archiveren

Reizen

art-654_boudewijn
Boud, het verzameld leven van Boudewijn Büch is de biografie van Eva Rovers over dichter, schrijver, televisiemaker en fenomeen Boudewijn Büch. Ik keek er al even naar uit en dat heeft te maken met die laatste kwalificatie, fenomeen. Ik kom er op terug.

Boudewijn en ik gaan al even terug. Ik zag zijn boekprogramma op televisie en ik ben met hem meegereisd naar alle uithoeken van de wereld. Al die afleveringen van “De wereld van Boudewijn Büch” heb ik op dvd én ik bekijk ze nog. Ja, hij heeft mij ook aan Goethe gekregen, ik heb een rijtje in de kast staan. Ik mocht hem dus graag zien en horen en was bedroefd toen hij in 2002 overleed. Nu heb ik ook een rijtje Büch in de kast staan en dat is allemaal non-fictie. Daar begint de ellende al.

Büch, zo blijkt uit dit boek, wilde gedichten schrijven en eigenlijk een meesterwerk. Die gedichten schreef hij ook en hij schreef romans, waaronder enkele succesvolle ook. Maar, hij wist dat hij geen meesterwerk à la Goethe ging schrijven. Hij bouwde een leven om zich heen, gevoed uit een tragische jeugd en waar nodig liet hij feiten en fictie in het dagelijks leven door elkaar heen lopen. Na zijn overlijden kreeg Büch bakken kritiek over zich heen voor dat laatste. Hij was een fantast, leugenaar en een egocentrisch persoon. Rovers probeert met dit boek hier nuance in te brengen en slaagt daar in. Kom ik ook op terug. Het helpt dat zij als eerste toegang kreeg tot de archieven van Büch om gedurende vijf jaar haar onderzoek te doen.

Geen meesterwerk dus, maar schrijven kon hij wel. Lezen en feiten verzamelen ook. Hij schreef talloze columns over de meest uiteenlopende onderwerpen. Hij gebruikte zijn eigen leven als dankbare bron. Hoewel hij verschillende vriendinnen had gaf hij aan homo te zijn en koketteerde met pedofilie. Niet zozeer uit overtuiging, wel om opschudding te veroorzaken. Büch beweerde dat hij een zoon had én en dat deze was overleden en veinsde dat hij kanker had. Als iemand te dichtbij kwam en te lastige vragen stelde, verbrak hij rigoureus de vriendschap. Je was voor of tegen hem.

Ondertussen werd hij bekender en verschoof langzaam het accent van de literatuur naar de bibliofilie. Büch kocht grote aantallen boeken, vaak op rekening, en maalde niet echt om betaling ervan. Belastingaangifte deed hij ook niet, wat uiteindelijk tot een faillissement leidde. Gelukkig stegen zijn inkomsten door het televisiewerk dat hij kreeg, zodat zijn faillissement opgeheven werd en hij uiteindelijk behoorlijk ging verdienen. Om er uiteindelijk nog meer boeken en parafernalia van te kopen.

Wat ik hierbij zo mooi vind, is dat hij hierin volkomen zijn eigen weg ging. Zijn bibliotheek was een werkbibliotheek. Hij had wel zeldzame boeken, maar het gros van zijn aankopen werd gedreven door interesse voor het onderwerp. Hij hing posters naast dure zeefdrukken. De buste van Elvis Presley stond gebroederlijk naast die van Goethe. Al dat moois leidde wel tot een chronisch ruimtegebrek. Boudewijn Büch;

‘Ik word hier dus volstrekt, helemaal getikt van. En waar gaat het om? Om vijftienduizend boeken, waarvan er honderdvijftig echt bibliofiel zijn. De rest van die boeken is alleen maar om aan te tonen dat die honderdvijftig bibliofiel zijn. Dus je hebt een enorme hoop ellende aan je kop om te weten dat je honderdvijftig mooie boeken hebt.’

Gedreven in zijn werk, populair overal waar hij kwam, maar uiteindelijk werd zijn leven steeds lastiger om te leiden. Hij had zoveel verzonnen over zijn leven en zijn afkomst dat het moeilijk werd om alles vol te houden.

Omdat hij de büchiaanse komedie met evenveel verve voor vrienden en familie opvoerde, verdween hij ook in zijn persoonlijke leven steeds meer in de rol die hij speelde. Dat vervreemdde hem van zijn omgeving, en zorgde er tegelijkertijd voor dat zijn eenzaamheid steeds reëler en dieper werd, wat zijn treurige personage alleen maar geloofwaardiger maakte.

Hij trok zich terug in zijn huis waar hij uiteindelijk op 53-jarige leeftijd aan een hartstilstand overleed. Er kwamen een man of twintig op zijn begrafenis.

Dus, hebben we te maken met een dichter, een schrijver, een presentator, een fantast, een leugenaar? Met allemaal natuurlijk. Büch heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt door alles wat hij verzonnen heeft, maar heeft het wel tot het uiterste toe doorgevoerd. Rovers laat zien waar hij uit de bocht vloog met de waarheid, maar geeft ook aan dat hijzelf de eerste was om dit toe te geven. Meerdere malen heeft Büch aangegeven dat hij zaken verzon, meerdere malen deed hij geloven dat alles autobiografisch was. De nuance is er dus en ik deel de kritiek niet van Maarten ’t Hart als zou er een boek naast geschreven dienen te worden, waaróm Büch alles verzon en zijn vrienden bedroog;

Bij Barend & Van Dorp sprak ex-vriendin Loan Son haar verbazing uit over de nadruk die werd gelegd op de waarheid. Dat was volgens haar sowieso iets subjectiefs, maar mensen zagen bovendien over het hoofd dat Büch bewust met de waarheid speelde. ‘Bij Boudewijn liepen waarheid en niet-waarheid gewoon door elkaar heen,’ zei ze met een spottende blik die verried dat ze niet begreep waar iedereen zo moeilijk over deed. ‘Dat zei hij ook heel nadrukkelijk. Dat heeft hij ook aan mij geschreven,’ waarop zij een brief pakte en voorlas: ‘Ik heb er een hele roman over geschreven om jou te zeggen dat ik een man ben van emballage, verpakkingen en instanties & dat daarachter de literatuur – die niet anders dan werkelijk is – ligt. Zo ik iets ben, ben ik letterkunde.’

Dit is voor mij reden genoeg, hoewel ik vraagtekens zet bij de manier waarop hij met goede vrienden omging. Hij was volgens eigen zeggen letterkunde en daar ligt zijn tragiek. Ik was en ben nog steeds niet geneigd om zijn romans te lezen. Des te meer zijn non-fictie. Ik laat mij graag geselen door een spervuur aan feiten over eilanden, Goethe, dodo’s, pinguïns, de coelacanth, de Rolling Stones en Napoleon. Die tragiek, gecombineerd met een verzonnen leven en een niet-aflatend enthousiasme over zijn interesses en passies, maken de man voor mij tot een fenomeen waarover ik met veel plezier dit boek las.

Het is een vlot geschreven autobiografie met een uitgebreid notenapparaat. Omdat de noten vaak wat toevoegen moet je wel vaak achter in het boek bijlezen, ik heb ze liever onder de tekst staan, dat leest makkelijker door. Büch was een absolute muziekfreak, dus de auteur heeft een muzieklijst samengesteld met nummers die belangrijk voor hem waren. Een mooie meerwaarde in een heerlijk boek.

voorkant-gedroomd-land

Gedroomd land van Henk C. Hoogink is het persoonlijke relaas van een man over West-Papua, onderdeel van het huidige Indonesië. Een verhaal dat verteld moest worden, daarom is het in eigen beheer uitgegeven.

Henk Hoogink wordt op 16 augustus 1961 als dienstplichtig marinier van net twintig jaar uitgezonden naar de laatste Nederlandse kolonie Nieuw-Guinea, het huidige West-Papua. In de regio hangt een gespannen sfeer omdat Indonesië regelmatig infiltreert in Papua, al of niet met steun van de Russen.

Maar hoe zat het ook weer met Papua? Leest u het hier nog maar eens na. Feit is dat de auteur zich ineens als dienstplichtige aan de andere kant van de wereld bevond, vaak in stressvolle situaties;

Het is adembenemend heet onder het ijzeren dek…Ondanks de pijn aan een ingegroeide teennagel deint het schip me in slaap. Een uur later wordt ik wakker geschud door een van de wachten: “Korp, er zwemt iemand naar ons schip”! Aangekomen op het dek hoor ik het ook…Er gaat van alles door mij heen: wie of wat is het? Als het een infiltrant is, met welk doel wil hij ons dan bereiken? Het verhaal over de handgranaat heeft veel indruk gemaakt…Het commando wordt gegeven om met de boordmitrailleur in de richting van het geluid te vuren…De volgende ochtend, als we al ver verwijderd zijn van de ankerplaats, hoor ik dat één van de jongens een militaire pet heeft zien drijven.

De auteur eindigt zijn diensttijd door een zwaar ongeluk maar herstelt in Nederland. Hij maakt carrière in de horeca maar vergeet Papua nooit en hij keert uiteindelijk in 1996 terug. Hij ziet hoe het land en de bevolking er aan toe is en het laat hem niet meer los. Hij zal nog dertien keer terugkeren en besluit de Stichting Manusia Papua op te richten. Deze stichting zet zich in voor de bevolking door het slaan van waterputten en de oprichting van een kraamkliniek. 

De kraamkliniek is een verhaal apart. Hoogink ontmoet Amelia Yigibalom en haar man Ones Weya. Amelia heeft jaren gevangen gezeten omdat zij verantwoordelijk werd gehouden voor het hijsen van de Morgenster, Papua’s nationale vlag. Zij is verpleegster en na haar vrijlating wilde zij graag een kraamkliniek leiden in de Baliem-vallei, in centraal Papua. Stichting Manusia Papua heeft dat onder meer mogelijk gemaakt:

Om ons project in Nederland te promoten, hebben we Amelia en Ones in 2008 gevraagd naar Nederland te komen. Ze zijn hier een mooie junimaand geweest en natuurlijk heeft hun verblijf grote indruk gemaakt. Ones wilde hier wel blijven. Na uitleg over taalproblemen, huisvesting, verblijfsvergunningen en andere consequenties, zoals bijvoorbeeld dat eenden in het park niet bedoeld zijn als warme maaltijd en er geen pinang in Nederland te koop is, heeft hij gelukkig vastgesteld dat het misschien toch niet zo’n goed idee was.

Hier begint ook mijn persoonlijke betrokkenheid. Ik ben zelf met mijn gezin drie maal in West-Papua geweest en ken Ones en Amelia. Ze hebben bij mij gelogeerd tijdens hun verblijf hier. Helaas is Ones er niet meer, maar Amelia is nog altijd actief in de Baliem-vallei. 

Door die betrokkenheid ben ik ook geen objectieve lezer, het is voor mij een feest der herkenning. Van het land zelf maar ook omdat ik veel van de personen ken die in het boek voorkomen. Dat neemt niet weg dat de auteur, ook voor niet-ingewijdenen, een buitengewoon helder verhaal neerzet. Zijn eigen verleden daar, de geschiedenis van de regio, de huidige ontwikkelingen, zijn reizen en de Stichting, flora en fauna en mensenrechten, het komt allemaal aan bod in een bestek van zo’n 227 pagina’s. Hoogink is een geoefend fotograaf en dat is te zien aan de vele prachtige foto’s in het boek. Hopelijk draagt dit boek bij aan de bekendheid van een prachtig land en haar trotse inwoners.

359ab805510e795593059315741437641414141
I
k had in een ver verleden Een boekenkast op reis van Boudewijn Büch al eens gelezen, maar ik kon deze mooie eerste druk bemachtigen voor een vriendenprijs, dus dat was een mooie reden om het boek te herlezen. Met veel plezier, want de 270 pagina’s waren in ‘no time’ verslonden.

Het is een dagboek van het jaar 1998, het jaar waarin hij reist naar De Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland en Italië. Hij verdiept zich dat jaar weer bovenmatig in Goethe vanwege een televisieproject, verdiept zich altijd in Napoleon, de coelacant (de wat?, dit dus), de Boerenoorlog, Amerikaanse presidenten en ga zo maar door. Dat vind ik meteen het fascinerende aan de man. Hij wist en weet mij te enthousiasmeren (ik heb al zijn programma’s op dvd) voor zaken die anders aan mij voorbij gaan. Ik weet niet hoeveel mensen zich specifiek interesseren voor The Jameson Raid (de prelude tot de Tweede Boerenoorlog), maar Büch is er één van. Zulke dingen vind ik dus leuk en dat is waar dit boek over gaat. Een boek dat hij helemaal niet wilde beginnen. Hij schrijft op 1 januari 1998;

Ik hoor het vuurwerk – het is nu een halfuur in het nieuwe jaar – en ik haat het oude jaar en heb direct al een hekel aan het nieuwe…Hoewel ik al meer dan veertig jaar een dagboek schrijf, weet ik dat ik dit jaar voor een boekpublicatie zal pennen. Waarom ik uiteindelijk ja heb gezegd tegen het publiceren van een heel dagboek weet ik niet, maar ik heb er nu in elk geval al spijt van.

De auteur is natuurlijk een bibliomaan en verzamelt en koopt honderden boeken per reis voor astronomische bedragen. Het is een feest om te lezen welke titels hij zoal binnensleept. Een kleine proeve;

  • Bericht über die in höchsten Auftrage Seiner Königlichen Hoheit des Prinzen Carl von Preussen […] bewirkte Untersuchung einiger Theile des Mosquitolandes
  • Leaves from the battle-field of Gettysburg
  • Beyond the lines; or a Yankee prisoner loose in Dixie
  • Die berühmteste Radfahr-patrouille des Weltkrieges
  • Evita Perón e l’oro dei nazisti

Wellicht zijn de drie catalogi van Bubb Kuyper nog ergens te koop, daar staat Büch’s nalatenschap in en daarin zijn al die titels na te lezen. Veel van wat er in het boek staat is te zien in zijn programma’s. Wat daar niet in te zien is, zijn de meer persoonlijke gevoelens van Büch. Zo is hij niet tevreden over zijn team (cameravrouw, geluidsman en producer) in Zuid-Afrika. Hij moppert er vrijuit over en dat doet hij ook over de hotelkamers, het eten en de Nederlanders die hem overal aanspreken. Hij lijdt nogal eens aan zwaarmoedigheid en allerlei lichamelijke kwaaltjes en zo zucht en puft hij zich wel een beetje door het boek heen. Dat vind ik meteen de mindere kant van hem. Hij neemt zichzelf nooit eens bij de lurven om dat zelfopgelegde lijden wat te verlichten. Zo vind ik zijn verliefdheid voor de zesentwintigjarige producer Panda ook wat pathetisch overkomen. Dat gezegd hebbend voert zijn enthousiasme voor wat hem wel boeit gelukkig de boventoon en daarom mag ik zijn boeken graag lezen en blijf ik nog steeds naar zijn programma’s kijken.

3a1313cf7840e935937376a5341444341587343
I
k had Met fiets en tent naar de Oriënt van Gerard Monnink al eens gelezen maar wilde het zelf hebben. Toen ik laatst voor een paar euro een gesigneerd exemplaar kon kopen dacht ik niet lang na. Waarom ik dit boek persé moest hebben kom ik op terug.

Gerard Monnink heeft het plan opgevat om naar Palestina te fietsen. Het is dan kort voor de Tweede Wereldoorlog. Hij zoekt iemand om hem te vergezellen en hoort dat Toon Damhuis een ervaren fietser is en die is toevallig in de buurt. Monnink wil Damhuis vragen of hij mee wil. Dan volgt het welhaast legendarische gesprek;

“Hm, waar wilde je dan naar toe?”
“Nou, een wat excentrieke tocht”, en ietwat verlegen ga ik verder: “een lange reis, helemaal naar Palestina.” Een moment slechts denkt hij na. Dan volgt in zijn sappig Twents dialect: “Ja, dan konk wa metgaon.”
Alsof het een reisje van een paar dagen gold!
“Wanneer wilde je vertrekken?”
“Aanstaande zaterdag liefst”, stamelde ik perplex.
“Goed – dan ben ik hier wel. Daar kun je van op aan.”

Hij was er. Monnink had twee stevige Veeno’s van een sponsor gekregen en hij heeft perskaarten laten maken want onderweg schrijven ze artikelen voor kranten en tijdschriften om zo aan geld te komen. Wat volgt is een heroïsche tocht dwars door Europa en Turkije om uiteindelijk aan te komen in Palestina. Wat het zo fascinerend maakt is dat het toen een heel andere wereld was. Het is oppassen geblazen voor de Födl-zigeuners in Roemenië. Ze komen in gevecht met ze en weten zich alleen te redden door te dreigen met een nep-revolver. Als ze geen vergunning krijgen om door Europees Turkije te fietsen moeten ze 500 kilometer om rijden naar Sofia in Bulgarije. Ze moeten daarvoor de bergruggen van de Stara Planina over. Er is niet overal eten te krijgen dus ze lijden honger, komen in ontzagwekkende regenbuien terecht en zeulen hun fietsen over slechte weggetjes naar boven, meer lopend dan fietsend. Er breekt een fietsas en ze raken in gevecht met een Bulgaar die Monnink uiteindelijk met een zweep te lijf gaat. Monnink weet hem buiten westen te slaan.

In Turkije worden ze aangevallen door de wolfshonden van een aantal herders. Ze worden goed toegetakeld maar weten zich te redden door de “klootschiet-vaardigheden” van Monnink. Uiteindelijk bereiken ze Palestina. Daar maken ze kennis met Sefania. Zij komt uit Egypte en doet daar iets met het hof, maar duidelijk wordt het ze niet. Tot ze Egypte niet in kunnen komen vanwege geldgebrek:

Ik stond op ’t punt om ondanks mijn machteloosheid toch een scherp antwoord te geven, toen vriend Toon me rustig aan mijn jas trok en lakoniek opmerkte: “Doe zos dat wicht toch opbellen.”…Na afloop van het telefoongesprek boog de politie-autoriteit naar ons: “Had u toch direkt gezegd, dat u relaties had au palais royal en journalisten bent van Nederlands grootste dagblad.”

Sefania blijkt gouvernante van de Egyptische koning en zal later met Gerard Monnink trouwen. Het boek staat vol prachtige verhalen en die hebben mij ooit geïnspireerd om ook zo’n tocht te maken, zij het in een ander deel van de wereld. Daarom moest dat boek persé de kast nog in hier.

                       Gerard Monnink over zijn boek bij Kopspijkers

9f07903b7c41c0c593258535667444341587343

Het meest afgelegen eiland ter wereld. Zo wordt Bouvet-eiland door internationale reisgezelschappen inmiddels erkend. Boudewijn Büch schreef er over als eilandgek in zijn boek Eilanden en via het verhaal van Perkamentus leerde ik dat Büch-kenner Frans Mouws er warempel een boek aan heeft gewijd met de titel Bouvetøya 54° 26′ S 3° 24′ E.

Na wat geharrewar met de Britten werd het eiland in 1926 Noors bezit. Zes kilometer lang, drie kilometer breed en het hoogste punt op zo’n 780 meter. Het is het topje van een gigantische vulkaan.

Dat zijn genoeg ingrediënten om stevig tot de verbeelding te spreken. Van de auteur, die dolgraag het eiland zou bezoeken en met de voorbereidingen bezig was. Van Büch, die bij zijn werkgever, de VARA, fondsen probeerde los te weken voor de kostbare expeditie (wat niet is gelukt), maar ook van Gerrit Jan Zwier, antropoloog, geograaf en schrijver. Hij werd uiteindelijk de eerste Nederlander die in 2006 voet op Bouvet-eiland zette. Genoeg reden voor de auteur om hem op te zoeken.

Een goede vraag is natuurlijk hoe een mens op zo’n afgelegen plek terecht komt. Zwier vertelt;

Mijn medereizigers…waren zeer rijke Amerikanen van de Travelers’ Century Club (TCC). Dat is een club waarvan de leden bijna allemaal bejaard en miljonair zijn en die de hele wereld rondreizen, niet zozeer om de wereld te zien, maar om er geweest te zijn.

Dat is natuurlijk wat wrang. Het is een heksentoer om überhaupt een bootje op het eiland te zetten. Deze TCC-mensen betalen er fortuinen voor en hebben soms geen idee hoe bijzonder het is waar ze lopen. Het lukt Zwier ook om aan land te komen en hij brengt er vier uur door. Hoe bijzonder ook, het blijft echter bij scharrelen aan de kust. Büch schrijft in zijn boek “Het IJspaleis” op lyrische wijze dat het binnenland waarschijnlijk door geen sterveling is verkend. Het biedt voer voor avontuur…

Mouws en Büch hebben over Bouvet-eiland geschreven, Zwier is er geweest. Er was, ondanks een persbericht, weing aandacht voor. Zwier;

De Nederlandse landing op Bouvet-eiland had groot nieuws moeten zijn. Maar niets van dit alles. Ik moest nota bene in België vernemen dat het, aldus een Belg, een ‘verdomde Ollander’ was gelukt om op Bouvet te landen.

Dat hebben we dan maar weer voor elkaar. Dit boek telt 21 bladzijden en dat is niet veel, maar het is een compacte samenballing van puur eilandgevoel. Bovendien is het een gelimiteerde bibliofiele uitgave die niet meer in de boekhandel verkrijgbaar is. Er zijn negenennegentig genummerde exemplaren voor de handel uitgegeven en zesentwintig geletterden voor auteur, uitgever en medewerkers. Ik kon er gelukig via Frans Mouws nog één bemachtigen, nummer 98/99, gesigneerd en met originele buikband. Zeer bedankt, Frans en Perkamentus voor de tip natuurlijk! 

2a8ab71133472f6593251485241444341587343

Als Boudewijn Büch non-fictie schrijft vind ik dat per definitie enthousiasmerend. In dit geval over Eilanden en het is wat mij betreft weer raak. Ik heb niet de laatste editie gelezen, maar dat doet er eigenlijk niet toe. Büch geeft zelf al aan in zijn boek dat alles draait om het eilandgevoel. De kaartjes in het boek zijn geografisch niet helemaal correct, ze dienen uitsluitend ter oriëntatie.

Dat eilandgevoel druipt van het boek af. Büch noemt zichzelf islomaan of nesomaan, een bijna ziekelijke liefhebber van eilanden. Het is ook niet te doen. Eilanden komen en gaan, het zijn er vele tienduizenden. Er wordt eindeloos getwist over politieke macht en oude rechten op eilanden. Landen vliegen elkaar er regelmatig over in de haren. De auteur zegt hierover:

…wat ik mij de laatste jaren steeds meer heb afgevraagd is dìt: is staatkundige en economische onafhankelijkheid nog wel mogelijk voor sommige eilandjes en archipels? Ik meen helaas van niet…Eilanden zijn altijd de klos. Onafhankelijke eilandjes of eilandstaatjes hebben in ‘de nieuwe wereldorde’ …geen nut, bestaansrecht of eilandvreugde meer. Het is treurig, maar wáár. Ofschoon ik mij het liefst die oude, mooie en idealistische insulaire nostalgie voor ogen zou hebben willen houden, weet ik inmiddels van een wereld die anders en volkomen wreed is.

Zo schreef Büch in 1991. Hij moest zich nog behelpen met atlassen (die hij in overvloed bezat) en blogger Perkamentus laat in zijn bespreking mooi zien dat Boudewijn niet altijd even nauwkeurig is in zijn beweringen. Het stoort mij hier overigens niet, Büch gaf al aan dat het vooral om het insulaire gevoel gaat en dat komt ruimschoots over. Büch zou zijn vingers aflikken bij de zegeningen van Google Earth, waar je moeiteloos meesurft naar de kleinste eilandjes in het boek.

Dan de eilanden. Ik wist zo weinig van Bouvet, van Das, van St. Pierre et Miquelion, van Diu, van Niihau en ga zo maar door. Het piepkleine eilandje Clipperton, zo’n 3000 kilometer ten westen van Panama-stad bijvoorbeeld. Frans bezit en vernoemd naar een piraat. Er huisden Britse strontscheppers (goed, de guano werd geëxploiteerd) welke tijdens de Eerste Wereldoorlog samen met een regiment Mexicanen een beetje vergeten werden. Zij stierven een nare hongerdood.

Niihau dan, een eiland uit de Hawai-eilandengroep. Het is privébezit en niet toegangelijk voor bezoekers, tenzij op uitnodiging. Er zijn geen wapens en er is geen misdaad. Tot er een Japanner een noodlanding maakte. Die waande zich oppermachtig met zijn schiettuig. Een kostelijk fragment:

De Jap begon in zijn eentje een schrikbewind. Een…Niihauer werd door de bezetter in zijn buik en in zijn dij geschoten. Hij bleef er betrekkelijk rustig onder. Totdat de Jap hem, ten derde male, in de lies schoot. De inboorling werd verschrikkelijk kwaad, pakte de Jap bij de nek en een been en smeet hem tegen een muur dood. Vervolgens wandelde de held op zijn gemak naar het dorp om zich te laten verzorgen.

Inmiddels is dit incident op internet na te lezen. Het boek staat vol met weetjes over obscure eilandjes, maar ook over Jamaica, Mauritius en Tonga. Ik wist niet hoe snel ik een beeltenis moest opzoeken van de vriendelijke reuzin-koningin van Tonga, de nog altijd betreurde Queen Salote. Je leest en je wilt meer weten, zien en opzoeken. Dat heb ik altijd bij Büch. Heerlijk, zo’n interactief boek.

download

H.M. Queen Salote of Tonga en H.M. Queen Elisabeth, 1953

b79b2034e39b94b593861615967444341587343

Grafreizen van Boudewijn Büch is een boekje van ruim honderd pagina’s. Het is geschreven in opdracht van de Vereniging voor Crematie AVVL ter gelegenheid van haar 75-jarig bestaan in 1994.

 

Büch was gefascineerd door de dood. Hij is de aangewezen persoon voor zo’n boekje. Het zijn eigenlijk wat bijeengesprokkelde verhalen over uiteenlopende onderwerpen die met de dood te maken hebben. Büch zelf noemt het een geschiedenisboekje, een kijkje in ons begraaf- en begrafenisverleden.

 

Hij begint ook in Nederland. Zo komen we te weten dat Multatuli de eerste Nederlandse schrijver, en wellicht de eerste Nederlandse staatsburger, was die gecremeerd werd, in 1887. Büch schrijft over het gesol met de laatste resten van de grote geleerde Hermannus Boerhave en de verstoring van de grafrust van de fysicus Van Musschenbroek.

 

Hij vertelt over de romantiek van de Joodse begraafplaatsen in Nederland. Deze zien er vaak zo woest uit omdat er volgens de Joodse religie maar weinig gewijzigd mag worden, bestaande graven blijven ongewijzigd. Gras mag alleen met een zeis gemaaid worden en dat gebeurt dus niet tot weinig.

 

Hoewel het volgens Büch over “ons” verleden zou moeten gaan heeft hij het ook over het buitenland. Het gaat over Eva Perón, de Argentijnse presidentsvrouwe. Ook met haar stoffelijk overschot is heen en weer gesleept. Zij werd eerst gebalsemd en opgezet, waarna ze na de val van haar man als president verdween in de kelders van een Argentijns overheidsgebouw. Vervolgens werd ze verscheept naar een kerkhof in Milaan, daarna kwam ze terecht in de garage van de naar Madrid uitgeweken Perón en uiteindelijk kwam ze weer in Buenos Aires terug. Büch hierover:

 

Omdat maoïstische Perónisten (het kan allemaal niet gekker) zich daar van haar nog steeds goed geconserveerde karkas (het haar was wat minder glansrijk, de neus enigszins platter) meester wilden maken, besloot de overheid Evita’s overblijfselen meters onder de grond van het Duarte-familiegraf in gewapend beton in te metselen. Men kan nu door een glazen luikje op het pad voor een monument meters in de diepte kijken. Aldaar ziet men een glimp van de bovenkant van Evita’s kist. Elke lezer zal begrijpen dat ik op Cementerio Recoleta een uur door het luikje heb staan loeren.

 

En zo kennen we Büch weer. Hij vertelt wie er ten onrechte in het Parijse Panthéon ligt, weet te vertellen dat er Egyptische mummies onder het Place de la Bastille begraven liggen en verhaalt over het graf van Jim Morrison (leadzanger van The Doors) op Père-Lachaise.

 

Büch neemt ons mee naar de Kanaaleilanden, naar het kleinste kerkhofje op Herm, één grafsteen, twee lichamen. Tussendoor zien we foto’s van het hoogst gelegen schrijversgraf (Robert Louis Stevenson op West-Samoa), een Noorse begraafplaats in het uiterste zuiden van Nieuw-Zeeland, een obscuur Duits grafmonument op Isla Robinson Crusoe op 600 kilometer voor de Chileense kust. Het zijn stuk voor stuk mooie verhalen.

 

Hij reist naar de States en bezoekt Arlington, de grote militaire begraafplaats. Hier liggen natuurlijk een aantal Amerikaanse presidenten, maar bijvoorbeeld ook Robert Todd Lincoln, de zoon van de vermoorde president. Hij ligt er omdat hij als enige Amerikaan aanwezig was bij het neerschieten of tenminste bij het overlijden van drie presidenten van de Verenigde Staten. Bizar detail:

 

Robert Todd Licolns leven stak vol ironie…Als jongeman werd hij, toen hij uit de trein dreigde te vallen, gered door de acteur Edwin Thomas Booth…Deze Booth was de broer van John Wilkes Booth…, de moordenaar van Abraham Lincoln.

 

Het zijn dit soort verhalen en details die dit boekje tot een prettige leeservaring maken en het is Boudewijn Büch ten voeten uit. Bevlogen, bereisd en belezen.