Duitse culturele landschap van die tijd.

De auteur werd in Polen geboren maar verhuisde al op jonge leeftijd naar Berlijn met zijn ouders. Hij was een fervent lezer en daardoor een beetje een buitenbeentje. Hoewel het schrijven nog niet machtig mag hij al een klas overslaan. Reich-Ranicki is een groot cultuurliefhebber en bezoekt zo vaak mogelijk toneelvoorstellingen en concerten. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog wordt hij gedeporteerd naar Warschau en moet daar in een getto wonen met zijn ouders en broer. Dat is meteen één van de aangrijpendste delen van het boek, de verschrikkingen zijn er groot;

Bij het straatbeeld in het getto hoorde een ontelbaar aantal bedelaars, die, tegen een huismuur geleund, op de hoek van de straat zaten en luid jammerend om wat brood smeekten; hun toestand deed vermoeden dat ze spoedig niet meer zouden zitten, maar liggen – bedekt met kranten.

De beelden zijn er nog. Dagelijks worden er mensen aangewezen, achteloos, met een rijzweepje door een Duits officier, om op transport te worden gesteld naar Treblinka. Rechtstreeks naar de gaskamers. Dat gebeurt ook met zijn ouders. Zijn broer wordt doodgeschoten. Reich-Ranicki en zijn vrouw Tosia weten lange tijd de dans te ontspringen omdat hij als vertaler werkt voor de Joodse Raad in het getto. Uiteindelijk worden ze aangewezen. Ze rennen weg uit de rij en weten te ontsnappen. Na even ondergedoken te hebben ontsnappen ze uit het getto en vinden onderdak voor de rest van de oorlog bij een zetter, Bolek. Die doet één van de mooiste uitspraken in het boek, één die ik de auteur in latere interviews heb horen herhalen;

‘Adolf Hitler, Europa’s machtigste man, heeft besloten: deze twee mensen hier moeten sterven. En ik, een kleine zetter uit Warschau, heb besloten: ze blijven leven. Nu zullen we eens zien wie er wint.’

Ze overleven en de auteur wordt instructeur bij de Poolse geheime dienst en later even consul in Engeland. Uiteindelijk keert hij, na een flirt met het communisme, terug naar Polen. Later naar de Bondsrepubliek. Dat klinkt makkelijker dan het was, er werd voor gewaakt dat hij naar het buitenland zou vluchten. Het lukt en hij komt zonder bezittingen aan in de Bondsrepubliek.

Hier begint het tweede deel van het boek eigenlijk en we zien hoe hij zich ontwikkelt tot de bekendste literatuurcriticus van, uiteindelijk, Duitsland. Hij ontmoet schrijvers als Heinrich Böll, Günter Grass en Ulla Hahn, hij wordt geïnterviewd door een jonge Ulrike Meinhof en heeft een pijnlijke ontmoeting met Albert Speer, de tweede man van Hitler. We lezen over het trieste verhaal van de dichteres Ingeborg Bachmann en zijn vermeende relaties met andere vrouwen.

Dat laatste is, zoals vaak, het minpunt van een autobiografie. Ik had wel meer willen weten over zijn verhouding met zijn vrouw. Hij ontmoette haar op een vreemd moment, toen haar vader zelfmoord pleegde in het getto. Hij ontfermde zich over haar, ze trouwden in het getto omdat echtgenotes eerder werden vrijgesteld van deportatie en zijn altijd bij elkaar gebleven. De auteur laat echter weinig los over zijn andere relaties.

Hij ontwikkelt een reputatie als meedogenloos criticus. Als hij een boek aanbeveelt wordt het goed verkocht, raadt hij het af, dan kan een auteur wel inpakken. Voor televisie werd een programma om hem heen gebouwd, Das literarische Quartett, waarin hij gedurende een uur of langer zijn mening kon ventileren over dat wat hem na aan het hart lag. Onderstaand een video met wat hoogtepunten, ik vind het mooi om te zien.

Uiteindelijk is het een boek over overleven, over geluk en over liefde. Liefde voor de literatuur en (Duitse) kunst in het algemeen en de liefde voor een vrouw. Geluk en overleven worden mooi samengevat in het gesprek wat hij na de oorlog met actrice Angelika Hurwicz had. Ze waren elkaar in het getto al tegengekomen en hadden hun dromen toen al uitgesproken;

‘Midden in het Derde Rijk hebben wij, twee halfvolwassen joden in een wanhopige, hopeloze situatie, over een toekomst gesproken waaraan we geen moment werkelijk konden geloven. Hoe had destijds een jodin toneelspeelster en een jood criticus kunnen worden? Maar die luxe hebben wij ons toch gepermitteerd…En het is bijna niet te geloven: onze dromen zijn werkelijk in vervulling gegaan. Terwijl onze mensen werden vermoord, zijn wij gespaard gebleven: wij werden niet doodgeslagen, niet vermoord, niet uitgeroeid, niet vergast. We hebben het overleefd, zonder het verdiend te hebben. We hebben het alleen aan het toeval te danken. We zijn om onbegrijpelijke redenen uitverkoren kinderen van de verschrikking. We zijn getekenden, en we zullen het blijven tot het eind onzer dagen. Ben je je daarvan bewust, weet je dat?’ – ‘Ja,’ zei ik, ‘daarvan ben ik me bewust.’

Vertaling; Gerda Meijerink

 

9021557622.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik ontsnapte uit Auschwitz van Rudolf Vrba is het verhaal van één van de slechts vijf mensen die het is gelukt om uit het concentratiekamp Auschwitz te ontsnappen. Een behoorlijk beklemmend verhaal dat uit de eerste hand de verschrikkingen van het kamp goed weergeeft.

De jonge Rudolf is van plan zich aan te sluiten bij het Tsjechoslowaakse leger in ballingschap, in Engeland. Hij komt echter niet ver, wordt opgepakt en uiteindelijk naar Auschwitz getransporteerd. Het best bewaakte kamp dat er was en met reden. De nazi’s waren hier de grootste, meest efficiënte moordmachine aan het bouwen die er was. De wereld wist dit nog niet en het was daarom van het grootste belang dat er niemand zou ontsnappen om de wereld op de hoogte te stellen. Joden werd gezegd dat ze elders een leven konden opbouwen en lieten zich in feite als makke lammeren naar de slachtbank toe leiden. Rudolf merkt het al als hij er aankomt;

Het waren deze mannen in hun onberispelijke groene uniformen die me voor het eerst deden vermoeden dat Auschwitz anders was dan elke andere plek die ik ooit had gekend…Deze doodstil rechtopstaande figuren ademden een sfeer van koude, bloedeloze efficiëntie uit en hun aanblik bracht me in verwarring…Dachten ze dat we gevaarlijke moordenaars waren? Saboteurs? Het puikje van de geallieerde legers? Op de een of andere manier klopte het niet.

Je moet slim zijn, de weg kennen en soms domweg geluk hebben wil je het in Auschwitz een tijdje uithouden. Dat geluk heeft Rudolf. Hij krijgt soms werk waarbij hij aan genoeg eten kan komen en niet teveel straf. De keerzijde ziet hij ook. Verraad, moord, een vlektyfus-epidemie. Je moet fit blijven als arbeider want anders ga je naar de ziekenboeg. Dat staat gelijk aan een dodelijke dosis fenol, geïnjecteerd in het hart.

Rudolf blijft denken aan een ontsnapping. Eerst alleen voor zichzelf, later om juist het vernietigingsverhaal aan de wereld kenbaar te maken, zeker als hij hoort dat er vanuit Hongarije grote transporten op stapel staan. Het lukt hem ook om te ontsnappen, samen met vriend Alfréd Wetzler;

Laarzen stommelden over de planken boven ons en maakten dat we een kleine wolk van gruis op ons kregen. Door het gestamp kwam het stof omhoog en we bedekten onze neus om niet te hoeven niezen…Toen de honden, snuffend, hijgend, hun nagels over het hout schrapend terwijl ze van plank naar plank waggelden. Ik had mijn mes in de hand en zag dat Fred ook klaarzat, met de tanden op elkaar geklemd in een grimas van gespannen afwachting.

Ze redden het en kunnen hun verhaal doen. Niet iedereen wordt erdoor gered, er vertrekken talloze treinen uit Hongarije door schimmige onderhandelingen tussen de Joodse raad en Himmler. Toch was het belangrijk om het naar buiten te brengen. Vrba en Wetzler hebben hun verklaringen aan de geallieerden doorgegeven in het Vrba-Wetzlerrapport. Dit rapport diende later als basis voor de zogenaamde Auschwitz-protocollen. Die zijn integraal opgenomen op de site http://www.ikontsnapteuitauschwitz.nl. Door dit rapport hebben de wereldleiders er bij de Hongaarse leider Admiraal Miklós Horthy op aangedrongen de transporten te stoppen wat zo’n 200.000 levens heeft gered. Vrba heeft tevens in talloze processen tegen de nazi-beulen getuigenissen afgelegd en uiteindelijk dit boek geschreven. Goed geschreven ook, hij brengt de sfeer zeer treffend over. Uiteraard heeft de vertaling hier ook een grote rol in. Voor € 10,- zou ik dit boek niet laten liggen.

Vertaling: M.J. Strengholt

9048817447.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Gisèle van Susan Smit  is een roman over de glazenierster en schilderes Gisèle en speelt zich af rondom de Tweede Wereldoorlog. Zij is in de leer bij Joep Nicolas, met wie zij een verhouding krijgt. Joep’s vrouw Suzanne is gelukkig open-minded en staat dat niet in de weg. Gisèle ontmoet ook Joep’s vriend, de dichter Adriaan Roland Holst, ofwel Jany. Dat is nogal een versierder en ook Gisèle valt voor hem. Jany heeft echter één echte muze, de actrice Mies Peters. Deze laatste klimt langzaam op van bijrolletjes tot wat grotere rollen, maar zal nooit de echte top bereiken.

Dit driemanschap, Gisèle, Jany en Mies, vormt de basis voor een makkelijk en vlot leesbare roman over het kunstenaarsmilieu voor en na, maar vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is namelijk ook een roman over keuzes. Iedere kunstenaar moet zich in de oorlog inschrijven in de Kultuurkamer, wil hij of zij het vak blijven uitoefenen. Die Kultuurkamer bepaalt wat er wel en niet getoond mag worden, je ligt aan des nazi’s leiband. Gisèle is duidelijk, nooit zal ze tekenen, ze legt liever haar kunst neer;

Tijdens een bezoek aan Bergen bracht ze het onderwerp bij haar vader ter sprake. Zodra ze het woord ‘cultuurkamer’ uitsprak, verstrakte het gezicht van haar vader. ‘Ik heb daar vaker over gehoord,’ zei hij. ‘Ik zou me daar nooit bij kunnen aansluiten,’ zei Gisèle, als aanloop naar een betoog waarin ze haar beslissing zou verdedigen. ‘Het zou me hoogst verbazen als je dat wel zou doen,’ onderbrak hij haar en ze voelde zich warm worden van dankbaarheid.

Jany voelt er ook niets voor. Hij schrijft zich uiteindelijk wel in maar met een dermate brutale brief, dat hij toch moet onderduiken. Mies heeft minder scrupules. Zij zet haar toneelcarrière op de eerste plaats, legt het aan met een Duitse officier en tekent. Haar ex-man is vertrokken om voor Duitsland aan het Oostfront te vechten en haar dochter Joyce heeft ze gestald bij een paar strenge tantes. Mies kan haar gang gaan. Haar verhouding met Jany is een lastige. Zij hebben allebei meerdere affaires maar blijven elkaar opzoeken.

Gisèle betrekt een pand aan de Herengracht in Amsterdam, waarin ze onderduikers huisvest, een Duitse schrijver en een Joodse jongen. Het is één grote familie en samen maken ze er het beste van. Gisèle gaat een relatie aan met de Joodse Buri. Bij razzia’s zijn er in het pand allerlei schuilplaatsen gemaakt, tot in de pianola aan toe.

Ondertussen neemt Jany grote risico’s terwijl hij onderduikt. Hij kan het nalaten om toch naar Amsterdam te reizen om Mies op te zoeken. Hij komt er mee weg. Uiteindelijk, aan het eind van de oorlog, wordt het tijd om de balans op te maken van de keuzes die gemaakt zijn.

Zoals gezegd is het een makkelijk leesbaar verhaal, maar dat is ook een beetje de makke. Het mist voor mij wat sfeer. Alles wordt opgeschreven zoals het is, maar soms zie ik liever een sfeer gecreëerd door de dingen die niet worden benoemd. Weglaten, of zaken beschrijven die niet direct met de handeling te maken hebben. Dat is ook de reden dat ik niet goed wist of en zo ja welk fragment ik moest citeren. Verder heet het boek Gisèle, maar zijn de hoofdstukken evenwichtig verdeeld over Gisèle, Jany en Mies. Het had ook Jany kunnen heten.

Het neemt niet weg dat ik de persoon van Gisèle erg interessant vindt. Alle personages hebben bestaan en er wordt keurig toegelicht wat er van ze geworden is. Ondanks mijn lichte bezwaren heb ik er dan ook best van genoten. Onderstaand een interview met Gisèle.

Lees ook de bespreking van Bettina

80e2ef5f050383959786f6f53674141414d6741
De blikken trommel van Günter Grass staat al zo’n vier jaar in mijn kast. Ik hikte altijd een beetje tegen die 500 pagina’s aan. Ten onrechte, zo bleek. De reden voor dat uitstel was de surrealistische schrijfwijze die Grass hanteert in dit boek. Soms is dat even wennen, som levert het ook prachtige beelden op (vissen op palingen met een paardenhoofd, bijvoorbeeld).

Het verhaal wordt verteld door de vroegwijze Oskar Matzerath. Het is de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Oskar is een jongen uit het Poolse Dantzig die op zijn derde besluit om te stoppen met groeien. Wat hij wel doet is trommelen, de hele dag door. Pakken ze hem zijn trommel af, dan gilt Oskar zo hard dat er glazen voorwerpen kapot springen. Glazen of ruiten, hij kan zijn stem sturen naar wat kapot moet. Hij weet niet precies wie zijn vader is, Bronski of Matzerath. Zijn moeder sterft jong en zijn vader Matzerath neemt Maria in huis om te helpen in de kruidenierszaak. Maria raakt zwanger en Oskar denkt dat hij de vader is. Toch trouwt Maria met Matzerath.

Oskar blijft trommelen, het is zijn manier om te communiceren en om te verwerken. Hij sluit zich aan bij een varieté-gezelschap van dwergen die de Duitse troepen vermaken. Bij dit gezelschap ontmoet hij zijn liefde Roswitha. Bij de Atlantikwall verliest hij haar:

Roswitha vroeg mij haar een beker koffie te halen omdat zij nog geen ontbijt had gehad. Een beetje nerveus en bezorgd, dat ik de vrachtauto zou mislopen, weigerde ik en was ook een beetje grof tegen haar. Toen sprong zij zelf van de auto, liep met het keukengerei op haar hoge hakjes naar de veldkeuken toe en bereikte de hete morgenkoffie tegelijkertijd met de daar inslaande scheepsgranaat.

Oskar keert terug naar Dantzig. Bronski en Matzerath sterven en hij vertrekt met Maria en haar zoon naar Düsseldorf. Hij stopt met trommelen en besluit weer wat te groeien. Werkt in de zwarte handel, beitelt grafzerken, speelt in een jazz-orkest, werkt als model en wordt verdacht van moord. Het is een bonte stoet aan gebeurtenissen die aan je oog voorbij trekt.

Het boek is verdeeld in drie delen. De eerste twee geven een tijdsbeeld van Dantzig (het latere Gdansk) van voor en in de oorlog. Behoorlijk cynisch af en toe;

Daarna kwam…maarschalk Rokossowski. Die herinnerde zich bij de aanblik van de ongeschonden stad zijn grote internationale voorgangers en schoot eerst even alles in brand, opdat degenen, die na hem kwamen, hun overtollige energie in de wederopbouw konden uitleven.

op dezelfde pagina;

Maria…liet meneer Fajngold onze Matzerath zien, die al drie dagen onder een stuk canvas in de kelder lag, omdat wij hem niet konden begraven door de vele Russen, die op straat overal fietsen, naaimachines en vrouwen uitprobeerden. 

Matzerath, die stikt in een communistisch partijspeldje, waarna de kogels het afmaken. Het derde deel speelt zich af in Düsseldorf, ten tijde van het herstel van de oorlog. Het boek is rauw, cynisch en surrealistisch, maar erg de moeite waard.

Vertaling: Koos Schuur

963e210cd2b842e59342f675977444341587343
Na de antisemitische complottheorieën uit Eco’s Begraafplaats van Praag leek Het Achterhuis van Anne Frank mij een mooie tegenhanger, ook al omdat het morgen Nationale Dodenherdenking is.

Het verhaal mag bekend zijn; de dertienjarige Anne Frank duikt met haar famlie en wat anderen onder in Het Achterhuis. Hier begint zij haar wereldberoemde dagboek, waarin zij de brieven richt aan haar denkbeeldige vriendin Kitty.

In het begin schrijft zij echt voor zichzelf; het is niet de bedoeling dat iemand dit leest. Later hoort zij op de radio een toespraak van minister Bolkestein die wijst op het belang van dagboeken uit de oorlog. Dan beseft zij dat ze wellicht ook voor anderen kan schrijven. Wat meteen opvalt is dat zij onverbloemd en verbazend volwassen is in haar taalgebruik. Als iemand nog met het beeld in zijn hoofd zit van dat lieve, kleine meisje dat sierlijk haar dagboekje volkrult, dan zal ik dat hier eventjes bijstellen. Het is een fragment waarin zij uitvaart tegen Kitty over die volwassenen die zich over Anne’s gedrag beklagen:

Ik denk er niet aan om al die beledigingen op me te laten zitten, ik zal ze wel laten zien dat Anne Frank niet van gisteren is, ze zullen nog opkijken en gauw hun grote bek houden, als ik ze duidelijk maak, dat ze niet aan mijn, maar aan hun eigen opvoeding het eerst moeten beginnen…Maar zodra ik er aan ga wennen en dat al wel gauw zijn, zal ik ze hun woorden ongezouten teruggeven, dan zullen ze wel anders praten!

Anne maakt er geen geheim van dat ze niet van haar moeder houdt. De verhouding met haar vader en zus varieert, maar moeder heeft definitief afgedaan en ook dat vermeldt zij. Zij leest op latere leeftijd wel stukken terug en verbaast zich dat zij zo openhartig is geweest, schrijft dat ook op in een naschrift, maar laat alles wel staan. Dat is het mooie van deze uitgave, die is compleet, waar vroegere uitgaven door de vader van Anne Frank, die als enige de oorlog overleefde, werden geredigeerd. De pijnlijkste passages werden er door hem uitgehaald.

De verhouding met Peter, een jongen die ook ondergedoken zit, wordt ook mooi beschreven. Eerst ziet zij hem niet zitten. Hij is verlegen en teruggetrokken, maar naarmate de tijd vordert worden zij vrienden. Zij bespreken alles, zelfs de ontluikende sexualiteit wordt door Anne tot in detail beschreven. Die openhartigheid neemt mij voor haar in.

Het boek ontkomt niet aan een zekere monotonie. Dat heeft te maken met de lange tijd die mensen in een kleine ruimte met elkaar doorbrengen, de kleine en grotere irritaties die er ontstaan. Er gebeurt nu eenmaal niet veel in zo’n kleine ruimte. We moeten het dus hebben van Anne’s observeringen, gedachten en dromen. En er is de angst, de angst om ontdekt te worden, om verraden te worden. Die angst wordt af en toe bijna tastbaar:

Dan, kwart over elf, gedruis beneden. Bij ons was de ademhaling van het hele gezin hoorbaar, verder verroerden we ons niet. Stappen in huis, privé-kantoor, keuken, dan…onze trap. Niemand ademde nu hoorbaar, acht harten bonkten. Stappen op onze trap, dan gerammel aan de draaikast. Dit moment is onbeschrijfelijk.
‘Nu zijn we verloren!’ zei ik, en ik zag ons alle vijftien diezelfde nacht nog door de Gestapo weggevoerd.

Toen liep het goed af, later zijn ze uiteindelijk verraden en is Anne overleden aan de gevolgen van een tyfus-epidemie in concentratiekamp Bergen-Belsen. Het is bekend, maar het wordt des te schrijnender als je net haar enthousiasme hebt gelezen over de succesvolle invasie, de moeder die ze later zelf wil worden en de roman die ze wil schrijven met als titel Het Achterhuis

d771f1336ceecac597839785777444341587343
Voilà, daar zijn we dan. Een goede twee maanden verder en een dik boek achter de kiezen. De Welwillenden van Jonathan Littell wordt overal zowat de hemel ingeprezen dus het moest gelezen. Welnu, ik doe niet direct mee aan de jubelstemming.

Het idee is natuurlijk prima. We laten het verhaal van de Jodenvervolgingen vertellen door iemand die er middenin zit, de fictieve SS’er Max Aue. Hij vertelt gedetailleerd over zijn reizen door de Kaukasus, de Oekraïne en Rusland en geeft nauwgezet weer welke verschrikkingen hij daar tegenkomt. Vaak rapporteert hij slechts, soms participeert hij. Aue voert gedisciplineerd zijn werk uit, soms onder moeilijke omstandigheden zoals tijdens het beleg van Stalingrad.

Hij raakt zwaar gewond, maakt af en toe uitstapjes naar Berlijn om bij te tanken en heeft zijn ups en downs met zijn superieuren. Wat zijn personage wel diepgang geeft is zijn complexe geest; verliefd op zijn zus, moordenaar van zijn moeder, homosexueel en niet capabel om een relatie met een vriendin, Hélène, aan te gaan. Zo nu en dan komt hij terecht in een angstdroom of belandt zelfs in een echte waantoestand. Toch ontmoet hij belangrijke personen in zijn loopbaan, tot Hitler aan toe.

Los van Aue’s bevindingen wordt in het boek al snel de schuldvraag gesteld. Wie draagt schuld voor alle gruwelen van de Endlösung?

De moderne genocide is een proces dat een massa wordt aangedaan door een massa, en ten behoeve van een massa…Waarom zou de arbeider die het gas moet opendraaien, schuldiger zijn dan de arbeider die met de zorg voor de verwarmingsketels, voor de tuin of voor de transportmiddelen is belast?…Is bijvoorbeeld de wisselwachter schuldig aan de dood van de joden die naar het kamp zijn vervoerd, door het feit dat hij een wissel heeft verzet?…Toch speelt deze wisselwachter bij de uitvoering van het vernietigingsprogramma een cruciale rol: zonder hem kan de trein met joden niet op punt B aankomen.

Ziedaar de spiegel voor onze neus. Laten we niet te snel de veroordeling uitspreken over onze Nachbarn; zelf zouden we wel eens geen haar beter kunnen zijn.

Tot zover dus niets mis met idee, perspectief en hoofdpersoon. Toch jubel ik niet mee met de massa en dat ligt aan de uitwerking. Littell heeft vijf jaar lang feiten verzameld en dat moeten wij weten ook. Indrukwekkend, welzeker, maar ik vond het vermoeiend. Er is een verklarende woordenlijst nodig voor alle afdelingen en eenheden die voorbijkomen. Er is in het verhaal zelf een uitputtende linguïstische toelichting opgenomen van alle talen en varianten erop uit de Kaukasische diaspora. Je moet er van houden. Verder was ik na zo’n 200 pagina’s al murw door alle joden die massaal omgebracht worden, hetgeen tot in detail beschreven wordt.

Om toch positief te eindigen, als je door bovenstaande punten heenkijkt blijft er wel een origineel boek over met diepgang. Het zet je aan het denken. Littell kan uitputtend in feiten zijn, maar kan ook mooi realistisch schrijven:

Die grote, ingestorte huizenblokken, waar de afgelopen zomer nog duizenden gezinnen nog een gewoon gezinsleven hadden geleid, zonder te vermoeden dat weldra soldaten met zes tegelijk hun echtelijk bed zouden beslapen, hun kont zouden afvegen aan hun gordijnen of lakens, in hun keukens met spades op elkaar zouden inhakken en in hun badkamer de lijken zouden opstapelen, die huizenblokken gaven me een hol en bitter angstgevoel; en die angst bracht steeds vaker beelden uit het verleden omhoog, als drenkelingen na een schipbreuk, het een na het ander.

Hoe dan ook geschreven, dit soort boeken laten zien dat er blijkbaar niet veel veranderd is. Men liep toen achter een populist aan met een grote mond en bizarre ideeën. Ziedaar, op dit moment wordt er in Den Haag gepraat over regeringsdeelname door een andere populist met een grote mond met heel valide ideeën, zo vindt een groot deel van de bevolking. Het kan verkeren…