archiveren

Maandelijks archief: november 2020

9493169073.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Inventaris van enkele verliezen van Judith Schalansky is een bundeling van twaalf verhalen met als thema dingen die er niet meer zijn. Met 242 pagina’s is het geen dik boek en de verhalen zijn dus kort, maar ze zitten bomvol prachtige beschrijvingen.

Hoe ga je schrijven over dingen die er niet meer zijn en vooral waarom? Schalansky zegt daarover in het voorwoord;

Zoals alle boeken is ook het onderhavige boek aangedreven door de wens iets te laten overleven, iets wat voorbij is voor de geest te halen, wat vergeten is te bezweren, wat verstomd is aan het woord te laten komen en wat verzuimd is te betreuren.

Mooi gezegd, maar wat ze in een interview in Trouw van maart 2020 hierover zegt vind ik veel interessanter. Daarin zegt ze namelijk dat je alles kan projecteren op dat wat afwezig is. De leegte nodigt juist uit tot invulling en dat is wat ze met deze bundel doet en waar ze lezer ook toe aanzet. Bovendien schrijft ze haar verhalen in hooggeconcentreerde vorm, omdat ze volgens eigen zeggen eigenlijk een boek wilde schrijven waar de hele wereld in past.

Nu zijn er talloze dingen verloren gegaan in de geschiedenis, dus er moesten keuzes gemaakt worden. Het lijkt bij het eerste verhaal of we verder gaan in haar Pocketatlas van afgelegen eilanden, want daarin gaat het over een vermoedelijk in 1843 verzonken eiland. Ieder verhaal wordt ingeleid door een tekst met de onstaans- en verdwijningsgeschiedenis, waarna het verhaal volgt waarin Schalansky ons meeneemt in haar gedachtenstroom.

Prachtig is het verhaal over de Kaspische tijger. Het verhaal gaat over het oude Rome, waar deze tijgers in de arena moesten vechten tegen leeuwen. Schalansky beschrijft dit op onnavolgbare wijze;

De tijgerin komt overeind en opnieuw omcirkelt ze haar tegenstander. De in het nauw gedreven leeuw weert haar af, maar zijn slagen missen doel. De rode kat deinst achteruit en springt, vliegt door de lucht als een projectiel, landt op de rug van de leeuw. De massieve lijven rollen door de arena, met bloed besmeurd, bruin van het stof. De leeuw brult hees, schudt de tijgerin af, kucht, tuimelt, zakt door zijn poten. Over zijn rug heen lopen twee gapende wonden, uit diepe bijtsporen vloeit het bloed.

Bovenstaand citaat vat het niet eens goed samen want het gaat nog even zo door; je ziet het hele gevecht voor je en je zou denken dat ze dit echt heeft bijgewoond.

Verder gaat het over gebouwen die zijn verdwenen zoals de Villa Sacchetti, de liefdesliederen van Sappho waar maar bar weinig van is overgeleverd, een verloren gegane film of het schilderij Haven van Greifswald dat er niet meer is. Dat schilderij leidt tot een prachtig verhaal over een wandeling door de omgeving van haar jeugd (Schalansky is geboren in Greifswald) waarbij ze scherp observeert;

De starheid is verdwenen, de vorst is uit de grond, het land is rustig, bijna beschroomd, argeloos. Kraakwilgen en berken staan er nog naakt bij, het geraamte van hun takken enkel omhuld door een fijn bloesemwaas. De doornhagen hebben nog maar enkele nieuwe blaadjes. Met gelige rozetten krult het groen van de sleedoorn uit zijn loten. Hier en daar hangen in de takken nog de verdroogde besjes van de vorige zomer. In de zachte schaduw van de sleedoorn verschuilt zich klimop en staan tere, met licht dons begroeide brandnetels.

Argeloos land, zachte schaduw; ik houd er van. Ook dit gaat nog even zo door en de verleiding is groot het citaat veel langer te maken, maar lees het vooral zelf. Schalansky vult dus verhalen in of gebruikt, als voormalig DDR-ingezetene eigen herinneringen, bijvoorbeeld bij het verdwenen Palast der Republik, een van asbest vergeven kolos die inmiddels is afgebroken.

Nog even over de vormgeving van het boek. In het voorwoord geeft Schalansky aan dat in haar ogen het boek het volmaaktste is van alle media. Omdat ze naast schrijfster ook grafisch ontwerpster is heeft ze het boek ook zelf vorm gegeven. Ieder verhaal wordt voorafgegaan door een zwarte pagina  waarop heel subtiel een afbeelding staat, ook in het zwart, die met het daaropvolgende verhaal te maken heeft. Ook de cover is op verzoek van de Nederlandse uitgever speciaal door haar ontworpen. Kortom, naast de verhalen is ook de vormgeving dik in orde.

Vertaling; Goverdien Hauth-Grubben

 

e677a9f2810374559364b565577437641414141_v5
De correspondentie van Desiderius Erasmus Brieven 142-297. Deel 2 van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus is gelezen. Met 264 pagina’s niet een heel dik boek maar zeer de moeite waard.

Dat komt door een aantal zaken. Allereerst door het begrip vleierij. Als je de brieven van Erasmus leest, dan zie je dat hij zich vaak uitput in prachtige volzinnen waarbij de ene vriend er nog beter en mooier van af komt dan de ander. In een aantal brieven uit dit deel gaat Erasmus hier dieper op in en wordt het duidelijker hoe hij dit begrip hanteert. Zo heeft hij bijvoorbeeld een lofrede geschreven voor de aartshertog Filips de Schone. Erasmus zegt daarover;

Daar kwam bij dat ik in mijn eenvoud, om eerlijk te zeggen, een zekere afkeer heb van dit soort werk, waarop het woord van Plato zeer van toepassing is: ‘het vierde deel van de vleierij’. Alhoewel, het is niet zozeer een lofrede als wel een vermaning. Geen andere opzet is zo efficiënt om vorsten te corrigeren dan ze, onder het mom van lofprijzingen, een model voor te houden van de goede vorst, als je aan hem goede eigenschappen toeschrijft en slechte ontzegt op een zodanige wijze dat het lijkt dat je oproept tot navolging van de eerste en afschuw voor de laatste.

Hij gebruikt vleierij als instrument om, zeker in zijn latere brieven, zijn kritiek op koningen en pausen niet te sparen, maar hij doet dat ook in zijn eigen vriendenkring. Verder is dit boek de moeite waard omdat we Erasmus volgen in zijn pogingen om Grieks te leren. De mysteriën van het geloof kunnen volgens hem niet goed ontsluierd worden zonder het Grieks omdat de vertalers van de Heilige Schrift zich zo angstvallig aan Griekse metaforen houden. Grieks is dus nodig om de letterlijke betekenis te vatten en;

Bij ons, Latijnen, kun je wat beekjes vinden en modderige meertjes, bij de Grieken kristalheldere bronnen en rivieren die goudkiezels met zich meevoeren.

We maken dus mee dat Erasmus wat Griekse werken in handen krijgt die hij gaat vertalen. Zijn eerste vertalingen draagt hij op aan Nicolas Ruistre, een gezagsdrager aan het Bourgondisch-Habsburgse hof, kanselier van de universiteit van Leuven en bisschop van Atrecht vanaf 1501. In de brieven die hij schrijft put hij ook ruimschoots uit zijn eigen werk. Bekend zijn de Adagia van Erasmus. Dat is een verzameling Griekse en Latijnse spreuken die hij heeft verzameld en van commentaar heeft voorzien. Hij strooit daar mee in zijn brieven en dat leest prettig;

…ik vind het bijzonder prijzenswaardig dat je je niet bezondigd hebt aan allerlei retorische opsmuk, die de aard van het onderwerp niet gedoogde, zodat er nergens van ‘parfum in bonensoep’ of ‘een aap in het purper’ sprake is.

Zijn Adagia staan zeker op de lijst om nog eens gelezen te worden hier. Wat dit boek verder zo interessant maakt is dat Erasmus aan zijn goede vriend Thomas More uitlegt hoe zijn beroemde werk Lof der Zotheid tot stand kwam;

‘Welke Pallas’, zeg je, ‘bracht je op dat idee?’. Allereerst je familienaam, More, die evenveel lijkt op het woord Moria als jijzelf vreemd bent aan zijn betekenis, want naar ieders mening ben je allesbehalve zot. Vervolgens bedacht ik dat juist jij dit spelletje van mijn geest zou weten te waarderen. Je geniet immers altijd erg van dit soort grappen die, als ik me niet vergis, niet dom of zouteloos zijn, en ook in het gewone leven gedraag je je als een Democritos.

In de noten lezen we dan keurig dat ‘Moria’ grieks is voor zotheid en dat Democritos een Grieks wijsgeer was die lachte om de menselijke dwaasheid. Noten die weer onder aan de pagina’s staan wat erg fijn doorleest.

Een brievenboek is nooit volledig, onherroeplijk zijn er brieven verloren gegaan. Het is dan ook leuk om die brieven te lezen die teruggrijpen op eerdere brieven die wél in het boek staan. Zo staat er een brief in van John Colet, deken van de St. Paul’s in Londen aan Erasmus, waarin Colet het heeft over geld waar Erasmus om zou kunnen vragen;

Kortom, ik heb geen geld van anderen om aan anderen te besteden, maar ik heb enig geld van mezelf voor jou, als je het me nederig afbedelt.

Daar reageert Erasmus op in een brief aan Colet;

Maar je opmerking (ook al was die grappig bedoeld) ‘als je er nederig om bedelt’ heeft mij nogal gestoken.

Daar gaat hij verder op in en dat is prachtig om te lezen. Wat ook leuk is, is dat ik weer personen tegenkom uit het vorige boek dat ik las, De Habsburgers. Wat stomtoevallig was, is dat Erasmus het heeft over koningen en hun raadgevers zoals koning Croesus en zijn Griekse wijsgeer Solon, terwijl ik net de opera Croesus van Reinhard Keiser aan het beluisteren was die een aria tussen Croesus en Solon bevat. Soms komen dingen mooi samen.

Misschien wel de mooiste brief in het boek is de nooit door Erasmus gepubliceerde brief aan Servaas Rogier, de prior van Stein. In Stein, bij Gouda, stond het klooster waar Erasmus in zijn jonge jaren enige tijd heeft verbleven. Hij geeft de prior, die Erasmus graag terug had gezien, een verklaring van de keuzes die hij in het leven heeft gemaakt. Daar is hij vrij expliciet in;

Maar telkens als ik erover dacht terug te keren naar uw kloostergemeenschap, moest ik denken aan de afkeer die velen daar voor me koesteren, de verachting van allen, de kille en zouteloze gesprekken die geen vleugje Christus bevatten…

Kortom, Erasmus blijft door Europa reizen en dat levert dus deze prachtige boeken op.

Vertaling; M.J. Steens

 

9000359899.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De Habsburgers van Martyn Rady beschrijft volgens de ondertitel de opkomst en ondergang van een wereldmacht. Ik ben die Habsburgers natuurlijk in verschillende geschiedenisboeken tegengekomen maar het is mooi om alles in dit boek nog eens op een rijtje te zien.

Dat is een flink rijtje, want het begint allemaal in de 10e eeuw met ene graaf Kanzelin en eindigt pas met de Eerste Wereldoorlog in 1918. Daartussen dus 10 eeuwen Habsburg met heel veel Rudolf, Maximiliaan, Filips, Albrecht, Karel en Ferdinand. Geen nood, voorin staan heel duidelijke stambomen en in het boek wordt keurig vermeld over welke Habsburger het gaat dus het is prima te volgen.

Allereerst de naam Habsburg. Die is te herleiden naar een kasteel in Zwitserland, de Habichtsburg. Legendarisch is het verhaal dat Radbod, zoon van graaf Kanzelin een havik liet vliegen die neerstreek op de muren van een burcht die vervolgens de naam Habichtsburg kreeg. Meer praktisch betekende het gewoon ‘rivierovergang’ naar het oudduitse woord ‘Hab’, dus ‘Burg an der Hab’ ofwel ‘Habsburg’.

Hoe werd die familie nu zo groot? Dat was deels te wijten aan wat geluk. Men kon een hoop bezittingen ‘opvegen’ na de dood van vele heersers in de omtrek. Een rivaliserende familie, de Hohenstaufers, ging ten onder en er werd een hoop land geërfd.

Zoals dat gaat wordt dat bezit groter en kleiner en halverwege de veertiende eeuw lag het huis Habsburg zogezegd op zijn gat. Toch was daar Maximiliaan, die door slimme huwelijksdiplomatie de basis legde voor een heus Habsburgs wereldrijk. Het was het begin van de heerschappij in Spanje, waar ook de bezittingen in Midden-Europa nog veilig gesteld waren. Het boek bevat overigens een aantal landkaarten die dit verduidelijken.

Dit zijn natuurlijk grote lijnen en die wil ik weten, maar ik ben gek op de details. Die komen ook ruimschoots aan bod. Ik wist bijvoorbeeld niet dat het embleem op de Spaanse vlag, met de Zuilen van Hercules, rechtstreeks van het huis Habsburg kwam. Spanje speelde een grote rol op het wereldtoneel en dus werd de kleinzoon van Maximiliaan, Karel V, een wereldheerser over overzeese gebieden. Nu werd de verantwoordelijkheid Karel blijkbaar af en toe wat te veel volgens Rady;

Karel was inmiddels aan het einde van zijn lichamelijke en geestelijke krachten. Afwisselend starend in het niets en huilend bracht hij zijn laatste jaren als keizer door met het uit elkaar halen van klokken, waarna zijn bedienden ze in elkaar moesten zetten en ze tegelijk moesten laten tikken.  

Zijn opvolger was Filips II, die Nederland natuurlijk nog tegen zou komen. Wat mooi is aan dit boek is dat niet alleen al die heersers in chronologische volgorde worden beschreven, maar dat er talloze uitstapjes worden gemaakt naar andere gebeurtenissen en onderwerpen die toen speelden. Dat kan zijn de Slag bij Lepanto, waar christenen en moslims een zeeslag leverden en waarbij de halfbroer van Filips II betrokken was, maar dat kan ook zijn de alchemie en occulte wetenschappen die Rudolf II in Praag in haar greep kreeg. U moet echt dit boek lezen om te weten hoe Tirol bijna een koloniale macht werd, waarom in Peru de cavia het lam Gods verving, waarom het geel in de Braziliaanse vlag van Habsburg komt of waarom de Dertigjarige Oorlog waarin Habsburg verzeild raakte nog doorwerkt in de huidige demografie in Taiwan.

Verderop in de lijn komen we beroemde telgen tegen als keizer Maximiliaan van Mexico en keizerin Sisi. Natuurlijk had ik van hen gehoord maar zo’n boek plaatst ze mooi in de context van het grotere geheel. Ik heb die Sisi-films nooit gezien maar betwijfel of ze hier over gingen;

Elisabeth of ‘Sisi’ was, in de woorden van Frans Jozefs persoonlijke lakei, ‘een wereld verwijderd van een ideale vrouw’. Eigenzinnig en zelfzuchtig wentelde ze zich in haar eigen schoonheid. Na haar plicht te hebben gedaan door voor een mannelijke erfgenaam te zorgen, was ze veel van huis en reisde ze heen en weer tussen gezondheidsspa’s, Korfoe en Engeland. Daar tussendoor bezocht ze Monte Carlo, waar ze gokte, en maakte ze lange cruises over de Middellandse Zee en om dat te laten zien liet ze een tatoeage op haar schouder zetten.

Bijzonder interessant, maar uiteindelijk kwam ze triest aan haar einde, ze werd vermoord. Haar man kreeg het aardig voor zijn kiezen want zijn zoon Rudolf pleegde zelfmoord met zijn maitresse Maria Vetsera (zie ook mijn bespreking van Donau). Wat ik dan wel weer leuk vind is dat zijn weduwe, Stefanie van België, uitvinder én patenthouder is van de keukentrolley. Je leert genoeg uit zo’n boek.

Uiteindelijk komen we uit bij Franz Ferdinand. De moord op hem was de opmaat naar de Eerste Wereldoorlog en het eind van het huis Habsburg. Uitermate fascinerend om te lezen en glashelder opgeschreven, zij het met wat schoonheidsfoutjes hier en daar, waarbij het ‘Ministerie van Binnenlandse Zalen’ dan wel weer de leukste is.

Vertaling; Rob de Ridder

0e90d0d40073d02597357437467444341587343_v5
De Stenen Hemel van N.K. Jemisin is het derde en laatste deel van de trilogie De Gebroken Aarde. Als u dit epos heeft gelezen kan ik mij voorstellen dat u even moet bijkomen van dit verhaal. Het is namelijk best hard werken. Ook dit deel laat zich niet lezen zonder de vorige delen en ook hier wordt een fors beroep gedaan op uw verbeelding.

Dat begint al op de eerste pagina’s, waar we ineens een toneel erbij krijgen, namelijk de stad Syl Anagist. Het is niet meteen duidelijk wie daar wonen of zelfs in welke tijd we die stad bezoeken, maar daar komt later meer duidelijkheid over, als u er niet overheen leest natuurlijk. Verder hebben we nog steeds te maken met moeder Essun en dochter Nassun. Moeder Essun heeft de ondergrondse samenleving waar zij deel van uitmaakte gered van een aanval door indringers maar de gemeenschap moest daardoor de ondergrondse geode wel verlaten.

Nassun had een opdracht, namelijk de maan weer in de juiste baan om de aarde brengen om een einde te maken aan al die seizoenen van verwoesting die een kwade Vader Aarde over de mensheid uitstort. Daarvoor moet ze naar een stad aan de andere kant van de wereld, naar Kernpunt. Ook haar moeder is met deze opdracht bezig en zij wil haar dochter graag terug vinden.

Nassun is op pad met haar hoeder Schaffa en ze worden door een steeneter een vreemd voertuig ingeleid om dwars door de aarde heen te reizen. Als u geen idee heeft waar ik het over heb, dan heeft u waarschijnlijk de besprekingen van de vorige delen niet gelezen…Maar dat voertuig dus;

Het is een spookachtig ding, glinsterend kevergroen, sierlijk en gestroomlijnd en bijna geruisloos als het van ergens achter de glazen pilaar vandaan komt. Niets hiervan is voor Nassun te snappen. Het grootste deel ervan heeft min of meer de vorm van een traan, al is het smallere uiteinde asymmetrisch, met een punt die hoog boven de grond omkrult op een manier die haar doet denken aan een kraaiensnavel.

U merkt het, als de hoofdpersoon er al niks van snapt dan wordt er een aardig beroep op uzelf gedaan, maar laat u zich niet afschrikken, het is echt de moeite waard. Nassun en Schaffa stappen in een vehimal om zo naar Kernpunt te reizen.

Essun moet aardig wat plooien glad strijken in het woud waar ze met de overgebleven gemeenschap doorheen trekt. Mooi is dat ze hier weer karakters uit boek één tegenkomt die daar een terloopse rol speelden, zoals de jongen Maxixe. Uiteindelijk weet Essun, die zelf ook langzaam aan het verstenen is, net zoals haar mentor Alabaster, dat ze ook naar Kernpunt moet. Zij pakt niet de vehimal, maar wordt door de steeneter Hoa dwars door de aarde heen meegenomen;

Hoa is een flikkerende schaduw in het rood naast je…Hij duwt zich niet door de aarde heen, maar wordt er onderdeel van en verplaatst deeltjes van zichzelf om de deeltjes van de aarde heen…Ook zonder dat je aan het feit denkt dat hij dat ook met jou doet, is het al verontrustend genoeg.

Of moeder en dochter in Kernpunt aankomen en of het lukt de maan weer aan Vader Aarde terug te geven laat ik lekker in het midden. Het is wel duidelijk dat dit verhaal veel meer vertelt dan een levendige fantasie. Het gaat over intermenselijke relaties en over hoe we met onze omgeving omgaan. Jemisin gooit over het eerste een eigentijds sausje door een aantal karakters gay of biseksueel te maken. Niks mis mee, maar Anna gaf het ook aan in haar bespreking; voor het verhaal voegt het weinig toe. De verhouding tot onze omgeving is een veel interessantere in dit boek, want de auteur gaat zover om die kwade Vader Aarde iets van een persoonlijkheid toe te kennen. Ze beschrijft dat prachtig als Nassun en Schaffa door die aarde reizen;

De kern van de wereld is van metaal, gesmolten en opeengedrukt in massiviteit. Hij heeft enige plooibaarheid. Het oppervlak van de rode duisternis begint te rimpelen en te veranderen voor Nassuns ogen. Er verschijnt iets in wat ze even niet kan ontleden. Een bekend patroon. Een gezicht.

De aarde spreekt tot haar. Niet met woorden, maar in golven van hitte en verpletterende druk. Ze ziet meer vormen en personen en begrijpt uiteindelijk dat wat er gestolen of geleend wordt van de aarde, uiteindelijk vergoed zal moeten worden. Het is voor mij het mooiste stuk uit de trilogie en eigenlijk waar het hele verhaal om gaat. Daarom zijn Essun en Nassun op weg, om te trachten dit recht te zetten.

Vertaling; Lia Belt

9024580455.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Deel twee uit de trilogie De Gebroken Aarde van N.K. Jemisin heet De Obeliskpoort. Laat ik het meteen maar zeggen, het heeft weinig zin om dit boek te lezen als je het eerste deel niet gelezen hebt. Heb je dat wel, dan krijg je ook wat met dit boek.

Het toneel wordt wat overzichtelijker want er zijn nu twee grote verhaallijnen. De één gaat over de man van Essun die met zijn dochter Nassun op pad is nadat hij zijn zoontje heeft gedood. Ze gaan op zoek naar een plek waar ze blijkbaar Nassun ‘beter’ kunnen maken ofwel van haar orogenie af kunnen helpen. Leest u vooral mijn vorige bespreking voor nadere uitleg hierover. De andere verhaallijn gaat over Essun die een woonplaats heeft gevonden in Castrima, een ondergrondse stad waar verschillende ‘mensen’ samenleven. Tussen haakjes, want we hebben het over Sterkruggen, Orogenen, Steeneters enzovoort.

Essun wordt in Castrima herenigd met de orogeen Alabaster, die langzaam aan het verstenen is. Hij is verantwoordelijk voor een grote vernietiging op aarde en voor de start van een nieuw seizoen vol ellende. Die seizoenen zijn het produkt van een kwade Vader Aarde. Die heeft een reden om kwaad te zijn, want zijn kind, de Maan, is uit zijn baan gestoten en dat moet hersteld worden.

De dochter van Essun, Nassun, is hier een belangrijke schakel in. Zij heeft ook de krachten die haar moeder heeft en langzaam maar zeker wordt hen duidelijk dat de in de lucht zwevende obelisken cruciaal zijn om de mensheid te redden. Alabaster en zijn steeneter Antimonium geven steeds stukjes informatie aan Essun;

‘De tweehonderdzestien afzonderlijke obelisken, in een netwerk verbonden via de besturingscabochon.’…’Dát zou genoeg moeten zijn om de kracht van de Scheuring te kanaliseren.’
‘Waarvoor?’
‘Om evenwicht aan het Aarde-Maanstelsel op te leggen.’
Wat? ‘Alabaster zei dat de maan was weggeslingerd.’
O, Aarde. O, roest. O nee. ‘Wil je dat ik de máán vang, verdomme!’

Ondertussen zijn Nassun en haar vader in het Arctisch gebied aangekomen waar Nassun opgevangen wordt door een Hoeder. Hoeders zijn de begeleiders van orogenen en kunnen hun krachten tegenhouden. Dat is soms nodig als een orogeen zich niet kan beheersen, dan doden ze alles en iedereen in hun buurt. Het is grappig om te lezen dat de bewoners van deze wereld af en toe ook niet weer weten wie welke rol speelt in het verhaal. Zo komt er zelfs een glimp door van de ons meer bekende wereld;

Al die kletspraat over Vader Aarde, dat zijn gewoon verhalen om te verklaren wat er mis is met de wereld. Zoals die rare cultussen die af en toe de kop opsteken. Ik heb gehoord dat er een cultus bestaat die elke avond als ze gaan slapen een oude man in de lucht vraagt om hen in leven te houden.

Maar dat het mis is met Vader Aarde is evident. Er komen nog steeds dikke as-regens uit de lucht vallen. Grote torren boven de grond gaan zich anders gedragen en zuigen zich met kokend heet water vast aan mensen. Er moet een oplossing komen en moeder en dochter lijken beiden met de oplossing bezig.

Het is fascinerend om in zo’n wereld te vertoeven. De auteur laat de lezer best hard werken, want lang niet alles wordt uitgespeld; een rijke fantasie is geen overbodige luxe. Dat wordt wel beloond want ik kijk al niet meer op van zinnen als

Je sessapinae spannen zich rondom de zilveren draden en je trekt ze bij elkaar, je bent een onderdeel van zowel obelisk als vrouw…

Ik ga direct maar door met deel drie, want Nassun blijkt vastbesloten de maan naar huis te halen om zo een eind te maken aan de seizoenen vol ellende; ik ben benieuwd.

Vertaling; Lia Belt

9024580439.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het Vijfde Seizoen van N.K. Jemisin is het eerste deel uit de trilogie De Gebroken Aarde en ligt behoorlijk buiten de lijn van wat ik normaal lees. Hoofdverantwoordelijke daarvoor is mede-blogger Anna van Gelderen, die met haar uitstekende bespreking van de trilogie mijn interesse wekte.

Voordat ik een boek begin te lezen kijk ik vaak voor- en achterin, of daar iets staat wat handig is om vooraf door te nemen en dat is hier het geval. Een kaart voorin van een land wat ‘De Stilte’ heet. Achterin een verklarende woordenlijst met vreemde termen als ‘geomest’, ‘kirkhusa’, ‘nodes’ en ‘orogeen’. Voeg daarbij een overzicht van seizoenen die deze wereld heeft doorgemaakt en dan weet je dat de wereld waarin je je gaat begeven niet de onze is. Met name die seizoenen geven aan dat we niet meer te maken hebben met een liefdevolle Moeder Aarde, maar een behoorlijk kwade Vader Aarde. Vulkaanuitbarstingen, aardbevingen, tsunami’s, verschuiving van de magnetische polen, giftige uitstoot en schimmelplagen; dat is waar de mensheid het mee moet doen en dat is waardoor er soms hele delen worden weggevaagd. Minder gevaarlijk, zo lijkt het, zijn de obelisken die in het luchtruim zweven. Niemand weet precies waar ze voor dienen, het zijn overblijfselen uit een oude beschaving. Of niet…

Jemisin weet een heel eigen wereld te scheppen, waarin drie verhalen de hoofdmoot vormen. Essun komt thuis van werk en treft haar zoontje dood aan. Gedood door haar man, die er vandoor is met haar dochter. Ze gaat naar hen op zoek. Damaya is een meisje dat door haar ouders wordt meegegeven aan een kinderkoper en ze moet naar een opleidingsinstituut. Syeniet wordt toegewezen aan een mentor en haar opdracht is om een kind met hem te krijgen.

Zowel Essun als Damaya en Syeniet zijn orogenen. Zij worden niet als mens beschouwd, omdat ze het vermogen hebben aardbevingen op te wekken of te controleren. Ze worden opgeleid in een instituut en hoe verder ze komen, des te meer beheersing ze hebben en des te meer ringen ze aan hun vingers krijgen. Syeniet wordt gekoppeld aan Alabaster, een machtige orogeen met tien ringen.

Essun gaat op zoek naar haar man en dochter en krijgt gezelschap van een vreemde jongen, Hoa. Later voegt zich nog een vrouw bij hen, Tonkee. Door de as-regens zoeken zij hun weg op zoek naar waar Hoa denkt dat Essun’s familie is.

Syeniet probeert in verwachting te raken van Alabaster maar samen hebben ze nog een andere opdracht; de haven van Allia vrij te maken van koraal zodat de schepen weer vrije doorgang hebben. Als Syeniet dat probeert met haar orogene krachten gebeurt er wel iets, maar niets dat zij of wij verwachten. Zij en Alabaster komen bij op een eiland waar ze heen zijn gebracht door een steeneter. Door een wat? Precies. Niemand weet precies wat het zijn, maar ze bewegen zich met gemak door massieve structuren als rotsen en steen.

Damaya in de opleiding, Syeniet uiteindelijk met Alabaster op een eiland bij een stel piraten en Essun op zoek naar man en dochter, die uiteindelijk belandt in een onderaardse geode. De auteur brengt die verhaallijnen prachtig bij elkaar. De karakters krijgen een eigen gezicht en een niet-menselijke orogeen (volgens de daar heersende opvatting) als de tien-ringer Alabaster, blijkt ineens zeer menselijke trekjes te vertonen;

…’Roest, Syen, ben je het allemaal nooit eens beu?’…’Wil je nooit eens gewoon…mens zijn?’ Ze komt het huis in en leunt met gekruiste armen en enkels tegen de muur naast de deur. ‘We zijn geen mensen.’
‘Ja, dat zijn we wél.’ Zijn stem wordt fel. ‘Het kan me geen moer schelen wat de zoveel-zoveelste graad van grote, belangrijke eikels heeft bepaald, of hoe geomesten dingen classificeren, of dat allemaal. Dat we geen mensen zijn, is gewoon de leugen die zij zichzelf vertellen zodat ze zich niet rot hoeven te voelen om hoe ze ons behandelen…’

Zulke passages geven aan dat het geen fantasy-verhaal alleen is. Het gaat om menselijke verhoudingen bijvoorbeeld. Alle ellende die Vader Aarde over de mensheid uitstort vertelt ons uiteraard ook iets en ook dat geeft de auteur mooi weer;

Volgens de legende voelde Vader Aarde oorspronkelijk geen haat voor het leven. In feite, zoals de steenlezers het vertellen, deed Aarde ooit alles wat hij kon om de vreemde opkomst op zijn oppervlak te faciliteren…Toen begonnen de mensen verschrikkelijke dingen met Vader Aarde te doen. Ze vergiftigden het water zodanig dat zelfs hij het niet meer kon zuiveren…op het hoogtepunt van de menselijke hoogmoed en macht waren het de orogenen die iets deden wat zelfs Aarde niet kon vergeven: ze vernietigden zijn enige kind.

Het zijn die meerdere lagen in zo’n verhaal in combinatie met een goed geconstrueerde wereld en een paar fijne cliffhangers die mij dit boek achter elkaar deden uitlezen en meteen naar het volgende deel doen grijpen.

Vertaling; Lia Belt

 

Voorkant-onze-gevederde-vrienden-in-boeken
Onze gevederde vrienden in boeken van Jennifer Romeijn belooft ons een bibliografie van twee eeuwen aan vogelboeken. Het is geen dik boek, zo’n 135 pagina’s en zal waarschijnlijk een hoop boekentitels bevatten, zo bedacht ik van tevoren. Toch wist ik dat ik het wilde lezen toen het uitkwam en dat zal ik dus even toelichten.

Ik heb iets met vogels. Dat heb ik hier en hier al eens uitgelegd en als iemand de moeite neemt om alle vogelboeken eens op een rij te zetten dan wil ik dat weten. Als u wat fronst bij de schijnbaar belegen titel waarin het ouderwetse ‘gevederde vrienden’ wordt gebruikt, niet doen; het is een verwijzing naar een boek dat uiteraard in de lijst voorkomt, Onze gevederde vrienden van P.G. Buekers.

Voor we aan de bibliografie toekomen geeft Romeijn een korte geschiedenis van vogelboeken in Nederland. Dat begint eigenlijk in 1770 waarin vader en zoon Sepp met uitgever Cornelis Nozeman een vijfdelig werk uitgeven met de titel Nederlandsche vogelen; volgens hunne huishouding, aert, en eigenschappen beschreeven; alle naer ’t leeven geheel nieuw en naeuwkeurig getekend, in ’t koper gebragt, en natuurlyk gekoleurd.

Dat ‘naer ’t leven getekend’ was dan wel op basis van veelal opgezette exemplaren, maar wel waar mogelijk op ware grootte. Het was dan ook een groots werk. Ik heb het origineel te koop zien staan voor een bedrag ver buiten mijn budget maar uitgeverij Lannoo heeft er een facsimile van uitgegeven op ware grootte en op kleiner formaat. Het verhaal vertoont sterke overeenkomsten met de beroemde uitgave van Audubon, die zijn vogels ook naar het leven tekende op ware grootte. Die boeken zijn nog vele malen zeldzamer, maar de Nederlandse uitgave was er eerder, Audubon gaf zijn laatste boek in 1838 uit, Nozeman in 1829.

De auteur geeft in haar boek aan dat met dit boek een zelfstandige publicatie beoogd is, als basis voor verder onderzoek en om te bekijken welke ontwikkelingen de publicatie van Nederlandse vogelboeken doorgemaakt heeft. Voor die ontwikkelingen wordt de algemene boekenmarkt in zijn geheel bekeken en krijgen ontwikkelingen als fotografie en de verandering van mentaliteit aparte hoofdstukken. Ieder hoofdstuk wordt verduidelijkt met een grafiek waarin belangrijke momenten in de geschiedenis van de boekenmarkt of de fotografie worden gekoppeld aan de verschijning van vogelboeken in die jaren.

Met name de verandering van mentaliteit vond ik interessant. Ik was bekend met de ontwikkeling van de Vogelbescherming Nederland. Dat begon met de oprichting in 1892 met de ‘Bond ter Bestrijding eener Gruwelmethode’, om het dragen van vogelveren op hoeden door de dames van die tijd tegen te gaan. Dit was ik al tegengekomen bij de freules Cécile en Elsa. In de beginjaren van de Vogelbescherming bestond het bestuur ook nog uit (adelijke) dames en was de boodschap duidelijk;

‘Is het niet onaesthetisch en onzedelijk, zich te tooien met lijken? Met lichamen van onschuldige, nuttige schepselen, aan wie het leven ontnomen wordt, het heerlijke, hun door God geschonken leven, om gedurende enkele maanden aan onze ijdelheid te voldoen. Koopt die hoeden niet!’

In de loop der jaren werden de bakens wat verzet en ging men zich meer richten op publiciteit. Er kwam een blad, De Lepelaar (later Vogels) waar ik zelf nog op geabonneerd ben geweest.

Tegenwoordig is het jagen op vogels een favoriete bezigheid van veel mensen. Jagen, in de zin van vogels spotten. De leraar en natuurkenner Jac. P. Thijsse heeft daar fors aan bijgedragen, onder meer via de Verkade-albums, maar ook Nico de Haan en cabaretier Hans Dorrestijn profileren zich als liefhebbers.

Dan de lijst zelf; is het leuk om een kleine veertig pagina’s door te nemen met boektitels over vogels? Ik vind dus heel erg van wel. Onvermijdelijk heten talloze boeken ‘Vogels’ (je verwacht het niet), maar de eerste twee titels vind ik al een feest;

Beschryving van een zeldzaam duifsoort, genoemd de Ceilonische kaneelduif

Beschryving van eenen zeldzaamen Afrikaanschen nog niet beschreeven en naakthalsigen nimmerzat of wulp, aan de Kaap de Goede Hoop genoemd bosch-kalkoen

Later in de tijd worden de titels minder poëtisch, maar mijn gekoesterde boek en inmiddels versleten ‘Zien is kennen’ (zie de foto’s hieronder) komt er uiteraard in voor en ik keek op van een specifieke titel als De vogels van Noordwijk. Keek ik daar al van op, even later kwam mijn eigen woonplaats voorbij in de titel De vogels van Nieuwegein.

Kortom, er viel voor mij genoeg te herkennen en te beleven in deze bibliografie en ik ben daar nog niet klaar mee, dat is het fijne.

IMG_8041 (002)IMG_8040 (002)

 

3bec23d81911bc859694c677641444341587343_v5
Ik kwam Jean Genet tegen in het boek van singer-songwriter Patti Smith en werd benieuwd naar zijn Dagboek van een dief. Dat is zijn meest autobiografische werk en het is een verslag van zijn zwerversleven in Antwerpen, Barcelona en in andere delen van Europa gedurende de jaren dertig.

Jean Genet leek niet voor het geluk geboren. Hij werd als kind afgestaan en belandde in een pleeggezin in de Morvan. Hij mocht van de armenzorg een opleiding volgen tot typograaf, waar hij al snel wegliep. Hij was toen dertien jaar. Met vijftien jaar werd hij naar de ‘agrarische strafkolonie’ van Mettray gestuurd. Een harde wereld, waar hij zijn homoseksualiteit ontdekte.

Op zijn achttiende ging hij in dienst wat hem in Marokko, Syrië en Libanon bracht. Later in de jaren dertig werd hij regelmatig opgepakt en gevangengezet, onder meer voor diefstal, illegaal wapenbezit en desertie. In de gevangenis begon hij te schrijven en wel met zo veel succes, dat een aantal bekende schrijvers ervoor zorgden dat een mogelijke levenslange gevangenisstraf die Genet boven het hoofd hing werd kwijtgescholden.

Een bewogen leven en een deel daarvan wordt in dit boek beschreven. Genet zelf zegt hierover;

In dit dagboek wil ik de andere redenen die mij tot een dief maakten niet verhelen – waaronder de eenvoudigste: de noodzaak om te eten -, maar bij mijn keuze kwamen nooit verzet, bitterheid, woede of een vergelijkbaar gevoel kijken. Met een maniakale, een ‘angstvallige’ zorg bereidde ik mijn avontuur voor, zoals men een bak of een kamer voor de liefde inricht: ik geilde op de misdaad.

Hier hebben we meteen een belangrijk kenmerk van zijn stijl en eigenlijk van zijn hele oeuvre te pakken, de omkering van waarden. De vertaalster Kiki Coumans zegt in haar nawoord dat Genet een heel eigen waardesysteem heeft waarin het kwaad wordt verheerlijkt en verraad als de allerhoogste deugd wordt gezien. Dat zou wel eens een interessant verhaal kunnen opleveren en dat klopt ook.

Het is geen makkelijk leven. In Barcelona is hij getuige van een moord als hij net Stilitano heeft ontmoet, waar hij helemaal van ondersteboven is. Dat levert een mooi beeld op;

De zon ging net onder. De dode man en de mooiste van alle mensen leken met elkaar te versmelten in hetzelfde gouden stof, te midden van een groep matrozen, soldaten, schooiers en dieven uit alle hoeken van de wereld.

In deze zin zit voor mij de essentie van het boek verborgen. Bij Genet gaan misdaad en liefde hand in hand en worden naar een hoger niveau getild door het als iets moois te presenteren. Die tegenstrijdigheden vinden we door zijn hele verhaal. Hij wordt vaak gearresteerd en vernederd maar vreemd genoeg schrikt de gevangenis hem niet af;

De gevangenis geeft me dezelfde veiligheid. Niets kan haar verwoesten. Geen rukwinden, geen stormen, geen faillissementen. De gevangenis blijft zeker van zichzelf, en wie erin zit ook.

Hij pleegt vaak diefstallen, handelt in vals geld, maar soms lijkt het lijntje dun naar serieuzere misdaad. In Polen heeft hij een revolver op zak en stelt voor een chauffeur dood te schieten als deze Genet en zijn vriend niet naar de grens brengt met Tsjechoslowakije. In hoeverre dit opgeklopt is of niet weten we niet, er wordt niemand vermoord.

Naast de misdaad loopt zijn homoseksualiteit als een rode draad door het verhaal heen. Altijd is hij in de ban van een man en die liefde wordt lang niet altijd beantwoord. Als hij hoort van een jongen die heulde met de Franse Gestapo, gaat die vreemde omgekeerde gedachtengang van Genet direct aan het werk;

Opnieuw was ik het middelpunt van een meeslepende draaikolk. De Franse Gestapo bevatte twee fascinerende elementen: verraad en diefstal. Als daar nog homoseksualiteit bij kwam, werd ze schitterend en onaantastbaar.

Jean Genet schreef naast dit dagboek een aantal romans, essays, een prozagedicht en vier toneelstukken. Hij stierf in 1986 tijdens een verblijf in Parijs en ligt begraven op het Spaanse kerkhof  in Larache, Marokko.

Vertaling: Kiki Coumans

9025309615.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Oorlog in Gallië van Julius Caesar is een must-read voor een beetje geschiedenisliefhebber. En ik breng het er maar meteen in; ik ben ook een groot fan van de strips van Asterix en Obelix. Uiteraard heb ik dat stripbeeld van Caesar haarscherp op mijn netvlies en weet ik dat er niets klopt van die verhalen en toch…kom ik op terug.

Dit boek bevat verslagen, opgetekend door Julius Caesar zelf van verschillende van zijn veldslagen in Gallië. Dat is een gebied dat groter is dan het huidige Frankrijk. Het werd verdeeld in Gallia Cisapina, ‘Gallië aan deze zijde van de Alpen’ met een deel van Noord-Italië dat al onder Romeins bestuur viel en het grotendeels nog niet veroverde Gallia Transalpina, ‘Gallië achter de Alpen’. Daarvan stond alleen een strook aan de Middellandse Zee, iets groter dan de huidige Provence, al onder Romeins gezag.

We beginnen al snel met de Inval van De Helvetiërs. Dat laat zich lezen als een uitermate boeiend verhaal over een veldslag met alles erop en eraan. Troepenbewegingen, strategie en de gevechten zelf natuurlijk;

Vanuit de hoogte gooiden de soldaten hun speren, waarmee ze gemakkelijk de gesloten formatie van de vijanden braken. Toen die eenmaal uiteengeslagen was, trokken ze hun zwaarden en vielen op hen aan. De Galliërs ondervonden veel hinder in de strijd; vaak werden enkele schilden door één rake speer doorboord en aan elkaar vastgemaakt. Doordat de speerpunt hierbij verboog, konden ze die er niet uittrekken.

Dat leest geweldig, maar zoals het nawoord prima toelicht; je moet er altijd even bij nadenken wie dit vertelt. Caesar dus. En die wist precies wat hij opschreef. Caesar zocht een aanleiding om oorlog te voeren in Gallië en verbood de Helvetiërs, die uitbreiding zochten wegens overbevolking de doortocht. De Helvetiërs gingen vervolgens onderhandelen en kozen voor een alternatieve route om Romeins gebied heen. Dat zinde Caesar niet en die veranderde meteen van argument; de Helvetiërs kwamen ‘te dicht bij de Provincie’ te wonen en moesten bestreden worden. Dus zijn titel Inval van de Helvetiërs dient behoorlijk genuanceerd te worden. Het verhaal is geschreven om Caesars provocaties te rechtvaardigen als defensieve actie. Het leidt bovendien af van een ‘detail’, het afslachten van zesduizend Helvetiërs.

De veldslagen volgen elkaar in rap tempo op want er leven talloze stammen in Gallië, ik had er geen idee van. Ik houd van details, als zijn manschappen door de Nerviërs aangevallen worden, dat er geen tijd is om de schilden uit hun hoezen te halen. Lijkt me een enorm gedoe bij een verrassingsaanval.

Caesar heeft niet alleen te maken met stammen uit Gallië, er wonen ook Germanen net over de Rijn en die moeten bij tijd en wijle ook een lesje hebben. Caesar besluit de Rijn over te steken en wil dat niet per schip doen, dat is beneden de Romeinse waardigheid. Hij laat een brug bouwen. Dat is een huzarenstuk en hij beschrijft glashelder hoe dat bouwwerk opgetuigd wordt;

Voor de brug gebruikte hij de volgende techniek. Als pijlers dienden combinaties van twee palen, anderhalve voet dik en van onderen een beetje aangepunt. Die stonden op twee voet afstand van elkaar en waren onderling verbonden; hun lengte hing af van de diepte van de rivier.

Het gaat nog even door en je zou hem zo na kunnen bouwen, maar wat valt op; zijn taalgebruik. ‘Voor de brug gebruikte hij…’ duidt op de derde persoon enkelvoud en Caesar stond erom bekend dat hij zo over zichzelf schreef. Nogmaals, hij wist precies waarom hij wat opschreef en dat geldt ook hier. Die brug is een sterk staaltje, maar het diende om een veel minder sterk staaltje te maskeren. Zoveel deed hij namelijk niet over de Rijn. Hij verbleef er maar kort en boekte er geen grote overwinningen. Zo staan er ook hoofdstukken tussen met mooie en interessante beschrijvingen over de zeden en gewoonten van Galliërs en Germanen. Niet omdat Caesar zo’n enthousiast etnograaf was, maar die hoofdstukken zijn geplaatst na minder geslaagde operaties van zijn kant.

Dat laat onverlet dat het prachtig is om te lezen hoe hij een zeeslag aangaat met het kustvolk de Veneti en hoe hij de oversteek waagt naar Brittannië. Hij wint er wat gevechten maar zou het eiland niet bezetten, dat zou pas later gebeuren.

En dan die beroemde slag, de overwinning op de grote Gallische leider Vercingetorix die zijn nederlaag bij Alesia leed. Dan denk ik maar aan één ding, de lange tenen van de Galliërs in de strip Asterix en Obelix, die op de vraag naar Alesia keihard roepen; ‘Alesia? Ik weet niet waar Alesia ligt!!’ Natuurlijk is het een verzonnen strip, maar daarin zijn altijd historische feiten verweven en die pijnlijke nederlaag is er één van. Ook de druïden, ook bekend uit de strip, worden toegelicht door Caesar in zijn verhalen.

Oorlog in Gallië is dus een document dat zich makkelijk laat lezen als een boek vol veldslagen, maar altijd met in het achterhoofd door wie het is geschreven en waarom. Uiteindelijk is het een propaganda-epistel waarin Caesar er prima uitkomt, en waar de talloze slachtoffers en onmetelijke zelfverrijking maar een terloopse of geen rol spelen. Dat Caesar een prima stilist en schrijver is blijkt uit het feit dat het boek lang in Latijnse lessen is gebruikt. Ik gebruik het als een zeer boeiend verhaal, waarbij mij vagelijk bekende geschiedenissen een hoop betekenis krijgen. Voor achtergronden over de slag bij Alesia verwijs ik graag naar de weblog van historicus Jona Lendering, die hier een paar prima artikelen over schreef.

Vertaling; Vincent Hunink