archiveren

Maandelijks archief: september 2019

9462170681.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Daar is dan deel 3 van de trilogie van Fred van Slogteren. Als je de Tour niet hebt gereden…Biografieën van alle Nederlandse deelnemers met de ondertitel Er komen eindelijk weer vette jaren. Dit deel gaat over de jaren 1987 – 2017.

Het concept is gelijk aan de delen 1 en 2. Het boek is verdeeld in drie hoofdstukken. In het eerste volgt een toelichting op die vette jaren en de factoren die in die jaren van belang waren. Zo gaat het over de voeding van de renners. Een biefstuk in de morgen voldoet niet meer, maar anno nu weet een renner exact per dag wat hij of zij moet eten en drinken, hoeveel, waar en hoe er getraind moet worden, wat de wattages, vetpercentages en andere lichamelijke waarden zijn, en hoe er nauwkeurig op een dag gepiekt kan worden. Wielrennen is wetenschap geworden.

Hoofdstuk 2 gaat over de Nederlandse ploegen in de genoemde periode. TVM, Buckler, Wordperfect, Rabobank, Shimano, Vacansoleil-DCM en Lotto.nl-Jumbo zijn de namen. Velen herinneringen zich nog de toestanden rond de TVM-ploeg toen er invallen werden gedaan bij de renners, de ploegleider Cees Priem gevangen werd gezet en de renners afstapten. Het voortbestaan van de Tour heeft even aan een zijden draadje gehangen. Het ambitieuze wielerplan van De Rabobank is van groot belang geweest voor de opleiding van veel renners maar het was ook de tijd van dopinggebruik. Dat dilemma van wel of niet gebruiken zal vaak ter sprake komen in dit boek.

Hoofdstuk 3 bevat 86 rennersbiografieën van soms heel bekende, maar ook (en nogmaals, dat maakt deze boeken de moeite waard) van minder bekende renners die wel in de Tour zijn gestart, soms eenmalig en hem niet hebben voltooid, maar waaraan nu toch serieuze aandacht wordt besteed.

Gert-Jan Theunisse is wel bekend. Van Slogteren doet een boekje open over de barbaarse trainingsmethoden waaraan Theunisse zichzelf onderwierp om maar meer pijn te verdragen. Lees het vooral zelf maar ik denk niet dat dit nog voorkomt. Triest om te lezen wat voor medische ellende die man na zijn carrière te verduren heeft gekregen; een wonder dat hij er nog is.

Wat duidelijk wordt uit al die beschrijvingen is dat renners lang niet altijd de kans hebben gekregen om alles uit hun carrière te halen. Vaak worden ze, als ze bij een grote ploeg onder contract komen, in een bepaalde rol geduwd, zoals die van knecht. Het is uiterst moeilijk om daar uit te komen. Maar weinigen dwingen direct een kopmanschap af zoals een Zoetemelk, Raas of Knetemann.

Uit het verhaal over Martien Kokkelkoren (1969) blijkt weer hoeveel factoren er van invloed kunnen zijn op het einde van een carrière. Overtraind zijn, wedstrijdstress en uiteindelijk het slikken van anti-depressiva en zelfmoordgedachten. Mooi om te lezen hoe deze man zich heeft teruggeknokt.

In die tijd is doping en vooral epo (een hormoon dat het uithoudingsvermogen verbeterd) een heet hangijzer. Talloze renners staan voor een dilemma om wel of niet te gebruiken. Bart Voskamp (1968) verwoordt het als volgt;

“Iedereen, heeft in die tijd met epo te maken gehad. Ik ook. Ik heb er aan meegedaan omdat ik voor mezelf had vastgesteld dat ik niet anders kon, maar leuk was anders. Ik deed iets dat niet mocht en zo ben ik niet opgevoed. Ik had een gezin met kinderen en een hypotheek en wielrenner was mijn beroep om dat allemaal te betalen. Ik had geen alternatief en ga dan maar eens thuis en bij de bank uitleggen dat je geen geld hebt, omdat je zo nodig roomser dan de paus wilt zijn.”

Van Slogteren velt geen oordeel, hij vertelt het zoals het is. Ook het verhaal van Thomas Dekker, ook een wielrenner die bekend heeft dat hij heeft gebruikt. De auteur heeft praktisch alle renners uit dit boek persoonlijk gesproken, alleen Dekker heeft niets van zich laten horen. Wellicht heeft dat iets te maken met het kritische verhaal van Van Slogteren over het boek van Thomas Dekker en journalist Thijs Zonneveld met betrekking tot wielrenner Remmert Wielinga. Die zou onterecht beschuldigd zijn van dopinggebruik. Ook heeft de auteur schijnbaar iets met Mart Smeets af te rekenen. Deze wordt een aantal maal in het boek genoemd en komt er nergens goed van af.

De pluspunten uit mijn vorige besprekingen zijn onverminderd van kracht. Hoe kort de carrière ook en hoe kort de deelname in de Tour, als je gestart bent dan verdien je een plek in deze trilogie. Een serieuze plek, nergens wordt een verhaal in één of twee pagina’s afgedaan. De auteur heeft zich verdiept in iedere renner afzonderlijk, getuige ook dit fragment over Joost Posthuma (1981);

Hij leek voorbestemd om atleet te worden, hardloper. Zijn vader, Hans Posthuma…deed aan atletiek. Crossen, baanwedstrijden, halve marathons, hij deed het allemaal met overgave en was daarmee een grote inspiratie voor zijn eing kind, de zesjarige Joost. Het blonde kereltje had talent, werd in de jeugdrangen twee keer kampioen van Nederland op de duizend meter. Toen hij elf was, liep hij in zijn leeftijdscategorie een Nederlands record op die afstand, een tijd die sindsdien maar drie keer is verbeterd.

Wat ik jammer vind is dat in deel 3 de foto’s ontbreken van de renners naast hun naam aan het begin van iedere bespreking, iets wat in de delen 1 en 2 wel het geval was. Wat ik ook niet snap is waarom de titels op de ruggen van alle drie de delen van beneden naar boven gelezen moeten worden en niet, zoals bij Nederlandse uitgaven elders in mijn boekenkast, van boven naar beneden. Verder, niets dan lof voor deze trilogie die ik met veel plezier gelezen heb, al was het maar waarom mij nu duidelijk is waarom Donna Summer op een wielrennerspodium had moeten staan.

9048846196.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
When Giants Walked the Earth is de vuistdikke biografie van de legendarische rockgroep Led Zeppelin, geschreven door muziekjournalist Mick Wall. Het boek werd in 2008 geschreven maar kwam pas dit jaar in de Nederlandse vertaling uit.

Het is het verhaal van de gitarist Jimmy Page die muzikanten zocht voor een nieuw te formeren rockgroep. Hij liet zangers auditeren en kwam bij de relatief onervaren Robert Plant uit. Die kende John “Bonzo” Bonham, een fenomenale drummer met een snoeiharde slag. De sessiemuzikant en multi-instrumentalist John Paul Jones nodigde zichzelf uit en Led Zeppelin was geboren.

Page had al materiaal ontwikkeld en wist precies wat hij met de groep wilde. Ze vonden een manager in Peter Grant van een speciaal kaliber. Dat was iemand die de beste deals voor zijn artiesten uit het vuur sleepte, niet altijd met de meeste tact. Er werden platen gemaakt met nummers waarvoor vrijelijk werd geleend van andere, vaak oudere bluesnummers. Dat is meteen de kracht van dit boek, want van talloze nummers wordt beschreven hoe ze zijn ontstaan. Ideaal om de muziek op te zetten terwijl je het verhaal erover leest. Dat lenen werd de groep overigens niet altijd in dank afgenomen, er zijn veel aanklachten wegens plagiaat geweest.

Maar dan de muziek… Het zijn namelijk vier van de beste muzikanten die je je kan indenken. Zeker hebben ze muziek geleend, maar daar hebben ze vervolgens fantastische dingen mee gedaan. Ieder album is weer anders en ik heb ze inmiddels allemaal meerdere keren beluisterd.

Het succes kwam, maar daarmee ook de problemen. De groep ging touren en was vaak lang van huis. Onvermijdelijk kwamen ze in aanraking met groupies en drugs. Iedereen ging zwaar voor de bijl en dat wordt in geuren en kleuren beschreven. Vooral Bonham, ziek van heimwee af en toe naar zijn gezin, was een man met twee gezichten. Hij dronk vreselijk, gebruikte zwaar (net als Page later) en vernielde talloze hotelkamers. Thuis in Engeland was hij een familieman en loyaal aan zijn oude vrienden.

Terug naar de muziek dan. Jimmy Page was een liefhebber van occulte zaken en die liet hij een rol spelen in de muziek of in het design van de platenhoezen. De auteur beschrijft ook uitgebreid hoe Page met die zaken bezig is, je krijgt zijn fascinatie mee voor de Britse esotericus Aleister Crowley (Page zou zijn huis aan Loch Ness kopen) én wat dit betekent voor de muziek.

Uiteindelijk versnelden een paar persoonlijke drama’s het einde van de groep. Robert Plant nam een lange pauze toen zijn zoontje overleed en John Bonham dronk zichzelf dood. Omdat Plant zich later toelegde op succesvolle solo-projecten en Jones altijd werk had als sessiemuzikant viel de groep uit elkaar. Ze kwamen later nog wel voor wat concerten bijeen en zeker Jimmy Page wilde nog doorgaan (met de zoon van Bonham als drummer), maar Robert Plant wilde niet meer. Dat duurt tot op de dag van vandaag voort.

Ik kende wel wat muziek van Led Zeppelin voordat ik aan dit boek begon, maar wat mij toch verraste is de veelzijdigheid aan muziekstijlen. Hardrock en heavy metal, dat zit erin, maar ook funk, folk, reggae, rock ‘n’ roll én Arabische, Indiase en Keltische invloeden zijn hoorbaar.

Is zo’n dik boek van zo’n 560 pagina’s leesbaar? Jawel, hoewel er makkelijk 100 pagina’s vanaf geredigeerd hadden kunnen worden. Het zijn wel heel veel door drank en drugs getekende tournees die beschreven worden. De redactie was het zelf ook een beetje kwijt want op pagina 322 en 344 staan een paar precies dezelfde zinnen.

Wat wel goed werkt is dat de auteur de biografie verrijkt met gefingeerde stukken over de bandleden. Gefingeerd, zo zegt hij zelf, maar wel na heel veel research en gesprekken. Hij heeft recht van spreken want Mick Wall kent Jimmy Page al zo’n twintig jaar. Zo’n stuk, in dit geval over Bonham leest dan als volgt;

Tegen de tijd dat je Robert ontmoette, wist je al dat je goed was. Dat was in de Oldhill Plaza, waar hij in een apenpak de presentatie verzorgde. Later trad hij op met zijn groep, The Crawling King Snakes, in een spijkerbroek en T-shirt. De groep was slecht en dat heb je hem achteraf ook verteld, maar hij was eigenlijk best goed. Dus zei je dat je hem een gunst zou doen en bood je aan met ze te spelen. Hij keek je aan en lachte naar je en je dacht dat hij je in de zeik nam en wilde hem bijna voor zijn bek slaan. Maar het was duidelijk dat hij goed kon zingen dus je zag het dit keer door de vingers.

Zo wordt het verhaal van de bandleden en hun manager tussen de feiten door dus ook nog verteld. Voor de liefhebber is er het online Led Zeppelin magazine op http://www.tightbutloose.co.uk/. Een liefhebber was ik al wel, maar dit boek heeft mij een stuk verder geholpen in mijn waardering voor de band en hun muziek.

Vertaling; Manon Berlang en Patricia Moerland

6e4fcbef542c660593652675451444341587343
Ooggetuigen van de Rock ‘n’ Roll van René van Stipriaan is een boek met meer dan 100 reportages over muziek, gevat in nog geen 400 pagina’s. Je voelt dan al op je klompen aan dat dit geen diepgravend geheel gaat worden en ik wist niet goed wat ik er van moest denken. Aan de andere kant, ik nam het mee op vakantie en daar zou het zo maar eens prima geschikt voor kunnen zijn.

Allereerst laten we de samensteller zelf maar eens aan het woord over wat hij beoogt met de artikelen in dit boek;

Ik heb me bij de selectie gericht op beschrijvingen van gebeurtenissen en niet op analyses van ontwikkelingen, stromingen dan wel randverschijnselen. Daar zijn andere boeken voor…Ook heb ik geen representatief overzicht van muziekstijlen willen geven, al heb ik me niet willen beperken tot alleen datgene wat direct met rock en blues te maken heeft. Het zal de lezer opvallen dat ik het begrip ‘rock ‘n’ roll’ ruim opvat, ook folk, country, soul en hiphop laat ik eronder vallen…

Vooral gebeurtenissen dus en dan vaak geput uit de memoires van directbetrokkenen. Met zulke korte artikelen komt er inderdaad een ware stortvloed over je heen. Een kleine greep; waarom blueszanger BB King zijn gitaren ‘Lucille’ noemt, de rel van folkzanger Bob Dylan die ineens elektrische gitaar speelt, de doden tijdens het Rolling Stones-concert in Altamont, de zelfmoordpoging van Tina Turner, de bizarre verbranding in de woestijn van countryzanger Gram Parsons, de duistere wereld waarin punkzanger Sid Vicious leeft en sterft en ga zo maar door.

Veel wist ik al maar er stond toch ook een hoop (voor mij) nieuwe informatie in. De royalties die zangeres Ruth Brown alsnog van de platenmaatschappij loskreeg na 25 jaar, de zangwedstrijd tussen Marvin Gaye en een twaalfjarige Stevie Wonder en het verblijf van folkzangeres Joan Baez in Noord-Vietnam. Ook is er soms zowaar wat achtergrondinformatie over hoe de beroemde (inmiddels voor doodslag veroordeelde) producer Phil Spector te werk ging maar die momenten zijn schaars. U kunt hier beter terecht als u wilt lezen over de dood van Buddy Holly, Brian Jones, Jim Morrison, Chet Baker, Kurt Cobain en Tupac Shakur.

Toch staan er ook mooie stukken in, zoals wanneer Carl Perkins merkt wat voor invloed hij op The Beatles heeft gehad. Perkins vertelt;

Ik had ‘I wanna hold your hand’ een keer gehoord. Mijn kinderen kwamen uit school, [begint met een spottende stem te zingen] ‘I wanna hold your hand’. En toen zei ik: ‘Die mafketels lijken net meisjes. Dat is toch niks.’ Maar Stan, mijn oudste zoon, zei: ‘George Harrison noemt jou zijn favoriete gitarist.’ ‘Dat kan me niet schelen,’ zei ik. ‘Het zijn mietjes.’ Ik maakte weliswaar een grapje, maar eigenlijk meende ik wat ik zei…Die avond zaten ze op de bank en ik zat op de grond, en John Lennon vroeg: ‘Hoe ben je in godsnaam begonnen met “Right String Baby”’
‘Waar heb je dat domme nummer dan gehoord?’ vroeg ik.
‘Wij hebben al je platen! En we speelden ze soms vertraagd af.’
George vertelde me dat hij zo gitaar had leren spelen.
‘Het zal wel geen opzet zijn geweest,’ zei ik, ‘maar jullie klinken net als die oude Sun Records.’
Op dat moment sprong John Lennon op van de bank. Ik dacht even dat hij me misschien een trap in mijn buik wou geven; wist ik veel wat hij van plan was. Hij zei: ‘Jongens, jullie hebben het gehoord.’ Hij boog zich naar me toe…sloeg zijn armen om me heen en kuste me op de wang.

Zo staan er nog wel wat leuke fragmenten in. Lezenswaardig zijn ook de artikelen over grote evenementen als Woodstock, het Altamont festival en de achtergronden van Band Aid en Live Aid.

Geen uitgebreide essays, maar voor wat diverterend leeswerk tussendoor voldoet het prima.

62250ccdeac392a5974656f6f77444341587343
In mijn vorige blog gaf ik al aan niet te lang te wachten met deel 2 van de rennersbiografieën van Fred van Slogteren. Biografieën van alle Nederlandse renners die in de Tour de France hebben gereden en deel 2 heet ook Als je de tour niet hebt gereden…maar gaat over de jaren 1972 – 1988 en heeft als ondertitel De jaren van overweldigend succes.

Het boek begint met een beschrijving van de vaak monsterlijk lange etappes. Zo was de tiende rit van de Tour in 1926 een rit van 326 kilometer. Beklimmingen van de Aubisque, de Tourmalet, de Aspin, de Peyresourde en nog wat minder zware bergen, maar onder extreme weersomstandigheden. De winnaar Lucien Buysse deed er ruimt zeventien uur over en er zouden maar 23 renners finishen. De reden voor die zware etappes waren eenvoudig; het zorgde voor grote oplages van de organiserende sportkrant L’Auto.

Beroemde namen in de Tourhistorie zijn de grote bazen Jacquet Goddet en Félix Lévitan. Van Slogteren is er helder over, de laatste heeft Jan Janssen een Touroverwinning door de neus geboord. Nederlandse ploegen als de beroemde formaties Panasonic, TI-Raleigh, PDM en Kwantum Hallen worden beschreven, maar ook de minder bekende als Frisol en Canady Dry.

De biografieën zijn ook weer de hoofdmoot en die geven erg veel informatie. Bijvoorbeeld over het dopinggebruik en hoe lastig het was om daar mee om te gaan, ook voor een grote renner en later ploegleider als Jan Raas;

Raas wist natuurlijk wat er speelde en wist ook dat na de Italianen en Spanjaarden ook de Fransen en Belgen de grenzen van de verzorging hadden verlegd. Maar zijn jongens waren schoon, maakte hij zichzelf te lang wijs. “De anderen rijden op superbenzine, terwijl wij het met gewone brandstof moeten doen”, werd in die periode een van zijn bekendste uitspraken. Als ploegleider liet hij zich echter niet meer op de rennerskamers zien, bang als hij was daar iets waar te nemen dat zijn naïeve geloof zou torpederen.

De vete tussen Peter Post en Jan Raas komt vaak terug en wordt vanuit verschillende renners belicht. Johan van der Velde, een groot wielrenner die verslaafd werd en inbraken ging plegen, Peter Winnen die de tekst schrijft voor een nummer van Guus Meeuwis, er staan weer talloze feiten en anekdotes in, maar ik houd van wielrennen en van dit soort boeken om verhalen als die van Jan Jonkers. Tweemaal gestart in de rondes van 1980 en 1981, maar heroïsch vanwege zijn finish in de klassieker Luik-Bastenaken-Luik 1980;

In het voorjaar ging hij als neoprof van start in Luik-Bastenaken-Luik. Onder barre weersomstandigheden…Terwijl de andere renners dik ingepakt van start gingen en meteorologisch op alles voorbereid waren, reed Jan met blote armen en benen, zonder overschoenen en zelfs geen handschoentjes. Van de tweehonderd gestarte renners bereikten er maar net twintig de finish. Bernard Hinault werd, gekleed als een poolreiziger, met een monstervoorsprong winnaar en over zijn prestatie wordt nog vaak geschreven. Over die van Jan niet, hoewel ook die totaal verkleumd als een van de weinigen de finish haalde.

In dit boek dus wel en als ik nu teruglees zie ik dat ik twee vergelijkbare fragmenten naar voren haal. Dat zou ik kunnen veranderen maar doe ik bewust niet, omdat deze verhalen het boek voor mij maken. De rest komt er als bonus bij, hoewel dat soms ook eye-openers zijn. Het epo-gebruik mag bijvoorbeeld teruggedrongen zijn, maar renners moeten presteren en gebruiken bijvoorbeeld wel zware, toegestane, preventieve pijnstillers. Die kunnen concentratieverlies veroorzaken en dus leiden tot valpartijen. Die wereld blijft ook volop in beweging. Ik heb weer gefascineerd zitten lezen en heb het derde en laatste deel al binnen. De lezer van dit blog moet er maar even doorheen bijten.