archiveren

Maandelijks archief: april 2022

1556520042.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Coltrane on Coltrane is een boek dat samengesteld is door schrijver en jazz-kenner Chris DeVito. Ik heb inmiddels aardig wat muziek beluisterd van jazz-saxofonist John Coltrane (1926-1967) en hij wordt gezien als één van de grootsten in dat genre en ik ben druk bezig mijn vinger daar achter te krijgen. Net als bij zijn collega-saxofonist Charlie Parker overigens, zoals u hier kunt lezen.

Het lezen van biografieën helpt mij daarbij, maar bij Coltrane koos ik eerst voor dit boek. Dit boek bevat ieder bekend interview met Coltrane, evenals artikelen, overdenkingen en liner notes (u weet wel, die verhalen achterop elpees) die uitspraken van Coltrane bevatten. Het materiaal dateert voor het grootste deel uit de periode 1958-1966 en het boek telt 374 pagina’s.

Dat lijkt niet veel als je bedenkt hoe vaak succesvolle artiesten tegenwoordig interviews doen, maar met Coltrane lag dat allemaal wat anders. Hij was terughoudend met interviews, hoewel hij beleefd en nauwgezet was als hij ze wel gaf. Zijn antwoorden zijn vaak bedachtzaam en afgemeten en het leek mij een mooie manier om de mens achter de muziek wat beter te leren kennen. Bovendien werd Coltrane niet ouder dan veertig jaar (hij stierf aan leverkanker). Leuk is dat er ook een paar interviews in staan met de Nederlandse jazzcriticus en -programmamaker Michiel de Ruyter (1926–1994).

Werkt dit dan ook om een musicus en de muziek beter te leren kennen? Ja, voor een deel zeker. Het is leuk om Coltrane te horen in een gesprek met August Blume van Baltimore’s Jazz Society over pianist Thelonious Monk, als die onder het spelen het podium afloopt of een dansje doet (karakteristiek voor Monk, ik schreef er hier en hier al over);

Blume: Why do you think he did it?
Coltrane: I don’t know. He said he wanted to hear us, he said he wanted to hear the band. [Blume laughs] When he did that, he was in the audience himself, and he was listening to the band. Then he’d come back, you know, he got somethin’ out of that thing, man.
Blume: I got the biggest kick out of the way he’d do this little shuffle dance on the side.
Coltrane: Yeah, I wanted to see that myself, you know, I couldn’t see.

Zelfs Monk’s bandleden konden het niet altijd plaatsen wat hij deed. Coltrane vertelt in interviews uitgebreid over de invloed van Monk en van Miles Davis op hem. Die laatste noemt hij ‘leraar’ en Davis moedigde hem aan om zijn eigen stem te vinden en niet alleen maar ‘mee’ te spelen in een band.

Waar ik Coltrane voornamelijk als tenorsaxofonist zag, leerde ik uit dit boek dat hij ook de sopraansaxofoon ter hand nam en er werk mee heeft opgenomen. Het was een beetje toeval hoe hij daarmee begon, want een collega waar hij mee in een taxi zat liet zijn sopraansaxofoon liggen en John nam hem mee naar zijn hotelkamer en begon er wat op te oefenen. Snelle leerling als hij was zag hij de grote mogelijkheden van het instrument en hij ging er mee verder. Dat ging zo ver dat een journalist hem vroeg of hij ooit de keuze moest maken tussen de sopraan- en tenorsaxofoon;

John Coltrane: I haven’t solved that problem yet. The soprano requires a particular way of holding the lips, it requires more muscles than the tenor, and, because of that, one’s lips get hurt quickly. If I develop the habit of playing very ‘tight’, my embouchure will maybe become too tight for the tenor; that’s the problem.

Zover liet hij het niet komen, hoewel hij prachtige opnamen heeft gemaakt met de sopraansaxofoon. Het is interessant om te lezen hoe zijn carrière zich heeft ontwikkeld. Van bandlid tot leadman met zijn eigen kwartet, en soms kwintet als saxofonist en klarinettist Eric Dolphy hem kwam versterken. Coltrane was, net als bassist Charles Mingus, erg enthousiast over de (ook jong gestorven) Dolphy. Het is interessant om te lezen dat Coltrane zich soms niet eens bewust lijkt van de ontwikkeling die hij doormaakt. Het volgende fragment uit een interview met journaliist Bob Dawbarn laat dat zien, na een optreden van het kwintet met Eric Dolphy;

I found your Quintet’s music completely bewildering. Can you explain what it is you are trying to do? Surely you and Eric Dolphy are not following the normal chord sequences?
Coltrane: I can’t speak for Eric – I don’t know exactly what his theory is, I am playing on the regular changes, though sometimes I extend them…

It seemed to me that the three members of the rhythm sections were playing completely different things – often in different time signatures.
Coltrane: They are free to play anything they feel. Tyner plays some things on piano. I don’t know what they are, but they are based on the chords.

Your playing seemed so different from anything we have heard on your records here.
Coltrane: So many people have told me that, it must be true. I’ve got to listen to those records again. I guess I’ve changed in the last year. I’m in the process of changing things around here and finding areas that haven’t been explored.

Het fragment geeft aan dat a. De muzikanten elkaar blindelings moeten aanvoelen omdat ze ruimte krijgen én pakken, b. Dat journalisten ook af en toe naar adem moeten happen bij de wegen die Coltrane’s band bewandelt (luister eens naar het album Coltrane “Live” at the Village Vanguard”) en c. Dat Coltrane zich dus niet eens altijd bewust lijkt van die progressie.

Ik zei eerder dat dit boek voor een deel zeer zeker werkt bij het beter leren kennen van Coltrane en zijn muziek. Voor welk deel niet dan? Je ontkomt niet aan informatie die vaker terugkomt in interviews omdat journalisten vaak dezelfde vragen stellen. Omdat alle interviews uitgeschreven staan, zijn er ook vaak korte, nietszeggende antwoorden en helaas blinken niet alle interviewers uit in het stellen van relevante vragen. Helaas vond ik de interviews van De Ruyter niet best. Dat wil niet zeggen dat ik veel uit het boek heb gehaald en ik ben bang dat ik het grote standaardwerk over Coltrane, The John Coltrane Reference, van dezelfde auteur als dit boek ook nog eens ga doorvorsen. Excuus voor de lezers die geen jazz meer kunnen velen, ik ben nog even niet klaar.

3836585251.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_ (2)
Jazz Covers van Joaquin Paulo is een boek van 29.3 x 29.3 cm en zo’n 4.2 kilo zwaar. Fors en groot dus en dat moet ook, want het gaat om een fotoboek van albumcovers van jazz-elpees, u had het al geraden.

Er valt in zo’n 550 pagina’s dus veel te bekijken, genoeg te lezen en vooral veel te ontdekken. De eerste 40 pagina’s zijn gereserveerd voor een paar korte interviews met mensen uit het vak. Bob Ciano, art director bij platenmaatschappij CTI, Fred Cohen, eigenaar van een speciaalzaak in jazzplaten, Michael Cuscuna, oprichter van een jazzlabel, Rudy van Gelder, opnametechnicus van onder meer het label Blue Note en nog zo wat meer. Het is wel mooi om te lezen hoe dat er aan toe ging ‘in the old days’, als Bob Ciano een werkdag bij CTI beschrijft;

Musicians were all around. People hung out in the art department because it was a big space. We would talk about forthcoming albums and maybe about what the titles would be. Then I would go out working with a small group of photographers and illustrators, trying to find images that might work as covers. I rarely heard the music in advance as I was trying to find images that were eye-catching. It was a small company and we had a very little promotional budget.

Wat opvalt is dat hij de muziek blijkbaar niet hoefde te horen en dat ben ik vaker tegen gekomen. De beroemde ontwerper van jazz-covers Reid Miles, die ik hier al besprak, had zelfs veel meer op met klassieke muziek. Hoewel Ciano blijkbaar een klein promotiebudget had, was er verder genoeg geld want hij mocht covers maken van hoogwaardig materiaal en werd qua kosten nooit teruggefloten.

Ashley Kahn, de schrijver van een boek over het Miles Davis-album Kind of Blue geeft in een interview wat mooie quotes weg over Davis, zoals over zijn relatie ten opzichte van saxofonist John Coltrane;

It was a five-and-a-half-year relationship. John Coltrane would always refer to Miles as “the teacher”. Early on, Coltrane saw himself as a musician but not as an innovator…So when Miles first hired him, Coltrane was waiting for direction. Miles started to kick him in the butt by saying, “No, you figure out your sound in what we are doing now. You figure out what sounds best.”

Dat is goed gekomen, Coltrane werd één van de beste tenorsaxofonisten uit de geschiedenis. Dan de covers zelf. We gaan op alfabetische volgorde de musici af en we trappen af met maar liefst vijf albumcovers van saxofonist Cannonball Adderley. Per album wordt door het hele boek aangegeven de artiest, de titel van het album, het jaar van uitgave, het platenlabel en indien bekend wie de fotograaf, designer of kunstenaar is wiens werk op de voorkant prijkt.

Soms staan er twee covers op een pagina, vaak is de foto paginagroot en dus bijna even groot als de originele hoes. Vaak een feest voor het oog. Niet ieder album heeft een begeleidende beschrijving, dat lijkt een beetje een random verhaal. Van sommige albums zou ik meer willen weten, maar dan wordt volstaan met de albumgegevens zoals ik die hierboven beschrijf.

Je kan het boek ook gebruiken als luistergids. Natuurlijk staan alle grote jazz-artiesten erin, maar ik kende zangeres Lorez Alexandria even niet en dat geldt ook voor Ghanaba, de vader van de Afro-jazz. Hij staat op de cover als een gangsta-rapper, zo’n dertig jaar voor rappers als 50 Cent op dat idee kwamen. Er staan nog heel veel artiesten in waarvan het mij zou verbazen als u die kent dus een beetje liefhebber kan zich uitleven.

Nu staat er een quote van designer Acy Lehman in het boek over die covers:

“Covers are designed to accomplish a single purpose…to get you to pick the record off the rack.”

Dat staat dan bij een cover van multi-instrumentalist Cal Tjader waarvan ik mij afvraag of ik die uit de schappen zou pakken. Dat vraag ik mij nog meer af bij de covers van Buddy Collette’s Swinging Shepherds of die van het Dave Pell Octet. Maar ieder zijn smaak en er staan wat mij betreft ook fenomenaal mooie covers in, zoals die van fluitist Hubert Laws met de prachtige foto’s van Pete Turner, of de Salsa Picante-cover van jazz-pianist Clare Fischer; die wil je ook hebben.

Het gaat dus primair om de vele foto’s, maar er staan gelukkig genoeg weetjes in het boek. U leert de ‘braithophone’ kennen, een combinatie van de alt- en sopraansaxofoon, ontwikkeld door saxofonist George Braith. De auteur wijst u niet alleen op mooie covers maar geeft ook aan wanneer ze (zeer) zeldzaam zijn zodat u extra kunt opletten op de rommelmarkt en doet u muziektips aan de hand zoals het werk van de Nederlandse saxofonist Toon van Vliet.

Eén foutje zag ik, de sterfdatum van zanger- en pianist Bobby Cole is 19 december 1996 en niet 1997 en hij stierf aan een hartaanval en niet aan een schedelbreuk. Met een andere curiositeit was ik nogal druk; de naam van de saxofonist Pharoah Sanders staat op de cover van zijn album ‘Pharoah’s First’ afgedrukt als Pharaoh Sanders. Op alle vinyl-albums die ik op het internet vond staat zijn naam correct als Pharoah Sanders. De enige foute naam vond ik op een cd-hoesje, daar stond weer Pharaoh Sanders op. Dus een luxe-uitgave van een boek over jazz-covers lijkt een misprint over te nemen van een cd-hoesje. U begrijpt, ik zit met talloze vragen.

Dat neemt niet weg dat het een schitterend boek is voor de liefhebber en ik zal het met regelmaat uit de kast pakken, zeker om met meer muziek kennis te maken.

71Le4DOq5kL._SL1200_
Buddy Collette’s Swinging Shepherds

R-7445165-1441644952-7176.jpeg
Dave Pell Octet

ab67616d0000b273e3eef17c60452b291205d2e0
Hubert Laws

R-1721826-1583668286-8294
Clare Fischer

0810972352.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In mijn bespreking over de jazzbarones, Pannonica de Koenigswarter (ofwel Nica), haalde ik al even aan dat zij een boek wilde schrijven. Dat zou moeten bestaan uit de foto’s die ze heeft genomen van de jazzmusici in de clubs van New York midden vorige eeuw, maar vooral ook bij haar thuis. Daar kwamen al die musici bijeen om te jammen en soms voor onderdak. Het moest niet alleen een fotoboek worden, ze legde iedere muzikant dezelfde vraag voor; als je drie dingen mag wensen, welke zouden dat dan zijn?

Zo verzamelde ze driehonderd antwoorden en die zijn uiteindelijk door haar achternicht (die Nica steevast haar kleindochter noemde) Nadine de Koenigswarter samengebracht met veel foto’s in Three Wishes; An Intimate Look at Jazz Greats.

Het boek kan haast niet anders beginnen met de pianist die Nica zo lang heeft gekend en ook in huis heeft gehad;

Memorandum from the desk of Nica de Koenigswarter:
I put the first question to Thelonious Monk….
“If you were given three wishes, to be instantly granted, what would they be?”

He was pacing back and forth, and he paused for a moment to gaze out across the river at the New York skyline. Then he gave me his answer.

And I said, “But Thelonious! You have those already!”

He just smiled and began pacing again. Thelonious Monk:

  1. “To be successful musically”
  2. “To have a happy family”
  3. “To have a crazy friend like you!”

Die eerste wens komt nog al eens terug, samen met de obligate wensen over een goede gezondheid, vrede en geluk voor iedereen en veel geld. Maar er zijn ook interessante wensen bij of soms korte verhalen, die ons dichter bij de artiesten brengen. Wat terugkomt bijvoorbeeld is de wens dat jazzmuziek geaccepteerd wordt als een serieuze kunstvorm. Drummer Elvin Jones komt daarmee net als saxofonist Johhny Griffin, saxofonist Charlie Rouse, pianist Ronnie Matthews en saxofonist Teo Macero die er het meest uitgebreid op ingaat;

“To change the status of jazz. That is, to get rid of the stigma attached to jazz music. You know, a jazz musician is regarded as some kind of freak! This is something which has bugged me for a long, long time. Like, someone will come up to me and say, ‘Oh, so you’re a jazz musician?’ And when I say, ‘Yes, a jazz musician and composer,’ they will look at me altogether differently. It would be marvelous if jazz musicians could be given a status equal to that of great figures of contemporary music.”

Dat leeft nogal dus en die antwoorden brengen de artiest wat dichterbij. Sommige kortere antwoorden ook, zoals bandleider Count Basie en bassist Eddie Jones, die beiden een betere gezondheid voor hun dochter wensen.

Wensen kunnen ook tot speculatie leiden. Er waren geruchten in die tijd dat drummer Art Blakey een relatie had met Nica, hoewel dat nergens uit is gebleken of is bevestigd. Zijn eerste en derde antwoord helpen er echter niet bij:

  1. “That you loved me”
  2. “That Art Junior gets through this shit that he’s in”
  3. “That I get divorced and we get married!”

Ook de wens van trompettist Lee Morgan, “To make a wonderful father and husband”, komt in een wat ander licht te staan als je weet dat hij doodgeschoten werd door zijn vrouw vanwege een buitenechtelijke relatie.

Zijn er nog opmerkelijke wensen? Dat valt mee, in de regel is het gewoon vermakelijk om te lezen. Het is opvallend de pianist Oscar Peterson te horen zeggen “I wish I could play the piano the way I want to” of saxofonist Sonny Rollins “To be able to do what I want to do on the horn”. Of saxofonist John Coltrane die zegt “To have an inexhaustable freshness in my music. I’m stale right now.”

They could have fooled me, maar grootheden die vinden dat ze nog beter kunnen, dat is mooi om te lezen. Misschien moeten we vibrafonist Lionel Hampton nog even aan het woord laten, die ook zijn tijd nam voor een antwoord;

“To be in tune with jazz. Jazz to me is like the human emotions of the Negro. From the time he was in bondage praying to God to give him freedom – that was the blues then, coming from the spiritual vein – and when he was freed some, he would make jazz more happy. It was coming from the Negroes. From the time of the slave in the cotton fields, swinging up, you dig? From the time it got popularized and commercial, and left the cotton fields and railroad tracks, and they were putting it in the cafes. It was the days of King Oliver and Sidney Bechet.”

En dat is maar het eerste antwoord. Gaat u de rest vooral zelf lezen. Het is een mooi boek om door te bladeren, voor de antwoorden op die wensen maar vooral ook door de, soms oude en viezige, maar altijd leuke polaroids (vooral Miles Davis, maar vist u dat zelf maar uit) van vér voor het fotoshop-tijdperk.

0393069400.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Nica’s Dream. The Life and Legend of the Jazz Baroness van David Kastin is het opmerkelijke verhaal van de Rothschild-telg Pannonica de Koenigswarter, ofwel Nica. De Rothschild-familie is, zoals wellicht bekend, een internationale dynastie van Duits-Joodse oorsprong die hun fortuin maakten in de bankierswereld.

Pannonica werd in Londen geboren als de jongste dochter van Charles De Rothschildt en een Hongaarse barones. Ze trouwde in 1935 met een een Franse diplomaat Jules de Koenigswarter en gingen in Frankrijk op een kasteel wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vlucht ze naar de Verenigde Staten maar ze gaat even later toch naar Afrika, waar ook haar man gestationeerd is en beiden spelen ze een grote rol in de oorlog en worden daarvoor onderscheiden.

Als ze later met haar man nog in Noorwegen en in Mexico belandt vindt Nica het mooi geweest. Ze wil naar New York toe, het centrum van de jazzmuziek. Hoe kwam dat zo?

Nica was al door haar broer Victor geïntroduceerd in de wereld van de jazz door zijn platen. Ze werd gegrepen door de nieuwe ritmes en de energie die er van uitging en die aansloten bij haar gevoel van rebellie tegen de geldende, conservatieve Rothschild-waarden. Duke Ellington kreeg de eerste credits, hij maakte van haar een echte jazzliefhebber zo vertelde ze de eigenaar Max Gordon van de jazzclub Village Vanguard;

“Black, Brown and Beige,” she told him, “If you should ask me what record really converted me to jazz, I would have to say it was that one. I didn’t know jazz could be so beautiful.”

Als Nica neerstrijkt in een hotel in New York maken we kennis met alle jazzclubs van betekenis, krijgt u mee wat ‘bebop’ eigenlijk is en ontmoeten we met Nica de jazzmuzikanten van dat moment. Er duiken figuren op als Jack Kerouac, Jackson Pollock en Allen Ginsberg dus dat geeft een aardig tijdsbeeld weer. Nica bezoekt talloze optredens en leert de musici kennen. Dat was niet eenvoudig, aldus publiciste Phoebe Jacobs;

By entering the world of New York’s jazz modernists, the Baroness had joined a highly dysfunctional subculture. “Don’t forget,” Phoebe Jacobs declared, “we’re talking about some guys who were alcoholics, who were drug addicts and led some pretty sick, distorted lives.” Yet Nica was able to see past these shadows to their genius, and heard only the beauty they created.

Want er werden wel degelijk vragen gesteld bij haar motieven. Dat sloeg zelfs om naar hevige kritiek toen altsaxofonist Charlie Parker overleed in haar hotelsuite. Daar heeft ze lang last van gehad, hoewel ze niets anders deed dan hem onderdak bezorgen in die tijd.

Nica was ook wel een opvallende verschijning. Met haar sigarettenpijpje, haar Britse accent en haar zilvergrijze Bentley die ze pontificaal voor een club parkeerde en het prima vond als er wat ‘shabby locals’ op de leren bekleding gingen zitten met hun fles in bruin papier gewikkeld.

Toch is haar belangstelling oprecht. Ze helpt Charlie Parker waar ze kan en dat geldt in overtreffende trap voor de pianist Thelonious Monk. Die laatste zal zelfs jaren in haar huis bivakkeren toen hij veel last van zijn bipolariteit had. Huis, ze zat toch in een hotel? Dat klopt, maar de nachtelijke jam-sessies werden niet door iedereen gewaardeerd, dus kocht Nica een huis. Naast tientallen musici die daar over de vloer kwamen had ze ook 122 katten, het werd niet voor niets ‘Cathouse’ genoemd. Dat had een dubbele betekenis, want jazzmusici werden ook vaak ‘cats’ genoemd.

We leren dus veel over Nica maar ook over de muzikanten. Nica nam een beschuldiging van drugsbezit op zich toen er wat in haar auto werd gevonden. Ze gebruikte zelf geen drugs (had wel altijd een fles Chivas Regal bij zich) maar kreeg aanvankelijk wel een celstraf opgelegd die na lang procederen werd kwijtgescholden. Als een musicus geen onderdak had kon hij altijd bij haar terecht. Dat had tot gevolg dat er aardig wat composities naar haar zijn vernoemd; achter in het boek staan ze allemaal vermeld. Een andere artieste waar een mooi verhaal over wordt verteld is Billie Holiday. Joe Termini, een clubeigenaar, wordt aangesproken door een agent die Billie wil horen zingen, maar die heeft geen vereiste ‘cabaret card’ die nodig is om in dergelijke clubs op te treden. Afgepakt wegens drugsbezit waarschijnlijk.

When Termini explained that she didn’t have a cabaret card, he was told that “it wouldn’t be a problem.” Reassured, he walked over to Holiday’s table. “Hey Lady,” Joe began, “you gonna sing for us tonight?” She looked around the room. “No way,” she told him. “Too many fuzz around here.” “But Lady,” Joe responded, “that’s who wants to hear you sing.”
Kenneth Koch recalled, “It was very close to the end of her life, with her voice almost gone, just like a whisper, just like the taste of very old wine, but full of spirit. She sang these songs and it was very moving.”

Nica maakt inmiddels deel uit van die wereld, schrijft zelfs ‘liner notes’ voor de achterkant van een elpee van Monk en neemt overal waar ze komt de nodige foto’s. Het idee is om daar een boek van te maken maar dat krijgt ze zelf niet van de grond. Haar nazaten wel en dat boek zal ik hierna gaan lezen.

Al met al is het een bijzonder verhaal. Europese adel die naar Amerika verhuist en daar de muziek omarmt van een groep die niet bepaald bovenaan de populariteitsladder staat. Nica stierf op 74-jarige leeftijd en haar naam leeft voort in verschillende jazz-clubs, van Nantes, tot Bodrum en tot in Den Haag. Pannonica, volgens Monk vernoemd naar een vlinder, het bleek uiteindelijk een mot maar dat doet niets af aan die bijzondere naam. Laat ik afsluiten met wat tenorsaxofonist Sonny Rollins (hij leeft nog steeds) over haar dacht, want hij zei iets over de moed van Nica die racisme het hoofd bood in de jaren vijftig;

“By being with the Baroness, we could go places and feel like real human beings,” he recalled. “it certainly made us feel good. I loved the Baroness. She really wanted to help jazz musicians. I think she was a heroic woman.”